Rechtenmedia.nl - Juridische Online Uitgeverij  Rechtennieuws.nl | Jure.nl | Maxius.nl | Parlis.nl | Rechtenforum.nl | JBmatch.nl | MijnWetten.nl | AdvocatenZoeken.nl | Rechtentotaal.nl
Sociaal-ethische fondsen
Bwb-id:
Officiele titel:
Citeertitel:
Soort regeling:
Wetsfamilies:
Eerst verantwoordelijk ministerie:

Geldigheidsdatum:
Ingangsdatum:
Inhoudsopgave
1. Algemeen
1.1. Begripsomschrijvingen
2. Achtergrond van de wettelijke regeling
2.1. Sociaal-ethische fondsen
3. Aanwijzing als sociaal-ethisch fonds
4. Afhandeling van verzoeken
4.1. Indienen van een verzoek en de over te leggen gegevens en bescheiden
4.1.1. Buitenlandse instellingen
4.2. Behandeling door de inspecteur
4.3. Aandachtspunten bij de beoordeling van de verzoeken
4.4. Afdoeningstermijn
5. Aanwijzing, overgangperiode en beëindiging
5.1. Inleiding
5.2. Aanwijzing van het fonds, ingangs- en beëindigingdatum
5.2.1. Ingangsdatum
5.2.2. Overgangsperiode
5.2.3. Beëindigingdatum
5.2.3.1. Uitzondering
6. Standaardvoorwaarden
7. Toelichting op de standaardvoorwaarden en ingroeiregeling
7.1. Beleggingen (voorwaarde 1)
7.1.1. Ingroeiregeling
7.1.2. Lumpsum
7.2. Afbakening van de pré-sociaal-ethische periode (voorwaarde 2)
7.3. Verliesverrekening: carry-back van sociaal-ethische verliezen (voorwaarde 3)
7.4. Informatieverstrekking (voorwaarden 4 en 5)
8. Ingangsdatum besluit
Vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature

Juridisch advies nodig?
Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag
Geschiedenis

Geschiedenis-overzicht
Let op. Deze wet is vervallen op 30 december 2010. U leest nu de tekst die gold op 29 december 2010.

Sociaal-ethische fondsen

Sociaal-ethische fondsen De Directeur-Generaal Belastingdienst heeft namens de Staatssecretaris van Financiën het volgende besloten.
Bij dit besluit wordt het besluit van 29 maart 2004, nr. CPP2004/249M, opnieuw uitgebracht in verband met een goedkeuring inzake de ingangsdatum van de aanwijzing als sociaal-ethisch fonds. Deze goedkeuring is opgenomen bij onderdeel 5.2.1 van dit besluit.
1. Algemeen
Op grond van artikel 5.13 van de Wet inkomstenbelasting 2001 (hierna: de Wet), worden maatschappelijke beleggingen tot een bepaald maximum niet tot de bezittingen gerekend die de grondslag voor de vermogensrendementsheffing (box 3) vormen. Op grond van artikel 8.19 van de Wet geldt bovendien een extra heffingskorting over het vrijgestelde bedrag voor maatschappelijke beleggingen.
Maatschappelijke beleggingen zijn groene beleggingen en sociaal-ethische beleggingen. Dit besluit behandelt de vrijstelling voor sociaal-ethische beleggingen. Deze vrijstelling is in de Wet opgenomen in artikel 5.15.
De vrijstelling geldt voor bezittingen in aangewezen sociaal-ethische fondsen. Op grond van artikel 5.15, eerste lid, van de Wet worden fondsen aangewezen bij ministeriële regeling. In dit besluit wordt aan deze regeling uitvoering gegeven. Allereerst wordt de aanwijzing van de inspecteur en de behandelwijze van de verzoeken tot aanwijzing als sociaal-ethisch fonds vormgegeven en vervolgens worden de standaardvoorwaarden en een toelichting daarop gegeven.
1.1. Begripsomschrijvingen
In dit besluit wordt verstaan onder:
de Wet: de Wet inkomstenbelasting 2001;
de URIB 2001: de Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001;
de Wtk: de Wet toezicht kredietwezen 1992;
de Wtb: de Wet toezicht beleggingsinstellingen;
de Regeling aanwijzen van sociaal-ethische instellingen: de bepalingen in artikel 29 van de Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001;
de Regeling sociaal-ethische projecten: de ingevolge artikel 5.15, derde en zesde lid, van de Wet, vastgestelde ministeriële regeling van 2 maart 2004, nr. DJZ/BR/0163-04, Stcrt. 2004.44, van de Minister van Ontwikkelingssamenwerking mede namens de staatssecretaris van Financiën;
een instelling: een kredietinstelling die is ingeschreven in het register, bedoeld in artikel 52 van de Wtk of een beleggingsinstelling die is ingeschreven in het register, bedoeld in artikel 18 van de Wtb;
sociaal-ethische fondsen: instellingen die door de inspecteur ingevolge artikel 5.15, eerste lid, van de Wet, als zodanig zijn aangewezen;
sociaal-ethisch project: een project waarvoor ingevolge de Regeling sociaal-ethische projecten een sociaal-ethische verklaring is afgegeven waaruit blijkt dat deze is aangewezen als project in het belang van:
de voedselzekerheid en voedselverbetering in ontwikkelingslanden,
de sociale en culturele ontwikkeling in ontwikkelingslanden, òf
de economische ontwikkeling, werkgelegenheid en regionale ontwikkeling in ontwikkelingslanden;
de inspecteur: de voorzitter van het managementteam van de Belastingdienst/Amsterdam hierbij aangewezen voor de uitvoering van de Regeling aanwijzen van sociaal-ethische instellingen.
2. Achtergrond van de wettelijke regeling
Maatschappelijke beleggingen behoren tot een bepaald maximum niet tot de bezittingen die tot de grondslag van de vermogensrendementsheffing worden gerekend. Maatschappelijke beleggingen zijn groene beleggingen en sociaal-ethische beleggingen. Deze beleggingen zijn aandelen in, winstbewijzen van en geldleningen aan bij ministeriële regeling aangewezen kredietinstellingen als bedoeld in de Wtk, of beleggingsinstellingen als bedoeld in de Wtb.
