Rechtenmedia.nl - Juridische Online Uitgeverij  Rechtennieuws.nl | Jure.nl | Maxius.nl | Parlis.nl | Rechtenforum.nl | JBmatch.nl | MijnWetten.nl | AdvocatenZoeken.nl | Rechtentotaal.nl
Toepassing van de wet op de omzetbelasting 1968 ten aanzien van het bankbedrijf
Bwb-id:
Officiele titel:
Citeertitel:
Soort regeling:
Wetsfamilies:
Eerst verantwoordelijk ministerie:

Geldigheidsdatum:
Ingangsdatum:
Inhoudsopgave
Vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature

Juridisch advies nodig?
Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag
Geschiedenis

Geschiedenis-overzicht

Toepassing van de wet op de omzetbelasting 1968 ten aanzien van het bankbedrijf

Toepassing van de wet op de omzetbelasting 1968 ten aanzien van het bankbedrijf
1. De per 1 januari 1979 van kracht geworden aanpassing van de omzetbelastingwetgeving aan de bepalingen van de Zesde EG-richtlijn is in verschillend opzicht van betekenis voor exploitanten van banken. Zulks houdt verband met de ingevolge bedoelde aanpassing tot stand gekomen wijzigingen en/of aanvullingen van de vrijstellingsbepalingen vervat in artikel 11, letters i en j, van de Wet op de omzetbelasting 1968, alsook met de per 1 januari 1979 tot stand gekomen wijziging van artikel 15, tweede lid, van die wet betreffende de aftrek van omzetbelasting.
2. Blijkens artikel 11, eerste lid, letter i, ten tweede, van voormelde wet zijn van omzetbelasting vrijgesteld de handelingen – bemiddeling daaronder begrepen doch uitgezonderd bewaring en beheer – inzake effecten en andere waardepapieren met uitzondering van documenten welke goederen vertegenwoordigen. De bewoordingen van de onderwerpelijke bepaling komen vrijwel overeen met die van de corresponderende bepaling, vervat in artikel 13, onderdeel B, letter d, ten vijfde, van voornoemde EG-richtlijn. Naar mijn oordeel dient ervan te worden uitgegaan dat bij het redigeren van die richtlijnbepaling een ruime draagwijdte van het begrip ‘handelingen’ is beoogd. In verband daarmede stel ik mij op het standpunt dat de aan de orde zijnde vrijstelling van toepassing is op alle prestaties, andere dan bewaring en beheer, welke betrekking hebben op effecten en andere waardepapieren, ongeacht of het daarbij gaat om de uitgifte, de overdracht, de verwisseling of de opsplitsing van de desbetreffende stukken, dan wel om de instandhouding, de wijziging, de realisering of het tenietgaan van de in die stukken belichaamde rechten, een en ander met dien verstande dat de – veelal door banken – terzake verleende bemiddelingsdiensten mede tot de vrijgestelde prestaties dienen te worden gerekend.
Volledigheidshalve teken ik hierbij nog aan dat een redelijke wetstoepassing mijn inziens te dezen met zich brengt dat ten aanzien van bij een bank in beheer gegeven effecten e.d. weliswaar het aan de opdrachtgever in rekening gebrachte bewaar- en/of beheerloon krachtens voormelde uitzondering aan omzetbelasting is onderworpen, doch het verrichten van evenomschreven bancaire handelingen met betrekking tot de in beheer gegeven stukken mede onder de vrijstelling valt.
3. Ter bevordering van een uniforme gedragslijn inzake de toepassing van de omzetbelastingwetgeving ten aanzien van de onderwerpelijke bedrijfstak gaat als bijlage hiernevens een voorbeeldsgewijs samengesteld en als richtsnoer bedoeld overzicht van vrijgestelde en belaste bankverrichtingen.
4. Met betrekking tot de door banken toe te passen aftrek van voorbelasting zij vooreerst opgemerkt dat ingevolge artikel 15, tweede lid, van voornoemde wet bedoelde aftrek slechts kan plaatsvinden met betrekking tot de in artikel 11, eerste lid, letters i en j, van die wet bedoelde prestaties, indien de afnemer van die prestaties buiten de Lid-staten van de Europese Gemeenschappen woont of is gevestigd. De aftrek is derhalve niet alleen uitgesloten in gevallen waarin op grond van laatstgenoemde bepaling heffing van omzetbelasting achterwege blijft, maar eveneens in gevallen waarin om andere redenen niet aan heffing wordt toegekomen zoals in artikel 6, tweede lid, letter e, 5°, van de wet bedoelde gevallen waarin de prestaties worden verricht jegens in de Lid-staten van de Europese Gemeenschappen wonende of gevestigde ondernemers. De toerekening van de voorbelasting aan de onderscheidene prestaties dient te geschieden overeenkomstig het bepaalde in artikel 11 t/m 14 van de Uitvoeringsbeschikking omzetbelasting 1968.
Het ligt niet in het voornemen met betrekking tot de onderhavige prestaties op dit punt een forfaitaire regeling te treffen.