Rechtenmedia.nl - Juridische Online Uitgeverij  Rechtennieuws.nl | Jure.nl | Maxius.nl | Parlis.nl | Rechtenforum.nl | JBmatch.nl | MijnWetten.nl | AdvocatenZoeken.nl | Rechtentotaal.nl
Verordening hygiënemaatregelen en bestrijding zoönosen in de kalkoensector (PPE) 2011
Bwb-id:
Officiele titel:
Citeertitel:
Soort regeling:
Wetsfamilies:
Eerst verantwoordelijk ministerie:

Geldigheidsdatum:
Ingangsdatum:
Inhoudsopgave
+ Begripsbepalingen
+ Algemene hygiënemaatregelen
+ Hygiënemaatregelen
+ Onderzoek naar Salmonella
+ Maatregelen bij een besmetting
+ Hygiënemaatregelen
+ Onderzoek naar Salmonella
+ Maatregelen bij een besmetting
+ Hygiënemaatregelen
+ Onderzoek naar Salmonella en Campylobacter
+ Maatregelen bij een besmetting
+ Erkenning laboratoria, HOSOWO-instanties, ontsmettingsbedrijven en ongediertebestrijdingsbedrijven
+ Bestuursbesluiten houdende nadere regels
+ Administratie
+ Informatieoverdracht
+ Controle
+ Toezicht op de naleving
+ Strafbaarstelling en tuchtrechtelijke maatregelen
+ Ontheffing en vrijstelling
+ Slotbepalingen
Vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature

Juridisch advies nodig?
Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag
Geschiedenis

Geschiedenis-overzicht
Let op. Deze wet is vervallen op 1 januari 2015. U leest nu de tekst die gold op -.

Verordening hygiënemaatregelen en bestrijding zoönosen in de kalkoensector (PPE) 2011

Verordening van het Productschap Pluimvee en Eieren van 9 juni 2011, houdende vaststelling van hygiënemaatregelen en uitvoering van een nationaal programma ter zake van de bewaking en bestrijding van Salmonella en van de bewaking van Campylobacter in de kalkoensector (Verordening hygiënemaatregelen en bestrijding zoönosen in de kalkoensector (PPE) 2011)
Het bestuur van het Productschap Pluimvee en Eieren,
Gelet op de artikelen 3 en 3a van het Besluit bescherming tegen bepaalde zoönosen en bestrijding besmettelijke dierziekten en de artikelen 95 en 96 van de Regeling preventie, bestrijding en monitoring van besmettelijke dierziekten en zoönosen en TSE's;
Gelet op de artikelen 93, eerste lid, 95, 102 en 104 van de Wet op de bedrijfsorganisatie, en de artikelen 6 en 7 van het Instellingsbesluit Productschap Pluimvee en Eieren;
Gezien Richtlijn 2003/99/EG van het Europees Parlement en de Raad van 17 november 2003 inzake de bewaking van zoönoses en zoönoseverwekkers en houdende wijziging van Beschikking 90/424/EEG van de Raad en intrekking van Richtlijn 92/117/EEG van de Raad (PbEU L 325), Verordening (EG) nr. 2160/2003 van het Europees Parlement en de Raad van 17 november 2003 inzake de bestrijding van Salmonella en andere specifieke door voedsel overgedragen zoönoseverwekkers (PbEU L 325) en;
Gezien de Wet tuchtrechtspraak bedrijfsorganisatie 2004;
Besluit:
Artikel 1
In deze Verordening en de daarop berustende besluiten wordt verstaan onder:pluimvee en eieren
1 kalkoenen : pluimvee van de soort meleagris gallopavo, dat wordt opgefokt of gehouden voor de productie van broedeieren of vlees;
2 vermeerderingskalkoenen : kalkoenen van 72 uur en ouder bestemd voor de productie van broedeieren die zijn bestemd voor de productie van vleeskalkoenen;
3 fokkalkoenen : kalkoenen van 72 uur en ouder bestemd voor de productie van broedeieren die zijn bestemd voor de productie van fokkalkoenen of vermeerderingskalkoenen;
4 vleeskalkoenen : kalkoenen van 72 uur en ouder die worden gehouden voor de productie van vlees;