2.1. Sociaal-ethische fondsen
Als sociaal-ethische fondsen kunnen bij ministeriële regeling worden aangewezen:
1. kredietinstellingen als bedoeld in de Wtk, waarvan het doel en de feitelijke werkzaamheden hoofdzakelijk bestaan in het verstrekken van kredieten ten behoeve van sociaal-ethische projecten of categorieën van sociaal-ethische projecten, of in het direct of indirect beleggen van vermogen in dergelijke projecten of categorieën van sociaal-ethische projecten;
2. beleggingsinstellingen als bedoeld in de Wtb, waarvan het doel en de feitelijke werkzaamheden hoofdzakelijk bestaan in het direct of indirect beleggen van vermogen in sociaal-ethische projecten of categorieën van sociaal-ethische projecten.
Om als sociaal-ethisch fonds te worden aangemerkt dient een kredietinstelling te zijn ingeschreven in het register, bedoeld in artikel 52 van de Wtk en dienen doel en feitelijke werkzaamheden hoofdzakelijk te bestaan in het verstrekken van kredieten ten behoeve van dan wel het direct of indirect beleggen van vermogen in sociaal-ethische projecten. Een beleggingsinstelling dient te zijn ingeschreven in het register, bedoeld in artikel 18 van de Wtb en doel en feitelijke werkzaamheden dienen hoofdzakelijk te bestaan in het direct of indirect beleggen in sociaal-ethische projecten. Voor de vraag of een project als een sociaal-ethisch project kan worden aangemerkt wendt de instelling zich tot de Minister van Ontwikkelingssamenwerking. In de Regeling sociaal-ethische projecten wordt een algemeen kader gegeven waaraan sociaal-ethische projecten dienen te voldoen. Op verzoek zal door of namens de Minister van Ontwikkelingssamenwerking een beschikking worden afgegeven aangaande de status van een project.
3. Aanwijzing als sociaal-ethisch fonds
In artikel 29 URIB 2001 is opgenomen op welke wijze kredietinstellingen of beleggingsinstellingen, bedoeld in artikel 5.15 van de Wet, op verzoek door de inspecteur, onder door hem te stellen voorwaarden, als sociaal-ethische fondsen kunnen worden aangemerkt.
Hierna wordt aangegeven op welke wijze de inspecteur dergelijke verzoeken dient af te handelen en welke standaardvoorwaarden voor de aanwijzing gelden.
De standaardvoorwaarden zijn opgenomen bij punt 6.
4.1. Indienen van een verzoek en de over te leggen gegevens en bescheiden
De nieuw opgerichte instelling of de bestaande instelling die in aanmerking wenst te komen voor de aanwijzing als sociaal-ethisch fonds dient een schriftelijk verzoek in bij de inspecteur. Hierbij wordt de voorzitter van het managementteam van de Belastingdienst/Amsterdam aangewezen voor de uitvoering van de Regeling aanwijzen van deze sociaal-ethische instellingen. Is een verzoek bij een andere regio ingediend dan wordt het verzoek onverwijld doorgestuurd naar de inspecteur van de Belastingdienst/Amsterdam. Deze inspecteur beoordeelt of de instelling is aan te merken als een sociaal-ethisch fonds. Hij geeft de beschikking af, bedoeld in artikel 29, zesde lid, van de URIB 2001. Gedurende de periode van aanwijzing beoordeelt deze inspecteur ook of het fonds nog voldoet aan alle wettelijke eisen en aan de gestelde voorwaarden. Het fonds richt zijn periodieke informatieverstrekking dan ook tot deze inspecteur. Voor de heffing en invordering van rijksbelastingen van de instelling geldt niet deze bijzondere aanwijzing van de inspecteur van de Belastingdienst/Amsterdam, maar blijft de instelling ressorteren onder de inspecteur die is aangewezen in de Uitvoeringsregeling Belastingdienst 2003.
Het verzoek dient – afhankelijk van het feit of het een nieuw opgericht fonds of een bestaand fonds betreft – de volgende gegevens te bevatten:
A. ten aanzien van een nieuw opgericht fonds:
de statuten;
de vergunning als bedoeld in artikel 6 of 38 van de Wtk onderscheidenlijk artikel 5 van de Wtb;
een volledig overzicht van de geplande beleggingen in en kredietverstrekkingen ten behoeve van projecten;
de prospectussen over de aan te bieden beleggingsproducten van het fonds;
kopieën van de door de Minister van Ontwikkelingssamenwerking afgegeven beschikkingen ten aanzien van projecten waarin vermogen wordt belegd dan wel ten behoeve waarvan kredieten worden verstrekt.
B. ten aanzien van een bestaand fonds:Toelichting
De hiervóór genoemde gegevens zijn essentieel om te kunnen beoordelen of een instelling kan worden aangemerkt als een sociaal-ethisch fonds.
Aan de hand van de statuten en de prospectus zal moeten worden beoordeeld of het doel van het fonds overeenkomstig de regels van het sociaal-ethisch beleggen is (artikel 5.15 van de Wet).
Het fonds overlegt een afschrift van de vergunning als bedoeld in artikel 6 of 38 van de Wtk onderscheidenlijk artikel 5 van de Wtb. De Nederlandsche Bank houdt ingevolge artikel 52 van de Wtk onderscheidenlijk artikel 18 van de Wtb een register bij waarin de vergunninghoudende instellingen staan ingeschreven. Het vereiste dat louter vergunninghoudende instellingen in aanmerking kunnen komen voor aanwijzing als sociaal-ethisch fonds heeft als doel de bescherming van (potentiële) particuliere beleggers.
