Rechtenmedia.nl - Juridische Online Uitgeverij  Rechtennieuws.nl | Jure.nl | Maxius.nl | Parlis.nl | Rechtenforum.nl | JBmatch.nl | MijnWetten.nl | AdvocatenZoeken.nl | Rechtentotaal.nl
Vennootschapsbelasting, deelnemingsvrijstelling; standpunten over de toepassing van de artikelen 13 e.v. Wet Vpb 1969
Bwb-id:
Officiele titel:
Citeertitel:
Soort regeling:
Wetsfamilies:
Eerst verantwoordelijk ministerie:

Geldigheidsdatum:
Ingangsdatum:
Inhoudsopgave
1. Artikel 13 Wet Vpb
1.1. Artikel 13, eerste lid, Wet Vpb
1.1.1. Voordelen uit hoofde van de deelneming exclusief valutaresultaten
1.1.1.1. Afkoop voorkeursrecht mede-aandeelhouder met het oog op verkoop deelneming; kostprijs deelneming
1.1.1.2. Sfeerovergang door wetswijziging; compartimentering
1.1.2. Kosten niet middellijk dienstbaar aan het behalen van in Nederland belastbare winst
1.1.3. Causaliteit. Voordelen uit hoofde van een deelneming
1.1.3.1. Uitkering uit verzekering ter dekking van risico dat alle bezittingen van of aandelen in buitenlandse deelneming worden geconfisceerd
1.2. Artikel 13, tweede lid, Wet Vpb
1.2.1. Deelneming: kwantitatieve en kwalitatieve eis
1.2.1.1. Deelneming: preferente aandelen zonder stemrecht
1.2.1.2. Deelneming: preferente aandelen tellen mee bij de vraag of sprake is van een deelneming in kwantitatieve zin
1.2.1.3. Pandrecht
1.2.2. Aandelen als voorraad gehouden
1.2.2.1. Bankenregeling
1.2.3. Aandelen ter belegging
1.2.3.1. Lock-up bepaling
1.2.4. Onderworpenheid
1.2.4.1. Vanwege een andere mogendheid
1.2.4.2. Aldaar
1.2.4.3. Belastingheffing in enige vorm naar de winst
1.2.4.3.a. Hong Kong profits tax
1.2.4.3.b. Saudi-Arabië; Zakat
1.2.4.3.c. Estland; heffing over winstuitkering
1.2.4.3.d. Eiland Man
1.2.4.3.e. Nigeria
1.2.4.3.f. Verenigde Arabische Emiraten
1.2.4.3.g. Luxemburgse SICAV
1.2.4.4. Tax holiday
1.2.4.5. Onderworpenheid. Hybride buitenlandse rechtsvormen
1.3. Artikel 13, derde lid, Wet Vpb (oneigenlijke deelneming)
1.3.1. Indirect aandelenbezit
1.3.2. Algemeen belang
2. Artikel 13a Wet Vpb
2.1. Artikel 13a, eerste lid, Wet Vpb
2.1.1. Verwijzing naar artikel 13, tweede lid, Wet Vpb
3. Artikel 13b, 13ba en 13bb Wet Vpb
3.1. Artikel 13b Wet Vpb
3.1.1. Artikel 13b, eerste lid, Wet Vpb
3.1.2. Artikel 13b, tweede lid, Wet Vpb
3.1.3. Artikel 13b, derde lid, Wet Vpb
3.1.3.1. Voorwaarden bij de toepassing van artikel 13b, derde lid, Wet Vpb
3.1.4. Artikel 13b, vierde lid, Wet Vpb
3.1.4.1. Afwaardering van schuldvordering ten gevolge van valutaverliezen
4. Artikel 13c Wet Vpb
4.1. Artikel 13c, eerste lid, Wet Vpb
4.1.1. Positieve voordelen
5. Artikel 13ca Wet Vpb
5.5. Artikel 13ca, vijfde lid (tot 9 december 2005 vierde lid), Wet Vpb
5.5.1. Tijdstip winstneming bij opneming in fiscale eenheid van afgewaardeerde deelneming
5.5.2. Uitstel winstneming met het oog op toekomstig liquidatieverlies
6. Artikel 13d Wet Vpb
6.1. Artikel 13d, eerste lid, Wet Vpb
6.1.1. Van toepassing zijnde wettekst
6.1.2. Verruiming van het begrip liquidatie van een deelneming voor de toepassing van artikel 13d Wet Vpb
6.2. Artikel 13d, tweede lid Wet Vpb
6.2.1. Opgeofferd bedrag; bonusaandelen
6.3. Artikel 13d, derde lid Wet Vpb
6.3.1. Vijfjaarstermijn in geval van een buitenlandse deelneming
6.4. Artikel 13d, vierde lid, Wet Vpb
6.4.1. Vervreemding binnen concern
6.9. 6.9. Artikel 13d, negende lid, Wet Vpb
6.9.1. Vereffening
6.9.2. Voortzetting
7. Artikel 13e en 13f Wet Vpb
8. Artikel 13g Wet Vpb
8.1. Artikel 13g, eerste lid, Wet Vpb
8.1.1. Rechtsvorm. Moeder/dochterrichtlijn
8.1.2. Bijzondere regimes. België
8.1.3. Rechtsvorm. Moeder/dochterrichtlijn. Verenigd Koninkrijk en Gemenebest-landen
8.1.4. Bijzonder regime. Hongaarse concernfinancieringsmaatschappij
8.1.5. Aandelen als belegging gehouden. Toepassing kapitaal-criterium (artikel 13g, eerste lid) naast stemrechtcriterium (artikel 13g, tweede lid)
9. Artikel 13h, 13i, 13j en 13k Wet Vpb
10. Artikel 28b Wet Vpb
10.1. Artikel 28b, eerste lid, Wet Vpb
10.1.1. Toetsing 90%-criterium
11. Inwerkingtreding
Vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature

Juridisch advies nodig?
Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag
Geschiedenis

Geschiedenis-overzicht
Let op. Deze wet is vervallen op 8 maart 2008. U leest nu de tekst die gold op 7 maart 2008.

Vennootschapsbelasting, deelnemingsvrijstelling; standpunten over de toepassing van de artikelen 13 e.v. Wet Vpb 1969

Vennootschapsbelasting, deelnemingsvrijstelling; standpunten over de toepassing van de artikelen 13 e.v. Wet Vpb 1969
Met dit besluit wordt aangegeven welke standpunten de Belastingdienst inneemt bij de toepassing van de deelnemingsvrijstelling zoals neergelegd in de artikelen 13 e.v. van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (hierna: Wet Vpb).
Dit besluit is een actualisering per 1 januari 2006 van het besluit van 9 februari 2004, nr. CPP2003/2240M.
In dit besluit zijn de standpunten uit het besluit CPP2003/2240M opgenomen, tenzij deze door wetswijzigingen hun belang hebben verloren; laatstbedoelde standpunten zijn vervallen. De standpunten die hun belang hebben behouden zijn tekstueel aangepast (en soms hernummerd), zonder dat een inhoudelijke wijziging is beoogd.
Daarnaast is in het besluit een aantal bestaande besluiten verwerkt, is een aantal nieuwe standpunten opgenomen en is een aantal ATR’s verwerkt.
Hierna worden de wijzigingen voor zover nodig nader toegelicht.
Dit besluit treedt in werking op 1 januari 2006.
Het besluit van 9 februari 2004, nr. CPP2003/2240M, wordt hierbij ingetrokken.
Vervallen standpunten uit besluit CPP2003/2240M:
1.1.2.2, 1.1.2.3, 1.1.3.1 t/m 1.1.3.6, 1.1.4.1, 1.1.4.2, 1.1.5.2, 1.3.1, 1.3.4, 2.1.1, 4.1.1, 4.1.2, 5.1.1 t/m 5.1.3, 5.4.2 en 5.5.2.
Het standpunt onder 4.1.2 inzake Overdracht VI aan buitenlands lichaam waarvan de aandelen worden gehouden door een eveneens in het buitenland gevestigde dochter is niet opgenomen, omdat op 13 mei 2005 bij de Tweede Kamer een wetsvoorstel is ingediend waarin artikel 13c Wet Vpb wordt gerepareerd (Wetsvoorstel 30117 aanpassing van de regeling in de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 betreffende de omzetting van een vaste inrichting met verliezen in een deelneming).
Standpunten waarin bestaande besluiten zijn verwerkt, nieuwe standpunten of nieuwe teksten zijn opgenomen:
1.2.2.1: hierin zijn verwerkt het besluit van 3 oktober 1990, nr. DB90/3032, en de brief van DGO Amsterdam van 22 mei 1991, nr. DGM/RDG/91/35 (Infobulletin 1991/321); beide besluiten worden hierbij ingetrokken;
1.2.4 t/m 1.2.4.4: hierin zijn verwerkt de besluiten van 18 november 1988, nr. DB88/3952, van 23 december 1991, nr. IFZ91/332 en van 16 april 2003, nr. CPP2003/828M, die hierbij worden ingetrokken;
1.2.4.3.g: hierin is verwerkt een onderdeel van het besluit van 25 oktober 1995, nr. DB95/4097M, dat hierbij wordt ingetrokken;
1.3.5: hierin zijn verwerkt de besluiten 30 november 1982, nr. 282-17832 en van 1 december 2000, nr. CPP2000/2668M, die hierbij worden ingetrokken;
3.1.1.2;
3.1.3.1: hierin is verwerkt een actualisering van de regeling, die was opgenomen in het besluit van 22 november 1999, nr. DB99/1955M, dat hierbij wordt ingetrokken;
3.1.4.1;
6;
6.1.2: hierin is verwerkt punt 6 van het besluit van 1 juli 1971, nr. B71/12651;
6.9;
6.9.1.1: hierin is verwerkt het besluit van 31 juli 1992, nr. DB92/3729, dat hierbij wordt ingetrokken;
6.9.2;
6.9.2.1: hierin is verwerkt het besluit van 17 februari 1997, nr. DB96/4136M, dat hierbij wordt ingetrokken;
8.1.2: hierin is verwerkt een onderdeel van het besluit van 25 oktober 1995, nr. DB95/4097M;
8.1.3: hierin is verwerkt het besluit van 5 oktober 2004, nr. CPP2004/1515M, dat hierbij wordt ingetrokken;
8.1.4;
8.1.5.
