Rechtenmedia.nl - Juridische Online Uitgeverij  Rechtennieuws.nl | Jure.nl | Maxius.nl | Parlis.nl | Rechtenforum.nl | JBmatch.nl | MijnWetten.nl | AdvocatenZoeken.nl | Rechtentotaal.nl
Verhoging van het algemene BTW-tarief, overgangsregeling
Bwb-id:
Officiele titel:
Citeertitel:
Soort regeling:
Wetsfamilies:
Eerst verantwoordelijk ministerie:

Geldigheidsdatum:
Ingangsdatum:
Inhoudsopgave
Overgangsregeling algemeen
Telefoonkaarten
Tijdstip waarop prestaties worden verricht; doorlopende prestaties
Levering van auto’s (en motoren) met een ‘2001-kenteken’
Overgangsregeling voor de (op)levering van onroerende zaken
Meerwerk
Minderwerk
(op)levering van roerende zaken; diensten
Vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature

Juridisch advies nodig?
Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag
Geschiedenis

Geschiedenis-overzicht
Let op. Deze wet is vervallen op 9 september 2006. U leest nu de tekst die gold op 8 september 2006.

Verhoging van het algemene BTW-tarief, overgangsregeling

Verhoging van het algemene BTW-tarief, overgangsregeling
Op grond van artikel VII van Hoofdstuk 1, van de Wet van 11 mei 2000, Stb. 216 (Invoeringswet Wet inkomstenbelasting 2001) wordt het algemene BTW-tarief met ingang van 1 januari 2001 verhoogd van 17,5% tot 19%. In artikel III van hoofdstuk 2, van deze wet is het overgangsrecht (hierna: de overgangsregeling) opgenomen.
Overgangsregeling algemeen
Uitgangspunt van de overgangsregeling is dat prestaties zijn onderworpen aan het BTW-tarief dat van kracht is op het tijdstip waarop de prestatie wordt verricht. Dit tarief kan afwijken van het BTW-tarief dat geldt op het tijdstip waarop de omzetbelasting, op grond van artikel 13 van de Wet op de omzetbelasting 1968 (de Wet), verschuldigd wordt.
Het eerste lid van de overgangsregeling regelt de situatie waarin een aan het algemene tarief onderworpen prestatie wordt verricht vóór 1 januari 2001 en de omzetbelasting verschuldigd wordt na deze datum. Op deze prestatie blijft het BTW-tarief van 17,5% van toepassing.
Het tweede lid van de overgangsregeling regelt de situatie waarin vóór 1 januari 2001 (in verband met vooruitbetalingen of het vooruit factureren) omzetbelasting verschuldigd wordt ter zake van een aan het algemene tarief onderworpen prestatie die na 31 december 2000 wordt verricht. In dit geval wordt de in 2000 verschuldigde belasting berekend naar het tarief van 17,5%, waarbij op 1 januari 2001 nog eens 1,5% verschuldigd wordt (zie echter hierna).
Telefoonkaarten
Ter zake van de verkoop van telefoonkaarten met een beltegoed, die worden verkocht door ondernemers die zelf over telecommunicatiecapaciteit beschikken (de ‘echte’ telecommunicatiemaatschappijen) of door ondernemers die daartoe telecommunicatiecapaciteit hebben ingekocht bij echte telecommunicatiemaatschappijen en deze capaciteit op eigen naam doorverkopen, is omzetbelasting verschuldigd op het tijdstip waarop de telefoonkaart wordt verkocht. De vergoeding die voor de telefoonkaart wordt betaald, wordt beschouwd als de vooruitbetaling voor de met de telefoonkaart af te nemen telecommunicatiediensten. Bij de hier bedoelde ‘echte’ telefoonkaarten gaat het om kaarten die uitsluitend worden gebruikt voor telecommunicatiediensten; hierbij maakt het geen verschil of het beltegoed wordt bijgehouden op de telefoonkaart zelf (met een op de kaart aangebrachte chip) of in een centrale database van de ondernemer die de kaart heeft uitgegeven. Telefoonkaarten die vóór 1 januari 2001 zijn verkocht, zijn onderworpen aan het BTW-tarief van 17,5%. Voor zover deze kaarten bij de jaarwisseling nog een beltegoed bevatten, moet de ondernemer die de kaart heeft uitgegeven, alsnog het verschil tussen 19% en 17,5% aangeven.
