Rechtenmedia.nl - Juridische Online Uitgeverij  Rechtennieuws.nl | Jure.nl | Maxius.nl | Parlis.nl | Rechtenforum.nl | JBmatch.nl | MijnWetten.nl | AdvocatenZoeken.nl | Rechtentotaal.nl
Uitvoeringsbesluit Douane- en Accijnswet BES
Bwb-id:
Officiele titel:
Citeertitel:
Soort regeling:
Wetsfamilies:
Eerst verantwoordelijk ministerie:

Geldigheidsdatum:
Ingangsdatum:
Inhoudsopgave
+ Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen
+ Hoofdstuk 2. In-, uit- en doorvoer
+ Hoofdstuk 3. Formele bepalingen accijns
+ Hoofdstuk 4. Slotbepaling
Vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature

Juridisch advies nodig?
Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag
Geschiedenis

Geschiedenis-overzicht

Uitvoeringsbesluit Douane- en Accijnswet BES

Besluit van 23 december 2010 tot vaststelling van het Uitvoeringsbesluit Douane- en Accijnswet BES (Uitvoeringsbesluit Douane- en Accijnswet BES)
Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Op de voordracht van de Staatssecretaris van Financiën van 23 november 2010, nr. AFP 2010/558, gedaan mede namens de Staatssecretaris van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie;
Gelet op de artikelen 2.2, eerste lid, 2.26, eerste lid, 2.34, 2.35, eerste lid, 2.36, eerste lid, 2.37, 2.43, 2.44, vijfde lid, 2.48, eerste lid, 2.57, zesde lid, 2.66, achtste lid, 2.99, 2.115, 2.135, 4.4, tweede lid, 4.5, tweede lid, 4.24, eerste lid, 4.34, tweede lid, 4.49, 4.58, eerste lid en 4.60, van de Douane- en Accijnswet BES;
De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 9 december 2010, nr. W06.10.0540/III);
Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Financiën van 16 december 2010, nr. DV2010/526 M, uitgebracht mede namens de Staatssecretaris van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie;
Hebben goedgevonden en verstaan:
2.
Dit besluit verstaat onder wet: Douane- en Accijnswet BES .
Artikel 2.1
Kosten zijn verschuldigd:
a. voor ambtelijke werkzaamheden verricht op verzoek van de belanghebbende:
1°. buiten de openingstijden van de douanekantoren;
2°. op andere plaatsen dan plaatsen die aangewezen zijn voor het onderzoek van goederen;
3°. indien voor de verstrekking van inlichtingen betreffende de toepassing van de douanewetgeving kosten zijn gemaakt, zoals voor analyses, expertises of terugzending van de goederen;
4°. ter zake van het wijzigen van aangiften, en het wedergeldig verklaren, het ongeldig maken of het verlengen van de geldigheidsduur van een document;
b. voor de vernietiging van de goederen, bedoeld in de artikelen 2.22, eerste en derde lid, en 2.67, vijfde en zesde lid, van de wet;
c. indien kosten als bedoeld in artikel 2.54, derde lid, van de wet zijn gemaakt;
d. voor het heronderzoek van goederen, ingeval de verschillen in uitkomst tussen dat onderzoek en het eerdere onderzoek van de goederen, één percent of minder bedragen;
e. ter zake van advertenties, inventarisatie, overbrenging, verkoop of vernietiging in het kader van de inbewaringneming van goederen, bedoeld in artikel 2.67 van de wet;
f. ter zake van de opslag van goederen in een ruimte in beheer bij de overheid;
g. in de gevallen waarin bewaking van de goederen is bevolen.
Artikel 2.2
In deze afdeling wordt verstaan onder:
a. Onze Minister: Onze Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking;
b. goederen voor tweeërlei gebruik: goederen die zowel een civiele als een militaire bestemming kunnen hebben, met inbegrip van alle goederen die voor niet-explosieve doeleinden gebruikt kunnen worden en op enige manier bijdragen aan de vervaardiging van nucleaire wapens of andere nucleaire explosiemiddelen;
c. militaire goederen: de militaire goederen, bedoeld in een door Onze Minister van Financiën in overeenstemming met Onze Minister na overleg met Onze Minister die het mede aangaat vast te stellen ministeriële regeling;
d. Verordening 428/2009: Verordening (EG) nr. 428/2009 van de Raad van 5 mei 2009 tot instelling van een communautaire regeling voor controle op de uitvoer, de overbrenging, de tussenhandel en de doorvoer van goederen voor tweeërlei gebruik (PbEU 2009, L 134);
e. militair eindgebruik: de verwerking in militaire goederen, het gebruik van productie-, test- of onderzoeksapparatuur en onderdelen daarvan voor de ontwikkeling, de productie of het onderhoud van militaire goederen, en het gebruik van onafgewerkte goederen in een fabriek voor de fabricage van militaire goederen;
f. beschikking: een voor bezwaar vatbare schriftelijke beslissing, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling die niet van algemene strekking is en die door Onze Minister is genomen op grond van deze afdeling.
1.
Voor de uitvoer van goederen voor tweeërlei gebruik die voorkomen op de lijst in bijlage I van Verordening 428/2009 is een vergunning vereist.
2.
Voor de uitvoer van goederen voor tweeërlei gebruik die niet op de lijst in bijlage I van Verordening 428/2009 voorkomen, is een vergunning vereist indien:
a. de exporteur door Onze Minister is meegedeeld dat de goederen geheel of gedeeltelijk bestemd zijn of kunnen zijn voor gebruik in verband met de ontwikkeling, de productie, de behandeling, de bediening, het onderhoud, de opslag, de opsporing, de herkenning of de verspreiding van chemische, biologische of nucleaire wapens of andere nucleaire explosiemiddelen, of voor de ontwikkeling, de productie, het onderhoud of de opslag van raketten die dergelijke wapens naar hun doel kunnen voeren;
b. op het kopende land of het land van bestemming een wapenembargo rust waartoe besloten is in een een besluit van de Raad van de Europese Unie of een besluit van de Organisatie voor Veiligheid en Samenwerking in Europa (OVSE), of een wapenembargo uit hoofde van een bindende resolutie van de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties, en indien de exporteur door Onze Minister is meegedeeld dat de goederen geheel of gedeeltelijk bestemd zijn of kunnen zijn voor militair eindgebruik;
c. de exporteur door Onze Minister is meegedeeld dat de goederen geheel of gedeeltelijk bestemd zijn of kunnen zijn om te worden gebruikt als onderdelen of componenten van militaire goederen.
3.
Bij regeling van Onze Minister van Financiën in overeenstemming met Onze Minister kan om redenen van openbare veiligheid of uit mensenrechtenoverwegingen een verbod worden ingesteld op, of een vergunning verplicht worden gesteld voor, de uitvoer van goederen voor tweeërlei gebruik die niet zijn genoemd in bijlage I van Verordening 428/2009.
1.
Doorvoer van goederen voor tweeërlei gebruik, die voorkomen op de lijst in bijlage I van Verordening 428/2009, kan bij regeling van Onze Minister van Financiën in overeenstemming met Onze Minister worden verboden, indien de goederen geheel of gedeeltelijk bestemd zijn of kunnen zijn voor de in artikel 2.3, tweede lid, onderdeel a, genoemde doeleinden.
2.
Voordat hij een besluit neemt over het al dan niet verbieden van doorvoer, kan Onze Minister in individuele gevallen een vergunningsplicht opleggen voor een specifiek geval van doorvoer van goederen voor tweeërlei gebruik.
Artikel 2.5
Indien Onze Minister heeft bepaald dat de uitvoer of de doorvoer van daarbij aangewezen goederen zonder vergunning is verboden, is degene tot wie de in artikel 2.3, derde lid, bedoelde regeling zich richt en de adressaat van het besluit, bedoeld in artikel 2.4, zodra voor hem aannemelijk is dat die goederen een andere bestemming zullen krijgen dan in de regeling of in het besluit is vermeld, verplicht onder opgave van redenen van deze gewijzigde bestemming mededeling te doen aan Onze Minister.
1.