Besluiten die door wetswijzigingen hun belang hebben verloren:
het besluit van 20 januari 1998, nr. DB97/5037M;
het besluit van 29 november 2004, nr. DGB2004/5550M.
1.1.1.1. Afkoop voorkeursrecht mede-aandeelhouder met het oog op verkoop deelneming; kostprijs deelneming
Belangplichtige wenst haar aandelen in een vennootschap, die een deelneming vormen, te verkopen aan een derde. Met het oog hierop koopt zij het voorkeursrecht van haar mede-aandeelhouder af.
Deze afkoopsom kan niet ten laste van de belastbare winst worden gebracht. De afkoopsom is erop gericht de reeds bestaande aandeelhoudersrechten te versterken; hierdoor kan belastingplichtige tot verkoop van de aandelen overgaan, zonder dat aan een op haar rustende aanbiedingsplicht dient te worden voldaan. In casu kwalificeert de afkoopsom als een betaling die de kostprijs van de deelneming verhoogt. Er is geen sprake van aftrekbare verkoopkosten.
1.1.1.2. Sfeerovergang door wetswijziging; compartimentering
Wijziging van de wet kan tot gevolg hebben dat een situatie die voorheen onder de deelnemingsvrijstelling viel niet meer onder de deelnemingvrijstelling valt en omgekeerd.
In zijn algemeenheid ben ik van mening dat in geval van een sfeerovergang ten gevolge van een wetswijziging op het gebied van de deelnemingsvrijstelling de compartimenteringsgedachte van toepassing is, tenzij de wetgever anders heeft bepaald.
1.1.2. Kosten niet middellijk dienstbaar aan het behalen van in Nederland belastbare winst
Uit het arrest van het Hof van Justitie van de EG van 18 september 2003 (Bosal) blijkt dat de aftrekbeperking in artikel 13, eerste lid, van de Wet Vpb (tekst tot 1 januari 2004) voor kosten die verband houden met een (meerderheids)deelneming die middellijk dienstbaar zijn aan het behalen van in een EU-lidstaat belastbare winst, in strijd is met het Europese recht (de vrijheid van vestiging in artikel 52 (thans 43) EG-verdrag).
In het besluit van 2 oktober 2003, nr. DGB2003/5149M, is aangegeven dat ook kosten die verband houden met een deelneming die middellijk dienstbaar zijn aan het behalen van in een staat deel uitmakend van de Europese Economische Ruimte (EER) belastbare winst, aftrekbaar zijn.
1.1.3.1. Uitkering uit verzekering ter dekking van risico dat alle bezittingen van of aandelen in buitenlandse deelneming worden geconfisceerd
Er bestaan verzekeringen die het risico dekken dat (de bezittingen van) een buitenlandse deelneming door lokale autoriteiten wordt geconfisqueerd. Indien op een dergelijke verzekeringspolis een uitkering wordt ontvangen valt deze niet onder de deelnemingsvrijstelling.
De vraag of voordelen worden behaald in verband met een deelneming wordt beheerst door de causaliteit. Dat wil zeggen dat voordelen eerst dan in een voldoende verband staan tot de deelneming indien zij voortvloeien uit het aandeelhouderschap in de deelneming.
Een eventuele uitkering door de verzekeraar vindt zijn oorzaak in de eerste plaats in de polis die de rechtsverhouding tussen de verzekeraar en de verzekerde regelt. Niet het aandeelhouderschap (het bezit van de deelneming) maar het verzekeringscontract roept dan het voordeel op.
Dat betekent dat de uitkering niet onder de deelnemingsvrijstelling valt.
1.2.1.1. Deelneming: preferente aandelen zonder stemrecht
Een belang in een andere vennootschap dat uitsluitend bestaat uit preferente aandelen zonder stemrecht kan een deelneming vormen in de zin van artikel 13, tweede lid, Wet Vpb. Indien de preferente aandelen zonder stemrecht ten minste 5% van het nominaal gestorte kapitaal vormen en als aan de overige overige voorwaarden wordt voldaan (zoals niet als voorraad gehouden, onderworpenheid, niet gehouden ter belegging), is het belang een deelneming.
1.2.1.2. Deelneming: preferente aandelen tellen mee bij de vraag of sprake is van een deelneming in kwantitatieve zin
Indien een belastingplichtige een belang in een vennootschap heeft dat recht geeft op meer dan 5% van alle stemrechten maar minder dan 5% van het nominale gestorte kapitaal uitmaakt, vormt dat belang geen deelneming in de zin van artikel 13, tweede lid, Wet Vpb.Voorbeeld
Het aandelenkapitaal van BV X bestaat uit gewone aandelen en preferente aandelen. BV Y houdt 20% van de gewone aandelen BV X en heeft een dienovereenkomstig aandeel in het stemrecht van BV X. Het belang van BV Y in het totale uitstaande aandelenkapitaal (d.w.z. gewoon én preferent aandelenkapitaal) van BV X bedraagt 1% van het nominaal gestorte aandelenkapitaal. Preferente aandelen tellen mee voor de 5%-eis van artikel 13, tweede lid, Wet Vpb. De stemrechtverdeling is in dit kader niet relevant. Het belang van BV Y in BV X is dus geen deelneming als bedoeld in artikel 13, tweede lid, Wet Vpb. Uiteraard zou wel sprake kunnen zijn van een zgn. oneigenlijke deelneming in de zin van artikel 13, derde lid, Wet Vpb.
1.2.1.3. Pandrecht
Een vennootschap heeft een beperkt pandrecht gegeven aan een bank op haar aandelenbezit in een vennootschap. Het pandrecht beperkt het stemrecht of het recht tot dividenden niet. Het dient alleen als zekerheid voor leningen die zijn aangegaan door een concernvennootschap. Een dergelijk pandrecht is geen belemmering om het aandelenbezit als een deelneming in de zin van artikel 13, tweede lid, Wet Vpb te kwalificeren.
1.2.2.1. Bankenregeling
De Belastingdienst/Zeer Grote Ondernemingen te Amsterdam heeft om redenen van doelmatigheid met een aantal banken afspraken gemaakt ten aanzien van de aan- en verkoop van aandelen in zogenoemde kasgeldvennootschappen. Deze afspraken houden het volgende in.
Aandelen in kasgeldvennootschappen die niet binnen twaalf maanden na aankoop worden bestemd voor de verkoop worden geacht, voor zover nodig, niet te worden gehouden als voorraad in de zin van artikel 13, tweede lid, Wet Vpb, mits met ingang van 1 januari 1988 de discount bij aankoop en de upcount bij verkoop worden gerekend tot de winst van het jaar waarin aankoop, respectievelijk verkoop, plaatsvindt.
Indien een vennootschap feitelijk dezelfde activiteiten verricht als een bank, kan zij ook een beroep doen op deze regeling, ondanks het feit dat de Hoge Raad zich in de arresten van 23 februari 2000, BNB 2000/215c(*) t/m 217c(*) heeft uitgelaten over de reikwijdte van het begrip aandelen gehouden als voorraad’. Daarbij zij wel aangetekend dat een beroep op de regeling zich niet zal kunnen beperken tot slechts één element van de regeling (zoals de 12-maandsperiode) maar zich uitstrekt tot de gehele regeling, waaronder de voorwaarde met betrekking tot de zgn. discount en upcount.
1.2.3.1. Lock-up bepaling
Belastingplichtige bezit aandelen in een vennootschap. Voor het aandelenbezit geldt een beperkende voorwaarde in de vorm van een lock-up bepaling (dat wil zeggen dat de aandelen gedurende een bepaalde periode moeten worden aangehouden).
Het gelden van een lock-up bepaling leidt op zich niet tot de conclusie dat bij het aandelenbezit geen sprake is van beleggen (artikel 13, tweede lid, Wet Vpb).
Het is echter denkbaar dat aan de lock-up bepaling in combinatie met overige feiten en omstandigheden (een gecombineerde) betekenis moet worden toegekend, die wel leidt tot de conclusie dat geen sprake is van beleggen.
1.2.4. Onderworpenheid
In artikel 13, tweede lid, tweede volzin, Wet Vpb is bepaald dat bij een aandelenbezit in of een lidmaatschap van een niet in Nederland gevestigd lichaam, slechts sprake is van een deelneming indien dat lichaam vanwege de Nederlandse Antillen, Aruba of een andere Mogendheid is onderworpen aan een belasting die aldaar in enige vorm naar de winst wordt geheven (onderworpenheidseis). Daarnaast moet uiteraard ook aan alle andere vereisten worden voldaan die aan het begrip deelneming worden gesteld.
Regelmatig wordt aan de Belastingdienst de vraag voorgelegd of wordt voldaan aan de onderworpenheidseis van artikel 13, tweede lid, tweede volzin, Wet Vpb.
Hieronder zal ik het algemene kader schetsen dat bij de invulling van de onderworpenheidseis van belang is. Dit algemene kader vloeit voort uit de parlementaire behandeling (MvA, Wet van 7 oktober 1969, Stb. 445).
Daarna ga ik in op enkele concrete gevallen en het daarbij ingenomen standpunt.
Ik merk hierbij op dat het bij het invullen van de onderworpenheidseis gaat om de feiten en omstandigheden van het concrete geval. Ik ben van mening dat een redelijke verdeling van de bewijslast met zich brengt dat de bewijslast dat aan de onderworpenheidseis wordt voldaan op de belastingplichtige rust. Belanghebbende zal bescheiden moeten overleggen waaruit de onderworpenheid in het concreet aan de orde zijnde geval kan worden afgeleid.
