Rechtenmedia.nl - Juridische Online Uitgeverij  Rechtennieuws.nl | Jure.nl | Maxius.nl | Parlis.nl | Rechtenforum.nl | JBmatch.nl | MijnWetten.nl | AdvocatenZoeken.nl | Rechtentotaal.nl
Regeling solvabiliteitseisen kredietrisico en grote posities Wft 2010
Bwb-id:
Officiele titel:
Citeertitel:
Ook bekend als:
Soort regeling:
Wetsfamilies:
Eerst verantwoordelijk ministerie:

Geldigheidsdatum:
Ingangsdatum:
Inhoudsopgave
+ Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen
+ Hoofdstuk 2. Standaardbenadering
+ Hoofdstuk 3. Interne rating benadering
+ Hoofdstuk 4. Kredietrisicovermindering
+ Hoofdstuk 5. Tegenpartijkredietrisico
+ Hoofdstuk 6
+ Hoofdstuk 7. Grote posities
+ Hoofdstuk 8. Overgangs- en slotbepalingen
Vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature

Juridisch advies nodig?
Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag
Geschiedenis

Geschiedenis-overzicht
Let op. Deze wet is vervallen op 1 januari 2014. U leest nu de tekst die gold op -.

Regeling solvabiliteitseisen kredietrisico en grote posities Wft 2010

Regeling van De Nederlandsche Bank N.V. van 11 december 2006, houdende regels inzake de vereiste solvabiliteit ter dekking van het kredietrisico voor banken, beleggingsondernemingen en clearinginstellingen (Regeling solvabiliteitseisen voor het kredietrisico)
De Nederlandsche Bank N.V.,
Na overleg met Euronext, de Nederlandse Vereniging van Banken en de Raad voor de Effectenbranche;
Gelet op de artikelen 61, vijfde lid, 69, tweede lid, 70, tweede lid, 71, derde lid, 72, eerste lid, 73, tweede lid, 75, eerste lid, 76, eerste lid, onderdeel h, 78, derde en vijfde lid, 81, zesde lid, 82, eerste lid, 84, eerste lid, onderdeel b, en vierde lid, 85, tweede en derde lid, 86, tweede lid, 102, derde en vierde lid en 105, vierde lid, van het Besluit prudentiële regels Wft;
Gelet op Richtlijn nr. 2006/48/EG van het Europees Parlement en de Raad van 14 juni 2006 betreffende de toegang tot en de uitoefening van de werkzaamheden van kredietinstellingen (herschikking) (PbEU L-177);
Gelet op Richtlijn nr. 2006/49/EG van het Europees Parlement en de Raad van 14 juni inzake de kapitaaltoereikendheid van beleggingsondernemingen en kredietinstellingen (herschikking) (PbEU L-177);
Besluit:
Artikel 1:1
Voor zover in deze regeling niet anders is bepaald, wordt in deze regeling verstaan onder:
a. aangewezen kredietbeoordelingsbureau : een kredietbeoordelingsbureau als bedoeld in artikel 1 van het Besluit , dat ingevolge artikel 88 van het Besluit is erkend en ten aanzien waarvan een financiële onderneming heeft aangegeven dat zij diens kredietbeoordelingen gaat gebruiken bij de berekening van de vereiste solvabiliteit ter dekking van haar kredietrisico;
b. Besluit : Besluit prudentiële regels Wft ;
c. bestuur : de personen, bedoeld in artikel 3:15 van de Wet, die voldoen aan de vereisten van de artikelen 3:8 en 3:9, eerste lid, eerste volzin, van de Wet;
d. derivaten : de instrumenten, genoemd in bijlage B van het Besluit ;
d1. DNB: De Nederlandsche Bank N.V.;
e. E* (volledig aangepaste waarde van de vordering) : de waarde van de vordering nadat het risicoverminderende effect van de zekerheid in aanmerking is genomen, en nadat volatiliteitsaanpassingen zijn toegepast;
f. Eenvoudige IRB : de Interne Rating Benadering waarbij een financiële onderneming gebruik maakt van eigen ramingen bij de berekening van de kans op wanbetaling, maar géén gebruik maakt van eigen ramingen bij de berekening van het verlies bij wanbetaling of omrekeningsfactoren;
g. erkend kredietbeoordelingsbureau : een kredietbeoordelingsbureau als bedoeld in artikel 1 van het Besluit prudentiële regels Wft , dat ingevolge artikel 88 van het Besluit is erkend;
h. financiële onderneming : bank of beleggingsonderneming;
i. Geavanceerd IRB : de Interne Rating Benadering waarbij een financiële onderneming gebruik maakt van eigen ramingen van de kans op wanbetaling, het verlies bij wanbetaling en omrekeningsfactoren;
j. gedekte obligatie: een geregistreerde gedekte obligatie als bedoeld in artikel 1 van het Besluit , mits deze is afgedekt door middel van ten minste een van de activa genoemd in Bijlage 1 ;
k. IRB (Interne Rating Benadering) : de interne modellenmethode, bedoeld in artikel 69 van het Besluit prudentiële regels Wft ;
l. kredietgebeurtenis : een, in een tussen partijen overeengekomen contract gedefinieerde, gebeurtenis die betaling onder dat contract tot gevolg heeft;
m. kredietkwaliteitstrap: een hiërarchische rangschikking van risicocategorieën;
n. LGD* : de aangepaste omvang van het verlies na wanbetaling na inaanmerkingneming van de effecten van kredietrisicovermindering;
o. liquidatieperiode (holding period) : het, van het type transactie afhankelijke, aantal dagen waarover een prijsbeweging in aanmerking genomen moet worden om de volatiliteit te bepalen;
p. management : het collectief waaraan het bestuur leidinggevende verantwoordelijkheid heeft gedelegeerd ten aanzien van (onderdelen van) de bedrijfsvoering;
q. marktwaarde : marktwaarde als bedoeld in artikel 4 van het Besluit actuele waarde;
r. publiekrechtelijk lichaam:
1°. administratief orgaan zonder winstoogmerk dat verantwoording aflegt aan de centrale, regionale of lokale overheid;
2°. administratief orgaan zonder winstoogmerk dat verantwoording aflegt aan overheden als genoemd in bijlage 2B respectievelijk aan overheden die naar het oordeel van DNB dezelfde of soortgelijke verantwoording dragen als de regionale of lokale overheid;
3°. niet-commerciële onderneming die in het bezit van de centrale overheid is en die over een uitdrukkelijke waarborgregeling beschikt; of
4°. bij wet geregeld autonoom orgaan met zelfbestuur dat onder openbaar toezicht staat;
s. referentieverplichting : de verplichting waarvan gebruik wordt gemaakt voor de bepaling van de waarde van de afwikkeling in contanten of de leverbare verplichting, in het kader van het kredietderivaat;
t. repo-stijl transactie : een transactie die leidt tot het ontstaan van:
1°. cessie- en retrocessieovereenkomsten,
2°. opgenomen en verstrekte effectenleningen, of
3°. opgenomen en verstrekte grondstoffenleningen, tenzij in deze regeling uitgesloten;
u. risicogewicht : de wegingsfactor waarmee een vordering in de berekening van het minimumbedrag aan solvabiliteit wordt opgenomen;
v. risicogewogen posten : de naar kredietrisico of verwateringsrisico gewogen activa en posten buiten de balanstelling, dan wel de naar risico gewogen securitisatieposities;
v1. Rsm 2011: de Regeling solvabiliteitseisen marktrisico Wft 2011 .
w. toezichthoudend orgaan : het orgaan, bedoeld in artikel 3:9, eerste lid, tweede volzin, van de Wet;
x. type effecten : de effecten:
1°. die door dezelfde entiteit op dezelfde datum zijn uitgegeven,
2°. die dezelfde looptijd hebben, en
3°. waarvoor dezelfde liquidatieperiode en voorwaarden gelden, als voor de uitgebreide methode van financiële zekerheden.
y. volatiliteitsaanpassing : een aanpassing op de waarde van de vordering en zekerheden, teneinde rekening te houden met de prijsvolatiliteit of valutavolatiliteit;
z. vordering : een al dan niet voorwaardelijk activum, inclusief een post buiten de balanstelling;
aa. Wet : Wet op het financieel toezicht .
1.
De hoofdstukken 1, 2 en 7, evenals de standaardbenadering van hoofdstuk 6, zijn van overeenkomstige toepassing op clearinginstellingen, tenzij:
a. bij deze regeling anders is bepaald;
b. de aard van een bepaling deze overeenkomstige toepassing uitsluit; of
c. de systematiek van deze regeling deze overeenkomstige toepassing uitsluit.
2.
Hoofdstuk 7 is niet van toepassing op beleggingsondernemingen die voldoen aan het bepaalde in artikel 20, tweede of derde lid, van de herziene richtlijn kapitaaltoereikendheid.
1.
Indien deze paragraaf van toepassing is verklaard, kan een financiële onderneming, ter bepaling van de executiewaarde van woningen binnen een bestaande portefeuille woninghypotheken, gebruikmaken van de in deze paragraaf bedoelde indexatiemethode, doch uitsluitend voor zover:
a. de toepassing van de indexatiemethode leidt tot een betrouwbare en prudente inschatting van de executiewaarden van de woningen in de hypotheekportefeuille en het daaruit resulterende kredietrisico; en
b. de indexatiemethode op een eenduidige, bestendige en controleerbare wijze wordt toegepast en gevalideerd.
2.
Voor de toepassing van deze paragraaf wordt de ‘ondergrens van het 99%-betrouwbaarheidinterval’ met behulp van de volgende formule berekend: de gemiddelde steekproefwaarde minus (2,33 * (1/?n) * de standaarddeviatie van de steekproefwaarden), waarbij n de omvang van de steekproef is.
1.
Een financiële onderneming past de indexatiemethode met een vaste periodiciteit, maar minimaal jaarlijks, toe op alle woningen binnen haar woningportefeuille, met uitzondering van:
a. woningen waarop hypotheekleningen zijn verstrekt onder overheidsgarantie;
b. woningen waarvan het totaal aan hypothecaire vorderingen lager is dan of gelijk is aan 25% van de laatst bekende individuele executiewaarde;
c. woningen die zich vanwege een zeer hoge waarde, unieke kenmerken of andere redenen redelijkerwijs niet voor toepassing van de indexatiemethode lenen.
2.
Voor de toepassing van het eerste lid, onderdeel b, kan DNB, indien ontwikkelingen daartoe aanleiding geven, de financiële onderneming verzoeken om actualisering van de ‘Loan-to-Value’-ratio aan de hand van een hertaxatie.
3.
In afwijking van het eerste lid, onderdelen a en b, kan de financiële onderneming de indexatiemethode toch toepassen op woningen als bedoeld in die onderdelen, mits zij hierin een bestendige gedragslijn volgt.
Artikel 1:5
Onverminderd de eisen die in hoofdstuk 4 aan het beheer van kredieten en zekerheden worden gesteld, waarborgt de financiële onderneming dat haar in het kader van de administratieve organisatie gebruikte systeem:
a. zodanig gedetailleerd is dat per object een juiste herwaardering van de executiewaarde op basis van portefeuillebenadering mogelijk is;
b. de laatst bekende individueel vastgestelde executiewaarde niet wordt overschreven door de op basis van de indexmethode geschatte executiewaarde; en
c. verschillen tussen de geschatte executiewaarde op basis van de indexatiemethode en de executiewaarde op basis van een individuele hertaxatie worden vastgelegd.
1.
Voordat daarop de indexatiemethode wordt toegepast, worden alle voor indexatie in aanmerking komende woningen ingedeeld naar relatief homogene deelportefeuilles. De indeling vindt in ieder geval plaats naar regio en in geen geval naar de verhouding tussen de lening en de executiewaarde van de woningen. Afgezien van natuurlijk verloop, worden de woningen na indeling niet meer in of uit de verschillende deelportefeuilles geplaatst of verhuisd.
2.
Voor het bepalen van de geïndexeerde executiewaarde van de woningen in de deelportefeuilles past de financiële onderneming de individuele taxatiewaarde van een woning, zoals direct voorafgaand aan de toepassing van de indexatiemethode vastgesteld, aan één van de volgende indices aan:
a. een index van de Nederlandse Vereniging van Makelaars;
b. een index van het Kadaster; of
c. een andere index, mits de financiële onderneming aan kan tonen dat deze alternatieve index op onafhankelijke wijze wordt vastgesteld en een betrouwbare weergave is van de waardeontwikkeling van woningen in Nederland,
3.
De in het tweede lid genoemde indices kunnen uitsluitend worden gekozen voor zover deze indices dezelfde indeling naar deelportefeuilles als die van de financiële onderneming kennen.
1.
Indien direct voorafgaand aan de toepassing van de indexatiemethode geen individuele taxatie heeft plaatsgevonden, is de geïndexeerde executiewaarde van een woning gelijk aan de meest recente executiewaarde vermenigvuldigd met de herwaarderingsfactor voor de deelportefeuille waarin de woning is ingedeeld.
2.
De herwaarderingsfactor is:
a. in geval van een stijging van de index voor de deelportefeuille: 75% van die stijging;
b. in geval van een daling van de index voor de deelportefeuille: 100% van die daling.
3.
Indien voorafgaand aan de toepassing van de indexatiemethode wel een individuele taxatie heeft plaatsgevonden, wordt de in het vorige lid bedoelde herwaarderingsfactor gecorrigeerd voor het feit dat de waardeverandering betrekking heeft op een afwijkende periode. Daarbij wordt verondersteld dat de waardeverandering zich gelijkmatig over de betrokken herwaarderingsperiode heeft voorgedaan, tenzij marktontwikkelingen aanleiding geven om de herwaarderingsfactor op meer prudente wijze te corrigeren.
1.
De waardering op basis van de indexatiemethode wordt voorafgaand aan de eerste toepassing en vervolgens periodiek, doch minstens elke 3 jaar, gevalideerd. Een financiële onderneming voert een tussentijdse validatie uit, indien DNB daarom verzoekt naar aanleiding van specifieke omstandigheden of marktontwikkelingen.
2.
De validatie vindt plaats aan de hand van een aselecte steekproef, die op één moment wordt getrokken uit de gehele geïndexeerde woningportefeuille.
3.
De omvang van de validerende steekproef wordt vastgesteld vóórdat de gegevens van individuele woningen worden verzameld en bewerkt, en bedraagt minimaal 100 woningen uit de geïndexeerde woningportefeuille.
4.
De woningen in de steekproef worden binnen een relatief korte periode getaxeerd. Indien voor de steekproef woningen zijn geselecteerd waarvoor een recente executiewaarde reeds bekend is, mag deze executiewaarde als steekproefwaarneming worden gebruikt, mits deze executiewaarde niet ouder is dan zes maanden en onder het voorbehoud dat er geen majeure veranderingen in de markt hebben plaatsgevonden.
1.
Ten behoeve van de validatie, bedoeld in het vorige artikel, worden de volgende stappen genomen:
a. de financiële onderneming berekent van elke woning binnen de steekproef de verhouding tussen de executiewaarde van de woning op basis van de indexatie (Wi) en de executiewaarde van de woning op basis van de taxatie in de steekproef (Wt). Deze verhouding wordt aangeduid met ‘Qi’ en berekend volgens de formule: Qi = Wi / Wt;
b. De financiële onderneming toetst volgens erkende statistische methoden of de gemiddelde waarde van Qi significant lager is dan 1, uitgaande van een eenzijdig betrouwbaarheidsinterval van 99%.
2.
Indien de gemiddelde waarde van Qi significant lager is dan 1, kan op basis van deze statistische toets de indexatiemethode als voldoende prudent worden gekwalificeerd.
Artikel 1:10
Aan de hand van de resultaten van de validerende steekproef mogen alle woningen in de geïndexeerde portefeuille worden opgewaardeerd, danwel moeten alle woningen in de geïndexeerde portefeuille worden afgewaardeerd met een factor k, zodanig dat de toetsgrootheid zoals berekend ten behoeve van de toets, bedoeld in het vorige artikel, gelijk is aan de ondergrens van het 99%-betrouwbaarheidsinterval.
1.
Onverminderd de overige artikelen van deze afdeling, voert de financiële onderneming tussentijds neerwaartse aanpassingen door op de geïndexeerde executiewaarden, indien marktontwikkelingen daartoe aanleiding geven of indien DNB daarom verzoekt.
2.
Indien de toepassing van de indexatiemethode bij een financiële onderneming niet voldoet aan de in artikel 1:3, eerste lid, bedoelde uitgangspunten, kan DNB eisen dat de financiële onderneming voor de weging van het kredietrisico van haar hypotheekportefeuille weer terugvalt op individuele taxaties.
Artikel 2:1
In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:
a. regionale en lokale overheid : de regionale en lokale bestuurlijke en uitvoeringsorganen van een Staat, met dien verstande dat ten aanzien van Nederland hieronder alleen de overheden vallen, bedoeld in bijlage 2B ;
b. materiële activa : de activa, bedoeld in artikel 366 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek;
c. niet opgenomen kredietfaciliteiten : overeenkomsten tot het verstrekken van leningen, het aankopen van effecten respectievelijk het verschaffen van garanties of acceptfaciliteiten; en
d. Verordening 1745/2003 : Verordening (EG) nr. 1745/2003 van de Europese Centrale Bank van 12 september 2003 inzake de toepassing van reserveverplichtingen (ECB/2003/9) (PbEU L-250).
1.
Vorderingen op centrale overheden of centrale banken waarvoor een kredietbeoordeling door een aangewezen kredietbeoordelingsbureau beschikbaar is, hebben een risicogewicht dat is afgeleid van de kredietkwaliteitstrap waarin deze beoordeling is ondergebracht, op de wijze zoals voorzien in tabel A van bijlage 2A .
2.
In zoverre in afwijking van het eerste lid, hebben vorderingen op de Europese Centrale Bank een risicogewicht van 0%.
1.
Bij de toekenning van risicogewichten aan vorderingen op centrale overheden en centrale banken kan een financiële onderneming de kredietbeoordelingen van een exportkredietverzekeringsmaatschappij toepassen, indien de kredietbeoordelingen consensus-risicoscore van exportkredietverzekeringsmaatschappijen betreffen die deelnemen in de ‘ Arrangement on Guidelines for Officially Supported Export Credits ’ van de OESO, of indien:
a. de exportkredietverzekeringsmaatschappij haar kredietbeoordelingen publiceert;
b. de exportkredietverzekeringsmaatschappij de methodologie die in de OESO is overeengekomen, onderschrijft; en
c. de kredietbeoordeling correspondeert met één van de acht MEVPs (minimum exportverzekeringspremies) waarin de OESO-methodologie voorziet.
2.
Vorderingen op centrale overheden of centrale banken waarvoor een kredietbeoordeling van een exportkredietverzekeringsmaatschappij, als bedoeld in het eerste lid, beschikbaar is, hebben een risicogewicht dat correspondeert met de bijbehorende MEVP, op de wijze zoals voorzien in tabel B van bijlage 2A .
1.
In afwijking van de twee vorige artikelen, hebben vorderingen op centrale overheden of centrale banken van de lidstaten van de Europese Unie, luidend in en gefinancierd in de binnenlandse valuta van de betrokken lidstaat, een risicogewicht van 0%.
2.
Tot en met 31 december 2012 wordt aan vorderingen op de centrale overheden of op de centrale banken van de lidstaten, luidende en gefinancierd in de binnenlandse munteenheid van een lidstaat, hetzelfde risicogewicht toegekend als zou worden toegekend aan dergelijke vorderingen, luidende en gefinancierd in de nationale munteenheid als bedoeld in het eerste lid.
Artikel 2:5
Een financiële onderneming kan, in afwijking van de drie vorige artikelen, aan vorderingen op de centrale overheid of de centrale bank van een land dat geen lid is van de Europese Unie hetzelfde lagere risicogewicht toekennen dat de toezichthoudende instantie van het betrokken land aan vorderingen op de eigen centrale overheid of centrale bank heeft toegekend, indien:
a. het vorderingen betreft, luidend in en gefinancierd in de binnenlandse valuta van het betrokken land; en
b. het betrokken land toezichtpraktijken en toezichtregelingen toepast die ten minste gelijkwaardig zijn aan de praktijken en regelingen in de Europese Unie; en
c. het de onder toezicht staande financiële ondernemingen van het betrokken land eveneens is toegestaan om aan vorderingen op de eigen centrale overheid of centrale bank een risicogewicht toe te kennen dat lager is dan de risicogewichten, genoemd in de drie vorige artikelen.
Artikel 2:6
Vorderingen op centrale overheden of centrale banken, waarop de vorige artikelen van deze paragraaf niet van toepassing zijn, hebben een risicogewicht van 100%.
1.
Aan vorderingen op regionale en lokale overheden wordt hetzelfde risicogewicht toegekend als aan vorderingen op financiële ondernemingen, behoudens het volgende lid, op wijze zoals voorzien in tabel A van bijlage 2A . Artikelen 2:19 en 2:21 zijn niet van toepassing.
2.
Vorderingen op regionale en lokale overheden van lidstaten, luidende en gefinancierd in de binnenlandse munteenheid van de betrokken regionale en lokale overheden, hebben een risicogewicht van 20%.
Artikel 2:8
In afwijking van het vorige artikel hebben vorderingen op de regionale en lokale overheden, genoemd in bijlage 2B , hetzelfde risicogewicht als vorderingen op de centrale overheid van het land waartoe die regionale en lokale overheden behoren.
Artikel 2:9
Een financiële onderneming kan, in afwijking van de twee vorige artikelen, aan vorderingen op regionale of lokale overheden van een land dat geen lid is van de Europese Unie hetzelfde lagere risicogewicht toekennen dat de toezichthoudende instantie van het betrokken land aan vorderingen op de eigen regionale of lokale overheden heeft toegekend, indien:
a. het betrokken land toezichtpraktijken en toezichtregelingen toepast die ten minste gelijkwaardig zijn aan de praktijken en regelingen in de Europese Unie, en
b. het de onder toezicht staande financiële ondernemingen van het betrokken land eveneens is toegestaan om vorderingen op de eigen regionale of lokale overheden hetzelfde te behandelen als vorderingen op de eigen centrale overheid.
Artikel 2:10
Vorderingen op publiekrechtelijke lichamen of op kerkgenootschappen en andere godsdienstige gemeenschappen met publiekrechtelijke grondslag hebben een risicogewicht van 100%, tenzij in deze paragraaf anders is bepaald.
1.
Vorderingen op publiekrechtelijke lichamen die in Nederland zijn gevestigd hebben een risicogewicht van 20%, tenzij het tweede lid van toepassing is.
2.
Vorderingen op publiekrechtelijke lichamen die in Nederland zijn gevestigd en waarvan de financiële onderneming die de vordering aanhoudt, kan aantonen dat daarvoor een garantie van het Rijk beschikbaar is, hebben tot het bedrag van de garantie een risicogewicht van 0%.
3.
Op het gedeelte van de vordering waarvoor geen Rijksgarantie beschikbaar is, is het eerste lid van toepassing.
Artikel 2:12
Indien in een lidstaat van de Europese Unie vorderingen op publiekrechtelijke lichamen worden behandeld als vorderingen op financiële ondernemingen of als vorderingen op de centrale overheid van het land waar zij zijn gevestigd, worden vorderingen van in Nederland gevestigde financiële ondernemingen op de betrokken publiekrechtelijke lichamen op dezelfde wijze behandeld.
Artikel 2:13
Een financiële onderneming kan vorderingen op publiekrechtelijke lichamen van een land dat geen lid is van de Europese Unie overeenkomstig paragraaf 2.2.6 behandelen als vorderingen op financiële ondernemingen, indien:
a. het betrokken land toezichtpraktijken en toezichtregelingen toepast die ten minste gelijkwaardig zijn aan de praktijken en regelingen in de Europese Unie, en
b. de toezichthoudende instantie van het betrokken land zijn financiële ondernemingen eveneens toestaat om vorderingen op publiekrechtelijke lichamen van dat land te behandelen als vorderingen op financiële ondernemingen.
1.
De risicogewichten genoemd in artikel 2:7 en artikel 2:9 zijn van overeenkomstige toepassing op vorderingen op kerkgenootschappen of op andere godsdienstige gemeenschappen die:
a. krachtens publiekrecht zijn ingesteld;
b. over een wettelijke bevoegdheid beschikken om belasting te heffen; en
c. van hun wettelijke bevoegdheid om belasting te heffen, gebruikmaken.
2.
Op de kerkgenootschappen en andere godsdienstige gemeenschappen, bedoeld in het eerste lid, is artikel 76, eerste lid, van het Besluit niet van toepassing.
1.
Vorderingen op multilaterale ontwikkelingsbanken hebben hetzelfde risicogewicht als genoemd in artikel 2:18.
2.
In afwijking van het eerste lid, hebben vorderingen op de multilaterale ontwikkelingsbanken, genoemd in bijlage 2C , een risicogewicht van 0%.
3.
In afwijking van de twee vorige leden, heeft het ongestorte gedeelte van de inschrijvingen op het kapitaal van het Europese Investeringsfonds een risicogewicht van 20%.
Artikel 2:16
Vorderingen op de Europese Gemeenschap, het Internationale Monetaire Fonds en de Bank voor Internationale Betalingen hebben een risicogewicht van 0%.
Artikel 2:17
Onverminderd de artikelen 2:18 tot en met 2:22, hebben vorderingen op financiële instellingen die onder toezicht staan van een toezichthoudende instantie en waarvoor prudentiële eisen gelden, gelijkwaardig aan de bij of krachtens de Wet gestelde prudentiële eisen voor financiële ondernemingen, hetzelfde risicogewicht als vorderingen op financiële ondernemingen, tenzij in deze paragraaf anders is bepaald.
1.
Vorderingen op financiële ondernemingen met een resterende looptijd van meer dan drie maanden waarvoor een kredietbeoordeling door een aangewezen kredietbeoordelingsbureau beschikbaar is, hebben een risicogewicht dat is afgeleid van de kredietkwaliteitstrap waarin deze beoordeling is ondergebracht, op de wijze zoals voorzien in tabel A van bijlage 2A .
2.
Vorderingen op financiële ondernemingen met een resterende looptijd van meer dan drie maanden waarvoor geen kredietbeoordeling door een aangewezen kredietbeoordelingsbureau beschikbaar is, hebben een risicogewicht van 50%
3.
In afwijking van het tweede lid kan het risicogewicht van een vordering op een financiële onderneming waarvoor geen kredietbeoordeling door een aangewezen kredietbeoordelingsbureau beschikbaar is, nimmer lager zijn dan het risicogewicht van vorderingen op de centrale overheid van het land waar die financiële onderneming haar statutaire zetel heeft.
1.
Vorderingen op financiële ondernemingen met een resterende looptijd van drie maanden of minder waarvoor een kredietbeoordeling door een aangewezen kredietbeoordelingsbureau beschikbaar is, hebben een risicogewicht dat is afgeleid van de kredietkwaliteitstrap waarin deze beoordeling is ondergebracht, op de wijze zoals voorzien in tabel A van bijlage 2A .
2.
Vorderingen op financiële ondernemingen met een resterende looptijd van drie maanden of minder waarvoor geen kredietbeoordeling door een aangewezen kredietbeoordelingsbureau beschikbaar is, hebben een risicogewicht van 20%.
1.
Als er geen specifieke korte-termijn-kredietbeoordeling van vorderingen is, dan is het eerste lid van het vorige artikel, van overeenkomstige toepassing op alle vorderingen op financiële ondernemingen met een resterende looptijd van ten hoogste drie maanden.
2.
Als er wel een specifieke korte-termijn-kredietbeoordeling is, en de toepassing daarvan zou leiden tot de toekenning van een identiek of lager risicogewicht dan het risicogewicht dat op basis van het eerste lid van het vorige artikel zou moeten worden toegekend, wordt de korte-termijnkredietbeoordeling uitsluitend gebruikt voor de betrokken specifieke vordering. Andere kortlopende vorderingen worden behandeld overeenkomstig het eerste lid van het vorige artikel.
3.
Als er wel een specifieke korte-termijn-kredietbeoordeling is, en de toepassing daarvan zou leiden tot de toekenning van een hoger risicogewicht dan het risicogewicht dat op basis van het eerste lid van het vorige artikel zou moeten worden toegekend, blijft het eerste lid van het vorige artikel buiten toepassing. In plaats daarvan hebben alle kortlopende vorderingen zonder externe kredietbeoordeling het risicogewicht dat volgt uit de specifieke korte-termijn-kredietbeoordeling.
Artikel 2:21
Een financiële onderneming kan aan vorderingen op financiële ondernemingen met een resterende looptijd van ten hoogste drie maanden die luiden in en gefinancierd zijn in de valuta van het land waar de financiële onderneming waarop de vordering bestaat statutair is gevestigd, een risicogewicht toekennen dat één categorie minder gunstig is dan het risicogewicht van de centrale overheid van het betrokken land.
1.
Beleggingen in aandelen of eigenvermogen-instrumenten die door financiële ondernemingen zijn uitgegeven en die ingevolge artikel 94, zevende lid, van het Besluit niet in mindering zijn gebracht op het toetsingsvermogen, hebben een risicogewicht van 400%.
2.
Beleggingen in aandelen of eigenvermogen-instrumenten die door financiële ondernemingen zijn uitgegeven en die niet aan het eerste lid voldoen, hebben een risicogewicht van 100%.
Artikel 2:23
Indien een vordering op een financiële onderneming de vorm heeft van verplichte minimumreserves bij de Europese Centrale Bank of bij de centrale bank van een lidstaat van de Europese Unie, kan op die vordering het risicogewicht van een vordering op de betrokken centrale bank worden toegepast, mits:
a. de reserves worden aangehouden in overeenstemming met Verordening 1745/2003 of een latere communautaire wetgeving die deze verordening vervangt respectievelijk in overeenstemming met nationale bepalingen die materieel geheel equivalent zijn aan voornoemde verordening; en
b. de vordering op grond van de onderliggende overeenkomst in geval van faillissement of insolventie van de financiële onderneming waar de vordering wordt aangehouden, tijdig en volledig moet worden terugbetaald aan de financiële onderneming die de eigenaar is en niet beschikbaar zal zijn om te voldoen aan andere verplichtingen van de financiële onderneming waar de vordering wordt aangehouden.
Artikel 2:24
Vorderingen op ondernemingen waarvoor een kredietbeoordeling door een aangewezen kredietbeoordelingsbureau beschikbaar is, hebben een risicogewicht dat is afgeleid van de kredietkwaliteitstrap waarin deze beoordeling is ondergebracht, op de wijze zoals voorzien in tabel A van bijlage 2A .