Het is verboden om militaire goederen uit te voeren van de BES eilanden of door te voeren via de BES eilanden zonder vergunning.
2.
Het eerste lid is niet van toepassing:
a. op de doorvoer van militaire goederen die uitsluitend worden vervoerd door de territoriale wateren of door het luchtruim van de BES eilanden;
b. op de doorvoer van militaire goederen die afkomstig zijn uit, of als eindbestemming hebben Australië, Japan, Nieuw-Zeeland, Zwitserland of één van de lidstaten van de Europese Unie of de Noord-Atlantische verdragsorganisatie (NAVO).
3.
Bij regeling van Onze Minister van Financiën in overeenstemming met Onze Minister kan worden bepaald dat voor de uitvoer of doorvoer van militaire goederen in situaties als bedoeld in het tweede lid een vergunning is vereist:
a. indien het belang van de internationale rechtsorde of een daarop betrekking hebbende internationale afspraak dat vereist; of
b. indien Onze Minister dit noodzakelijk acht voor de bescherming van de wezenlijke belangen van de nationale veiligheid.
4.
In andere gevallen dan die, bedoeld in het tweede lid, kan bij regeling van Onze Minister van Financiën in overeenstemming met Onze Minister vrijstelling worden verleend van het eerste lid.
5.
Onze Minister kan op aanvraag ontheffing verlenen van het eerste lid.
6.
Een vergunning of ontheffing wordt in ieder geval geweigerd voor zover dit voortvloeit uit internationale verplichtingen.
7.
Vrijstellingen en ontheffingen kunnen onder beperkingen worden verleend en daaraan kunnen voorschriften worden verbonden.
8.
Het is verboden om de goederen, bedoeld in lijst 2 van onderdeel B van de bijlage inzake stoffen bij het op 13 januari 1983 tot stand gekomen Verdrag tot verbod van de ontwikkeling, de productie, de aanleg van voorraden en het gebruik van chemische wapens en inzake de vernietiging van deze wapens (Trb. 1993, 162) in te voeren op de BES eilanden uit landen, die geen partij zijn bij dit verdrag.
1.
Indien op basis van deze afdeling geen vergunning is vereist voor de uitvoer of de doorvoer van militaire goederen, vindt een melding plaats bij Onze Minister.
2.
Ten aanzien van de melding, bedoeld in het eerste lid, worden bij regeling van Onze Minister van Financiën in overeenstemming met Onze Minister regels gesteld over:
a. de wijze waarop en door wie een melding moet worden gedaan;
b. het tijdstip van de melding; en
c. de inhoud van de melding.
3.
Bij regeling van Onze Minister van Financiën in overeenstemming met Onze Minister kan vrijstelling worden verleend van het eerste lid.
4.
Onze Minister kan op aanvraag ontheffing verlenen van het eerste lid.
5.
Vrijstellingen en ontheffingen kunnen onder beperkingen worden verleend en daar kunnen voorschriften aan worden verbonden.
1.
De vergunning, bedoeld in de artikelen 2.3, 2.4, tweede lid, en 2.6 wordt op aanvraag verleend door Onze Minister.
2.
Exporteurs verstrekken alle informatie die vereist is voor hun aanvragen van vergunningen, zodat Onze Minister over volledige informatie beschikt, met name ten aanzien van de eindgebruiker, het land van bestemming en het eindgebruik van het uitgevoerde goed.
3.
Onze Minister kan aan de vergunning voorschriften en voorwaarden verbinden.
4.
Ten aanzien van de vergunningverlening worden bij regeling van Onze Minister van Financiën in overeenstemming met Onze Minister nadere regels gesteld over:
a. de wijze waarop en door wie een vergunning wordt aangevraagd;
b. de aard van de vergunning; en
c. de voorschriften en voorwaarden die aan de vergunning verbonden kunnen worden.
5.
Onze Minister kan een verleende vergunning nietig verklaren, schorsen, wijzigen of intrekken.
1.
Na de aanvaarding van een aangifte kan de inspecteur op verzoek van de aangever, onder door hem te stellen voorwaarden, wijziging van de aangifte toestaan.
2.
De inspecteur staat wijziging van een aangifte niet toe indien het verzoek daartoe wordt gedaan nadat de inspecteur:
a. de aangever in kennis heeft gesteld van zijn voornemen de goederen aan een controle te onderwerpen; of
b. heeft geconstateerd dat de vermeldingen in de aangifte onjuist of onvolledig zijn.
Artikel 2.10
De inspecteur kan ambtshalve een aanvaarde aangifte buiten werking stellen, indien:
a. de aangever weigert de medewerking en bijstand, bedoeld in artikel 2.54 van de wet, te verlenen;
b. de bescheiden en gegevens, die vereist zijn voor de controle van de juistheid en volledigheid van de gegevens in de aangifte, niet worden overgelegd;
c. de aangever niet in staat is gebleken de aangegeven goederen aan de inspecteur te tonen;
d. belastingen ter zake van de invoer van goederen niet binnen de gestelde termijnen zijn betaald of binnen die termijnen geen zekerheid is gesteld; of
e. de betreffende goederen geen toegelaten douanebestemming kunnen krijgen in verband met de toepassing van verboden of beperkingen.
1.
Op verzoek van de aangever kan de inspecteur een aangifte voor een toegelaten douanebestemming aanvaarden, die niet de vereiste gegevens bevat of waar niet de vereiste bescheiden zijn bijgevoegd. De inspecteur stelt daarbij een termijn vast voor de verstrekking van de ontbrekende gegevens of bescheiden die niet langer mag zijn dan een maand, te rekenen vanaf het tijdstip waarop de aangifte is aanvaard.
2.
Een onvolledige aangifte als bedoeld in het eerste lid, bevat in elk geval de volgende gegevens:
a. de gegevens, bedoeld in de vakken 16, 21 en 26 van het enig document;
b. de omschrijving van de goederen in voldoende duidelijke bewoordingen om de indeling in de tariefpost of de onderverdeling van het geharmoniseerde systeem, bedoeld in artikel 3.1, tweede lid, van de wet, mogelijk te maken;
c. de douanewaarde, of, indien blijkt dat de aangever niet in staat is die waarde van de genoemde goederen aan te geven, een voorlopige vermelding van de waarde die de inspecteur, met name gelet op de gegevens waarover de aangever beschikt, aanvaardbaar acht; en
d. de andere benodigde gegevens voor het vaststellen van de identiteit van de goederen.
3.
Indien de ontbrekende gegevens of bescheiden niet worden verstrekt binnen de in het eerste lid bedoelde termijn, worden de verschuldigde invoerrechten berekend en verhaald op de gestelde zekerheid.
4.
Een onvolledige aangifte kan ook worden gedaan in de gevallen waarin vóór de lossing de hoeveelheid te lossen goederen niet vaststaat. In bedoelde gevallen kan de aangever toestemming vragen aan de inspecteur om onder diens toezicht te mogen lossen.
5.
Een door de inspecteur aanvaarde onvolledige aangifte kan door de aangever worden aangevuld of, met toestemming van de inspecteur worden vervangen door een andere aangifte die voldoet aan de voorwaarden voor aanvaarding van een aangifte. In het laatstbedoelde geval wordt het tijdstip waarop de onvolledige aangifte is aanvaard, aangehouden als datum voor de vaststelling van het bedrag van de douaneschuld en de vervulling van eventuele andere douaneformaliteiten.
1.
Op verzoek van de aangever kan de inspecteur een handels- of administratief bescheid aanvaarden dat geheel of ten dele in de plaats treedt van een aangifteformulier of van een of meerdere gegevens in dat formulier.
2.
Op het in het eerste lid bedoelde bescheid dat door de inspecteur wordt aanvaard als aangifte of als onderdeel van een aangifte, is het bepaalde in artikel 2.11, tweede en derde lid, van overeenkomstige toepassing.
3.
Indien een handels- of administratief bescheid ten dele in de plaats treedt van een aangifteformulier of van meerdere gegevens in dat formulier, wordt door de aangever een aanvullende aangifte gedaan en worden daarbij de vereiste gegevens verstrekt ter completering van de aangifte voor de desbetreffende douanebestemming.