De deelneming dient onderworpen te zijn aan een belasting naar de winst in het land waar de deelneming is gevestigd. Er dient in ieder geval sprake te zijn van subjectieve belastingplicht van de deelneming in het vestigingsland. Het vormt geen probleem dat de winst die in een ander land dan het vestigingsland is behaald in het vestigingsland buiten de heffingsgrondslag blijft (territorialiteitsbeginsel). Voldoende is dat de deelneming in het land van vestiging wordt belast voor de op dat territoir behaalde winst. De omstandigheid dat in een ander land dan het vestigingsland belastingheffing over winst van de deelneming plaatsvindt, leidt er niet toe dat is voldaan aan de onderworpenheidseis.
Van belang is dat het belastingregime in het vestigingsland kan worden aangemerkt als, of integraal deel uitmaakt van een belastingregime waarbij een belasting naar de winst wordt geheven.
Voor de buitenlandse belasting naar de winst die van de deelneming wordt geheven gelden geen materiële eisen. De hoogte van het belastingtarief is dus geen criterium. Ook het bestaan van bepaalde objectieve vrijstellingen hoeft geen probleem te vormen. Slechts indien vastgesteld zou worden dat feitelijk sprake is van een subjectieve vrijstelling wordt niet voldaan aan de onderworpenheidseis. Een subjectieve vrijstelling moet in beginsel blijken uit wettelijke dan wel uitvoeringsbepalingen.
Indien sprake is van onderworpenheid, geldt de deelnemingsvrijstelling voor het gehele voordeel uit de deelneming, behoudens uiteraard voorzover in de Wet Vpb anders is bepaald.
Hierna wordt ingegaan op de criteria die uit de praktijkgevallen voortvloeien.
1.2.4.1. Vanwege een andere mogendheid
Onder Mogendheid wordt verstaan een staatkundige eenheid waar op een vergelijkbaar overheidsniveau belasting wordt geheven (zie Besluit van 23 december 1991, nr. IFZ 91/331).
Onder het stellen van voorwaarden worden ook als Mogendheid beschouwd:
Verenigde Arabische Emiraten (Besluit van 23 december 1991, nr. IFZ91/331, zie evenwel onderdeel 1.2.4.3.f);
Gibraltar en Taiwan (Besluit van 30 maart 1989, nr. IFZ 89/366);
het eiland Man, Jersey, Guernsey, Puerto Rico en Guam (Besluit van 1 maart 1994, nr. IFZ 94/224);
Hong Kong (Besluit van 4 juli 1997, nr. IFZ 97/670M).
Met ingang van 1 januari 2005 wordt op grond van artikel 2, eerste lid, onderdeel c, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen onder Mogendheid mede begrepen een daarmee gelijk te stellen bestuurlijke eenheid.
1.2.4.2. Aldaar
Op grond van artikel 13, tweede lid, tweede volzin, Wet Vpb is de deelnemingsvrijstelling bij een aandelenbezit van een niet in Nederland gevestigd lichaam slechts van toepassing indien dat lichaam is onderworpen aan een belasting die aldaar (in het land van vestiging) naar de winst wordt geheven.
Doorslaggevend voor beantwoording van deze vraag is waar de deelnemingen feitelijk zijn gevestigd. Indien de deelnemingen feitelijk gevestigd zijn in een land waar geen sprake is van onderworpenheid, en de activiteiten worden verricht in een ander land, terwijl in dat andere land de activiteiten zijn onderworpen naar een belasting naar de winst, is geen sprake van ‘aldaar’ onderworpen aan een belasting naar de winst.
De vestigingsplaats van de deelneming dient naar Nederlandse maatstaven te worden beoordeeld.
1.2.4.3. Belastingheffing in enige vorm naar de winst
Het is niet altijd direct duidelijk of in het land van vestiging van de deelneming sprake is van een onderworpenheid aan een belasting naar de winst. Raadpleging van de desbetreffende buitenlandse regelingen is noodzakelijk. Een van de problemen die zich daarbij kan voordoen is de vertaling van teksten en de interpretatie van begrippen.
Er is geen algeheel overzicht van in het buitenland geheven belastingen naar de winst. Indien bij de inspecteur, ook nadat hij zich zo volledig mogelijk heeft laten documenteren door de belanghebbende, twijfel blijft bestaan over het karakter van de in het buitenland geheven belasting, kan hij de kwestie, onder inzending van de verzamelde documentatie, voorleggen aan de Kennisgroep deelnemingsvrijstelling.
In het verleden zijn een aantal heffingsstelsels onderzocht uitgaande van de toen geldende regelgeving. Hieruit zijn criteria af te leiden die als leidraad kunnen worden genomen.
1.2.4.3.a. Hong Kong profits tax
Voor de vraag of een in Hong Kong gevestigde vennootschap aan een belasting naar de winst is onderworpen, is van belang of uit de tekst van de desbetreffende wetgeving in Hong Kong blijkt dat Hong Kong voor het heffen van ‘Profits Tax’ als criterium aanlegt het ‘carrying on a trade, profession or business in Hong Kong’ door een vennootschap. Indien een vennootschap aan dit criterium voldoet wordt er geheven over ‘the assessable profits arising in or derived from Hong Kong from such trade, profession or business’, de zgn. ‘Hong Kong-sourcewinst’.
Ik ben op grond van deze tekst van mening dat een in Hong Kong gevestigde vennootschap die geen trade, profession or business in Hong Kong drijft niet onderworpen is aan een belasting die aldaar naar de winst wordt geheven. Het bovenstaande leidt tot de conclusie dat de deelnemingsvrijstelling – mits aan de overige voorwaarden van artikel 13 voornoemd is voldaan – op voordelen uit hoofde van de deelneming in een in Hong Kong gevestigde vennootschap van toepassing is indien de bel.pl. aannemelijk maakt dat:
1. de vennootschap waarin wordt deelgenomen in Hong Kong is gevestigd en
2. die vennootschap in Hong Kong voldoet aan het criterium ‘carrying on a trade etc.’ op grond waarvan bij haar profits tax is geheven over de uit die ‘trade, profession or business’ ontstane winst. Het onder 2 genoemde kan in ieder geval aannemelijk worden gemaakt door overlegging van een aanslag in de ‘Profits Tax’ over het desbetreffende jaar.
1.2.4.3.b. Saudi-Arabië; Zakat
Het is de vraag of een belang in een Saudi-Arabische vennootschap als een deelneming kan worden aangemerkt, indien een dergelijke vennootschap naast buitenlandse aandeelhouders ook Saudische aandeelhouders heeft. Indien de Saudische vennootschap buitenlandse aandeelhouders heeft, wordt het aan die buitenlandse aandeelhouders toe te rekenen deel van de winst in de winstbelasting betrokken en het aan de Saudische aandeelhouders toe te rekenen deel van de winst in de Zakat.
In gevallen waarin slechts de winst die toe te rekenen valt aan de buitenlandse aandeelhouders in de winstbelasting wordt betrokken, doet zich dan dus voor de toepassing van de deelnemingsvrijstelling in ons land de vraag voor of de vennootschap zelf voor het aan de buitenlandse aandeelhouders toe te rekenen deel van de winst aan die belasting naar de winst is onderworpen, dan wel of de buitenlandse aandeelhouders voor het aan hen toe te rekenen deel van de winst aan die belasting zijn onderworpen.
Aangezien de Saudische belastingwetgeving op dit punt niet geheel duidelijk is, keur ik goed dat de Saudische vennootschap voor het aan de buitenlandse aandeelhouders toe te rekenen deel van de winst zelf wordt geacht onderworpen te zijn aan een belasting naar de winst geheven door Saudi-Arabië, mits de desbetreffende belastingplichtigen bereid zijn jegens de inspecteur der vennootschapsbelasting te verklaren geen andersluidend standpunt in te nemen ingeval sprake is van verliezen ter zake van het aandelenbezit in de Saudische vennootschap en ook bij eerdere gelegenheden geen andersluidend standpunt hebben ingenomen. Is dit laatste wel het geval geweest dan gaat de goedkeuring niet in dan nadat eerdere verliezen van de Saudische vennootschap, die op in Nederland belastbare winst in mindering zijn gebracht, gecompenseerd zijn door latere winsten van de Saudische vennootschap.
1.2.4.3.c. Estland; heffing over winstuitkering
In Estland gevestigde vennootschappen worden in Estland belast op grond van de Income Tax Act (Tulumaksuseadus). Object van deze belasting – voor in Estland gevestigde vennootschappen – is de uitgedeelde winst (incl. – vrij vertaald – bedrijfsvreemde of onzakelijke uitgaven). Ingehouden winst wordt niet belast. Ik heb aangegeven dat de Estse ‘inkomstenbelasting’ (tarief 26/74 over de winstuitkering, d.w.z. een tarief van in beginsel 26 percent) kan worden aangemerkt als een belasting naar de winst in de zin van art. 13, tweede lid, Wet VPB 1969. Dit ligt naar mijn oordeel anders indien mocht blijken dat het Estse systeem of elementen daarvan, ertoe leiden dat de belastingheffing in Estland illusoir kan worden gemaakt. De uitwerking van het Estse systeem wordt kritisch gevolgd. Opgemerkt wordt nog dat de hier bedoelde Estse belastingheffing niet in de plaats is gekomen van een bronbelasting van de aandeelhouders van de winstuitkerende vennootschap.
1.2.4.3.d. Eiland Man
Binnen het belastingregime voor International Companies op het Eiland Man worden dividenduitkeringen als aftrekbare kosten aangemerkt. Bovendien kan onderhandeld worden over de grondslag en het tarief van belastingheffing.
De omstandigheid dat dividenduitkeringen als aftrekbare kosten worden aangemerkt doet op zich geen afbreuk aan de onderworpenheid in de zin van artikel 13, tweede lid, Wet Vpb. Ook de loutere mogelijkheid tot onderhandeling over de grondslag of het tarief doet op zich geen afbreuk aan de onderworpenheid, zelfs niet als daardoor uiteindelijk door een aftrekpost weinig tot niets wordt geheven dan wel sprake is van een heel laag tarief.