5 broedeieren : eieren afkomstig van kalkoenen, bestemd om te worden bebroed;
6 stalkoppel : alle kalkoenen met dezelfde gezondheidsstatus die in dezelfde stal of binnen dezelfde uitloopruimte worden geplaatst of gehouden en die een epidemiologische eenheid vormen;
soort bedrijf
7 kalkoenbedrijf : inrichting die wordt gebruikt voor het opfokken, fokken of houden van fokkalkoenen of vleeskalkoenen;
8 fokbedrijf : kalkoenbedrijf dat zich toelegt op de productie van broedeieren, bestemd voor de productie van fokkalkoenen of vermeerderingskalkoenen;
9 vermeerderingsbedrijf : kalkoenbedrijf dat zich toelegt op de productie van broedeieren, bestemd voor de productie van vleeskalkoenen;
10 opfokbedrijf : kalkoenbedrijf dat zich toelegt op het opfokken van fokkalkoenen of vermeerderingskalkoenen tot het voortplantingsstadium;
11 vleeskalkoenbedrijf : kalkoenbedrijf dat zich toelegt op het houden van vleeskalkoenen;
12 kalkoenkuikenbroederij : inrichting die wordt gebruikt voor het inleggen en uitbroeden van broedeieren onderscheidenlijk inrichting waarin één of meerdere vorengenoemde handelingen worden verricht;
overige bepalingen
13 ondernemer : een natuurlijk persoon of rechtspersoon die een kalkoenbedrijf of een kalkoenkuikenbroederij uitoefent;
14 bedrijfsgebouw : het gebouw waarin kalkoenen worden gehouden of broedeieren zijn ingelegd en de tot het gebouw behorende voorruimte, stallen en lokalen en, in voorkomend geval, de vrije uitloopruimte;
15 stal : een afgesloten ruimte met eigen ventilatievoorziening bedoeld om kalkoenen te houden; Voor kalkoenbedrijven met vrije uitloop zijn openingen noodzakelijk voor de vrije uitloop toegestaan;
16 hygiëneonderzoek : een onderzoek uitgevoerd door GD of de ondernemer die een kalkoenkuikenbroederij uitoefent naar de hygiënestatus van een kalkoenkuikenbroederij nadat deze is gereinigd en ontsmet;
17 ruimen : het op last van de voorzitter verwijderen van kalkoenen van het kalkoenbedrijf of de kalkoenkuikenbroederij en het vervolgens laten doden en vernietigen dan wel verwerken van kalkoenen(vlees);
18 verwerken : het zodanig behandelen van broedeieren van een met Salmonella besmet stalkoppel dat de uitschakeling van Salmonella is gewaarborgd overeenkomstig de communautaire wetgeving inzake levensmiddelenhygiëne.

Voor het overige worden de begripsbepalingen van de Verordening hygiënemaatregelen en bestrijding zoönosen in pluimveebedrijven en kuikenbroederijen (PPE) 2011 overgenomen.
1.
De ondernemer draagt zorg voor het volgende of neemt het volgende in acht:
a. de aanwezigheid van andere dieren dan kalkoenen binnen de bedrijfsgebouwen is verboden;
b. indien een huisdier, landbouwhuisdier of ander pluimvee, sier- of nutsgevogelte wordt gehouden op het perceel waar het kalkoenbedrijf of de kalkoenkuikenbroederij wordt uitgeoefend, wordt dit dier zodanig gehouden en verzorgd dat het niet in het bedrijfsgebouw kan komen en het strikt gescheiden blijft van de kalkoenen en de broedeieren;
c. het bedrijfsgebouw is zodanig ingericht dat vogels het bedrijfsgebouw niet kunnen binnenkomen;
d. nadat de kalkoenen uit de stal zijn afgevoerd verwijdert de ondernemer onverwijld de in de stal aanwezige mest en het strooisel en reinigt en ontsmet hij vervolgens onverwijld de stal.
e. na afvoer van kalkoenen reinigt en ontsmet de ondernemer die een kalkoenkuikenbroederij uitoefent onverwijld de gebruikte lokalen en broedkasten.
f. de ondernemer zorgt voor een adequate bestrijding van ongedierte.