Artikel 2:25
Vorderingen op ondernemingen waarvoor geen kredietbeoordeling door een aangewezen kredietbeoordelingsbureau beschikbaar is, hebben een risicogewicht van 100% respectievelijk het risicogewicht dat geldt voor de centrale overheid van het land waar het bedrijf statutair is gevestigd, afhankelijk van welk risicogewicht het hoogste is.
Artikel 2:26
Vorderingen op financiële ondernemingen en financiële instellingen waarop § 2.2.6 van toepassing is, alsmede vorderingen op ondernemingen waarvoor een kredietbeoordeling voor de korte termijn van een aangewezen EKBI beschikbaar is, hebben een risicogewicht dat is afgeleid van de kredietkwaliteitstrap waarin deze beoordeling is ondergebracht, op de wijze zoals voorzien in tabel A van bijlage 2A .
Artikel 2:27
Een vordering die aan de volgende voorwaarden voldoet, heeft een risicogewicht van 75%:
a. het betreft een vordering op één of meer particulieren of op een kleine of middelgrote ondernemimg;
b. de vordering maakt naar waarde gemeten niet meer dan 0,2% uit van een portefeuille van soortgelijke vorderingen;
c. de totale schuld inclusief eventuele achterstallige vorderingen van de betrokken cliënt of groep van verbonden wederpartijen aan de financiële onderneming en haar eventuele moeder- en dochterondernemingen, maar exclusief schulden of voorwaardelijke schulden gedekt door niet-zakelijk onroerend goed, is naar de redelijke inschatting van de financiële onderneming niet groter dan € 1 miljoen; en
d. de vordering is niet in de vorm van effecten.
Artikel 2:28
Vorderingen die volledig door onroerend goed zijn gedekt, hebben een risicogewicht van 100%, tenzij in deze paragraaf anders is bepaald.
Artikel 2:29
De volgende vorderingen of delen van vorderingen die geheel en volledig zijn gedekt als bedoeld in het volgende artikel hebben een risicogewicht van 35%:
a. vorderingen of delen van vorderingen die zijn gedekt door hypotheken op niet-zakelijk onroerend goed dat wordt of zal worden bewoond of verhuurd door de eigenaar;
b. vorderingen of delen van vorderingen die zijn gedekt door aandelen in Finse ondernemingen voor de bouw van woningen die werkzaam zijn volgens de Finse wet op woningbouwverenigingen van 1991 of latere overeenkomstige wetgeving, en die betrekking hebben op niet-zakelijk onroerend goed dat wordt of zal worden bewoond of verhuurd door de eigenaar; en
c. vorderingen op een huurder in het kader van transacties inzake leasing van niet-zakelijk onroerend goed, volgens welke de financiële onderneming de lessor is en de huurder een koopoptie heeft.
Artikel 2:29a
Aan vorderingen waarvoor naar behoren is aangetoond dat zij geheel en volledig gedekt zijn door aandelen in Finse ondernemingen voor de bouw van woningen, welke werkzaam zijn volgens de Finse wet op woningbouwverenigingen van 1991 of latere gelijkwaardige wetgeving ten aanzien van kantoorgebouwen of andere bedrijfsruimten, wordt een risicogewicht van 50 % toegekend.
Artikel 2:30
Een vordering is geheel en volledig gedekt als bedoeld in het vorige artikel indien:
a. de waarde van het onroerend goed niet in wezenlijke mate afhangt van de kredietkwaliteit van de debiteur;
b. het risico van de leningnemer niet in wezenlijke mate afhangt van het rendement van het onderliggende onroerend goed of project, maar veeleer van de onderliggende capaciteit van de leningnemer om de schuld uit andere bronnen terug te betalen;
c. de terugbetaling van de faciliteit als zodanig niet in wezenlijke mate afhangt van enigerlei kasstroom die wordt gegenereerd door het onderliggende onroerend goed dat als zekerheid fungeert;
d. het bedrag van de vordering kleiner dan of gelijk is aan 75% van de waarde van het onroerend goed;
e. de artikelen 4:57 tot en met 4:59 in acht zijn genomen.
Artikel 2:31
Bij een bestaande portefeuille woninghypotheken kan een financiële onderneming ter bepaling van de executiewaarde van de woningen in de portefeuille gebruik maken van de in afdeling 1.2 bedoelde indexatiemethode.
Artikel 2:32
Vorderingen of delen van vorderingen die geheel en volledig zijn gedekt, als bedoeld in artikel 2:30, door één of meer hypotheekrechten op zakelijk onroerend goed gelegen in de Bondsrepubliek Duitsland, hebben een risicogewicht van 50%, indien is voldaan aan de voorwaarden die de Duitse toezichthoudende instantie stelt voor toepassing van een risicogewicht van 50% door financiële ondernemingen gevestigd in de Bondsrepubliek Duitsland.
1.
Het niet-gedekte gedeelte van een post die meer dan 90 dagen achterstallig is, heeft, ongeacht de grootte van dat niet-gedekte gedeelte, een risicogewicht van:
a. 150% indien de specifieke voorzieningen minder dan 20% van het niet-gedekte gedeelte van de vordering voor specifieke voorzieningen bedragen;
b. 100% indien de specifieke voorzieningen 20% of meer van het niet-gedekte gedeelte van de vordering voor specifieke voorzieningen bedragen.
2.
Voor de bepaling van het gedekte gedeelte van de achterstallige post zijn de toelaatbare zekerheden en garanties die, welke toelaatbaar zijn ingevolge hoofdstuk 4.
Artikel 2:34
Indien de in artikel 2:29 bedoelde vorderingen meer dan 90 dagen achterstallig zijn, hebben die vorderingen na aftrek van de specifieke voorzieningen een risicogewicht van 100%. Indien deze specifieke voorzieningen 20% of meer van de vorderingen voor specifieke voorzieningen bedragen, is het op de rest van de vordering toepasselijke risicogewicht 50%.
Artikel 2:35
Indien de in artikel 2:32 bedoelde vorderingen meer dan 90 dagen achterstallig zijn, hebben die vorderingen een risicogewicht van 100%.
Artikel 2:36
De volgende posten hebben een risicogewicht van 150%:
a. investeringen in durfkapitaalfondsen;
b. investeringen in risicokapitaal;
c. vorderingen op debiteuren van wie de externe kredietbeoordeling door een erkend kredietbeoordelingsbureau is ingetrokken.
Artikel 2:37
Niet-achterstallige posten waarvoor overeenkomstig het vorige artikel een risicogewicht van 150% zou gelden én waarvoor specifieke voorzieningen zijn getroffen, hebben een risicogewicht van:
a. 100% indien de specifieke voorziening 20% of meer van de waarde van de vordering voor voorzieningen bedraagt; en
b. 50% indien de specifieke voorziening 50% of meer van de waarde van de vordering voor voorzieningen bedraagt.
Artikel 2:38
Met betrekking tot als zekerheid voor gedekte obligaties verschaft onroerend goed neemt een financiële onderneming de minimumvereisten en de waarderingsregels, bedoeld in paragraaf 4.5.2, in acht.
Artikel 2:39
Voor de behandeling overeenkomstig het volgende artikel komen in aanmerking:
a. gedekte obligaties; en
b. obligaties die aan de definitie van artikel 22, punt 4, van de richtlijn beleggingsinstellingen voldoen en die vóór 31 december 2007 zijn uitgegeven, zulks tot en met hun eindvervaldag.
Artikel 2:40
De toekenning van een risicogewicht aan gedekte obligaties wordt afgeleid van het risicogewicht van preferente niet-gegarandeerde vorderingen op de financiële onderneming die deze obligaties uitgeeft, waarbij tussen de twee genoemde risicogewichten het volgende verband geldt:
a. indien aan de vorderingen op de financiële onderneming een risicogewicht van 20% wordt toegekend, wordt aan de gedekte obligatie een risicogewicht van 10% toegekend;
b. indien aan de vorderingen op de financiële onderneming een risicogewicht van 50% wordt toegekend, wordt aan de gedekte obligatie een risicogewicht van 20% toegekend;
c. indien aan de vorderingen op de financiële onderneming een risicogewicht van 100% wordt toegekend, wordt aan de gedekte obligatie een risicogewicht van 50% toegekend; en
d. indien aan de vorderingen op de financiële onderneming een risicogewicht van 150% wordt toegekend, wordt aan de gedekte obligatie een risicogewicht van 100% toegekend.
Artikel 2:42
Vorderingen op een icb hebben een risicogewicht van 100%, tenzij in deze paragraaf anders is bepaald.
Artikel 2:43
Vorderingen op een icb waarvoor een kredietbeoordeling van een aangewezen kredietbeoordelingsbureau beschikbaar is, hebben een risicogewicht dat is afgeleid van de kredietkwaliteitstrap waarin deze beoordeling is ondergebracht, op de wijze blgvoorzien in tabel A van bijlage 2A .
Artikel 2:44
Posities in een icb waaraan bijzonder grote risico’s verbonden zijn, hebben, ongeacht of daarvoor een kredietbeoordeling van een aangewezen kredietbeoordelingsbureau beschikbaar is, een risicogewicht van 150%.
1.
Een financiële onderneming kan het risicogewicht van een icb, in afwijking van de vorige artikelen, overeenkomstig de volgende artikelen van deze paragraaf vaststellen, indien de icb wordt beheerd door een maatschappij die onderworpen is aan toezicht van een toezichthoudende instantie uit een lidstaat.
2.
Op verzoek kan een financiële onderneming worden toegestaan om het risicogewicht van een icb, in afwijking van de vorige artikelen, overeenkomstig de volgende artikelen van deze paragraaf vast te stellen, indien de icb beheerd wordt door een maatschappij die onderworpen is aan toezicht van een autoriteit uit een lidstaat die geen lid is van de Europese Unie, indien:
a. de toezichtpraktijken en toezichtregelingen van het betrokken lidstaat ten minste gelijkwaardig zijn aan de praktijken en regelingen in de Europese Unie, en
b. de samenwerking tussen DNB en de toezichthoudende instantie van het betrokken derde lidstaat voldoende is gewaarborgd.
3.
Voor de toepassing van het eerste en tweede lid, wordt over de bedrijfsactiviteiten van de icb ten minste jaarlijks op zodanige wijze verslag uitgebracht dat de activa en passiva, evenals de inkomsten en transacties over de verslagperiode kunnen worden beoordeeld.
4.
Voor de toepassing van het eerste en tweede lid, waarborgt de financiële onderneming dat het prospectus, of een daarmee gelijk te stellen document, van de icb bevat:
a. de categorieën activa waarin de icb mag beleggen, en
b. de relatieve beleggingsgrenzen en de methoden om deze te berekenen, voor zover dergelijke grenzen van toepassing zijn.
Artikel 2:46
Indien een financiële onderneming op de hoogte is van de onderliggende posities van een icb, kan zij zich op deze onderliggende posities baseren om een gemiddeld risicogewicht voor de icb te berekenen overeenkomstig de in dit hoofdstuk beschreven methoden.
Artikel 2:47
Indien een financiële onderneming niet op de hoogte is van de onderliggende posities van een icb, kan zij eveneens een gemiddeld risicogewicht voor de icb berekenen overeenkomstig de in dit hoofdstuk beschreven methoden, met dien verstande dat zij daarbij aanneemt dat de icb allereerst tot de toegestane grens belegt in de categorieën posities waarvoor het hoogste solvabiliteitsvereiste geldt en vervolgens belegt in posities waarvoor een steeds verder afnemend solvabiliteitsvereiste geldt totdat de maximale totale beleggingsgrens is bereikt.
Artikel 2:48
Een financiële onderneming kan een beroep doen op een derde om overeenkomstig de in de twee vorige artikelen beschreven methoden een risicogewicht voor de icb te berekenen en te rapporteren, mits de juistheid van de berekening en de rapportage op adequate wijze is gewaarborgd.
Artikel 2:49
Bij overeenkomsten inzake cessie en retrocessie van activa en bij overeenkomsten inzake koop op termijn zonder rugdekking, zijn de risicogewichten die welke gelden voor de desbetreffende activa en niet die van de tegenpartijen bij de overeenkomsten.
1.
Indien een financiële onderneming voor een reeks vorderingen kredietprotectie biedt onder voorwaarde dat een, in het contract vastgesteld, aantal wanbetalingen op de vorderingen aanleiding geeft tot uitbetaling en dat deze kredietgebeurtenis de beëindiging van het contract met zich brengt en indien voor deze vorderingen een externe kredietbeoordeling van een erkend kredietbeoordelingsbureau beschikbaar is, worden de risicogewichten van deze vorderingen overeenkomstig paragraaf 10.4 en artikel 88 van het Besluit vastgesteld.
2.
Indien er voor de vorderingen geen externe kredietbeoordeling van een erkende kredietbeoordelingsbureau beschikbaar is, worden de risicogewichten van alle beschermde vorderingen, op de vorderingen direct voor de vordering die aanleiding geeft tot uitbetaling na, geaggregeerd tot een maximum van 1250% en vermenigvuldigd met het nominale bedrag van de door het kredietderivaat geboden protectie om de risicogewogen actiefpost te verkrijgen.
3.
De vorderingen direct voor de vordering die aanleiding tot uitbetaling geeft en die bij de aggregatie buiten beschouwing worden gelaten, betreffen de afzonderlijke vorderingen waarvoor de risicogewogen post lager is dan de risicogewogen post van elke afzonderlijke vordering die wel in de aggregatie wordt opgenomen.
Artikel 2:51
Goud dat in eigen kluizen wordt bewaard of is toegewezen, voorzover daar verplichtingen in de vorm van goud tegenover staan, en kasmiddelen en gelijkwaardige posten hebben een risicogewicht van 0%.
Artikel 2:52
Liquide middelen in de inningsfase hebben een risicogewicht van 20%.
1.
De volgende activa hebben een risicogewicht van 100%:
a. materiële activa;
b. overlopende posten ten aanzien waarvan de financiële onderneming niet kan vaststellen wie de tegenpartij is;
c. aandelen en andere deelnemingen, die niet aan het tweede lid voldoen; en
d. vorderingen die niet in deze afdeling zijn genoemd.
2.
Aandelen en andere deelnemingen die ingevolge artikel 94, zevende lid, van het Besluit niet in mindering zijn gebracht op het toetsingsvermogen, hebben een risicogewicht van 400%.
1.
Een financiële onderneming kan één of meer erkende kredietbeoordelingsbureaus aanwijzen als de kredietbeoordelingsbureaus waarvan zij de kredietbeoordelingen zal gebruiken voor de bepaling van de risicogewichten die op de actiefposten en de posten, bedoeld in bijlage 2D van toepassing zijn.
2.
Een financiële onderneming die besluit om van de kredietbeoordelingen van een erkend kredietbeoordelingsbureau gebruik te maken, past deze kredietbeoordelingen continu en consequent in de tijd toe.
Artikel 2:55
Een financiële onderneming die besluit om voor een bepaalde categorie posten van de kredietbeoordelingen van een erkend kredietbeoordelingsbureau gebruik te maken, hanteert deze kredietbeoordelingen consequent voor alle vorderingen die tot deze categorie behoren.
Artikel 2:56
Een financiële onderneming maakt uitsluitend gebruik van de kredietbeoordelingen van kredietbeoordelingsbureaus die rekening houden met alle aan die financiële onderneming, zowel in hoofdsom als in rente, verschuldigde bedragen.
1.
Indien voor een post met een externe kredietbeoordeling slechts één kredietbeoordeling van een aangewezen kredietbeoordelingsbureau beschikbaar is, wordt van die kredietbeoordeling gebruik gemaakt voor de bepaling van het risicogewicht van de desbetreffende post.
2.
Indien voor een post met een externe kredietbeoordeling twee of meer kredietbeoordelingen van aangewezen kredietbeoordelingsbureaus beschikbaar zijn, wordt van de op één na gunstigste kredietbeoordeling gebruik gemaakt voor de bepaling van het risicogewicht. Indien de twee gunstigste kredietbeoordelingen leiden tot een gelijk risicogewicht, wordt dat risicogewicht toegepast.
Artikel 2:58
Indien een kredietbeoordeling bestaat voor een specifiek uitgifteprogramma of een specifieke uitgiftefaciliteit waarvan de met de post overeenkomende vordering deel uitmaakt, wordt van deze kredietbeoordeling gebruik gemaakt voor de bepaling van het risicogewicht.
Artikel 2:59
Indien voor een bepaalde post geen rechtstreeks toepasselijke kredietbeoordeling beschikbaar is, maar er een kredietbeoordeling beschikbaar is voor een specifiek uitgifteprogramma of een specifieke uitgiftefaciliteit waarvan de met de post overeenkomende vordering geen deel uitmaakt, dan wel een algemene kredietbeoordeling beschikbaar is voor de uitgevende partij, dan wordt van die kredietbeoordeling gebruik gemaakt, indien:
a. deze een hoger risicogewicht oplevert dan anderszins het geval zou zijn; of
b. deze een lager risicogewicht oplevert en de vordering in kwestie in alle opzichten van gelijke of hogere rang is dan het specifieke uitgifteprogramma, de specifieke uitgiftefaciliteit, of de niet door zekerheden gedekte vorderingen van een hogere rangorde van die uitgevende financiële onderneming.
1.
Kredietbeoordelingen voor de korte termijn worden alleen gebruikt voor actiefposten en posten als bedoeld in bijlage 2D , die vorderingen op korte termijn op financiële ondernemingen en ondernemingen vertegenwoordigen.
2.
Een kredietbeoordeling voor de korte termijn is uitsluitend van toepassing op de post waarop deze kredietbeoordeling betrekking heeft en mag niet worden gebruikt voor de bepaling van risicogewichten voor andere posten.
3.
Indien aan een faciliteit met een korte-termijnrating een risicogewicht van 150% wordt toegekend, wordt in afwijking van het vorige lid aan alle niet-gegarandeerde vorderingen zonder rating op de betrokken debiteur, ongeacht of deze kortlopend dan wel langlopend zijn, eveneens een risicogewicht van 150% toegekend.
4.
Indien aan een faciliteit met een korte-termijnrating een risicogewicht van 50% wordt toegekend, wordt in afwijking van het tweede lid aan geen enkele kortlopende vordering zonder rating een risicogewicht van minder dan 100% toegekend.
Artikel 2:61
Een kredietbeoordeling die betrekking heeft op een post die in de nationale valuta van de debiteur luidt, kan niet worden gebruikt voor de bepaling van het risicogewicht voor een andere vordering op dezelfde debiteur die in een buitenlandse valuta luidt.
Artikel 2:62
Indien er een vordering ontstaat als gevolg van de deelneming van een financiële onderneming in een lening die is verstrekt door een multilaterale ontwikkelingsbank waarvan de status van preferente crediteur in de markt wordt erkend, kan een financiële onderneming in afwijking van het vorige artikel voor de bepaling van het risicogewicht de kredietbeoordeling gebruiken van een post die in de nationale valuta van de debiteur luidt.
Artikel 3:1
In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:
a. een onderneming die nevendiensten verricht : een onderneming als bedoeld in artikel 3:268, eerste lid, onderdeel h, van de Wet;
b. financiering van inkomsten genererend vastgoed : een financieringsmethode waarbij de terugbetalingsverplichting wordt voldaan uit inkomsten die uit vastgoed zijn gegenereerd, waaronder in ieder geval huurpenningen, lease-inkomsten en inkomsten uit de verkoop van het vastgoed;
c. grondstofhandelsfinanciering : een financieringsmethode gericht op de financiering van beursverhandelde grondstoffen, met een zelf-liquiderend karakter van de vorderingen in de zin dat de terugbetalingsverplichting wordt voldaan uit de verkoopopbrengsten van grondstoffen en de debiteur verder, naast de structurering van de transactie, geen onafhankelijke capaciteit heeft om de lening terug te betalen;
d. interne audit functie : de onafhankelijk gepositioneerde en rechtstreeks onder het bestuur ressorterende functie, die belast is met de toetsing en beoordeling van de organisatie-inrichting en het beheersingsmechanisme;
e. objectfinanciering : een financieringsmethode waarbij de nakoming van de terugbetalingsverplichting primair en vrijwel volledig afhankelijk is van de opbrengsten van de verbonden activa, welke als onderpand bij de lening dienen;
f. projectfinanciering : een financieringsmethode waarbij de nakoming van de terugbetalingsverplichting primair en vrijwel volledig afhankelijk is van de opbrengsten van het te financieren project; en
g. ratingsysteem : een systeem dat alle methoden, processen, maatregelen en systemen omvat, die de beoordeling van het kredietrisico, de onderbrenging van debiteuren en vorderingen in klassen of groepen (rating) en de kwantificering van ramingen betreffende wanbetalingen, verliezen bij wanbetaling en omrekeningsfactoren voor een bepaald type debiteur of vordering ondersteunen.
1.
Bij het verzoek als bedoeld in artikel 69, eerste lid, van het Besluit worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
a. een algemene beschrijving van de wijze waarop de financiële onderneming de IRB toepast;
b. een risk management raamwerk;
c. een overzicht van door de financiële onderneming gehanteerde ratingsystemen;
d. een analyse van de impact op de solvabiliteit van de financiële onderneming bij de overgang op de IRB;
e. een eigen beoordeling (self assessment) of aan de bij het Besluit gestelde regels wordt voldaan.
2.
Een financiële onderneming die gebruik wenst te maken van de in artikel 76 van het Besluit bedoelde vrijstellingen, verstrekt met het verzoek ook een overzicht van de vorderingen die onder de standaardbenadering blijven vallen. Dit overzicht gaat vergezeld met een motivatie voor deze keuze, een inschatting van het aan deze vorderingen verbonden risico en een indicatie van de relatieve waarde van deze vorderingen.
1.
Een financiële onderneming kan toestemming krijgen voor het toepassen van Eenvoudige IRB of van Geavanceerd IRB. Een permanente mix van Eenvoudige IRB en Geavanceerd IRB is niet toegestaan.
2.
In afwijking van het eerste lid, kunnen vorderingen als bedoeld in artikel 3:6, eerste lid,
permanent onder Eenvoudige IRB worden behandeld, ook als de financiële onderneming voor de overige vorderingen Geavanceerd IRB toepast.
3.
In afwijking van het eerste lid, kunnen vorderingen als bedoeld in artikel 71, eerste lid, onderdeel d, van het Besluit , uitsluitend onder Geavanceerd IRB worden behandeld, ook als de financiële onderneming voor de overige vorderingen Eenvoudige IRB toepast.
4.
Mits de instelling toestemming heeft gekregen om de standaardbenadering toe te passen op vorderingen op instellingen, centrale overheden, centrale banken en ondernemingen die voldoen aan eisen van artikel 4:75, eerste lid, onderdeel g, gelden de eisen van paragraaf 4.7.4 niet.
Artikel 3:4
In de categorie genoemd in artikel 71, eerste lid, onderdeel a, van het Besluit , worden tevens de volgende vorderingen ondergebracht:
a. vorderingen op regionale, lokale overheden of publiekrechtelijke lichamen die ingevolge de artikelen 2:8, 2:11, tweede lid, of 2:12, worden behandeld als vorderingen op centrale overheden;
b. vorderingen op multilaterale ontwikkelingsbanken of internationale organisaties die ingevolge de artikelen 2:15, tweede lid, of 2:16 een risicogewicht van 0% hebben.
Artikel 3:5
In de categorie genoemd in artikel 71, eerste lid, onderdeel b, van het Besluit , worden tevens de volgende vorderingen ondergebracht:
a. vorderingen op regionale en lokale overheden die niet ingevolge artikel 2:7 worden behandeld als vorderingen op centrale overheden;
b. vorderingen op publiekrechtelijke lichamen die ingevolge artikel 2:12 worden behandeld als vorderingen op financiële ondernemingen;
c. vorderingen op multilaterale ontwikkelingsbanken die niet ingevolge artikel 2:15, tweede lid, een risicogewicht van 0% hebben.
1.
In de categorie genoemd in artikel 71, eerste lid, onderdeel c, van het Besluit , worden vorderingen apart geregistreerd als ‘vorderingen uit hoofde van gespecialiseerde kredietverlening’ als ze de volgende kenmerken bezitten:
a. de vordering heeft betrekking op een entiteit die speciaal ten doel heeft om activa te financieren of te beheren;
b. in het contract is geregeld dat de kredietverlener een grote zeggenschap heeft over de activa en de inkomsten die daarmee worden gegenereerd; en
c. de afbetaling van de verplichting is vooral afhankelijk van de inkomsten die met de gefinancierde activa worden gegenereerd, en niet zozeer aan de algemene betaalcapaciteit van een in breder verband opererende commerciële onderneming.
2.
Een financiële onderneming maakt bij de aparte registratie, bedoeld in het eerste lid, onderscheid in de navolgende soorten financiering:
a. projectfinanciering;
b. objectfinanciering;
c. grondstofhandelsfinanciering; of
d. financiering van inkomsten genererend vastgoed.
3.
Vorderingen die de in het eerste lid genoemde kenmerken bezitten, maar onder geen van de financieringssoorten, genoemd in het tweede lid, kunnen worden ondergebracht, worden voor de toepassing van IRB geregistreerd als projectfinanciering.
1.
In de categorie genoemd in artikel 71, eerste lid, onderdeel d, van het Besluit , worden uitsluitend vorderingen ondergebracht die voldoen aan de volgende voorwaarden:
a. zij hebben betrekking op één of meer natuurlijke personen respectievelijk op een kleine of middelgrote onderneming;
b. zij worden in het interne risicobeheer van de financiële onderneming door de tijd heen gezien consistent en op dezelfde wijze behandeld;
c. zij worden niet op individuele basis beheerd; en
d. zij maken elk deel uit van een groot aantal op gelijke wijze beheerde vorderingen.
2.
Indien de vordering betrekking heeft op een kleine of middelgrote onderneming, geldt als aanvullende voorwaarde dat het totale bedrag dat de debiteur of de groep van verbonden debiteuren verschuldigd is aan de financiële onderneming, daaronder begrepen zowel de moederonderneming als haar dochterondernemingen, niet meer dan € 1 miljoen mag bedragen. Het bedrag dat aan deze grens wordt gerelateerd, wordt bepaald met inbegrip van de achterstallige posten, maar exclusief vorderingen gedekt door zekerheden in de vorm van niet-zakelijk onroerend goed. De financiële onderneming spant zich redelijkerwijs in om zich ervan te overtuigen dat aan laatstgenoemde eis is voldaan.
3.
In de categorie genoemd in artikel 71, eerste lid, onderdeel d, van het Besluit , worden voorts uitsluitend ‘door onroerend goed gegarandeerde vorderingen’ ondergebracht die voldoen aan de volgende voorwaarden:
a. geen van de tegenpartijen bezit meer dan 5 onroerend goed objecten waarop hypotheekleningen zijn verstrekt door de financiële onderneming; en
b. geen van de in het vorige onderdeel genoemde onroerend goed objecten bestaat uit meer dan 5 wooneenheden.
4.
In de categorie genoemd in artikel 71, eerste lid, onderdeel d, van het Besluit kan tenslotte tevens de contante waarde van de minimale betalingen in verband met consumptieve leasing worden ingedeeld.
1.
Binnen de categorie genoemd in artikel 71, eerste lid, onderdeel d, van het Besluit , wordt onderscheid gemaakt in:
a. door onroerend goed gegarandeerde vorderingen;
b. gekwalificeerde revolverende vorderingen; en
c. overige vorderingen op particulieren of kleine of middelgrote ondernemingen.
2.
Vorderingen worden slechts als gekwalificeerde revolverende vorderingen onderscheiden indien:
a. het gaat om posities ten opzichte van particulieren;
b. het gaat om revolverende en niet van zekerheden voorziene posities, welke, voorzover de kredietlijnen niet zijn aangesproken, onmiddellijk en onvoorwaardelijk door de financiële onderneming zijn op te zeggen;
c. de totale vordering op één enkele persoon in de subportefeuille maximaal € 100.000 bedraagt; en
d. het gebruik van een correlatiefactor van 0,04 is beperkt tot portefeuilles die gekenmerkt werden door een lage, bij die correlatiefactor passende, volatiliteit van de verliespercentages in vergelijking met het gemiddelde niveau van hun verliespercentages, vooral in de lage PD-banden.
3.
Voor de toepassing van het tweede lid, onderdeel d, beoordeelt de financiële onderneming de volatiliteit van de verliespercentages van zowel alle gekwalificeerde revolverende subportefeuilles afzonderlijk als de geaggregeerde gekwalificeerde revolverende portefeuille en relateert deze volatiliteit aan die van de andere subcategorieën genoemd in het eerste lid.
Artikel 3:9
In de categorie genoemd in artikel 71, eerste lid, onderdeel e, van het Besluit , worden tevens de volgende vorderingen ondergebracht:
a. indirecte posities in aandelen;
b. andere posities dan schulden die een achtergestelde restvordering op de activa of het vermogen van de uitgevende financiële onderneming vormen;
c. schuldvorderingen waarvan de belangrijkste economische kenmerken overeenkomen met die van de vorderingen, bedoeld in onderdeel b.
Artikel 3:10
In de categorie genoemd in artikel 71, eerste lid, onderdeel g, van het Besluit ,wordt ook de restwaarde van geleased onroerend goed opgenomen, voor zover deze restwaarde niet reeds onder ‘vorderingen uit hoofde van een lease-overeenkomst’ als bedoeld in artikel 3:54, vierde lid, valt.
Artikel 3:11
Garanties als bedoeld in artikel 4:83 worden aangemerkt als ‘overheidsgaranties’ dan wel als ‘door de overheid herverzekerde garanties’ als bedoeld in artikel 76, eerste lid, onderdeel h, van het Besluit .
1.
De in artikel 70, eerste lid, van het Besluit bedoelde toestemming voor een stapsgewijze invoering van de IRB wordt verleend, indien:
a. de financiële onderneming over een uitrolplan beschikt;
b. de financiële onderneming structuren heeft opgezet om de uitrol projectmatig te beheersen, waaronder de maatregel dat de uitrol vanuit een hoog managementniveau binnen de financiële onderneming wordt aangestuurd; en
c. op basis van het uitrolplan en de invulling van de projectstructuur redelijkerwijs kan worden verwacht dat de financiële onderneming binnen een periode van drie jaar alle daarvoor in aanmerking komende vorderingen onder de door haar gekozen vorm van de IRB heeft gebracht.
2.
Het in het eerste lid genoemde uitrolplan wordt ter voorafgaande goedkeuring aan DNB voorgelegd en bevat ten minste de volgende gegevens:
a. welke IRB-vorm de financiële onderneming wenst in te voeren;
b. welke volgorde van uitrol de financiële onderneming zal hanteren, zulks onderbouwd vanuit risicomanagement en operationeel oogpunt;
c. wat de inzet van mensen en middelen zal zijn;
d. voor welke bedrijfsonderdelen op welk moment de solvabiliteitsvereisten op basis van de IRB zullen worden berekend; en
e. welke activiteiten, op hoofdlijnen, de financiële onderneming in een specifiek bedrijfsonderdeel nog moet uitvoeren om te kunnen overgaan tot het berekenen van de solvabiliteitsvereisten op basis van de IRB.