Hierbij is van belang dat op het Eiland Man sprake is van een belastingwetgeving die ook daadwerkelijk door de belastingdienst aldaar wordt uitgevoerd.
Voor de volledigheid merk ik op dat Nederland met het Eiland Man op 12 oktober 2005 drie verdragen heeft gesloten, waarbij ook een verdrag de mogelijkheid biedt in een zgn. mutual understanding nadere afspraken te maken over de toepassing van de Nederlandse deelnemingsvrijstelling voor deelnemingen in het Eiland Man. Deze afspraken worden van kracht na ratificatie van de desbetreffende verdragen.
1.2.4.3.e. Nigeria
In Nigeria wordt een Petroleum Profits Tax geheven. Naast een winstbelasting is deze belasting tevens een beloning voor de door de Nigeriaanse overheid verleende vergunningen en licenties. De onderlinge verdeelsleutel is niet bekend. De Petroleum Profits Tax wordt aangemerkt als een in enige vorm naar de winst geheven belasting.
1.2.4.3.f. Verenigde Arabische Emiraten
Gelet op het belastingregime van de Verenigde Arabische Emiraten, bestaande uit Abu Dhabi, Ajman, Dubai, Fujairah, Ras al-Khaimah, Sharjah, Umm al Qaiwain, kan in zijn algemeenheid worden aangenomen dat niet aan de onderworpenheidseis wordt voldaan.
Dit algemene standpunt laat onverlet dat in een concreet geval aan de onderworpenheidseis voldaan zou kunnen worden. Daarbij geldt dat het in eerste instantie aan belanghebbende is aannemelijk te maken dat deze eis vervuld is. Een belanghebbende kan in dit verband niet volstaan met een enkele verwijzing naar de heffingsbepalingen van het andere land (voorzover daarvan in het geval van de Verenigde Arabische Emiraten al sprake is), maar zal bescheiden moeten overleggen waaruit de onderworpenheid in het concreet aan de orde zijnde geval kan worden afgeleid. De toetsing van deze bescheiden is primair voorbehouden aan de inspecteur.
1.2.4.3.g. Luxemburgse SICAV
De zogenoemde Luxemburgse SICAV is niet onderworpen aan de vennootschapsbelasting. Het aandelenbezit in zo’n vennootschap kan derhalve niet met een deelneming worden gelijkgesteld.
1.2.4.4. Tax holiday
Indien door een land gedurende een bepaalde periode ter stimulering van de economie een objectieve vrijstelling van winst wordt verleend (tax holiday) kan in beginsel worden aangenomen dat aan de onderworpenheidseis is voldaan (Besluit van 20 februari 1985, nr. 085-94). Er mag geen sprake zijn van een subjectieve vrijstelling.
Indien sprake is van een tijdelijke vrijstelling van maximaal 10 jaar ter stimulering van de economische activiteit in een niet-ontwikkelingsland wordt aan de onderworpenheid voldaan. Een tax holiday van 50 jaren is geen vrijstelling van tijdelijke aard (zie NnavE, blz. 111, Wet van 25 april 1990, Stb. 173).
1.2.4.5. Onderworpenheid. Hybride buitenlandse rechtsvormen
Voor dit onderwerp wordt verwezen naar het Besluit van 18 december 2004, nr. CPP2004/1304M.
1.3.1. Indirect aandelenbezit
Artikel 13, derde lid, onderdeel b, Wet Vpb bepaalt dat een schuldvordering, die bij de schuldenaar in de zin van artikel 10, eerste lid, onderdeel d, Wet Vpb feitelijk functioneert als eigen vermogen, onder een deelneming wordt begrepen, indien de belastingplichtige (de schuldeiser) een deelneming heeft in de schuldenaar.
Ingeval belastingplichtige de aandelen in de schuldenaar niet direct, maar indirect bezit, vormt dit indirecte bezit voor de belastingplichtige geen deelneming, zodat de vordering niet onder een deelneming kan worden begrepen.
1.3.2. Algemeen belang
In artikel 13, derde lid, onderdeel b, laatste volzin, Wet Vpb wordt het verwerven van een aandelenbezit waarmee het algemene belang wordt gediend, indien het minder is dan 5% van het nominaal gestort kapitaal van een vennootschap, met een deelneming gelijkgesteld.
Ik ben van oordeel dat het aandelenbezit in de Maatschappij voor Industriële Projecten N.V. en in een fonds als bedoeld in artikel 5.13, tweede lid, onderdelen a en b, van de Wet IB 2001 als een dergelijke deelneming kan worden aangemerkt, mits deze aandelen in het kader van een emissie zijn verkregen. Wellicht ten overvloede wijs ik er op dat de gelijkstelling van een aandelenbezit met een deelneming de toepassing van art. 13, vierde en vijfde lid, Wet Vpb (uitsluiting van de deelnemingsvrijstelling bij een deelneming door en in een fiscale beleggingsinstelling) onverlet laat.
2.1.1. Verwijzing naar artikel 13, tweede lid, Wet Vpb
Artikel 13a, eerste lid, Wet Vpb is van toepassing bij bezittingen die geen deelneming vormen omdat niet is voldaan aan artikel 13, tweede lid, tweede of derde volzin, Wet Vpb.
Ingeval aandelen in een buitenlands lichaam als belegging wordt gehouden, is artikel 13a, eerste lid, Wet Vpb niet van toepassing.omdat de aandelen reeds op grond van artikel 13, tweede lid, eerste volzin, Wet Vpb geen deelneming vormen, Dit betekent dat indien een belang in een buitenlands lichaam ter belegging wordt gehouden, terwijl dat lichaam niet is onderworpen aan een belasting naar de winst, artikel 13a, eerste lid, Wet Vpb toepassing mist.
3.1.1. Artikel 13b, eerste lid, Wet Vpb
3.1.1.1. Begrip deelneming. Middellijk gehouden buitenlands belang
Artikel 13b, eerste lid, Wet Vpb is van toepassing bij een afgewaardeerde vordering op een lichaam waarin de belastingplichtige of een met hem verbonden lichaam een deelneming heeft.
De bepaling is ook van toepassing ingeval de deelneming wordt gehouden door een verbonden lichaam dat niet kan worden aangemerkt als een belastingplichtige voor de heffing van de vennootschapsbelasting (zie ook Eerste Kamer, vergaderjaar 2004–2005, 29 686, C, blz. 3).3.1.1.2. Begrip afgewaardeerde schuldvordering
Artikel 13b, eerste lid, Wet Vpb is van toepassing ingeval een schuldvordering is afgewaardeerd ten laste van de in Nederland belastbare winst. Uit de parlementaire behandeling van artikel 13b Wet Vpb blijkt dat het begrip afwaardering ruim moet worden opgevat.
Naar mijn mening is in het navolgende voorbeeld sprake van afwaardering. Belastingplichtige X BV heeft een vordering op haar dochtervennootschap Y. Deze vordering is op de nominale waarde gewaardeerd. Het aandelenbezit in Y vormt een deelneming. X besluit haar dochtervennootschap Y te liquideren. Y keert al haar bezittingen, bestaande uit de aandelen in vennootschap Z, uit aan X ter voldoening van haar schuld. De waarde van de aandelen Z is lager dan de boekwaarde van de vordering.
In casu ontvangt de schuldeiser in het kader van de liquidatie van de schuldenaar ter aflossing van haar schuldvordering een pakket aandelen, waarvan de waarde lager is dan de boekwaarde van de schuldvordering. Dit moet worden opgevat als een (definitieve) afwaardering van de schuldvordering. Dit standpunt is in overeenstemming met de bedoeling van artikel 13b Wet Vpb. Dit artikel tracht claimverlies te voorkomen in de gevallen waarin de toekomstige waardestijging van een vordering niet in Nederland kan worden belast. De schuldeiser heeft ter aflossing van haar schuldvordering een aandelenpakket in Z verkregen. Als de aandelen Z in waarde stijgen is de winst daaruit vrijgesteld onder de deelnemingsvrijstelling. Het verlies op de vordering kan in de toekomst dus niet meer worden gecompenseerd met te belasten winst.
In artikel 13b, eerste lid, Wet Vpb is bepaald dat de schuldeiser in sommige gevallen tot zijn winst moet rekenen het bedrag van de afwaardering. Uit artikel 13b, vierde lid, Wet Vpb volgt dat het eerste lid ook van toepassing is indien de onderneming van de schuldenaar wordt vervreemd aan de schuldeiser. In casu bestaat de onderneming van Y uit het aandelenpakket in Z en de schuld aan X. De aandelenoverdracht in het kader van de liquidatie van de schuldenaar dient als een vervreemding van haar onderneming te worden aangemerkt .
De uitzondering van artikel 13b, derde lid, Wet Vpb is niet van toepassing omdat de schuldvordering door schuldvermenging is tenietgegaan.
3.1.3.1. Voorwaarden bij de toepassing van artikel 13b, derde lid, Wet Vpb
Het derde lid van artikel 13b Wet Vpb geeft de minister de bevoegdheid om, ingeval de vordering gaat behoren tot het vermogen van een in Nederland gedreven onderneming of van het in Nederland gedreven gedeelte van een onderneming, goed te keuren dat de toepassing van artikel 13b, eerste lid, Wet Vpb achterwege blijft. Vereist is dat de verkrijger van de schuldvordering voldoet aan door de minister te stellen voorwaarden. Hierna zijn de voorwaarden vermeld die ik hierbij stel. In de voorwaarden wordt de vervreemder van de afgewaardeerde vordering aangeduid met ‘de vervreemder’ en de verkrijger van de vordering met ‘de verkrijger’.