1.
Bij het aangifteformulier worden gevoegd:
a. de factuur of elk ander bescheid ter staving van de douanewaarde;
b. alle benodigde bescheiden in het kader van verboden of beperkingen die van toepassing zijn bij het binnenbrengen van de goederen;
c. alle andere benodigde bescheiden voor de toepassing van de wettelijke regelingen.
2.
De inspecteur kan eisen dat bij de aangifte de vervoersdocumenten of, in voorkomend geval, de documenten die betrekking hebben op de voorafgaande douanebestemming, worden overgelegd.
3.
Indien goederen in verscheidene colli wordt aangeboden, kan de inspecteur ook overlegging eisen van een paklijst of een gelijkwaardig bescheid waarin de inhoud van ieder collo is vermeld.
4.
Bescheiden zijn voorzien van een dagtekening en zijn geauthenticeerd door middel van een handtekening, een paraaf of een stempelafdruk.
5.
Indien een aangifte elektronisch wordt gedaan, kan de inspecteur toestaan dat over te leggen bescheiden op gelijke wijze worden ingediend of toegang wordt verleend tot de relevante gegevens in het computersysteem van de aangever. In dergelijke gevallen worden de bescheiden voorzien van een elektronische handtekening of een ander door de inspecteur vastgesteld middel om de authenticiteit te waarborgen.
6.
Indien een aangifte elektronisch wordt gedaan, kan de inspecteur toestaan dat de begeleidende bescheiden niet samen met de aangifte worden overgelegd. In dat geval worden de documenten ter beschikking van de inspecteur gehouden.
1.
De inspecteur geeft een certificaat inzake goederenverkeer bij de uitvoer af, indien:
a. een internationale overeenkomst of regeling voorziet in een tariefpreferentie bij invoer in een ander land voor goederen die voor de toepassing van de bepalingen van die overeenkomst of regeling geacht worden van oorsprong te zijn uit een van de BES eilanden;
b. het certificaat als bewijsstuk kan dienen voor de toepassing van de in onderdeel a bedoelde tariefpreferentie en de preferentiële status van de goederen wordt vastgesteld aan de hand van de afgifte van certificaten door de bevoegde autoriteiten van het begunstigde land; en
c. aan de overige voorwaarden van bedoelde internationale overeenkomst of regeling wordt voldaan.
2.
De inspecteur bewaart de verzoeken en de kopieën van de afgegeven certificaten gedurende een periode van ten minste tien jaren.
1.
Een aanvraag tot afgifte van een certificaat inzake goederenverkeer wordt schriftelijk ingediend bij de inspecteur.
2.
De aanvraag, bedoeld in het eerste lid, bevat gegevens en bewijsstukken op basis waarvan de oorsprong van de in de aanvraag vermelde goederen kan worden vastgesteld.
3.
Op de aanvraag, bedoeld in het eerste lid, beslist de inspecteur bij beschikking. Voordat hij beslist kan de inspecteur van de aanvrager elk aanvullend bewijs eisen dat noodzakelijk is om te waarborgen dat de oorsprong van de goederen in de aanvraag juist is vermeld en de goederen voldoen aan de overige voorwaarden van de desbetreffende internationale overeenkomst of regeling.
4.
Het model van het certificaat inzake goederenverkeer is opgenomen in de desbetreffende internationale overeenkomst of regeling. De formulieren van het certificaat inzake goederenverkeer zijn verkrijgbaar bij de Kamer van Koophandel en Nijverheid.
5.
Het is verboden ten behoeve van de afgifte door de inspecteur van een certificaat inzake goederenverkeer onjuiste of onvolledige gegevens te verstrekken met betrekking tot de oorsprong van goederen.
1.
De bevoegde autoriteiten van het land van invoer dat aan goederen van oorsprong uit één van de BES eilanden een tariefbegunstiging heeft verleend, kunnen de inspecteur verzoeken een certificaat inzake goederenverkeer aan een controle te onderwerpen.
2.
De autoriteiten die de in het eerste lid bedoelde controle hebben aangevraagd, worden zo spoedig mogelijk van de resultaten van de controle door de inspecteur in kennis gesteld.
1.
Een certificaat van oorsprong voor op de BES eilanden voortgebrachte of bewerkte of verwerkte producten wordt afgegeven onder de benaming: Certificate of origin of Bonaire, St. Eustatius and Saba.
2.
Op een aanvraag tot afgifte van een certificaat van oorsprong is artikel 2.15, eerste tot en met derde lid, van overeenkomstige toepassing.
3.
Het is verboden ten behoeve van de afgifte door de inspecteur van een certificaat van oorsprong onjuiste of onvolledige gegevens te verstrekken met betrekking tot de oorsprong van goederen.
1.
Een certificaat van oorsprong wordt afgegeven indien het goederen betreft die:
a. geheel en al zijn voortgebracht op één van de BES eilanden; of
b. waarvan de bestanddelen zijn ingevoerd en op één van de BES eilanden een substantiële bewerking of verwerking hebben ondergaan.
2.
Onder goederen die geheel en al op één van de BES eilanden zijn voortgebracht wordt verstaan:
a. op één van de BES eilanden gewonnen minerale producten;
b. aldaar geoogste producten van het plantenrijk;
c. aldaar geboren en opgefokte levende dieren;
d. producten afkomstig van aldaar gehouden levende dieren;
e. voortbrengselen van de aldaar bedreven jacht en visserij;
f. producten van de zeevisserij en andere producten die buiten de territoriale zee van een van de BES eilanden uit zee zijn gewonnen door in een van de BES eilanden ingeschreven of geregistreerde schepen;
g. goederen die aan boord van fabrieksschepen zijn verkregen uit in onderdeel f. bedoelde producten die van oorsprong zijn uit de BES eilanden, voor zover deze schepen aldaar zijn ingeschreven of geregistreerd;
h. producten gewonnen van en uit de buiten de territoriale zee gelegen zeebodem voor zover de BES eilanden, met het oog op exploitatie, exclusieve rechten over deze zeebodem uitoefenen;
i. uitval en afval afkomstig van fabrieksbewerkingen en artikelen die niet meer in gebruik zijn, mits zij in de BES eilanden zijn verzameld en slechts voor de terugwinning van grondstoffen kunnen dienen; of
j. goederen die aldaar uitsluitend zijn verkregen in de onderdelen a tot en met i bedoelde goederen of derivaten daarvan, in ongeacht welk stadium van derivatie.
3.
Van een substantiële bewerking of verwerking is sprake indien in een daartoe ingerichte onderneming de laatste ingrijpende en economisch verantwoorde bewerking of verwerking heeft plaatsgevonden die hetzij tot de fabricage van een nieuw product heeft geleid, hetzij een belangrijk fabricagestadium vertegenwoordigt.
4.
Een certificaat van oorsprong bevat in ieder geval de volgende gegevens:
a. de naam, het adres en de woonplaats van de exporteur en van de geadresseerde;
b. het land van oorsprong van het goed waarvoor het certificaat wordt afgegeven;
c. identiteitskenmerken van het te exporteren goed;
d. plaats van afgifte, datum, stempel en handtekening van de inspecteur; en
e. de verklaring van de exporteur.
5.
De inspecteur die certificaten van oorsprong heeft afgegeven, bewaart kopieën van die certificaten en de daarbij behorende aanvragen gedurende een periode van ten minste tien jaren.
1.
De bevoegde autoriteiten of aangewezen instanties van het land van invoer kunnen aan de inspecteur die de certificaten inzake goederenverkeer en certificaten van oorsprong heeft afgegeven, verzoeken die certificaten aan een controle achteraf te onderwerpen.
2.
De bevoegde autoriteiten of aangewezen instanties, die de in het eerste lid bedoelde controle hebben aangevraagd, worden zo spoedig mogelijk van de controleresultaten door de inspecteur in kennis gesteld.
In deze in kennis stelling wordt vermeld:
a. of de certificaten al dan niet echt zijn;
b. of de betrokken goederen als goederen van oorsprong beschouwd kunnen worden; en
c. of aan de andere voorwaarden voor de afgifte van de certificaten is voldaan.