3.
Voor het volgens de IRB berekenen van de solvabiliteitsvereisten voor een specifiek bedrijfsonderdeel of categorie als bedoeld in artikel 71 van het Besluit , is afzonderlijke toestemming van DNB vereist. Bij het verzoek om deze toestemming worden de in artikel 3:2, eerste lid, onderdelen d en e, bedoelde gegevens verstrekt.
1.
Voor elke vorm van stapsgewijze invoering van de IRB als bedoeld in artikel 70, eerste lid, van het Besluit geldt dat:
a. de overgangsperiode waarbinnen een stapsgewijze invoering voltooid moet zijn drie jaar is, ongeacht de vorm van de IRB die een financiële onderneming bij implementatie wil toepassen;
b. de uitrol van Geavanceerd IRB niet kan beginnen voordat de stapsgewijze invoering van Eenvoudige IRB volledig is voltooid;
c. het, door middel van een ‘strategische uitrol’ gedurende de uitrolperiode minimaliseren van de solvabiliteitsvereisten, niet is toegestaan; en
d. tijdens de uitrolperiode artikel 25a van het Besluit onverminderd van toepassing is.
2.
Indien IRB in een bedrijfsonderdeel wordt uitgerold ten aanzien van de categorie genoemd in artikel 71, eerste lid, onderdeel c, van het Besluit , wordt IRB ook uitgerold over de subcategorie genoemd in artikel 3:6, eerste lid.
1.
Een financiële onderneming verzamelt vanaf de start van de uitrol voor alle vorderingen waarover overeenkomstig het goedgekeurde uitrolplan een vorm van de IRB uitgerold zal worden, de volgende, voor IRB relevante, gegevens:
a. voor vorderingen die onder de categorieën, genoemd in artikel 71, eerste lid, onderdeel a, b of c, van het Besluit zijn ondergebracht: de gegevens genoemd in artikel 3:74, tweede lid, onderdelen e en f, en de gegevens bedoeld in artikel 3:74, vierde lid, onderdelen e en g, voorzover deze betrekking hebben op gerealiseerde wanbetalingen; en
b. voor vorderingen die onder de categorie, genoemd in artikel 71, eerste lid, onderdeel d, van het Besluit zijn ondergebracht: de gegevens, genoemd in artikel 3:75,tweede lid, onderdelen c, d en e, voorzover deze betrekking hebben op gerealiseerde wanbetalingen.
2.
Gedurende de uitrolperiode, alsook bij een uitbreiding van de toepassing van de IRB ná de uitrolperiode, publiceert de financiële onderneming ten minste één keer per jaar vergelijkende cijfers ten aanzien van de in dat jaar onder IRB gebrachte vorderingen.
1.
Een financiële onderneming informeert DNB onverwijld van wijzigingen of problemen die het realiseren van het uitrolplan in gevaar kunnen brengen.
2.
Bij veranderde omstandigheden, die kunnen leiden tot significante afwijkingen van het goedgekeurde uitrolplan, stelt de financiële onderneming een herzien uitrolplan op en legt dat ter goedkeuring voor aan DNB. Het herzien uitrolplan bevat tenminste de in artikel 3:12, tweede lid, bedoelde gegevens.
1.
De voor kredietrisico gewogen activa en posten buiten de balanstelling die verband houden met vorderingen die zijn ondergebracht in één van de categorieën genoemd in artikel 71, eerste lid, onderdelen a tot en met e, en g, van het Besluit , worden, als ze niet op het toetsingsvermogen in mindering worden gebracht, berekend op basis van de methodiek neergelegd in de artikelen 3:20 tot en met 3:33.
2.
De voor het verwateringsrisico gewogen posten die verband houden met gekochte kortlopende handelsvorderingen, zowel die met als die zonder verhaalsmogelijkheden op de verkoper, worden berekend op basis van artikel 3:34.
3.
Indien een financiële onderneming ten aanzien van gekochte kortlopende vorderingen wegens het kredietrisico en verwateringsrisico volledig verhaal kan halen op de verkoper van de gekochte kortlopende vorderingen, kunnen de in dit hoofdstuk gestelde speficieke normen ten aanzien van de berekening van de naar risico gewogen posten voor gekochte kortlopende handelsvorderingen buiten toepassing blijven. De vorderingen kunnen in plaats daarvan worden behandeld als ‘door zekerheden afgedekte vorderingen’.
1.
De inputparameters kans op wanbetaling (PD), verlies bij wanbetaling (LGD), looptijd (M) en waarde van de vordering, bedoeld in artikel 73 van het Besluit , worden bepaald overeenkomstig de afdelingen 3.4, 3.5 en 3.6.
2.
Onverminderd het eerste lid, kunnen de risicogewogen posten die verband houden met vorderingen uit hoofde van de subcategorieën genoemd artikel 3:6, eerste lid, worden berekend volgens de methode zoals beschreven in artikel 3:21.
3.
Onverminderd het eerste lid, worden de risicogewogen posten die verband houden met alle posities die zijn ondergebracht in de categorie genoemd in artikel 71, eerste lid, onderdeel e, van het Besluit , berekend op basis van één van de methoden genoemd in de artikelen 3:27 tot en met 3:32.
4.
Onverminderd het eerste lid, worden de risicogewogen posten die verband houden met alle posities die zijn ondergebracht in de categorie genoemd in artikel 71, eerste lid, onderdeel g, van het Besluit , berekend op basis van één van de methoden genoemd in artikel 3:33
Artikel 3:18
Een financiële onderneming die de Eenvoudige IRB toepast voor vorderingen die zijn ondergebracht in één van de categorieën genoemd in artikel 71, eerste lid, onderdelen a tot en met c, van het Besluit past de LGD-waarden van artikel 3:44 toe en past tevens de omrekeningsfactoren toe zoals bepaald op basis van artikel 3:58, eerste lid.
1.
Bij vorderingen die zijn ondergebracht in één van de categorieën genoemd in artikel 71, eerste lid, onderdelen a tot en met e, van het Besluit worden de verwachte verliesposten berekend op basis van de methodieken bedoeld in de artikelen 3:35 tot en met 3:37.
2.
De verwachte verliesposten in verband met het verwateringsrisico van gekochte kortlopende handelsvorderingen worden berekend op basis van de methodieken genoemd in artikel 3:38.
1.
Behoudens het tweede lid en de overige artikelen van deze paragraaf worden de risicogewogen posten voor vorderingen die zijn ondergebracht in één van de categorieën genoemd in artikel 71, eerste lid, onderdelen a tot en met c, van het Besluit berekend volgens de formules 1 tot en met 4 van bijlage 3 . De risicogewogen posten voor vorderingen die voldoen aan de vereisten van de artikelen 4:76, 4:88 en 4:89 kunnen worden aangepast volgens formule 4a van bijlage 3 .
2.
Voor vorderingen op ondernemingen waarvan de totale jaaromzet van de geconsolideerde groep waarvan de onderneming deel uitmaakt minder is dan € 50 miljoen kan de financiële onderneming in plaats van formule 1 van bijlage 3 gebruik maken van formule 5 van bijlage 3 om de correlatiefactor te bepalen.
3.
Om bij gekochte kortlopende handelsvorderingen te bepalen of gebruik kan worden gemaakt van formule 5 van bijlage 3 , wordt uitgegaan van de gewogen gemiddelde totale jaaromzet van de ondernemingen waarop de individuele handelsvorderingen in de pool betrekking hebben.
4.
Indien de totale activa een relevantere indicator vormt voor de omvang van de onderneming dan de totale jaaromzet, wordt op basis van de totale activa van de geconsolideerde groep bepaald of de aangepaste correlatiefactor kan worden toegepast.
1.
Indien een financiële onderneming voor één of meer van de subcategorieën genoemd in artikel 3:6 niet kan voldoen aan de in afdeling 3.6 vastgestelde minimumvereisten voor PD-ramingen, past zij voor de bepaling van de risicogewichten voor vorderingen uit deze onderdelen tabel 1 van bijlage 3 toe.
2.
Een financiële onderneming kan aan de vorderingen met een resterende looptijd van 2,5 jaar of meer in categorie 1 van de in het eerste lid bedoelde tabel een risicogewicht van 50% toekennen en kan aan dergelijke vorderingen in categorie 2 van die tabel een risicogewicht van 70% toe kennen, mits zij kan aantonen dat de risicokenmerken van de vordering voor de desbetreffende categorie substantieel positiever zijn dan normaal voor die categorie.
3.
Bij de toekenning van risicogewichten aan vorderingen overeenkomstig het eerste lid houden financiële ondernemingen rekening met de volgende factoren:
a. financiële draagkracht van het specifieke project respectievelijk van de tegenpartij;
b. politieke en juridische omgeving;
c. kenmerken van de transactie of activa;
d. financiële draagkracht van de sponsor en ontwikkelaar, met inbegrip van enigerlei inkomstenstroom uit hoofde van een publiek-privaat partnerschap of garantiepakket.
1.
Financiële ondernemingen voldoen voor gekochte kortlopende handelsvorderingen op tegenpartijen die zijn ondergebracht in de categorie genoemd in artikel 71, eerste lid, onderdeel c, van het Besluit aan de minimumvereisten van artikel 3:84 en passen voor de bepaling van de risicogewogen posten dezelfde methodieken toe als voorgeschreven in artikel 3:20, eerste lid.
2.
Voor gekochte kortlopende handelsvorderingen die kleiner zijn dan € 100.000, die aan de in artikel 3:25, eerste lid, gestelde voorwaarden voldoen en waarvoor het voor de financiële onderneming te belastend zou zijn om de in afdeling 3.6 bedoelde normen voor risicokwantificering van vorderingen op ondernemingen toe te passen, kan gebruik worden gemaakt van de in afdeling 3.6 bedoelde normen voor de risicokwantificering van vorderingen op particulieren en kleine of middelgrote ondernemingen.
3.
Bij gekochte kortlopende handelsvorderingen op ondernemingen kunnen het restitueerbare disagio op aankopen, zekerheden of gedeeltelijke garanties die protectie tegen het eerste verlies bij verliezen bij wanbetaling, tegen verwateringsverliezen of tegen beide bieden, onder toepassing van titel 6.5, als eerste-verliesposities worden behandeld.
1.
Wanneer een financiële onderneming voor een reeks vorderingen kredietprotectie biedt onder de voorwaarde dat een, in het contract tussen partijen vastgesteld, aantal wanbetalingen (n) op de vorderingen aanleiding geeft tot uitbetaling en dat deze kredietgebeurtenis de beëindiging van het contract met zich brengt, zijn de in paragraaf 6.5.3.2 bedoelde risicogewichten van toepassing indien voor het product een externe kredietbeoordeling van een erkend kredietbeoordelingsbureau beschikbaar is.
2.
Indien er voor het product geen kredietbeoordeling van een erkend kredietbeoordelingsbureau beschikbaar is, worden de risicogewichten van alle beschermde vorderingen, op n -1 vorderingen na, geaggregeerd, waarbij de som van de verwachte verliespost vermenigvuldigd met 12,5 en de risicogewogen post niet hoger mag zijn dan het nominale bedrag van de door het kredietderivaat geboden protectie vermenigvuldigd met 12,5.
3.
De n -1 vorderingen die bij de aggregatie buiten beschouwing worden gelaten, betreffen iedere vordering waarvoor de risicogewogen post lager is dan de risicogewogen post voor de andere vorderingen die in de aggregatie zijn opgenomen.
1.
Onverminderd het tweede en derde lid worden de risicogewogen posten voor vorderingen die zijn ondergebracht in de categorie genoemd in artikel 71, eerste lid, onderdeel d, van het Besluit , berekend volgens de formules 6, 7 en 8 van bijlage 3 . De risicogewogen posten voor vorderingen op kleine en middelgrote ondernemingen die voldoen aan de vereisten van de artikelen 4:76, 4:88 en 4:89 kunnen worden aangepast volgens formule 4a van bijlage 3 .
2.
Bij door onroerend goed gegarandeerde vorderingen op particulieren of op kleine of middelgrote ondernemingen past de financiële onderneming, in plaats van formule 6 van bijlage 3 , een correlatiefactor (R) van 0,15 toe.
3.
Bij gekwalificeerde revolverende posities ten opzichte van particulieren, past de financiële onderneming, in plaats van formule 6 van bijlage 3 , een correlatie (R) van 0,04 toe.
1.
Een financiële onderneming past voor de bepaling van de risicogewogen posten voor gekochte kortlopende handelsvorderingen op een particulier of op een kleine of middelgrote onderneming die is ondergebracht in de categorie genoemd in artikel 71, eerste lid, onderdeel d, van het Besluit , dezelfde methodieken toe als bedoeld in artikel 3:24, en voldoet aan de minimumvereisten van artikel 3:84. Tevens voldoet zij aan de volgende voorwaarden:
a. de financiële onderneming heeft de kortlopende handelsvorderingen gekocht van niet-verbonden, derde verkopers en haar vordering op de debiteur van de vordering omvat geen vorderingen die rechtstreeks of middellijk hun oorsprong vinden bij de financiële onderneming zelf;
b. de gekochte kortlopende handelsvorderingen zijn op marktconforme wijze tot stand gekomen tussen de verkoper en de debiteur, en kunnen niet betreffen ‘te ontvangen posten’ of ‘kortlopende handelsvorderingen’ opgenomen in tegenrekeningen tussen ondernemingen die van elkaar kopen en aan elkaar verkopen;
c. de kopende financiële onderneming heeft recht op alle respectievelijk een evenredig aandeel in de opbrengsten van de gekochte kortlopende handelsvorderingen; en
d. de pool van gekochte kortlopende handelsvorderingen is voldoende gespreid, in die zin dat geen enkele gekochte kortlopende handelsvorderingen op één tegenpartij groter is dan 0,2% van de pool waarin deze is opgenomen.
2.
Bij gekochte kortlopende handelsvorderingen op een particulier of op een kleine of middelgrote onderneming kunnen het restitueerbare disagio op aankopen, zekerheden of gedeeltelijke garanties die protectie voor het eerste verlies bij verliezen bij wanbetaling, verwateringsverliezen of beide bieden, onder toepassing van titel 6.5, als eerste-verliesposities worden behandeld
3.
Bij hybride pools van gekochte kortlopende handelsvorderingen op particulieren of op kleine of middelgrote ondernemingen waarbij de kopende financiële onderneming door onroerend goed gegarandeerde vorderingen of gekwalificeerde revolverende posities ten opzichte van particulieren en kleine of middelgrote ondernemingen niet kan of wil onderscheiden van andere vorderingen op particulieren of op kleine of middelgrote ondernemingen, is de risicogewichtenfunctie van toepassing die de hoogste solvabiliteitsvereisten voor deze vorderingen oplevert.
1.
Voor de berekening van de risicogewogen posten voor vorderingen die zijn ondergebracht in de categorie genoemd in artikel 71, eerste lid, onderdeel e, van het Besluit , kan gebruik worden gemaakt van de eenvoudige risicogewichtenbenadering, de interne-modellenbenadering of de PD/LGD-benadering. In afwijking van de vorige volzin, hebben posities in aandelen als bedoeld in artikel 71, eerste lid, onderdeel e, van het Besluit die ingevolge artikel 94, zevende lid, van het Besluit niet in mindering zijn gebracht op het eigen vermogen een risicogewicht van 400%.
2.
Een financiële onderneming kan verschillende benaderingen voor verschillende portefeuilles volgen wanneer zij deze verschillende benaderingen ook intern volgt en wanneer de verschillende benaderingen consequent worden toegepast op de verschillende portefeuilles.
3.
De keuze voor verschillende benaderingen mag niet zijn ingegeven door redenen van kapitaalsarbitrage.
4.
In afwijking van het eerste lid, kan een financiële onderneming de risicogewogen posten voor posities in aandelen van ondernemingen die nevendiensten verrichten bepalen volgens artikel 3:33. Deze mogelijkheid geldt alleen voor ondernemingen die uitsluitend nevendiensten verrichten op niet commerciële basis ten behoeve van de financiële onderneming, dan wel uitsluitend ten behoeve van een groep van financiële ondernemingen waar de financiële onderneming deel van uit maakt, die gezamenlijk volledig eigenaar zijn van de onderneming die de nevendiensten verricht.
1.
Bij de eenvoudige risicogewichtenbenadering worden de risicogewogen posten voor posities in aandelen berekend volgens formule 9 in bijlage 3 .
2.
Bij de eenvoudige risicogewichtenbenadering is het toegestaan om met short cash posities en afgeleide instrumenten, die zijn opgenomen in de niet-handelsportefeuille, long posities in dezelfde individuele aandelen af te dekken, mits de eerstgenoemde instrumenten uitdrukkelijk als dekkingsinstrumenten van specifieke posities in aandelen worden aangemerkt en mits zij nog voor ten minste één jaar dekking verschaffen. Bij posities waarvan de looptijden van elkaar verschillen, is voor de bepaling van het effect van het looptijdverschil afdeling 4.9 van overeenkomstige toepassing.
3.
Andere short posities, dan bedoeld in het tweede lid, worden behandeld als long posities, waarbij op de absolute waarde van elke positie het relevante risicogewicht wordt toegepast.
4.
Bij de eenvoudige risicogewichtenbenadering kan een financiële onderneming voor een positie in aandelen met niet-volgestorte kredietprotectie rekening houden. In afwijking van het eerste lid, wordt het risicogewicht berekend volgens artikel 3:29. Op die berekening zijn de vereisten van artikel 3:29, derde lid, van overeenkomstige toepassing.
1.
Bij de interne-modellenbenadering is de risicogewogen post voor de posities in aandelen gelijk aan het potentiële verlies op de posities in aandelen van een financiële onderneming, zoals bepaald aan de hand van interne VaR-modellen met een eenzijdig betrouwbaarheidsinterval van 99% van het verschil tussen driemaandelijkse rendementen en aan de hand van een passend risicovrij percentage berekend over een lange periode, vermenigvuldigd met 12,5.
2.
De financiële onderneming neemt bij de ontwikkeling van de interne VaR-modellen artikel 3:86 in acht.
3.
Bij de interne-modellenbenadering kan op het niveau van de aandelenportefeuille de risicogewogen post niet minder zijn dan de som van de bij de PD/LGD-benadering vereiste minimale risicogewogen post en de overeenkomstige verwachte verliespost vermenigvuldigd met 12,5 en berekend op basis van de in artikel 3:54, tweede lid, onderdeel a, genoemde PD-waarde, de bijbehorende, in artikel 3:55 genoemde LGD-waarden en de in artikel 3:56 opgenomen waarde van M.
4.
Bij de interne-modellenbenadering kan de financiële onderneming voor een positie in aandelen rekening houden met een niet-volgestorte kredietprotectie. De financiële onderneming ontwikkelt een consistente en verklaarbare methodiek om het effect van niet-volgestorte kredietprotectie op de posities in aandelen te kunnen bepalen. Onverminderd het derde lid, is, voor zover relevant, artikel 3:83 van overeenkomstige toepassing op de niet-volgestorte kredietprotectie.
1.
Bij de PD/LGD-benadering worden de risicogewogen posten berekend volgens de formules bedoeld in artikel 3:20, eerste lid. Indien een financiële onderneming niet over voldoende informatie beschikt om de in artikel 1 van het Besluit en artikel 3:40 van deze regeling vervatte definitie van wanbetaling te gebruiken, worden de risicogewichten vermenigvuldigd met een factor 1,5.
2.
Bij de PD/LGD-benadering bedraagt, op het niveau van de individuele positie in aandelen, de som van verwachte verliespost vermenigvuldigd met 12,5 en de risicogewogen post niet meer dan de waarde van de vordering vermenigvuldigd met 12,5.
3.
Bij de PD/LGD-benadering kan de financiële onderneming voor een positie in aandelen rekening houden met een niet-volgestorte kredietprotectie, volgens de in artikel 4:93, derde en vijfde lid, bedoelde methode. Voor de bepaling van LGD en M is artikel 3:52 van overeenkomstige toepassing.
1.
Als vorderingen in de vorm van aandelen in een instelling voor collectieve belegging voldoen aan de criteria van artikel 2:45 en een financiële onderneming op de hoogte is van alle onderliggende vorderingen van de instelling voor collectieve belegging, kijkt zij door naar de onderliggende vorderingen en berekent de risicogewogen posten en de verwachte verliesposten van de onderliggende vorderingen, op basis van de IRB-methodieken.
2.
Indien aan de voorwaarden van het eerste lid, eerste zinsnede, is voldaan, maar de financiële onderneming IRB niet toe past op de categorie onderliggende vorderingen, worden de risicogewogen posten en de verwachte verliesposten als volgt berekend:
a. bij vorderingen die zijn ondergebracht in de categorie genoemd in artikel 71, eerste lid, onderdeel e, van het Besluit , wordt de benadering van artikel 3:27 gehanteerd. Als de financiële onderneming geen onderscheid kan of wil maken tussen posities in ‘niet ter beurze verhandelde’, ‘ter beurze verhandelde’ en ‘overige’ aandelen, behandelt zij de desbetreffende vorderingen als posities in overige aandelen;
b. bij alle overige onderliggende vorderingen wordt de in de hoofdstuk 2 bedoelde standaardbenadering gehanteerd, met dien verstande dat:
1°. de vorderingen in een categorie worden ondergebracht welke leidt tot het risicogewicht van de trap boven de kredietkwaliteitstrap waarin de vordering normaalgesproken zou zijn ondergebracht; en
2°. vorderingen die worden ondergebracht in een hogere kredietkwaliteitstrap en normaalgesproken een risicogewicht van 150% zouden krijgen, een risicogewicht van 200% krijgen.
1.
Als niet wordt voldaan aan de voorwaarden, genoemd in het eerste lid, eerste zinsnede, van het vorige artikel berekent een financiële onderneming op basis van het mandaat van de instelling voor collectieve belegging de risicogewogen posten en de verwachte verliesposten van de onderliggende vorderingen, volgens de in artikel 3:27, eerste lid, bedoelde eenvoudige risicogewichtenbenadering.
2.
Ten behoeve van de berekening, bedoeld in het eerste lid, worden onderliggende vorderingen, niet zijnde posities in aandelen, ondergebracht in één van de bij formule 9 van bijlage 3 genoemde categorieën. Als de financiële onderneming geen onderscheid maakt tussen posities in ‘niet ter beurze verhandelde’, ‘ter beurze verhandelde’ en ‘overige’ aandelen, behandelt zij de desbetreffende onderliggende vorderingen als posities in overige aandelen. Vorderingen waarvan de onderliggende vorderingen onbekend zijn, worden eveneens behandeld als posities in overige aandelen.
1.
Als alternatief voor de in het vorige artikel beschreven methode kan een financiële onderneming aan een derde opdracht geven de gemiddelde risicogewogen posten op basis van de onderliggende vorderingen van de instelling voor collectieve belegging te berekenen en haar van de resultaten op de hoogte te brengen, of deze berekening zelf uitvoeren. De financiële onderneming waarborgt in beide gevallen dat de berekening en, in geval van berekening door een derde, de rapportage volgens deze regeling plaatsvindt.
2.
Voor de in het eerste lid bedoelde berekeningen worden de volgende benaderingen gevolgd:
a. bij vorderingen die zijn ondergebracht in de categorie genoemd in artikel 71, eerste lid, onderdeel e, van het Besluit wordt de benadering uit artikel 3:27, eerste lid, gevolgd. Als de financiële onderneming geen onderscheid maakt tussen posities in ‘niet ter beurze verhandelde’, ‘ter beurze verhandelde’ en ‘overige’ aandelen, behandelt zij de betreffende vorderingen als posities in overige aandelen;
b. bij alle overige onderliggende vorderingen wordt de in hoofdstuk 2 bedoelde standaardbenadering gevolgd, met dien verstande dat:
1°. de vorderingen in een categorie worden ondergebracht welke leidt tot een risicogewicht van de trap boven de kredietkwaliteitstrap waarin de vordering normaal gesproken zou zijn ondergebracht; en
2°. vorderingen die worden ondergebracht in een hogere kredietkwaliteitstrap en normaal gesproken een risicogewicht van 150% zouden krijgen, een risicogewicht van 200% krijgen.
Artikel 3:33
De risicogewogen posten voor andere activa die geen kredietverplichting zijn, worden berekend volgens formule 10 van bijlage 3 .
1.
De risicogewogen posten voor het verwateringsrisico van gekochte kortlopende handelsvorderingen op ondernemingen en op particulieren en kleine of middelgrote ondernemingen worden berekend volgens de formules, genoemd in artikel 3:20, eerste lid.
2.
Indien een financiële onderneming aantoont dat het verwateringsrisico te verwaarlozen is, hoeft zij hiervoor geen risicogewogen posten te berekenen.
1.
De verwachte verliesposten voor vorderingen die zijn ondergebracht in één van categorieën genoemd in artikel 71, eerste lid, onderdelen a tot en met d, van het Besluit worden, met in achtneming van het volgende artikel, berekend volgens de formules 11 en 12 van bijlage 3 .
2.
Bij de berekening, bedoeld in het eerste lid, wordt bij elke vordering uitgegaan van dezelfde inputparameters voor PD, LGD en de waarde van de vordering als bij de berekening van risicogewogen posten op basis van de artikelen 3:16 tot en met 3:18.
3.
Voor vorderingen ten aanzien waarvan wanbetaling heeft plaatsgevonden, vatten financiële ondernemingen die de Geavanceerde IRB toepassen de verwachte verliespost op als hun beste raming van EL (ELBE) in overeenstemming met artikel 3:81, achtste lid.
1.
Indien een financiële onderneming voor vorderingen die zijn ondergebracht in één van de subcategorieën genoemd in artikel 3:6, gebruik maakt van de in artikel 3:21, eerste lid, bedoelde methode, wordt, in plaats van de toepassing van formule 11 uit bijlage 3 , aan dergelijke vorderingen een EL-waarde toegewezen conform tabel 2 van bijlage 3 . Deze waarde wordt vervolgens gebruikt in formule 12 van bijlage 3 .
2.
Indien een financiële onderneming voor vorderingen die zijn ondergebracht in één van de subcategorieën genoemd in artikel 3:6 gebruik maakt van de in artikel 3:21, tweede lid, bedoelde mogelijkheid om aan alle vorderingen van categorie 1 van tabel 2 een preferentieel risicogewicht van 50% en aan alle vorderingen van categorie 2 van tabel 2 een risicogewicht van 70% toe te kennen, bedraagt de EL-waarde 0% voor vorderingen van categorie 1 en 0,4% voor vorderingen van categorie 2. Deze waarde wordt vervolgens gebruikt in formule 12 van bijlage 3 .
1.
De verwachte verliesposten voor vorderingen die zijn ondergebracht in de categorie genoemd in artikel 71, eerste lid, onderdeel e, van het Besluit , waarbij de risicogewogen posten worden bepaald volgens de in artikel 3:27 bedoelde methode, worden berekend volgens formule 13 van bijlage 3 .
2.
De verwachte verliesposten voor vorderingen die zijn ondergebracht in de categorie genoemd in artikel 71, eerste lid, onderdeel e, van het Besluit , waarbij de risicogewogen posten worden bepaald volgens de in artikel 3:28 bedoelde methode, zijn gelijk aan 0%.
3.
De verwachte verliesposten voor vorderingen die zijn ondergebracht in de categorie genoemd in artikel 71, eerste lid, onderdeel e, van het Besluit , waarbij de risicogewogen posten worden bepaald volgens de in artikel 3:29 bedoelde methode, worden berekend volgens de formules 14 en 15 van bijlage 3 . Hierop is artikel 3:35, tweede en derde lid, van overeenkomstige toepassing.
Artikel 3:38
Tenzij artikel 3:34, tweede lid, van toepassing is, worden de verwachte verliesposten voor het verwateringsrisico van gekochte kortlopende handelsvorderingen berekend volgens de formules 16 en 17 van Bijlage 3 . Op deze berekening is artikel 3:35, tweede en derde lid, van overeenkomstige toepassing.
1.
De inputparameters kans op wanbetaling (PD), verlies bij wanbetaling (LGD) en looptijd (M) voor de berekening van de in afdeling 3.3 gespecificeerde risicogewogen posten en verwachte verliesposten, worden door financiële ondernemingen geraamd met in achtneming van de in deze afdeling en in afdeling 3.6 opgenomen voorschriften.
2.
Voor de berekening van de in afdeling 3.3 gespecificeerde risicogewogen posten en verwachte verliesposten worden de inputparameters PD en LGD uitgedrukt in decimalen en wordt de inputparameter M uitgedrukt in jaren.
Artikel 3:40
Een financiële onderneming merkt in ieder geval de volgende elementen aan als indicaties dat volledige nakoming van de verplichtingen door de debiteur onwaarschijnlijk is:
a. de financiële onderneming bestempelt de vordering op de debiteur als dubieus;
b. de financiële onderneming gaat over tot een waardeaanpassing als gevolg van een gepercipieerde aanzienlijke vermindering van de kredietkwaliteit nadat zij de vordering op de debiteur heeft geaccepteerd;
c. de financiële onderneming verkoopt de vordering op de debiteur met een aanzienlijk kredietgebonden economisch verlies;
d. de financiële onderneming stemt in met een gedwongen herstructurering van de vordering op de debiteur, die wellicht zal resulteren in een geringere vordering als gevolg van de kwijtschelding, dan wel de verlening van uitstel van betaling, van de hoofdsom, de rente of, in voorkomend geval, de provisies respectievelijk de gedwongen herstructurering van het aandelenkapitaal ingeval van posities in aandelen die worden beoordeeld aan de hand van een PD/LGD-benadering;
e. de financiële onderneming heeft het faillissement van de debiteur of een soortgelijk bevel aangevraagd met betrekking tot zijn verplichting jegens de financiële onderneming, de moederonderneming of één van haar dochterondernemingen;
f. de debiteur heeft faillissement of een soortgelijke bescherming aangevraagd of is in staat van faillissement verklaard, waardoor de terugbetaling van een verplichting jegens de financiële onderneming, de moederonderneming of één van haar dochterondernemingen niet volgens het contract zal worden afgewikkeld.
1.
De PD van een debiteur van een vordering opgenomen in één van de categorieën bedoeld in artikel 71, eerste lid, onderdelen b en c, van het Besluit is ten minste gelijk aan 0,0003.
2.
De PD voor een debiteur waar wanbetaling heeft plaatsgevonden, is gelijk aan 1.
1.
