Rechtenmedia.nl - Juridische Online Uitgeverij  Rechtennieuws.nl | Jure.nl | Maxius.nl | Parlis.nl | Rechtenforum.nl | JBmatch.nl | MijnWetten.nl | AdvocatenZoeken.nl | Rechtentotaal.nl
Toepassing van de Wet op de omzetbelasting 1968 ten aanzien van de mogelijkheid om een investeringsgoed geheel of ten dele tot het bedrijfsvermogen of het privé-vermogen te rekenen
Bwb-id:
Officiele titel:
Citeertitel:
Soort regeling:
Wetsfamilies:
Eerst verantwoordelijk ministerie:

Geldigheidsdatum:
Ingangsdatum:
Inhoudsopgave
1. Inleiding
2. Keuzemogelijkheid
2.a. De ondernemer rekent het investeringsgoed geheel tot zijn bedrijfsvermogen
2.b. De ondernemer rekent het investeringsgoed ten dele tot zijn bedrijfsvermogen en ten dele tot zijn privé-vermogen
2.c. De ondernemer rekent het investeringsgoed geheel tot zijn privé-vermogen
3. Gebruik en onderhoud van het investeringsgoed
4. Artikel 15 van de Beschikking
4.a. Auto’s die met berekening van omzetbelasting zijn aangeschaft
5. Kenbaarheid van de keuze
Vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature

Juridisch advies nodig?
Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag
Geschiedenis

Geschiedenis-overzicht
Let op. Deze wet is vervallen op 7 december 2011. U leest nu de tekst die gold op 6 december 2011.

Toepassing van de Wet op de omzetbelasting 1968 ten aanzien van de mogelijkheid om een investeringsgoed geheel of ten dele tot het bedrijfsvermogen of het privé-vermogen te rekenen