Alvorens een bestaande instelling een verzoek indient bij de inspecteur moet aannemelijk zijn dat ten tijde van de inwerkingtreding van de aanwijzing geen zuivere winst die haar oorsprong vindt in de pré-aanwijzingsperiode aanwezig is (artikel 29, derde lid, URIB 2001). De bezitting wordt immers vrijgesteld omdat het fonds zijn vermogen op een bepaalde wijze aanwendt. Er dienen derhalve ten tijde van het indienen van het verzoek vastomlijnde plannen te bestaan omtrent de binnen kort tijdsbestek plaatsvindende omvorming van de bestaande instelling in een sociaal-ethische instelling en de daarmee gepaard gaande afrekening over de fiscale en stille reserves en de uitkering van alle zuivere winst. Het voornemen dat binnen kort tijdsbestek alle zuivere winst zal worden uitgekeerd kan bijvoorbeeld aannemelijk worden gemaakt aan de hand van een verslag van de algemene vergadering van aandeelhouders.
Vervolgens dient de bestaande instelling – vooruitlopend op de formele aanwijzing – aan de wettelijke eisen en aan de standaardvoorwaarden te voldoen zodat de instelling in materiële zin reeds een sociaal-ethisch fonds is. In dit kader past het dat de volledige jaarstukken van het laatste boekjaar die zijn opgemaakt ten tijde van het indienen van het verzoek worden overgelegd.
Tevens overlegt de instelling een balans als bedoeld in standaardvoorwaarde 2. Aan de hand van deze balans beoordeelt de inspecteur of is voldaan aan het hoofdzakelijkheidsvereiste. Voor een nadere uitwerking van dit hoofdzakelijkheidsvereiste ten aanzien van bestaande instellingen gedurende de overgangsfase wordt verwezen naar onderdeel 5 van dit besluit.
de statuten;
de vergunning als bedoeld in artikel 6 of 38 van de Wtk onderscheidenlijk artikel 5 van de Wtb;
de volledige jaarstukken van het meest recente afgesloten boekjaar;
een balans als bedoeld in standaardvoorwaarde 2;
een volledig overzicht van de beleggingen in en de kredietverstrekkingen ten behoeve van projecten;
de prospectussen over de aan te bieden beleggingsproducten van het fonds;
kopieën van de door de Minister van Ontwikkelingssamenwerking afgegeven beschikkingen ten aanzien van projecten waarin vermogen wordt belegd dan wel ten behoeve waarvan kredieten worden verstrekt.
4.1.1. Buitenlandse instellingen
Ten aanzien van buitenlandse instellingen – die als sociaal-ethisch fonds wensen op te treden – merk ik het volgende op.
Voor bepaalde buitenlandse instellingen die hun vestigingsplaats niet in Nederland hebben maar die wel op de Nederlandse markt opereren is het hebben van een vergunning in de zin van de Wtk dan wel de Wtb geen vereiste voor aanwijzing ingevolge de onderhavige regeling. Het gaat hier om instellingen die beschikken over een vergunning van de bevoegde autoriteit in een andere Lid-Staat van de Europese Unie. Voldoende is dat een dergelijke buitenlandse instelling is ingeschreven in het register, bedoeld in artikel 52 van de Wtk dan wel artikel 18 van de Wtb alsmede dat de instelling over een vaste inrichting of een vaste vertegenwoordiger hier te lande beschikt en de activiteiten plaatsvinden door middel van deze vaste inrichting of vaste vertegenwoordiger. Een dergelijke instelling dient alsdan bij het verzoek – in plaats van de vergunning – een bewijs van inschrijving in dat register over te leggen.
De instelling geeft een zo volledig mogelijk overzicht van de geplande beleggingen in en de voorgenomen kredietverstrekkingen ten behoeve van de projecten. Deze plannen dienen zodanig concreet te zijn dat men onder andere kopieën van de afgegeven beschikkingen van de projecten overlegt waarin men wenst te beleggen onderscheidenlijk ten behoeve waarvan men krediet wenst te verstrekken.
4.2. Behandeling door de inspecteur
De inspecteur (zie paragraaf 1.1) beoordeelt of hij het verzoek op grond van het in de paragraaf 4.3 uitgewerkte werkschema en met inachtneming van het voorgaande zelfstandig kan afdoen. In de gevallen waarin de inspecteur het verzoek zelf kan afdoen, neemt hij zijn beslissing in de vorm van een voor bezwaar vatbare beschikking waarbij hij het volgende in acht neemt.
a. Het verzoek wordt ingewilligd
Indien het verzoek met inachtneming van hetgeen is vermeld in paragraaf 4.3 wordt ingewilligd, richt de inspecteur de beschikking in conform bijlage 3 of 4, waarbij uitsluitend voorwaarden worden gesteld die overeenkomen met de standaardvoorwaarden (bijlage 6).
b. Het verzoek wordt afgewezen
Indien het verzoek met inachtneming van hetgeen is vermeld in paragraaf 4.3 wordt afgewezen, richt de inspecteur de beschikking in conform bijlage 2.Aanbiedingsbrief
De beschikking wordt in alle gevallen verzonden met een aanbiedingsbrief ingericht overeenkomstig bijlage 1.
Kan de inspecteur het verzoek niet zelfstandig afdoen dan zendt hij het verzoek – overeenkomstig het bepaalde in paragraaf 4.3 – door naar het Ministerie van Financiën. Daar wordt het verzoek beoordeeld en wordt een beslissing voorbereid.
Vervolgens wordt de inspecteur, onder toezending van een conceptbeschikking en een conceptaanbiedingsbrief, aangewezen om namens de Staatssecretaris op het verzoek te beslissen. De inspecteur handelt verder in overeenstemming met wat hiervoor is vermeld.
4.3. Aandachtspunten bij de beoordeling van de verzoeken
De inspecteur beoordeelt het verzoek op de volgende aspecten.
1. Is er sprake van een instelling die ingeschreven staat in het register genoemd in artikel 52 van de Wtk onderscheidenlijk artikel 18 van de Wtb?
Zo nee, dan wijst de inspecteur het verzoek af.