g. de ondernemer zorgt er voor dat een ongediertebestrijdingsplan op het bedrijf aanwezig is en dat dit wordt uitgevoerd. In het geval een ongediertebestrijdingsbedrijf is ingeschakeld moet dit ten minste één maal per twee maanden op het bedrijf ongedierte komen bestrijden;
h. de resultaten van acties met betrekking tot wering, signalering en bestrijding van ongedierte worden vastgelegd;
i. het ongediertebestrijdingsplan bevat maatregelen die moeten worden genomen als de resultaten, bedoeld in h., hiertoe aanleiding geven;
j. de ondernemer laat de kwaliteit van het drinkwater bestemd voor het pluimvee onderzoeken overeenkomstig een door het bestuur vast te stellen besluit;
k. de inrichting van een stal is zodanig dat deze eenvoudig kan worden gereinigd;
l. het perceel waarop het bedrijfsgebouw staat, is zodanig ingericht dat de perceelgrenzen herkenbaar zijn en dat voor bezoekers duidelijk is waar zij zich moeten melden;
m. het bedrijfsgebouw, de inventaris en de directe omgeving van het bedrijfsgebouw zijn schoon, zodanig dat geen ongedierte wordt aangetrokken;
n. het bedrijfsgebouw is zodanig ingericht dat ongehinderde toegang door derden niet mogelijk is;
o. in het bedrijfsgebouw is een voorruimte aanwezig die volledig is afgescheiden van de stal waarin de kalkoenen worden gehouden;
p. tussen de voorruimte en de stal is een fysieke scheiding aangebracht in een bufferdeel en een deel waarin de kalkoenen worden gehouden;
q. in het schone deel van het bedrijfsgebouw is voldoende visueel schoon schoeisel aanwezig;
r. indien op een kalkoenbedrijf meerdere leeftijdsgroepen kalkoenen aanwezig zijn, is per leeftijdsgroep in de fysieke scheiding in het bedrijfsgebouw visueel schone bedrijfskleding aanwezig en wordt er op toegezien dat personen het schone deel van het bedrijfsgebouw slechts betreden indien zij visueel schone bedrijfskleding hebben aangetrokken die hoort bij de betreffende leeftijdsgroep;
s. de loop- of rijroutes van en naar het bedrijfsgebouw zijn zodanig verhard dat deze deugdelijk gereinigd kunnen worden;
t. op het perceel is een functionerende afwatering ten opzichte van het bedrijfsgebouw aanwezig;
u. de voedersilo is aan de buitenkant visueel schoon, is geplaatst op een verharde ondergrond en wordt van buiten de stal gevuld; indien meerdere voedersilo's op het bedrijf aanwezig zijn, is iedere voedersilo voorzien van een bedrijfsuniek nummer;
v. bij het lossen van het voeder wordt gebruik gemaakt van een bedrijfseigen of eenmalig te gebruiken stofopvangmiddel;
w. voeder, bodem- en neststrooisel en verpakkingsmateriaal worden zodanig opgeslagen dat deze schoon, droog en schimmelvrij blijven;
x. voeder dat na het afvoeren van de kalkoenen uit de stal nog aanwezig is in het voedersysteem van de stal, wordt afgevoerd, voor het plaatsen van een nieuw stalkoppel kalkoenen.
2.
Het bestuur kan bij besluit nadere regels vaststellen over het in het eerste lid bepaalde.
Artikel 3
De ondernemer die een fokbedrijf, opfokbedrijf of vermeerderingsbedrijf uitoefent mag een stalkoppel pas in de stal plaatsen nadat hij de stal heeft gereinigd en ontsmet. Hij is verplicht om één maal per kalenderjaar na het reinigen en ontsmetten van de stal een hygiënogram in de stal te laten uitvoeren en de vervolgmaatregelen te nemen die op basis van de uitslag van het hygiënogram zijn voorgeschreven, voordat hij een stalkoppel in de stal plaatst.
1.
De ondernemer die een fokbedrijf, opfokbedrijf of vermeerderingsbedrijf uitoefent draagt er zorg voor dat een onderzoek naar de aanwezigheid van Salmonella van alle op zijn bedrijf aanwezige stalkoppels plaatsvindt door middel van het nemen van monsters, detectie en, in geval van Salmonella, serotypering.
2.
Indien het voor detectie van Salmonella erkende laboratorium de aanwezigheid van Salmonella in de in het eerste lid bedoelde monsters heeft gedetecteerd, laat de ondernemer die een fokbedrijf, opfokbedrijf of vermeerderingsbedrijf uitoefent deze monsters onverwijld na de detectie serotyperen door een voor serotypering erkend laboratorium.
3.
Indien het voor serotypering erkende laboratorium het serotype Salmonella Enteritidis of Salmonella Typhimurium dan wel enig ander door het bestuur bij besluit vast te stellen serotype Salmonella in de in het eerste lid bedoelde monsters heeft bepaald, draagt de ondernemer die een fokbedrijf, opfokbedrijf of vermeerderingsbedrijf uitoefent er zorg voor dat dit binnen één werkdag nadat de uitslag van de serotypering bij hem bekend is, aan de voorzitter en aan GD is gemeld.