Gekochte kortlopende handelsvorderingen op ondernemingen ten aanzien waarvan een financiële onderneming niet kan aantonen dat haar individuele PD-ramingen aan de minimumvereisten voor PD-ramingen voor ondernemingen, zoals opgenomen in afdeling 3.6, voldoen, worden, met inachtneming van artikel 3:22, tweede lid, de PD’s bepaald volgens de volgende methoden:
a. de PD voor niet-achtergestelde rechten op gekochte kortlopende handelsvorderingen op ondernemingen is gelijk aan de door de financiële onderneming geraamde EL voor het wanbetalingsrisico van de gehele pool van kortlopende handelsvorderingen, gedeeld door de LGD voor deze kortlopende handelsvorderingen;
b. de PD voor achtergestelde rechten op gekochte kortlopende handelsvorderingen op ondernemingen is gelijk aan de door de financiële onderneming geraamde EL voor het wanbetalingsrisico van de gehele pool van kortlopende handelsvorderingen.
2.
Indien de financiële onderneming de Geavanceerde IRB toepast, splitst zij, in afwijking van het eerste lid, haar EL-ramingen voor het wanbetalingsrisico van gekochte kortlopende handelsvorderingen op ondernemingen op betrouwbare wijze in PD’s en LGD’s.
1.
Een financiële onderneming die de Eenvoudige IRB toepast, kan niet-volgestorte kredietprotectie overeenkomstig de afdelingen 4.7 en 4.8 in aanmerking nemen.
2.
Een financiële onderneming die de Geavanceerde IRB toepast, kan niet-volgestorte kredietprotectie in aanmerking nemen door hun PD’s aan te passen met inachtneming van artikel 3:45, derde lid.
1.
Een financiële onderneming die de Eenvoudige IRB toepast voor vorderingen die zijn ondergebracht in één van de categorieën genoemd in artikel 71, eerste lid, onderdelen a tot en met c, van het Besluit hanteert voor deze vorderingen de volgende LGD-waarden:
a. voor niet-achtergestelde vorderingen zonder toelaatbare zekerheid: 0,45;
b. voor achtergestelde vorderingen zonder toelaatbare zekerheid: 0,75;
c. ten aanzien van gedekte obligaties als bedoeld in bijlage 1 : 0,1125;
d. voor niet-achtergestelde gekochte kortlopende handelsvorderingen op ondernemingen: 0,45; en
e. voor achtergestelde gekochte kortlopende handelsvorderingen op ondernemingen: 1.
2.
De financiële onderneming kan volgestorte en niet-volgestorte kredietprotectie in de LGD overeenkomstig hoofdstuk 4 in aanmerking nemen.
3.
Onverminderd het tweede lid, is voor het in aanmerking nemen van volgestorte en niet-volgestorte kredietprotectie in de LGD overeenkomstig artikel 3:20, eerste lid, laatste volzin, de LGD van een vergelijkbare rechtstreekse vordering op de protectiegever gelijk aan de LGD die samenhangt met ofwel een ongedekte faciliteit ten behoeve van de garantiegever, ofwel de ongedekte faciliteit van de debiteur, al naargelang of uit beschikbaar bewijsmateriaal en de structuur van de garantie blijkt dat indien zowel de garantiegever als de debiteur tijdens de looptijd van de afgedekte transactie in gebreke blijven, het teruggevorderde bedrag afhankelijk zou zijn van de financiële situatie van respectievelijk de garantiegever of de debiteur.
1.
Een financiële onderneming die de Geavanceerde IRB toepast voor vorderingen die zijn ondergebracht in één van de categorieën genoemd in artikel 71, eerste lid, onderdelen a tot en met c, van het Besluit stelt eigen LGD-ramingen op, waarbij de minimumvereisten van afdeling 3.6 in acht worden genomen.
2.
Indien de financiële onderneming die de Geavanceerde IRB toepast, gebruik maakt van de in artikel 3:42, eerste lid, bedoelde methoden, splitst zij de EL-ramingen voor wanbetalingsrisico voor gekochte kortlopende handelsvorderingen op ondernemingen op betrouwbare wijze in PD’s en LGD’s.
3.
De financiële onderneming die de Geavanceerde IRB toepast, kan niet-volgestorte kredietprotectie in aanmerking nemen door de PD- en/of LGD-ramingen aan te passen, mits de minimumvereisten van artikel 3:83 in acht worden genomen. De financiële onderneming kent aan gegarandeerde vorderingen geen zodanig aangepaste PD en/of LGD toe dat het aangepaste risicogewicht lager is dan dat van een vergelijkbare rechtstreekse vordering op de garantiegever.
4.
Onverminderd het derde lid, is voor de toepassing van artikel 3:20, eerste lid, laatste volzin, de LGD van een vergelijkbare rechtstreekse vordering op de protectiegever gelijk aan de LGD die samenhangt met ofwel een ongedekte faciliteit ten behoeve van de garantiegever, ofwel de ongedekte faciliteit van de debiteur, al naargelang of uit beschikbaar bewijsmateriaal en de structuur van de garantie blijkt dat indien zowel de garantiegever als de debiteur tijdens de looptijd van de afgedekte transactie in gebreke blijven, het teruggevorderde bedrag afhankelijk zou zijn van de financiële situatie van respectievelijk de garantiegever of de debiteur.
1.
Een financiële onderneming berekent, met inachtneming van het vierde lid, elke vordering M op de volgende wijze:
a. voor een instrument dat onderworpen is aan een kasstroomschema, wordt M berekend volgens formule 18 van bijlage 3 ;
b. voor afgeleide instrumenten die onderworpen zijn aan een master netting overeenkomst, is M gelijk aan de gewogen gemiddelde resterende looptijd van de vordering, waarbij M ten minste gelijk is aan 1 jaar. Voor de weging van de looptijd wordt de theoretische hoofdsom van elke vordering gebruikt;
c. voor vorderingen die ontstaan uit hoofde van transacties met betrekking tot volledig of bijna volledig door zekerheden gedekte afgeleide instrumenten die zijn opgesomd in bijlage B van het Besluit en van volledig of bijna volledig door zekerheden gedekte margeleningstransacties of retrocessieovereenkomsten die onderworpen zijn aan een master netting overeenkomst, is M gelijk aan de gewogen gemiddelde looptijd van de transacties, waarbij M ten minste gelijk is aan 10 dagen. Voor retrocessieovereenkomsten of opgenomen of verstrekte effecten- of grondstoffenleningen die onderworpen zijn aan een kaderverrekeningsovereenkomst, is M gelijk aan de gewogen gemiddelde looptijd van de transacties, waarbij M ten minste gelijk is aan 5 dagen. Voor de weging van de looptijd wordt de theoretische hoofdsom van elke vordering gebruikt;
d. voor gekochte kortlopende handelsvorderingen op ondernemingen, is voor opgenomen bedragen M gelijk aan de gewogen gemiddelde looptijd van de gekochte kortlopende handelsvorderingen, waarbij M ten minste gelijk is aan 90 dagen;
e. voor niet-opgenomen bedragen in het kader van een gecommitteerde koopfaciliteit van kortlopende handelsvorderingen op ondernemingen, geldt eveneens de in het vorige onderdeel bedoelde waarde van M, indien de koopovereenkomst effectieve bedingen, vervroegde-aflossingsbepalingen of andere kenmerken omvat die de kopende financiële onderneming bescherming bieden tegen een significante verslechtering van de kwaliteit van de toekomstige kortlopende handelsvorderingen die zij gedurende de looptijd van de faciliteit verplicht is te kopen;
f. indien de effectieve beschermingsmiddelen, bedoeld in het vorige onderdeel ontbreken wordt voor niet-opgenomen bedragen in het kader van een gecommitteerde koopfaciliteit van kortlopende handelsvorderingen op ondernemingen, M berekend als de som van de langstlopende kortlopende potentiële handelsvordering in het kader van de koopovereenkomst en de resterende looptijd van de koopfaciliteit, waarbij M ten minste gelijk is aan 90 dagen.
2.
In afwijking van het eerste lid, onderdelen a tot en met f is M ten minste gelijk aan 1 dag voor:
a. de volledig of bijna volledig door zekerheden gedekte afgeleide instrumenten die zijn opgesomd in bijlage B van het Besluit ;
b. volledig of bijna volledig door zekerheden gedekte margeleningstransacties;
c. retrocessieovereenkomsten, opgenomen of verstrekte effecten- of grondstoffenleningen, mits de documentatie dagelijkse margestortingen en dagelijkse herwaardering vereist en bepalingen bevat die de prompte uitwinning of saldering van zekerheden mogelijk maken in geval van wanbetaling of het uitblijven van een margestorting; en
d. andere kortlopende vorderingen, die geen deel uitmaken van de doorlopende financiering door de financiële onderneming van de debiteur.
3.
Voor alle andere instrumenten dan die genoemd in het eerste en tweede lid, dan wel voor alle instrumenten ten aanzien waarvan de financiële onderneming niet in staat is M op de in het eerste lid, onderdeel a, beschreven wijze te berekenen, is M gelijk aan de maximale resterende periode (in jaren) die de debiteur kan wachten om zijn contractuele verplichtingen volledig na te komen, waarbij M ten minste gelijk is aan 1 jaar.
4.
Looptijdverschillen worden behandeld op de in afdeling 4.9 bedoelde wijze.
5.
Indien de financiële onderneming de in afdeling 5.6 bedoelde interne-modellenmethode hanteert om de waarde van de vordering te berekenen, wordt M volgens formule 18a van bijlage 3 berekend voor de posities waarop zij deze methode toepast en waarvoor de looptijd van het langstlopende contract van het samenstel van verrekenbare transacties langer is dan een jaar. Op samenstellen van verrekenbare transacties waarin alle overeenkomsten een oorspronkelijke looptijd van minder dan een jaar hebben, is het eerste lid van toepassing, voor zover de uitzondering van het tweede lid niet van toepassing is.
6.
In afwijking van het vorige lid, kan een financiële onderneming die gebruik maakt van een intern model om een eenzijdige aanpassing van de kredietwaardering (credit valuation adjustment – CVA) te berekenen, de met behulp van dit model geraamde effectieve duur van het krediet als M gebruiken, mits daarvoor de voorafgaande toestemming van DNB is verkregen.
7.
Voor de toepassing van artikel 3:20, eerste lid, laatste volzin, is M de daadwerkelijke looptijd van de kredietprotectie, maar ten minste gelijk aan 1 jaar.
1.
De PD van een vordering ondergebracht in de categorie genoemd in artikel 71, eerste lid, onderdeel d, van het Besluit , is ten minste gelijk aan 0,0003.
2.
De PD van een vordering, waarbij er sprake is van wanbetaling is gelijk aan 1.
3.
Niet-volgestorte kredietprotectie kan in aanmerking worden genomen door de PD aan te passen met inachtneming van artikel 3:48, tweede lid.
1.
Een financiële onderneming die IRB toepast voor vorderingen ondergebracht in de categorie genoemd in artikel 71, eerste lid, onderdeel d, van het Besluit stelt eigen LGD-ramingen op, met inachtneming van de minimumvereisten van Afdeling 3.6.
2.
Niet-volgestorte kredietprotectie ter dekking van een individuele vordering of een pool van vorderingen kan in aanmerking worden genomen door de PD- of LGD-ramingen, met inachtneming van de minimumvereisten van artikel 3:83, aan te passen. De financiële onderneming kent aan gegarandeerde vorderingen geen zodanig aangepaste PD of LGD toe dat het aangepaste risicogewicht lager is dan dat van een vergelijkbare rechtstreekse vordering op de garantiegever.
3.
Onverminderd het vorige lid, is voor de toepassing van artikel 3:24,eerste lid, laatste volzin, de LGD van een vergelijkbare rechtstreekse vordering op de protectiegever gelijk aan de LGD die samenhangt met ofwel een ongedekte faciliteit ten behoeve van de garantiegever, ofwel de ongedekte faciliteit van de debiteur, al naargelang uit beschikbaar bewijsmateriaal en de structuur van de garantie blijkt dat indien zowel de garantiegever als de debiteur tijdens de looptijd van de afgedekte transactie in gebreke blijft, het teruggevorderde bedrag afhankelijk zou zijn van de financiële situatie van respectievelijk de garantiegever of de debiteur.
1.
De PD wordt bepaald conform de methoden voor vorderingen op ondernemingen.
2.
De volgende minimumwaarden van PD zijn van toepassing:
a. 0,0009 voor posities in ter beurze verhandelde aandelen, waarbij de investering of belegging past in het kader van een duurzame cliëntrelatie;
b. 0,0009 voor posities in niet ter beurze verhandelde aandelen, waarbij het rendement van de investering of belegging berust op regelmatige en periodieke kasstromen die niet samenhangen met vermogenswinsten;
c. 0,004 voor posities in ter beurze verhandelde aandelen, met inbegrip van short posities als bedoeld in artikel 3:27, tweede en derde lid;
d. 0,0125 voor alle overige posities in aandelen, met inbegrip van short posities als bedoeld in artikel 3:27, tweede en derde lid;
1.
Aan posities in niet ter beurze verhandelde aandelen waarvan een financiële onderneming kan aantonen dat ze zijn opgenomen in portefeuilles die voldoende zijn gespreid en waarvoor op basis van de ervaringscijfers een lager risicogewicht is gerechtvaardigd, kan een LGD van 0,65 worden toegekend.
2.
Aan alle overige posities in aandelen wordt een LGD van 0,9 toegekend.
Artikel 3:51
Aan alle posities in aandelen wordt een M van 5 jaar toegekend.
Artikel 3:52
In het geval een financiële onderneming voor de bepaling van de risicogewogen post rekening houdt met niet-volgestorte kredietprotectie conform artikel 3:29, derde lid, geldt voor de vordering op de verschaffer van het dekkingsinstrument een LGD en M conform de vorige twee artikelen.
1.
Een financiële onderneming stelt voor het verwateringsrisico van gekochte kortlopende handelsvorderingen op ondernemingen en op particulieren en kleine of middelgrote ondernemingen eigen ramingen op van EL. Afhankelijk van de in artikel 3:42, eerste lid, bedoelde behandeling kan deze raming op het individuele niveau van de gekochte kortlopende handelsvordering dan wel op geaggregeerd niveau van de pool worden opgesteld.
2.
De PD voor het verwateringsrisico is gelijk aan de EL-raming voor het verwateringsrisico.
3.
De LGD voor het verwateringsrisico is 0,75.
4.
Indien de financiële onderneming de Geavanceerde IRB toepast, splitst zij, in afwijking van de vorige leden, haar EL-ramingen voor het verwateringsrisico van gekochte kortlopende handelsvorderingen op betrouwbare dan wel conservatieve wijze in PD’s en LGD’s.
5.
De M voor het verwateringsrisico is gelijk aan 1 jaar.
6.
De financiële onderneming kan bij de berekening van de PD niet-volgestorte kredietprotectie overeenkomstig de afdelingen 4.7 en 4.8 in aanmerking nemen.
1.
Tenzij anders is bepaald, wordt voor vorderingen die zijn ondergebracht in de categorieën genoemd in artikel 71, eerste lid, onderdelen a tot en met d, van het Besluit de waarde van de vordering bepaald op basis van de waarde op de balans exclusief het effect van waardeaanpassingen. De vorige volzin is ook van toepassing op activa die worden gekocht tegen een andere prijs dan het verschuldigde bedrag. Voor activa als bedoeld in de vorige volzin wordt het verschil tussen het verschuldigde bedrag en de in de balans van financiële ondernemingen opgenomen waarde ‘disagio’ genoemd als het verschuldigde bedrag groter is, en ‘agio’ genoemd als het verschuldigde bedrag kleiner is.
2.
Wanneer een financiële onderneming bij retrocessieovereenkomsten of bij verstrekte of opgenomen effecten- of grondstoffenleningen van kaderverrekeningsovereenkomsten gebruik maakt, wordt de waarde van de vordering berekend overeenkomstig de van toepassing zijnde methode uit paragraaf 4.3.3.
3.
Bij saldering van leningen en deposito’s past de financiële onderneming voor de berekening van de waarde van de vordering de toepasselijke methode van paragraaf 4.2.4 toe.
4.
Bij lease-overeenkomsten is de waarde van de vordering gelijk aan de gedisconteerde stroom van minimum leasebetalingen. De minimum leasebetalingen zijn de betalingen gedurende de leasetermijn die de leasenemer moet betalen of kan worden verplicht te betalen alsmede alle gunstige koopopties. Ook alle gegarandeerde restwaarden, die voldoen aan de voorwaarden van artikel 4:75 met betrekking tot de toelating van protectiegevers alsmede aan de minimumvereisten voor de erkenning van andere soorten garanties als bedoeld in de artikelen 4:79 tot en met 4:83, worden in de minimum leasebetalingen inbegrepen.
Artikel 3:55
De omvang die wordt gehanteerd voor de berekening van de risicogewogen posten die betrekking hebben op gekochte kortlopende handelsvorderingen, is het uitstaande bedrag van de pool van gekochte handelsvorderingen verminderd met het solvabiliteitsvereiste voor het verwateringsrisico maar vóór eventuele effecten van kredietrisicovermindering als bedoeld in hoofdstuk 4.
Artikel 3:56
Bij een derivatenpost als genoemd in bijlage B van het Besluit wordt de waarde van dat derivaat bepaald aan de hand van de in hoofdstuk 5 van deze regeling bedoelde methoden.
1.
Bij een positie in effecten of grondstoffen die verkocht, gedeponeerd of geleend zijn in het kader van retrocessieovereenkomsten of een verstrekte of opgenomen effecten- of grondstoffenleningen, afrekeningstransacties op lange termijn en margeleningstransacties, is de waarde van de vordering gelijk aan de, overeenkomstig het in artikel 4 van het Besluit aangewezen accountingraamwerk, bepaalde waarde van de effecten of grondstoffen.
2.
Wanneer de in paragraaf 4.4.6, bedoelde uitgebreide benadering van financiële zekerheden wordt toegepast, wordt de waarde van de vordering verhoogd met de volatiliteitsaanpassing die in paragraaf 4.4.6 voor de effecten of grondstoffen in kwestie is aangegeven.
3.
De waarde van de vordering van posities uit hoofde van retrocessieovereenkomsten, verstrekte of opgenomen effecten- of grondstoffenleningen, afrekeningstransacties op lange termijn en margeleningstransacties kan worden bepaald overeenkomstig artikel 4:12, tweede lid, en paragraaf 4.3.4 respectievelijk overeenkomstig hoofdstuk 5.
4.
Onverminderd het vorige lid, wordt de waarde van de vordering van uitstaande kredietrisicoposities met een centrale tegenpartij bepaald overeenkomstig artikel 5:5, derde lid, mits op dagelijkse basis ten volle zekerheden worden gesteld voor de tegenpartijkredietrisicoposities van de centrale tegenpartij met alle deelnemers aan haar regelingen.
1.
Een financiële onderneming die Eenvoudige IRB toepast, bepaalt de waarde van de vordering voor de volgende posten buiten de balanstelling door het gecommitteerde maar niet opgenomen bedrag te vermenigvuldigen met de onderstaande bijbehorende omrekeningsfactoren:
a. voor niet-gecommitteerde kredietlijnen die door de financiële onderneming op elk tijdstip zonder opzegtermijn onvoorwaardelijk kunnen worden opgezegd of waarvoor uitdrukkelijk in automatische opzegging is voorzien in geval van verslechtering van de kredietkwaliteit van de debiteur, geldt een omrekeningsfactor van 0%, mits de financiële onderneming nauwlettend de financiële situatie van de debiteur volgt en haar interne controlesystemen haar in staat stellen onmiddellijk een verslechtering van de kredietkwaliteit van de debiteur te detecteren;
b. voor niet-aangesproken verkochte verplichtingen voor revolverende gekochte kortlopende vorderingen die kunnen worden opgezegd of waarvoor de financiële onderneming uitdrukkelijk in automatische opzegging op enig tijdstip en onvoorwaardelijk is voorzien, geldt een omrekeningsfactor van 0%, mits de financiële onderneming nauwlettend de financiële situatie van de debiteur volgt en haar interne controlesystemen haar in staat stellen onmiddellijk een verslechtering van de kredietkwaliteit van de debiteur te detecteren;
c. voor kortlopend documentair krediet waaraan goederenhandel ten grondslag ligt, geldt een omrekeningsfactor van 20% voor zowel de uitgevende als de confirmerende financiële onderneming;
d. voor andere kredietlijnen, note issuance facilities (NIFs) en revolving underwriting facilities (RUFs) als bedoeld in bijlage 2D, punt 2, onderdeel e , geldt een omrekeningsfactor van 75%.
2.
Wanneer een post als genoemd in bijlage 2D , betrekking heeft op de uitbreiding van een andere post op die bijlage, wordt gebruik gemaakt van de laagste van beide omrekeningsfactoren die voor de individuele posten op die bijlage gelden.
3.
De financiële onderneming die Geavanceerd IRB toepast, gebruikt voor het bepalen van de waarde van de vordering van posten genoemd in bijlage 2D eigen ramingen voor verschillende producttypen van die posten, tenzij het producttype op basis van die bijlage 2D kwalificeert als een post met volledig risico.
Artikel 3:59
Voor alle posten genoemd in bijlage 2D , anders dan de posten genoemd in de artikelen 3:54 tot en met 3:58, wordt de waarde van de vordering bepaald op basis van de volgende percentages van de waarde:
a. 100% als het een post met een volledig risico is;
b. 50% als het een post met een middelgroot risico is;
c. 20% als het een post met een middelgroot tot laag risico is; en
d. 0% als het een post met een laag risico is.
Artikel 3:60
De waarde van de vordering voor posities in aandelen is gebaseerd op de waarderingsgrondslag die ook gebruikt wordt voor de waarde die in de jaarrekening is opgenomen.
Artikel 3:61
De waarde van de vordering voor de berekening van de risicogewogen posten voor andere activa die geen kredietverplichtingen is de waarde, gebaseerd op de waarderingsgrondslag die ook gebruikt wordt voor de in de jaarrekening opgenomen waarde.
Artikel 3:62
De waarde van de vordering voor de berekening van de risicogewogen posten voor verwateringsrisico is het uitstaande bedrag van de pool van gekochte handelsvorderingen.
Artikel 3:63
Een financiële onderneming toont aan dat de door haar gehanteerde interne ratingsystemen solide zijn, zorgvuldig worden toegepast en aan de volgende voorwaarden voldoen:
a. de toegepaste interne ratingsystemen stellen de financiële onderneming in staat een betekenisvolle beoordeling van de debiteuren- en transactiekenmerken te maken en leiden tot een betekenisvolle risicodifferentiatie en een precieze en samenhangende kwantitatieve risicoraming;
b. de voor de berekening van de solvabiliteitsvereisten gehanteerde interne ratings en ramingen van wanbetaling en de ramingen van verliezen bij wanbetaling, alsmede de daarmee samenhangende systemen en procedures spelen een essentiële rol bij het risicobeheer en de interne besluitvorming en bij de kredietacceptatie, interne kapitaalallocatie en interne beheersing van de financiële onderneming;
c. de financiële onderneming heeft een voor haar interne ratingsystemen verantwoordelijke eenheid kredietrisicobeheersing die voldoende onafhankelijk kan opereren en vrij is van beïnvloeding die het onafhankelijk opereren in gevaar brengt;
d. de financiële onderneming verzamelt en bewaart alle relevante gegevens die nodig zijn om het kredietrisico effectief te kunnen meten en beheren; en
e. de financiële onderneming documenteert haar interne ratingsystemen en de ratio achter hun ontwerp en valideert haar ratingsystemen.
1.
De financiële onderneming legt de opzet en operationele bijzonderheden van haar ratingsystemen schriftelijk vast. Uit de documentatie blijkt dat de in deze afdeling gestelde minimumeisen in acht worden genomen. In de documentatie komen, onverminderd de overige, specifieke vereisten in deze afdeling op het gebied van documentatie, in ieder geval de volgende onderwerpen aan de orde: portefeuillespreiding, ratingcriteria, verantwoordelijkheden van partijen die ratings toekennen aan debiteuren en vorderingen, de frequentie waarmee de ratings worden herbekeken, en het management toezicht op het ratingproces.
2.
De financiële onderneming legt de motivering voor haar keuze van ratingcriteria en de analyse ter ondersteuning van deze keuze schriftelijk vast. De financiële onderneming documenteert alle belangrijke wijzigingen in het risicoratingproces en in die documentatie wordt aangegeven welke wijzigingen in het risicoratingproces zijn aangebracht na de laatste evaluatie ervan door DNB en waarom. Ook de organisatie van de toekenning van ratings, met inbegrip van de procedure voor de toekenning van ratings en de interne-beheersingsstructuur, wordt schriftelijk vastgelegd.
3.
De financiële onderneming legt de intern gehanteerde specifieke definities van wanbetaling en verlies schriftelijk vast en toont aan dat deze definities consistent zijn met de in artikel 1 van het Besluit en artikel 3:40 vervatte definitie van wanbetaling.
4.
Indien de financiële onderneming in het kader van het ratingproces of ten aanzien van eigen ramingen van statistische modellen gebruik maakt, legt zij de methodologie ervan schriftelijk vast, waarbij:
a. een gedetailleerd overzicht wordt gegeven van de theorie, aannamen en/of wiskundige en empirische grondslagen voor de toewijzing van ramingen aan klassen, individuele debiteuren, vorderingen of pools, alsook van de voor de opstelling van het model gebruikte gegevensbronnen;
b. een strikt statistische procedure, met inbegrip van out-of-time en out-of-sample prestatietests, voor de validatie van het model wordt vastgelegd; en
c. wordt aangegeven onder welke omstandigheden het model niet doeltreffend werkt.
5.
Ook indien gebruik wordt gemaakt van een model dat verkregen is van een derde die aanvoert dat het om eigen technologie gaat, blijft de financiële onderneming verantwoordelijk voor de naleving van de documentatieplicht en de overige verplichtingen die voor ratingsystemen gelden.
1.
Indien een financiële onderneming van meerdere ratingsystemen gebruik maakt, wordt de gedachtegang achter de toewijzing van bepaalde debiteur of transactie aan een ratingsysteem schriftelijk vastgelegd en op zodanige wijze toegepast dat het risiconiveau adequaat wordt weerspiegeld.
2.
De toewijzingscriteria en -procedures worden periodiek aan een nieuw onderzoek onderworpen om na te gaan of zij nog steeds adequaat zijn voor de actuele portefeuille en externe omstandigheden.
Artikel 3:66
Wanneer een financiële onderneming gebruik maakt van directe ramingen van risicoparameters, kunnen deze worden aangemerkt als outputs van klassen op een continue ratingschaal.
1.
Een ratingsysteem voor vorderingen die zijn ondergebracht in de categorieën genoemd in artikel 71, eerste lid, onderdeel c, van het Besluit houdt rekening met de debiteuren- en transactierisicokenmerken.
2.
Een ratingsysteem als bedoeld in het eerste lid, heeft een ratingschaal voor debiteuren welke uitsluitend betrekking heeft op de kwantificering van het risico dat de debiteur in gebreke blijft. De ratingschaal voor debiteuren telt ten minste 7 klassen voor niet in gebreke gebleven debiteuren en ten minste één voor in gebreke gebleven debiteuren.
3.
Een financiële onderneming legt de relatie tussen debiteurenklassen schriftelijk vast in termen van het niveau van het wanbetalingsrisico dat samenhangt met de verschillende debiteurenklassen en met vermelding van de gehanteerde criteria om de diverse risiconiveaus van elkaar te onderscheiden.
4.
Voor de toepassing van het vorige lid, wordt onder ‘debiteurenklasse’ verstaan: een risicocategorie in een ratingschaal voor debiteuren van een ratingsysteem waarin debiteuren worden ondergebracht op grond van een gespecificeerd en welbepaald samenstel van ratingcriteria en waaruit PD-ramingen worden afgeleid.
5.
Een financiële onderneming waarvan de portefeuilles in een bepaald marktsegment en in een bepaald deel van de PD-verdeling zijn geconcentreerd, waarborgt dat er binnen dat deel genoeg debiteurenklassen zijn om ongewenste concentraties van debiteuren in één bepaalde klasse te vermijden. Significante concentraties in één klasse worden gemotiveerd door middel van overtuigend empirisch bewijsmateriaal waaruit blijkt dat de debiteurenklasse een redelijk smalle PD-bandbreedte bestrijkt en dat het wanbetalingsrisico dat aan alle in de desbetreffende klasse ondergebrachte debiteuren verbonden is, binnen die bandbreedte valt.
6.
Bij een financiële onderneming die Geavanceerd IRB toepast, omvat een ratingsysteem een afzonderlijke ratingschaal voor faciliteiten waarin uitsluitend met de LGD verband houdende transactiekenmerken worden weerspiegeld.
7.
Een ‘faciliteitsklasse’ is een risicocategorie in een schaal voor vorderingen van een ratingsysteem waarin vorderingen worden ondergebracht op grond van een gespecificeerd en welbepaald samenstel van ratingcriteria en waaruit de LGD-ramingen worden afgeleid. De definitie van de klasse omvat een beschrijving van de wijze waarop een vordering in een klasse wordt ondergebracht en van de gehanteerde criteria om de risiconiveaus van de diverse klassen van elkaar te onderscheiden.
8.
Significante concentraties in één faciliteitsklasse worden gemotiveerd door middel van overtuigend empirisch bewijsmateriaal waaruit blijkt dat de faciliteitsklasse een redelijk smalle LGD-bandbreedte bestrijkt en dat het risico dat aan alle in de desbetreffende klasse ondergebrachte vorderingen verbonden is, binnen die bandbreedte valt.
9.
Een financiële onderneming die voor de toekenning van risicogewichten voor één van de subcategorieën, genoemd in artikel 3:6, de in artikel 3:21, eerste lid, beschreven methode toepast, is voor deze vorderingen vrijgesteld van de verplichting om een ratingschaal voor debiteuren te hanteren welke uitsluitend het wanbetalingsrisico kwantificeert van de debiteur. In afwijking van het tweede lid hebben de financiële ondernemingen voor deze vorderingen ten minste 4 klassen voor niet in gebreke gebleven debiteuren en ten minste één voor in gebreke gebleven debiteuren.
1.
Een financiële onderneming waarborgt dat haar ratingsystemen voor vorderingen die zijn ondergebracht in de categorie genoemd in artikel 71, eerste lid, onderdeel d, van het Besluit zowel het debiteuren- als het transactierisico weerspiegelen en rekening houden met alle relevante debiteuren- en transactiekenmerken. Financiële ondernemingen kunnen de definitie van wanbetaling, bedoeld in artikel 1 van het Besluit respectievelijk artikel 3:40 van deze regeling op faciliteitsniveau toepassen.
2.
