Rechtenmedia.nl - Juridische Online Uitgeverij  Rechtennieuws.nl | Jure.nl | Maxius.nl | Parlis.nl | Rechtenforum.nl | JBmatch.nl | MijnWetten.nl | AdvocatenZoeken.nl | Rechtentotaal.nl
Toepassing van de deelnemingsvrijstelling in de situatie waarin een deelneming is vervreemd vóór 1 januari 2002 tegen een zogenoemde earn-outregeling
Bwb-id:
Officiele titel:
Citeertitel:
Soort regeling:
Wetsfamilies:
Eerst verantwoordelijk ministerie:

Geldigheidsdatum:
Ingangsdatum:
Inhoudsopgave
1. Inleiding
2. Wetswijziging per 1 januari 2002
3. Goedkeuring
4. Uitgangspunt
5. Voorwaarden
6. Bijzondere gevallen
6.1. Bij één van de bij de koop/verkoop betrokken partijen is de deelnemingsvrijstelling niet van toepassing
6.2. Deelneming gaat deel uitmaken van een fiscale eenheid met de koper
7. Intrekking van besluit van 8 maart 2002, nr. CPP2002/265M
Vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature

Juridisch advies nodig?
Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag
Geschiedenis

Geschiedenis-overzicht
Let op. Deze wet is vervallen op 8 maart 2008. U leest nu de tekst die gold op 7 maart 2008.

Toepassing van de deelnemingsvrijstelling in de situatie waarin een deelneming is vervreemd vóór 1 januari 2002 tegen een zogenoemde earn-outregeling

Toepassing van de deelnemingsvrijstelling in de situatie waarin een deelneming is vervreemd vóór 1 januari 2002 tegen een zogenoemde earn-outregeling
Dit besluit, dat een herziening is van het besluit van 8 maart 2002, nr. CPP2002/265M, bevat de volgende wijzigingen:
Een verzoek om toepassing van het besluit moet uiterlijk op 31 december 2002 zijn ingediend (punt 5, onderdeel e en punt 6).
Door diverse aanpassingen is de tekst beter afgestemd op de mogelijkheid dat sprake is van meer dan één koper en/of verkoper.
Aangegeven is hoe wordt omgegaan met gevallen waarin bij belastingplichtige met betrekking tot verkochte en verworven deelnemingen de deelnemingsvrijstelling van toepassing is en bij de wederpartij(en) niet (punt 6.1).
Er is een regeling getroffen voor de situatie waarin de deelneming na de aankoop wordt opgenomen in een fiscale eenheid met de koper (punt 6.2).
Tot slot is een betere tekstuele aansluiting gevonden met de per 1 januari 2002 in werking getreden aanpassing van artikel 13, eerste lid, tweede volzin (punten 2 en 5, onderdeel a) en artikel 13d, tweede lid, tweede volzin, onderdeel c van de Wet op de Vennootschapsbelasting 1969.
1. Inleiding
Wanneer een deelneming wordt vervreemd en de koper of de verkoper in het kader van de te leveren tegenprestatie een verplichting op zich neemt waarvan het bedrag op het moment van de vervreemding niet exact vaststaat, rijst de vraag hoe daarmee voor de toepassing van de deelnemingsvrijstelling dient te worden omgegaan. In een aantal arresten heeft de Hoge Raad geoordeeld dat onderscheid moet worden gemaakt tussen hetgeen op het tijdstip van vervreemding betrekking heeft op de deelneming zelf, beoordeeld naar de feiten en omstandigheden zoals zij op dat tijdstip zijn, en hetgeen betrekking heeft op ontwikkelingen na dat tijdstip.
In het geval waarin de verkoopprijs van een deelneming bestaat uit een vaststaand bedrag in het jaar van verkoop en in een aantal in volgende jaren te ontvangen bedragen waarvan de hoogte afhankelijk is van de in die volgende jaren te behalen winsten van de deelneming (een zogenoemde earn-outregeling) dient bij de berekening van het voordeel uit deelneming – beoordeeld naar het tijdstip van vervreemding van de deelneming – de geschatte waarde van de in de latere jaren te ontvangen bedragen in aanmerking te worden genomen. Hetgeen de verkoper in latere jaren uit hoofde van de earn-outregeling meer of minder dan de in aanmerking genomen geschatte waarde ontvangt, valt niet onder de deelnemingsvrijstelling en behoort vervolgens tot de belastbare winst.
Het bovenstaande geldt mutatis mutandis voor de koper van de deelneming waar het betreft de kostprijs van c.q. het voor de deelneming opgeofferde bedrag c.q. zijn verplichting jegens de verkoper.