4.
Na de melding als bedoeld in het derde lid kan de voorzitter door GD een verificatieonderzoek laten uitvoeren van het bemonsterde stalkoppel.
5.
In het geval de voorzitter het in het vierde lid bedoelde verificatieonderzoek laat uitvoeren, is het de ondernemer die een fokbedrijf, opfokbedrijf of vermeerderingsbedrijf uitoefent niet toegestaan de aanwezige kalkoenen en broedeieren van het bedrijf af te voeren totdat de voorzitter hiervoor toestemming geeft.
1.
De ondernemer die een fokbedrijf, opfokbedrijf of vermeerderingsbedrijf uitoefent, handelt in overeenstemming met het in artikel 2 van Verordening (EG) nr. 1177/2006 neergelegde verbod op het gebruik van antimicrobiële stoffen.
2.
De voorzitter stelt op grond van de uitslag van de serotypering als bedoeld in artikel 4, tweede lid, dan wel van het verificatieonderzoek als bedoeld in artikel 4, vierde lid, een besmetting met een bepaald serotype Salmonella vast bij een stalkoppel fokkalkoenen of vermeerderingskalkoenen, en meldt deze vaststelling schriftelijk aan de ondernemer die een fokbedrijf, opfokbedrijf of vermeerderingsbedrijf uitoefent.
3.
De ondernemer die een fokbedrijf, opfokbedrijf of vermeerderingsbedrijf uitoefent laat een met het serotype Salmonella Enteritidis of Salmonella Typhimurium besmet stalkoppel ruimen en de broedeieren van dit stalkoppel verwerken of vernietigen, nadat hij een daartoe strekkende last van de voorzitter heeft gekregen.
4.
De ondernemer die een fokbedrijf, opfokbedrijf of vermeerderingsbedrijf uitoefent is gehouden om de in het derde lid bedoelde last onverwijld op te volgen.
5.
In het geval de voorzitter een besmetting met Salmonella bij een stalkoppel heeft vastgesteld, reinigt en ontsmet de ondernemer die een fokbedrijf, opfokbedrijf of vermeerderingsbedrijf uitoefent onverwijld de stal na het laten ruimen van het stalkoppel dan wel na het afvoeren van het stalkoppel uit de stal.
6.
De ondernemer die een fokbedrijf, opfokbedrijf of vermeerderingsbedrijf uitoefent laat na het reinigen en ontsmetten als bedoeld in het vijfde lid onverwijld een stalonderzoek uitvoeren.
7.
Indien op grond van het stalonderzoek als bedoeld in het zesde lid, Salmonella in de stal is aangetoond, herhaalt de ondernemer die een fokbedrijf, opfokbedrijf of vermeerderingsbedrijf uitoefent de in het vijfde lid bedoelde reiniging en ontsmetting, totdat geen Salmonella meer in de stal wordt aangetoond.
8.
Na de herhaalde reiniging en ontsmetting als bedoeld in het zevende lid, laat de ondernemer die een fokbedrijf, opfokbedrijf of vermeerderingsbedrijf opnieuw een stalonderzoek uitvoeren, totdat geen Salmonella meer in de stal wordt aangetoond.
9.
Slechts indien op grond van het stalonderzoek als bedoeld in het zesde of achtste lid bedoelde onderzoek geen Salmonella meer in de stal wordt aangetoond, mag de ondernemer die een fokbedrijf, opfokbedrijf of vermeerderingsbedrijf uitoefent, een stalkoppel in de stal plaatsen.
1.
De ondernemer die een kalkoenkuikenbroederij uitoefent mag pas broedeieren inleggen nadat hij de gebruikte lokalen en broedkasten heeft gereinigd en ontsmet.
2.
De ondernemer die een kalkoenkuikenbroederij uitoefent is verplicht om zes keer per kalenderjaar na het reinigen en ontsmetten een hygiëneonderzoek in de kuikenbroederij te laten uitvoeren door GD.
3.
De ondernemer die een kalkoenkuikenbroederij uitoefent mag een deel van het in het tweede lid bedoelde hygiëneonderzoek zelf uitvoeren.
1.
De ondernemer die een kalkoenkuikenbroederij uitoefent draagt er zorg voor dat een onderzoek naar de aanwezigheid van Salmonella plaatsvindt door middel van het nemen van monsters, detectie en, in geval van Salmonella, serotypering.