1.
Voor het vervaardigen van formulieren van certificaten inzake goederenverkeer en van certificaten van oorsprong is een vergunning vereist van onderscheidenlijk Onze Minister van Financiën en Onze Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking.
2.
Aan de in het eerste lid bedoelde vergunning kunnen voorwaarden worden verbonden.
Artikel 2.21
De inspecteur kan ambtshalve een document buiten werking stellen:
a. indien goederen worden vernietigd als bedoeld in de artikelen 2.22, eerste lid, en 3.29, eerste lid, onderdeel b, van de wet;
b. indien de goederen aan het Rijk worden afgestaan als bedoeld in de artikelen 2.21, eerste lid, en 3.29, vierde lid, van de wet; of
c. in de gevallen, bedoeld in artikel 2.10, met uitzondering van onderdeel d.
1.
De inspecteur is bevoegd de geldigheidsduur van een document vast te stellen.
2.
De inspecteur kan op een met redenen omkleed verzoek van de aangever een document, waarvan de geldigheidsduur is verstreken, wedergeldig verklaren en een nieuwe geldigheidsduur vaststellen, mits:
a. de goederen nog aanwezig zijn; en
b. het verzoek wordt ingediend binnen 60 dagen na het tijdstip waarop de geldigheidsduur van het document is verstreken.
1.
De inspecteur kan op verzoek, onder door hem te stellen voorwaarden, een document ongeldig maken, indien:
a. het verzoek wordt gedaan binnen een termijn van 15 kalenderdagen te rekenen vanaf de datum waarop de desbetreffende aangifte is aanvaard;
b. de goederen niet zijn gebruikt;
c. de goederen op het moment van de aangifte bestemd waren om een andere douanebestemming te krijgen dan de aangegeven bestemming en zij aan de voorwaarden daarvoor voldeden; en
d. de goederen direct worden aangegeven voor de douanebestemming waarvoor zij in werkelijkheid waren bestemd.
2.
De aangifte voor de douanebestemming, bedoeld in het eerste lid, onderdeel d, wordt van kracht op de datum van aanvaarding van de eerdere aangifte ter verkrijging van het ongeldig gemaakte document.
Artikel 2.24
De inspecteur kan de geldigheidsduur van een document verlengen op een met redenen omkleed verzoek van de belanghebbende, indien de geldigheidsduur van het document op het moment dat de inspecteur het verzoek heeft ontvangen niet is verstreken en de goederen nog aanwezig zijn.
1.
De aansprakelijkheid voor de nakoming van verplichtingen die voortvloeien uit een voor goederen afgegeven document, kan worden overgenomen door degene die – in daartoe aangewezen gevallen – door middel van een ondertekende en gedagtekende aantekening op het document blijk geeft van die overname of door degene die aangifte doet van een nadere douanebestemming van de goederen.
2.
Als bewijs van de overname van de aansprakelijkheid, bedoeld in het eerste lid, wordt het voorafgaande document afgeschreven door de ambtenaren.
3.
De afschrijving van een voorafgaand document kan in zijn geheel of in gedeelten plaatsvinden.
4.
Na volledige afschrijving door de ambtenaren is een document gezuiverd.
5.
Indien een document dient ten geleide van het vervoer van goederen of voor tijdelijke invoer, is sprake van een te zuiveren document. De aangever draagt ervoor zorg dat het document, vergezeld van de goederen, na het bereiken van de daarin vermelde douanebestemming bij de ambtenaren van het douanekantoor van bestemming ter aftekening wordt ingediend.
6.
De ambtenaren, bedoeld in het vijfde lid, voorzien het document van hun bevindingen. Zij tekenen het document voor conform af indien zich bij het vervoer geen onregelmatigheden hebben voorgedaan en aan de goederen een nadere douanebestemming is gegeven.
7.
De zuivering van een document voor tijdelijke invoer kan geschieden: hetzij in zijn geheel op hetzelfde document dat bij de invoer werd opgemaakt, hetzij in gedeelten door indiening van aangiften ten uitvoer.
1.
De maatstaven voor de toekenning van de status van geautoriseerde marktdeelnemer zijn:
a. een passende staat van dienst op het gebied van de naleving van douaneformaliteiten;
b. een deugdelijke administratie en een administratieve organisatie die passende douanecontroles mogelijk maken;
c. in voorkomend geval, het bewijs van financiële solvabiliteit;
d. vakbekwaamheid of beroepskwalificaties die direct samenhangen met de verrichte activiteit; en
e. indien van toepassing, passende veiligheidsnormen.
2.
De status van geautoriseerde marktdeelnemer kan door de inspecteur bij beschikking worden geschorst, indien:
a. blijkt dat de vergunningsvoorwaarden niet of niet behoorlijk worden nageleefd;
b. zich feiten hebben voorgedaan die tot een strafrechtelijke vervolging aanleiding geven en die verband houden met een overtreding van de wettelijke regelingen door de geautoriseerde marktdeelnemer.
Het maken van bezwaar en het instellen van beroep heeft met betrekking tot de tenuitvoerlegging van de aangevochten beschikking geen schorsende werking.
3.
Voordat hij de status van geautoriseerde marktdeelnemer schorst, deelt de inspecteur zijn bevindingen mee aan die marktdeelnemer. Deze is gerechtigd in de gevallen, bedoeld in het tweede lid, binnen 30 kalenderdagen te rekenen vanaf het tijdstip waarop die mededeling is gedaan, de situatie te regulariseren en gehoord te worden.
4.
In afwijking van het derde lid gaat een schorsing onmiddellijk in, indien dit wegens de aard en de omvang van het risico voor de openbare veiligheid, de volksgezondheid of het milieu noodzakelijk is.
5.
Indien de in het derde lid bedoelde situaties niet binnen de termijn van 30 kalenderdagen worden geregulariseerd, deelt de inspecteur de marktdeelnemer mee, dat de status van geautoriseerde marktdeelnemer voor een periode van 30 dagen is geschorst, opdat de marktdeelnemer de nodige maatregelen kan treffen om de situatie te regulariseren.
6.
Indien de geautoriseerde marktdeelnemer een feit als bedoeld in het tweede lid, onderdeel b heeft gepleegd, schorst de inspecteur de status van geautoriseerde marktdeelnemer voor de duur van de rechtszaak. De schorsing wordt aan de marktdeelnemer meegedeeld.
7.
Ingeval de geautoriseerde marktdeelnemer de situatie niet binnen 30 dagen kan regulariseren, maar kan aantonen dat aan de voorwaarden kan worden voldaan, indien de schorsingstermijn wordt verlengd, schorst de inspecteur de status van geautoriseerde marktdeelnemer nogmaals voor 30 kalenderdagen.
8.
De schorsing heeft geen invloed op douanebestemmingen die aan goederen waren gegeven op het tijdstip waarop de schorsing inging en die nog niet zijn bereikt.
9.
Indien de geautoriseerde marktdeelnemer ten genoegen van de inspecteur de nodige maatregelen heeft getroffen, trekt de inspecteur de schorsing in en deelt hij dit aan de marktdeelnemer mee.
1.
Indien een geautoriseerde marktdeelnemer tijdelijk niet in staat is te voldoen aan de maatstaven van de status van geautoriseerde marktdeelnemer, kan hij aan de inspecteur verzoeken om deze status te schorsen.
2.
Indien een geautomatiseerde marktdeelnemer verkeert in een situatie als bedoeld in het eerste lid, deelt hij dit mee aan de inspecteur, onder vermelding van de termijn waarbinnen hij opnieuw aan de maatstaven kan voldoen. Hij stelt de inspecteur ook in kennis van de voorgenomen maatregelen en van het tijdschema voor de uitvoering ervan.
3.
Indien de geautoriseerde marktdeelnemer de situatie niet binnen de door hem meegedeelde termijn kan regulariseren, kan de inspecteur een redelijke verlenging van de schorsing toestaan, mits de marktdeelnemer te goeder trouw is.
4.
De geautoriseerde marktdeelnemer wordt geacht te goeder trouw te zijn indien hij kan aantonen dat hij al het nodige heeft gedaan om ervoor te zorgen dat aan de maatstaven voor het verlenen van de status van geautoriseerde marktdeelnemer werd voldaan.