Bij het verzoek dient de vergunning als bedoeld in artikel 6 of 38 van de Wtk onderscheidenlijk artikel 5 van de Wtb te zijn gevoegd. Een uitzondering wordt hier gemaakt voor de in paragraaf 4.1.1 vermelde buitenlandse instellingen. Zodoende kan de inspecteur in het door de Nederlandsche Bank ingevolge artikel 52 van de Wtk onderscheidenlijk artikel 18 Wtb bijgehouden register natrekken of de vergunning van de instelling inmiddels niet is ingetrokken.
2. Heeft de instelling alle vereiste bescheiden zoals vermeld in paragraaf 4.1 bijgevoegd?
Zo nee, dan stelt de inspecteur de verzoeker in de gelegenheid alsnog deze gegevens te verstrekken. Ingeval vervolgens die gegevens niet worden verstrekt wijst de inspecteur het verzoek af.
3. Is de inspecteur van mening dat er aanleiding bestaat van de standaardvoorwaarden afwijkende voorwaarden te stellen?
Zo ja, dan zendt de inspecteur het verzoek met zijn ambtsbericht binnen drie weken door naar het Ministerie van Financiën. Tevens stelt de inspecteur de verzoeker hiervan in kennis.
4.4. Afdoeningstermijn
De instellingen hebben er – mede gelet op de informatieverstrekking naar de particuliere beleggers – belang bij dat op zo kort mogelijke termijn op het ingediende verzoek door de inspecteur een beslissing wordt genomen. De inspecteur streeft er daarom naar om de beschikking zo spoedig mogelijk te geven. Hierbij wordt een periode van niet langer dan acht weken als richtsnoer gehanteerd.
5.1. Inleiding
Hiervóór is een uitwerking gegeven van de aanwijzing van de inspecteur zoals deze is opgenomen in artikel 29 van de URIB 2001. Als de inspecteur aan het verzoek tegemoet komt, worden standaardvoorwaarden gesteld (bijlage 6). Deze standaardvoorwaarden zijn opgenomen bij onderdeel 6 en worden toegelicht in onderdeel 7.
Hieronder wordt een nadere toelichting gegeven op de wettelijke regeling inzake de ingangs- en beëindigingsdatum alsmede een toelichting op de eventuele overgangsperiode.
5.2. Aanwijzing van het fonds, ingangs- en beëindigingdatum
De inspecteur stelt standaardvoorwaarden vast in de gevallen dat hij een fonds aanwijst. Dit laat onverlet de mogelijkheid dat in daartoe aanleiding gevende gevallen aanvullende of afwijkende voorwaarden worden vastgesteld. Indien de inspecteur van mening is dat aanleiding bestaat van de standaardvoorwaarden afwijkende of aanvullende voorwaarden te stellen, verzoekt hij mij in het desbetreffende geval de voorwaarden vast te stellen.
De standaardvoorwaarden die aan het fonds worden opgelegd zijn enerzijds gericht op een afbakening van de sociaal-ethische en de niet-sociaal-ethische periode. Alleen bezittingen die betrekking hebben op de sociaal-ethische periode vallen onder de werking van de vrijstelling. Anderzijds zijn deze voorwaarden gericht op de informatie die periodiek aan de inspecteur moet worden verstrekt om toezicht op de naleving van de wettelijke regeling en de gestelde voorwaarden mogelijk te maken.
5.2.1. Ingangsdatum
Uitgangspunt van de wettelijke regeling is dat de bezittingen in een fonds alleen zijn vrijgesteld vanaf het moment dat het fonds als sociaal-ethisch fonds is aangewezen. Dit betekent dat de ingangsdatum van de periode dient te worden vastgesteld. De vaststelling van de ingangsdatum wordt uitdrukkelijk vermeld in de aanwijzingsbeschikking. De inspecteur geeft op grond van artikel 29, zesde lid, URIB 2001, een voor bezwaar vatbare beschikking af. Hij streeft er naar deze beschikking binnen acht weken na ontvangst van het verzoek af te geven. In artikel 29, zevende lid, URIB 2001 is bepaald dat de mogelijkheid bestaat dat de ingangsdatum vóór de datum van dagtekening van de beschikking ligt. Voor alle duidelijkheid merk ik op dat vanaf de ingangsdatum aan alle wettelijke voorwaarden alsmede aan de door de inspecteur vastgestelde nadere voorwaarden moet zijn voldaan. De ingangsdatum kan echter niet vóór de datum van het indienen van het verzoek liggen. De instelling kan te allen tijde kiezen voor een latere ingangsdatum, bijvoorbeeld het begin van het volgende boekjaar. Met name voor bestaande instellingen zal het in verband met de uitkering van zuivere winst veelal praktischer zijn om aan te sluiten bij het begin van een boekjaar.Goedkeuring
De Regeling Sociaal-ethisch beleggen is goedgekeurd door de Europese Commissie en gepubliceerd in het Staatsblad op 23 januari 2004. Hierbij is aan de regeling een terugwerkende kracht verleend tot 1 januari 2004. Om te bewerkstelligen dat deze datum voor sociaal-ethische fondsen ook als ingangsdatum kan gelden, keur ik het volgende goed. Een fonds kan met terugwerkende kracht per 1 januari 2004 worden aangewezen als sociaal-ethisch fonds, indien een verzoek daartoe wordt ingediend vóór 1 december 2004. Uiteraard dient vanaf de ingangsdatum aan alle wettelijke voorwaarden alsmede aan de door de inspecteur vastgestelde nadere voorwaarden te zijn voldaan.
5.2.2. Overgangsperiode
Voor bestaande instellingen is een overgangsperiode onontkoombaar. Op grond van artikel 29, derde lid, van de URIB, mag er in een bestaande instelling geen zuivere winst aanwezig zijn op het tijdstip van inwerkingtreding van de aanwijzing. Dit betekent dat een bestaande instelling een balans dient op te stellen waarbij alle bezittingen en schulden worden opgenomen naar de waarde welke daaraan in het economische verkeer kan worden toegekend. Tevens dienen de fiscale reserves tot de winst te worden gerekend. Tussen het tijdstip waarop de zuivere winst wordt bepaald en het tijdstip waarop deze wordt uitgekeerd zal enige tijd verstrijken. In deze periode (de overgangsfase) kan op een tweetal punten niet aan alle voorwaarden zijn voldaan. In de eerste plaats betreft dit de voorwaarde dat de zuivere winst moet zijn uitgekeerd.