2.
Indien het voor detectie van Salmonella erkende laboratorium de aanwezigheid van Salmonella in de in het eerste lid bedoelde monsters heeft gedetecteerd, laat de ondernemer die een kalkoenkuikenbroederij uitoefent deze monsters onverwijld na de detectie serotyperen door een voor serotypering erkend laboratorium.
3.
Indien het voor serotypering erkende laboratorium het serotype Salmonella Enteritidis of Salmonella Typhimurium dan wel enig ander door het bestuur bij besluit vast te stellen serotype Salmonella in de in het eerste lid bedoelde monsters heeft bepaald, draagt de ondernemer die een kalkoenkuikenbroederij uitoefent er zorg voor dat dit serotype Salmonella binnen één werkdag nadat de uitslag van de serotypering bij hem bekend is aan de voorzitter en aan GD is gemeld.
4.
Na de melding als bedoeld in het derde lid kan de voorzitter door GD een verificatieonderzoek laten uitvoeren bij het stalkoppel fokkalkoenen of vermeerderingskalkoenen dat de broedeieren heeft geproduceerd waarvan de monsters afkomstig zijn.
1.
De voorzitter stelt op grond van de uitslag van de serotypering als bedoeld in artikel 4, tweede lid, of artikel 7, tweede lid, dan wel van het verificatieonderzoek als bedoeld in artikel 4, vierde lid, of artikel 7, vierde lid, een besmetting met een bepaald serotype Salmonella vast bij het stalkoppel fokkalkoenen of vermeerderingskalkoenen dat de broedeieren heeft geproduceerd waarvan de monsters als bedoeld in artikel 7 afkomstig zijn, en meldt deze vaststelling schriftelijk aan de ondernemer die een kalkoenkuikenbroederij uitoefent.
2.
De ondernemer die een kalkoenkuikenbroederij uitoefent neemt de volgende maatregelen indien het in het eerste lid bedoelde stalkoppel fokkalkoenen of vermeerderingskalkoenen is besmet met het serotype Salmonella Enteritidis of Salmonella Typhimurium, nadat hij een daartoe strekkende last van de voorzitter heeft gekregen:
a. alle broedeieren die door het besmette stalkoppel fokkalkoenen of vermeerderingskalkoenen zijn geproduceerd en die reeds in de kalkoenkuikenbroederij zijn ingelegd, te laten behandelen als categorie 2-materiaal in de zin van Verordening (EG) nr. 1069/2009;
b. alle broedeieren die door het besmette stalkoppel fokkalkoenen of vermeerderingskalkoenen zijn geproduceerd en die in de kalkoenkuikenbroederij aanwezig zijn maar nog niet zijn ingelegd, een zodanige behandeling te laten ondergaan dat de uitschakeling van Salmonella gewaarborgd is;
c. alle broedeieren die door het besmette stalkoppel fokkalkoenen of vermeerderingskalkoenen zijn geproduceerd en die in de kalkoenkuikenbroederij aanwezig zijn, te laten vernietigen;
d. de in de kalkoenkuikenbroederij aanwezige kalkoenen die afkomstig zijn uit broedeieren die door het besmette stalkoppel fokkalkoenen of vermeerderingskalkoenen zijn geproduceerd, te ruimen.
3.
De ondernemer die een kalkoenkuikenbroederij uitoefent is gehouden de in het tweede lid bedoelde last onverwijld op te volgen.
Artikel 9
De ondernemer die een vleeskalkoenbedrijf uitoefent mag een stalkoppel vleeskalkoenen pas in de stal plaatsen nadat hij de stal heeft gereinigd en ontsmet. Hij is verplicht om één maal per kalenderjaar na het reinigen en ontsmetten van de stal waarin kalkoenen jonger dan 72 uur worden geplaatst, een hygiënogram in de stal te laten uitvoeren en de vervolgmaatregelen te nemen die op basis van de uitslag van het hygiënogram zijn voorgeschreven.
1.
De ondernemer die een vleeskalkoenbedrijf uitoefent draagt er zorg voor dat een onderzoek naar de aanwezigheid van Salmonella van alle op zijn bedrijf aanwezige stalkoppels vleeskalkoenen plaatsvindt door middel van het nemen van monsters, detectie en, in geval van Salmonella, serotypering.
2.
