Rechtenmedia.nl - Juridische Online Uitgeverij  Rechtennieuws.nl | Jure.nl | Maxius.nl | Parlis.nl | Rechtenforum.nl | JBmatch.nl | MijnWetten.nl | AdvocatenZoeken.nl | Rechtentotaal.nl
Stageverordening 2005
Bwb-id:
Officiele titel:
Citeertitel:
Ook bekend als:
Soort regeling:
Wetsfamilies:
Eerst verantwoordelijk ministerie:

Geldigheidsdatum:
Ingangsdatum:
Inhoudsopgave
+ Definities
+ De stage
+ De patroon
+ Verplichtingen van de patroon
+ Verplichtingen van de stagiaire
+ Buitenpatronaat
Artikel 8
+ Tussentijdse beëindiging en schorsing van de stage
+ Einde van de stageverplichting
+ De opleiding
Vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature

Juridisch advies nodig?
Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag
Geschiedenis

Geschiedenis-overzicht
Let op. Deze wet is vervallen op 1 januari 2013. U leest nu de tekst die gold op -.

Stageverordening 2005

Stageverordening 1998
Het College van Afgevaardigden van de Nederlandse Orde van Advocaten,
Overwegende, dat het gewenst is regelen te stellen ten aanzien van de uitoefening van de praktijk door en de opleiding van advocaten en procureurs die nog niet over voldoende kennis en ervaring beschikken;
Gelet op de artikelen 9b t/m 9i van de Advocatenwet;
Gezien het ontwerp van de Algemene Raad met de bijbehorende toelichting;
Gelet op de adviezen van de Raden van Toezicht;
Stelt de navolgende verordening vast:
Artikel 1
In deze verordening wordt verstaan onder:
a. Raad van Toezicht : de Raad van Toezicht in het arrondissement waar de advocaat kantoor houdt;
b. De advocaat : de in Nederland ingeschreven advocaat, alsmede de advocaat, die is ingeschreven overeenkomstig artikel 2a van de wet, indien deze in de lidstaat van herkomst een verklaring heeft verworven waaruit blijkt dat de stage aldaar is afgerond;
c. De stagiaire : de advocaat die niet in het bezit is van de verklaring als bedoeld in artikel 10;
d. De patroon : de advocaat onder wiens toezicht de stagiaire, met goedkeuring van de Raad van Toezicht, de praktijk uitoefent;
e. De stage : de periode gedurende welke de verhouding tussen de patroon en de stagiaire als bedoeld in artikel 9b van de Advocatenwet voortduurt;
f. De beroepsopleiding : de opleiding voor stagiaires als bedoeld in artikel 9c van de Advocatenwet;
g. De wet : de Advocatenwet ;
h. Opleidingsinstelling : de door de Algemene Raad als zodanig erkende natuurlijke persoon of rechtspersoon.
Artikel 2
Iedere advocaat is verplicht naar vermogen mede te werken aan de opleiding van stagiaires en de begeleiding van hun praktijkuitoefening tijdens de stage, zoals die in deze verordening zijn geregeld.
Artikel 3
De stage begint op de dag waarop de stagiaire de uitoefening van de praktijk onder toezicht van een in hetzelfde arrondissement gevestigde patroon heeft aangevangen. De patroon brengt dit tijdstip onverwijld schriftelijk ter kennis van de Raad van Toezicht.
1.
Elk patronaat behoeft de goedkeuring van de Raad van Toezicht.
2.
De Raad van Toezicht verleent zijn bemiddeling bij het zoeken van een patroon.
3.
Patroon kan slechts zijn een advocaat die gedurende ten minste zeven jaren als zodanig in Nederland ingeschreven is geweest, dan wel een advocaat die overeenkomstig artikel 2a van de wet is ingeschreven en die ten minste vier jaren in Nederland ingeschreven is geweest.
4.