In de tweede plaats betreft dit het zogenoemde hoofdzakelijkheidsvereiste, omdat de zuivere winst die zal moeten worden uitgedeeld niet in sociaal-ethische projecten kan worden belegd. Voor dit soort gevallen wordt daarom het volgende goedgekeurd.
De instelling wordt pas met ingang van de datum dat alle zuivere winst is uitgekeerd aangemerkt als sociaal-ethisch fonds; vanaf dat moment kan de waarde van de belegging in het fonds vallen onder de vrijstelling van de Wet. De instelling dient dit ten genoegen van de inspecteur aan te tonen. De gedurende de overgangsfase behaalde resultaten behoeven niet te worden uitgedeeld vóór het aanwijzingstijdstip, maar kunnen vanaf de aanwijzing eveneens onder de noemer vallen van artikel 5.13 van de Wet. Het fonds dient gedurende de overgangsfase aan alle overige voorwaarden te voldoen en ten aanzien van het hoofdzakelijkheidsvereiste dient het vermogen dat niet onder de hiervóór bedoelde uitdelingsverplichting valt, hoofdzakelijk te worden aangewend ten behoeve van sociaal-ethische projecten. Gelet op de ratio van het vrijstellen van (forfaitair) rendement behaald op maatschappelijke beleggingen dient deze overgangsfase van beperkte duur te zijn, omdat anders gedurende een te lange periode niet-sociaal-ethische bezittingen vrijgesteld zouden kunnen worden. De hier bedoelde overgangsfase mag daarom niet langer duren dan drie maanden. In het geval een fonds voorziet dat de driemaandstermijn niet kan worden gehaald, kan onder voorwaarden worden gekozen voor een ingroeiperiode van twee jaren. Deze ingroeiperiode wordt beschreven in onderdeel 7.1.1 van dit besluit.
5.2.3. Beëindigingdatum
Op grond van artikel 29, vijfde lid, URIB 2001, trekt de inspecteur de aanwijzing in als:
het fonds om intrekking van de aanwijzing verzoekt, of
het fonds niet meer voldoet aan de omschrijving als bedoeld in artikel 5.15 van de Wet, of
het fonds niet meer voldoet aan de door de inspecteur gestelde voorwaarden.
De inspecteur trekt de aanwijzing in bij een voor bezwaar vatbare beschikking (artikel 29, zesde lid, van de URIB). De intrekking heeft in beginsel terugwerkende kracht tot het moment waarop het fonds niet langer voldoet aan de wettelijke bepalingen dan wel aan de voorwaarden.
Als reden voor beëindiging kan bijvoorbeeld aan het volgende worden gedacht:
het fonds wordt niet langer aangemerkt als een instelling die is ingeschreven in het register, bedoeld in artikel 52 van de Wtk dan wel artikel 18 van de Wtb;
het doel en de feitelijke werkzaamheden bestaan niet meer hoofdzakelijk in het verstrekken van kredieten ten behoeve van dan wel het direct of indirect beleggen van vermogen in kwalificerende projecten.
5.2.3.1. Uitzondering
Als het fonds de inspecteur echter onverwijld schriftelijk in kennis stelt van het feit dat niet meer wordt voldaan aan de wettelijke bepalingen dan wel aan de standaardvoorwaarden en het fonds voorts aannemelijk maakt dat dit slechts van tijdelijke aard is, een incidenteel karakter heeft en niet in strijd is met doel en strekking van de regeling, laat de inspecteur de aanwijzing in beginsel in stand. De vraag of sprake is van een situatie van tijdelijke aard, of deze situatie een incidenteel karakter heeft en of niet in strijd met doel en strekking van de regeling wordt gehandeld, is ter beoordeling van de inspecteur. Hierbij zal als uitgangspunt gelden dat terughoudend wordt omgegaan met de intrekking van de aanwijzing indien er gerede vooruitzichten bestaan dat het fonds binnen afzienbare tijd (een periode van maximaal drie maanden) wederom voldoet aan de wettelijke omschrijving en aan de voorwaarden. Hierover kan de inspecteur nadere afspraken met het fonds maken. Indien binnen die nader afgesproken periode het fonds niet aan de wettelijke omschrijving en aan de voorwaarden voldoet, zal de inspecteur de aanwijzing alsnog intrekken. De inspecteur heeft binnen de grenzen van het wettelijke systeem een zekere beleidsvrijheid. In dit kader kan met name worden gedacht aan situaties waarin niet wordt voldaan aan het hoofdzakelijkheidsvereiste omdat bijvoorbeeld bepaalde projecten plotseling de sociaal-ethische status verliezen, dan wel aan situaties waarin de waarde in het economische verkeer van de projecten waarin wordt belegd onvoorzien daalt. Alhoewel uit de wetsgeschiedenis valt af te leiden dat de marge ter zake van het beleggen in niet-sociaal-ethische projecten net als bij het groene beleggen juist bedoeld is om dit soort situaties te ondervangen, acht ik het denkbaar dat in bepaalde gevallen voor een korte termijn deze marge onvoldoende zal zijn.
Gelet op de hiervóór geschetste achtergrond van deze marge zullen fondsen die jarenlang een strategie hanteren waarbij nauwkeurig aansluitend bij de wettelijke grenzen zoveel mogelijk vermogen in niet-kwalificerende projecten wordt belegd, er rekening mee moeten houden dat er voor de inspecteur in beginsel geen aanleiding zal zijn om de aanwijzing te continueren in de situatie dat men onder de marge terechtkomt. De zekerheidsmarge wordt in een dergelijk geval niet gebruikt voor het doel waarvoor de wetgever haar in de Wet heeft opgenomen.
