Rechtenmedia.nl - Juridische Online Uitgeverij  Rechtennieuws.nl | Jure.nl | Maxius.nl | Parlis.nl | Rechtenforum.nl | JBmatch.nl | MijnWetten.nl | AdvocatenZoeken.nl | Rechtentotaal.nl
Rijkswet Gemeenschappelijk Hof van Justitie
Bwb-id:
Officiele titel:
Citeertitel:
Soort regeling:
Wetsfamilies:
Eerst verantwoordelijk ministerie:

Geldigheidsdatum:
Ingangsdatum:
Inhoudsopgave
+ Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen
+ Hoofdstuk 2. Inrichting en taakverdeling
+ Hoofdstuk 3. De rechtspositie van rechters
+ Hoofdstuk 4. Het bestuur van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie
+ Hoofdstuk 5. De Beheerraad
+ Hoofdstuk 6. De bekostiging van de rechterlijke organisatie
+ Hoofdstuk 7. Slot- en overgangsbepalingen
Vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature

Juridisch advies nodig?
Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag
Parlement
Documenten bij de totstandkoming van (deze versie van) de wet.

Geschiedenis

Geschiedenis-overzicht

Rijkswet Gemeenschappelijk Hof van Justitie

Rijkswet van 7 juli 2010, houdende regeling van taken en bevoegdheden van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba (Rijkswet Gemeenschappelijk Hof van Justitie)
Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat de regeringen van de landen van het Koninkrijk en de bestuurscolleges van Curaçao en Sint Maarten binnen het Koninkrijk willen samenwerken door inrichting van één rechterlijke organisatie voor Aruba, Curaçao, Sint Maarten en voor Bonaire, Sint Eustatius en Saba, dat zij deze samenwerking onderling willen regelen in een rijkswet op grond van artikel 38, tweede lid, van het Statuut voor het Koninkrijk en dat de regeringen van de landen van het Koninkrijk en de bestuurscolleges van Curaçao en Sint Maarten instemmen met de inhoud van deze regeling;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State van het Koninkrijk gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, de bepalingen van het Statuut voor het Koninkrijk in acht genomen zijnde, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:
Artikel 1
In deze rijkswet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
a. algemene maatregel van rijksbestuur: algemene maatregel van rijksbestuur in de zin van artikel 38, tweede lid, van het Statuut;
b. bestuur van het Hof: bestuur als bedoeld in artikel 40, eerste lid;
c. hofvergadering: hofvergadering als bedoeld in artikel 16, eerste lid;
d. Beheerraad: Beheerraad als bedoeld in artikel 50, eerste lid;
e. Hof : Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba als bedoeld in artikel 15, eerste lid;
f. Gerechten in eerste aanleg: Gerecht in eerste aanleg van Aruba, Gerecht in eerste aanleg van Curaçao, Gerecht in eerste aanleg van Sint Maarten of Gerecht in eerste aanleg van Bonaire, Sint Eustatius en Saba;
g. gerechtsambtenaren: personen op basis van een aanstelling werkzaam bij het Hof, niet met rechtspraak belast en niet zijnde rechterlijke ambtenaar in opleiding, directeur bedrijfsvoering of buitengriffier;
h. Hoge Raad: Hoge Raad der Nederlanden;
i. landen: Aruba, Curaçao, Sint Maarten en Nederland, voor zover betrekking hebbende op Bonaire, Sint Eustatius en Saba;
j. Onze Ministers: Onze Minister van Justitie van Aruba, Onze Minister van Justitie van Curaçao, Onze Minister van Justitie van Sint Maarten en Onze Minister van Justitie van Nederland;
k. rechter: lid of plaatsvervangend lid van het Hof of rechter-plaatsvervanger in eerste aanleg;
l. Statuut: Statuut voor het Koninkrijk.
1.
De tot de rechterlijke macht in de landen behorende gerechten zijn:
a. de Gerechten in eerste aanleg;
b. het Hof.
2.
Elke tussenkomst in rechtszaken is verboden.
Artikel 3
Er wordt in de landen recht gesproken in naam van de Koning.
1.
Aan de rechterlijke macht is opgedragen:
a. de berechting van geschillen over burgerlijke zaken;
b. de berechting van strafbare feiten.
2.
Aan de rechterlijke macht is voorts opgedragen de berechting van geschillen over bestuursrechtelijke zaken, tenzij bij landsverordening of wet de kennisneming van bestuursrechtelijke zaken is opgedragen aan bijzondere rechtscolleges waarin mede een of meer leden van het Hof zitting hebben.
1.
Tenzij bij landsverordening of wet anders is bepaald zijn de zittingen, op straffe van nietigheid, openbaar.
2.
Om gewichtige redenen kan het onderzoek ter zitting geheel of gedeeltelijk plaatsvinden met gesloten deuren. In het proces-verbaal van de zitting worden de redenen vermeld.
3.
Op straffe van nietigheid worden uitspraken in het openbaar gedaan en bevatten zij de gronden waarop zij steunen.
4.
Op straffe van nietigheid worden uitspraken gedaan met het bij landsverordening of wet bepaalde aantal rechters.
5.
Indien bij landsverordening of wet is bepaald dat ook anderen dan rechters deelnemen aan meervoudige rechtspraak, zijn de beslissingen van de desbetreffende rechterlijke instantie nietig, indien deze beslissingen niet zijn genomen met het in die landsverordening of wet bepaalde aantal personen, niet zijnde rechter.
Artikel 6
Geen rechter of rechterlijke ambtenaar in opleiding mag zich op enige wijze inlaten met partijen, haar advocaten of gemachtigden, leden van het openbaar ministerie en verdachten, over voor hem aanhangige zaken of zaken waarvan hij weet of vermoedt dat zij voor hem aanhangig zullen worden.
Artikel 6b
Rechters, rechterlijke ambtenaren in opleiding, gerechtsambtenaren, buitengriffiers en de directeur bedrijfsvoering zijn verplicht tot geheimhouding van de gegevens waarover zij bij de uitoefening van hun taak de beschikking krijgen en waarvan zij het vertrouwelijk karakter kennen of redelijkerwijs moeten vermoeden, behoudens zover enig wettelijk voorschrift tot mededeling verplicht of uit hun taak de noodzaak tot mededeling voortvloeit.
Artikel 7
Het Hof, de Gerechten in eerste aanleg en rechterlijke colleges in Nederland zijn onderling verplicht gevolg te geven aan verzoeken om rechtshulp.