1.
Op verzoek trekt de inspecteur de vergunning, waarbij de status van geautoriseerde marktdeelnemer is verleend, bij beschikking in.
2.
De vergunning, bedoeld in het eerste lid, wordt ook bij beschikking ingetrokken indien:
a. de geautoriseerde marktdeelnemer niet de in artikel 2.26, negende lid, bedoelde maatregelen heeft getroffen;
b. de geautoriseerde marktdeelnemer een ernstige overtreding van de wettelijke regelingen heeft begaan en de beslissing ter zake onherroepelijk vaststaat; of
c. de geautoriseerde marktdeelnemer verzuimd heeft tijdens de in artikel 2.27, bedoelde schorsingstermijn de nodige maatregelen te treffen.
2.
Het maken van bezwaar en het instellen van beroep heeft geen schorsende werking ten aanzien van de tenuitvoerlegging van de aangevochten beschikking.
3.
De intrekking wordt van kracht op de dag na de mededeling ervan.
4.
Behoudens de in het eerste en tweede lid, onderdeel c, bedoelde gevallen, kan de geautoriseerde marktdeelnemer binnen drie jaar na de intrekking geen nieuwe aanvraag voor een vergunning ter verkrijging van de status van geautoriseerde marktdeelnemer indienen.
Artikel 2.29
In deze afdeling wordt verstaan onder:
a. meerdere: de ambtenaar die uit hoofde van zijn functie of krachtens beschikking of aanwijzing met de leiding is belast of het bevel heeft over de taakuitvoering;
b. geweld: elke dwangmatige kracht van meer dan geringe betekenis uitgeoefend op personen, dieren of goederen;
c. geweldsmiddel: de wapens en uitrusting, waarmee geweld kan worden uitgeoefend, die krachtens artikel 1, tweede lid, van de Wapenwet BES zijn toegestaan;
d. aanwenden van een geweldsmiddel: het richten, het gericht houden en het daadwerkelijk gebruiken van een geweldsmiddel, daaronder begrepen het dreigen met een geweldsmiddel, waaronder niet wordt begrepen het uit voorzorg ter hand nemen van een vuurwapen.
1.
Indien een ambtenaar onder leiding van een ter plaatse aanwezige meerdere optreedt, oefent hij geen geweld uit dan na uitdrukkelijke last van deze meerdere. De meerdere geeft daarbij aan welk middel mag worden aangewend.
2.
Het eerste lid is niet van toepassing ingeval de meerdere, bedoeld in het eerste lid, vooraf anders heeft bepaald.
1.
De ambtenaar wendt bij de uitoefening van zijn dienst uitsluitend het geweldsmiddel aan dat door of vanwege Onze Minister wie het aangaat is verstrekt.
2.
Het aanwenden van een geweldsmiddel is uitsluitend toegestaan aan een ambtenaar die in het gebruik van dat geweldsmiddel is geoefend.
Artikel 2.32
Het aanwenden van een geweldsmiddel door de ambtenaar is geoorloofd om een persoon aan de kleding te onderzoeken ten aanzien van wie redelijkerwijs mag worden aangenomen dat hij een wapen bij zich heeft. Het onderzoek aan de kleding moet noodzakelijk zijn om te voorkomen dat bedoelde persoon gebruik gaat maken van het wapen.
Artikel 2.33
De ambtenaar mag in verband met zijn eigen veiligheid of die van anderen slechts een geweldsmiddel uit voorzorg ter hand nemen indien redelijkerwijs mag worden aangenomen dat een situatie ontstaat waarin hij bevoegd is het geweldsmiddel aan te wenden. Zodra blijkt dat een dergelijke situatie zich niet voordoet, wordt het geweldsmiddel terstond opgeborgen.
1.
De ambtenaar waarschuwt een persoon onmiddellijk voordat hij gericht een geweldsmiddel zal gebruiken, met luide stem of op andere niet mis te verstane wijze dat het geweldsmiddel ten aanzien van die persoon gebruikt zal worden indien niet onverwijld het gegeven bevel wordt opgevolgd.
2.
De waarschuwing, bedoeld in het eerste lid, die in het geval van een vuurwapen zo nodig vervangen kan worden door een waarschuwingsschot, blijft slechts achterwege indien de omstandigheden de waarschuwing niet toelaten.
3.
Een waarschuwingsschot wordt op zodanige wijze gegeven dat gevaar voor personen of zaken zoveel mogelijk wordt vermeden.
1.
Pepperspray wordt tegen een persoon per geval ten hoogste twee maal gebruikt en op een afstand van ten minste een meter.
2.
Pepperspray wordt niet gebruikt tegen:
a. personen die zichtbaar jonger zijn dan 12 jaar;
b. personen die zichtbaar ouder zijn dan 65 jaar;
c. vrouwen die zichtbaar zwanger zijn;
d. personen voor wie dit gebruik als gevolg van een voor de ambtenaar kenbare ademhalings- of andere gezondheidsstoornis onevenredig schadelijk kan zijn; en
e. groepen personen.
1.
De ambtenaar die geweld heeft aangewend, meldt dit aanwenden van het geweld, de redenen die daartoe hebben geleid en de daaruit voortvloeiende gevolgen onverwijld aan zijn meerdere.
2.
De melding, bedoeld in het eerste lid, geschiedt binnen 48 uur in de vorm van een rapport, indien:
a. de gevolgen van het geweld daartoe, naar het oordeel van de in het eerste lid bedoelde meerdere, aanleiding geven;
b. van een vuurwapen gebruik is gemaakt; of
c. enig geweldsmiddel is aangewend en lichamelijk letsel van meer dan geringe betekenis of de dood veroorzaakt is.
3.
Het rapport, bedoeld in het tweede lid, wordt ter kennis gebracht van de officier van justitie.
4.
Indien het aanwenden van geweld of een geweldsmiddel op uitdrukkelijke last van een meerdere heeft plaatsgevonden, wordt het rapport, bedoeld in tweede lid, door die meerdere opgemaakt.
5.
De meerdere licht de ambtenaar zo spoedig mogelijk in over de afhandeling van het rapport, bedoeld in het tweede lid. Desgevraagd worden aan bedoelde ambtenaar tussentijds inlichtingen verstrekt.
1.
Het onderzoek, bedoeld in artikel 2.57, derde lid, van de wet, geschiedt door het aan de oppervlakte aftasten van de kleding.
2.
De ambtenaar die een onderzoek als bedoeld in artikel 2.57, derde lid, van de wet heeft uitgevoerd, meldt dit schriftelijk binnen 48 uur aan zijn meerdere, onder vermelding van de redenen die tot dat onderzoek hebben geleid en de uit het onderzoek voortvloeiende gevolgen en resultaten.
Artikel 2.38
De bepalingen inzake het aanwenden van geweld, bedoeld in de artikelen 2.31 tot en met 2.34 en artikel 2.36, zijn van overeenkomstige toepassing ten aanzien van het gebruik van vrijheidsbeperkende middelen.
1.
De ambtenaar, bedoeld in artikel 2.66, zesde lid, van de wet, vermeldt in een schriftelijk verslag de redenen voor het geven van de toestemming om over te gaan tot gehele ontkleding of het onderzoek van het onderlichaam.
2.
Na afloop van de lijfsvisitatie waarbij overgegaan is tot gehele ontkleding of onderzoek van het onderlichaam vult degene die de lijfsvisitatie uitvoert, binnen 48 uur het schriftelijk verslag aan met vermelding van de wijze waarop de lijfsvisitatie is verricht en van de resultaten van de lijfsvisitatie. Hij doet dit verslag toekomen aan de inspecteur, en in het geval dat een verpleegkundige het onderzoek van het onderlichaam verricht, doet hij een kopie van het verslag toekomen aan de arts die opdracht heeft gegeven tot het onderzoek.
3.