Overigens heeft het besluit van 19 juli 1995, nr. VB 94/2220, Infobulletin 95/647, in zoverre zijn actualiteitswaarde verloren, dat ‘optisch leesbare kaarten’ thans niet meer bestaan, en dat de in het besluit genoemde ‘chipkaarten’ thans moeten worden onderscheiden in:
de ‘echte’ telefoonkaarten (chipkaarten die uitsluitend worden gebruikt voor telecommunicatiediensten); deze chipkaarten worden behandeld als is aangegeven in onderdeel A (Optisch leesbare telefoonkaart) van het besluit van 19 juli 1995, en
de multifunctionele kaarten (chipkaarten die kunnen worden gebruikt voor de betaling van allerlei verschillende prestaties, met inbegrip van telecommunicatiediensten); deze chipkaarten worden behandeld als is aangegeven in onderdeel B (Chipkaarten) van het besluit van 19 juli 1995.
Tijdstip waarop prestaties worden verricht; doorlopende prestaties
Leveringen van goederen worden verricht op het tijdstip waarop de vervreemder de feitelijke macht om als eigenaar over dat goed te beschikken, overdraagt aan de verkrijger, of, wanneer het gaat om huurkoop, op het tijdstip waarop de huurverkoper het huurkoopgoed afgeeft. Montage- en installatieleveringen in de zin van artikel 8, lid 1, onderdeel a, tweede volzin, van de Zesde Richtlijn, of artikel 3, lid 1, onderdeel f, van de Wet, worden verricht op het tijdstip waarop de met de levering gepaard gaande aanbrengwerkzaamheden zijn voltooid. Voor diensten heeft als uitgangspunt te gelden dat deze worden verricht op het tijdstip waarop de met de dienst gemoeide werkzaamheden zijn voltooid.
Doorlopende prestaties zijn zich herhalende leveringen en diensten die op basis van een doorlopende overeenkomst worden verricht. Kenmerkend voor dergelijke prestaties is voorts dat er geen welomschreven eindresultaat is overeengekomen. De periode waarover de prestaties worden verricht, kan zowel bepaald als onbepaald zijn. Voorbeelden van doorlopende prestaties zijn het verlenen van licenties en voorts abonnementen op leveringen, zoals tijdschriften, gas, elektriciteit en water, of abonnementen op diensten, zoals telecommunicatiediensten, verzekeringen, verhuur en bewakingsdiensten.
Prestaties waarbij wel een welomschreven eindresultaat is overeengekomen, kunnen niet als doorlopende prestaties worden aangemerkt. Daaraan doet niet af het feit dat met het bereiken van bedoeld eindresultaat in een aantal gevallen een lange(re) periode gemoeid kan zijn. Voorbeelden van dergelijke, niet als doorlopend aan te merken prestaties zijn:
de diensten van een milieu- of organisatieadviseur die een bepaald onderzoeksproject uitvoert; een dergelijk project mondt immers uit in een bepaald eindresultaat of rapportage;
cursussen en trainingen; deze zijn immers gericht op het bereiken van een bepaald kennis- of vaardigheidsniveau;
die diensten van een belastingconsulent of advocaat die met een cliënt overeenkomt om een bepaalde gerechtelijke procedure te voeren;
de dienst van een architect die een bouw- of verbouwingsproject begeleidt;
vervoersprestaties die erop gericht zijn een bepaalde bestemming te bereiken.
Voor zover het verrichten van deze niet-doorlopende diensten is aangevangen in het jaar 2000 (of eventueel daarvóór) en wordt beëindigd in het jaar 2001 (of eventueel daarna), èn het gaat om diensten die aan het algemene tarief zijn onderworpen, is de gehele terzake in rekening gebrachte of te brengen vergoeding onderworpen aan het tarief van 19%.
Op grond van artikel 10, lid 2, derde volzin, van de Zesde Richtlijn, tekst vanaf 21 oktober 2000, kunnen de Lid-Staten bepalen dat in bepaalde gevallen doorlopende leveringen van goederen en verrichtingen van diensten die gedurende een zekere periode plaatsvinden, geacht worden ten minste eenmaal per jaar te zijn voltooid; deze bepaling is nog niet in de wettelijke bepalingen geïmplementeerd. Los hiervan is in § 13, lid 1, van bijlage I (Toelichting administratieve verplichtingen) bij het besluit OB/BTW-14 (bekendgemaakt bij de aanschrijving van 17 december 1968, nr. D 68/8606) dienaangaande aangegeven dat bij doorlopende prestaties op de factuur, in plaats van de dag waarop de levering of de dienst wordt verricht, de periode kan worden vermeld waarop de factuur betrekking heeft. Deze periode mag niet langer zijn dan een jaar.