Artikel 8
De leden en plaatsvervangend leden van het Hof en de rechters-plaatsvervanger in eerste aanleg zijn met rechtspraak belast.
Artikel 9
Het Hof en de Gerechten in eerste aanleg doen uitspraak in het Nederlands. Overigens zijn de voertalen bij het Hof en de Gerechten in eerste aanleg Engels, Nederlands en Papiaments.
1.
Er is een Gerecht in eerste aanleg van Aruba, een Gerecht in eerste aanleg van Curaçao, een Gerecht in eerste aanleg van Sint Maarten en een Gerecht in eerste aanleg van Bonaire, Sint Eustatius en Saba.
2.
Het Gerecht in eerste aanleg van Aruba, Curaçao onderscheidenlijk Sint Maarten is gevestigd in en houdt zitting op Aruba, Curaçao onderscheidenlijk Sint Maarten. Het Gerecht in eerste aanleg van Bonaire, Sint Eustatius en Saba houdt zitting op elk van deze eilanden.
3.
Het bestuur van het Hof kan in bijzondere gevallen bepalen dat in afwijking van het tweede lid de onderscheiden Gerechten in eerste aanleg zitting houden in één van de andere landen.
4.
Als rechter in eerste aanleg treden op de leden en plaatsvervangend leden van het Hof, alsmede de rechters-plaatsvervanger in eerste aanleg. Zij zijn bevoegd als zodanig op te treden in alle Gerechten in eerste aanleg.
1.
De Gerechten in eerste aanleg nemen, behoudens hoger beroep, kennis van alle burgerlijke zaken en alle strafzaken waarvan de kennisneming in eerste aanleg niet bij wet of landsverordening aan het Hof is opgedragen.
2.
De Gerechten in eerste aanleg nemen in strafzaken ook kennis van de vordering tot vergoeding van de kosten en schade ten behoeve van de benadeelde partij.
3.
De Gerechten in eerste aanleg nemen, behoudens hoger beroep, kennis van alle bestuursrechtelijke zaken, tenzij kennisneming daarvan bij landsverordening of wet aan een bijzonder rechtscollege als bedoeld in artikel 4, tweede lid, of aan het Hof is opgedragen.
4.
Bij landsverordening of wet kan worden bepaald dat één of meer anderen dan rechters mede zitting hebben in de Gerechten in eerste aanleg.
1.
De Gerechten in eerste aanleg behandelen en beslissen zaken in enkelvoudige kamer, tenzij bij landsverordening of wet behandeling door een meervoudige kamer is voorgeschreven.
2.
De meervoudige kamer bestaat, tenzij bij landsverordening of wet anders is bepaald, uit drie rechters van wie een als voorzitter optreedt. Indien ook anderen dan rechters deel uitmaken van een meervoudige kamer, treedt een rechter op als voorzitter.
3.
De rechterlijke werkzaamheden worden door het bestuur van het Hof verdeeld onder de leden en de plaatsvervangende leden en de rechters-plaatsvervanger in eerste aanleg.
4.
Degene die een functie vervult waardoor afbreuk zou kunnen worden gedaan aan zijn onpartijdigheid in een bepaalde zaak, werkt niet als rechter mee aan de beslissing in die zaak.
5.
Het bestuur van het Hof kan bepalen dat in een zaak een of meer rechters zich met het oog op mogelijke vervanging gereed houden in het belang van het onderzoek dan wel indien de zitting langer dan een dag zal duren. Deze rechters zijn bij de behandeling van die zaak aanwezig, maar nemen aan het onderzoek in en de beraadslaging en beslissing over die zaak niet deel, tenzij zij op verzoek van het bestuur in de plaats treden van de te vervangen rechter.
1.
Indien besluitvorming in meervoudige kamer plaatsvindt, dan doet de voorzitter van die kamer in raadkamer hoofdelijk omvraag. De voorzitter geeft als laatste zijn oordeel.
2.
Ieder lid van de meervoudige kamer is verplicht aan de besluitvorming in raadkamer deel te nemen.
3.
Rechters, gerechtsambtenaren, rechterlijke ambtenaren in opleiding, buitengriffiers en anderen als bedoeld in artikel 11, vierde lid, in raadkamer aanwezig, zijn tot geheimhouding verplicht van gevoelens die in de raadkamer zijn geuit.
1.
Partijen kunnen in geschillen over zaken die ter vrije bepaling van partijen staan de beslissing opdragen aan een Gerecht in eerste aanleg naar keuze van partijen.
2.
Het Gerecht in eerste aanleg is verplicht aan die opdracht te voldoen.
3.
Partijen kunnen in geschillen over zaken die ter vrije bepaling van partijen staan afstand doen van het recht om van de uitspraken van het Gerecht in eerste aanleg hoger beroep in te stellen.
1.
Er is een Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba.
2.
Het Hof bezit rechtspersoonlijkheid. De Gerechten in eerste aanleg behoren tot de rechtspersoon Hof.
3.
Het Hof zetelt in elk van de landen. Het Hof houdt zitting in Aruba, Curaçao en Sint Maarten. Het Hof kan zitting houden op Bonaire, Sint Eustatius en Saba.
1.
De leden van het Hof vormen tezamen de hofvergadering.
2.
De president is voorzitter van de hofvergadering.
3.
Derden kunnen op uitnodiging van de hofvergadering deelnemen aan de vergadering. Zij hebben geen stemrecht.
1.
Het Hof oordeelt in hoger beroep over daarvoor vatbare uitspraken van de Gerechten in eerste aanleg van de landen.
2.
Het Hof treedt op als rechter in eerste aanleg in de gevallen bij landsverordening of wet bepaald.
3.
Het Hof of de leden vervullen voorts de hun bij landsverordening of wet opgedragen taken.
4.
Op straffe van nietigheid nemen de rechters die in eerste aanleg van een zaak kennis hebben genomen niet deel aan de behandeling van die zaak door het Hof.
5.
De rechters-plaatsvervanger in eerste aanleg zijn niet bevoegd in het Hof.
1.
Het Hof behandelt en beslist zaken in meervoudige kamer, tenzij bij landsverordening of wet behandeling in enkelvoudige kamer is toegestaan.
3.
Artikel 11, vierde lid, en artikel 12, derde lid, zijn van overeenkomstige toepassing.
Artikel 19
Het Hof houdt toezicht op een behoorlijke vervolging van strafbare feiten.
Artikel 20
Het Hof neemt kennis van alle jurisdictiegeschillen, die bij of tussen de Gerechten in eerste aanleg zijn ontstaan.