Tevens sta ik hierbij toe dat de inspecteurs namens mij en onder het stellen van de hierna vermelde voorwaarden, goedkeuren dat toepassing van artikel 13b, eerste lid, van de Wet Vpb achterwege blijft bij de overdracht van een afgewaardeerde vordering aan een ander lichaam. Een verzoek om de toepassing van artikel 13b, eerste lid, van de Wet Vpb achterwege te laten moet worden ingediend bij de inspecteur die competent is ten aanzien van de vervreemder. Het verzoek moet worden gedaan door of namens de vervreemder en de verkrijger tezamen. Voorzover een verzoek om ontheffing van artikel 13b, eerste lid, van de Wet Vpb betrekking heeft op de vervreemding van een afgewaardeerde vordering aan een verbonden natuurlijk persoon stuurt de inspecteur het verzoek met een advies ter verdere behandeling door aan het Ministerie van Financiën.
De voorwaarden strekken ertoe dat voor de heffing van de belasting de verkrijger van de vordering in de plaats treedt van de vervreemder van de vordering. De verkrijger wordt geacht met de vordering tevens de kostprijs zoals die gold bij de vervreemder en de bij de vervreemder plaats gevonden hebbende afwaardering als zodanig te hebben overgenomen. Het doorschuiven van de kostprijs betekent dat de verkrijger bij een waardestijging van de vordering winst moet nemen zoals de vervreemder dat had moeten doen. Het doorschuiven van de afwaardering betekent dat de artikelen 13b, 13ba en 13bb Wet Vpb op de verkrijger toepassing kan vinden zoals op de vervreemder.
Opgemerkt wordt dat de relevante kring van verbonden lichamen en/of personen door de goedkeuring mogelijk wordt uitgebreid. Het kan zich voordoen dat een rechtstreekse vervreemding aan een ‘derde’ niet zou worden getroffen door genoemde artikelen, terwijl deze bepaling wel van toepassing is als de vervreemding in twee ‘verbonden’ stappen geschiedt.
De voorwaarden waaronder toepassing van artikel 13b, eerste lid, van de Wet Vpb achterwege kan blijven zijn:
1. De vordering gaat behoren tot vermogen van een in Nederland gedreven onderneming of van het in Nederland gedreven gedeelte van een onderneming waarvan de winst aan de heffing van vennootschapsbelasting is onderworpen.
2. De overdracht van de vordering door de vervreemder vindt plaats tegen de waarde in het economische verkeer welke waarde voor de bepaling van de winst als uitgangspunt wordt genomen.
3. Indien een waardestijging van de vordering op grond van goed koopmansgebruik bij de vervreemder zou hebben geleid tot een verplichte opwaardering van de vordering tot op de kostprijs gaat deze verplichting over op de verkrijger. Daartoe geldt voor de bepaling van de winst van de verkrijger als oorspronkelijke kostprijs van de vordering, de kostprijs van de vordering die gold voor de vervreemder.
4. Met betrekking tot de overgenomen vordering is het bepaalde in artikel 13b, 13ba en 13bb van de Wet Vpb van overeenkomstige toepassing op de verkrijger. Het verschil tussen de naar de verkrijger doorgeschoven kostprijs en de waarde van de vordering ten tijde van de overdracht wordt daartoe geacht te zijn afgewaardeerd ten laste van de in Nederland belastbare winst van de verkrijger.
5. Voor de toepassing van artikel 13b, 13ba en 13bb van de Wet Vpb met betrekking tot deze vordering – dus ook voor verdere afwaarderingen van die vordering – geldt een lichaam of natuurlijk persoon die ten tijde van de overdracht met de vervreemder was verbonden in de zin van artikel 10a, lid 4 en/of lid 5 van de Wet, als verbonden in evenbedoelde zin met de verkrijger.
6. Binnen een maand nadat de inspecteur de ontheffing heeft verleend verklaart de verkrijger met betrekking tot de door hem verkregen vordering zowel tegenover de inspecteur die competent is ten aanzien van de vervreemder als de inspecteur die competent is ten aanzien van de verkrijger, dat hij instemt met deze voorwaarden.Indieningstermijn verzoek
Vervreemder en verkrijger dienen gezamenlijk een verzoek om ontheffing in. Het verzoek wordt ingediend binnen twee maanden nadat door de vervreemder aangifte is gedaan over het boekjaar waarin de vordering is overgedragen.Toestemming aan inspecteur voor inwilliging verzoek
Ik verleen hierbij de inspecteur toestemming, mits het verzoek tijdig is ingediend (zie hiervoor), als volgt te beslissen op zo’n verzoek:
Onder verwijzing naar punt 3.1.3.1 van het besluit van , nr. CPP2005/2702M, keur ik goed dat de toepassing van artikel 13b, eerste lid, Wet Vpb 1969 achterwege blijft ten aanzien van de overdracht van de vordering ad ……….(bedrag van de vordering) op ………(naam schuldenaar).door …….(naam vervreemder) aan …………(naam verkrijger).
Ik verbind aan deze goedkeuring de volgende voorwaarden:
………………………………
(neem hier de voorwaarden 1 tot en met 6 over).
3.1.4.1. Afwaardering van schuldvordering ten gevolge van valutaverliezen
Indien een schuldvordering op een deelneming is afgewaardeerd ten laste van in Nederland belastbare winst, heeft de vervreemding of overbrenging van de schuldvordering in bepaalde gevallen tot gevolg dat de afwaardering moet worden teruggenomen (artikel 13b, eerste en tweede lid, Wet Vpb). Deze bepaling ziet niet alleen op waardedalingen van een schuldvordering door de slechte gang van zaken bij de schuldenaar, maar ook op waardedalingen van een schuldvordering t.g.v. valutaverliezen.
De afwaardering moet ook worden teruggenomen indien de onderneming of een gedeelte van de onderneming van de schuldenaar wordt vervreemd aan de belastingplichtige of een met hem verbonden lichaam of verbonden natuurlijk persoon (artikel 13b, vierde lid, Wet Vpb).
De reden hiervoor is dat de vervreemding van de onderneming tot gevolg heeft dat een waardestijging van de afgewaardeerde schuldvordering (door een betere gang van zaken van de onderneming van de schuldenaar) zich niet meer kan voordoen.
Ingeval echter de waardedaling van een vordering louter is veroorzaakt door valutaverliezen, is naar mijn mening geen sprake van een situatie die artikel 13b, vierde lid, Wet Vpb wil treffen. De mogelijkheid dat de vordering weer in waarde stijgt (door valutawinsten), wordt namelijk niet beïnvloed door de vervreemding van de onderneming van de schuldenaar.
Tevens sta ik hierbij toe dat de inspecteurs namens mij en onder het stellen van de hierna vermelde voorwaarden goedkeuren dat de toepassing van artikel 13b, vierde lid, Wet Vpb achterwege blijft. De voorwaarden zijn:
1. de vordering op de schuldenaar is volwaardig;
2. de onderneming is vervreemd tegen een zakelijke tegenprestatie;
3. de afwaardering van de vordering is louter veroorzaakt door valutaverliezen;
4. de latere waardestijging van de (door valutaverliezen) afgewaardeerde vordering leidt tot winst die in Nederland belastbaar is;
5. een latere niet door valutaverliezen veroorzaakte waardedaling van de vordering leidt tot een evenredige terugneming van de goedkeuring.
Ik verleen hierbij de inspecteur toestemming als volgt te beslissen op zo’n verzoek:
Onder verwijzing naar punt 3.1.4.1. van het besluit van , nr. CPP2005/2702M, keur ik goed dat de toepassing van artikel 13b, vierde lid, Wet Vpb 1969 achterwege blijft ten aanzien van de overdracht van de onderneming of een gedeelte van de onderneming door …….(naam vervreemder/schuldenaar) aan …………(naam verkrijger).
Ik verbind aan deze goedkeuring de volgende voorwaarden:
………………………………
(neem hier de voorwaarden 1 tot en met 5 over).
4.1.1. Positieve voordelen
Als reden voor de invoering van artikel 13c Wet Vpb is genoemd het ontlopen van de inhaalregeling (door het omzetten van de vaste inrichting in een deelneming).
Bij het maken van de wettelijke regeling heeft de wetgever echter geen aansluiting gezocht bij de positieve voordelen uit hoofde van de deelneming, die zijn toe te rekenen aan de buitenlandse onderneming, maar heeft hij er voor gekozen in artikel 13c, eerste lid, Wet Vpb aan te sluiten bij de positieve voordelen uit hoofde van de deelneming in het lichaam dat de buitenlandse onderneming voortzet. Dat betekent dat artikel 13c, eerste lid, Wet Vpb is ook van toepassing is op een positief voordeel behaald bij de vervreemding van de desbetreffende deelneming, ingeval de waarde van de vaste inrichting (als onderdeel van de verkoopprijs) nihil zou zijn.
5.5.1. Tijdstip winstneming bij opneming in fiscale eenheid van afgewaardeerde deelneming
Op grond van artikel 13ca, vijfde lid, slotzin, Wet Vpb is bij opneming in een fiscale eenheid van de afgewaardeerde deelneming het bepaalde in artikel 13ca, vijfde lid, eerste volzin, Wet Vpb van overeenkomstige toepassing. Op grond van die eerste volzin dient het eerder op grond van artikel 13ca Wet Vpb genomen afwaarderingsverlies – voor zover dat nog niet eerder tot de winst is gerekend – bij vervreemding van de deelneming tot de winst te worden gerekend in het jaar waarin de vervreemding plaatsvindt.
Ingeval de voeging plaatsvindt per begin van het boekjaar van de moedermaatschappij, dient naar mijn mening de winstneming plaats te vinden in het jaar waarin de voeging plaatsvindt, en niet in het jaar direct voorafgaande aan de voeging.
5.5.2. Uitstel winstneming met het oog op toekomstig liquidatieverlies
Een belastingplichtige mag bij ontbinding van een met toepassing van artikel 13ca Wet Vpb afgewaardeerde deelneming de toevoeging aan de winst (op grond van artikel 13ca, vijfde lid, Wet Vpb) niet uitstellen tot het jaar waarin met betrekking tot de deelneming het liquidatieverlies wordt genomen.