De Raad van Toezicht is bevoegd in bijzondere gevallen de in het derde lid bedoelde termijn van zeven jaren, respectievelijk vier jaren te verkorten, doch niet tot minder dan vijf jaren respectievelijk twee jaren.
5.
Indien de patroon in de uitoefening van de praktijk is geschorst dan wel om andere redenen niet in staat is het patronaat uit te oefenen, kan de Raad van Toezicht ambtshalve of op verzoek van de stagiaire al dan niet tijdelijk een andere patroon aanwijzen.
1.
De patroon verschaft de stagiaire leiding, voorlichting en raad met betrekking tot de praktijkuitoefening in de ruimste zin des woords. Hij schenkt daarbij bijzondere aandacht aan de introductie van de stagiaire bij en vervolgens aan diens optreden jegens de rechterlijke macht, beroepsgenoten en cliënten.
2.
De patroon ziet er op toe dat de stagiaire alle verplichtingen nakomt die door de Algemene Raad en de Raad van Toezicht voor stagiaires zijn vastgesteld, opleidingsmaatregelen met name daaronder begrepen.
3.
De patroon stelt de stagiaire die bij hem kantoor houdt, met behoud van diens salaris, in de gelegenheid gedurende kantooruren de in het eerste en tweede lid genoemde verplichtingen na te komen en de daartoe noodzakelijke voorbereiding te treffen.
4.
De patroon van de stagiaire die bij hem kantoor houdt, dient de stagiaire passende arbeid te verschaffen. De patroon houdt daarbij rekening met de door de Algemene Raad en de Raad van Toezicht vastgestelde verplichtingen voor stagiaires, als bedoeld in het tweede lid.
5.
De patroon schenkt bij zijn begeleiding van de stagiaire, die op de voet van artikel 9b, derde lid, van de wet niet bij hem kantoor houdt, bijzondere aandacht aan de inrichting van diens kantoor inclusief de dienstverlening aan de cliënt en diens administratie, de boekhouding daaronder begrepen.
6.
De patroon van de stagiaire die:
a. bij hem kantoor houdt, brengt ten minste één maal per jaar schriftelijk verslag uit aan de Raad van Toezicht omtrent het verloop van de stage.
b. op de voet van artikel 9b, derde lid van de wet niet bij hem kantoor houdt, brengt ten minste één maal per zes maanden verslag uit aan de Raad van Toezicht omtrent het verloop van de stage.
1.
De stagiaire is, tenzij de Algemene Raad respectievelijk de Raad van Toezicht anders bepaalt, gehouden de door de Algemene Raad voor stagiaires vastgestelde verplichtingen, opleidingsmaatregelen met name daaronder begrepen, na te komen.
2.
De stagiaire die bij zijn patroon kantoor houdt, dient de hem door de patroon opgedragen werkzaamheden te verrichten met dien verstande dat de nakoming van de in het eerste lid genoemde verplichtingen voorrang heeft.
3.
De stagiaire, die op de voet van artikel 9b, derde lid, van de wet niet bij zijn patroon kantoor houdt, is verplicht:
a. zijn patroon in de gelegenheid te stellen te voldoen aan de verplichtingen als bedoeld in artikel 5, eerste, tweede en vijfde lid.
b. aantoonbaar de organisatie van zijn kantoor inclusief de dienstverlening aan de cliënt adequaat in te richten.
c. alleen zaken aan te nemen die hij gelet op zijn kantoororganisatie adequaat kan behandelen en waarvoor hij de deskundigheid bezit dan wel waarvoor hij gebruik maakt van de deskundigheid van een andere advocaat.
Artikel 7
De Raad van Toezicht gaat niet over tot verlening van een vrijstelling van de verplichting bij een patroon kantoor te houden als bedoeld in artikel 9b derde lid van de wet, dan nadat de stagiaire in voldoende mate heeft getracht een patroon te vinden bij wie hij kantoor kan houden en daarin niet of niet op voor de Raad van Toezicht aanvaardbare voorwaarden is geslaagd.
1.