Artikel 21
Partijen kunnen in geschillen over zaken die ter vrije bepaling van partijen staan de beslissing bij prorogatie ter kennis brengen van het Hof.
1.
Het bestuur van het Hof en de Beheerraad dragen zorg voor de inrichting van een griffie ten behoeve van het Hof en de Gerechten in eerste aanleg. De griffie heeft een vestiging in elk van de landen met aan het hoofd daarvan een vestigingsgriffier.
2.
Stukken en zaken ten behoeve van het Hof en de Gerechten in eerste aanleg kunnen worden ingediend bij alle vestigingen van de griffie, tenzij bij landsverordening of wet anders is bepaald.
3.
Het bestuur van het Hof stelt de vestigingsgriffiers in de gelegenheid de belangen van hun vestiging te behartigen. Het bestuur nodigt hen daartoe uit voor de vergaderingen van het bestuur, behoudens in gevallen waarin het bestuur hun aanwezigheid niet dienstig acht.
4.
Een daartoe door het bestuur van het Hof aangewezen lid van het bestuur voert regelmatig overleg met de vestigingsgriffiers.
5.
De daartoe door het bestuur van het Hof aangewezen gerechtsambtenaren en rechterlijke ambtenaren in opleiding verrichten de werkzaamheden die bij of krachtens landsverordening of wet aan de griffier zijn opgedragen.
6.
Het bestuur van het Hof kan buitengriffiers oproepen voor het verrichten van werkzaamheden die bij of krachtens landsverordening of wet aan de griffier zijn opgedragen. Alvorens voor de eerste keer te worden opgeroepen leggen zij ten overstaan van de president van het Hof of diens plaatsvervanger de in artikel 28 bedoelde eed of belofte af.
7.
Indien een gerechtsambtenaar, rechterlijk ambtenaar in opleiding of buitengriffier werkzaamheden die bij of krachtens landsverordening of wet aan de griffier zijn opgedragen verricht ter ondersteuning van een rechter, is hij verplicht te voldoen aan de aanwijzingen van deze.
1.
De leden en plaatsvervangend leden van het Hof worden bij koninklijk besluit voor het leven benoemd bij het Hof. De voordracht vindt plaats op voorstel van Onze Ministers gezamenlijk.
2.
Wanneer een functie van lid of plaatsvervangend lid van het Hof moet worden vervuld, zendt het bestuur van het Hof een bij meerderheid van stemmen door de hofvergadering opgemaakte schriftelijke aanbeveling aan Onze Ministers. Indien de aanbeveling ziet op de functie van lid, bevat zij de namen van zo mogelijk drie kandidaten.
3.
Onze Ministers nemen bij het doen van hun voorstel voor benoeming van een lid of plaatsvervangend lid de aanbeveling van het Hof zoveel mogelijk in acht.
4.
Indien Onze Ministers voornemens zijn af te wijken van de aanbeveling van het Hof, winnen zij daaromtrent het gevoelen van het Hof in. Het gevoelen van het Hof en de aanbeveling van het Hof worden bij het voorstel van Onze Ministers gevoegd. Zij motiveren waarom zij zijn afgeweken van de aanbeveling van het Hof.
1.
Tot lid of plaatsvervangend lid van het Hof kan worden benoemd degene:
a. aan wie op grond van het met goed gevolg afleggen van een afsluitend examen van een opleiding in het wetenschappelijk onderwijs op het gebied van het recht door een bij algemene maatregel van rijksbestuur aan te wijzen universiteit, de graad Bachelor op het gebied van het recht en tevens de graad Master op het gebied van het recht is verleend;
b. die op grond van het met goed gevolg afleggen van een afsluitend examen van een opleiding op het gebied van het recht aan een bij algemene maatregel van rijksbestuur aan te wijzen universiteit, het recht om de titel meester te voeren heeft verkregen.
2.
Bij algemene maatregel van rijksbestuur kunnen graden verleend door een universiteit of een hogeschool of daaraan gelijkwaardige getuigschriften worden aangewezen die voor de toepasselijkheid van het eerste lid, onder a, gelijk worden gesteld aan de in dat lid bedoelde graad Bachelor op het gebied van het recht.
3.
Tot lid of plaatsvervangend lid van het Hof kunnen alleen Nederlanders worden benoemd.
1.
De rechters-plaatsvervanger in eerste aanleg worden bij koninklijk besluit voor het leven benoemd bij het Hof. De voordracht vindt plaats op voorstel van Onze Ministers gezamenlijk. Aan het voorstel van Onze Ministers ligt een voorstel ten grondslag van het bestuur van het Hof met instemming van de hofvergadering.
2.
Artikel 24, derde lid is van overeenkomstige toepassing.
3.
Bij voorkeur worden alleen rechters-plaatsvervanger in eerste aanleg benoemd die voldoen aan de vereisten van artikel 24, eerste en tweede lid. Indien het Hof een voorstel voor benoeming van een rechter-plaatsvervanger in eerste aanleg doet die niet voldoet aan deze vereisten, dan motiveert het Hof waarom betrokkene toch geschikt is voor benoeming.
1.
Een lid van het Hof kan niet tevens zijn:
a. Gouverneur;
b. minister of staatssecretaris;
c. lid van de vertegenwoordigende lichamen van Aruba, Curaçao of Sint Maarten, van de Staten-Generaal of van een eilandsraad;
d. rijksvertegenwoordiger, gezaghebber of eilandsgedeputeerde;
e. lid van de Beheerraad;
f. lid van de Raad van Advies van Aruba, Curaçao of Sint Maarten of van de Raad van State van het Koninkrijk;
g. lid van de Algemene of Nationale Rekenkamer van een land;
h. nationale of eilandelijke ombudsman of substituut-ombudsman,
i. ambtenaar bij een ministerie of een eiland, alsmede de daaronder ressorterende instellingen, diensten en bedrijven;
j. advocaat, notaris of andere beroepsmatige rechtshulpverlener.
2.
Het eerste lid is van toepassing op plaatsvervangend leden van het Hof en rechters-plaatsvervanger in eerste aanleg met uitzondering van de onderdelen i en j en onderdeel f voor zover het betreft het lidmaatschap van de Raad van State van het Koninkrijk.
3.
Een rechter geeft het bestuur van het Hof kennis van de betrekkingen die hij buiten zijn ambt vervult. Zo mogelijk geschiedt de kennisgeving zodra het voornemen bestaat tot het aangaan van de betrekking.
4.
Het bestuur van het Hof houdt een register bij waarin de in het derde lid bedoelde betrekkingen zijn opgenomen. Het register ligt ter inzage bij het Hof en de gerechten in eerste aanleg.