Het risico is op zodanige wijze gedifferentieerd dat het aantal vorderingen in een gegeven klasse of groep toereikend is voor een zinvolle kwantificering en validatie van de verlieskenmerken op het niveau van de klasse of groep. De vorderingen en debiteuren zijn op zodanige wijze over de klassen of groepen verdeeld dat buitensporige concentraties worden vermeden.
3.
De financiële onderneming toont aan dat de onderverdeling in klassen of groepen in een zinvolle risicodifferentiatie resulteert, een groepering van voldoende homogene vorderingen oplevert en een accurate en consequente raming van de verlieskenmerken op het niveau van de klasse of groep mogelijk maakt. Voor gekochte kortlopende handelsvorderingen weerspiegelt de groepering de overnemingspraktijken van de verkoper en de heterogeniteit van hun cliënten.
4.
Bij de indeling in klassen of groepen houdt de financiële onderneming rekening met de volgende risicobepalende factoren van vorderingen:
a. debiteurenrisicokenmerken;
b. transactierisicokenmerken, met inbegrip van product- of zekerhedentypen of beide. De financiële onderneming besteedt uitdrukkelijk aandacht aan gevallen waarin verschillende vorderingen worden gedekt door hetzelfde onderpand; en
c. achterstalligheid, tenzij de financiële onderneming ten genoegen van DNB aantoont dat achterstalligheid geen bepalende factor voor het risico van de vordering is.
1.
Een financiële onderneming past specifieke definities, procedures en criteria toe voor de onderbrenging van debiteuren of vorderingen in klassen of groepen van een ratingsysteem.
2.
De definities en criteria van de klassen of groepen zijn voldoende gedetailleerd om degenen die ratings toekennen in staat te stellen op consistente wijze debiteuren of vorderingen waaraan vergelijkbare risico’s verbonden zijn, in dezelfde klasse of groep onder te brengen. Deze consistentie geldt voor alle divisies, afdelingen en geografische locaties van de financiële onderneming.
3.
De documentatie van het ratingproces stelt derden in staat te begrijpen hoe debiteuren of vorderingen in klassen of groepen worden ondergebracht, de onderbrenging in klassen en groepen te reconstrueren en te oordelen of een onderbrenging in een bepaalde klasse of groep terecht is.
4.
De criteria van de klassen en groepen sluiten tevens aan bij de door de financiële onderneming toegepaste interne normen voor de verstrekking van leningen en bij haar gedragslijnen voor de aanpak van dubieuze debiteuren en probleemfaciliteiten.
5.
Bij de onderbrenging van debiteuren en vorderingen in klassen of groepen houdt de financiële onderneming rekening met alle relevante informatie. Deze informatie is actueel en stelt de financiële onderneming in staat de toekomstige ontwikkeling van de vordering te voorspellen. Hoe minder informatie de financiële onderneming bezit, hoe voorzichtiger zij te werk gaat bij de onderbrenging van vorderingen in debiteuren- en faciliteitsklassen of -?groepen. Indien de financiële onderneming gebruik maakt van een externe rating als primaire factor voor de toekenning van een interne rating, houdt zij ook rekening met andere relevante informatie.
6.
Bij de onderbrengingen in klassen of groepen leggen financiële ondernemingen schriftelijk vast in welke situaties de inputs of outputs van het onderbrengingsproces door middel van subjectieve inschatting kunnen worden vervangen en welk personeel voor de goedkeuring van deze vervanging verantwoordelijk is. Deze vervanging en het daarvoor verantwoordelijke personeel worden door de financiële ondernemingen gedocumenteerd. Financiële ondernemingen analyseren de ontwikkeling van de vorderingen waarvan de onderbrenging is vervangen. Deze analyse omvat de beoordeling van de ontwikkeling van vorderingen waarvan de rating door een bepaalde persoon is vervangen, waarbij voor alle verantwoordelijke personeelsleden verantwoording wordt afgelegd.
Artikel 3:70
Indien een financiële onderneming gebruik maakt van statistische modellen en andere mechanische methoden om debiteuren dan wel vorderingen in debiteuren- of faciliteitsklassen of -?groepen onder te brengen, dan:
a. toont zij aan dat het model een goede voorspelkracht heeft en dat de solvabiliteitsvereisten niet vertekend zijn als gevolg van het gebruik ervan. De inputvariabelen vormen een redelijke en doelmatige basis voor de resulterende prognoses. Het model wordt niet gekenmerkt door vertekeningen van betekenis;
b. beschikt zij over een procedure voor de validatie van de in het model in te voeren gegevens, waarbij onder meer de juistheid, volledigheid en relevantie van die gegevens worden getoetst;
c. toont zij aan dat de voor de opstelling van het model gebruikte gegevens representatief zijn voor de bestaande populatie van debiteuren of vorderingen van de financiële onderneming;
d. voorziet zij in een regelmatige modelvalidatiecyclus die een bewaking van de prestatie en stabiliteit van het model, een herbeoordeling van de modelspecificatie en een toetsing van de modeloutputs aan de uitkomsten omvat;
e. vult zij het statistische model aan met subjectieve inschattingen en menselijk toezicht om de op basis van het model verkregen onderbrengingen te toetsen en toe te zien op een oordeelkundig gebruik van de modellen. De toetsingsprocedures zijn erop gericht de met de gebreken van het model samenhangende fouten op te sporen en te beperken. Bij subjectieve inschattingen wordt rekening gehouden met alle relevante informatie die niet door het model in aanmerking wordt genomen. De financiële onderneming legt schriftelijk vast hoe de subjectieve inschatting en de modelresultaten worden gecombineerd.
1.
Onverminderd de vorige twee artikelen, gelden voor de onderbrenging in klassen van vorderingen en debiteuren van vorderingen die zijn ondergebracht in de categorieën genoemd in artikel 71, eerste lid, onderdelen a tot en met c, van het Besluit tevens de bepalingen van dit artikel.
2.
Elke debiteur wordt in het kader van het kredietacceptatieproces in een debiteurenklasse ondergebracht. Aan elke individuele rechtspersoon op wie een financiële onderneming een vordering heeft, wordt een aparte rating toegekend. De financiële onderneming toont aan dat zij een acceptabele gedragslijn heeft voor de behandeling van individuele debiteuren en groepen verbonden debiteuren.
3.
Verschillende vorderingen op dezelfde debiteur worden in dezelfde debiteurenklasse ondergebracht, ongeacht of het karakter van elke specifieke transactie verschillen vertoont. Uitzonderingen hierop, waarbij het is toegestaan om verschillende vorderingen op dezelfde debiteur in meerdere klassen onder te brengen, zijn:
a. het transferrisico, dat afhankelijk is van het feit of de vorderingen in de lokale dan wel in een buitenlandse valuta luiden;
b. wanneer de behandeling van met een vordering samenhangende garanties kan worden weerspiegeld door de onderbrenging in een andere debiteurenklasse; en
c. indien consumentenbescherming, het bankgeheim of andere wetgeving het uitwisselen van gegevens over cliënten verbiedt.
4.
Ingeval een financiële onderneming de Geavanceerd IRB toepast, wordt elke vordering in het kader van het kredietacceptatieproces tevens in een faciliteitsklasse ondergebracht.
5.
Een financiële onderneming die voor de toekenning van risicogewichten voor de subcategorieën, genoemd in artikel 3:6, de in artikel 3:21, eerste lid beschreven methoden toepast, brengt elk van deze vorderingen conform artikel 3:67, negende lid in een klasse onder.
6.
De onderbrengingen en periodieke evaluaties van onderbrengingen worden verricht of goedgekeurd door een onafhankelijke partij die geen onmiddellijk voordeel heeft bij de beslissingen om krediet te verstrekken.
7.
De onderbrengingen wordt ten minste jaarlijks door de financiële onderneming bijgewerkt. Risicovolle debiteuren en probleemvorderingen worden veelvuldiger aan een nieuw onderzoek onderworpen. De financiële onderneming gaat over tot een herziening van de onderbrenging zodra belangrijke informatie over de debiteur of vordering beschikbaar komt.
8.
De financiële onderneming beschikt over een doeltreffende procedure voor de verzameling en actualisering van relevante informatie over debiteurenkenmerken die op PD’s van invloed zijn en over transactiekenmerken die op LGD’s en omrekeningsfactoren van invloed zijn.
1.
Onverminderd de artikelen 3:69 en 3:70, geldt voor de onderbrenging in klassen van vorderingen die zijn ondergebracht in de categorie genoemd in artikel 71, eerste lid, onderdeel d, van het Besluit tevens de bepalingen van dit artikel.
2.
Elke vordering wordt, in het kader van het kredietacceptatieproces, in een klasse of groep ondergebracht.
3.
De financiële onderneming gaat ten minste eenmaal per jaar over tot de actualisering van de onderbrengingen in debiteuren- en faciliteitsklassen of tot de analyse van de verlieskenmerken en de achterstalligheidssituatie van elke onderscheiden risicogroep. Risicovolle debiteuren en probleemvorderingen worden veelvuldiger aan een nieuw onderzoek onderworpen. De financiële onderneming gaat over tot een herziening van de onderbrenging zodra belangrijke informatie over de debiteur of vordering beschikbaar komt.
4.
De financiële onderneming onderzoekt tevens ten minste eenmaal per jaar de status van een representatieve steekproef van individuele vorderingen uit elke groep om erop toe te zien dat vorderingen nog steeds in de juiste groep ondergebracht zijn.
Artikel 3:73
Een financiële onderneming verzamelt en bewaart de gegevens over de aspecten van hun interne ratings zoals voorgeschreven ingevolge artikel 3:74a van de Wet.
1.
Onverminderd het vorige artikel, gelden ten aanzien van het bijhouden van gegevens van vorderingen die zijn ondergebracht in de categorieën genoemd in artikel 71, eerste lid, onderdelen a tot en met c, van het Besluit de aanvullende bepalingen van dit artikel.
2.
De volgende gegevens worden door een financiële onderneming verzameld en opgeslagen:
a. de volledige ratinghistorie van debiteuren en erkende garantiegevers;
b. de data waarop de ratings zijn toegekend;
c. de belangrijkste gegevens en methoden die werden gehanteerd om de ratings te bepalen;
d. de voor de toekenning van de rating en ramingen verantwoordelijke personen en modellen;
e. de in gebreke gebleven debiteuren en vorderingen met een betalingsachterstand;
f. de datum waarop en omstandigheden waaronder debiteuren in gebreke zijn gebleven en vorderingen een betalingsachterstand hebben opgelopen; en
g. gegevens over de PD’s en de gerealiseerde wanbetalingspercentages die met ratingklassen en ratingmigraties samenhangen.
3.
Een financiële onderneming die de Eenvoudige IRB toepast, verzamelt gegevens over vergelijkingen tussen gerealiseerde LGD’s en de in artikel 3:44 genoemde waarden en tussen gerealiseerde omrekeningsfactoren en de in artikel 3:58 genoemde waarden.
4.
Een financiële onderneming die de Geavanceerde IRB toepast, verzamelt ook de volgende gegevens en slaat deze op:
a. volledige historische gegevens over de met elke ratingschaal samenhangende faciliteitsratings en ramingen van LGD’s en omrekeningsfactoren;
b. de data waarop de ratings zijn toegekend en de ramingen zijn verricht;
c. de belangrijkste gegevens en methoden die werden gehanteerd om de faciliteitsratings en de ramingen van de LGD’s en omrekeningsfactoren te bepalen;
d. de voor de toekenning van de faciliteitsrating en de ramingen van de LGD’s en omrekeningsfactoren verantwoordelijke personen en modellen;
e. gegevens over de met elke vordering met een betalingsachterstand samenhangende geraamde en gerealiseerde LGD’s en omrekeningsfactoren;
f. voor de financiële ondernemingen die via de LGD met de kredietrisicoverminderende gevolgen van garanties of kredietderivaten rekening houden, gegevens over de LGD van de vordering voor en na de beoordeling van de gevolgen van een garantie of kredietderivaat; en
g. gegevens over de verliescomponenten van elke vordering met een betalingsachterstand.
1.
Onverminderd artikel 3:73, gelden ten aanzien van het bijhouden van gegevens van vorderingen die zijn ondergebracht in de categorie genoemd in artikel 71, eerste lid, onderdeel d, van het Besluit , tevens de bepalingen van dit artikel.
2.
De volgende gegevens worden door de financiële onderneming verzameld en opgeslagen:
a. de bij het proces van de onderbrenging van vorderingen in klassen of groepen gebruikte gegevens;
b. gegevens over de geraamde PD’s, LGD’s en omrekeningsfactoren die samenhangen met de vorderingenklassen of -groepen;
c. het percentage van in gebreke gebleven debiteuren en vorderingen met een betalingsachterstand;
d. voor vorderingen met een betalingsachterstand, de gegevens over de klassen of groepen waarin de vordering was ondergebracht in het jaar voordat zij een betalingsachterstand vertoonde en de gerealiseerde uitkomsten voor de LGD en de omrekeningsfactor; en
e. de gegevens over de verliespercentages voor gekwalificeerde revolverende posities ten opzichte van particulieren en kleine partijen.
1.
In de eigen ramingen door een financiële onderneming van de risicoparameters PD, LGD, omrekeningsfactor en EL is met alle relevante gegevens, informatie en methoden rekening gehouden. De ramingen zijn verricht op grond van historische ervaring en empirisch bewijsmateriaal en niet louter gebaseerd op subjectieve overwegingen. De ramingen zijn intuïtief aannemelijk en gebaseerd op de wezenlijke determinanten van de respectievelijke risicoparameters. Hoe minder gegevens de financiële onderneming bezit, hoe voorzichtiger zij te werk gaat bij het verrichten van haar ramingen.
2.
De financiële onderneming is in staat haar verlieservaring in termen van PD, LGD en omrekeningsfactor (of verlies, wanneer EL-ramingen worden gehanteerd) te splitsen in de factoren die zij als de determinanten van de respectieve risicoparameters beschouwt. De financiële onderneming toont aan dat haar ramingen gebaseerd zijn op een langdurige ervaring.
3.
Er wordt rekening gehouden met wijzigingen die zich gedurende de in deze afdeling genoemde waarnemingsperioden in de leningspraktijk of de invorderingsprocedure hebben voorgedaan. In de ramingen van de financiële onderneming wordt tevens rekening gehouden met de gevolgen van technische vooruitgang en met nieuwe gegevens en andere inlichtingen zodra deze beschikbaar komen. Ten minste eenmaal per jaar en telkens als nieuwe relevante informatie aan het licht komt, onderwerpt de financiële onderneming haar ramingen aan een nieuw onderzoek.
4.
De populatie van de vorderingen die in aanmerking worden genomen in de gegevens voor het verrichten van de ramingen, de leningsnormen die werden toegepast toen de gegevens werden gegenereerd, en andere relevante kenmerken, zijn vergelijkbaar met die van de vorderingen en normen van de financiële onderneming. De financiële onderneming toont tevens aan dat de economische of marktvoorwaarden die aan de gegevens ten grondslag liggen, relevant zijn voor de actuele en voorzienbare voorwaarden. Het aantal in de steekproef opgenomen vorderingen en de voor de kwantificering gehanteerde periode waarop de gegevens betrekking hebben, is van dien aard dat de financiële onderneming kan vertrouwen op de juistheid en deugdelijkheid van haar ramingen.
5.
De financiële onderneming telt bij haar ramingen een voorzichtigheidsmarge op die in verhouding staat tot de verwachte foutmarge van de ramingen.
6.
Indien de financiële onderneming voor de berekening van risicogewichten andere ramingen hanteert dan voor interne doeleinden worden gebruikt, wordt dit gedocumenteerd en wordt de redelijkheid ervan aangetoond.
7.
Een financiële onderneming die gebruik maakt van gegevens die verzameld zijn vóór de implementatiedatum van deze regeling en die op zich niet beantwoorden aan de definitie van wanbetaling of verlies, bedoeld in artikel 1 van het Besluit , toont aan dat verzamelde gegevens op zodanige wijze zijn aangepast dat zij grotendeels beantwoorden aan de definities van wanbetaling of verlies.
8.
Indien een financiële onderneming gebruik maakt van een datapool van verschillende financiële ondernemingen, toont zij aan dat:
a. de ratingsystemen en -criteria van de overige financiële ondernemingen die tot de datapool hebben bijgedragen, vergelijkbaar zijn met die van haar;
b. de datapool representatief is voor de portefeuille waarvoor de gegevens uit de pool worden gebruikt;
c. zij de gegevens uit de datapool consequent in de tijd gebruikt voor haar permanente ramingen.
9.
Indien de financiële onderneming gebruik maakt van een datapool van verschillende financiële ondernemingen, blijft zij verantwoordelijk voor de integriteit van haar ratingsystemen. De financiële onderneming toont aan dat zij over voldoende interne kennis van haar ratingsystemen beschikt, waardoor zij effectief in staat is het ratingproces te bewaken en te controleren.
Artikel 3:77
Een financiële onderneming die gebruik maakt van externe gegevens die op zich niet beantwoorden aan de definitie van wanbetaling, bedoeld in artikel 1 van het Besluit en artikel 3:40 van deze regeling, toont aan dat adequate aanpassingen zijn verricht om algemene overeenstemming met de definitie van wanbetaling te bewerkstelligen.
Artikel 3:78
Indien een financiële onderneming oordeelt dat een debiteur of vordering die eerder in een toestand van wanbetaling verkeerde, thans in een zodanige toestand verkeert dat de definitie van wanbetaling niet langer van toepassing is, kent zij aan de debiteur of vordering een rating van een vordering zonder betalingsachterstand toe. Mocht de definitie van wanbetaling, bedoeld in artikel 1 van het Besluit en artikel 3:40 van deze regeling, later toch van toepassing blijken, dan wordt aangenomen dat zich opnieuw een wanbetaling heeft voorgedaan.
1.
Onverminderd de artikelen 3:76 tot en met 3:78 gelden voor de PD ramingen voor debiteuren van vorderingen die zijn ondergebracht in de categorieën genoemd in artikel 71, eerste lid, onderdelen a tot en met c, van het Besluit tevens de bepalingen van dit artikel.
2.
Een financiële onderneming raamt de PD per debiteurenklasse op basis van gemiddelden over een lange periode van de jaarlijkse wanbetalingspercentages.
3.
Indien de financiële onderneming voor de raming van PD’s gebruik maakt van gegevens over de interne ervaring met wanbetaling, toont zij in haar analyse aan dat in de ramingen de overnemingsnormen en de eventuele verschillen tussen het ratingsysteem dat de gegevens heeft gegenereerd en het huidige ratingsysteem, worden weerspiegeld. Wanneer de overnemingsnormen of de ratingsystemen gewijzigd zijn, telt de financiële onderneming een grotere voorzichtigheidsmarge bij haar PD-raming.
4.
Indien de financiële onderneming haar interne klassen relateert of koppelt aan een schaal die door een kredietbeoordelingsbureau of soortgelijke organisaties wordt toegepast en vervolgens de voor de klassen van de externe organisatie waargenomen wanbetalingsgraad toekent aan de door haar gehanteerde klassen zijn de volgende voorwaarden van toepassing:
a. de koppeling wordt gebaseerd op een vergelijking van de interne ratingcriteria met de criteria die door de externe organisatie worden gehanteerd en op een vergelijking van de interne en externe ratings van gewone debiteuren;
b. de criteria van de externe organisatie welke aan de voor de kwantificering gebruikte gegevens ten grondslag liggen, hebben uitsluitend betrekking op het wanbetalingsrisico en houden geen rekening met de transactiekenmerken;
c. in de analyse van de financiële onderneming is een vergelijking van de definities van wanbetaling opgenomen, met inachtneming van de bepalingen van artikel 1 van het Besluit en de artikelen 3:40 en 3:78 van deze regeling; en
d. de financiële onderneming documenteert de grondslag voor de koppeling.
5.
Indien een financiële onderneming gebruik maakt van statistische voorspellingsmodellen voor wanbetaling, dan kan zij PD’s ramen als het gewone gemiddelde van de ramingen van de kans op wanbetaling voor individuele debiteuren van een bepaalde klasse. Wanneer de financiële onderneming voor deze doeleinden gebruik maakt van waarschijnlijkheidsmodellen voor wanbetaling, wordt voldaan aan de in artikel 3:70 gespecificeerde normen.
6.
Wanneer een financiële onderneming PD-ramingstechnieken toepast, kan dat alleen met ondersteunende analyses, waarbij de financiële onderneming het belang van subjectieve overwegingen betrekt bij het combineren van de resultaten van de toepassing van technieken en bij het aanbrengen van aanpassingen om rekening te houden met de beperkingen waaraan de technieken en de informatie onderhevig zijn.
7.
De duur van de gebruikte onderliggende historische waarnemingsperiode is voor ten minste één bron gelijk aan minimum vijf jaar, ongeacht of een financiële onderneming voor haar PD-raming gebruik maakt van externe gegevens, interne gegevens, datapools of een combinatie van deze drie bronnen. Indien de waarnemingsperiode voor één van de bronnen een langere periode omspant en deze gegevens relevant zijn, dan wordt van deze langere periode gebruik gemaakt. Dit is ook van toepassing op de PD/LGD-benadering van aandelen. Een financiële onderneming die de Eenvoudige IRB toepast, waarborgt dat zij bij de invoering van de IRB over relevante gegevens beschikt die een periode van minimaal twee jaar bestrijken. De te bestrijken periode neemt elk jaar met een jaar toe totdat de relevante gegevens een periode van vijf jaar bestrijken.
1.
Onverminderd de artikelen 3:76 tot en met 3:78, gelden voor PD-ramingen voor vorderingen die zijn ondergebracht in de categorie genoemd in artikel 71, eerste lid, onderdeel d, van het Besluit tevens de bepalingen van dit artikel.
2.
Een financiële onderneming raamt de PD per debiteurenklasse of -groep op basis van gemiddelden van jaarlijkse wanbetalingspercentages.
3.
In afwijking van het tweede lid kunnen PD-ramingen ook worden afgeleid van gerealiseerde verliezen en adequate LGD-ramingen.
4.
De financiële onderneming beschouwt interne gegevens voor de onderbrenging van vorderingen in klassen of groepen als de primaire informatiebron voor de inschatting van de verlieskenmerken. De financiële onderneming kan externe gegevens, met inbegrip van gegevens uit datapools, of statistische modellen gebruiken voor kwantificeringsdoeleinden, mits kan worden aangetoond dat er een sterke band bestaat tussen:
a. de door de financiële onderneming gevolgde procedure voor de onderbrenging van vorderingen in klassen of groepen en de door de externe gegevensbron gevolgde procedure;
b. het interne risicoprofiel van de financiële onderneming en de samenstelling van de externe gegevens.
5.
Indien de financiële onderneming gemiddelde ramingen over een lange periode van PD’s en LGD’s afleidt uit een raming van het totale verlies en een adequate PD- of LGD-raming, dan voldoet de procedure voor de raming van de totale verliezen aan de in deze afdeling vastgelegde algemene normen voor de raming van de PD en de LGD en spoort het resultaat met het in het tweede lid van het volgende artikel bedoelde concept van de LGD.
6.
De duur van de gebruikte onderliggende historische waarnemingsperiode is voor ten minste één bron gelijk aan minimum vijf jaar, ongeacht of de financiële onderneming voor haar inschatting van verlieskenmerken gebruik maakt van externe gegevens, interne gegevens, datapools of een combinatie van deze drie bronnen. Indien de waarnemingsperiode voor één van de bronnen een langere periode omspant en deze gegevens relevant zijn, dan wordt van deze langere periode gebruik gemaakt. De financiële onderneming hoeft geen even groot belang te hechten aan historische gegevens indien zij kan aantonen dat recentere gegevens een betere voorspeller zijn van de verliespercentages. De financiële onderneming waarborgt dat zij bij de invoering van de IRB over relevante gegevens beschikt die een periode van minimaal twee jaar bestrijken. De te bestrijken periode neemt elk jaar met een jaar toe totdat de relevante gegevens een periode van vijf jaar bestrijken.
7.
De tijdens de looptijd van de vorderingen verwachte wijzigingen in de risicoparameters (seasoning effects) wordt door de financiële onderneming aangegeven en geanalyseerd.
1.
Onverminderd de artikelen 3:76 tot en met 3:78 gelden voor LGD-ramingen tevens de bepalingen van dit artikel.
2.
Een financiële onderneming raamt de LGD per faciliteitsklasse of -groep op basis van de gemiddelde gerealiseerde LGD’s per faciliteitsklasse of -groep en maakt daarbij gebruik van alle in de gegevensbronnen waargenomen gevallen van wanbetaling: het naar wanbetalingsgraad gewogen gemiddelde.
3.
Een financiële onderneming maakt gebruik van LGD-ramingen die rekening houden met een economische neergang indien deze conservatiever zijn dan het gemiddelde over een lange periode. Indien wordt verwacht dat een ratingsysteem gerealiseerde LGD’s per klasse of groep oplevert welke constant zijn in de tijd, past de financiële onderneming haar ramingen van de risicoparameters per klasse of groep aan om het effect van een economische neergang op de solvabiliteit te beperken.
4.
De financiële onderneming houdt bij de raming van LGD rekening met de mate waarin het risico van de vordering eventueel afhankelijk is van dat van de zekerheid of de zekerheidsgever. Gevallen waarin er sprake is van een significante afhankelijkheid worden op voorzichtige wijze benaderd.
5.
Valutamismatches tussen de onderliggende verplichting en de zekerheid worden op voorzichtige wijze behandeld bij de bepaling van de LGD door de financiële onderneming
6.
Indien in de LGD-ramingen met het bestaan van zekerheden rekening wordt gehouden, worden deze ramingen niet uitsluitend gebaseerd op de geraamde marktwaarde van de zekerheid. In de LGD-ramingen wordt rekening gehouden met de gevolgen van het potentiële onvermogen van de financiële onderneming om vlot beschikkingsmacht over de zekerheden te verkrijgen en deze uit te winnen.
7.
Indien in de LGD-ramingen rekening wordt gehouden met zekerheden, stelt de financiële onderneming interne vereisten vast voor het beheer van zekerheden, rechtszekerheid en risicomanagement die over het geheel genomen consistent zijn met de vereisten van de artikelen 4:2, 4:4 tot en met 4:6, 4:11, 4:28 tot en met 4:31, 4:34, onderdeel b, 4:57, 4:58, 4:61, 4:62, 4:65, 4:66, 4:69, 4:72, tweede lid, 4:73, tweede lid, en 4:79 tot en met 4:87.
8.
In het specifieke geval van een vordering waarbij reeds sprake is van wanbetaling, maakt de financiële onderneming gebruik van de som van haar beste raming van het voor die vordering verwachte verlies in het licht van het heersende economische klimaat en de status van de vordering en de mogelijkheid van additionele onverwachte verliezen gedurende de uitwinperiode.
9.
Indien onbetaalde achterstallige provisies in de winst- en verliesrekening van de financiële onderneming zijn geactiveerd, dan worden zij bij de waarde van de vordering en het verlies van die financiële onderneming geteld.
10.
De LGD-ramingen voor vorderingen die zijn ondergebracht in de categorieën genoemd in artikel 71, eerste lid, onderdelen a tot en met c, van het Besluit zijn gebaseerd op gegevens die voor ten minste één bron betrekking hebben op een periode van tenminste vijf jaar, die jaarlijks na de implementatie met één jaar wordt verhoogd tot een minimum van zeven jaar is bereikt. Indien de waarnemingsperiode voor één van de bronnen een langere periode omspant en deze gegevens relevant zijn, dan wordt van deze langere periode gebruik gemaakt.
11.
De LGD-ramingen voor vorderingen die zijn ondergebracht in de categorie genoemd in artikel 71, eerste lid, onderdeel d, van het Besluit zijn gebaseerd op gegevens over een periode van ten minste vijf jaar. De Financiële onderneming waarborgt dat zij bij de invoering van de IRB-benadering over relevante gegevens beschikt die een periode van minimaal twee jaar bestrijken. De te bestrijken periode neemt elk jaar met een jaar toe totdat de relevante gegevens een periode van vijf jaar bestrijken. De financiële onderneming hoeft geen even groot belang te hechten aan historische gegevens indien zij kan aantonen dat recentere gegevens een betere voorspeller zijn van de verliespercentages.
12.
In afwijking van het tweede lid, kunnen LGD-ramingen voor vorderingen die zijn ondergebracht in de categorie genoemd in artikel 71, eerste lid, onderdeel d, van het Besluit worden afgeleid van gerealiseerde verliezen en adequate PD-ramingen.
13.
In afwijking van het vierde lid van het volgende artikel, kan de financiële onderneming voor vorderingen die zijn ondergebracht in de categorie genoemd in artikel 71, eerste lid, onderdeel d, van het Besluit toekomstige opnemingen ofwel in haar LGD-ramingen, ofwel in haar omrekeningsfactor verwerken.
14.
Voor zover de financiële onderneming zekerheden erkent voor het bepalen van de waarde van de vordering voor tegenpartijkredietrisico overeenkomstig afdeling 5.5 respectievelijk afdeling 5.6, worden bedragen die naar verwachting op de zekerheid kunnen worden verhaald niet in de LGD-raming verwerkt.
1.
Onverminderd de artikelen 3:76 tot en met 3:78 gelden voor ramingen van omrekeningsfactoren tevens de bepalingen van dit artikel.
2.
Een financiële onderneming raamt de omrekeningsfactoren per faciliteitsklasse of -groep op basis van de gemiddelde verwachte omrekeningsfactoren per faciliteitsklasse of groep en maakt daarbij gebruik van alle in de gegevensbronnen waargenomen gevallen van wanbetaling: het naar wanbetalingsgraad gewogen gemiddelde.
3.
De financiële onderneming maakt gebruik van ramingen van omrekeningsfactoren die passend zijn voor een economische neergang indien deze conservatiever zijn dan het gemiddelde over een lange periode. Indien wordt verwacht dat een ratingsysteem gerealiseerde omrekeningsfactoren per klasse of groep oplevert die constant zijn in de tijd, past de financiële onderneming haar ramingen van de risicoparameters per klasse of groep aan om het effect van een economische neergang op de solvabiliteit te beperken.
4.
In de door de financiële onderneming geraamde omrekeningsfactoren wordt rekening gehouden met de mogelijkheid dat de debiteur nog opnemingen verricht tot, en na, het plaatsvinden van een gebeurtenis die tot wanbetaling leidt. In de raming van de omrekeningsfactor wordt een grotere voorzichtigheidsmarge ingebouwd wanneer er redelijkerwijs een sterkere positieve correlatie kan worden verwacht tussen de wanbetalingsfrequentie en de waarde van de omrekeningsfactor.
5.