Gezien het feit dat een schatting naar haar aard arbitraire elementen in zich draagt zullen koper en verkoper, gegeven hun doorgaans tegengestelde fiscaal belang, daaraan verschillende invulling kunnen geven. Indien de uiteindelijke betalingen lager zijn dan de bij vervreemding geschatte waarde van de verplichting leidt dit bij de koper tot een belaste vrijval van een verplichting en bij de verkoper heeft het een aftrekbaar verlies op een vordering tot gevolg. De koper heeft derhalve in de regel belang bij een zo laag mogelijke waardering, de verkoper bij een zo hoog mogelijke. Vallen de uiteindelijke betalingen hoger uit, dan zijn de gevolgen omgekeerd.
2. Wetswijziging per 1 januari 2002
Bij de wet van 14 december 2001, Stb. 641, (Belastingplan 2002 II, Economische infrastructuur) is per 1 januari 2002 in artikel 13, eerste lid, tweede volzin en artikel 13d, tweede lid, tweede volzin, onderdeel c, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (hierna: Wet VpB 1969) voor zogenoemde earn-outgevallen een regeling getroffen. De regeling houdt in dat bij de vervreemder de waardeveranderingen van dat recht en bij de verkrijger de waardeveranderingen van de met dat recht corresponderende verplichting tot de voordelen uit hoofde van de deelneming behoren. Bij de verkrijger worden deze waardeveranderingen mede tot het voor de deelneming opgeofferde bedrag gerekend.
De regeling is getroffen teneinde tegemoet te komen aan wensen vanuit de praktijk om schattingsproblemen en moeizame discussies met de inspecteur te vermijden.
Blijkens artikel VIII, lid 6, van deze wet is de wettelijke regeling echter eerst van toepassing op de vervreemding van een deelneming die heeft plaatsgevonden op of na 1 januari 2002.
Voor gevallen waarin een deelneming is vervreemd vóór 1 januari 2002 biedt de regeling derhalve geen uitkomst.
3. Goedkeuring
Gelet op hetgeen hiervoor is opgemerkt is te verwachten dat waar het betreft vervreemdingen die vóór 1 januari 2002 hebben plaatsgevonden de door de Hoge Raad in genoemde arresten voorgeschreven schattingen in de praktijk aanleiding kunnen blijven geven tot verschillen van inzicht en waardering tussen koper(s), verkoper(s) en de bevoegde inspecteur(s), wanneer koper(s) en verkoper(s) de overdrachtsprijs niet op hetzelfde bedrag schatten.
Mede gelet op de achtergrond van de bovenvermelde wetswijziging per 1 januari 2002, keur ik goed dat, in gevallen waarin de fiscale verwerking van een vóór 1 januari 2002 tegen een earn-outregeling vervreemde deelneming nog niet heeft geleid tot onherroepelijke gevolgen in de aanslagregeling van koper(s) en verkoper(s), op gezamenlijk verzoek van koper(s) én verkoper(s) aan de betrokken inspecteur(s), door dezen met de bevoegde inspecteur(s) aan de hand van een vaststellingsovereenkomst (als bedoeld in artikel 7:900, eerste lid, BW) de afspraak wordt gemaakt dat de waardeveranderingen van het recht c.q. de daartegenover staande verplichting bij de verkoper(s) onder de deelnemingsvrijstelling vallen en bij de koper(s) tot de kostprijs/het opgeofferd bedrag van de deelneming worden gerekend, overeenkomstig hetgeen thans is opgenomen in artikel 13, eerste lid, tweede volzin, en artikel 13d, tweede lid, tweede volzin, onderdeel c, van de Wet VpB 1969.
4. Uitgangspunt
Als uitgangspunt voor een dergelijke afspraak dient te gelden het evenwicht in de fiscale positie van koper(s) en verkoper(s). Gelet op de mogelijkheid van respectievelijk bij koper(s) en verkoper(s) in aanmerking te nemen aan- en verkoopkosten, is het overigens denkbaar dat de bij de verkoper(s) in aanmerking te nemen verkoopprijs afwijkt van de te activeren kostprijs bij de koper(s).
5. Voorwaarden
Met inachtneming van het besluit van 1 december 1997, nr. AFZ97/2412, Infobulletin 1997/768, V-N 1997/4702, pt. 9, dient bij het maken van de afspraak aan de volgende voorwaarden te worden voldaan:
a. Ter voorkoming of beëindiging van onzekerheid of geschil over de fiscale gevolgen van de overdracht van de deelneming spreken partijen in de vaststellingsovereenkomst met elkaar af dat, gelet op het feit dat de deelneming is vervreemd tegen een prijs welke geheel of ten dele bestaat uit een recht op een of meer termijnen waarvan het aantal of de omvang in het jaar van de vervreemding nog niet vaststaat (een earn-outregeling), de waardeveranderingen van dit recht bij de verkoper(s) onder de deelnemingsvrijstelling vallen en de waardeveranderingen van de met dat recht corresponderende verplichting bij de koper(s) tot de kostprijs/het opgeofferd bedrag van de deelneming gerekend (blijven) worden;
b. Wanneer de koper(s) onder een andere eenheid van de Belastingdienst ressorteert/ressorteren dan de verkoper(s), neemt de inspecteur aan wie het verzoek is gericht, contact op met de bevoegde inspecteur(s) van de wederpartij(en). De vaststellingsovereenkomst wordt in dergelijke gevallen door koper(s), verkoper(s) en de competente inspecteur/de coördinerend inspecteur ondertekend;
c. Bij koper(s) en verkoper(s) is de deelnemingsvrijstelling van toepassing met betrekking tot de overgedragen/aangeschafte deelneming.
Aan deze voorwaarde is bijvoorbeeld niet voldaan wanneer bij (één of meer van deze) partijen sprake is van de volgende situatie:
de aandelen kwalificeren niet als ‘deelneming’ als bedoeld in artikel 13, tweede lid, en worden evenmin met een deelneming gelijkgesteld op de voet van artikel 13, derde lid, laatste volzin, of artikel 13g van de Wet Vpb,
niet alle koper(s) en verkoper(s) zijn met betrekking tot de deelneming als belastingplichtige onderworpen aan de Wet Vpb (vanwege het feitelijk gevestigd zijn in het buitenland, een subjectieve vrijstelling, het zijn van natuurlijk persoon, etc.).
Zie voor deze gevallen onderdeel 6 van dit besluit.
d. De vaststellingsovereenkomst heeft geen langere werkingsduur dan de periode waarover het recht/de verplichting zich uitstrekt; bij wijziging van wet, jurisprudentie en beleid op het terrein waarover is gecontracteerd, wordt de vaststellingsovereenkomst beëindigd, waarbij de Belastingdienst in het geval van wijziging van jurisprudentie en beleid – indien nodig – een redelijke overgangstermijn in acht neemt en/of anderszins rekening houdt met de gerechtvaardigde belangen van partijen.
Uit het karakter van de vaststellingsovereenkomst vloeit voort dat partijen deze in beginsel niet in rechte kunnen aantasten. De belanghebbenden kunnen ter zake van het overeengekomene derhalve geen gebruik meer maken van het recht van bezwaar en beroep. De vaststellingsovereenkomst bevat de uitdrukkelijke verklaring van de belanghebbenden dat zij deze consequentie hebben begrepen en aanvaard. Tevens bevat de vaststellingsovereenkomst de uitdrukkelijke verklaring van belanghebbenden dat zij hebben begrepen dat door hen ten aanzien van de feiten, waarover tussen partijen overeenstemming is bereikt, geen beroep op dwaling kan worden gedaan.
Een standaard-vaststellingsovereenkomst is in de bijlage van dit besluit opgenomen.
e. Een verzoek om toepassing van dit besluit dient uiterlijk op 31 december 2002 bij de bevoegde inspecteur(s) te zijn ingediend.
6. Bijzondere gevallen
In bijzondere situaties (bijvoorbeeld wanneer voor één of enkele bij de koop/verkoop betrokken partijen de deelnemingsvrijstelling niet van toepassing is, – vergelijk punt 5, onderdeel c van dit besluit –) treedt de inspecteur in overleg met Belastingdienst/Centrum voor proces- en productontwikkeling, domein Winstbelastingen (Kennisgroep Deelnemingsvrijstelling).
6.1. Bij één van de bij de koop/verkoop betrokken partijen is de deelnemingsvrijstelling niet van toepassing
Mij is de vraag voorgelegd welke uitgangspunten zullen worden gehanteerd ingeval voor één van de bij de koop/verkoop betrokken partijen de deelnemingsvrijstelling niet van toepassing is.
Ingeval bij belastingplichtige de deelnemingsvrijstelling wel van toepassing is, en bij de wederpartij de deelnemingsvrijstelling niet van toepassing is, is geen sprake van het door dit besluit nagestreefde doel, te weten het bereiken van fiscaal evenwicht tussen koper(s) en verkoper(s).
In verband hiermee zal ik, ingeval belastingplichtige verzoekt om (overeenkomstige) toepassing van de in dit besluit opgenomen regeling, in ieder geval de volgende uitgangspunten hanteren:
1. Ingeval bij belastingplichtige sprake is van één of meer earn-outregelingen ter zake van de vervreemding dan wel de verkrijging van deelnemingen vóór 1-1-2002, en bij de wederpartij dan wel bij alle wederpartijen de deelnemingsvrijstelling niet van toepassing is, wordt een verzoek van belastingplichtige slechts ingewilligd indien het betrekking heeft op álle desbetreffende earn-outregelingen van vóór 1-1-2002;
2. Het verzoek wordt niet ingewilligd indien, beoordeeld naar het tijdstip van indiening van het verzoek, toepassing van de regeling tot een voorzienbaar voordeel voor belastingplichtige leidt ten opzichte van toepassing van de in de inleiding van dit besluit genoemde arresten (voetnoot 1). Bij een voorzienbaar voordeel kan met name worden gedacht aan de situatie waarin op het tijdstip van de indiening van het verzoek omtrent de uiteindelijke hoogte van de earn-outtermijnen (nagenoeg) geen onzekerheid meer bestaat, dan wel aan de situatie waarin er op het tijdstip van indiening van het verzoek (nagenoeg) geen onzekerheid meer over bestaat dat de betalingen/ontvangsten de – bij de verwerving/vervreemding geschatte – waarde van de earn-outverplichtingen/rechten zullen overtreffen/lager zullen uitvallen.
De beoordeling of sprake is van een voorzienbaar voordeel heeft betrekking op alle earn-outregelingen gezamenlijk en op de gehele periode waarover de earn-outregelingen zich uitstrekken (doch niet over jaren waarin de aanslagen al tot onherroepelijke fiscale gevolgen hebben geleid).
3. Het verzoek dient uiterlijk op 31 december 2002 te zijn ingediend bij de bevoegde inspecteur.
6.2. Deelneming gaat deel uitmaken van een fiscale eenheid met de koper
Mij is ook de vraag voorgelegd welke uitgangspunten zullen worden gehanteerd ingeval de regeling in punt 5 van dit besluit is toegepast en de deelneming deel gaat uitmaken van een fiscale eenheid in de zin van artikel 15 Wet Vpb. Door de voeging is geen sprake meer van een deelneming en dientengevolge kan op de waardeverandering van de earn-outverplichting de deelnemingsvrijstelling (conform de regeling in punt 5, voorwaarde a) niet meer van toepassing zijn.
Ik ben in beginsel bereid toe te staan dat op verzoek van de koper/belastingplichtige de mutaties in de verplichting vanaf het moment van totstandkoming van de fiscale eenheid bij het bepalen van de winst van de fiscale eenheid buiten aanmerking blijven. Hierbij hanteer ik de volgende uitgangspunten:
1. Ingeval sprake is van de opneming in een fiscale eenheid van meer door de koper/belastingplichtige gekochte deelnemingen, waarvoor de regeling in punt 5 van dit besluit (dan wel het besluit van 8 maart 2002, nr. CPP2002/265M) is, dan wel zal worden toegepast, wordt een verzoek van de koper/belastingplichtige slechts ingewilligd indien het betrekking heeft op álle desbetreffende earn-outregelingen;
2. Het verzoek wordt niet ingewilligd indien, beoordeeld naar het tijdstip van indiening van het verzoek, de toestemming zou leiden tot een voorzienbaar voordeel voor belastingplichtige (zie punt 6.1, uitgangspunt 2).
3. Het verzoek dient uiterlijk op 31 december 2002 te zijn ingediend bij de bevoegde inspecteur.
Voor de volledigheid merk ik op dat, indien de bedoelde deelneming onder de toepassing van het huidige artikel 15 van de Wet VpB, en lopende de periode waarover het recht/de verplichting zich uitstrekt, wordt ontvoegd, het opgeofferd bedrag voor de deelneming bij ontvoeging wordt bepaald op de voet van standaardvoorwaarde 11 fiscale eenheid (Besluit van 30 september 1991, nr. DB91/2309 (BNB 1991/329)) en voor de duur van de resterende periode de eerdere vaststellingsovereenkomst onverkort van toepassing blijft.
7. Intrekking van besluit van 8 maart 2002, nr. CPP2002/265M
Het besluit van 8 maart 2002, nr. CPP2002/265M, wordt hierbij ingetrokken.
– bijlage: standaard-vaststellingsovereenkomst