1.
Echtgenoten, bloedverwanten of aanverwanten tot in de derde graad mogen niet tegelijkertijd rechter zijn.
2.
Indien rechters met elkaar huwen, zal de jongstbenoemde geen rechter kunnen blijven.
3.
Indien de aanverwantschap ontstaat na de benoeming, zal degene die haar veroorzaakte, zijn ambt niet kunnen behouden, tenzij bij koninklijk besluit ontheffing is verleend.
4.
Het aanverwantschap houdt op te bestaan door ontbinding van het huwelijk dat het veroorzaakte.
5.
Degene die ingevolge het tweede en derde lid zijn ambt niet kan behouden, dient zijn ontslag in.
6.
Het bestuur van het Hof draagt er zorg voor dat aanverwanten aan wie ontheffing is verleend als bedoeld in het derde lid, niet worden belast met de behandeling van dezelfde zaak.
1.
Een rechter legt voorafgaand aan de datum van indiensttreding de eed of belofte af volgens het formulier zoals vastgesteld in de bijlage bij deze rijkswet.
2.
De eedsaflegging van de rechters geschiedt ten overstaan van de Gouverneur van Aruba, Curaçao of Sint Maarten of een door één van hen aangewezen ambtenaar.
1.
Een rechter wordt door de Hoge Raad geschorst indien hij:
a. zich in voorlopige hechtenis bevindt;
b. bij een nog niet onherroepelijk geworden rechterlijke uitspraak wegens een misdrijf is veroordeeld dan wel hem bij een dergelijke uitspraak een maatregel is opgelegd die vrijheidsbeneming tot gevolg heeft;
c. bij een nog niet onherroepelijk geworden rechterlijke uitspraak onder curatele is gesteld, in staat van faillissement is verklaard, ten aanzien van hem de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen van toepassing is verklaard, hij surséance van betaling heeft gekregen, dan wel wegens schulden is gegijzeld.
2.
Een rechter kan door de Hoge Raad worden geschorst indien:
a. tegen hem een gerechtelijk vooronderzoek ter zake van een misdrijf is ingesteld;
b. er een ander ernstig vermoeden is voor het bestaan van feiten of omstandigheden die tot ontslag, anders dan op grond van artikel 30, eerste of tweede lid, of artikel 31 zouden kunnen leiden.
3.
De schorsing, bedoeld in de voorgaande leden, eindigt na drie maanden. De Hoge Raad kan de maatregel telkens voor ten hoogste drie maanden verlengen.
4.
De Hoge Raad beëindigt de schorsing zodra de grond voor deze maatregel is vervallen.
5.
De Hoge Raad kan bij de beslissing, waarbij de rechter wordt geschorst, bepalen dat tijdens de duur van de schorsing geen inkomsten uit deze dienstbetrekking zullen worden genoten of slechts een daarbij te bepalen gedeelte van deze inkomsten zal worden genoten.
6.
Indien de schorsing anders dan door ontslag eindigt, kan de Hoge Raad beslissen dat het niet genoten salaris geheel of voor een daarbij te bepalen gedeelte alsnog zal worden uitbetaald.
1.
Een rechter wordt op eigen verzoek bij koninklijk besluit ontslagen.
2.
Een lid van het Hof wordt met ingang van de eerste dag van de maand volgende op die waarin hij de leeftijd van zeventig jaar heeft bereikt bij koninklijk besluit ontslagen.
3.
Een rechter wordt door de Hoge Raad ontslagen:
a. indien hij een ambt of betrekking aanvaardt die onderscheidenlijk dat volgens deze rijkswet onverenigbaar is met het door hem beklede ambt;
b. indien hij het Nederlanderschap verliest;
c. bij gebleken ongeschiktheid voor zijn functie, anders dan wegens ziekte.
1.
Een rechter kan, wanneer hij wegens ziekte blijvend ongeschikt is om zijn functie te vervullen, door de Hoge Raad worden ontslagen.
2.
In afwijking van het eerste lid kan het ontslag, indien de bij algemene maatregel van rijksbestuur vastgestelde voorwaarden zijn vervuld en de betrokken rechter daarom verzoekt, worden verleend bij koninklijk besluit. Voor de rechtsgevolgen wordt dit ontslag gelijkgesteld met een door de Hoge Raad overeenkomstig het eerste lid verleend ontslag.
Artikel 32
Een rechter kan door de Hoge Raad worden ontslagen:
a. indien hij bij onherroepelijk geworden rechterlijke uitspraak wegens een misdrijf is veroordeeld, dan wel hem bij zulk een uitspraak een maatregel is opgelegd die vrijheidsbeneming tot gevolg heeft;
b. indien hij bij onherroepelijk geworden rechterlijke uitspraak onder curatele is gesteld, in staat van faillissement is verklaard, ten aanzien van hem de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen van toepassing is verklaard, surséance van betaling heeft verkregen of wegens schulden is gegijzeld;
c. wegens handelen of nalaten, dat ernstig nadeel toebrengt aan de goede gang van zaken bij de rechtspraak of aan het in haar te stellen vertrouwen;
d. na eerder wegens gelijke overtreding te zijn gewaarschuwd, de bepalingen overtreedt waarbij hem:
1°. een woonplaats wordt aangewezen;
2°. verboden wordt zich in enig onderhoud of gesprek in te laten met partijen of haar advocaten of gemachtigden, of enige bijzondere inlichting of schriftelijk stuk van hen aan te nemen;
3°. de verplichting wordt opgelegd een geheim te bewaren;
4°. de verplichting wordt opgelegd zijn ontslag in te dienen op grond van artikel 27, vijfde lid.
1.
De Hoge Raad neemt de in dit hoofdstuk bedoelde beslissingen op vordering van de procureur-generaal bij de Hoge Raad. Over beëindiging van de schorsing, bedoeld in artikel 29, vierde lid, beslist de Hoge Raad op vordering van de procureur-generaal bij de Hoge Raad dan wel op verzoek van de betrokken rechter.
2.
De procureurs-generaal van de landen verstrekken op verzoek van de procureur-generaal bij de Hoge Raad stukken die betrekking hebben op de vervolging of veroordeling van een rechter.
3.
De vordering van de procureur-generaal bij de Hoge Raad geschiedt ambtshalve dan wel naar aanleiding van een met redenen omkleed verzoek van de president van het Hof.
4.