De stagiaire, die op de voet van het bepaalde in artikel 9b tweede lid van de wet in deeltijd werkzaam wenst te zijn, dient van het voornemen daartoe kennis te geven aan de Raad van Toezicht.
2.
De stagiaire, die te kennen heeft gegeven in deeltijd werkzaam te zullen zijn, zal de praktijk ten minste gedurende een door de Raad van Toezicht vastgesteld minimum aantal uren per week uitoefenen. Dit aantal zal in geen geval minder zijn dan 20 uren per week. De Raad van Toezicht ziet erop toe dat de verplichting van de patroon, neergelegd in artikel 5, tweede lid, onverminderd wordt nageleefd.
1.
De stage eindigt tussentijds:
a. Krachtens onderling goedvinden van patroon en stagiaire;
b. Na opzegging door de stagiaire;
c. Na opzegging door de patroon, indien deze is voorafgegaan door goedkeuring van de Raad van Toezicht;
d. Door een ambtshalve beslissing van de Raad van Toezicht;
e. Zodra de patroon en de stagiaire niet langer in hetzelfde arrondissement zijn ingeschreven.
2.
De opzegging, als bedoeld in het eerste lid onder c, kan in ieder geval plaatsvinden indien het bewijs dat met gunstig gevolg het in artikel 9c van de wet bedoelde examen, niet meer kan worden overgelegd binnen de termijn als bedoeld in artikel 8, derde lid, van de wet.
3.
De patroon brengt een tussentijdse beëindiging, als bedoeld in het eerste lid onder a, b en c, onverwijld schriftelijk ter kennis van de Raad van Toezicht.
4.
De in het eerste lid onder c bedoelde goedkeuring wordt alleen geweigerd indien de opzegging onredelijk is en een voor de stagiaire aanvaardbare mogelijkheid om een andere patroon te verkrijgen niet bestaat.
5.
Het bepaalde in het voorgaande lid geldt niet indien het gaat om de tussentijdse beëindiging als gevolg van een opzegging als bedoeld in het tweede lid.
6.
De stage is van rechtswege geschorst gedurende de tijd dat de stagiaire
a. geen patroon heeft of
b. de praktijk niet onder toezicht van een patroon uitoefent of
c. de praktijk niet uitoefent.
1.
De verplichting de praktijk uit te oefenen onder toezicht van een patroon eindigt zodra de duur van de stage op de voet van het bepaalde in artikel 9b van de wet is verstreken en de Raad van Toezicht, gehoord de patroon en de stagiaire, oordeelt dat de stagiaire naar behoren aan de bij of krachtens deze verordening aan hem gestelde eisen heeft voldaan en tevens over voldoende praktijkervaring beschikt.
2.
De Raad van Toezicht geeft aan de stagiaire, wiens stageverplichting overeenkomstig het vorige lid is geëindigd een verklaring dat de stage is voltooid.
3.
De Raad van Toezicht gaat niet over tot de afgifte van een verklaring als bedoeld in het tweede lid, dan nadat de stagiaire het in artikel 8 derde lid van de wet bedoelde bewijs heeft overgelegd.
Artikel 11
In het kader van de opleiding van stagiaires komt aan de Algemene Raad en de Raad van Toezicht de bevoegdheid toe opleidingsmaatregelen verplicht te stellen, het afleggen van examens en toetsen daaronder begrepen. De Algemene Raad respectievelijk de Raad van Toezicht kan van de door hem verplicht gestelde opleidingsmaatregelen vrijstelling verlenen, onverminderd het bepaalde in artikel 15. De Raad van Toezicht houdt bij het verplicht stellen van opleidingsmaatregelen rekening met de door de Algemene Raad verplicht gestelde maatregelen. De Raad van Toezicht stelt de Algemene Raad in kennis van de door hem verplicht gestelde opleidingsmaatregelen, alsook van de wijzigingen daarin.
De Algemene Raad is bevoegd een opleidingsmaatregel van een Raad van Toezicht geheel of ten dele buiten werking te stellen, indien en voorzover deze strijdig is met opleidingsmaatregelen door de Algemene Raad genomen.