De inspecteur beslist zo spoedig mogelijk – normaliter binnen acht weken – onder welke voorwaarden hij akkoord gaat met instandhouding van de aanwijzing. De intrekking van de aanwijzing geschiedt bij beschikking waarin wordt vastgelegd per welk tijdstip de aanwijzing is ingetrokken. Zoals hiervóór is aangegeven heeft de intrekking in beginsel terugwerkende kracht tot het moment waarop door het fonds niet meer aan de wettelijke bepalingen of aan de hierboven genoemde voorwaarden is voldaan. In de situatie zoals hiervóór is geschetst waarbij het fonds zich onverwijld heeft gemeld en de inspecteur toch heeft besloten de aanwijzing in te trekken, zal de datum van intrekken van de aanwijzing in beginsel gelijk zijn aan de datum van de beschikking tenzij de inspecteur van mening is dat er sprake is van oneigenlijk gebruik van de regeling.
Wanneer de sociaal-ethische status van het fonds is beëindigd, behoort de waarde van de bezitting voor de heffing van inkomstenbelasting tot de grondslag voor de vermogensrendementsheffing.
6. Standaardvoorwaarden
Standaardvoorwaarden voor een aangewezen fonds als bedoeld in artikel 5.15 van de Wet inkomstenbelasting 2001.
1. Het fonds dient zijn vermogen hoofdzakelijk (ten minste 70%) aan te wenden in de vorm van kredietverstrekking ten behoeve van dan wel het direct of indirect beleggen in sociaal-ethische projecten.
2. (Deze voorwaarde geldt alleen voor bestaande instellingen). De instelling stelt ter afsluiting van de pré-sociaal-ethische periode een balans op waarbij de bezittingen en schulden te boek worden gesteld voor de waarde welke daaraan in het economische verkeer kan worden toegekend. De fiscale reserves dienen aan de winst te worden toegevoegd. De zuivere winst dient aan de aandeelhouders c.q. deelgerechtigden te worden uitgekeerd.
3. Verliezen geleden na de aanwijzing als sociaal-ethisch fonds kunnen niet op grond van artikel 20, tweede lid, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 worden verrekend met de drie voorafgaande jaren, voor zover deze jaren liggen vóór het jaar waarin de aanwijzing van kracht is, alsmede met het jaar waarin de aanwijzing van kracht is geworden ingeval de winst van dat jaar mede pré-sociaal-ethische resultaten omvat.
4. Binnen vier maanden na afloop van ieder boekjaar overlegt het sociaal-ethisch fonds, zowel aan de inspecteur als aan de inspecteur onder wie de instelling ressorteert voor de heffing en invordering van rijksbelastingen, de definitieve fiscale en commerciële jaarstukken. Hierin is begrepen een overzicht van de verstrekte kredieten ten behoeve van dan wel de beleggingen in de sociaal-ethische projecten, opgenomen naar de waarde welke daaraan in het economische verkeer kan worden toegekend. De desbetreffende jaarstukken zijn voorzien van een accountantsverklaring.
Het sociaal-ethisch fonds dient tevens binnen twee maanden na afloop van elk van de eerste drie kwartalen bij de inspecteur een kwartaalbalans in. Hierbij overlegt het sociaal-ethisch fonds eveneens een apart overzicht van de verstrekte kredieten ten behoeve van en de beleggingen in sociaal-ethische projecten zoals hiervóór omschreven.
5. Indien het sociaal-ethisch fonds in andere sociaal-ethische projecten belegt dan in het verzoek tot aanwijzing als sociaal-ethische instelling is vermeld, verstrekt de instelling een kopie van de door de Minister van Ontwikkelingssamenwerking afgegeven beschikking ten aanzien van die projecten.
7.1. Beleggingen (voorwaarde 1)
Het sociaal-ethisch fonds dient zijn vermogen hoofdzakelijk aan te wenden in de vorm van het verstrekken van kredieten ten behoeve van dan wel het direct of indirect beleggen in sociaal-ethische projecten. De begrippen ‘hoofdzakelijk’, ‘direct of indirect’ dienen te worden opgevat overeenkomstig de betekenis die deze in de fiscale wetgeving hebben. Zo wordt onder het begrip ‘hoofdzakelijk’ verstaan: ten minste 70%. De term ‘indirect’ ziet op de volgende situatie. Een sociaal-ethische instelling belegt voor 70% in een andere sociaal-ethische instelling die op haar beurt 70% van haar vermogen belegt in een sociaal-ethisch project. Aan het hoofdzakelijkheidsvereiste is niet voldaan. Immers in dit geval wordt in wezen slechts 49% van het vermogen belegd in sociaal-ethische projecten.Vermogen
Onder het begrip ‘vermogen’ wordt hier verstaan het totale vermogen van het fonds. Dit betekent dat het 70%-criterium wordt gerelateerd aan de actiefzijde van de balans van het fonds. De fiscale boekwaarden zijn daarbij niet relevant. Bepalend is de waarde in het economische verkeer.Vrije marge
Het 70%-criterium biedt de ruimte om een beperkt deel van de ingelegde gelden – tijdelijk – bijvoorbeeld rentedragend uit te zetten ter overbrugging van soms onvermijdelijke perioden tussen de verwerving van middelen door de instelling en de investering ervan in een project. Voorts is de marge van 30% bedoeld om onverwachte ontwikkelingen op te vangen. Hierbij kan worden gedacht aan waardemutaties van de verschillende soorten beleggingen, of aan de beëindiging van een project terwijl niet aanstonds nieuwe projecten voorhanden zijn. Tot slot bestaat er door de 30%-grens ruimte om te beleggen in aan het eigenlijke project aanpalende en voor het succes daarvan belangrijke voorzieningen.Driemaandstermijn
Op te richten fondsen kunnen in de aanvangsfase problemen ondervinden met het voldoen aan de vereisten. Er dient echter zowel voor de fondsen als voor de particulieren die geld willen storten in de fondsen zekerheid te bestaan over de status van een fonds. Op het moment dat de gelden worden aangetrokken zal nog een begin moeten worden gemaakt met het beleggen in projecten dan wel het verstrekken van kredieten. De inspecteur neemt in de startfase van deze fondsen (een periode van drie maanden) een soepele opstelling in met betrekking tot de vereisten.