De procureur-generaal bij de Hoge Raad vordert het ontslag of de schorsing niet dan nadat hij de betrokken rechter in de gelegenheid heeft gesteld om zijn zienswijze mondeling of schriftelijk naar voren te brengen. Van het mondeling naar voren brengen van de zienswijze wordt een proces-verbaal opgemaakt dat door de betrokken rechter en de procureur-generaal wordt ondertekend. Weigert de rechter het proces-verbaal te ondertekenen, dan wordt daarvan in het proces-verbaal, zo mogelijk met vermelding van de redenen, melding gemaakt. Aan de betrokken rechter wordt een afschrift van het proces-verbaal verstrekt.
5.
Op verzoek van de procureur-generaal bij de Hoge Raad kan de mondelinge zienswijze, bedoeld in het vierde lid naar voren worden gebracht ten overstaan van de president van het Hof of de procureur-generaal van een van de landen. De tweede, derde en vierde volzin van het vierde lid zijn van overeenkomstige toepassing. Degene ten overstaan van wie de zienswijze naar voren is gebracht zendt het proces-verbaal zo spoedig mogelijk aan de procureur-generaal bij de Hoge Raad.
6.
De vordering wordt door de procureur-generaal bij de Hoge Raad schriftelijk en gemotiveerd ingesteld. Bij de vordering wordt in elk geval de zienswijze, bedoeld in het vierde lid, gevoegd.
1.
Het onderzoek door de Hoge Raad geschiedt in raadkamer.
2.
De Hoge Raad zendt een afschrift van de ingestelde vordering en de daarbij gevoegde stukken aan de betrokken rechter.
3.
De Hoge Raad kan, hetzij op verzoek van de procureur-generaal bij de Hoge Raad of van de betrokken rechter, hetzij ambtshalve getuigen horen en een bericht of een verhoor van deskundigen bevelen. De Hoge Raad hoort het betrokken lid of plaatsvervangend lid op diens verzoek.
4.
De Hoge Raad kan het horen van de betrokken rechter of het horen van een getuige of deskundige, bedoeld in het derde lid, opdragen aan de president van het Hof. Van het horen door de president wordt een proces-verbaal opgemaakt dat door degene die is gehoord en de president wordt ondertekend. Weigert degene die is gehoord te ondertekenen, dan wordt daarvan in het proces-verbaal, zo mogelijk met vermelding van de redenen, melding gemaakt. Aan degene die is gehoord wordt een afschrift van het proces-verbaal verstrekt. De president zendt het proces-verbaal zo spoedig mogelijk aan de Hoge Raad.
5.
De Hoge Raad beslist bij met redenen omkleed arrest. De uitspraak geschiedt in het openbaar.
6.
De Hoge Raad doet aan de president van het Hof, de procureur-generaal bij de Hoge Raad alsmede aan Onze Ministers onverwijld mededeling van beslissingen waarbij een rechter wordt ontslagen of geschorst, dan wel de schorsing wordt verlengd of beëindigd.
1.
De leden van het Hof kunnen door het bestuur van het Hof worden verplicht te gaan wonen of blijven wonen in een van de landen, indien dit naar het oordeel van het bestuur in verband met de goede vervulling van hun taak noodzakelijk is.
2.
Aan deze verplichting moet worden voldaan binnen twee jaar nadat zij is opgelegd.
1.
De president van het Hof is bevoegd een rechter die de waardigheid van zijn ambt, zijn ambtsbezigheden of ambtelijke verplichtingen verwaarloost of die zich schuldig maakt aan een overtreding als bedoeld in artikel 32, onder d, na hem in de gelegenheid te hebben gesteld mondeling of schriftelijk zijn zienswijze naar voren te brengen, de nodige schriftelijke waarschuwingen te geven.
2.
Van het mondeling naar voren brengen van de zienswijze, bedoeld in het eerste lid wordt een proces-verbaal opgemaakt dat door de betrokken rechter en door de president, wordt ondertekend. Weigert de rechter het proces-verbaal te ondertekenen, dan wordt daarvan, zo mogelijk met vermelding van de redenen, melding gemaakt. Aan de rechter wordt een afschrift van het proces-verbaal verstrekt.
1.
Tegen een rechtspositionele beschikking of handeling waarbij een rechter, de directeur bedrijfsvoering, een gerechtsambtenaar, een rechterlijk ambtenaar in opleiding, een gewezen rechter, een gewezen directeur bedrijfsvoering, een gewezen gerechtsambtenaar of een gewezen rechterlijk ambtenaar in opleiding als zodanig, hun nagelaten betrekkingen of hun rechtverkrijgenden belanghebbende zijn, kan een belanghebbende beroep instellen bij het Gerecht in eerste aanleg van het land waar belanghebbende woont. Indien belanghebbende niet woont in één van de landen, is het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao bevoegd.
2.
Tegen de uitspraak van het Gerecht in eerste aanleg kan een belanghebbende hoger beroep instellen bij het Hof.
3.
De behandeling en de beslissing in hoger beroep geschieden door een meervoudige kamer van het Hof bestaande uit een lid of plaatsvervangend lid van het Hof als voorzitter en twee andere personen niet zijnde rechters.
4.
De andere personen bedoeld in het derde lid worden benoemd bij koninklijk besluit voor een periode van drie jaar. De voordracht daartoe wordt gedaan op voorstel van Onze Ministers gezamenlijk. Herbenoeming is mogelijk.
5.
Op de andere personen bedoeld in het derde lid is artikel 24, eerste en tweede lid, van overeenkomstige toepassing.
6.
Op de behandeling van het beroep en het hoger beroep zijn de regels van het procesrecht voor de behandeling van ambtenaarrechtelijke geschillen van het land waarin het beroep wordt behandeld van overeenkomstige toepassing.
7.
Geen beroep kan worden ingesteld tegen
a. een beschikking tot benoeming of aanstelling, tenzij het beroep wordt ingesteld door een rechter, gerechtsambtenaar, directeur bedrijfsvoering of rechterlijk ambtenaar in opleiding als zodanig, hun nagelaten betrekkingen of hun rechtverkrijgenden;
b. een beschikking van de Hoge Raad als bedoeld in de artikelen 29 tot en met 32;
c. een vordering als bedoeld in artikel 33.
8.
Met een beschikking, handeling of vordering bedoeld in dit artikel wordt een weigering te beslissen, te handelen of te vorderen gelijkgesteld.