1.
Erkenning van een opleidingsinstelling als bedoeld in artikel 1 sub h geschiedt uitsluitend op verzoek van die instelling. Alvorens te beslissen op dat verzoek toetst de Algemene Raad of die instelling:
a. daadwerkelijk onderwijs verzorgt dat is gericht op de scholing van de cursist naar vakbekwaamheid;
b. zich heeft verzekerd van de medewerking van deskundige docenten;
c. het onderwijs door middel van opinieonderzoek onder de deelnemers pleegt te evalueren;
d. de deelnemers steeds een bewijsstuk verstrekt voor het daadwerkelijk gevolgd en voltooid hebben van een opleiding of het succesvol hebben afgelegd van een daarop betrekking hebbende toets of examen, aan welke verstrekking telkens per deelnemer een betrouwbare aanwezigheidsregistratie ten grondslag ligt en uit welk bewijsstuk het aantal behaalde opleidingspunten eenvoudig valt af te leiden.
2.
Onverminderd het bepaalde in het eerste lid kan de Algemene Raad aan een erkenning voorwaarden verbinden.
3.
Een erkenning kan door de Algemene Raad te allen tijde worden ingetrokken.
Artikel 12
De Algemene Raad bepaalt de inrichting van de Beroepsopleiding, de cursusonderdelen welke deze zal omvatten, de inhoud van elk cursusonderdeel, de plaatsen waar de opleiding zal worden gegeven en het aantal dagen dat met de daartoe noodzakelijke voorbereiding en het volgen van de opleiding is gemoeid.
1.
De stagiaire is verplicht deel te nemen aan het onderwijs in alle onderdelen van de beroepsopleiding en zich op de voorgeschreven wijze voor te bereiden. De stagiaire volgt daartoe de eerste cursuscyclus die na zijn inschrijving binnen het arrondissement wordt gehouden. Om organisatorische redenen kan hij door de Algemene Raad worden verplicht deel te nemen aan een cursuscyclus of onderdelen daarvan in een ander arrondissement.
2.
Indien zijn stage van rechtswege is geschorst, zal de stagiaire niet kunnen worden toegelaten tot de Beroepsopleiding, of indien hij reeds was toegelaten, niet het onderwijs kunnen vervolgen.
3.
Indien de stagiaire niet direct na inschrijving de eerste cursuscyclus of een onderdeel daarvan volgt, als bedoeld in het eerste lid, zal dit worden beschouwd als het niet behaald hebben van de toets in de niet gevolgde onderdelen van de eerste cursuscyclus van de Beroepsopleiding.
4.
De Algemene Raad kan in gevallen waarin naar zijn oordeel de toepassing van het derde lid tot een onbillijkheid van overwegende aard zal leiden, besluiten af te wijken van het gestelde in het tweede of derde lid.
1.
Aan de Beroepsopleiding is een examen verbonden dat bestaat uit een aantal gedurende de cursuscyclus per onderdeel af te nemen toetsen. De stagiaire is verplicht aan alle toetsen deel te nemen.
2.
Een stagiaire kan één keer in alle onderdelen van het examen een toets afleggen, met de mogelijkheid van twee herkansingen per onderdeel.
3.
De stagiaire is verplicht deel te nemen aan de toetsmogelijkheid voor een bepaald onderdeel direct volgend op het gevolgde onderwijs voor dat onderdeel van de Beroepsopleiding in de eerste cursuscyclus. Indien vrijstelling van onderwijs is verleend, dient te worden uitgegaan van de in de voorgaande volzin bedoelde examenmogelijkheid, alsof geen vrijstelling zou zijn verleend.
4.
Indien een toets in één of meer onderdelen van het examen niet is behaald, is de stagiaire verplicht deel te nemen aan de direct daaropvolgende herkansingsmogelijkheid voor het desbetreffende onderdeel. Het bepaalde in de voorgaande volzin betreft alleen de eerste herkansingsmogelijkheid.