7.1.1. Ingroeiregeling
Fondsen die behoefte hebben aan een langere aanloopperiode dan drie maanden kunnen kiezen voor een ingroeiregeling. Die regeling houdt het volgende in.
Een fonds kan kiezen voor een ingroeiregeling omdat voorzien wordt dat een periode van drie maanden te kort is om te voldoen aan het 70%-vereiste.
Hiertoe moet een fonds een ‘ingroeiplan’ overleggen. Dit ingroeiplan – dat in ieder afzonderlijk geval vóór de oprichting van het sociaal-ethisch fonds moet zijn goedgekeurd – komt er ruwweg op neer dat een fonds als sociaal-ethisch fonds kan worden aangemerkt onder de volgende voorwaarden:
binnen drie maanden na oprichting van het fonds dient een substantieel deel van het vermogen reeds te zijn belegd in sociaal-ethische projecten;
binnen een tijdsbestek van 2 jaren vanaf het moment van oprichting dient vervolgens aan de hand van een ingroeischema ten minste 70% van het vermogen te zijn aangewend ten behoeve van sociaal-ethische projecten;
het fonds draagt aan de fiscus via een lumpsum (zie 7.1.2 hierna) het belastingbedrag af ten aanzien van het ‘niet-sociaal-ethische’-vermogen in de periode van maximaal 2 jaren vanaf het moment van oprichting. Een uitzondering geldt hier voor het aan de sociaal-ethische beleggingen gerelateerde 30% niet-sociaal-ethische vermogen;
blijkt na ommekomst van 2 jaren dat niet voldaan wordt aan de 70%-grens dan dient alsnog, dat wil zeggen ook ten aanzien van de eerder onder het maatschappelijke beleggen vrijgestelde vermogen, de volledig verschuldigde heffing door het fonds te worden voldaan.
Instellingen die van de ingroeiregeling gebruik willen maken dienen zich te wenden tot het Ministerie van Financiën.
7.1.2. Lumpsum
Als een fonds kiest voor een ingroeiregeling dan draagt het fonds aan de fiscus via een lumpsum het belastingbedrag af over het ‘niet-sociaal-ethische’ vermogen uit de aanloopperiode. Bij de berekening van de lumpsum hanteer ik de volgende uitgangspunten die tot doel hebben de ingroeiperiode, in overeenstemming met de ratio van het maatschappelijke beleggen, zo kort mogelijk te houden.
1. Ingangsdatum lumpsum
De periode waarover de lumpsum wordt berekend vangt voor het fonds aan op de datum waarop ingevolge de statuten of de prospectus de gelden van de particuliere beleggers moeten worden gestort bij het fonds. Dit brengt mee dat de niet-sociaal-ethische beleggingen in de zogenoemde drie-maandsperiode ook in de lumpsumberekening worden meegenomen.
2. De achtergrond voor het berekenen van de lumpsum
Als grondslag voor de bepaling van de hoogte van de lumpsum geldt het zogenoemde niet-sociaal-ethische vermogen. Dit vermogen bestaat uit het verschil tussen de aangetrokken middelen van particuliere beleggers en de sociaal-ethische beleggingen (vermeerderd met de 30%-marge).
Voor dit in niet-sociaal-ethische beleggingen belegde vermogen kan de particuliere belegger in beginsel ook de vrijstelling sociaal-ethische beleggingen toepassen, terwijl dit eigenlijk niet de bedoeling van de regeling is. Om de particuliere belegger niet te confronteren met de keuze van het fonds om de ingroeiregeling toe te passen, wordt aan het fonds een lumpsum in rekening gebracht.
3. Tijdstip sociaal-ethisch beleggen
Het geld van de particuliere beleggers is sociaal-ethisch belegd op het moment dat het fonds het geld daadwerkelijk heeft overgemaakt aan het project. Tot dat moment wordt de lumpsum berekend. Dit moment kan overigens niet liggen vóór de datum van de aanwijzing als sociaal-ethisch project. Niet relevant acht ik de datum waarop de verklaring voor het project is afgegeven of de datum waarop de verplichtingen door het fonds zijn aangegaan. In gevallen waarin de onmogelijkheid om het geld aan het project over te maken te wijten is aan omstandigheden buiten de invloed van het fonds kan het fonds de inspecteur verzoeken een ander tijdstip dan het hiervoor genoemde te hanteren. Als tijdstip waarop het geld als sociaal-ethisch belegd wordt aangemerkt, geldt dan het tijdstip waarop de aanwijzing als sociaal-ethisch project is afgegeven en de financiering van het project door het desbetreffende fonds definitief vaststaat.
4. Hoogte tarief
Voor het tarief dat wordt gehanteerd bij de lumpsumberekening wordt aangesloten bij het tarief dat is opgenomen in artikel 23b van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969. Het tarief bedraagt dus 0,2% van het niet-sociaal-ethische vermogen van het fonds.
5. Wijze van berekening
De lumpsum wordt van maand tot maand berekend. Per maand wordt als niet-sociaal-ethisch vermogen aangemerkt het gemiddelde van het niet-sociaal-ethische vermogen als bedoeld onder 3 hiervoor aan het begin van de maand en aan het einde van de maand. De afdracht van de lumpsum dient binnen 1 maand na afloop van ieder kwartaal van het fonds te geschieden.
De inspecteur wordt hierbij aangewezen om de hoogte van de lumpsum vast te stellen.
Afwijkende lumpsumregeling van 1 januari 2004 tot en met 31 december 2005
Aan de Tweede Kamer is toegezegd dat, indien na twee jaar blijkt dat het hoofdzakelijkheidscriterium niet haalbaar is vanwege een onacceptabel laag rendement, er een heroverweging van het hoofdzakelijkheidscriterium zal plaatsvinden. Gedurende deze tweejaarsperiode zijn de sociaal-ethische fondsen geen lumpsumheffing verschuldigd over het vermogen dat wel grotendeels sociaal-ethisch is belegd maar niet hoofdzakelijk. Onder ‘grotendeels’ wordt verstaan: ten minste 50%.