Bij de raming van omrekeningsfactoren houdt de financiële onderneming rekening met haar specifieke gedragslijnen en strategieën voor het rekeningenbeheer en de betalingsverwerking. De financiële onderneming houdt ook rekening met haar vermogen en bereidheid om verdere opnemingen te voorkomen in situaties waarin bijna sprake is van wanbetaling, zoals inbreuken op overeenkomsten of andere gebeurtenissen waardoor technisch gesproken wanbetaling ontstaat.
6.
De financiële onderneming beschikt over adequate systemen en procedures om de bedragen van de faciliteiten, de actuele uitstaande bedragen uit hoofde van gecommitteerde kredietlijnen en wijzigingen in uitstaande bedragen per debiteur en per klasse te controleren. De financiële onderneming is in staat de uitstaande saldi dagelijks te controleren.
7.
In afwijking van het vierde lid, kan de financiële onderneming voor vorderingen die zijn ondergebracht in de categorie genoemd in artikel 71, eerste lid, onderdeel d, van het Besluit toekomstige opnemingen ofwel in haar LGD-ramingen, ofwel in haar omrekeningsfactor verwerken.
8.
De ramingen van de omrekeningsfactor van vorderingen die zijn ondergebracht in de categorieën genoemd artikel 71, eerste lid, onderdelen a tot en met c, van het Besluit zijn gebaseerd op gegevens die voor ten minste één bron betrekking hebben op een periode van minimum vijf jaar, die jaarlijks na de implementatie met één jaar wordt verhoogd tot een minimum van zeven jaar is bereikt. Indien de waarnemingsperiode voor één van de bronnen een langere periode omspant en deze gegevens relevant zijn, dan wordt van deze langere periode gebruik gemaakt.
9.
De ramingen van de omrekeningsfactoren voor vorderingen die zijn ondergebracht in de categorie genoemd in artikel 71, eerste lid, onderdeel d, van het Besluit zijn gebaseerd op gegevens over een periode van ten minste vijf jaar. De financiële onderneming hoeft geen even groot belang te hechten aan historische gegevens indien zij kan aantonen dat recentere gegevens een betere voorspeller zijn van de verliespercentages. De financiële onderneming waarborgt dat zij bij de invoering van de IRB over relevante gegevens beschikt die een periode van minimaal twee jaar bestrijken. De te bestrijken periode neemt elk jaar met een jaar toe totdat de relevante gegevens een periode van vijf jaar bestrijken.
1.
Een financiële onderneming hanteert welomschreven criteria voor de categorieën garantiegevers die zij in aanmerking neemt bij de berekening van risicogewogen posten.
2.
Op in aanmerking genomen garantiegevers als bedoeld in het eerste lid zijn de artikelen 3:69, 3:71 en 3:72 van overeenkomstige toepassing.
3.
Van een garantie is sprake indien de garantie:
a. schriftelijk is bevestigd;
b. niet opzegbaar is door de garantiegever;
c. van kracht is tot de verplichting volledig is nagekomen rekening houdend met het bedrag en de geldigheidsduur van de garantie, en
d. juridisch afdwingbaar is jegens de garantiegever in een rechtsgebied waar de garantiegever activa bezit om in beslag te nemen en een beslissing ten uitvoer te leggen.
4.
In afwijking van het derde lid, onderdeel d, kunnen ook garanties waarbij er sprake is van voorwaarden waaronder de garantiegever niet kan worden verplicht zijn verbintenis na te komen (voorwaardelijke garanties), in aanmerking worden genomen. De financiële onderneming toont aan dat in de onderbrengingscriteria voldoende rekening is gehouden met elke potentiële vermindering van het risicoverminderende effect.
5.
De financiële onderneming hanteert duidelijk gespecificeerde criteria voor de aanpassing van klassen, groepen of LGD-ramingen en, in het geval van garanties ter dekking van vorderingen die zijn ondergebracht in de categorie genoemd in artikel 71, eerste lid, onderdeel d, van het Besluit voor de aanpassing van de procedure voor de onderbrenging van vorderingen in klassen of groepen, teneinde recht te doen aan de gevolgen van garanties voor de berekening van risicogewogen activa. Deze criteria voldoen aan de minimumvereisten van de artikelen 3:69, 3:71 en 3:72.
6.
De criteria zijn aannemelijk en intuïtief en hebben betrekking op:
a. het vermogen en de bereidheid van de garantiegever om zijn verplichtingen uit hoofde van de garantie na te komen;
b. het vermoedelijke tijdschema van eventuele betalingen van de garantiegever;
c. de mate waarin het vermogen van de garantiegever om zijn verplichtingen uit hoofde van de garantie na te komen samenhangt met het vermogen van de debiteur om terug te betalen; en
d. de mate waarin er enig restrisico ten aanzien van de debiteur blijft bestaan.
7.
De in deze afdeling gestelde minimumvereisten voor garanties gelden ook voor single-name kredietderivaten. Ingeval er sprake is van een verschil tussen de onderliggende verplichting en de referentieverplichting van het kredietderivaat of de verplichting waarnaar wordt gekeken om uit te maken of er zich een kredietgebeurtenis heeft voorgedaan, zijn de vereisten van artikel 4:87 van toepassing. In het geval van vorderingen die zijn ondergebracht in de categorie genoemd in artikel 71, eerste lid, onderdeel d, van het Besluit is dit lid van overeenkomstige toepassing op de procedure voor de onderbrenging van vorderingen in klassen of groepen.
8.
Onverminderd het vierde en vijfde lid, hebben de criteria voor het effect van kredietderivaten betrekking op de uitbetalingsstructuur van het kredietderivaat en voorzien deze in een voorzichtige inschatting van de gevolgen daarvan voor de omvang en het tijdschema van uitwinningen. De financiële onderneming houdt rekening met de mate waarin er andere vormen van restrisico blijven bestaan.
1.
De structuur van de faciliteit voor gekochte kortlopende handelsvorderingen waarborgt dat de financiële onderneming onder alle voorzienbare omstandigheden de effectieve eigendom van en beschikkingsmacht over alle overdrachten van contanten uit hoofde van de kortlopende handelsvorderingen heeft.
2.
Wanneer de betalingen van de debiteur rechtstreeks aan een verkoper of beheerder geschieden, verifieert de financiële onderneming regelmatig of deze betalingen volledig en met inachtneming van de contractuele afspraken plaatsvinden. Voor de toepassing van dit artikel wordt onder ‘beheerder’ verstaan: een entiteit die het dagelijkse beheer verzorgt van een pool van gekochte kortlopende handelsvorderingen of de onderliggende kredietvorderingen.
3.
De financiële onderneming beschikt over procedures om te waarborgen dat het eigendom van de kortlopende handelsvorderingen en kasontvangsten beschermd is tegen concordataire uitstellen of juridische verzetsprocedures die de leninggever lange tijd kunnen beletten om de kortlopende handelsvorderingen te liquideren of over te dragen, dan wel om de beschikkingsmacht over de kasontvangsten te verkrijgen.
4.
De financiële onderneming bewaakt zowel de kwaliteit van de gekochte kortlopende handelsvorderingen als de financiële positie van de verkoper en beheerder. In ieder geval:
a. beoordeelt de financiële onderneming de samenhang tussen de kwaliteit van de gekochte kortlopende handelsvorderingen en de financiële positie van zowel de verkoper als de beheerder en beschikt zij over interne gedragslijnen en procedures die voldoende bescherming bieden tegen onvoorziene omstandigheden, waarbij onder meer ook een interne rating aan elke verkoper en beheerder wordt toegekend;
b. bestaan er in de financiële onderneming duidelijke en effectieve gedragslijnen en procedures om uit te maken of een verkoper of een beheerder toelaatbaar is. De financiële onderneming draagt zorg voor periodieke evaluaties van verkopers en beheerders om de juistheid van hun verslagen na te gaan, fraude of operationele tekortkomingen op te sporen, en de kwaliteit van het kredietbeleid van de verkoper en van het inningsbeleid en de inningsprocedures van de beheerder te verifiëren. De bevindingen van deze evaluaties worden op schrift gesteld;
c. beoordeelt de financiële onderneming de kenmerken van de pools van gekochte kortlopende handelsvorderingen, met inbegrip van te veel betaalde voorschotten, de precedenten van de verkoper op het gebied van achterstallige betalingen, dubieuze vorderingen en voorzieningen voor dubieuze vorderingen, betalingsvoorwaarden en potentiële tegenrekeningen;
d. bestaan er in de financiële onderneming effectieve gedragslijnen en procedures voor de bewaking op geaggregeerde basis van concentraties van vorderingen op eenzelfde debiteur, zowel binnen pools van gekochte kortlopende handelsvorderingen als voor alle pools van gekochte kortlopende handelsvorderingen samen; en
e. ziet de financiële onderneming erop toe dat zij van de beheerder tijdig voldoende gedetailleerde verslagen ontvangt over de saldo-analyse en de verwatering van kortlopende handelsvorderingen om de inachtneming van haar toelatingscriteria en voorschotbeleid met betrekking tot gekochte kortlopende handelsvorderingen te kunnen waarborgen, en voorziet zij tevens in een doeltreffend instrument voor de bewaking en bevestiging van de verkoopsvoorwaarden van de verkoper en de verwatering.
5.
De financiële onderneming beschikt over systemen en procedures om verslechteringen in de financiële positie van de verkoper en in de kwaliteit van de gekochte kortlopende handelsvorderingen in een vroeg stadium te detecteren, alsook om zich aandienende problemen pro-actief aan te pakken. In de financiële onderneming bestaan in ieder geval duidelijke en effectieve gedragslijnen, procedures en informatiesystemen om inbreuken op overeenkomsten vast te stellen, en tevens duidelijke en effectieve gedragslijnen en procedures om juridische stappen te ondernemen en om te gaan met gekochte kortlopende handelsvorderingen die problemen opleveren.
6.
De financiële onderneming volgt duidelijke en effectieve gedragslijnen en procedures voor de controle van gekochte kortlopende handelsvorderingen, krediet en contanten. In ieder geval worden in schriftelijk vastgelegde interne gedragslijnen alle wezenlijke onderdelen van het programma voor de aankoop van kortlopende handelsvorderingen gespecificeerd, met inbegrip van voorschotpercentages, toelaatbare zekerheden, benodigde documentatie, concentratiegrenzen, en de wijze waarop kasontvangsten moeten worden behandeld. Daarbij wordt op passende wijze rekening gehouden met alle relevante en belangrijke factoren, met inbegrip van de financiële positie van de verkoper en de beheerder, risicoconcentraties en de tendens van de kwaliteit van de gekochte kortlopende handelsvorderingen en het klantenbestand van de verkoper. Aan de hand van interne systemen wordt gewaarborgd dat de fondsen slechts tegen de gespecificeerde zekerheden en bewijsstukken worden verstrekt.
7.
De financiële onderneming beschikt over een effectieve interne procedure voor de toetsing van de inachtneming van alle interne gedragslijnen en procedures. De procedure omvat:
a. regelmatige beoordelingen van alle kritieke fases van het programma van de financiële onderneming voor de aankoop van kortlopende handelsvorderingen;
b. verificatie van de scheiding van taken, enerzijds tussen de beoordeling van de verkoper en beheerder en de beoordeling van de debiteur en anderzijds tussen de beoordeling van de verkoper en beheerder en de audit ter plaatse van de verkoper en beheerder; en
c. de toetsing van de transactieverwerking, met bijzondere nadruk op de kwalificaties, de ervaring, het personeelsbestand en de ondersteunende automatiseringssystemen.
1.
Onverminderd de artikelen 3:76 tot en met 3:82 gelden voor de risicokwantificering van gekochte kortlopende handelsvorderingen de vereisten van dit artikel.
2.
In de ramingen met betrekking tot gekochte kortlopende handelsvorderingen wordt rekening gehouden met alle relevante informatie waarover de financiële onderneming beschikt ten aanzien van de kwaliteit van de onderliggende vorderingen, met inbegrip van gegevens over soortgelijke pools welke afkomstig zijn van de verkoper, de kopende financiële onderneming of externe bronnen. De financiële onderneming toetst alle van de verkoper afkomstige gegevens waarvan zij gebruik maakt.
3.
In het geval van gekochte kortlopende handelsvorderingen die zijn ondergebracht in de categorie genoemd in artikel 71, eerste lid, onderdeel c, van het Besluit kan de financiële onderneming, in plaats van de PD, de EL per debiteurenklasse ramen op basis van gemiddelden over een lange periode van de jaarlijkse gerealiseerde wanbetalingsgraden.
4.
Indien de financiële onderneming gemiddelde ramingen van PD’s en LGD’s voor gekochte kortlopende handelsvorderingen die zijn ondergebracht in de categorie genoemd in artikel 71, eerste lid, onderdeel c, van het Besluit afleidt uit een EL-raming en een adequate PD- of LGD-raming, dan waarborgt zij dat de procedure voor de raming van de totale verliezen aan de in deze afdeling vastgelegde algemene normen voor de raming van de PD en de LGD voldoet, en spoort het resultaat met het in artikel 3:81, tweede lid vervatte concept van de LGD.
5.
In afwijking van artikel 3:80, vierde lid, kan een financiële onderneming voor gekochte kortlopende handelsvorderingen die zijn ondergebracht in de categorie genoemd in artikel 71, eerste lid, onderdeel d, van het Besluit gebruik maken van externe en interne referentiegegevens. De financiële onderneming gebruikt alle relevante gegevensbronnen als vergelijkingspunt.
6.
Bij gekochte kortlopende handelsvorderingen die zijn ondergebracht in de categorie genoemd in artikel 71, eerste lid, onderdeel d, van het Besluit kan een financiële onderneming van externe en interne referentiegegevens gebruik maken om de LGD’s te ramen.
7.
Ten aanzien van de bepaling van het effect van garanties of kredietderivaten is artikel 3:83, vijfde, zesde en achtste lid, van overeenkomstige toepassing op gekochte kortlopende handelsvorderingen.
1.
Bij de ontwikkeling van een intern model voor berekening van de solvabiliteitsvereisten voor posities in aandelen op basis van een interne-modellen benadering als bedoeld in artikel 3:28, voldoet de financiële onderneming aan de normen van dit artikel.
2.
Bij de constructie van VaR-modellen voor de raming van potentiële driemaandelijkse verliezen kan de financiële onderneming gebruik maken van kwartaalgegevens of van gegevens met een kortere tijdshorizon die in kwartaalgegevens worden omgezet met behulp van een analytisch adequate methode die berust op empirische gegevens en op een goed doordachte en gedocumenteerde redenering en analyse. Bij een dergelijke benadering wordt voorzichtig en consistent in de tijd te werk gegaan. Wanneer slechts beperkte relevante gegevens beschikbaar zijn, past de financiële onderneming adequate voorzichtigheidsmarges toe;
3.
In de gehanteerde modellen wordt op adequate wijze rekening gehouden met alle risico’s van betekenis waaraan het aandelenrendement onderhevig is, met inbegrip van zowel het algemene marktrisico als het specifieke risico van de aandelenportefeuille van de financiële onderneming. Dit wordt door middel van empirische analyses aangetoond.
4.
Het interne model sluit aan bij het risicoprofiel en de complexiteit van de aandelenportefeuille van de financiële onderneming. Wanneer de financiële onderneming posities van betekenis bezit met waarden die van zeer non-lineaire aard zijn, stelt zij de interne modellen zodanig op dat zij de aan dergelijke instrumenten verbonden risico’s op adequate wijze weergeven.
5.
De interne modellen geven een adequate verklaring van de historische koersvariatie en geven zowel de omvang als de wijzigingen in de samenstelling van de potentiële concentraties weer.
6.
In de ramingen van de volatiliteit van het rendement van posities in aandelen wordt rekening gehouden met alle relevante en beschikbare gegevens, inlichtingen en methoden. Er wordt gebruik gemaakt van aan een onafhankelijk onderzoek onderworpen interne gegevens of van gegevens uit externe bronnen, met inbegrip van datapools.
7.
De koppeling van afzonderlijke posities aan indicatoren, marktindexen en risicofactoren is aannemelijk, intuïtief en conceptueel gezond.
8.
De raming van het potentiële verlies is bestand tegen ongunstige marktontwikkelingen die relevant zijn voor het risicoprofiel op lange termijn van het specifieke aandelenbezit van de financiële onderneming. De gehanteerde gegevens zijn van dien aard dat zij voorzichtige, statistisch betrouwbare en deugdelijke verliesramingen opleveren die niet enkel op subjectieve overwegingen gebaseerd zijn. De financiële onderneming combineert empirische analyse van beschikbare gegevens met op diverse factoren gebaseerde aanpassingen om voldoende realistische en voorzichtige modeloutputs te verkrijgen.
9.
De populatie van de vorderingen die vertegenwoordigd zijn in de voor de raming gehanteerde gegevens, sluit nauw aan bij of is ten minste vergelijkbaar met die van de posities in aandelen van de financiële onderneming. De gegevens die zijn gebruikt om de rendementsspreiding weer te geven, hebben betrekking op de langste steekproefperiode waarvoor gegevens beschikbaar zijn die representatief zijn voor het risicoprofiel van de specifieke posities in aandelen van de financiële onderneming.
1.
Een financiële onderneming beschikt over deugdelijke procedures voor het verrichten van stresstests bij de beoordeling van haar kapitaaltoereikendheid. Een financiële onderneming verricht stresstests voor zowel het risico in de kredietportefeuille als voor het risico in de aandelenportefeuille. Bij het verrichten van stresstests wordt nagegaan welke mogelijke gebeurtenissen of toekomstige veranderingen in economische omstandigheden ongunstige gevolgen kunnen hebben voor de kredietrisicoposities van de financiële onderneming en wordt beoordeeld in hoeverre de financiële onderneming tegen dergelijke veranderingen bestand is. Indien de financiële onderneminge voor de bepaling van de risicogewogen posten formule 4a van bijlage 3 toepast, bestudeert zij in het kader van haar stresstests het effect van een verslechtering van de kredietkwaliteit van protectiegevers, en met name het effect van protectiegevers die niet voldoen aan de criteria om in aanmerking te komen.
2.
De financiële onderneming verricht regelmatig een stresstest met betrekking tot het kredietrisico om na te gaan welke gevolgen bepaalde specifieke omstandigheden hebben voor haar totale solvabiliteitsvereiste voor het kredietrisico. De stresstest is relevant en redelijk conservatief en ten minste wordt het effect wordt onderzocht van een scenario waarbij wordt uitgegaan van een milde recessie waarin er twee opeenvolgende kwartalen geen groei plaatsvindt. De financiële onderneming gaat na welke veranderingen haar ratings in het kader van de stresstest-scenario’s ondergaan. De portefeuilles die worden onderworpen aan de stresstest, bevatten de overgrote meerderheid van alle kredietrisicoposities van een financiële onderneming.
3.
De financiële onderneming verricht regelmatig een stresstest met betrekking tot het risico van aandelenposities. Voor zover het posities betreft die worden behandeld onder de interne-modellen benadering als bedoeld in artikel 3:28 toont de financiële onderneming aan dat de gesimuleerde schok een voorzichtige raming van de potentiële verliezen over een relevante markt- of conjunctuurcyclus op lange termijn oplevert.
1.
Een financiële onderneming beschikt over deugdelijke systemen om de juistheid en consistentie van ratingsystemen of interne modellen, voor posities in aandelen, de processen en de raming van alle relevante risicoparameters te valideren.
2.
De financiële onderneming toont aan dat het interne validatieproces haar in staat stelt de werking van de interne rating- en risico-inschattingsystemen op consequente en zinvolle wijze te beoordelen. Hiertoe worden alle wezenlijke onderdelen van de interne rating- en risico-inschattingsystemen, het modelleringsproces en de validatie gedocumenteerd. Dit met inbegrip van de verantwoordelijkheden van de bij de modellering betrokken partijen, de goedkeuring van het model en de procedures voor de validatie van het model.
3.
De financiële onderneming vergelijkt regelmatig de gerealiseerde mate van wanbetaling met de PD-ramingen voor elke klasse. Wanneer de gerealiseerde mate van wanbetaling buiten het voor de desbetreffende klasse verwachte bereik vallen, onderzoekt de financiële onderneming specifiek wat de redenen zijn voor de afwijking.
4.
Indien de financiële onderneming van eigen ramingen van LGD’s of omrekeningsfactoren gebruik maakt, voert zij ook voor deze ramingen een onderzoek als bedoeld in het vorige lid uit.
5.
Voor posities in aandelen vergelijkt de financiële onderneming de feitelijke rendementen op aandelen, berekend aan de hand van gerealiseerde en niet-gerealiseerde winsten en verliezen, regelmatig met de modelramingen.
6.
Bij de in het derde tot en met vijfde lid bedoelde vergelijkingen wordt gebruik gemaakt van historische gegevens die een zo lang mogelijke periode bestrijken. De financiële onderneming documenteert de bij deze vergelijkingen gehanteerde methoden en gegevens. Dit onderzoek en deze documentatie worden ten minste eenmaal per jaar geactualiseerd.
7.
De financiële onderneming maakt tevens gebruik van andere kwantitatieve validatie-instrumenten en van vergelijkingen met relevante externe gegevensbronnen. Bij een dergelijk onderzoek wordt uitgegaan van gegevens die passend zijn voor de portefeuille, regelmatig worden geactualiseerd en betrekking hebben op een relevante waarnemingsperiode. Bij de interne beoordelingen van de werking van hun ratingsystemen gaat de financiële onderneming uit van een zo lang mogelijke periode.
8.
De voor de kwantitatieve validatie gehanteerde methoden en gegevens zijn consistent in de tijd. Wijzigingen in de raming- en validatiemethoden en in de gegevens, zowel gegevensbronnen als bestreken periodes, worden beargumenteerd en gedocumenteerd.
9.
De financiële onderneming heeft deugdelijke interne normen vastgesteld voor de gevallen waarin gerealiseerde PD’s, LGD’s, omrekeningsfactoren, totale verliezen waarbij van EL gebruik wordt gemaakt en de feitelijke rendementen op aandelen, in significante mate van de verwachtingen afwijken om twijfel te doen ontstaan omtrent de juistheid van de ramingen. In deze normen wordt rekening gehouden met conjunctuurcycli en met een soortgelijke systematische variabiliteit van de wanbetalingservaring en van de rendementen op aandelen. Wanneer de gerealiseerde waarden de verwachte waarden blijven overtreffen, stelt de financiële onderneming haar ramingen opwaarts bij om met hun wanbetalings- en verlieservaring rekening te houden. Alle aanpassingen die naar aanleiding van deze onderzoeken van de ratingsystemen of interne modellen worden aangebracht, worden beargumenteerd en gedocumenteerd en zijn in overeenstemming met de interne normen voor de evaluatie en aanpassingen van ratingsystemen en interne modellen.
Artikel 3:89
Ten aanzien van de ontwikkeling en het gebruik van interne ratingsystemen en modellen voor posities in aandelen, stelt een financiële onderneming, met inachtneming van de overige bepalingen van deze afdeling, gedraglijnen, procedures en beheersingsmaatregelen vast om de integriteit van het ratingsysteem en het modelleringsproces te waarborgen. Deze gedragslijnen, procedures en beheersingsmaatregelen omvatten ten minste de volgende elementen:
a. volledige integratie van het interne ratingsysteem en de interne modellen voor posities in aandelen in de algemene managementinformatiesystemen van de financiële onderneming en in het beheer van de portefeuille. De interne ratingsystemen en modellen voor posities in aandelen zijn volledig geïntegreerd in het risicomanagement indien zij vooral worden gebruikt voor: de interne goedkeuring van nieuwe posities, de meting en beoordeling van het rendement van de portefeuille (met inbegrip van het voor risico’s gecorrigeerde rendement); de allocatie van economisch kapitaal aan posities, de evaluatie van de totale kapitaaltoereikendheid en het positiebeheer;
b. beproefde managementsystemen, procedures en controlefuncties die een periodieke en onafhankelijke analyse van alle onderdelen van het interne ratingsysteem en modelleringsproces waarborgen, met inbegrip van de goedkeuring van herzieningen in het ratingsysteem of het model voor posities in aandelen, de validatie van inputs en de evaluatie van resultaten, zoals directe verificatie van risicoberekeningen. In het kader van deze analyses worden de juistheid, volledigheid en adequaatheid van inputs en uitkomsten beoordeeld en gaat de aandacht vooral uit naar, enerzijds, het detecteren en beperken van mogelijke fouten die uit bekende gebreken voortvloeien, en, anderzijds, het opsporen van onbekende gebreken van het ratingsysteem of het model voor posities in aandelen. Deze analyses kunnen worden verricht door een functie binnen de financiële onderneming die onafhankelijk is van de functies die verantwoording afleggen over commerciële 0f financiële prestaties of door een onafhankelijke derde;
c. adequate systemen en procedures voor de bewaking van de risicolimieten, gebaseerd op de interne ratingsystemen en modellen voor posities in aandelen;
d. de voor het ontwerp en de toepassing van het ratingsysteem of het model voor posities in aandelen verantwoordelijke eenheden zijn functioneel onafhankelijk van de functies die verantwoording afleggen over commerciële of financiële prestaties; en
e. de voor enigerlei aspect van het ratingsysteem of modelleringsproces verantwoordelijke partijen beschikken over adequate kwalificaties.
1.
Alle wezenlijke aspecten van het rating- en het ramingsproces worden goedgekeurd door het bestuur of een speciaal aangewezen comité daarvan en het management van de financiële onderneming. Deze partijen hebben een algemeen begrip van de ratingsystemen van de financiële ondernemingen en een diepgaand begrip van de daarmee samenhangende managementverslagen.
2.
Het management stelt het bestuur of een speciaal aangewezen comité daarvan in kennis van wezenlijke wijzigingen in of uitzonderingen op algemeen gebruikelijke gedragslijnen welke een invloed van betekenis hebben op de werking van de ratingsystemen van de financiële onderneming.
3.
Het bestuur of een speciaal aangewezen comité daarvan en het management hebben een goed inzicht in de opzet en de werking van de ratingsystemen. Zij worden regelmatig, maar ten minste twee keer per jaar, door de voor de kredietrisicobeheersing verantwoordelijke functie op de hoogte gebracht van de werking van het ratingproces, de terreinen waarop verbeteringen noodzakelijk zijn, en de vorderingen die zijn gemaakt bij het verhelpen van eerder geconstateerde gebreken. Het management is belast met het waarborgen van het naar behoren functioneren van de ratingsystemen in de operationele zin.
4.
Een op interne ratings gebaseerde analyse van het kredietrisicoprofiel van de financiële onderneming vormt een essentieel onderdeel van de managementverslaggeving aan het bestuur of een speciaal aangewezen comité daarvan en het management van de financiële onderneming. Bij de verslaggeving wordt ten minste melding gemaakt van het risicoprofiel per klasse, de migratie van de ene klasse naar de andere, de raming van de relevante parameters per klasse en een vergelijking tussen gerealiseerde wanbetalingsgraden en eigen ramingen van LGD’s en omrekeningsfactoren enerzijds en de verwachtingen en de resultaten van stresstests anderzijds. De frequentie van de verslaggeving hangt af van de betekenis van de informatie, het type informatie en het niveau van de ontvanger.
5.
Het toezichthoudende orgaan houdt toezicht op de vervulling van de ingevolge dit hoofdstuk op het bestuur rustende taken. Daartoe beoordeelt dit orgaan op hoofdlijnen de organisatie-inrichting en de beheersingsmechanismen die door de financiële onderneming, onder leiding van het bestuur zijn ingesteld. Een op interne ratings gebaseerde analyse van het kredietrisicoprofiel van de financiële onderneming vormt een essentieel onderdeel van de managementverslaggeving aan dit orgaan. Het toezichthoudende orgaan wordt in kennis gesteld van wezenlijke wijzigingen in of uitzonderingen op algemeen gebruikelijke gedragslijnen welke een invloed van betekenis hebben op de werking van de ratingsystemen van de financiële onderneming.
6.
De met de kredietrisicobeheersing belaste functie is onafhankelijk van de functies die verantwoording afleggen over commerciële of financiële prestaties en brengt rechtstreeks verslag uit aan het bestuur. De eenheid is verantwoordelijk voor de opzet of selectie, tenuitvoerlegging, controle en werking, in technische en procedurele zin, van de ratingsystemen. Zij produceert en analyseert regelmatig verslagen over de output van de ratingsystemen.
7.
De met de kredietrisicobeheersing belaste functie heeft onder meer de volgende taken:
a. testen en bewaken van klassen en groepen;
b. produceren en analyseren van beknopte verslagen over de ratingsystemen van de financiële onderneming;
c. ten uitvoer leggen van procedures om te verifiëren dat de definities van klasse en groep in alle afdelingen en geografische gebieden consequent worden toegepast;
d. evalueren en documenteren van alle wijzigingen in het ratingproces, met opgave van de redenen voor de wijzigingen;
e. evalueren van de ratingcriteria om na te gaan of zij het risico adequaat blijven voorspellen. Wijzigingen in het ratingproces, de criteria of de afzonderlijke ratingparameters worden gedocumenteerd en bijgehouden;
f. actief deelnemen aan de opzet of selectie, tenuitvoerlegging en validatie van de modellen die in het kader van het ratingproces worden gebruikt;
g. toezicht houden op de modellen die in het kader van het ratingproces worden gebruikt; en
h. doorlopend onderzoeken en aanpassen van de modellen die in het kader van het ratingproces worden gebruikt.
8.
De financiële onderneming waarborgt dat potentiële belangenconflicten, als gevolg van de in het vorige lid bedoelde taken, binnen de met kredietrisicobeheersing belaste functies door middel van adequate functiescheiding worden beheerst.
9.
In afwijking van het zevende lid, kan de financiële onderneming die in overeenstemming met artikel 3:76, achtste en negende lid, gebruik maakt van gegevens uit datapools, met inachtneming van hoofdstuk 5 van het Besluit , de volgende taken uitbesteden:
a. produceren van informatie die relevant is voor het testen en bewaken van klassen en groepen;
b. produceren van beknopte verslagen over de ratingsystemen van de financiële onderneming;
c. produceren van informatie die relevant is voor het evalueren van de ratingcriteria om na te gaan of zij het risico blijven voorspellen;
d. documenteren van alle wijzigingen in het ratingproces, de criteria of de afzonderlijke ratingparameters; en
e. produceren van informatie die relevant is voor het doorlopend onderzoeken en aanpassen van de modellen die in het kader van het ratingproces worden gebruikt.
10.
De interne audit functie voert ten minste elk jaar een beoordeling uit ten aanzien van de door de financiële onderneming toegepaste ratingsystemen en de in het kader daarvan verrichte activiteiten, met inbegrip van de activiteiten van de met de kredietrisicobeheersing belaste functie en de raming van de PD’s, LGD’s, EL’s en omrekeningsfactoren. Bij de beoordeling wordt onder meer gelet op de inachtneming van alle toepasselijke minimumvereisten in deze regeling.