Op de besloten plaats waar de lijfsvisitatie plaatsvindt waarbij wordt overgegaan tot gehele ontkleding of het onderzoek van het onderlichaam, wordt degene die de lijfsvisitatie uitvoert slechts vergezeld door de ambtenaar, bedoeld in artikel 2.66, zesde lid, van de wet. Hiervan kan worden afgeweken indien deze ambtenaar een redelijk vermoeden heeft dat de persoon die aan lijfsvisitatie wordt onderworpen een gevaar oplevert voor de veiligheid van zichzelf of van anderen.
4.
Apparatuur waarmee door kleding van personen wordt gekeken, mag op een niet besloten plaats worden gebruikt, mits de beelden op een besloten plaats worden geanalyseerd. De persoon die de beelden analyseert, hoeft niet van hetzelfde geslacht te zijn als dat van de persoon die aan lijfsvisitatie wordt onderworpen.
5.
Bij regeling van Onze Minister van Financiën kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot de apparatuur waarmee door kleding van personen wordt gekeken en het gebruik daarvan.
1.
In de vergunning voor het beheer van een douane-entrepot wordt, met inachtneming van de artikelen van deze afdeling, in elk geval bepaald:
a. op welke gronden de vergunning aan de beoogd beheerder is verleend, in het bijzonder de gebleken economische behoefte;
b. op welke voorwaarden de vergunning is verleend, in het bijzonder ten aanzien van de ligging, de afscheiding van andere percelen en de bouw van de betreffende inrichting;
c. op welke wijze de goederenrekening van de in- en uitslag van goederen wordt bijgehouden;
d. dat een voorraadadministratie en een administratieve organisatie worden gevoerd overeenkomstig de daaraan te stellen eisen, in gevallen waarin wordt afgezien van ambtelijke sluiting van het douane-entrepot;
e. de vorm van zekerheidstelling, in gevallen waarin wordt afgezien van ambtelijke sluiting van het douane-entrepot;
f. welke soorten goederen mogen worden opgeslagen;
g. welke behandelingen van goederen zijn toegelaten en onder welke voorwaarden toestemming voor die behandelingen wordt verleend;
h. welke nadere bestemmingen aan de opgeslagen goederen mogen worden gegeven en binnen welke termijnen die bestemmingen moeten worden bereikt;
i. op welke wijze het douanetoezicht wordt uitgeoefend, in het bijzonder ten aanzien van de in- en uitslag en de aanwezigheid van de goederen;
j. de gronden voor intrekking van de vergunning.
2.
In de vergunning kunnen per goederensoort de minimum hoeveelheden die per keer moeten worden in- of uitgeslagen, worden vastgesteld en kan worden bepaald dat detailverkoop van goederen uit het douane-entrepot niet is toegestaan.
Artikel 2.41
Indien een douane-entrepot bestemd is voor de opslag van goederen door eenieder, zijn de bepalingen, bedoeld in artikel 2.40, eerste lid, onderdelen c, d, e, f, g, h, en i, en tweede lid, van overeenkomstige toepassing op degene die verantwoordelijk is voor de nakoming van de verplichtingen die voortvloeien uit de aangifte voor de douanebestemming douane-entrepot.
1.
De inspecteur kan op verzoek de opslag in een douane-entrepot toestaan van goederen:
a. waarvoor aanspraak op teruggaaf van invoerrechten of accijns bij uitvoer bestaat en de opslag in douane-entrepot een versnelde toepassing daarvan mogelijk maakt, onder de voorwaarde dat de goederen daarna daadwerkelijk worden uitgevoerd;
b. die zijn ingevoerd met de douanebestemming tijdelijke invoer en waarbij, in afwachting van de doorvoer van de goederen, de voorwaarden voor toepassing van de vrijstelling van invoerrechten gedurende de opslag worden opgeschort.
2.
Bij een economische behoefte en mits het douanetoezicht daardoor niet in het gedrang komt, kan de inspecteur toestaan dat goederen uit het vrije verkeer in de ruimten van het douane-entrepot worden opgeslagen.
1.
Het is verboden in een douane-entrepot goederen op te slaan of voorhanden te hebben:
a. die schadelijk zijn voor de openbare orde, veiligheid, milieu of volksgezondheid;
b. die uit veterinair of fytosanitair oogpunt een risico vormen; of
c. waarbij de bescherming van intellectuele eigendomsrechten in het geding is.
2.
Voor goederen die bijzondere voorzieningen vergen, kan de inspecteur voorschrijven dat zij in speciaal daarvoor ingerichte ruimten worden opgeslagen.
1.
Goederen die overeenkomstig het bepaalde in artikel 2.16, derde en vierde lid, van de wet, zijn overgebracht naar een douane-entrepot, worden, na daartoe verkregen toestemming van de inspecteur op het douanekantoor van bestemming, ingeslagen in het douane-entrepot. Voor de inslag in het douane-entrepot dient het document waarmee de goederen zijn overgebracht.
2.
De inspecteur tekent het betreffende exemplaar van het overbrengingsdocument af indien wordt vastgesteld dat de eventueel aangebrachte ambtelijke verzegeling niet is geschonden of verwijderd, de overgebrachte goederen niet zijn gebruikt en de identiteit van de aangebrachte goederen overeenstemt met die van de goederen die bij het kantoor van vertrek werden aangegeven. Dit exemplaar wordt ingezonden aan het kantoor van vertrek ten behoeve van de zuivering.
3.
Indien de inslag plaats vindt in een douane-entrepot waar van de goederen een goederenrekening wordt bijgehouden, vindt debitering van die goederenrekening plaats, waarvan aantekening wordt gesteld op het document.
4.
Opgeslagen goederen kunnen gedurende de opslag worden verhandeld. De aansprakelijkheid voor de nakoming van verplichtingen uit hoofde van de entreposering rust op degene te wiens name de goederen zijn ingeslagen, tenzij de aansprakelijkheid met toestemming van de inspecteur op een ander is overgedragen.
1.
Aan goederen in een douane-entrepot die bestemd zijn om te worden uitgeslagen, wordt een douanebestemming gegeven. Aangifte voor een douanebestemming kan slechts worden gedaan door een persoon als bedoeld in artikel 2.27, derde lid, van de wet.
2.
De uitslag van goederen uit douane-entrepot is aan douanetoezicht onderworpen.
3.
Indien ter zake van de opslag van goederen in douane-entrepot een termijn is gesteld en deze termijn als gevolg van bijzondere omstandigheden niet kan worden nagekomen, kan de inspecteur een verlenging van de termijn toestaan. Worden de goederen na deze verlenging niet uitgeslagen, dan worden zij geacht ten invoer te zijn aangegeven.
4.
Goederen die niet als gevolg van tekortkomingen van de belanghebbende tijdens de opslag in douane-entrepot zijn beschadigd of bedorven, kunnen ten invoer worden aangegeven naar de staat waarin zij zich na de kwaliteitsvermindering bevinden, mits de kwaliteitsvermindering ten genoegen van de inspecteur wordt aangetoond.
1.
De voorraadadministratie, bedoeld in artikel 2.40, eerste lid, onderdeel d, bevat in elk geval:
a. een verwijzing naar de aangiften waarmee aan de goederen een nadere douanebestemming wordt gegeven, waarmee het document dienende tot opslag in douane-entrepot wordt aangezuiverd;
b. de plaats waar de goederen zich bevinden;
c. de gegevens voor identificatie van de goederen; en
d. de gegevens inzake de behandelingen die de goederen in het douane-entrepot hebben ondergaan.
2.
Op het moment van de inslag van de goederen vindt inschrijving plaats in de voorraadadministratie. Op het moment waarop de goederen worden uitgeslagen, vindt uitschrijving plaats.
3.
Uit de voorraadadministratie blijkt te allen tijde welke goederen zich nog onder het stelsel van douane-entrepots bevinden.
Artikel 2.47
Overtreding van het verbod, bedoeld in artikel 2.15, vijfde lid, vormt een verzuim ter zake waarvan de inspecteur een bestuurlijke boete kan opleggen van ten hoogste USD 2 800.
Artikel 2.48
Overtreding van het verbod, bedoeld in artikel 2.17, derde lid, vormt een verzuim ter zake waarvan de inspecteur een bestuurlijke boete kan opleggen van ten hoogste USD 2 800.