Indien het voor detectie van Salmonella erkende laboratorium de aanwezigheid van Salmonella in de in het eerste lid bedoelde monsters heeft gedetecteerd, laat de ondernemer die een vleeskalkoenbedrijf uitoefent deze monsters onverwijld na de detectie serotyperen door een voor serotypering erkend laboratorium.
3.
[Vervallen.]
4.
Indien het voor serotypering erkende laboratorium het serotype Salmonella in de in het eerste lid bedoelde monsters heeft bepaald draagt de ondernemer die een vleeskalkoenbedrijf uitoefent er zorg voor dat deze uitslagen binnen een door het bestuur bij besluit te bepalen termijn aan de voorzitter zijn gemeld.
1.
De ondernemer die een vleeskalkoenbedrijf uitoefent handelt in overeenstemming met het in artikel 2 van Verordening (EG) nr. 1177/2006 neergelegde verbod op het gebruik van antimicrobiële stoffen.
2.
Nadat de ondernemer die een vleeskalkoenbedrijf uitoefent door het erkende laboratorium op grond van de uitslag van de serotypering in kennis is gesteld van een besmetting met Salmonella, reinigt en ontsmet hij de betreffende stal onverwijld na het afvoeren van het stalkoppel vleeskalkoenen uit deze stal.
3.
Na het reinigen en ontsmetten als bedoeld in het tweede lid laat de ondernemer die een vleeskalkoenbedrijf uitoefent onverwijld een stalonderzoek uitvoeren.
4.
Nadat in het kader van het stalonderzoek als bedoeld in het derde lid monsters zijn genomen, mag de ondernemer die een vleeskalkoenbedrijf uitoefent een stalkoppel vleeskalkoenen in de stal plaatsen in afwachting van de uitslag van het stalonderzoek. Indien uit de uitslag van het stalonderzoek blijkt dat Salmonella in de stal is aangetoond, laat de ondernemer die een vleeskalkoenbedrijf uitoefent de stal, na het afvoeren van dit stalkoppel vleeskalkoenen, ontsmetten door een ontsmettingsbedrijf.
5.
Indien de ondernemer die een vleeskalkoenbedrijf uitoefent door het erkende laboratorium op grond van de uitslag van de serotypering in kennis is gesteld van een besmetting met Salmonella, neemt deze ondernemer de door het bestuur bij besluit vastgestelde maatregelen ten aanzien van het vangen en afvoeren van de vleeskalkoenen van het bedrijf alsmede ten aanzien van het graan dat hij aan het stalkoppel vleeskalkoenen voert.
1.
De voorzitter laat bij de ondernemer die een fokbedrijf, vermeerderingsbedrijf of vleeskalkoenbedrijf uitoefent in door het bestuur bij besluit genoemde gevallen een onderzoek verrichten naar de aanwezigheid van Salmonella van op zijn bedrijf aanwezige stalkoppels, door middel van het nemen van monsters, detectie, serotypering en een verificatieonderzoek.
2.
De ondernemer die een fokbedrijf, vermeerderingsbedrijf of vleeskalkoenbedrijf uitoefent is verplicht om mee te werken aan het in het eerste lid bedoelde onderzoek.
1.
De detectie van Salmonella als bedoeld in de artikelen 4, 7, 10 en 12 wordt uitgevoerd door een voor detectie van Salmonella erkend laboratorium. De serotypering als bedoeld in de artikelen 4, 7, 10 en 12 wordt uitgevoerd door een voor serotypering van Salmonella erkend laboratorium.
2.
De voorzitter is belast met de erkenning van laboratoria als bedoeld in deze verordening. Het bestuur stelt bij besluit nadere regels vast ten aanzien van de erkenningsvoorwaarden van laboratoria.
3.
De voorzitter is belast met de erkenning van HOSOWO-instanties, ontsmettingsbedrijven en ongediertebestrijdingsbedrijven als bedoeld in deze verordening. Het bestuur stelt bij besluit nadere regels vast ten aanzien van de erkenningsvoorwaarden van HOSOWO-instanties, ontsmettingsbedrijven en ongediertebestrijdingsbedrijven.
1.
Het bestuur stelt bij besluit nadere regels vast ten aanzien van de wijze waarop, het tijdstip waarop en de frequentie waarmee het hygiënogram als bedoeld in de artikelen 3 en 9 en het hygiëneonderzoek als bedoeld artikel 6 worden uitgevoerd alsmede ten aanzien van de vervolgmaatregelen die de ondernemer op basis van de uitslag van het hygiënogram of het hygiëneonderzoek neemt.