5.
De stagiaire wordt tot het examen respectievelijk de onderscheiden onderdelen daarvan toegelaten indien hij aan zijn verplichtingen als genoemd in artikel 13, eerste lid, naar behoren heeft voldaan. Deze verplichting rust niet op de stagiaire voor zover hij van het volgen van het onderwijs van de Beroepsopleiding is vrijgesteld ingevolge artikel 15, eerste lid.
6.
Indien niet wordt voldaan aan de verplichting, als bedoeld in het derde en vierde lid, zal dit worden beschouwd als het niet behaald hebben van dat onderdeel van het examen.
7.
De Algemene Raad stelt een examenreglement vast waarin nadere regels zijn gesteld omtrent de inrichting en de organisatie van het examen, de tijdstippen waarop daaraan kan worden deelgenomen, de wijze waarop het examen wordt afgenomen en de samenstelling en taken van een Examencommissie.
8.
De stagiaire die het examen met gunstig gevolg heeft afgelegd, ontvangt van de Examencommissie het bewijs als bedoeld in artikel 8, derde lid, van de wet.
9.
De stagiaire die is geschrapt op grond van artikel 8, derde lid, van de wet, kan de Algemene Raad verzoeken om binnen twee jaar na de schrapping nog maximaal twee keer een toets in de nog niet behaalde onderdelen van het examen te mogen afleggen. Met betrekking tot het bepaalde in de voorgaande volzin dient het maximum aantal keren dat een toets afgelegd kan worden, zoals bepaald in het tweede lid, in acht te worden genomen.
10.
Het verzoek, als bedoeld in het voorgaande lid, wordt slechts ingewilligd indien:
a. het onderwijs in het onderdeel van de Beroepsopleiding waarop het verzoek ziet, is gevolgd danwel indien daarvoor een vrijstelling als bedoeld in artikel 15, eerste lid, is verleend en
b. de afwijzing daarvan naar het oordeel van de Algemene Raad zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.
11.
De Algemene Raad kan in gevallen waarin naar zijn oordeel de toepassing van het derde, vierde of zesde lid tot een onbillijkheid van overwegende aard zal leiden, besluiten af te wijken van het gestelde in het zesde lid.
1.
Van de verplichting tot het volgen van onderwijs in één of meer onderdelen van de Beroepsopleiding, als bedoeld in artikel 13, kan de Algemene Raad op schriftelijk verzoek van de stagiaire geheel of gedeeltelijk vrijstelling verlenen.
2.
Een vrijstelling als bedoeld in het eerste lid wordt slechts verleend indien de stagiaire genoegzaam aantoont op grond van opleiding en praktijkervaring op elk van de rechtsgebieden waarvoor de vrijstelling wordt verzocht een gelijkwaardige theoretische en praktische bekwaamheid te hebben verworven of binnen een redelijke termijn bij een door de Algemene Raad erkend opleidingsinstituut te zullen verwerven.
3.
Alvorens te beslissen op een vrijstellingsverzoek wint de Algemene Raad, indien de aard van het verzoek daartoe aanleiding geeft, het advies in van de Examencommissie en/of de Raad van Toezicht.
4.
Onverminderd het bepaalde in de voorgaande leden kan de Algemene Raad de afdoening van vrijstellingsverzoeken opdragen aan de Raad van Toezicht onderscheidenlijk de Examencommissie.
5.
Van het afleggen van de toets in één of meer onderdelen van het examen zal geen vrijstelling worden verleend, tenzij dat naar het oordeel van de Algemene Raad tot een onbillijkheid van overwegende aard zal leiden.
6.
Alle beschikkingen als bedoeld in dit artikel worden onverwijld bekend gemaakt aan de betrokkenen.
1.
De deelnemers aan de beroepsopleiding respectievelijk aan het in artikel 14 genoemde examen zijn cursus- en examengeld verschuldigd.
2.