Toepassing van de Wet op de omzetbelasting 1968 ten aanzien van de mogelijkheid om een investeringsgoed geheel of ten dele tot het bedrijfsvermogen of het privé-vermogen te rekenen
1. Inleiding
De inhoud van dit besluit komt in belangrijke mate overeen met het Besluit van 27 november 2002, nr. CPP2002/2258M. Enkele terzake gestelde vragen geven mij aanleiding het besluit op enkele punten te verduidelijken. De aanpassingen zijn in de tekst gemarkeerd.
Op grond van de arresten van het Hof van Justitie van 11 juli 1991, Lennartz, C-9790, 4 oktober 1995, Armbrecht, C-291/92, en 8 maart 2001, Bakcsi, C-415/98, heeft een ondernemer-natuurlijke persoon (hierna: ondernemer) voor de heffing van omzetbelasting de mogelijkheid om bij de aanschaf van een investeringsgoed het goed geheel of ten dele tot zijn bedrijfsvermogen te rekenen of geheel in zijn privé-vermogen op te nemen. Naar moet worden aangenomen geldt de door de ondernemer ten aanzien van een investeringsgoed gemaakte keuze tevens voor de later in dat goed te integreren bestanddelen. Naar ook moet worden aangenomen heeft de keuzevrijheid van de ondernemer de volgende beperkingen:
een goed dat in het geheel niet voor bedrijfsdoeleinden wordt gebruikt kan niet tot het bedrijfsvermogen worden gerekend;
een goed, of een gedeelte van het goed, waarover wordt beschikt in de zin van artikel 3, eerste lid, onderdeel h, van de Wet kan niet tot het privé-vermogen worden gerekend;
een goed dat tot de handelsvoorraad behoort is geen investeringsgoed.
Voor de toepassing van de Wet op de omzetbelasting 1968 (de Wet), in het bijzonder de gevolgen van de door de ondernemer gemaakte keuze voor het aftrekrecht en voor de verschuldigdheid van omzetbelasting bij doorlevering, zijn een aantal vragen gerezen. Dienaangaande deel ik het volgende mede. Afzonderlijk wordt ingegaan op de toepassing van artikel 15 Uitvoeringsbeschikking omzetbelasting 1968 (de Beschikking).
2.a. De ondernemer rekent het investeringsgoed geheel tot zijn bedrijfsvermogen
Deze keuze brengt mee, dat de terzake van de aanschaf van het investeringsgoed in rekening gebrachte omzetbelasting door de ondernemer op de voet van artikel 15 van de Wet in aftrek kan worden gebracht. Er is op grond van artikel 15, eerste lid, voorlaatste zin, van de Wet geen aftrek van omzetbelasting mogelijk voor zover het goed niet wordt gebezigd in het kader van de onderneming. Ik stel mij in dit verband op het standpunt dat een gehele of gedeeltelijke uitsluiting van de aftrek op grond van deze bepaling mogelijk blijft, zonodig onder verwijzing naar artikel 17, zesde lid, van de Zesde richtlijn en de arresten van het Hof van Justitie van 18 juni 1998, Commissie-Frankrijk, C-43/96, en 5 oktober 1999, Royscot, C-305/97.
Bij doorlevering van het investeringsgoed is de door de ondernemer in rekening gebrachte vergoeding volledig aan de heffing van omzetbelasting onderworpen. Dit geldt ook indien bij de aanschaf van het investeringsgoed respectievelijk bij de aanschaf van de later daarin geïntegreerde bestanddelen geen omzetbelasting in rekening is gebracht.
Is sprake van een levering in de zin van artikel 3, eerste lid, onderdeel g, van de Wet dan kan heffing van omzetbelasting achterwege blijven:
voor het gedeelte van de vergoeding dat percentueel overeenkomt met het gedeelte van de omzetbelasting dat bij de aanschaf van het investeringsgoed respectievelijk bij de aanschaf van de later daarin geïntegreerde bestanddelen (voor zover die bestanddelen op het moment van levering nog niet volledig zijn verbruikt), op grond van artikel 15, eerste lid, voorlaatste zin, van de Wet niet in aftrek is gebracht, of
voor het gedeelte van de vergoeding dat betrekking heeft op het investeringsgoed respectievelijk de later daarin geïntegreerde bestanddelen (voor zover die bestanddelen op het moment van levering nog niet volledig zijn verbruikt) die zonder berekening van omzetbelasting zijn aangeschaft.
Wordt het investeringsgoed vrijgesteld geleverd dan blijft heffing van omzetbelasting achterwege.
2.b. De ondernemer rekent het investeringsgoed ten dele tot zijn bedrijfsvermogen en ten dele tot zijn privé-vermogen
De door de ondernemer bij deze keuze te maken splitsing tussen het tot het privé-vermogen te rekenen gedeelte van het investeringsgoed en het tot het bedrijfsvermogen te rekenen gedeelte van dat goed dient op grond van de jurisprudentie van het Hof van Justitie (Bakcsi, rechtsoverweging 25 en Armbrecht, rechtsoverwegingen 19, 20 en 21) te geschieden op basis van de verhouding bedrijfsmatig gebruik versus privé-gebruik van het investeringsgoed in het jaar van aanschaf. Zoals hiervoor onder 1 is aangegeven, geldt de door de ondernemer ten aanzien van het investeringsgoed gemaakte keuze ook voor de later daarin geïntegreerde bestanddelen. Blijkt echter op het moment dat een bestanddeel in het investeringsgoed wordt geïntegreerd dat het privé-gebruik van het investeringsgoed met meer dan 10%-punten is toegenomen ten opzichte van het privé-gebruik in het jaar van aanschaf van het investeringsgoed, zal voor het bestanddeel de splitsing moeten worden gebaseerd op de verhouding bedrijfsmatig gebruik versus privé-gebruik van het investeringsgoed in het jaar waarin het bestanddeel in dat goed is geïntegreerd.
De keuze van de ondernemer heeft tot gevolg dat wanneer bij de aanschaf van het investeringsgoed respectievelijk bij de aanschaf van de later daarin geïntegreerde bestanddelen omzetbelasting in rekening is gebracht, deze omzetbelasting alleen voor het tot het bedrijfsvermogen te rekenen deel van het investeringsgoed aftrekbaar is op de voet van artikel 15 van de Wet. Het deel van het investeringsgoed dat door de ondernemer tot het privé-vermogen wordt gerekend, is, zolang het goed hem toebehoort, aan de werkingssfeer van de Wet onttrokken.