11.
De interne audit functie kan voor de beoordeling, bedoeld in het vorige lid gebruik maken van onafhankelijke interne of externe deskundigen.
Artikel 4:1
In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:
a. eigen ramingenmethode : methode waarbij gebruik wordt gemaakt van de volatiliteitsaanpassingen op basis van eigen ramingen van de financiële onderneming;
b. gedekte leningstransactie (secured lending) : een transactie die leidt tot het ontstaan van een vordering die is gedekt door middel van een zekerheidsovereenkomst, met uitzondering van transacties die een beding bevatten waarin aan de leningverstrekkende financiële onderneming het recht wordt verleend frequent margebetalingen te ontvangen;
c. kapitaalmarktgerelateerde transactie : een transactie, niet zijnde een repo-stijl transactie, die leidt tot het ontstaan van een vordering die is gedekt door middel van een zekerheidsovereenkomst die een beding bevat waarbij aan de leningverstrekkende financiële onderneming het recht wordt verleend frequent margebetalingen te ontvangen;
d. kerndeelnemer aan de markt :
1°. entiteiten als bedoeld in artikel 4:22, onderdeel b, indien aan de vorderingen op deze entiteiten overeenkomstig paragraaf 2.2.1 een risicogewicht van 0% wordt toegekend;
2°. banken en beleggingsondernemingen;
3°. andere financiële ondernemingen, met inbegrip van verzekeraars, indien aan de vorderingen op deze ondernemingen overeenkomstig paragraaf 2.2.6 een risicogewicht van 20% wordt toegekend;
4°. andere financiële ondernemingen die geen kredietbeoordeling van een erkende EKBI hebben, maar waaraan overeenkomstig de afdelingen 3.3 en 3.4 wel een interne rating is toegekend, volgens welke de kans op wanbetaling maximaal gelijk is aan de kans op wanbetaling behorende bij kredietkwaliteitstrap 2 als bedoeld in tabel A van bijlage 2A ;
5°. gereguleerde instellingen voor collectieve belegging die aan solvabiliteitsvereisten of vereisten inzake de verhouding eigen/vreemd vermogen zijn onderworpen;
6°. gereguleerde pensioenfondsen; en
7°. erkende clearinginstellingen;
e. onafhankelijke taxateur : een persoon die over de nodige kwalificaties, bekwaamheid en ervaring beschikt om een taxatie uit te voeren en die geen enkele rol vervult in en geen belang heeft bij het kredietacceptatieproces; en
f. toezichthoudermethode : methode waarbij gebruik wordt gemaakt van volatiliteitsaanpassingen die niet worden vastgesteld door de financiële onderneming zelf, maar door de toezichthouder;
g. VaR-methode : methode waarbij gebruik wordt gemaakt van de volatiliteitsaanpassingen die door de financiële onderneming worden vastgesteld op basis van een intern model dat zowel rekening houdt met de correlatie-effecten tussen effectenposities die onder een kaderverrekeningsovereenkomst vallen als met de liquiditeit van de betrokken instrumenten.
1.
Indien een financiële onderneming, met inachtneming van artikel 80 van het Besluit , voor de berekening van risicogewogen posten of eventuele verwachte verliezen met kredietrisicovermindering rekening houdt:
a. beschikt zij over adequate risicomanagementprocessen ter beheersing van de risico’s waaraan zij blootgesteld kan zijn als gevolg van deze kredietrisicovermindering; en
b. blijft zij een volledige kredietrisicobeoordeling van de onderliggende vordering uitvoeren.
2.
Bij repostijl-transacties wordt, uitsluitend voor de toepassing van het eerste lid, onderdeel b, aangenomen dat de onderliggende vordering de nettopost is.
Artikel 4:3
Op het in aanmerking nemen van kredietrisicovermindering is artikel 2:57, tweede lid, van overeenkomstige toepassing, indien de financiële onderneming daarbij gebruik maakt van kredietbeoordelingen afgegeven door een erkend kredietbeoordelingsbureau.
1.
Ten name van dezelfde wederpartij op naam gestelde leningen enerzijds en deposito’s anderzijds kunnen op de balans met elkaar worden verrekend, indien daartoe tussen een leningverstrekkende financiële onderneming en diens wederpartij een overeenkomst tot verrekening van balansposten wordt gesloten, die voldoet aan de in volgende twee artikelen bedoelde minimumvereisten.
2.
De in het eerste lid bedoelde verrekening van balansposten kan niet plaatsvinden onder een kaderverrekeningsovereenkomst die betrekking heeft op repostijl-transacties of kapitaalmarktgerelateerde transacties, waarop afdeling 4.3 van toepassing is.
3.
Alleen de risicogewogen posten en de eventuele verwachte verliesposten uit hoofde van leningen en deposito’s van de leningverstrekkende financiële onderneming mogen worden gewijzigd als gevolg van een verrekeningsovereenkomst.
Artikel 4:5
Onverminderd het vorige artikel, kunnen overeenkomsten tot verrekening van balansposten uitsluitend als kredietrisicovermindering in aanmerking worden genomen indien aan de volgende voorwaarden ten aanzien van de rechtszekerheid is voldaan:
a. in de verrekeningsovereenkomst is gewaarborgd dat, in geval van wanprestatie, insolventie of faillissement, uiteindelijk één nettobedrag resulteert dat de ene partij aan de andere verschuldigd is; en
b. de leningverstrekkende financiële onderneming vergewist zich van de blijvende juridische rechtsgeldigheid en afdwingbaarheid in alle relevante jurisdicties van de verrekeningsovereenkomst.
Artikel 4:6
Onverminderd artikel 4:4, kunnen overeenkomsten tot verrekening van balansposten uitsluitend als kredietrisicovermindering in aanmerking worden genomen indien aan de volgende voorwaarden ten aanzien van het risicobeheer is voldaan:
a. de leningverstrekkende financiële onderneming is te allen tijde in staat te bepalen welke activa en passiva onder de verrekeningsovereenkomst vallen;
b. de leningverstrekkende financiële onderneming bewaakt en beheerst de risico’s die aan de opzegging van de kredietprotectie verbonden zijn; en
c. onverminderd artikel 4:2, tweede lid, bewaakt en controleert de leningverstrekkende financiële onderneming de desbetreffende vorderingen op nettobasis.
1.
Ten name van dezelfde relatie of groep luidende debetsaldo’s enerzijds en creditsaldo’s anderzijds kunnen door een leningverstrekkende financiële onderneming op de balans met elkaar worden verrekend, indien het creditsaldo bij afzonderlijke pandovereenkomst formeel aan een leningverstrekkende financiële onderneming is verpand tot zekerheid van het debetsaldo.
2.
In afwijking van het eerste lid, is de in dat lid bedoelde pandovereenkomst niet vereist, indien op de verhouding tussen de financiële onderneming en haar wederpartij algemene voorwaarden van toepassing zijn, die reeds in een zodanige verpanding voorzien, mits de juridische effectiviteit van die voorwaarden is gewaarborgd.
1.
Verbonden rekeningen van verschillende relaties kunnen door een leningverstrekkende financiële onderneming op de balans met elkaar worden verrekend, indien is voldaan aan één van de volgende voorwaarden:
a. het creditsaldo wordt bij afzonderlijke overeenkomst formeel aan de financiële onderneming verpand tot zekerheid voor het debetsaldo; of
b. de leningverstrekkende financiële onderneming heeft de bevoegdheid zich tegenover de crediteur te allen tijde ten volle te kwijten door haar vordering op de debiteur aan de crediteur te cederen; of
c. ten aanzien van het debet- en creditsaldo geldt dat:
1°. het debetsaldo voor rekening en risico van de crediteur loopt, respectievelijk de crediteur zich borg stelt voor de debiteur, respectievelijk de crediteur hoofdelijk schuldenaar naast de debiteur is; en
2°. het creditsaldo wordt formeel aan de leningverstrekkende financiële onderneming verpand tot zekerheid voor de op de crediteur rustende verplichting uit hoofde van de desbetreffende constructie onder 1°.
2.
In afwijking van het eerste lid, onderdeel b, onder 2°., is geen pandovereenkomst vereist indien op de verhouding tussen de financiële onderneming en de wederpartij algemene voorwaarden van toepassing zijn, die reeds in een zodanige verpanding voorzien, mits de juridische effectiviteit van die voorwaarden is gewaarborgd.
1.
Een financiële onderneming berekent de volledig aangepaste omvang van de risicopositie (E*) overeenkomstig formule 1a van bijlage 4A , waarbij leningen en deposito’s bij de leningverstrekkende financiële onderneming die op de balans worden verrekend, als zekerheden in de vorm van contanten als bedoeld in afdeling 4.4 worden behandeld.
2.
Een financiële onderneming die de Standaardbenadering toepast, merkt E* aan als de waarde van de vordering op de tegenpartij.
3.
Een financiële onderneming die de Eenvoudige IRB toepast, gebruikt E* om LGD* af te leiden in overeenstemming met formule 2 van bijlage 4A . Een zodanige financiële onderneming blijft de waarde van de vordering berekenen zonder de effecten van verrekening in aanmerking te nemen.
4.
Bij de berekening van E*:
a. wordt de toezichthoudermethode toegepast;
b. geldt een liquidatieperiode van tien dagen;
c. past een financiële onderneming de volatiliteitsaanpassing overeenkomstig artikel 4:50 aan, indien de herwaardering minder dan eenmaal per dag plaatsvindt; en
d. is afdeling 4.9 van overeenkomstige toepassing.
1.
Een financiële onderneming kan het effect van een bilaterale verrekeningsovereenkomst met betrekking tot repostijl-transacties en kapitaalmarktgerelateerde transacties in aanmerking nemen, indien de financiële onderneming de in paragraaf 4.4.6 bedoelde uitgebreide methode van financiële zekerheden toepast, en indien de kaderverrekeningsovereenkomst voldoet aan de in het volgende artikel bedoelde minimumvereisten.
2.
Onverminderd artikel 60, tweede lid, van het Besluit , waarborgt de financiële onderneming dat de in het kader van de in het eerste lid bedoelde verrekeningsovereenkomst geaccepteerde zekerheden en geleende effecten of grondstoffen voldoen aan de in de paragrafen 4.4.1 en 4.4.2 bedoelde toelaatbaarheidseisen voor zekerheden.
Artikel 4:11
Kaderverrekeningsovereenkomsten als bedoeld in het vorige artikel, worden uitsluitend als kredietrisicovermindering in aanmerking genomen indien:
a. de overeenkomst de niet in gebreke blijvende partij het recht verleent om bij wanbetaling alle in het kader van de overeenkomst verrichte transacties zo spoedig mogelijk te beëindigen en af te wikkelen, ook in geval van insolventie of faillissement van een tegenpartij;
b. de overeenkomst voorziet in een zodanige verrekening van de winsten en verliezen op in het kader van de overeenkomst afgewikkelde transacties dat uiteindelijk slechts één nettobedrag resulteert dat door de ene partij aan de andere partij verschuldigd is; en
c. de financiële onderneming voldoet aan de in paragraaf 4.4.3 bedoelde minimumvereisten voor het in aanmerking nemen van financiële zekerheden bij de uitgebreide methode van financiële zekerheden.
1.
Indien voor de berekening van de volatiliteitsaanpassing gebruik wordt gemaakt van de toezichthoudermethode of de eigen-ramingenmethode, berekent een financiële onderneming de volledig aangepaste waarde van de vordering (E*) overeenkomstig formule 3 van bijlage 4A , met dien verstande dat:
a. op deze berekening de artikelen 4:41 tot en met 4:49 van overeenkomstige toepassing is; en
b. bij deze berekening rekening wordt gehouden met een eventueel looptijdverschil als bedoeld in afdeling 4.9.
2.
Indien voor de berekening van de volatiliteitsaanpassing gebruik wordt gemaakt van de VaR-methode bedoeld in paragraaf 4.3.4, berekent de financiële onderneming E* overeenkomstig formule 4 van bijlage 4A , met dien verstande dat:
a. bij deze berekening gebruik wordt gemaakt van de modeluitkomsten van de voorgaande werkdag; en
b. bij deze berekening rekening wordt gehouden met een eventueel looptijdverschil als bedoeld in afdeling 4.9.
3.
Financiële ondernemingen die de Standaardbenadering toepassen, nemen E* in aanmerking als de waarde van de vordering op de tegenpartij die voortvloeit uit de transacties die onder de kaderverrekeningsovereenkomst vallen.
4.
Financiële ondernemingen die de Eenvoudige IRB toepassen, stellen de EAD van de transacties onder de kaderverrekeningsonvereenkomst gelijk aan E*. Het inaanmerkingnemen van het risicoverminderende effect van de zekerheden leidt in dit verband niet tot aanpassing van de LGD.
1.
Indien een financiële onderneming opteert voor het vaststellen van de volatiliteitsaanpasssingen op basis van de VaR-methode, past zij deze methode op alle tegenpartijen en effecten toe, met uitzondering van immateriële portefeuilles, ten aanzien waarvan zij met inachtneming van artikel 4:39 gebruik kan maken van de toezichthoudermethode of van de eigen-ramingenmethode.
2.
Derivatentransacties zijn uitgesloten van behandeling volgens de VaR-methode.
1.
Het gebruik van de VaR-methode staat uitsluitend open voor een financiële onderneming, die gebruik maakt van een erkend intern VaR-model.
2.
De erkenning, bedoeld in het eerste lid, kan worden verleend op basis van een daartoe strekkend verzoek van een financiële onderneming wier intern VaR-model niet eerder, al dan niet ingevolge dit artikel, is erkend.
3.
Financiële ondernemingen wier intern VaR-model al eerder is erkend ingevolge artikel 77 van het Besluit worden geacht de erkenning, bedoeld in het eerste lid, ontvangen te hebben. Op het gebruik van het VaR-model, bedoeld in de vorige volzin, zijn de artikelen 4:16 tot en met 4:21 van overeenkomstige toepassing.
Artikel 4:15
De in het eerste lid van het vorige artikel bedoelde erkenning wordt uitsluitend verleend indien de verzoekende financiële onderneming aantoont dat haar risicomanagementsysteem voor het beheer van de risico’s die voortvloeien uit de transacties die onder de kaderverrekeningsovereenkomst vallen, qua concept solide is en op integere wijze wordt toegepast, en aantoont dat zij voldoet aan de kwaliteitsnormen bedoeld in de artikelen 4:16 tot en met 4:21.
1.
Met het oog op het interne VaR-model voor de berekening van de potentiële prijsvolatiliteit van de transacties, waarborgt de verzoekende financiële onderneming dat het model is geïntegreerd in het dagelijkse proces van risicobeheer en als basis dient voor de rapportering van vorderingen en resultaten aan haar hoogste leiding.
2.
Voor de toepassing van het eerste lid, waarborgt de financiële onderneming dat het interne VaR-model een voldoende aantal risicofactoren bestrijkt om alle wezenlijke koersrisico’s te kunnen ondervangen.
3.
DNB kan een financiële onderneming toestaan empirische correlaties te hanteren binnen risicocategorieën en tussen uiteenlopende risicocategorieën, indien het systeem waarmee de financiële onderneming de correlaties meet, solide is en op integere wijze wordt toegepast.
4.
Onverminderd de vorige leden, waarborgt de verzoekende financiële onderneming dat haar intern VaR-model aan afdeling 5.5 voldoet.
Artikel 4:17
De financiële onderneming heeft een afdeling risicobeheersing die:
a. voldoende onafhankelijk kan opereren en vrij is van beïnvloeding die dit onafhankelijk opereren in gevaar kan brengen;
b. over voldoende personeel beschikt dat onderlegd is in het gebruik van verfijnde modellen op het gebied van risicobeheersing;
c. belast is met het ontwerpen en implementeren van het risicobeheersysteem van de financiële onderneming; en
d. dagelijks de uitkomsten van het VaR-model analyseert en, indien nodig, voorstellen aan de hoogste leiding doet voor het treffen van noodzakelijke maatregelen ten aanzien van de positielimieten.
1.
Het bestuur en het seniormanagement van de verzoekende financiële onderneming merkt risicobeheer aan als een essentieel onderdeel van de bedrijfsvoering, is daarbij actief betrokken en stelt hiervoor voldoende middelen ter beschikking.
2.
De dagelijkse rapporten die de afdeling risicobeheersing opstelt, worden beoordeeld door een seniormanagement-echelon dat voldoende bevoegdheden heeft om een vermindering van de ingenomen posities of van de totale vordering van de financiële onderneming op te leggen.
1.
De financiële onderneming kan aantonen dat haar VaR-modellen voldoende voorspellende waarde bezitten. Het in de eerste volzin bedoelde bewijs wordt geleverd door de uitkomsten van de VaR-modellen achteraf te testen (‘back-testing’) aan de hand van gegevens over een periode van ten minste één jaar.
2.
De verzoekende financiële onderneming voert frequent een stringent programma van stresstests uit. De uitkomsten van deze tests worden beoordeeld door de hoogste leiding en worden verwerkt in het beleid en in de limieten die door die hoogste leiding worden bepaald.
3.
Indien stresstests een bijzondere kwetsbaarheid laten zien bij bepaalde scenario’s informeert de verzoekende financiële onderneming DNB hier onverwijld over en treft zij onverwijld maatregelen om de desbetreffende risico’s adequaat te beheersen.
1.
De verzoekende financiële onderneming heeft procedures vastgesteld voor de bewaking van en het doen naleven van een schriftelijk vastgelegde reeks interne gedragslijnen en controlevoorschriften, die betrekking hebben op de werking van het risicometingssysteem als geheel.
2.
Als onderdeel van de periodieke interne controle voert de verzoekende financiële onderneming een onafhankelijke evaluatie van het risicometingssysteem uit, die betrekking heeft op de activiteiten van de handelsafdelingen en de zelfstandige afdeling risicobeheersing.
3.
De verzoekende financiële onderneming voert tenminste eenmaal per jaar een evaluatie uit van het complete risicobeheersingsproces.
1.
De bij de VaR-methode gebruikte modellen verschaffen ramingen van de potentiële waardewijzigingen van niet-gedekte posten.
2.
Voor de raming van de potentiële waardewijziging gelden de volgende minimumvereisten:
a. de potentiële waardewijziging wordt tenminste eenmaal per dag berekend;
b. er wordt een eenzijdig betrouwbaarheidsinterval van 99% toegepast;
c. de van toepassing zijnde liquidatieperiode is:
1°. ingeval van repostijl-transacties, daaronder niet begrepen verstrekte of opgenomen grondstoffenleningen: tenminste 5 dagen of een equivalent daarvan; en
2°. ingeval van andere transacties: 10 dagen of een equivalent daarvan;
d. de feitelijke historische waarnemingsperiode is tenminste één jaar, tenzij een kortere waarnemingsperiode gerechtvaardigd is op grond van een aanmerkelijke toename van de prijsvolatiliteit; en
e. het gegevensbestand wordt driemaandelijks bijgewerkt en vaker voor zover marktontwikkelingen hiertoe aanleiding geven.
Artikel 4:22
De volgende financiële instrumenten worden, met inachtneming van paragraaf 4.4.3, als toelaatbare zekerheden aangemerkt:
a. contanten gedeponeerd bij of met contanten gelijk te stellen instrumenten aangehouden door een leningverstrekkende financiële onderneming;
b. schuldtitels uitgegeven door centrale overheden of centrale banken waarvan de effecten een kredietbeoordeling hebben waaraan, op grond van tabel A van bijlage 2A , minimaal kredietkwaliteitstrap 4 is toegekend;
c. schuldtitels uitgegeven door financiële ondernemingen of andere entiteiten waarvan de effecten een kredietbeoordeling hebben waaraan, op grond van tabel A van bijlage 2A , minimaal kredietkwaliteitstrap 3 is toegekend;
d. schuldtitels met een kredietbeoordeling voor de korte termijn waaraan, op grond van tabel A van bijlage 2A minimaal kredietkwaliteitstrap 3 is toegekend;
e. aandelen of converteerbare obligaties die in een hoofdindex zijn opgenomen; en
f. goud.
Artikel 4:23
Onder de schuldtitels, bedoeld in artikel 4:22, onderdeel b, vallen tevens:
a. schuldtitels uitgegeven door regionale of lokale overheden, indien de vorderingen op deze overheden ingevolge paragraaf 2.2.2 worden behandeld als vorderingen op de centrale overheid in wier rechtsgebied deze gevestigd zijn;
b. schuldtitels uitgegeven door lichamen van de publieke sector die ingevolge paragraaf 2.2.3 worden behandeld als vorderingen op de centrale overheid;
c. schuldtitels uitgegeven door multilaterale ontwikkelingsbanken waarop ingevolge paragraaf 2.2.4 een risicogewicht van 0% wordt toegepast; en
d. schuldtitels uitgegeven door internationale organisaties waarop ingevolge paragraaf 2.2.5 een risicogewicht van 0% wordt toegepast.
Artikel 4:24
Onder de schuldtitels, bedoeld in artikel 4:22, onderdeel c, vallen tevens:
a. schuldtitels uitgegeven door regionale of lokale overheden indien de vorderingen op deze overheden ingevolge paragraaf 2.2.2 niet worden behandeld als vorderingen op de centrale overheid in wier rechtsgebied deze gevestigd zijn;
b. schuldtitels uitgegeven door publiekrechtelijke lichamen indien de vorderingen op deze lichamen ingevolge paragraaf 2.2.3 worden behandeld als vorderingen op financiële ondernemingen; en
c. schuldtitels uitgegeven door andere multilaterale ontwikkelingsbanken dan die waarop ingevolge paragraaf 2.2.4 een risicogewicht van 0% wordt toegepast.
Artikel 4:25
Schuldtitels uitgegeven door een financiële onderneming waarvan de effecten geen kredietbeoordeling hebben van een erkend kredietbeoordelingsbureau worden, met inachtneming van paragraaf 4.4.3, als toelaatbare zekerheden aangemerkt, indien:
a. de schuldtitels aan een gereglementeerde markt zijn genoteerd;
b. de schuldtitels betrekking hebben op een niet-achtergestelde schuld;
c. de uitgevende financiële onderneming geen andere uitgifte van schuldtitels heeft gedaan van dezelfde rangorde die wel een kredietbeoordeling hebben en waaraan ingevolge tabel A van bijlage 2A , een lagere kredietkwaliteitstrap dan kredietkwaliteitstrap 3 is toegekend;
d. de leningverstrekkende financiële onderneming beschikt niet over informatie waaruit blijkt dat de uitgifte van de schuldtitels een lagere kredietbeoordeling zou verdienen dan één waaraan, ingevolge tabel A van bijlage 2A , kredietkwaliteitstrap 3 zou worden toegekend; en
e. de uitgevende financiële onderneming kan aantonen dat de marktliquiditeit van het instrument toereikend is voor deze doeleinden.
1.
Rechten van deelneming in een instelling voor collectieve belegging worden, met inachtneming van het volgende artikel, als toelaatbare zekerheden aangemerkt indien:
a. de rechten van deelneming een dagelijkse publieke koersnotering hebben; en
b. de instelling voor collectieve belegging ten minste voor een vastgesteld percentage in instrumenten belegt die overeenkomstig de artikelen 4:22 tot en met 4:25 als toelaatbaar worden aangemerkt.
2.
Het gebruik of potentiële gebruik van derivaten om toegestane beleggingen af te dekken door een instelling voor collectieve belegging laat onverlet dat de rechten van deelneming in deze instelling als toelaatbare zekerheden ingevolge het eerste lid kunnen worden aangemerkt.
1.
Indien een financiële onderneming gebruik maakt van de in paragraaf 4.4.6 bedoelde uitgebreide methode van financiële zekerheden worden, met inachtneming van paragraaf 4.4.3, naast de in de artikelen 4:22 tot en met 4:26 genoemde zekerheden, ook de volgende financiële instrumenten als toelaatbare zekerheden aangemerkt:
a. aandelen of converteerbare obligaties die niet in een hoofdindex zijn opgenomen, maar op een gereglementeerde markt worden verhandeld; en
b. rechten van deelneming in een instelling voor collectieve belegging in effecten waarbij, onverminderd het bepaalde in de artikelen 4:22 tot en met 4:26, deze instellingen ten minste voor een vastgesteld percentage beleggen in instrumenten die overeenkomstig de artikelen 4:22 tot en met 4:25 en onderdeel a als toelaatbaar worden aangemerkt.
2.
Op het eerste lid, onderdeel b, is artikel 4:26, tweede lid, van overeenkomstige toepassing.
Artikel 4:28
De toelaatbare zekerheden, bedoeld in de artikelen 4:22 tot en met 4:27, worden als kredietrisicovermindering in aanmerking genomen, indien aan de voorwaarden uit de artikelen 4:29 tot en met 4:31 is voldaan.
1.
Ten aanzien van correlatie geldt:
a. de kredietkwaliteit van de debiteur en de waarde van de zekerheid zijn niet in duidelijke mate afhankelijk van dezelfde economische factoren; en
b. effecten die door de debiteur of een verbonden groepsentiteit zijn uitgegeven, kunnen niet als toelaatbare zekerheid worden aangemerkt.
2.
In afwijking van het eerste lid, onderdeel b, kan de eigen uitgifte van gedekte obligaties door de debiteur overeenkomstig de voorwaarden genoemd in paragraaf 2.2.14 als toelaatbare zekerheid worden aangemerkt, indien deze gedekte obligaties als zekerheid worden verstrekt bij retrocessie-overeenkomsten en aan de in het eerste lid, onderdeel a, genoemde voorwaarde is voldaan.
Artikel 4:30
Ten aanzien van rechtszekerheid geldt:
a. de financiële onderneming vervult alle contractuele en wettelijke voorwaarden en onderneemt alle noodzakelijke stappen die nodig zijn om de zekerheidsovereenkomsten afdwingbaar te maken onder het recht dat op die overeenkomsten van toepassing is; en
b. de financiële onderneming heeft voldoende juridisch onderzoek gedaan dat de afdwingbaarheid van de zekerheidsovereenkomsten in alle relevante jurisdicties bevestigt. Voor zover nodig herhaalt zij dit onderzoek om zich ervan te vergewissen dat de overeenkomsten afdwingbaar blijven.
Artikel 4:31
De operationele vereisten zijn:
a. de zekerheidsovereenkomsten zijn adequaat gedocumenteerd en er bestaat een duidelijke en deugdelijke procedure voor een zo spoedig mogelijke uitwinning van de zekerheden;
b. de financiële onderneming past deugdelijke procedures en processen toe ter beheersing van de risico's die uit het gebruik van zekerheden voortvloeien, zoals onder andere:
1°. de risico’s die aan een tekortschietende of verminderde kredietprotectie verbonden zijn;
2°. de waarderingsrisico’s;
3°. de met de opzegging van de kredietprotectie samenhangende risico’s;
4°. de concentratierisico`s die aan het gebruik van zekerheden verbonden zijn; en
5°. de interactie met het algemene risicoprofiel van de financiële onderneming;
c. de financiële onderneming legt de gedragslijnen en praktijken die ten aanzien van de aanvaarde typen zekerheden en de aanvaarde bedragen aan zekerheden worden gevolgd, schriftelijk vast;
d. de financiële onderneming berekent de marktwaarde van de zekerheden in ieder geval met een frequentie van ten minste eenmaal per zes maanden en herwaardeert deze voor zover nodig vaker wanneer de financiële onderneming reden heeft om aan te nemen dat de marktwaarde significant gedaald is; en
e. wanneer de zekerheden door een derde worden aangehouden, onderneemt de financiële onderneming alle stappen die redelijkerwijs nodig zijn om te waarborgen dat de betrokken derde de zekerheden afscheidt van de eigen activa.
1.
De eenvoudige methode van financiële zekerheden kan alleen worden toegepast door een financiële onderneming die de Standaardbenadering toepast.
2.
De uitgebreide methode van financiële zekerheden kan door financiële ondernemingen worden toegepast die de Standaardbenadering toepassen en door financiële ondernemingen die de Eenvoudige IRB toepassen.
3.
Een financiële onderneming kan niet tegelijkertijd zowel de eenvoudige methode van financiële zekerheden als de uitgebreide methode van financiële zekerheden toepassen, tenzij de instelling de IRB benadering stapsgewijs invoert overeenkomstig artikel 70, eerste lid, van het Besluit , dan wel tenzij door DNB desgevraagd toestemming is verleend als bedoeld in artikel 76, eerste lid, van het Besluit . De financiële onderneming toont daarbij aan DNB aan dat toepassing van beide methoden niet selectief plaatsvindt met de bedoeling een lagere minimumomvang van het toetsingsvermogen te bewerkstellingen en niet leidt tot toezicht- of regelgevingsarbitrage.
Artikel 4:33
Contanten, effecten, of grondstoffen, die in het kader van een repostijl-transactie zijn gekocht, geleend of ontvangen, kunnen op grond van deze afdeling als financiële zekerheden worden aangemerkt.
Artikel 4:34
Een financiële onderneming past de in deze paragraaf genoemde risicowegingen toe, waarbij:
a. de waarde die aan erkende financiële zekerheden wordt toegekend gelijk is aan hun marktwaarde, waarbij voldaan wordt aan artikel 4:31, onderdeel d;
b. financiële zekerheden bij de eenvoudige methode van financiële zekerheden slechts in aanmerking worden genomen indien aan paragraaf 4.4.3 is voldaan;
c. de resterende looptijd van de protectie ten minste even lang is als de resterende looptijd van de vordering; en
d. in het geval een instelling voor collectieve belegging in effecten tot een bepaald maximum mag beleggen in instrumenten die niet overeenkomstig de artikelen 4:22 tot en met 4:25 als toelaatbaar worden aangemerkt, de waarde van rechten van deelneming in deze instelling wordt vastgesteld als de marktwaarde van de beleggingen in instrumenten die wel toelaatbaar zijn, waarbij wordt verondersteld dat de instelling tot het maximum belegt in niet-toegestane instrumenten en waarbij, in het geval de waarde van de niet als toelaatbaar aangemerkte activa van deze collectieve beleggingen negatief is, deze waarde in mindering wordt gebracht op de waarde van de in aanmerking komende activa.
1.
Op het gedeelte van de waarde van de post dat door financiële zekerheden is gedekt, is het risicogewicht van toepassing dat in de Standaardbenadering van toepassing zou zijn, indien de kredietgever een rechtstreekse positie in het zekerheidsinstrument had waarbij:
a. voor de waarde van de in bijlage 2D van deze regeling vermelde posten buiten de balanstelling 100% van hun waarde wordt gehanteerd, in plaats van de waarde vermeld in artikel 61, tweede en derde lid, van het Besluit ; en
b. het risicogewicht ten minste 20% bedraagt, tenzij ingevolge deze paragraaf een ander risicogewicht van toepassing is.