De hoogte van deze bedragen en de wijze van inning worden vastgesteld door de Algemene Raad.
3.
Bij voortijdige beëindiging van deelname aan de beroepsopleiding blijven reeds in rekening gebrachte cursus- en examengelden onverminderd verschuldigd.
1.
De Algemene Raad is bevoegd voorwaarden te verbinden aan een beslissing vrijstelling te verlenen van de door hem op grond van de artikelen 11, 13 of 14 verplicht gestelde opleidingsmaatregel.
2.
De Raad van Toezicht is bevoegd voorwaarden te verbinden aan een beslissing genomen op grond van de artikelen 9b, leden 2, 3 en 4 van de wet, artikel 4, vierde lid en artikel 11, dit laatste voor zover het betreft de beslissing vrijstelling te verlenen van een door hem ingevolge artikel 11 verplicht gestelde opleidingsmaatregel.
1.
Naast het bepaalde in artikel 9b vijfde lid van de wet, staat tegen de navolgende beschikkingen van de Raad van Toezicht voor belanghebbenden administratief beroep open op de Algemene Raad:
b. De verlenging van een voorwaardelijke vrijstelling ingevolge artikel 9b derde lid van de wet jo artikel 17 tweede lid;
b. De beschikking tot beëindiging van de verhouding tussen patroon en stagiaire ingevolge artikel 9 eerste lid, onder d;
c. De voorwaardelijke aanwijzing van een patroon als bedoeld in artikel 9b vierde lid van de wet jo artikel 17 tweede lid;
d. De weigering van de goedkeuring van een patronaat als bedoeld in artikel 4 eerste lid.
e. De weigering de inschrijftermijn van zeven jaar als advocaat als bedoeld in artikel 4 vierde lid te verkorten;
f. De voorwaardelijke verkorting van de inschrijftermijn van zeven jaar als advocaat als bedoeld in artikel 4 vierde lid jo artikel 17 tweede lid;
g. De goedkeuring door de Raad van Toezicht van de opzegging van de stageovereenkomst door de patroon als bedoeld in artikel 9 eerste lid aanhef en onder c;
h. De beschikking tot beëindiging van de stage ingevolge artikel 9 eerste lid aanhef en onder d;
i. De weigering tot afgifte van een verklaring als bedoeld in artikel 10, tweede lid.
2.
Alle beschikkingen bedoeld in dit artikel worden onverwijld bekend gemaakt aan de betrokkenen.
1.
Een beschikking van de Raad van Toezicht waartegen krachtens artikel 9b vijfde lid van de wet of het voorgaande artikel administratief beroep op de Algemene Raad open staat, wordt door de secretaris van de Raad van Toezicht onverwijld bekend gemaakt aan de betrokkenen, alsmede aan de secretaris van de Algemene Raad.
2.
Het beroep wordt ingesteld binnen zes weken na de bekendmaking van de in het eerste lid bedoelde beschikking. De hoofdstukken 6 en 7 van de Algemene Wet Bestuursrecht zijn van toepassing.
Artikel 20
De bepalingen genoemd in de artikelen 12 t/m 16 zijn van overeenkomstige toepassing op de advocaten die ingevolge de overgangsbepalingen van de wet (art. II) verplicht zijn de beroepsopleiding te volgen.
1.
Deze verordening kan worden aangehaald als: ‘Stageverordening 2005’.
2.
Deze verordening treedt in de plaats van de Stageverordening van 9 juni 1988, welke op het tijdstip van de inwerkingtreding van deze verordening vervalt, met inachtneming van het gestelde in het derde lid laatste volzin van dit artikel.
3.
Deze verordening is van toepassing op stagiaires die na inwerkingtreding van deze verordening beginnen met de Beroepsopleiding. Voor stagiaires die, op het moment van inwerkingtreding van deze verordening, reeds met de Beroepsopleiding zijn begonnen of deze hebben voltooid, blijft de Stageverordening 1988 van toepassing.
Artikel 22
De Algemene Raad bepaalt het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening.