Uitkeringsreglement WW 2002
Bwb-id:
Officiele titel:
Citeertitel:
Ook bekend als:
Soort regeling:
Wetsfamilies:
Eerst verantwoordelijk ministerie:

Geldigheidsdatum:
Ingangsdatum:
Inhoudsopgave
+ § 1. Algemeen
+ § 2. Controlevoorschriften
+ § 3. Betaling van de uitkering door tussenkomst van de werkgever
+ § 4. Voorschotten
+ § 5. Samenloop met inkomsten uit of in verband met arbeid
+ § 6. Bijdragen aan sociale fondsen
+ § 7. Slotbepalingen
Juridisch advies nodig?
Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag
Geschiedenis

Geschiedenis-overzicht
Jurisprudentie
Voorbeelden van het gebruik van deze artikel(en) in rechterlijke uitspraken
Let op. Deze wet is vervallen op 1 januari 2009. U leest nu de tekst die gold op -.

Uitkeringsreglement WW 2002



Uitkeringsreglement WW 2002
Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen,
Gelet op artikel 101 van de Werkloosheidswet;
Besluit:
Artikel 1
In dit reglement wordt verstaan onder:
a. werknemer : werknemer in de zin van de Werkloosheidswet ;
b. werkgever : werkgever in de zin van de Werkloosheidswet ;
c. uitkering : uitkering in de zin van hoofdstuk IIA en hoofdstuk IIB van de Werkloosheidswet ;
d. Centrale organisatie werk en inkomen : Centrale organisatie werk en inkomen, genoemd in hoofdstuk 4 van de Wet Structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen;
e. vakantiewaarde : bedrag van de betaling, die de werkgever tijdens het dienstverband van de werknemer aan het betreffende vakantiefonds moet verrichten ter verschaffing van een recht van de werknemer jegens dat fonds. Onder vakantiewaarde wordt mede verstaan een vakantiezegel of een vakantiebon;
f. vakantiefonds : vakantiefonds, genoemd in de op grond van artikel 34, vierde lid, Invoeringswet stelselherziening sociale zekerheid getroffen regels;
g. werkbriefje : door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan de werknemer ter beschikking gesteld formulier waarop de voor de beoordeling van de voortzetting van het recht op uitkering noodzakelijke gegevens dienen te worden vermeld.
1.
Een werknemer die werkloos wordt, doet aangifte van zijn werkloosheid en dient een schriftelijke aanvraag om uitkering in bij de Centrale organisatie werk en inkomen op een daartoe door de Centrale organisatie werk en inkomen aangewezen adres door middel van een daarvoor beschikbaar gesteld formulier, waarop de voor het beoordelen van de aanvraag gewenste gegevens zijn vermeld en dat door de werknemer volledig is ingevuld en ondertekend.
2.
In die gevallen waarin de aanvraag rechtstreeks bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen moet worden ingediend, zal het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen daartoe een adres aanwijzen.
3.
In die gevallen waarin de aanvraag rechtstreeks bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen wordt ingediend, dient de aanvraag voorzover vereist voorzien te zijn van een bewijs van registratie als werkzoekende bij de Centrale organisatie werk en inkomen.
Artikel 3
De werknemer legt desgevraagd aan het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een verklaring over, waarin hij voor zover hij dat kan beoordelen de juistheid bevestigt van de gegevens, bedoeld in artikel 2, eerste lid, die afkomstig zijn van de werkgever of de werkgevers, bij wie hij voorafgaand aan het intreden van zijn werkloosheid werkzaam was.
Artikel 4
Tenminste voor elke betaling van de uitkering verstrekt de werknemer een volledig ingevuld en door hem ondertekend werkbriefje op een door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen voorgeschreven wijze en aangewezen adres.
1.
De werknemer, ten aanzien van wie aangifte van werkloosheid is gedaan:
a. verschijnt op verzoek van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen dan wel de Centrale organisatie werk en inkomen op een aangewezen plaats en tijd;
b. is aanwezig op zijn woon- of verblijfplaats op door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan te wijzen uren;
c. maakt controle door een daartoe door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen gemachtigde persoon mogelijk;
d. neemt, indien hij niet bereikbaar is op zijn woon- of verblijfplaats, de aanwijzingen in acht die zijn achtergelaten door de in onderdeel c van dit lid bedoelde persoon;
e. geeft van een wijziging in zijn woon- of verblijfplaats onverwijld kennis aan het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;
f. verleent op verzoek van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen inzage en verstrekt tegen kostprijs kopieën van boeken, bescheiden, stukken en andere gegevensdragers, voor zover deze betekenis kunnen hebben voor het recht op uitkering, de hoogte of de duur van de uitkering of het bedrag van de uitkering dat aan de werknemer wordt betaald.
2.
De werknemer bewaart de in het eerste lid onderdeel f bedoelde stukken tot het einde van het kalenderjaar volgend op het kalenderjaar waarop de stukken betrekking hebben.
3.
De werknemer is verplicht ten behoeve van de uitvoering van de Werkloosheidswet het bepaalde in het eerste lid, onderdelen a en f en het bepaalde in het tweede lid ook na te komen indien het recht op uitkering (geheel of gedeeltelijk) is beëindigd.
1.
De werknemer, ten aanzien van wie aangifte van werkloosheid is gedaan en die voornemens is tijdens de duur van de uitkering met vakantie te gaan, doet zo spoedig mogelijk voor de aanvang van die vakantie aan het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen mededeling van de voorgenomen duur van de vakantie en van de periode waarin deze zal plaatsvinden.
2.
De werknemer doet terstond mededeling aan het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen van overschrijding van de voorgenomen duur van de vakantie.
1.
Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen kan toestaan dat de aangifte, bedoeld in artikel 2, eerste lid, namens de werknemer door de werkgever wordt gedaan en dat de betaling van de uitkering door tussenkomst van de werkgever plaatsvindt, indien de werknemer, terwijl de dienstbetrekking voortduurt, werkloos is geworden uitsluitend als gevolg van vorst, sneeuwval, hoog water of andere buitengewone natuurlijke omstandigheden, of als gevolg van een werktijdverkorting, waarvoor ingevolge artikel 8, derde lid, van het Buitengewoon Besluit Arbeidsverhoudingen 1945 vergunning is verleend.
2.
De werkgever, aan wie is toegestaan aangifte te doen van werkloosheid als bedoeld in het eerste lid, houdt een administratie aan van de dagen waarop en de uren gedurende welke de werknemer of werknemers, namens wie hij genoemde aangifte heeft gedaan, uitsluitend als gevolg van de in het eerste lid genoemde omstandigheden niet hebben gewerkt, overeenkomstig de door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan deze administratie gestelde eisen.
3.
De werkgever aan wie de in het eerste lid bedoelde toestemming is verleend, doet aangifte overeenkomstig het bepaalde in artikel 2, eerste lid, en draagt er zorg voor dat de in artikel 2, eerste lid, bedoelde aanvraag van ieder van de werknemers, op wie de aangifte betrekking heeft, overeenkomstig het bepaalde in artikel 2, eerste en tweede lid, wordt, ingediend.
4.
De werkgever aan wie de in het eerste lid bedoelde toestemming is verleend, zendt de werkbriefjes van ieder van de werknemers, namens wie hij aangifte van werkloosheid heeft gedaan, overeenkomstig het bepaalde in artikel 4 tegen een door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan te geven tijdstip aan het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.
5.
Indien de werkgever aan wie de in het eerste lid bedoelde toestemming is verleend, één of meer verplichtingen, bedoeld in het tweede, derde en vierde lid niet of niet behoorlijk nakomt, kan het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen besluiten om de door de werkgever als voorschot op de uitkering aan de werknemer gedane betalingen, geheel of gedeeltelijk niet te vergoeden.
6.
Indien en voorzover de in het vijfde lid bedoelde betalingen naar het oordeel van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen ten onrechte zijn vergoed in verband met het feit dat door de werkgever niet of niet behoorlijk is voldaan aan één of meer verplichtingen, bedoeld in het tweede, derde en vierde lid, kan het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen besluiten om deze vergoeding geheel of gedeeltelijk terug te vorderen. Deze werkgever is alsdan verplicht binnen een door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen vast te stellen termijn aan deze vordering te voldoen.
1.
De werknemer op wie het bepaalde in artikel 31, derde lid van de Werkloosheidswet van toepassing is, maakt op verzoek van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen zijn eventuele aanspraak naar burgerlijk recht geldend.
2.
De in het eerste lid bedoelde werknemer dient, op verzoek van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, zo spoedig mogelijk bij de bevoegde gemeente een aanvraag om bijstand ingevolge de Algemene Bijstandswet in.
3.
De in het eerste lid bedoelde werknemer machtigt het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen desgevraagd tot het in ontvangst nemen van de gelden die hij, over de periode waarover voorschotten zijn verleend, ontvangt van degene jegens wie hij zijn aanspraak naar burgerlijk recht tracht geldend te maken, indien en voorzover deze gelden loon zijn of geacht kunnen worden loon te zijn en tot ten hoogste het bedrag van de verleende voorschotten.
4.
De in het eerste lid bedoelde werknemer machtigt het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen desgevraagd tot het in ontvangst nemen van de bijstand ingevolge de Algemene Bijstandswet die hij van de in het tweede lid bedoelde gemeente ontvangt, indien en voor zover deze bijstand betrekking heeft op de periode waarover voorschotten zijn verleend en tot ten hoogste het bedrag van de verleende voorschotten.
5.
Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen kan aan de betaling van voorschotten als bedoeld in artikel 31, derde lid van de Werkloosheidswet andere voorschriften verbinden.
1.
Onverminderd hetgeen elders bij of krachtens de Werkloosheidswet is bepaald omtrent loondoorbetaling, wordt op de uitkering geheel in mindering gebracht, loon uit dienstbetrekking dat de werknemer geniet zonder hiervoor te werken.
2.
Het tweede en zesde lid van artikel 34 van de Werkloosheidswet zijn van overeenkomstige toepassing.
1.
Onder de in artikel 35 van de Werkloosheidswet bedoelde verdiensten worden verstaan de bruto verdiensten.
2.
In geval van nachtarbeid wordt voor de toepassing van artikel 35 van de Werkloosheidswet de werknemer geacht deze arbeid geheel te hebben verricht in de kalenderweek waarin de nachtarbeid is aangevangen.
Artikel 14
Het Uitkeringsreglement Werkloosheidswet 1997 wordt ingetrokken.
Artikel 15
Dit reglement treedt met uitzondering van artikel 5, tweede lid in werking met ingang van de tweede dag na dagtekening van de Staatscourant waarin dit reglement wordt geplaatst. Artikel 5, tweede lid treedt in werking op 1 april 2003.
Artikel 16
Dit besluit wordt aangehaald als: Uitkeringsreglement WW 2002.
Amsterdam, 30 juli 2002
voorzitter Raad van Bestuur UWV