Artikel 38
Leden en plaatsvervangend leden van het Hof alsmede hun echtgenoten of geregistreerde partners en minderjarige kinderen voor zover zij met hen een gemeenschappelijke huishouding voeren, zijn van rechtswege toegelaten tot de landen. Aan de leden en plaatsvervangend leden van het Hof en hun echtgenoten of geregistreerde partners worden geen nadere voorwaarden gesteld voor de uitoefening van een beroep of het verrichten van arbeid.
1.
De rechtspositie van de rechters wordt overigens bij of krachtens algemene maatregel van rijksbestuur geregeld.
2.
Bij of krachtens algemene maatregel van rijksbestuur kunnen regels worden gesteld over de behandeling van klachten over gedragingen van rechters.
1.
Het Hof heeft een bestuur dat bestaat uit een president, drie vice-presidenten en een directeur bedrijfsvoering. De president is voorzitter van het bestuur.
2.
De president en de vice-presidenten zijn lid van het Hof.
3.
Op de directeur bedrijfsvoering is artikel 26, eerste lid, onder a tot en met d, en f tot en met j, van overeenkomstige toepassing.
4.
In het bestuur hebben als vice-presidenten zitting een lid van het Hof dat werkzaam en woonachtig is in Aruba, een lid dat werkzaam en woonachtig is in Curaçao respectievelijk een lid dat werkzaam en woonachtig is in Sint Maarten.
5.
De leden van het bestuur worden bij koninklijk besluit benoemd voor een periode van vijf jaar. Zij kunnen op dezelfde wijze worden herbenoemd. Artikel 23, eerste lid, tweede volzin, en tweede tot en met vierde lid, is van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat Onze Ministers over de benoeming van de directeur bedrijfsvoering ook de Beheerraad horen.
6.
De leden van het bestuur worden benoemd op basis van deskundigheid die voor de uitoefening van de taken van het bestuur nodig is.
1.
Indien en vanaf het moment dat de president of een vice-president als rechter wordt geschorst of ontslagen is hij van rechtswege geschorst respectievelijk ontslagen als lid van het bestuur van het Hof. De schorsing van rechtswege eindigt op het moment dat de schorsing als lid van het Hof eindigt.
2.
De leden van het bestuur van het Hof worden op eigen verzoek bij koninklijk besluit als zodanig ontslagen. De voordracht voor het besluit wordt gedaan op voorstel van Onze Ministers gezamenlijk.
3.
De leden van het bestuur van het Hof worden bij koninklijk besluit als zodanig ontslagen in geval van ongeschiktheid anders dan door ziekte. De voordracht voor het besluit wordt gedaan op voorstel van Onze Ministers, gehoord het bestuur.
4.
Bij of krachtens algemene maatregel van rijksbestuur kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot de rechtspositie van de leden van het bestuur van het Hof.
1.
Het bestuur van het Hof kan slechts beslissingen nemen indien tenminste de helft van zijn leden aanwezig is.
2.
Het bestuur van het Hof beslist bij meerderheid van stemmen.
3.
Indien de stemmen staken, geeft de stem van de president de doorslag.
Artikel 43
Het bestuur van het Hof kan een of meer van zijn leden machtigen één of meer van zijn bevoegdheden uit te oefenen.
1.
Het bestuur van het Hof stelt bij reglement in ieder geval nadere regels vast met betrekking tot zijn werkwijze, besluitvorming en taakverdeling, de organisatiestructuur, de machtiging, bedoeld in artikel 43, en de vervanging van zijn leden ingeval van ziekte of andere verhindering.
2.
Het reglement wordt gepubliceerd in een algemeen verkrijgbaar publicatieblad in de landen.
1.
Het bestuur van het Hof is belast met de algemene leiding, de organisatie en de bedrijfsvoering van het Hof en de Gerechten in eerste aanleg. In het bijzonder draagt het bestuur zorg voor:
a. de kwaliteit en de bestuurlijke en organisatorische werkwijze van het Hof en de Gerechten in eerste aanleg;
b. de samenstelling van enkelvoudige en meervoudige kamers;
c. het voeren van overleg met de Beheerraad over het voorbereiden en ontwerpen van de begroting en het jaarverslag;
d. het voeren van overleg met de Beheerraad over de aanstelling van de bij het Hof werkzame gerechtsambtenaren;
e. het zorgdragen voor de automatisering, de bestuurlijke informatievoorziening, de huisvesting, de beveiliging en andere materiële voorzieningen bij het Hof.
2.
Het bestuur van het Hof heeft voorts tot taak binnen het Hof en de Gerechten in eerste aanleg de juridische kwaliteit en de uniforme rechtstoepassing te bevorderen. Het voert daartoe overleg met de hofvergadering.
3.
Het bestuur houdt toezicht op de geregelde afdoening van alle rechtsgedingen.
4.
Het bestuur kan ter uitvoering van zijn taken genoemd in het eerste lid alle bij het Hof en de Gerechten in eerste aanleg werkzame personen algemene en bijzondere aanwijzingen geven.
5.
Bij het geven van aanwijzingen en de uitvoering van zijn taken treedt het bestuur niet in de procesrechtelijke behandeling van, de inhoudelijke beoordeling van of de beslissing in een zaak of in categorieën van zaken.
1.
Het bestuur van het Hof kan rechterlijke ambtenaren in opleiding aanstellen en ontslaan en oefent ten aanzien van hen de overige bevoegdheden uit die voortvloeien uit de hoedanigheid van bevoegd gezag. De rechterlijke ambtenaren in opleiding worden aangesteld bij het Hof.
2.
Ten aanzien van rechterlijke ambtenaren in opleiding is artikel 24, eerste en tweede lid, van overeenkomstige toepassing.
3.
Bij of krachtens algemene maatregel van rijksbestuur worden voorschriften gegeven met betrekking tot de selectie, de aanstelling, het ontslag, de opleiding en andere aangelegenheden, die de rechtspositie van de rechterlijke ambtenaren in opleiding betreffen.
Artikel 47
Het bestuur van het Hof geeft inlichtingen en advies, wanneer dit door de regering van één van de landen wordt gevraagd tenzij de zaak waaromtrent inlichtingen en advies zijn gevraagd, aan een rechterlijke beslissing is onderworpen of te voorzien is dat dit zal geschieden.
1.
Het bestuur van het Hof stelt jaarlijks voor 15 oktober een jaarplan voor het Hof vast. Het jaarplan bevat een omschrijving van de voorgenomen activiteiten ter uitvoering van de in artikel 45 genoemde taken voor het komende jaar met inachtneming van de vastgestelde ontwerpbegroting voor het komende jaar.
2.
De president ziet toe op de uitvoering van het jaarplan.
3.