Uit de tekst van artikel 13ca, vijfde lid, Wet Vpb blijkt door de woordkeuze duidelijk dat de wetgever in dat artikel geen aansluiting heeft gezocht bij de systematiek van de liquidatieverliesregeling in artikel 13d Wet Vpb. Bovendien staat bij ontbinding niet vast dat te zijner tijd een liquidatieverlies kan/mag worden genomen. De werking van bijvoorbeeld artikel 13d, negende lid, Wet Vpb kan dit belemmeren.
6. Artikel 13d Wet Vpb
Inleiding
Op grond van artikel 13, eerste lid, Wet Vpb blijven bij het bepalen van de winst buiten aanmerking voordelen uit hoofde van een deelneming (deelnemingsvrijstelling). Dit betekent dat waardestijgingen en ook waardedalingen van een aandelenpakket, dat als deelneming kan worden aangemerkt, de winst niet beïnvloeden.
In afwijking van de hoofdregel van artikel 13, eerste lid, Wet Vpb is voor liquidatieverliezen in artikel 13d Wet Vpb een bijzondere regeling getroffen.
Artikel 13d, eerste lid, Wet Vpb bepaalt dat de deelnemingsvrijstelling geen toepassing vindt ten aanzien van een verlies op een deelneming dat tot uitdrukking komt nadat het lichaam waarin de belastingplichtige een deelneming heeft, is ontbonden (liquidatieverlies). De ratio van de liquidatieverliesregeling is dat door de liquidatie van de dochter/deelneming de mogelijkheid van verliescompensatie bij de dochtervennootschap voorgoed verloren gaat, terwijl bij de aandeelhouder van het lichaam dit verlies door de deelnemingsvrijstelling evenmin in aanmerking zou worden genomen.
De wetgever heeft uit praktische overwegingen ervoor gekozen bij de omvang van het liquidatieverlies niet aan te sluiten bij de bij de dochter/deelneming nog te verrekenen verliezen, maar het liquidatieverlies te stellen op het bedrag dat de belastingplichtige voor de deelneming heeft opgeofferd minus de liquidatie-uitkeringen.
Artikel 13d bevat een aantal bepalingen hoe het liquidatieverlies moet worden berekend (leden 2 t/m 8). In lid 9 is bepaald op welk tijdstip het liquidatieverlies in aanmerking wordt genomen.
6.1.1. Van toepassing zijnde wettekst
Bij de toepassing van artikel 13d Wet Vpb valt het tijdstip van de ontbinding van de deelneming (artikel 13d, eerste lid) vaak in een eerder jaar dan het tijdstip waarop de vereffening van de deelneming is voltooid (artikel 13d, negende lid). Door een wetswijziging kan het regime in het jaar waarin de deelneming is ontbonden afwijken van het regime in het jaar waarin de vereffening is voltooid.
Bij het claimen van het liquidatieverlies is naar mijn mening bepalend de wettekst zoals deze geldt op het moment dat fiscaal het liquidatieverlies in aanmerking wordt genomen. De wettekst die geldt op het tijdstip van de vereffening is dus bepalend.
6.1.2. Verruiming van het begrip liquidatie van een deelneming voor de toepassing van artikel 13d Wet Vpb
Ingevolge artikel 13d, Wet Vpb kan slechts formele liquidatie (ontbinding en vereffening) van een lichaam waarin wordt deelgenomen aanleiding geven tot het bij de winstbepaling van het deelnemende lichaam in aanmerking nemen van een verlies op de deelneming.
In de praktijk kunnen zich evenwel situaties voordoen waarin het lichaam waarin wordt deelgenomen weliswaar niet formeel is ontbonden of kan worden ontbonden, maar waarbij een toestand is ingetreden die materieel met liquidatie is gelijk te stellen. Te denken valt bijvoorbeeld aan het geval waarin een in het buitenland gevestigde dochtermaatschappij haar werkzaamheden wegens politieke omstandigheden blijvend moet beëindigen. Voorts kan worden gedacht aan het geval van nationalisatie van een dochtermaatschappij waarbij de moedermaatschappij alle zeggenschap in de dochtermaatschappij verliest en de investering geen vruchten meer afwerpt.
Ik keur goed dat vorenbedoelde twee gevallen worden beschouwd als een liquidatie in de zin van artikel 13d Wet Vpb, zodat de liquidatieverliesregeling van artikel 13d Wet Vpb overeenkomstige toepassing kan vinden.
In andere situaties waarin de deelneming niet formeel is ontbonden of kan worden ontbonden, maar waarbij een toestand is ingetreden die materieel gelijk staat met een formele liquidatie, kan de belanghebbende een verzoek aan het ministerie richten. Daar zal per geval worden bezien of er aanleiding is tot toepassing van artikel 63 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen.
Voor de volledigheid verwijs ik naar de in punt 6.9.1. getroffen regeling bij langlopende liquidaties, waarbij wel ontbinding plaatsvindt maar de vereffening lang duurt.
6.2.1. Opgeofferd bedrag; bonusaandelen
Indien een houdster van een deelneming uit de winst van de deelneming een bonusaandeel ontvangt, heeft dit geen effect op het voor de deelneming opgeofferde bedrag. Het maakt daarbij geen verschil of de uitgifte van het bonusaandeel geput wordt uit nieuwe winstreserves dan wel reserves die reeds bestonden ten tijde van de verwerving van de deelneming (meegekocht dividend). Hoewel bij de dochtermaatschappij een verschuiving plaatsvindt van winstreserves naar kapitaal/agio, kan niet gezegd worden dat de moedermaatschappij ter gelegenheid van de uitgifte van de winstbonusaandelen iets opoffert.
6.3.1. Vijfjaarstermijn in geval van een buitenlandse deelneming
Een Nederlandse vennootschap die een deelneming verwerft in een in het buitenland gevestigde vennootschap op het moment dat de onderneming van de deelneming reeds is gestaakt, kan bij liquidatie een liquidatieverlies nemen. Daarbij geldt wel dat de Nederlandse vennootschap de deelneming niet mag hebben verkregen van een verbonden lichaam; indien dat wel het geval is, kan door de werking van artikel 13f, eerste lid, het liquidatieverlies niet aftrekbaar zijn. Verder wijs ik er op dat artikel 13d, eerste lid, Wet Vpb de voorwaarde stelt dat de deelneming ten minste 5 jaar vóór de staking van de onderneming in het bezit dient te zijn van de belastingplichtige. Tijdens de parlementaire behandeling is echter ten aanzien van deze tijdsbepaling het volgende opgemerkt:
‘Met betrekking tot het tijdsaspect merk ik nog het volgende op. Het komt mij gewenst voor een tijdsaspect in de regeling op te nemen, om te voorkomen dat in het zicht van liquidatie het belang in een buitenlandse deelneming (goedkoop) wordt uitgebreid – tot ten minste 25% – om zodoende aan het kwantitatieve vereiste te voldoen (…..). Gezien de hiervoor vermelde achtergrond van de bepaling moge duidelijk zijn dat de tijdslimiet niet geldt ingeval de onderneming van de deelneming geheel of nagenoeg geheel is gestaakt binnen 5 jaar na de oprichting of de verwerving van het lichaam waarin wordt deelgenomen, mits vanaf het moment van oprichting of verwerving sprake is van een belang van tenminste 25%. Alsdan doet zich immers geen situatie voor van bijkopen van aandelen in het zicht van liquidatie, waartegen de tijdslimiet is gericht’.
6.4.1. Vervreemding binnen concern
Het bepaalde in artikel 13d, vierde lid, Wet Vpb is bij belastingplichtige van toepassing, ingeval de tot het vermogen van haar te liquideren tussenhoudster (TH) behorende deelneming (D) is vervreemd aan een dochtervennootschap van TH. De bepaling is ook van toepassing indien voorafgaand aan de liquidatie van TH deelneming D wordt geliquideerd.Voorbeeld
Belastingplichtige houdt alle aandelen in tussenhoudster TH. TH houdt alle aandelen in deelneming D. De aandelen in D worden ingebracht in een nieuw opgerichte vennootschap, waarvan TH alle aandelen houdt.
Enkele jaren later worden achtereenvolgens D en TH geliquideerd.
Bij liquidatie van TH dient de waardedaling van de aandelen D die zich heeft voorgedaan in de periode dat TH de aandelen in D hield in aanmerking te worden genomen. Dit betekent dat het liquidatieveries in TH slechts in aanmerking wordt genomen voorzover dit verlies het bedrag van de waardedaling in D te boven gaat. De omstandigheid dat D na de verhanging middellijk behoort tot het vermogen van TH en wordt geliquideerd voordat TH wordt geliquideerd, betekent niet dat met deze waardedaling geen rekening hoeft te worden gehouden. Artikel 13d, vierde lid, Wet Vpb wil bewerkstelligen dat per saldo alleen de eigen verliezen van TH bijdragen aan de omvang van het liquidatieverlies van belastingplichtige in TH. Een deelnemingsverlies van TH wordt door de werking van de deelnemingsvrijstelling niet als eigen verlies aangemerkt. Het gaat daarbij om het verlies dat door TH op D wordt geleden sedert de verkrijging door belastingplichtige van de deelneming in TH.
Uit de tekst van artikel 13d, vierde lid, blijkt dat bepalend is of tot het vermogen van het ontbonden lichaam (TH) een deelneming (D) heeft behoord die is vervreemd en die in waarde is gedaald. De deelneming D is door TH vervreemd aan de tot het concern behorende vennootschap. Hieraan doet niet af dat na de vervreemding deelneming D middellijk behoort tot het vermogen van TH en evenmin dat D na de vervreemding (en voorafgaande aan de liquidatie van TH) wordt geliquideerd. Een andere redenering zou in strijd komen met doel en strekking van artikel 13d, vierde lid, Wet Vpb (voorkomen dubbele verliesverrekening).