Wanneer de afrekening ter zake van aan het algemene tarief onderworpen doorlopende prestaties betrekking heeft op een periode die eindigt na 31 december 2000, is over de totale vergoeding het BTW-tarief van toepassing dat geldt op het tijdstip waarop de afrekenperiode eindigt (19%). Het ontmoet overigens geen bezwaar dat in deze gevallen de afrekenperiode wordt gesplitst in een periode die eindigt op 31 december 2000 (de in 2000 geleverde goederen of verrichte diensten zijn onderworpen aan het BTW-tarief van 17,5%) en een die aanvangt op 1 januari 2001 (de in 2001 geleverde goederen of verrichte diensten zijn onderworpen aan het BTW-tarief van 19%). Hierbij kan de afrekenperiode voor de levering van elektriciteit, ingeval niet kan worden vastgesteld welke hoeveelheid is geleverd vóór en na de jaarwisseling, worden gesplitst naar tijdsgelang. Voor de levering van gas en warmte in situaties waarin niet kan worden vastgesteld welke hoeveelheid vóór en na de jaarwisseling is geleverd, zal een afzonderlijke regeling worden getroffen.
In het tweede lid van § 13 van de Toelichting administratieve verplichtingen is aangegeven dat een met § 13, lid 1, overeenkomende gedragslijn kan worden gevolgd bij ondeelbare of moeilijk splitsbare prestaties, zoals die van belastingconsulenten, accountants, advocaten, notarissen, architecten en andere beoefenaren van vrije beroepen. Hieruit kan overigens niet worden afgeleid dat de prestaties van belastingconsulenten, accountants, advocaten, notarissen, architecten en andere beoefenaren van vrije beroepen steeds als ‘doorlopende’ prestaties zijn te beschouwen. De omstandigheid dat deze ondernemers veelal vooraf de betaling van een voorschot verlangen op hun uiteindelijke honorarium of de omstandigheid dat zij (tussentijds) declaraties indienen op basis van ‘gewerkte uren’, houdt niet zonder meer in dat de desbetreffende prestatie doorlopend van aard is.
Levering van auto’s (en motoren) met een ‘2001-kenteken’
Nieuwe auto’s die worden geleverd met een in 2001 afgegeven kenteken worden, in verband met de omstandigheid dat 2001-kentekens na de jaarwisseling worden afgegeven, geacht eerst na 31 december 2000 te zijn geleverd en zijn dan onderworpen aan het tarief van 19%. Het tijdstip van levering wordt niet beïnvloed door het tijdstip waarop de koper de vergoeding voor het geleverde goed betaalt of de dagtekening van de factuur. In dit verband merk ik nog op dat uit de verkoopvoorwaarde dat de leverancier de eigendom van het geleverde goed voorbehoudt zolang de koper niet ten volle heeft voldaan al hetgeen hij op grond van de koopovereenkomst is verschuldigd, niet kan worden afgeleid dat het goed is geleverd zodra de koper de vergoeding heeft voldaan.
Een – in de autobranche overigens niet gebruikelijke – levering constitutum possessorium van de nieuwe auto vóór 1 januari 2001heeft naar mijn oordeel niet tot gevolg dat de auto geacht kan zijn toch vóór 1 januari 2001 te zijn geleverd, omdat ook in een dergelijk geval de auto vóór de jaarwisseling nog niet in de staat verkeert, die kennelijk tussen koper en leverancier is overeengekomen, namelijk tevens voorzien van een geldig kentekenbewijs. De mondelinge uitspraak van het Gerechtshof ’s-?Hertogenbosch van 20 november 1987, rolnummer 1761/1986 (BNB 1989/49), biedt naar mijn oordeel geen handvat om in dezen tot een andere zienswijze te komen.
Om te voorkomen dat ondernemers op grond van het tweede lid van de overgangsregeling aanvullende facturen voor het verschil tussen 17,5% en 19% moeten uitreiken, wordt goedgekeurd dat ondernemers reeds in 2000 het tarief van 19% toepassen ter zake van aan het algemene tarief onderworpen prestaties die na 31 december 2000 zullen worden verricht. De aftrekgerechtigde afnemer mag in dat geval, hoewel de factuur – strikt genomen – niet aan de wettelijke eisen voldoet, de hem tegen 19% in rekening gebrachte omzetbelasting op de voet van artikel 15 van de Wet op de omzetbelasting 1968 in aftrek brengen. De ondernemer die reeds over 2000 omzetbelasting aangeeft naar het tarief van 19%, moet het bedrag van de desbetreffende omzet en het bedrag van de omzetbelasting aangegeven in rubriek 1c van het aangifteformulier (‘Leveringen/diensten belast met overige tarieven behalve 0%’). Mocht door onvoorziene omstandigheden een aan het tarief van 19% onderworpen prestatie toch vóór 1 januari 2001 worden verricht, dan moet een creditfactuur worden uitgereikt voor de aanvankelijk te veel berekende omzetbelasting. De aldus gecrediteerde omzetbelasting moet eveneens in rubriek 1c van het aangifteformulier worden aangegeven.