2.
Het bestuur stelt bij besluit nadere regels vast ten aanzien van de wijze, het tijdstip en de frequentie van de monsterneming, de detectie en de serotypering als bedoeld in de artikelen 4, 7, 10 en 12 alsmede ten aanzien van het verificatieonderzoek als bedoeld in de artikelen 4, 7 en 12.
3.
Het bestuur stelt bij besluit nadere regels vast ten aanzien van het ruimen, het verwerken of vernietigen van de broedeieren, het reinigen en ontsmetten en het stalonderzoek als bedoeld in artikel 5, ten aanzien van de maatregelen als bedoeld in artikel 8, alsmede ten aanzien van het afvoeren van het stalkoppel uit de stal, het reinigen en ontsmetten, het stalonderzoek en de maatregelen als bedoeld in artikel 11.
1.
De ondernemer houdt een deugdelijke administratie bij inzake de monsters die hij heeft genomen, inzake de uitslagen van het hygiënogram, het hygiëneonderzoek, het drinkwateronderzoek, de detectie, de serotypering en het verificatieonderzoek, en inzake facturen, als gevolg van verplichtingen vastgelegd bij of krachtens deze verordening.
2.
De in het eerste lid bedoelde administratie is zodanig ingericht dat deze te allen tijde aan een door het bestuur aangewezen toezichthouder het benodigde inzicht kan verschaffen over de naleving van de bij of krachtens deze verordening vastgelegde voorschriften en verplichtingen.
3.
De ondernemer bewaart de uitslagen van het hygiënogram, het hygiëneonderzoek, het drinkwateronderzoek, de detectie, de serotypering en het verificatieonderzoek gedurende ten minste twee jaren na ontvangst.
4.
Het bestuur stelt bij besluit nadere regels vast ten aanzien van het bepaalde in het eerste, tweede en derde lid.
1.
De ondernemer verstrekt tijdig de monsters als bedoeld in de artikelen 4, 7 en 10 aan het voor detectie van Salmonella erkende laboratorium aan het voor serotypering erkende laboratorium.
2.
De ondernemer meldt tijdig de uitslagen van de detectie en de serotypering als bedoeld in de artikelen 4, 7 en 10 en van het verificatieonderzoek als bedoeld in de artikelen 4 en 7 schriftelijk aan de ondernemer die de betrokken kalkoenen of broedeieren aan hem heeft geleverd en aan de ondernemer die de betrokken kalkoenen of broedeieren van hem heeft ontvangen. Indien de leverancier of de afnemer niet de juiste uitslagen heeft ontvangen, kan de voorzitter de leverancier of afnemer hierop wijzen.
3.
De ondernemer meldt tijdig de uitslagen van de detectie en de serotypering als bedoeld in de artikelen 4, 7 en 10 aan de voorzitter en de uitslagen van de detectie en de serotypering als bedoeld in de artikelen 4 en 7 tevens aan GD.
4.
Het bestuur stelt bij besluit nadere regels vast ten aanzien van de wijze waarop, het tijdstip waarop en de frequentie waarmee de ondernemer de in het eerste lid bedoelde monsters verstrekt en de in het tweede en derde lid bedoelde uitslagen meldt alsmede ten aanzien van de hoedanigheid van de leverancier en de afnemer als bedoeld in het tweede lid.
1.
De ondernemer die een kalkoenbedrijf uitoefent laat zich ten minste één maal per kalenderjaar op eigen kosten door een erkende controle-instantie controleren op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze verordening.
2.
De ondernemer die een kalkoenkuikenbroederij uitoefent laat zich iedere zes maanden op eigen kosten door een erkende controle-instantie controleren op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze verordening.
3.
De in het eerste en tweede lid bedoelde controle-instantie kan op aanvraag worden erkend door de voorzitter indien zij voldoet aan door het bestuur bij besluit vastgestelde erkenningsvoorwaarden welke strekken tot waarborg van de onafhankelijkheid en expertise van de controle-instantie.
4.
De voorzitter kan aan een erkenning nadere voorschriften en voorwaarden verbinden. De voorzitter kan de erkenning intrekken indien is vastgesteld dat niet langer aan de erkenningsvoorwaarden of de aan de erkenning verbonden nadere voorschriften en voorwaarden wordt voldaan.
1.