Bij doorlevering van het investeringsgoed is omzetbelasting verschuldigd over het gedeelte van de vergoeding dat percentueel overeenkomt met het gedeelte van dat goed en van de later daarin geïntegreerde bestanddelen (voor zover die bestanddelen op het moment van levering nog niet volledig zijn verbruikt) dat tot het bedrijfsvermogen is gerekend. Dit geldt ook indien bij de aanschaf van het investeringsgoed respectievelijk bij de aanschaf van de later daarin geïntegreerde bestanddelen geen omzetbelasting in rekening is gebracht.
Is sprake van een levering in de zin van artikel 3, eerste lid, onderdeel g, van de Wet dan kan heffing van omzetbelasting achterwege blijven voor het gedeelte van de vergoeding dat betrekking heeft op het tot het bedrijfsvermogen gerekende deel van het investeringsgoed respectievelijk de later in dat deel geïntegreerde bestanddelen (voor zover die bestanddelen op het moment van levering nog niet volledig zijn verbruikt) die zonder berekening van omzetbelasting zijn aangeschaft.
Wordt het tot het bedrijfsvermogen gerekende deel van het investeringsgoed vrijgesteld geleverd dan blijft heffing van omzetbelasting achterwege.
2.c. De ondernemer rekent het investeringsgoed geheel tot zijn privé-vermogen
De keuze van de ondernemer om het aangeschafte investeringsgoed geheel tot het privé-vermogen te rekenen brengt mee, dat, zolang het goed hem toebehoort, het goed buiten de werkingssfeer van de Wet is gebracht. De eventuele bij de aanschaf van het investeringsgoed respectievelijk bij de aanschaf van de later daarin geïntegreerde bestanddelen in rekening gebrachte omzetbelasting komt niet voor aftrek in aanmerking. Bij doorlevering van het goed vanuit de privé-sfeer vindt geen heffing van omzetbelasting plaats.
3. Gebruik en onderhoud van het investeringsgoed
De omzetbelasting die in verband met het gebruik en het onderhoud van een investeringsgoed in rekening wordt gebracht is, voor zover het goed voor bedrijfsdoeleinden wordt gebruikt, afzonderlijk op de voet van artikel 15 van de Wet aftrekbaar. De door de ondernemer gedane keuze om het goed bijvoorbeeld geheel tot het privé-vermogen te rekenen doet hieraan niet af.
4. Artikel 15 van de Beschikking
Artikel 15 van de Beschikking behelst een bijzondere regeling voor het recht op aftrek van de omzetbelasting die drukt op het houden, met inbegrip van de aanschaffing, van een auto door een ondernemer die deze auto mede bezigt anders dan in het kader van zijn onderneming (privé-gebruik). Zoals blijkt uit het arrest van de Hoge Raad van 5 januari 2000, nr. 35167, gepubliceerd in BNB 2000/131, is deze regeling in overeenstemming met artikel 17, zesde lid, van de Zesde richtlijn.
Voor de toepassing van artikel 15 van de Beschikking dient een onderscheid te worden gemaakt tussen auto’s die zijn aangeschaft met berekening van omzetbelasting en auto’s waar dat niet is gebeurd. Zie in dit verband de uitspraak van het Gerechtshof te ’s-Gravenhage van 12 juli 2002, nr. 00/1743, gepubliceerd in V-N 2002/50.19.
4.a. Auto’s die met berekening van omzetbelasting zijn aangeschaft
Met betrekking tot een auto die met berekening van omzetbelasting door een ondernemer is aangeschaft, bestaat voor hem slechts de mogelijkheid om de auto óf geheel tot het bedrijfsvermogen óf geheel tot het privé-vermogen te rekenen. Anders dan bij de onder 2 bedoelde investeringsgoederen heeft een ondernemer op grond van artikel 15 van de Beschikking niet de mogelijkheid om de auto ten dele tot zijn bedrijfsvermogen te rekenen.
Indien de auto tot het bedrijfsvermogen is gerekend, is artikel 15 van de Beschikking van toepassing. Zie voor de toepassing van deze bepaling verder nog mijn besluit van 22 januari 2004, nr. CPP 2003/2802M. Bij doorlevering van de auto, behoudens wanneer sprake is van een vrijgestelde levering, dient de terzake door de ondernemer in rekening gebrachte vergoeding volledig in de heffing van omzetbelasting te worden betrokken. Is sprake van een levering in de zin van artikel 3, eerste lid, onderdeel g, van de Wet dan kan heffing van omzetbelasting achterwege blijven voor het gedeelte van de vergoeding dat betrekking heeft op de later in de auto geïntegreerde bestanddelen die zijn aangeschaft zonder berekening van omzetbelasting en die bestanddelen op het moment van levering nog niet volledig zijn verbruikt.
Voor de gevolgen die zijn verbonden aan de keuze van de ondernemer om zijn auto geheel tot het privé-vermogen te rekenen verwijs ik naar onderdeel 2.c van dit besluit. Voor de aftrek van de omzetbelasting die met betrekking tot het gebruik en het onderhoud van deze auto in rekening wordt gebracht verwijs ik naar onderdeel 3 van dit besluit. Daarbij is het bepaalde in de tweede alinea van onderdeel 4.b van dit besluit van overeenkomstige toepassing.
5. Kenbaarheid van de keuze
Een ondernemer dient zijn keuze om een investeringsgoed voor de omzetbelasting geheel of gedeeltelijk tot zijn privé-vermogen of bedrijfsvermogen te rekenen expliciet kenbaar te maken bij de aanschaf van het investeringsgoed. Hij dient die keuze vast te leggen in zijn administratie (artikel 34 van de Wet). In dit verband kan ik mij er voor het verleden mee verenigen dat betekenis wordt toegekend aan het feit dat de ondernemer de terzake van de aanschaf van het investeringsgoed in rekening gebrachte omzetbelasting niet in aftrek heeft gebracht of aan zijn keuze om met betrekking tot de heffing van inkomstenbelasting het goed al dan niet tot het bedrijfsvermogen te rekenen (keuzevermogen).
Het Besluit van 27 november 2002, nr. CPP2002/2258M heeft zijn belang verloren en wordt hierbij ingetrokken.