Artikel 2.49
Overtreding van het verbod, bedoeld in artikel 2.43, eerste lid, vormt een verzuim ter zake waarvan de inspecteur een bestuurlijke boete kan opleggen van ten hoogste USD 2 800.
Artikel 2.50
Degene die één van de artikelen 2.3 tot en met 2.8 overtreedt, maakt zich schuldig aan het plegen van een strafbaar feit.
Artikel 2.51
Degene die artikel 2.15, vijfde lid, overtreedt, maakt zich schuldig aan het plegen van een strafbaar feit.
Artikel 2.52
Degene die artikel 2.17, derde lid, overtreedt, maakt zich schuldig aan het plegen van een strafbaar feit.
Artikel 2.53
Degene die artikel 2.43, eerste lid, overtreedt, maakt zich schuldig aan het plegen van een strafbaar feit.
1.
Het brengen, bedoeld in artikel 4.4, tweede lid, onderdeel a, van de wet, van een accijnsgoed vanuit een accijnsgoederenplaats naar een andere accijnsgoederenplaats wordt aangetoond met een vormvrij geleidedocument waarin ten minste de volgende gegevens zijn opgenomen:
a. een uniek doorlopend referentienummer;
b. naam, adres, woonplaats en vergunningnummer van de vergunninghouder van de accijnsgoederenplaats van verzending;
c. plaats en datum van verzending;
d. het soort vervoermiddel onder vermelding van een identificatiegegeven van dat vervoermiddel;
e. naam, adres, woonplaats en vergunningnummer van de vergunninghouder van de accijnsgoederenplaats van bestemming;
f. de soort en hoeveelheid accijnsgoederen alsmede de voor de accijnsheffing van belang zijnde samenstelling van de accijnsgoederen;
g. voor zover het verpakte accijnsgoederen betreft: het bruto- en nettogewicht;
h. het op de overbrenging betrekking hebbende factuurnummer en de datum van facturering;
i. naam en telefoonnummer van de persoon die het geleidedocument heeft ondertekend; en
j. plaats en datum van ondertekening.
2.
Het geleidedocument wordt opgemaakt door de vergunninghouder van de accijnsgoederenplaats van waaruit de accijnsgoederen worden overgebracht.
3.
De vergunninghouder van de accijnsgoederenplaats waarnaartoe de accijnsgoederen zijn overgebracht, draagt zorg voor de terugzending van het in het eerste lid bedoelde geleidedocument of van een afschrift daarvan, voorzien van de volgende vermeldingen:
a. het adres van het kantoor van de belastingautoriteiten waaronder hij ressorteert;
b. de datum en plaats van ontvangst van de accijnsgoederen;
c. een eventueel verschil tussen de hoeveelheid ontvangen accijnsgoederen en de op het geleidedocument vermelde hoeveelheid, met dien verstande dat indien er geen verschil is, «zending conform» wordt vermeld; en
d. de handtekening van degene die hiertoe door de vergunninghouder is geautoriseerd, van welke autorisatie de belastingautoriteiten in kennis zijn gesteld.
4.
Het geleidedocument of een afschrift daarvan wordt binnen vijf werkdagen na de aanvang van de overbrenging van de accijnsgoederen terugontvangen door de vergunninghouder van de accijnsgoederenplaats van waaruit de accijnsgoederen zijn overgebracht, voorzien van een verklaring van de vergunninghouder van de accijnsgoederenplaats waarnaartoe de accijnsgoederen zijn overgebracht, dat de accijnsgoederen hun bestemming hebben bereikt en in zijn administratie zijn opgenomen.
5.
Het brengen, bedoeld in artikel 4.4, tweede lid, onderdeel b, van de wet, van een accijnsgoed vanuit een accijnsgoederenplaats naar een plaats buiten de BES eilanden wordt aangetoond met een door de inspecteur voor uitvoer afgetekend exemplaar van de aangifte ten uitvoer, bedoeld in artikel 2.27 van de wet.
6.
Indien het terugzendingsexemplaar van het geleidedocument niet wordt terugontvangen stelt de vergunninghouder van de accijnsgoederenplaats van waaruit de accijnsgoederen zijn verzonden de inspecteur daarvan in kennis uiterlijk acht werkdagen na de datum van verzending van de accijnsgoederen.
7.
Indien de inspecteur, onverminderd het achtste en negende lid, niet uiterlijk acht werkdagen na de datum, bedoeld in het zesde lid, ervan in kennis is gesteld dat de accijnsgoederen hun bestemming niet hebben bereikt, worden deze goederen aangemerkt als te zijn uitgeslagen uit de accijnsgoederenplaats van waaruit de overbrenging is aangevangen.
8.
Het geleidedocument, bedoeld in het eerste lid, kan op verzoek achterwege blijven indien:
a. de vergunninghouder van de accijnsgoederenplaats van waaruit de accijnsgoederen worden overgebracht beschikt over een administratie waarin deze overbrengingen afzonderlijk worden bijgehouden en waaruit naar het oordeel van de inspecteur de overbrengingen op overzichtelijke wijze zijn af te lezen; en
b. de vergunninghouder van de accijnsgoederenplaats van waaruit de accijnsgoederen worden overgebracht bij zijn aangifte opgave doet van de door hem in het tijdvak waarover aangifte wordt gedaan zonder geleidedocument overgebrachte accijnsgoederen.
9.
In de opgave, bedoeld in het achtste lid, onderdeel b, worden per overbrenging vermeld:
a. de naam, het adres en het vergunningnummer van de vergunninghouder van de accijnsgoederenplaats waarnaartoe de accijnsgoederen zijn overgebracht;
b. de soort, de hoeveelheid en de voor de accijnsheffing van belang zijnde samenstelling van de accijnsgoederen; en
c. de datum waarop de overbrenging van de accijnsgoederen is aangevangen.
10.
De toestemming voor toepassing van het achtste lid wordt opgenomen in de vergunning voor de accijnsgoederenplaats van waaruit de accijnsgoederen worden overgebracht. Op de toestemming zijn de artikelen 4.31, onderdelen a, c, d, e en f, 4.32 en 4.33 van de wet van overeenkomstige toepassing.
11.
Wanneer een overbrenging als bedoeld in het eerste lid niet plaatsvindt terwijl er reeds een geleidedocument is opgesteld, plaatst de vergunninghouder van de accijnsgoederenplaats, bedoeld in het tweede lid, op dit geleidedocument de vermelding «vervallen» en de reden van het niet-plaatsvinden van de overbrenging. Hij neemt dit vervallen geleidedocument op in zijn administratie.
1.
Het brengen, bedoeld in artikel 4.5, tweede lid, van de wet, van een accijnsgoed vanuit een plaats buiten de BES eilanden of vanuit een plaats voor tijdelijke opslag dan wel vanuit een douane-entrepot of een handels- en dienstenentrepot naar een accijnsgoederenplaats, die voor dat soort accijnsgoed als zodanig is aangewezen, wordt bij de aangifte ten invoer met opslag in een accijnsgoederenplaats aangetoond met een vormvrije vervoersopdracht waarop een verklaring is gesteld van de vergunninghouder van de accijnsgoederenplaats waarnaartoe de accijnsgoederen worden overgebracht, dat deze overbrenging aldus plaatsvindt en in zijn administratie wordt opgenomen.
2.
De vervoersopdracht, bedoeld in het eerste lid, wordt opgemaakt door de vergunninghouder van de accijnsgoederenplaats waarnaartoe de accijnsgoederen worden overgebracht, of in diens opdracht.
3.
In de vervoersopdracht worden opgenomen:
a. de naam en het adres van degene die de vervoersopdracht opmaakt dan wel van degene in wiens opdracht zij wordt opgemaakt;
b. de naam en het adres van degene die de accijnsgoederen overbrengt;
c. de naam en het adres van de vergunninghouder van de accijnsgoederenplaats waarnaartoe de goederen worden overgebracht alsmede het vergunningnummer en het adres van die accijnsgoederenplaats;
d. de soort en hoeveelheid accijnsgoederen en de voor de accijnsheffing van belang zijnde samenstelling van de accijnsgoederen;
e. de datum waarop de overbrenging van de accijnsgoederen aanvangt; en
f. de dagtekening en de ondertekening door de persoon, bedoeld in onderdeel a.