Bij het bepalen van de hoogte van de lumpsum dient met deze toezegging rekening te worden gehouden.
7.2. Afbakening van de pré-sociaal-ethische periode (voorwaarde 2)
Bezittingen in een bestaande instelling met winsten uit de pré-sociaal-ethische periode mogen niet onder de noemer van 5.15 van de Wet, worden vrijgesteld. In artikel 29, derde lid, URIB 2001, is daarom bepaald dat in een bestaande instelling geen zuivere winst aanwezig mag zijn. Voorafgaand aan de sociaal-ethische periode dient de bestaande instelling daarom alle fiscale en stille reserves tot de winst te rekenen en in de heffing van vennootschapsbelasting te betrekken. Voorwaarde 2 bepaalt daartoe dat de instelling ter afsluiting van de pré-sociaal-ethische periode een balans opstelt waarbij de bezittingen en schulden te boek worden gesteld voor de waarde welke daaraan in het economische verkeer kan worden toegekend alsmede dat de fiscale reserves aan de winst worden toegevoegd. Vervolgens zal de instelling de zuivere winst aan haar aandeelhouders c.q. deelgerechtigden op grond van artikel 29, derde lid, van de URIB, dienen uit te keren. De tijdens de overgangsfase behaalde resultaten vallen echter niet onder deze uitdelingsverplichting. Ik verwijs daartoe naar hetgeen hiervóór is opgemerkt in onderdeel 5.2.2.
De inspecteur stelt de hoogte van de zuivere winst bij een voor bezwaar vatbare beschikking vast. Dit gebeurt in de aanwijzingsbeschikking.
7.3. Verliesverrekening: carry-back van sociaal-ethische verliezen (voorwaarde 3)
Zoals hiervóór is aangegeven houdt de faciliteit van artikel 5.15 van de Wet in dat slechts de bezittingen tijdens de sociaal-ethische periode zijn vrijgesteld. Op grond hiervan is het niet mogelijk dat verliezen welke zijn behaald tijdens de sociaal-ethische periode worden verrekend met winsten behaald in de pré-sociaal-ethische periode. Door een dergelijke verrekening zouden immers op indirecte wijze toch voordelen – te weten bedragen aan terugontvangen vennootschapsbelasting – die niets te maken hebben met de resultaten op sociaal-ethische projecten, aan de beleggers onbelast kunnen worden uitgekeerd. In dit kader kan worden gedacht aan verrekening van dergelijke sociaal-ethische verliezen met voorafgaande jaren alsmede aan een verrekening binnen het eerste jaar dat de instelling is aangewezen.
In voorwaarde 3 is daarom bepaald dat achterwaartse verliesverrekening van tijdens de sociaal-ethische periode geleden verliezen met in de pré-sociaal-ethische periode gerealiseerde winsten niet mogelijk is.
Indien een instelling in de loop van een jaar wordt aangewezen als sociaal-ethische instelling, is de situatie denkbaar dat in de sociaal-ethische periode van dat jaar negatieve resultaten zijn behaald en dat positieve resultaten zijn behaald in de pré-sociaal-ethische periode van dat jaar. In de lijn van het voorgaande zou een saldering van deze resultaten moeten worden uitgesloten. Het niet toestaan van een dergelijke saldering stuit echter op zodanige uitvoeringstechnische bezwaren dat om praktische redenen is afgezien van een salderingsverbod. Achterwaartse verliesverrekening van verliezen uit latere jaren met het eerste sociaal-ethische boekjaar is niet toegestaan ingeval de winst uit dat eerste sociaal-ethische jaar deels bestaat uit pré-sociaal-ethische resultaten.
7.4. Informatieverstrekking (voorwaarden 4 en 5)
Bij de informatieverstrekking aan de inspecteur is – waar mogelijk – aansluiting gezocht bij de rapportage-verplichting die de instelling heeft jegens De Nederlandsche Bank in het kader van het toezicht ingevolge de Wtk of de Wtb. Het fonds kan ten behoeve van de inspecteur zijn periodieke rapportage die hij maakt voor De Nederlandsche Bank aanvullen met een overzicht van de verstrekte kredieten ten behoeve van en de beleggingen in kwalificerende projecten. Heeft men kredieten verstrekt ten behoeve van dan wel vermogen belegd in een nieuw c.q. ander project dan dient vanzelfsprekend een kopie van de desbetreffende beschikking van de Minister van Ontwikkelingssamenwerking te worden overgelegd (voorwaarde 5).
Deze kopie kan tezamen met de kwartaalrapportage worden meegezonden. De vermelding van de waarde van de verstrekte kredieten ten behoeve van dan wel de beleggingen in ieder project biedt de inspecteur de informatie voor de toetsing van de eerste standaardvoorwaarde.
De periodieke rapportage vindt één maal per drie maanden plaats (waaronder de jaarcijfers en de half-jaarcijfers). Hierbij wordt – met uitzondering van de jaarcijfers – een termijn van indiening van twee maanden na afloop van het betreffende kwartaal gehanteerd.
Binnen vier maanden na afloop van ieder boekjaar dient het fonds, bij zowel de inspecteur als de inspecteur onder wie de instelling ressorteert voor de heffing en invordering van rijksbelastingen, de definitieve fiscale en commerciële jaarstukken in alsmede een overzicht van de kredieten ten behoeve van dan wel de beleggingen in de onderscheidenlijke projecten. Gelet op het belang van een snelle toetsing door de inspecteur heb ik gekozen voor de voornoemde termijn welke in overeenstemming is met de termijn van artikel 20 van het Besluit toezicht beleggingsinstellingen.
De genoemde verplichtingen hebben ten doel dat de inspecteur zo snel mogelijk over de relevante informatie beschikt op grond waarvan hij kan beoordelen of het wenselijk is dat een boekenonderzoek wordt ingesteld. Aldus wordt zo veel mogelijk in de actualiteit gewerkt en wordt voorkomen dat pas na geruime tijd wordt geconstateerd dat er geen sprake meer is van een sociaal-ethisch fonds.
8. Ingangsdatum besluit
Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2004.