6.9. 6.9. Artikel 13d, negende lid, Wet Vpb
Het negende lid van artikel 13d Wet Vpb bepaalt dat het liquidatieverlies eerst op het tijdstip waarop de vereffening is voltooid in aanmerking wordt genomen, mits wordt voldaan aan een aantal wettelijke vereisten.
De keuze voor het tijdstip waarop de vereffening is voltooid wordt in de parlementaire behandeling nog nader gemotiveerd:
a. door de liquidatie van de dochter/deelneming heeft de fiscus de zekerheid dat de mogelijkheid van verliescompensatie voorgoed verloren is gegaan;
b. in een eerder jaar dan waarin de vereffening van de dochter/deelneming plaatsvindt kan het liquidatieverlies nog niet worden berekend, omdat dit mede afhankelijk is van de liquidatie-uitkeringen.
6.9.1. Vereffening
6.9.1.1. Tijdstip vereffening voltooid; langlopende liquidatie
In een aantal gevallen van een langlopend faillissement of een langlopende liquidatie van deelnemingen is mij verzocht artikel 63 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen op overeenkomstige wijze toe te passen. Naar aanleiding van deze verzoeken is het volgende beleid ontwikkeld.
Indien in het achtste jaar volgende op ofwel het jaar waarin de deelneming in staat van faillissement is verklaard, ofwel het jaar waarin het besluit tot liquidatie van de deelneming is genomen de vereffening, buiten de wil van belanghebbende, nog niet is voltooid, keur ik goed dat het liquidatieverlies ten laste van de winst van dat achtste jaar wordt gebracht, mits belanghebbende ten genoegen van de belastingdienst verklaart, dat indien in enig jaar nog voordelen uit hoofde van de deelnemingen opkomen, deze voordelen bij het bepalen van de winst niet buiten aanmerking zullen blijven.
Indien het nog niet voltooid zijn van de vereffening is te wijten aan belanghebbende, of indien overigens bijzondere omstandigheden daartoe aanleiding geven, zulks ter beoordeling van de belastingdienst, dient het verzoek te worden voorgelegd aan het ministerie. Daar zal per geval worden bezien of er aanleiding is tot toepassing van artikel 63 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen.
Voor gevallen waarin de deelneming niet formeel is ontbonden of kan worden maar waarbij een toestand is ingetreden die materieel gelijk staat met een formele liquidatie: zie onderdeel 6.1.2.6.9.1.2. Tijdstip vereffening voltooid; strike-offprocedure
Naar buitenlands recht is het mogelijk om een vennootschap te ontbinden op grond van een zogeheten ‘strike off procedure’. Dit is een vereenvoudigde procedure om een vennootschap te ontbinden, zonder dat een formeel vereffeningstraject behoeft te worden doorlopen. Belangrijke voorwaarde voor toepassing van de regeling is dat er geen sprake is van openstaande schulden aan derden. Een bijzonder aspect daarbij is dat het Engelse recht de mogelijkheid biedt de ontbonden rechtspersoon door tussenkomst van de rechter te laten herleven.
De vraag is of het voorwaardelijk karakter van de strike-offprocedure eraan in de weg staat om aan te nemen dat sprake is van ontbinding en vereffening in de zin van artikel 13d, negende lid, aanhef, Wet Vpb.
Ik ben van mening dat een strike-offprocedure kan worden beschouwd als een ontbinding en vereffening in de zin van artikel 13d, negende lid, aanhef, Wet Vpb, mits belastingplichtige – ten overstaan van de bevoegde inspecteur:
1. ermee instemt dat het liquidatieverlies wordt teruggenomen in het jaar waarin de vennootschap herleeft, en
2. zich ertoe verbindt de Belastingdienst te informeren zodra de ontbonden vennootschap herleeft.
6.9.2. Voortzetting
In artikel 13d, negende lid, jo. artikel 13e Wet Vpb wordt effectuering van de liquidatiebepaling opgeschort indien de onderneming van het ontbonden lichaam geheel of gedeeltelijk wordt voortgezet door de belastingplichtige of een met hem verbonden lichaam.6.9.2.1. Gehele of gedeeltelijke voortzetting
Ik merk in de eerste plaats op dat een onderneming niet gedeeltelijk is voortgezet indien de onderneming geheel is gestaakt; daarbij wordt het gestaakt zijn van een onderneming opgevat overeenkomstig artikel 20, vijfde lid, Wet Vpb (tekst tot 1 januari 2001), thans artikel 20a, negende lid, onderdeel a, Wet Vpb.
Voorts behoeft er naar mijn mening in twijfelgevallen geen gedeeltelijke voortzetting te worden aangenomen:
indien de voortgezette activiteiten kwalitatief bijkomstig en qua omvang gering, dat wil zeggen minder dan 5%, zijn ten opzichte van de onderneming van het ontbonden lichaam.
Kwalitatief bijkomstig wil in dit verband zeggen dat het geen speerpuntactiviteit van het concern mag zijn die op het moment van liquidatie kwantitatief nog niet veel voorstelt maar als veelbelovend is aan te merken, hetgeen ook de reden is om deze activiteiten in het kader van de liquidatie niet te beëindigen of te verkopen, maar elders binnen het concern voort te zetten.
indien de voortgezette activiteiten de functie hebben van voorbereidende of hulpactiviteiten in de onderneming van het ontbonden lichaam.
Een voorbeeld hiervan is het onderbrengen van resterende service- c.q.garantieactiviteiten van het ontbonden lichaam elders binnen het concern.
vanwege de enkele omstandigheid dat de omzet van de geliquideerde dochter wordt verdeeld door de markt met als gevolg dat een deel daarvan weer aan het concern toevalt.
Slechts indien van die omzet een duidelijk meer dan evenredig deel toevalt aan het resterende concern valt hieraan enige steun te ontlenen voor de stelling dat sprake is van gedeeltelijke voortzetting binnen concern.
In dit verband merk ik op dat houdsteractiviteiten geen aanleiding geven tot het constateren van een voortgezette onderneming; dergelijke activiteiten hebben hun effect op het liquidatieverlies via artikel 13d, vierde lid, van de Wet Vpb, en niet via artikel 13d, negende lid jo. artikel 13e van de Wet Vpb.6.9.2.2. Voortzetting; moment toetsing verbondenheid
Indien de onderneming van een ontbonden lichaam wordt voortgezet door een met de moedervennootschap verbonden lichaam, en dit verbonden lichaam enige tijd na deze voortzetting wordt vervreemd, wordt de verbondenheid alsnog verbroken. lndien de deelneming geruime tijd daarna wordt geliquideerd, kan ter zake van deze liquidatie geen liquidatieverlies worden genomen, omdat de voortzettingsbepaling daaraan in de weg staat. Anders gezegd: op het moment van voortzetting van de onderneming wordt voor de toepassing van artikel 13d en 13e Wet Vpb getoetst of sprake is van verbondenheid. Hieraan doet niet af dat ten tijde van de liquidatie van de deelneming door de daaraan voorafgaande vervreemding van de aandelen in het verbonden lichaam geen sprake meer is van verbondenheid.
Ik keur evenwel goed dat de voortzettingsbepaling in artikel 13d, negende lid, onderdeel b, ten tweede, Wet Vpb buiten toepassing blijft onder de hierna genoemde feiten en omstandigheden. Aan deze goedkeuring heb ik de voorwaarde verbonden dat toepassing van artikel 13e, tweede lid, Wet Vpb, nl. de verhoging van het opgeofferde bedrag van de deelneming die de onderneming heeft voortgezet, achterwege blijft.
De bedoelde feiten en omstandigheden zijn:
er is geen sprake van een samenstel van rechtshandelingen (dat gericht is op toepassing van de liquidatieverliesregeling),
de aandelen van de vennootschap die de onderneming heeft voortgezet, zijn tezamen met aandelen in andere concernvennootschappen vervreemd, en
voorafgaand aan deze vervreemding zijn de aandelen in voortzettende vennootschap en de andere concernvennootschappen niet binnen concern verhangen.
8.1.1. Rechtsvorm. Moeder/dochterrichtlijn
Een vennootschap, die niet een rechtsvorm heeft, genoemd in de bijlage behorend bij artikel 2 van de Moeder/dochterrichtlijn, valt niet onder de werking van de moeder-dochterrichtlijn. De vermelding op de bijlage behorend bij artikel 2 van de richtlijn is derhalve bepalend.
8.1.2. Bijzondere regimes. België
Ten aanzien van de Belgisch coördinatiecentrum (BCC)-regeling en de zogenoemde beleggingsvennootschap met veranderlijk kapitaal (BEVEK-SICAV) is sprake van een bijzonder regime in de zin van artikel 13g, eerste lid, Wet Vpb. Het aandelenbezit in zo’n vennootschap vormt geen deelneming. Ik licht dat hierna toe.BCC
De Belgische coördinatiecentrum (BCC)-regeling is alleen van toepassing voor bepaalde activiteiten en alleen na erkenning via een separaat Koninklijk Besluit. Bij het BCC vindt belastingheffing plaats over d.m.v. de cost-plusmethode bepaalde winsten. Bij de cost-plusmethode stelt men een kostenbasis vast waarna vervolgens de winst wordt bepaald door een percentage van deze kostenbasis te nemen. Het gehanteerde cost-pluspercentage is meestal om en nabij de 8 (bruto-beloning is dan 108% × kostenbasis -/- kostenbasis 100% = winst 8%). Bij een BCC worden de financierings- en loonkosten niet in de kostenbasis opgenomen. Het BCC is daarnaast onderworpen aan een speciale (loon-)belasting van € 10.000 per werknemer (met een maximum van € 100.000). Tevens is een BCC niet onderworpen aan bronheffingen op dividenden, intresten en royalty’s en is het vrijgesteld van onroerende zaakbelasting.