Het bestuur stelt jaarlijks voor 1 april een verslag vast over het voorgaande jaar, dat in ieder geval bestaat uit een jaarrekening met bijbehorende begroting en een jaarverslag. De jaarrekening behoeft goedkeuring van de Beheerraad en gaat vergezeld van een verklaring omtrent de getrouwheid en de rechtmatigheid, afgegeven door een door de Beheerraad aangewezen accountant. Bij de aanwijzing van de accountant bedingt de Beheerraad dat aan Onze Ministers desgevraagd inzicht wordt geboden in de controlewerkzaamheden van de accountant.
Artikel 49
De president of, indien deze afwezig of buiten staat is, zijn daartoe door het bestuur aangewezen vervanger vertegenwoordigt het Hof.
1.
Er is een Beheerraad. De Beheerraad is orgaan van de rechtspersoon Hof.
2.
De Beheerraad bestaat uit vier leden. De leden van de Beheerraad worden benoemd bij koninklijk besluit. De voordracht daartoe wordt gedaan op voorstel van Onze Ministers, gehoord de Beheerraad en het bestuur van het Hof.
3.
Benoeming geschiedt op grond van deskundigheid die nodig is voor een behoorlijke uitoefening van de taken van de Beheerraad alsmede op grond van maatschappelijke kennis en ervaring.
4.
Een lid van de Beheerraad kan niet tevens zijn:
a. rechter;
b. directeur bedrijfsvoering, gerechtsambtenaar, rechterlijk ambtenaar in opleiding of buitengriffier;
c. Gouverneur;
d. minister of staatssecretaris;
e. commissaris der Koningin of lid van gedeputeerde staten;
f. lid van de vertegenwoordigende lichamen van Aruba, Curaçao of Sint Maarten of lid van de Staten-Generaal;
g. rijksvertegenwoordiger, gezaghebber of eilandsgedeputeerde;
h. burgemeester of wethouder;
i. lid van de Raad van Advies van Aruba, Curaçao of Sint Maarten of lid van de Raad van State van het Koninkrijk;
j. lid van de Algemene of Nationale Rekenkamer van een land;
k. nationale of eilandelijke ombudsman of substituut-ombudsman;
l. ambtenaar bij een ministerie of een eiland, alsmede de daaronder ressorterende instellingen, diensten en bedrijven;
m. advocaat of notaris of andere beroepsmatige rechtshulpverlener.
5.
Benoeming geschiedt voor een periode van vijf jaar. Herbenoeming is mogelijk.
6.
Een van de leden van de Beheerraad is voorzitter. De voorzitter wordt als zodanig bij koninklijk besluit benoemd op voorstel van de leden van de Beheerraad.
7.
Bij algemene maatregel van rijksbestuur worden regels gesteld over het ontslag, de schorsing en de bezoldiging en kunnen regels worden gesteld over andere rechtspositionele aangelegenheden van de leden van de Beheerraad.
Artikel 51
Ter ondersteuning van de Beheerraad kunnen gerechtsambtenaren of ambtenaren van de landen werkzaam zijn. Zij zijn voor de uitoefening van hun werkzaamheden voor de Beheerraad uitsluitend verantwoording schuldig aan de Beheerraad.
1.
De Beheerraad beslist bij meerderheid van stemmen. Indien bij herhaling de stemmen staken, geeft de stem van de voorzitter de doorslag.
2.
De Beheerraad kan een of meer van zijn leden machtigen een of meer van zijn bevoegdheden uit te oefenen.
Artikel 53
De Beheerraad is belast met:
a. het in overeenstemming met Onze Ministers voorbereiden van een ontwerpbegroting van het Hof, met inachtneming van artikel 56, eerste lid;
b. het algemeen toezicht op de uitvoering van het jaarplan;
c. het algemeen toezicht op de bedrijfsvoering bij het Hof;
d. het afleggen van verantwoording aan Onze Ministers over het beheer van de rechterlijke macht en de wijze waarop de begroting, bedoeld in het eerste lid, onder a, is uitgevoerd
e. aanstelling en ontslag van gerechtsambtenaren en van buitengriffiers.
1.
De Beheerraad kan op voorstel van het bestuur van het Hof personen, niet zijnde rechter of rechterlijk ambtenaar in opleiding, aanstellen als buitengriffier.
2.
Gerechtsambtenaren worden op voorstel van het bestuur van het Hof door de Beheerraad aangesteld, geschorst en ontslagen. Zij worden aangesteld bij het Hof.
3.
De rechtspositie van de gerechtsambtenaren en de vergoeding voor de buitengriffiers wordt geregeld door de Beheerraad onder goedkeuring van Onze Ministers.
1.
Bij algemene maatregel van rijksbestuur worden regels gesteld met betrekking tot de bekostiging van het Hof. Daartoe behoren in ieder geval regels betreffende de financieringsgrondslag.
2.
De kosten van het Hof, de Gerechten in eerste aanleg en de Beheerraad worden vergoed uit een door de landen beschikbaar te stellen bijdrage die volgens een bij algemene maatregel van rijksbestuur vast te stellen sleutel over de landen wordt verdeeld.
1.
De Beheerraad zendt jaarlijks voor 15 maart aan Onze Ministers een ontwerpbegroting voor het daaropvolgende jaar op basis van een voorstel van het bestuur van het Hof en na overleg met het bestuur.
2.
Het bestuur van het Hof zendt het in het eerste lid bedoelde voorstel jaarlijks voor 15 februari aan de Beheerraad.
3.
Het in het eerste lid bedoelde voorstel bevat een meerjarenraming voor tenminste vier op het begrotingsjaar volgende jaren.
4.
De Beheerraad geeft bij de ontwerpbegroting aan of is afgeweken van het voorstel van het bestuur van het Hof. Indien daarvan is afgeweken wordt in de toelichting op de ontwerp- begroting uiteengezet in hoeverre en waarom dat is gebeurd.
1.
Onze Ministers voeren jaarlijks voor 15 april overleg over de ontwerpbegroting en stellen de hoogte van het bedrag vast dat Onze Ministers ten behoeve van het Hof zullen opnemen in de begroting van het desbetreffende land. Daarbij nemen zij de verdeelsleutel bedoeld in artikel 55, tweede lid, in acht.
2.
Onze Ministers informeren de raad van ministers van het Koninkrijk over de uitkomst van het overleg, bedoeld in het eerste lid.
3.
De Beheerraad stelt de begroting voor het Hof vast onder goedkeuring van Onze Ministers.
1.