4.
Een afschrift van de vervoersopdracht wordt door de vergunninghouder van de accijnsgoederenplaats die de vervoersopdracht heeft opgemaakt of heeft doen opmaken op overzichtelijke wijze in zijn administratie opgenomen.
5.
Op als vervoersopdracht gebruikte bescheiden wordt vermeld: vervoersopdracht.
6.
De accijnsgoederen bereiken hun bestemming binnen vijf werkdagen na de datum waarop de goederen na aangifte ten invoer met opslag in een accijnsgoederenplaats ter beschikking van de aangever zijn gesteld.
7.
Indien de accijnsgoederen niet binnen vijf werkdagen na de datum, bedoeld in het zesde lid, hun bestemming hebben bereikt, wordt de inspecteur hiervan onverwijld in kennis gesteld door de vergunninghouder van de accijnsgoederenplaats waarnaartoe de accijnsgoederen zouden worden overgebracht.
8.
Indien de inspecteur niet binnen acht werkdagen na de datum, bedoeld in het zesde lid, ervan in kennis is gesteld dat de accijnsgoederen hun bestemming niet hebben bereikt, worden deze goederen aangemerkt als te zijn uitgeslagen uit de accijnsgoederenplaats waarnaartoe de accijnsgoederen zouden worden overgebracht.
1.
De vergunninghouder van een accijnsgoederenplaats:
a. doet de administratieve organisatie van de accijnsgoederenplaats zodanig zijn dat zij een juiste en volledige vastlegging van de bedrijfshandelingen waarborgt; en
b. doet de administratie van de accijnsgoederenplaats zodanig zijn dat daarin op overzichtelijke wijze de gegevens inzake alle voor de heffing van de accijns van belang zijnde bedrijfshandelingen zijn opgenomen.
2.
De administratie van de vergunninghouder van de accijnsgoederenplaats bevat in ieder geval de regelmatige aantekening van:
a. de uitgeslagen accijnsgoederen en de daarvoor uitgereikte facturen;
b. de geleidedocumenten en de vervoersopdrachten; en
c. de betrokken accijnsgoederen en de herkomst daarvan.
3.
Met betrekking tot accijnsgoederenplaatsen waar accijnsgoederen worden vervaardigd, bevat de in het eerste lid, onderdeel b, bedoelde administratie ook de voor de heffing van de accijns van belang zijnde gegevens inzake de inkoop van grondstoffen en van halffabricaten, en inzake de vervaardiging van halffabricaten en van eindproducten.
1.
Indien degene die om een vergunning voor een accijnsgoederenplaats verzoekt naar het oordeel van de inspecteur niet volledig kan voldoen aan het bepaalde in artikel 3.3, eerste lid, stelt de inspecteur voorwaarden met betrekking tot de locatie en de inrichting van de accijnsgoederenplaats, en met betrekking tot het stelsel van toezicht.
2.
De in het eerste lid bedoelde inrichting van een accijnsgoederenplaats heeft mede betrekking op de daar aanwezige productie-, transport- en opslaginstallaties.
1.
Het bepaalde in artikel 4.34, tweede lid, van de wet vindt uitsluitend toepassing met betrekking tot benzine die is uitgeslagen uit een accijnsgoederenplaats op basis van een schriftelijke opdracht van een vergunninghouder van een andere accijnsgoederenplaats voor benzine.
2.
De vergunninghouder in wiens opdracht de uitslag heeft plaatsgevonden doet bij de aangifte van de in een tijdvak verschuldigde accijns opgave van de accijnsgoederenplaats waaruit de uitslag heeft plaatsgevonden, van de naam van de vergunninghouder van de accijnsgoederenplaats en van het nummer van de vergunning van die vergunninghouder.
3.
De vergunninghouder van de accijnsgoederenplaats waaruit benzine is uitgeslagen doet bij de aangifte van de in een tijdvak verschuldigde accijns opgave van die uitslag, van de naam van de vergunninghouder van de accijnsgoederenplaats in wiens opdracht de accijnsgoederen zijn uitgeslagen en van het nummer van de vergunning van die vergunninghouder.
Artikel 3.6
Vrijstelling van accijns voor benzine die is bestemd te worden gebruikt als brandstof voor schepen, andere dan pleziervaartuigen, dan wel voor het schoonmaken van tankschepen of voor de voortstuwing van luchtvaartuigen, andere dan plezierluchtvaartuigen, wordt verleend indien:
a. de eigenaar of exploitant van het schip of luchtvaartuig dan wel zijn vertegenwoordiger aan boord van het schip of luchtvaartuig verklaart dat de benzine is bestemd voor het in de aanhef bedoelde gebruik;
b. de verklaring geschiedt in tweevoud met gebruikmaking van een door de vergunninghouder van de accijnsgoederenplaats opgesteld bescheid in geval van uitslag uit de accijnsgoederenplaats of met gebruikmaking van een door degene die de levering verricht opgesteld bescheid in geval van invoer;
c. de eigenaar of exploitant van het schip of luchtvaartuig dan wel zijn vertegenwoordiger aan boord van het schip of luchtvaartuig beide exemplaren van de verklaring, bedoeld in onderdeel b, ondertekent; en
d. een exemplaar van de verklaring, bedoeld in onderdeel b, op overzichtelijke wijze wordt opgenomen in de administratie van de vergunninghouder van de accijnsgoederenplaats in geval van uitslag uit de accijnsgoederenplaats of in de administratie van degene die de aangifte voor de douanebestemming invoer doet in geval van invoer en het andere exemplaar wordt bewaard aan boord van het schip of luchtvaartuig dan wel wordt opgenomen in de administratie van de eigenaar of exploitant van het schip of luchtvaartuig.
1.
Teruggaaf van accijns voor accijnsgoederen die naar een plaats buiten de BES eilanden zijn gebracht, wordt verleend indien een voor uitvoer afgetekend exemplaar van de aangifte ten uitvoer, bedoeld in artikel 2.27 van de wet, wordt overgelegd.
2.
Met betrekking tot teruggaaf van accijns voor benzine die wordt gebruikt voor een van de doeleinden, bedoeld in artikel 4.49, eerste lid, onderdelen b tot en met d, van de wet, is artikel 3.6, onderdelen a tot en met d, van overeenkomstige toepassing.
1.
Van accijnsgoederen die worden vervoerd of voorhanden zijn en waarvan de accijns is voldaan, andere dan tabaksproducten die zijn voorzien van de wettelijk voorgeschreven accijnszegels, wordt aan de hand van bescheiden de herkomst aangetoond.
2.
Een bescheid als bedoeld in het eerste lid dat wordt gebruikt om de herkomst aan te tonen van accijnsgoederen die worden vervoerd, mag niet ouder zijn dan zes dagen tenzij wordt aangetoond dat het vervoer langer dan zes dagen geleden is aangevangen.
3.
Het eerste lid is niet van toepassing met betrekking tot accijnsgoederen:
a. beneden de op grond van artikel 3.45 van de wet vastgestelde hoeveelheden; en
b. die bij anderen dan ondernemers in de zin van artikel 6.8 van de Belastingwet BES voorhanden zijn of door hen worden vervoerd voor eigen behoeften voor zover die accijnsgoederen zich bevinden in de gebruikelijke kleinhandelsverpakking.
Artikel 3.9
Van ruwe en van gedeeltelijk tot verbruik bereide tabak die wordt vervoerd moet aan de hand van bescheiden de herkomst kunnen worden aangetoond.
1.
Dit besluit treedt in werking op het tijdstip waarop artikel 1.1 van de wet in werking treedt.
2.
Dit besluit wordt aangehaald als: Uitvoeringsbesluit Douane- en Accijnswet BES.
Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.
’s-Gravenhage, 23 december 2010
De Staatssecretaris van Financiën,
De Staatssecretaris van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie,
Uitgegeven de achtentwintigste december 2010
De Minister van Veiligheid en Justitie,