Overgangsregeling voor de (op)levering van onroerende zaken
Op grond van het derde lid van de overgangsregeling blijft, ingeval een ondernemer ingevolge een vóór 1 januari 2001 gesloten overeenkomst na 31 december 2000 een onroerende zaak levert of een werk in onroerende staat oplevert tegen een vergoeding welke vervalt in termijnen, de verhoging van het omzetbelastingtarief van 17,5% tot 19% buiten toepassing met betrekking tot het gedeelte van de vergoeding dat gelijk is aan de som van de termijnen die op grond van die overeenkomst vóór 1 januari 2001 zijn vervallen. Dit betekent dat de termijnen die vóór 1 januari 2001 zijn vervallen, belast zijn en blijven naar het BTW-tarief van 17,5%, en de termijnen die na 31 december 2000 vervallen, belast zijn naar het tarief van 19%. Het tijdstip waarop deze termijnen ‘vervallen’ wordt bepaald door het tijdstip (afhankelijk van de vordering van de bouw) dat daarvoor in de koop-/aanneemovereenkomst is aangeduid. Hierbij is niet van belang het tijdstip waarop de termijnfactuur daadwerkelijk wordt uitgereikt. Voorts wordt in dit verband verwezen naar het besluit van 11 september 2000, nr. CPP 2000/1895, Infobulletin 2000/662.
Meerwerk
In het kader van de uitvoering van een koop-/aanneemovereenkomst is het vaak mogelijk zgn. meerwerk te laten uitvoeren. Veel koop-/aanneemovereenkomsten bepalen terzake dat de opdrachtgever bij het verstrekken van de opdracht tot meerwerk direct een bedrag moet betalen ter grootte van een bepaald percentage, bijvoorbeeld 50%, van de vergoeding voor dat meerwerk. Als de opdracht tot het verrichten van het hier bedoelde meerwerk wordt verstrekt vóór 1 januari 2001, kan het daarbij direct te betalen bedrag worden beschouwd als een op dat tijdstip vervallen termijn in de zin van het derde lid van de overgangsregeling.
Minderwerk
In aanvulling op dit besluit van 11 september 2000 wordt aangetekend dat ‘minderwerk’ in de regel ineens wordt verrekend bij de eindafrekening van het werk. De eindafrekening wordt doorgaans opgesteld zo spoedig na de oplevering van het werk of, indien in het bestek een onderhoudstermijn is voorgeschreven, zo spoedig mogelijk na het verstrijken daarvan. Voor zover het bedrag dat wegens minderwerk wordt verrekend, gelijk of lager is dan het bedrag van de na 1 januari 2001 vervallende termijn(en), kan dit minderwerk tegen het BTW-tarief van 19% verrekend worden. Het tarief van 19% wordt dan berekend over het saldo van de eindtermijn minus het bedrag wegens minderwerk. Is het bedrag dat wegens minderwerk wordt verrekend, hoger dan de na 1 januari 2001 vervallende termijn(en), dan dient het meerdere (het bedrag dat per saldo aan de opdrachtgever wordt teruggegeven) te worden verrekend tegen het tarief van 17,5%; in dat geval wordt aan de opdrachtgever immers teruggegeven wat hem eerder tegen 17,5% in rekening is gebracht.
(op)levering van roerende zaken; diensten
Zoals is aangegeven op pagina 109 van de Nota naar aanleiding van het verslag bij het wetsvoorstel dat heeft geleid tot de Wet van 11 mei 2000, is de overgangsregeling voor de (op)levering van onroerende zaken niet van toepassing op de (op)levering van roerende zaken, bijvoorbeeld schepen en ziekenhuisapparatuur. Hieraan doet niet af de omstandigheid dat ook bij roerende zaken langlopende projecten en termijnbetalingen kunnen voorkomen.
Het derde lid van de overgangsregeling is evenmin van toepassing op diensten met betrekking tot onroerende zaken, bijvoorbeeld verbouwingen van onroerende zaken of de diensten van een architect bij de bouw of verbouwing van een onroerende zaak.