De Beheerraad verstrekt desgevraagd aan elk van Onze Ministers de voor de uitoefening van hun taak benodigde inlichtingen.
2.
De Beheerraad legt aan Onze Ministers rekening en verantwoording af van het financiële beheer van het Hof op basis van het verslag, bedoeld in artikel 48, derde lid. Onze Ministers informeren hierover de raad van ministers van het Koninkrijk.
Artikel 59
Aruba, Curaçao en Sint Maarten regelen bij of krachtens landsbesluit houdende algemene maatregelen en Nederland regelt bij of krachtens algemene maatregel van bestuur de tarieven van justitiekosten, zowel in burgerlijke als in strafzaken, alsmede de beloningen die voor rechtshandelingen worden berekend en de voorschotten, reis- en verblijfskosten, die in rekening worden gebracht.
1.
De benoeming van degene die op de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van deze rijkswet president van het Gemeenschappelijk Hof van de Nederlandse Antillen en Aruba is, wordt van rechtswege gewijzigd in een benoeming tot president van het Hof voor de periode van vijf jaar.
2.
De benoeming van degene die op de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van deze rijkswet griffier is bij het Gemeenschappelijk Hof van de Nederlandse Antillen en Aruba, wordt van rechtswege gewijzigd in een benoeming tot directeur bedrijfsvoering van het Hof voor de periode van vijf jaar.
3.
In afwijking van artikel 40, vijfde lid, juncto artikel 23, tweede lid, zendt de president de aanbeveling voor de eerste benoeming van vice-presidenten van het Hof aan Onze Ministers.
4.
De benoeming van degenen die op de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van deze rijkswet lid of plaatsvervangend lid zijn van het Gemeenschappelijk Hof van de Nederlandse Antillen en Aruba, wordt van rechtswege gewijzigd in een benoeming tot lid respectievelijk plaatsvervangend lid van het Hof. Zij worden als zodanig niet beëdigd en geïnstalleerd.
5.
Indien een plaatsvervangend lid van het Hof voorafgaand aan de inwerkingtreding van deze rijkswet voor bepaalde tijd is benoemd, dan eindigt zijn benoeming op de dag dat zijn benoeming als plaatsvervangend lid van het Gemeenschappelijk Hof van de Nederlandse Antillen en Aruba zou eindigen.
6.
De benoeming van degenen die op de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van deze rijkswet rechters-plaatsvervanger in eerste aanleg zijn, wordt van rechtswege omgezet in een benoeming tot rechter-plaatsvervanger in eerste aanleg. De tweede volzin van het vierde lid en het vijfde lid zijn van overeenkomstige toepassing.
1.
De ambtenaren, werklieden en arbeidscontractanten die op de dag voorafgaand aan inwerkingtreding van deze rijkswet zijn aangesteld bij landsbesluit van Aruba en werkzaam zijn ten behoeve van de griffie van het Gerecht in eerste aanleg van Aruba zijn met ingang van de datum van inwerkingtreding van deze rijkswet aangesteld bij het Hof in dezelfde rang, op dezelfde voet, met dezelfde standplaats en ook overigens in dezelfde rechtstoestand als op de dag, voorafgaande aan die datum, voor hen golden, tenzij Onze betrokken Minister met hen is overeengekomen dat zij niet in dienst zullen treden bij het Hof.
2.
De eden en beloften, in verband met hun ambt door de in het eerste lid bedoelde personen afgelegd, worden geacht mede op hun nieuwe dienstvervulling betrekking te hebben.
3.
Ten aanzien van de benoeming van ambtenaren, werklieden en arbeidscontractanten die op de dag voorafgaand aan inwerkingtreding van deze rijkswet zijn aangesteld bij landsbesluit van de Nederlandse Antillen en werkzaam zijn ten behoeve van de griffie van het Gerecht in eerste aanleg van de Nederlandse Antillen of van de griffie van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van de Nederlandse Antillen en Aruba, is de Beheerraad gebonden aan afspraken die daarover in het kader van de ontmanteling van het land de Nederlandse Antillen worden gemaakt.
1.
Degenen die op de dag voorafgaand aan inwerkingtreding van deze rijkswet als rechterlijk ambtenaar in opleiding bij het Hof van de Nederlandse Antillen en Aruba zijn aangesteld, zijn met ingang van de datum van inwerkingtreding van deze wet van rechtswege aangesteld als rechterlijk ambtenaar in opleiding bij het Hof.
2.
Artikel 60, vijfde lid, is van overeenkomstige toepassing.
1.
Rechtsgedingen die op de dag voorafgaand aan inwerkingtreding van deze rijkswet aanhangig zijn bij het Gerecht in eerste aanleg van de Nederlandse Antillen worden geacht met ingang van de dag van inwerkingtreding van deze rijkswet aanhangig te zijn bij het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao, het Gerecht in eerste aanleg van Sint Maarten of het Gerecht in eerste aanleg van Bonaire, Sint Eustatius en Saba. Het bestuur wijst het Gerecht aan dat de zaak behandelt.
2.
Rechtsgedingen die op de dag voorafgaand aan inwerkingtreding van deze rijkswet aanhangig zijn bij het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van de Nederlandse Antillen en Aruba worden geacht met ingang van de dag van inwerkingtreding van deze wet aanhangig te zijn bij het Hof.
Artikel 64
Beslissingen die voorafgaand aan de inwerkingtreding van deze wet zijn genomen door het Gemeenschappelijk Hof van de Nederlandse Antillen en Aruba, het Gerecht in eerste aanleg van de Nederlandse Antillen of het Gerecht in eerste aanleg van Aruba blijven van kracht.
Artikel 65
Onze Ministers zenden binnen vijf jaar na de inwerkingtreding van deze rijkswet aan de vertegenwoordigende lichamen van Aruba, Curaçao en Sint Maarten en aan de Staten-Generaal een evaluatieverslag over de doeltreffendheid en de effecten van deze rijkswet in de praktijk. Voorafgaande aan de evaluatie stellen de landen gezamenlijk de criteria, de thema’s en de samenstelling van de evaluatiecommissie vast.
Artikel 66
Deze rijkswet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip.
Artikel 67
Deze rijkswet wordt aangehaald als: Rijkswet Gemeenschappelijk Hof van Justitie.
Lasten en bevelen dat deze rijkswet in het Staatsblad, het Publicatieblad van de Nederlandse Antillen en het Afkondigingsblad van Aruba zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Gegeven te
’s-Gravenhage, 7 juli 2010
De Minister van Justitie,
De Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,
Uitgegeven de eerste september 2010
De Minister van Justitie,