Met uitzondering van het bij of krachtens artikel 5, eerste, vierde, vijfde en zevende lid, artikel 8, derde lid en artikel 11, eerste en tweede lid, bepaalde, wordt het toezicht op de naleving van het bij of krachtens de verordening bepaalde namens het productschap uitgeoefend door toezichthouders die hiervoor door het bestuur bij besluit zijn aangewezen.
2.
De ondernemer is verplicht:
a. aan de door het bestuur aangewezen toezichthouders al die gegevens te verstrekken of te doen verstrekken, die nodig zijn voor de vervulling van hun taak;
b. aan de door het bestuur aangewezen toezichthouders inzage te geven of te doen geven van die boeken en bescheiden, die nodig zijn voor de vervulling van hun taak;
c. aan de door het bestuur aangewezen toezichthouders te allen tijde toegang te geven of te doen geven tot de bedrijfsruimten en tot die plaatsen of vervoermiddelen, waar of waarin voorraden, tot het bedrijf van de ondernemer behorende, zijn opgeslagen of worden vervoerd;
d. te gedogen dat de door het bestuur aangewezen toezichthouders monsters nemen uit de voorraden, waaronder begrepen verpakkingsmateriaal, van het bedrijf van de ondernemer, ongeacht de plaats waar of waarin zich die voorraden bevinden en alsdan de van hem gevorderde medewerking verlenen overeenkomstig de aanwijzingen en het toezicht van die toezichthouders;
e. voor het overige alle medewerking te verlenen ter vervulling van de aan de toezichthouders opgedragen taak.
3.
De in het eerste lid bedoelde toezichthouders zijn bevoegd om berechtingsrapporten op te maken ten behoeve van tuchtrechtelijke afhandeling van overtredingen van het bij of krachtens deze verordening bepaalde, met uitzondering van het bij of krachtens artikel 5, eerste, vierde, vijfde en zevende lid, artikel 8, derde lid en artikel 11, eerste en tweede lid, bepaalde.
1.
Overtreding van het bij of krachtens artikel 5, eerste, vierde, vijfde en zevende lid, artikel 8, derde lid en artikel 11, eerste en tweede lid, bepaalde, is een strafbaar feit.
2.
Op overtreding van het bepaalde bij of krachtens de overige artikelen van deze verordening worden tuchtrechtelijke maatregelen gesteld zoals voorzien in de Wet tuchtrechtspraak bedrijfsorganisatie 2004 .
1.
De voorzitter kan, binnen het kader van door het bestuur bij besluit vastgestelde richtlijnen en voor zover het belang van de bewaking en bestrijding van Salmonella zich daartegen niet verzet, op schriftelijk verzoek van de ondernemer ontheffing aan de ondernemer verlenen van het bepaalde in artikel 2, eerste lid, artikel 3, artikel 6, artikel 9, artikel 11, vijfde lid, en artikel 17, eerste en tweede lid, en aan zodanige ontheffing voorschriften en beperkingen verbinden.
2.
Het bestuur kan bij besluit vrijstelling aan ondernemers dan wel aan een groep van te onderscheiden categorieën ondernemers verlenen van het bepaalde in artikel 2, eerste lid, artikel 3, artikel 6, artikel 9, artikel 11, vijfde lid, en artikel 17, eerste en tweede lid, en aan een zodanige vrijstelling voorschriften en beperkingen verbinden.
3.
Een verleende ontheffing kan te allen tijde door de voorzitter worden ingetrokken en een verleende vrijstelling kan te allen tijde door het bestuur worden ingetrokken.
Artikel 21
De door het productschap uit hoofde van deze verordening verkregen gegevens worden in handen gesteld van de voorzitter en worden, behoudens bij of krachtens de wet te bepalen gevallen, niet aan derden verstrekt.
Artikel 22
De op grond van deze verordening door het bestuur vast te stellen besluiten worden gepubliceerd in het Verordeningenblad Bedrijfsorganisatie.
1.
De Verordening hygiënevoorschriften kalkoenhouderij (PPE) 2009 wordt ingetrokken.
2.
Elke verwijzing naar de Verordening hygiënevoorschriften kalkoenhouderij (PPE) 2009 in de regelgeving van het productschap wordt geacht te verwijzen naar deze verordening.
1.
Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening hygiënemaatregelen en bestrijding zoönosen in de kalkoensector (PPE) 2011.
2.
Deze verordening treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dag van dagtekening van het Verordeningenblad Bedrijfsorganisatie waarin zij wordt geplaatst.
Zoetermeer, 9 juni 2011
voorzitter
secretaris