Bij de parlementaire behandeling is opgemerkt:
‘Voorts zij voor alle duidelijkheid nog vermeld dat een bijzonder regime in de zin van deze bepaling zowel de situatie omvat waarin een verlaagd tarief geldt, als die waarin een begunstiging in de sfeer van de bepaling van de belastbare grondslag is toegekend.’ (MvT, blz. 10, Wet van 10 september 1992, Stb. 518).
‘Bij een bijzonder regime in de zin van de voorgestelde bepaling moet veeleer worden gedacht aan specifiek geldende verlaagde belastingtarieven of vrijstellingen, waardoor de desbetreffende lichamen in dat land in een fiscaal geprivileerde positie verkeren.’ (Nota naar aanleiding van het eindverslag, blz. 4, Wet van 10 september 1992, Stb. 518).
Gelet op het bovenstaande is gegeven dat voor de status van BCC een apart Koninklijk Besluit nodig is. Vervolgens wordt de winst bepaald op basis van de cost-plusmethode, waarbij echter de loon- en financierings-kosten niet terugkomen in de grondslag van de cost-plusberekening. Indien bovenstaande voordelen (tezamen met de andere belastingvrijstellingen) worden bezien kan de BCC-regeling niet als onderdeel worden gezien van het algemene Belgische belastingregime, doch dient zij te worden beschouwd als een regeling waarin een begunstiging in de sfeer van de bepaling van de belastbare grondslag wordt toegekend waarmee een fiscaal geprivilegieerde positie wordt gecreëerd.
Bovendien is tijdens de parlementaire behandeling het volgende opgemerkt.
‘Naar aanleiding van de vraag van de leden van de CDA-fractie of de Belgische coördinatiecentrum regeling als een bijzonder regime in de zin van het voorgestelde artikel 13g, eerste lid, 1°, dient te worden beschouwd merk ik op dat ik met deze leden van oordeel ben, dat in dit geval sprake is van een bijzonder regime. Overigens merk ik nog op dat het voorgestelde artikel 13g slechts praktische betekenis heeft bij een deelneming in een coördinatiecentrum indien de aandelen daarin ter belegging worden gehouden. Is dat niet zo (…) dan geldt de deelnemingsvrijstelling zonder toets aan een bijzonder regime.’ (Nota naar aanleiding van het eindverslag, blz. 3, Wet van 10 september 1992, Stb. 518).
Uit het bovenstaande volgt dat bij de BCC-regeling sprake is van een bijzonder regime in de zin van artikel 13g, eerste lid, van de Wet Vpb.BEVEK-SICAV
België kent de zogenoemde ‘beleggingsvennootschap met veranderlijk kapitaal’ (de Vlaamse afkorting is BEVEK, de Waalse afkorting SICAV). Naar mijn oordeel worden aandelen in een lichaam dat uitsluitend belegt qualitate qua als belegging gehouden. Uit het bepaalde in artikel 13, tweede lid, Wet Vpb vloeit voort dat zo’n aandelenbezit niet als een deelneming kwalificeert.
Naar mijn mening kan een aandelenbezit in een SICAV/BEVEK evenmin op grond van het bepaalde in artikel 13g, eerste lid, Wet Vpb als een deelneming worden aangemerkt.
De beleggingsvennootschap met veranderlijk kapitaal is weliswaar onderworpen aan de vennootschapsbelasting naar het normale tarief, maar de belastbare grondslag is zeer beperkt. Zo blijven zowel de gereserveerde als de uitgekeerde winst buiten beschouwing. Ik ben dan ook van oordeel dat sprake is van een bijzonder regime. Dientengevolge kan het aandelenbezit in zo’n vennootschap niet met een deelneming worden gelijkgesteld.
8.1.3. Rechtsvorm. Moeder/dochterrichtlijn. Verenigd Koninkrijk en Gemenebest-landen
Ten aanzien van het Verenigd Koninkrijk moet onderscheid worden gemaakt tussen gebiedsdelen die behoren tot de Europese Unie en die behoren tot het Gemenebest.
Tot de eerstgenoemde categorie behoort bijvoorbeeld Gibraltar. Ingevolge de toetredingsakte van het Verenigd Koninkrijk tot de Europese Gemeenschappen (Pb EG L73 van 27 maart 1972) en artikel 299, vierde lid EG-verdrag behoort Gibraltar tot de Europese Unie. Een limited opgericht naar het recht van Gibraltar wordt geacht te zijn opgericht naar Brits recht. De rechtsvorm valt dan onder de vennootschappen naar Brits recht, die op de bij de richtlijn behorende bijlage zijn vermeld.
Dit heeft tot gevolg deze Gibraltar-limited een rechtsvorm is zoals opgenomen in de bijlage bij de moeder/dochterrichtlijn ( Richtlijn 90/435/EEG), zodat wordt voldaan aan artikel 13g, eerste lid, ten tweede, Wet Vpb. Voor het van toepassing kunnen zijn van artikel 13g, eerste lid, Wet Vpb dient uiteraard ook aan de overige voorwaarden te zijn voldaan.
De Turks and Caicos Islands zijn een voorbeeld van een gebiedsdeel dat behoort tot het Britse Gemenebest, maar geen onderdeel zijn van het Verenigd Koninkrijk; evenmin is sprake van een vennootschap opgericht naar Brits recht. Een limited die is opgericht naar het recht van de Turks and Caicos Islands valt niet onder de vennootschappen naar Brits recht, die op de bij de richtlijn behorende bijlage zijn vermeld. Dit betekent dat bij een Turks and Caicos-limited geen sprake is van een rechtsvorm zoals opgenomen in de bijlage bij de moeder/dochterrichtlijn ( Richtlijn 90/435/EEG), zodat niet wordt voldaan aan artikel 13g, eerste lid, ten tweede, Wet Vpb.
8.1.4. Bijzonder regime. Hongaarse concernfinancieringsmaatschappij
In Hongarije geldt ter zake van concernfinancieringsmaatschappijen in afwijking van het normale regime een korting van 50% op de belastinggrondslag.
Naar mijn mening is bij dit regime voor concernfinancieringsmaatschappijen sprake van een bijzonder regime in de zin van artikel 13g, eerste lid, Wet Vpb.
8.1.5. Aandelen als belegging gehouden. Toepassing kapitaal-criterium (artikel 13g, eerste lid) naast stemrechtcriterium (artikel 13g, tweede lid)
Ingeval Nederland met een Lid-Staat van de Europese Gemeenschappen een verdrag ter voorkoming van dubbele belasting heeft gesloten dat voorziet in een verlaging van de belastingheffing op dividenden op grond van het bezit van het aantal stemrechten, wordt een aandelenbezit in een in die Lid-Staat gevestigde vennootschap met een deelneming gelijkgesteld indien (o.a.) wordt voldaan aan het in artikel 13g, tweede lid, Wet Vpb opgenomen stemrechtcriterium.
Indien belastingplichtige niet voldoet aan dit stemrechtcriterium – en dus het aandelenbezit op grond van artikel 13g, tweede lid, Wet Vpb niet met een deelneming wordt gelijkgesteld –, vormt dit naar mijn mening geen belemmering voor het van toepassing (kunnen) zijn van artikel 13, tweede lid, onderdeel a, en artikel 13g, eerste lid, Wet Vpb, waarin een kapitaalcriterium wordt gehanteerd.
Dit betekent dat, indien bij een aandelenbezit in een in de vorige alinea bedoelde vennootschap niet wordt voldaan aan het stemrechtcriterium van artikel 13g, tweede lid, Wet Vpb, maar wel wordt voldaan aan het kapitaalcriterium van artikel 13g, eerste lid, Wet Vpb, de als belegging gehouden aandelen in die vennootschap op grond van artikel 13g, eerste lid, worden aangemerkt als een deelneming, mits ook aan de overige voorwaarden van artikel 13g, eerste lid, Wet Vpb wordt voldaan.
Hierbij is niet relevant of in het van toepassing zijnde verdrag wordt gesproken van het aantal stemmen (zie artikel 10.2 van het Verdrag met het Verenigd Koninkrijk) of van stemgerechtigde aandelen (zie artikel 13.4 van het Verdrag met Duitsland en artikel 10.2 van het Verdrag met Italië).
10.1.1. Toetsing 90%-criterium
Met betrekking tot de vraag of op een buitenlandse deelneming artikel 28b van toepassing is, dient onder meer te worden getoetst of de bezittingen van het lichaam uitsluitend of nagenoeg uitsluitend (dit is ten minste 90%), onmiddellijk of middellijk bestaan uit beleggingen. Hierbij geldt het volgende.
a. Bij deze toets dienen de bezittingen van de deelneming te worden gewaardeerd op de waarde in het economische verkeer;
b. De bezittingen van de kleindochters dienen eveneens op de waarde in het economische verkeer te worden gewaardeerd en naar evenredigheid in de toets te worden meegenomen.
11. Inwerkingtreding
Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2006. De volgende besluiten zijn met ingang van die datum ingetrokken:
Besluit van 30 november 1982, nr. 282-17832;
Besluit van 18 november 1988, nr. DB88/3952;
Besluit van 3 oktober 1990, nr. DB90/3032;
Brief van DGO Amsterdam van 22 mei 1991, nr. DGM/RDG/91/35 (Infobulletin 1991/321);
Besluit van 31 juli 1992, nr. DB92/3729;
Besluit van 23 december 1991, nr. IFZ91/332;
Besluit van 25 oktober 1995, nr. DB95/4097M;
Besluit van 17 februari 1997, nr. DB96/4136M;
Besluit van 20 januari 1998, nr. DB97/5037M;
Besluit van 22 november 1999, nr. DB99/1955M;
Besluit van 1 december 2000, nr. CPP2000/2668M;
Besluit van 16 april 2003, nr. CPP2003/828M;
Besluit van 9 februari 2004, nr. CPP2003/2240M;
Besluit van 5 oktober 2004, nr. CPP2004/1515M;
Besluit van 29 november 2004, nr. DGB2004/5550M.