2.
Op het gedeelte van de vordering dat niet door financiële zekerheden is gedekt, wordt het risicogewicht toegekend dat in de Standaardbenadering van toepassing zou zijn op een niet-gedekte vordering op de tegenpartij.
1.
Op het door zekerheden gedekte deel van een vordering die voortvloeit uit een repostijl-transactie, niet zijnde een grondstoffentransactie, die voldoet aan de in paragraaf 4.4.8 bedoelde criteria, is een risicogewicht van 0% van toepassing.
2.
Indien de tegenpartij bij de in het eerste lid bedoelde transactie geen kerndeelnemer aan de markt is, wordt een risicogewicht van 10% toegepast.
1.
Op het gedekte deel van de vastgestelde waarde van de afgeleide instrumenten, bedoeld in bijlage B bij het Besluit , die dagelijks tegen marktwaarde worden gewaardeerd en die gedekt worden in de vorm van contanten of door met contanten gelijk te stellen instrumenten, en waarbij geen sprake is van een valutamismatch, wordt een risicoweging van 0% toegepast.
2.
In afwijking van het eerste lid, is een risicoweging van 10% van toepassing op afgeleide instrumenten, die worden gedekt door zekerheden in de vorm van door centrale overheden of centrale banken uitgegeven schuldtitels waarvoor ingevolge paragraaf 2.2.1 een risicogewicht van 0% geldt. Voor de toepassing van de eerste volzin worden onder ‘schuldtitels uitgegeven door centrale overheden of centrale banken’ ook de schuldtitels verstaan, bedoeld in artikel 4:23, onderdelen a, c en d.
3.
De in het eerste lid bedoelde vastgestelde waarde is de waarde die overeenkomstig afdeling 5.5 wordt berekend.
1.
Op andere transacties dan bedoeld in de artikelen 4:36 en 4:37 is een risicogewicht van 0% op het gedekte deel van toepassing indien:
a. de vordering en de zekerheid in dezelfde valuta luiden;
b. de zekerheid de vorm heeft van:
1°. contanten of een met contanten gelijk te stellen instrument, of
2°. door centrale overheden of centrale banken uitgegeven schuldtitels die ingevolge paragraaf 2.2.1 in aanmerking komen voor een risicogewicht van 0% en waarbij de marktwaarde van deze zekerheid met 20% is verlaagd.
2.
Voor de toepassing van het eerste lid worden onder ‘schuldtitels uitgegeven door centrale overheden of centrale banken’ ook de schuldtitels verstaan, bedoeld in artikel 4:23, onderdelen a, c en d.
1.
Zowel financiële ondernemingen die gebruik maken van de toezichthoudermethode als die gebruik maken van de eigen-ramingenmethode, berekenen, met inachtneming van afdeling 4.9:
a. de volledig aangepaste waarde van de vordering (E*): overeenkomstig formule 1a van bijlage 4A ;
b. de voor volatiliteit gecorrigeerde waarde van de vordering die in aanmerking moet worden genomen: overeenkomstig formule 1b van bijlage 4A ;
c. de voor volatiliteit gecorrigeerde waarde van de zekerheid die in aanmerking moet worden genomen: overeenkomstig formule 1c van bijlage 4A ; en
d. de waarde van rechten van deelneming in een instelling voor collectieve belegging in effecten die tot een bepaald maximum mag beleggen in instrumenten die niet overeenkomstig de artikelen 4:22 tot en met 4:25 en 4:27 als toelaatbaar worden aangemerkt, als de marktwaarde van de beleggingen in instrumenten die wel toelaatbaar zijn, waarbij wordt verondersteld dat de instelling tot het maximum belegt in niet-toegestane instrumenten en waarbij, in het geval de waarde van de niet als toelaatbaar aangemerkte activa van deze collectieve beleggingen negatief is, deze waarde in mindering wordt gebracht op de waarde van de in aanmerking komende activa.
2.
In afwijking van het eerste lid, onderdeel c, wordt, wanneer de zekerheid uit een aantal erkende bestanddelen bestaat, de volatiliteitsaanpassing berekend overeenkomstig formule 5 van bijlage 4A .
3.
Onverminderd het eerste lid, onderdeel b, berekenen financiële ondernemingen die de Standaardbenadering toepassen, de waarde van de post uit hoofde van posten buiten de balans, als bedoeld in bijlage 2D , als 100% van de waarde, in plaats van de percentages van de vorderingswaarde genoemd in artikel 61, tweede lid, onderdelen a tot en met d, van het Besluit .
4.
Onverminderd het eerste lid, onderdeel b, berekenen financiële ondernemingen die de Eenvoudige IRB toepassen, de waarde van de vordering, bedoeld in de artikelen 3:58 en 3:59, met gebruikmaking van een conversiefactor van 100% in plaats van de conversiefactoren of percentages zoals genoemd in laatstgenoemde artikelen.
1.
Indien E* op de in het vorige artikel beschreven wijze is berekend, wordt E* voor de toepassing van de Standaardbenadering aangemerkt als de waarde van de vordering.
2.
In afwijking van het eerste lid, wordt, ingeval van buiten-balansposten als bedoeld in bijlage 2D , E* aangemerkt als de verhoogde vorderingswaarde, bedoeld in artikel 61, tweede lid, onderdelen b tot en met d, van het Besluit .
3.
Voor de toepassing van de Eenvoudige IRB:
a. wordt E* gebruikt om LGD* te herleiden;
b. wordt LGD*, berekend volgens formule 2 van bijlage 4A , als LGD aangemerkt; en
c. blijven financiële ondernemingen de waarde van de vordering berekenen zonder de effecten van de aanwezigheid van zekerheden in aanmerking te nemen.
1.
Een financiële onderneming die gebruik maakt van de toezichthoudermethode past op de marktwaarde van financiële zekerheden en vorderingen volatiliteitsaanpassingen toe als bedoeld in de volgende twee artikelen.
2.
Een financiële onderneming die gebruik maakt van de eigen ramingenmethode past op de marktwaarde van financiële zekerheden en vorderingen volatiliteitsaanpassingen toe als bedoeld in de artikelen 4:44 tot en met 4:49.
3.
Indien een zekerheid in een andere valuta luidt dan die van de onderliggende vordering wordt, naast de volatiliteitsaanpassing bedoeld in de vorige leden, een aanpassing voor valutavolatiliteit verricht.
4.
In afwijking van het derde lid wordt ongeacht of de transacties in verschillende valuta worden vereffend, één volatiliteitsaanpassing toegepast ingeval van transacties in OTC-derivaten in het kader van ingevolge afdeling 5.5 erkende verrekeningsovereenkomsten, waarbij sprake is van een mismatch tussen de valuta van de zekerheid en de vereffeningsvaluta.
1.
Een financiële onderneming die gebruik maakt van de toezichthoudermethode, past de in tabellen 1 tot en met 4 van bijlage 4B opgenomen volatiliteitsaanpassingen toe, met dien verstande dat de volatiliteitsaanpassingen overeenkomstig paragraaf 4.4.7 aangepast worden, indien de herwaardering op minder frequente basis geschiedt dan eenmaal per dag.
2.
Op effecten of grondstoffen die ingevolge de paragrafen 4.4.1. en 4.4.2. niet toelaatbaar zijn en die in het kader van repostijl-transacties dan wel in het kader van verstrekte of opgenomen effecten- of grondstoffenleningen zijn uitgeleend of verkocht, wordt dezelfde volatiliteitsaanpassing toegepast als op aandelen die wel aan een gereglementeerde markt zijn genoteerd, maar niet in de hoofdindex zijn opgenomen.
3.
Op toelaatbare rechten van deelneming in een instelling voor collectieve belegging is de gewogen gemiddelde volatiliteitsaanpassing van toepassing die, gelet op de in het volgende artikel genoemde liquidatieperiode, van toepassing zou zijn op activa waarin het fonds heeft belegd. Indien de activa waarin het fonds heeft belegd, niet bekend zijn bij de financiële onderneming, gaat de financiële onderneming uit van de hoogste volatiliteitsaanpassing van de activa, waarin het fonds mag beleggen.
4.
Op door een financiële onderneming uitgegeven schuldtitels zonder externe rating die voldoen aan de toelaatbaarheidscriteria van artikel 4:25, zijn dezelfde volatiliteitsaanpassingen van toepassing als op door een financiële onderneming of onderneming uitgegeven effecten waarvan de externe kredietbeoordeling ingevolge tabel A van bijlage 2A is gekoppeld aan kredietkwaliteitstrap 2 of 3.
Artikel 4:43
Voor de toepassing van het vorige artikel geldt:
a. voor gedekte leningstransacties: een liquidatieperiode van 20 werkdagen;
b. voor repostijl-transacties, die geen betrekking hebben op de overdracht van grondstoffen of gedekte rechten inzake de eigendom van grondstoffen: een liquidatieperiode van 5 werkdagen; en
c. voor kapitaalmarktgerelateerde transacties en repostijl-transacties die betrekking hebben op de overdracht van grondstoffen of gedekte rechten inzake de eigendom van grondstoffen: een liquidatieperiode van 10 werkdagen.
1.
Een financiële onderneming die aan de in de artikelen 4:45 tot en met 4:47 genoemde kwantitatieve vereisten en de in artikel 4:48 genoemde kwalitatieve vereisten voldoet, kan voor de berekening van de op zekerheden en vorderingen toe te passen volatiliteitsaanpassingen gebruik maken van eigen ramingen.
2.
Voor de toepassing van het eerste lid, raamt de financiële onderneming de volatiliteit van de zekerheid of de valuta-mismatch zonder rekening te houden met eventuele correlaties tussen de niet-gedekte vordering, de zekerheden en de wisselkoers.
3.
Schuldtitels waaraan door een erkend kredietbeoordelingsbureau een voldoende hoge kwaliteit is toegekend ( investment grade ) kan de financiële onderneming indelen in categorieën, waarbij zij rekening houdt met het type uitgever, de externe kredietbeoordeling, de resterende looptijd en de modified duration van de schuldtitels.
4.
De financiële onderneming kan voor alle schuldtitels binnen een categorie bedoeld in het derde lid, één gezamenlijke volatiliteitsraming maken, mits die representatief is voor de schuldtitels in de betreffende categorie.
5.
Ten aanzien van de schuldtitels waaraan door een erkend kredietbeoordelingsbureau een minder goede kwaliteitsbeoordeling is toegekend ( below investment grade ) en voor andere erkende zekerheden, berekent de financiële onderneming de volatiliteitsaanpassingen voor elke post afzonderlijk.
1.
Bij de berekening van de volatiliteitsaanpassingen hanteert de financiële onderneming een eenzijdig betrouwbaarheidsinterval van 99%.
2.
Een financiële onderneming past de volatiliteitsaanpassing overeenkomstig paragraaf 4.4.7 aan indien de herwaardering op minder frequente basis geschiedt dan eenmaal per dag.
3.
Een financiële onderneming berekent de volatiliteitsaanpassingen ten minste eens per drie maanden en vaker voor zover marktontwikkelingen hiertoe aanleiding geven.
1.
Bij de berekening van de volatiliteitsaanpassingen wordt uitgegaan van de liquidatieperiodes bedoeld in artikel 4:43.
2.
Een financiële onderneming converteert de volatiliteitsaanpassingen die zij voor een kortere of langere liquidatieperiode heeft berekend, door deze overeenkomstig formule 6 van bijlage 4A te verhogen of te verlagen tot de liquidatieperiode bedoeld in het eerste lid die hoort bij het betreffende type transactie.
3.
De financiële onderneming stelt de liquidatieperiode bedoeld in het eerste lid naar boven bij indien er twijfel bestaat over de liquiditeit van de zekerheid.
4.
Voorts onderzoekt de financiële onderneming of er reden is om aan te nemen dat de toekomstige volatiliteit op basis van historische gegevens wordt onderschat. In dat geval onderwerpt de financiële onderneming de schatting van de volatiliteit aan stress-scenario's.
1.
Bij de berekening van de volatiliteitsaanpassingen bedraagt de historische waarnemingsperiode ten minste één jaar.
2.
Voor een financiële onderneming die gebruik maakt van weging of andere methoden in plaats van de historische waarnemingsperiode bedoeld in het eerste lid, bedraagt de feitelijke waarnemingsperiode ten minste één jaar, in die zin dat het gewogen gemiddelde interval tussen de afzonderlijke waarnemingen niet minder dan zes maanden bedraagt.
3.
Indien dit naar het oordeel van DNB op grond van een aanmerkelijke toename van de prijsvolatiliteit gerechtvaardigd is, kan DNB een financiële onderneming verplichten om bij de berekening van haar volatiliteitsaanpassingen een kortere waarnemingsperiode te hanteren.
1.
Een financiële onderneming gebruikt de volatiliteitsramingen in het dagelijkse risicobeheer, inclusief haar interne positielimieten.
2.
Een financiële onderneming beschikt over procedures voor de bewaking van en het toezicht op de naleving van een schriftelijk vastgelegde reeks interne richtsnoeren en controles inzake de werking van het door haar toegepaste systeem voor de raming van volatiliteitsaanpassingen en voor de integratie van deze ramingen in het risicobeheer van de financiële onderneming.
3.
In het kader van de procedure, bedoeld in het tweede lid, wordt periodiek, doch minstens één keer per jaar, een onafhankelijke evaluatie uitgevoerd naar het door de financiële onderneming toegepaste systeem voor de raming van volatiliteitsaanpassingen en voor de integratie van deze aanpassingen in haar risicobeheerprocedure. Deze evaluatie betreft in ieder geval:
a. de integratie van de geraamde volatiliteitsaanpassingen in het dagelijkse risicobeheer;
b. de validering van eventuele significante wijzigingen in de voor de raming van de volatiliteitsaanpassingen gevolgde procedure;
c. de verificatie van de consistentie, actualiteit, betrouwbaarheid en onafhankelijkheid van de gegevensbronnen die in het kader van het systeem voor de raming van volatiliteitsaanpassingen worden gebruikt; en
d. de accuraatheid en juistheid van de aannames over volatiliteit.
Artikel 4:49
Een financiële onderneming die de eigen-ramingenmethode toepast, past deze methode toe op alle soorten instrumenten. In afwijking van de eerste volzin kan een financiële onderneming die de eigen-ramingenmethode toepast, ten aanzien van immateriële portefeuilles tevens gebruikmaken van de toezichthoudermethode.
Artikel 4:50
Een financiële onderneming die de volatiliteitsaanpassingen toepast op grond van de toezichthoudermethode of de eigen-ramingenmethode, verhoogt de volatiliteitsaanpassingen die gelden bij dagelijkse herwaardering, op basis van formule 7 van bijlage 4A , indien de herwaardering op minder frequente basis geschiedt dan eenmaal per dag.
1.
Een financiële onderneming die gebruik maakt van de toezichthoudermethode of de eigen-ramingenmethode kan met betrekking tot repostijl-transacties niet zijnde grondstoffentransacties, indien aan de voorwaarden van deze paragraaf is voldaan, een volatiliteitsaanpassing van 0% toepassen in plaats van de volatiliteitsaanpassingen overeenkomstig de artikelen 4:42 tot en met 4:50 te berekenen.
2.
Indien in een andere lidstaat een 0% volatiliteitsaanpassing als bedoeld in het eerste lid van toepassing is op een repostijl-transactie in door de nationale overheid van die lidstaat uitgegeven effecten, kan een financiële onderneming eveneens deze 0% volatiliteitsaanpassing toepassen op eenzelfde transactie.
3.
De mogelijkheden, bedoeld in het eerste en tweede lid, staan niet open voor financiële ondernemingen die de in paragraaf 4.3.4 bedoelde VaR-methode toepassen.
Artikel 4:52
Voor de toepassing van artikel 4:51, eerste lid, gelden ten aanzien van de vordering en de zekerheid, de volgende voorwaarden:
a. zowel de vordering als de zekerheid bestaat uit contanten of schuldtitels uitgegeven door centrale overheden of centrale banken overeenkomstig de artikelen 4:22, eerste lid, onderdeel b, en 4:23 en wordt erkend voor een 0% risicoweging in de Standaardbenadering; en
b. de vordering en de zekerheid luiden in dezelfde valuta.
Artikel 4:53
Voor de toepassing van artikel 4:51, eerste lid, gelden ten aanzien van de transactie, de volgende voorwaarden:
a. de looptijd van de transactie bedraagt niet meer dan één dag, tenzij zowel de vordering als de zekerheid dagelijks tegen marktwaarde worden gewaardeerd en dagelijks worden bijgestort bij onvoldoende marge;
b. de tijd die verstrijkt tussen de laatste waardering tegen marktwaarde vóór het eventueel uitblijven van een margestorting door de tegenpartij en de liquidatie van de zekerheid beloopt ten hoogste vier werkdagen;
c. de transactie wordt verrekend door middel van een adequaat en voor dat soort transacties geschikt verrekensysteem; en
d. de tegenpartij is een kerndeelnemer aan de markt.
Artikel 4:54
Voor de toepassing van artikel 4:51, eerste lid, gelden ten aanzien van de documentatie, de volgende voorwaarden:
a. de documentatie met betrekking tot de overeenkomst is standaardmarktdocumentatie voor retrocessieovereenkomsten of voor het verstrekken of opnemen van leningen in de desbetreffende effecten; en
b. in de documentatie met betrekking tot de transactie wordt bepaald dat indien de tegenpartij verzuimt om te voldoen aan enige verplichting uit de overeenkomst, waaronder in ieder geval de verplichting om contanten of effecten over te dragen en de verplichting om bij te storten bij onvoldoende marge, de vordering onmiddellijk opeisbaar is.
Artikel 4:55
Indien een financiële onderneming risicogewogen posten en verwachte verliezen berekent conform de Eenvoudige IRB, zijn naast de zekerheden genoemd in de paragrafen 4.4.1 en 4.4.2, ook de zekerheden genoemd in de paragrafen 4.5.2 tot en met 4.5.5 toelaatbaar, mits aan de voorwaarden uit laatstgenoemde paragrafen is voldaan.
1.
Niet-zakelijk onroerend goed dat wordt of zal worden bewoond of verhuurd door de eigenaar of ingeval van persoonlijke investeringsmaatschappijen door de economisch rechthebbende, en zakelijk onroerend goed worden, met inachtneming van de artikelen 4:57 en 4:58, als toelaatbare zekerheden aangemerkt, indien:
a. de waarde van het onroerend goed niet in wezenlijke mate van de kredietkwaliteit van de debiteur afhangt; en
b. het risico op de leningnemer niet in wezenlijke mate afhangt van het rendement van het onderliggend onroerend goed of project, maar veeleer van de onderliggende capaciteit van de leningnemer om de schuld uit andere bronnen terug te betalen, waarbij de terugbetaling van de faciliteit als zodanig niet in wezenlijke mate afhangt van enigerlei kasstroom, die wordt gegenereerd door het onderliggende onroerend goed dat als zekerheid fungeert.
2.
Aandelen in Finse ondernemingen voor de bouw van woningen die werkzaam zijn volgens de Finse wet op woningbouwverenigingen van 1991 of latere gelijkwaardige wetgeving ten aanzien van niet-zakelijk onroerend goed dat wordt of zal worden bewoond of verhuurd door de eigenaar, zijn toelaatbare zekerheden in de vorm van niet-zakelijk onroerend goed, indien aan de onderdelen a en b van het eerste lid is voldaan.
3.
Aan een financiële onderneming kan, op haar schriftelijke aanvraag hiertoe, toestemming worden verleend om zakelijk onroerend goed dat niet voldoet aan het eerste lid, onderdeel b, toch in Nederland als toelaatbare zekerheid aan te merken indien dit onroerend goed door een toezichthoudende instantie van een lidstaat van de Europese Unie ook in die lidstaat als toelaatbare zekerheid is aangemerkt, mits:
a. het zakelijk onroerend goed zich op het grondgebied van die andere lidstaat bevindt;
b. aan alle door die toezichthoudende instantie in die andere lidstaat gestelde voorwaarden is voldaan; en
c. aan de overige voorwaarden, bedoeld in deel 1, punt 17 van bijlage VIII bij de herziene richtlijn banken, is voldaan voor ontheffing van het eerste lid, onderdeel b.
1.
Zekerheden in de vorm van onroerend goed als bedoeld in het vorige artikel worden uitsluitend in aanmerking genomen, indien:
a. de financiële onderneming expliciet schriftelijk heeft vastgelegd welke typen niet-zakelijk en zakelijk onroerend goed door haar als zekerheid worden aanvaard en wat haar leningbeleid terzake is;
b. de financiële onderneming over procedures beschikt om te controleren of het onroerend goed dat als zekerheid wordt geaccepteerd, adequaat is verzekerd tegen schade;
c. het hypotheekrecht geldig gevestigd, juridisch afdwingbaar in alle op het tijdstip van de sluiting van de leningsovereenkomst relevante jurisdicties en tijdig en naar behoren geregistreerd is; en
d. de vestigingsovereenkomst de financiële onderneming in staat stelt om de waarde van de zekerheid binnen een redelijke tijdspanne uit te winnen.
2.
Onverminderd het eerste lid, ziet de financiële onderneming regelmatig toe op de naleving door de tegenpartij van de verplichtingen uit hoofde van de leningovereenkomst, de zekerheidsovereenkomst en andere wettelijke voorschriften.
1.
Voor de toepassing van het vorige artikel wordt de waarde van het zakelijk respectievelijk het niet-zakelijk onroerend goed ten minste jaarlijks respectievelijk ten minste driejaarlijks gecontroleerd, en vaker wanneer de marktomstandigheden significante veranderingen ondergaan. Om de waarde van het onroerend goed te controleren en om na te gaan van welk onroerend goed de waarde moet worden bijgesteld, kan gebruik worden gemaakt van de in afdeling 1.2 bedoelde indexatiemethode.
2.
Wanneer de lening meer dan € 3 miljoen bedraagt of meer dan 5% van het eigen vermogen van de financiële onderneming vertegenwoordigt, wordt de waardering van het onroerend goed ten minste om de drie jaar door een onafhankelijke taxateur beoordeeld.
3.
Wanneer blijkt dat de waarde van het onroerend goed vermoedelijk sterk is gedaald in vergelijking met de algemene marktprijzen, wordt de waardering van het onroerend goed door een onafhankelijke taxateur beoordeeld.
4.
In andere gevallen dan bedoeld in het tweede en derde lid, wordt de waardering van het onroerend goed, overeenkomstig het eerste lid, tenminste jaarlijks of driejaarlijks door de financiële onderneming beoordeeld.
1.
Voor de waardering van zekerheden in de vorm van onroerend goed wordt de waarde van het goed door een onafhankelijke taxateur op of onder de marktwaarde vastgesteld.
2.
De waarde van de zekerheid is de marktwaarde, zo nodig verlaagd naar gelang de uitkomsten van de overeenkomstig de artikelen 4:57 en 4:58 vereiste controle respectievelijk om rekening te houden met de eventuele eerdere gevestigde zakelijke rechten op het goed.
1.
Kortlopende vorderingen uit hoofde van handelstransacties of transacties met een oorspronkelijke looptijd van ten hoogste één jaar worden, met inachtneming van de volgende twee artikelen, als toelaatbare zekerheden aangemerkt.
2.
Niet toelaatbaar zijn:
a. kortlopende vorderingen uit hoofde van securitisaties, subdeelnemingen of kredietderivaten; en
b. kortlopende vorderingen op verbonden partijen, waaronder kortlopende vorderingen op verbonden partijen van de leningnemer, daaronder in ieder geval verstaan dochter- of zusterondernemingen en werknemers.
Artikel 4:61
Kortlopende vorderingen als bedoeld in het vorige artikel, worden uitsluitend voor kredietrisicovermindering in aanmerking genomen indien aan de volgende voorwaarden in het kader van de rechtszekerheid is voldaan:
a. de juridische constructie op grond waarvan de zekerheid wordt verstrekt, is deugdelijk en effectief en waarborgt dat de leninggever duidelijke rechten heeft op de opbrengsten;
b. de financiële onderneming heeft voldoende juridisch onderzoek gedaan dat de afdwingbaarheid van de in onderdeel a bedoelde zekerheidsovereenkomsten in alle relevante jurisdicties bevestigt;
c. de financiële onderneming onderneemt alle stappen die noodzakelijk zijn om te waarborgen dat de leningverstrekker een voorrangsrecht op de zekerheid kan doen gelden, met dien verstande dat dit voorrangsrecht wel ondergeschikt mag zijn aan de wettelijke rechten van preferente crediteuren;
d. de zekerheidsovereenkomsten zijn adequaat gedocumenteerd en er bestaat een duidelijke en deugdelijke procedure voor uitwinning van de zekerheden binnen een redelijke tijdspanne en overeenkomstig de daarvoor geldende wettelijke voorschriften; en
e. ingeval de leningnemer in gebreke blijft of redelijkerwijs te verwachten is dat de leningnemer op korte termijn in gebreke zal blijven, heeft de financiële onderneming de wettelijke bevoegdheid om de kortlopende vorderingen aan andere partijen te verkopen of over te dragen zonder de instemming van de tegenpartij van de leningnemer inzake de betreffende kortlopende vorderingen.
1.
Kortlopende vorderingen als bedoeld in artikel 4:60, worden uitsluitend voor kredietrisicovermindering in aanmerking genomen indien aan de volgende voorwaarden in het kader van het risicobeheer is voldaan:
a. de financiële onderneming beschikt over een deugdelijke procedure voor de bepaling van het kredietrisico dat aan de kortlopende vorderingen verbonden is, die in ieder geval analyses omvat van de bedrijfsactiviteit en de bedrijfstak van de leningnemer en van de soorten cliënten waarmee de leningnemer zaken doet;
b. tussen de waarde van de vordering en de waarde van de kortlopende vorderingen wordt een marge aangehouden, die alle relevante factoren weerspiegelt, waaronder in ieder geval:
1°. de inningskosten;
2°. de concentratie binnen de pool van kortlopende vorderingen die door één enkele leningnemer in pand is gegeven; en
3°. het potentiële concentratierisico binnen het geheel van vorderingen van de financiële onderneming, naast de risico’s die reeds in het kader van de algemene methodologie van de financiële onderneming worden gecontroleerd;
c. de financiële onderneming beschikt over een continue risicobewakingsproces, passend voor de kortlopende vorderingen;
d. de inachtneming van leningsovereenkomsten en andere wettelijke vereisten en beperkingen wordt regelmatig aan een nieuw onderzoek onderworpen;
e. de door een leningnemer in pand gegeven kortlopende vorderingen zijn gediversifieerd en de waarde van de kortlopende vorderingen is niet in duidelijke mate afhankelijk van dezelfde economische factoren als de kredietkwaliteit van de leningnemer; en
f. de financiële onderneming beschikt over een schriftelijk vastgelegde procedure voor de inning van vorderingen in mogelijke probleemsituaties en treft op voorhand de benodigde voorzieningen voor deze inning, ook indien er geen redenen zijn om aan te nemen dat de financiële onderneming in plaats van de leningnemer tot inning zal overgaan.
2.
In afwijking van het eerste lid, onderdeel a, onderwerpt de financiële onderneming de kredietpraktijken van de leningnemer aan een onderzoek om zich van de deugdelijkheid en aannemelijkheid ervan te vergewissen, indien zij vertrouwt op de leningnemer om het kredietrisico in te schatten dat aan de kortlopende vorderingen verbonden is.
3.
In afwijking van het eerste lid, onderdeel e, wordt indien de waarde van de kortlopende vorderingen wél in duidelijke mate afhankelijk is van dezelfde economische factoren als de kredietkwaliteit van de leningnemer, bij de vaststelling van de marges voor de pool van zekerheden als geheel met de daarmee gepaard gaande risico’s rekening gehouden.
Artikel 4:63
De waarde van kortlopende vorderingen is gelijk aan het te ontvangen bedrag.
Artikel 4:64
Fysieke zekerheden anders dan bedoeld in artikel 4:56 worden als toelaatbare zekerheden aangemerkt, indien zowel aan de volgende twee artikelen als aan de volgende voorwaarden is voldaan:
a. er bestaan liquide markten waarop de in de aanhef bedoelde zekerheden op een vlotte en economisch efficiënte wijze kunnen worden verhandeld; en
b. er bestaan algemeen gangbare, openbare marktprijzen voor de in de aanhef bedoelde zekerheden, en de financiële onderneming kan aantonen dat de nettoprijzen die zij ontvangt wanneer de zekerheden worden uitgewonnen, niet significant van deze marktprijzen afwijken.
Artikel 4:65
Fysieke zekerheden als bedoeld in artikel 4:64, worden uitsluitend voor kredietrisicovermindering in aanmerking genomen, indien aan de volgende voorwaarden in het kader van de rechtszekerheid is voldaan:
a. de zekerheidsovereenkomst waarborgt dat de financiële onderneming de waarde van het goed binnen een redelijke tijdspanne kan uitwinnen;
b. het recht van de financiële onderneming op de gerealiseerde opbrengsten van de zekerheden heeft voorrang op de rechten van alle andere leninggevers, met dien verstande dat het voorrangsrecht van de financiële onderneming wel ondergeschikt mag zijn aan de in artikel 4:61, onderdeel b, bedoelde preferente rechten.
Artikel 4:66
Fysieke zekerheden als bedoeld in artikel 4:64, worden uitsluitend voor kredietrisicovermindering in aanmerking genomen, indien aan de volgende voorwaarden in het kader van het risicobeheer is voldaan:
a. de leningsovereenkomst bevat een gedetailleerde beschrijving van de zekerheid en een gedetailleerde specificatie van de wijze waarop en de frequentie waarmee tot herwaardering wordt overgegaan;
b. de waarde van het goed wordt ten minste eenmaal per jaar gecontroleerd en vaker wanneer de marktomstandigheden significante veranderingen ondergaan;
c. zowel bij de eerste waardering als bij latere herwaarderingen wordt met een eventuele aantasting of economische veroudering van de zekerheid rekening gehouden, waarbij ingeval van mode- of tijdgevoelige zekerheden bijzondere aandacht wordt besteed aan de gevolgen van het verstrijken van de tijd;
d. de financiële onderneming heeft onder de overeenkomst het recht tot het uitoefenen van fysieke inspectie op het goed dat als protectie wordt geaccepteerd en het onderzoeken of dit goed adequaat is verzekerd tegen schade en voor de effectuering van dit recht beschikt de financiële onderneming over de benodigde gedragslijnen en procedures;
e. de financiële onderneming beschikt over duidelijke, schriftelijk gedocumenteerde interne gedragslijnen en procedures voor de kredietverlening die bepalen welke typen fysieke zekerheden, voor welk bedrag, passend wordt geacht voor een gegeven post; en
f. in het kader van het kredietbeleid van de financiële onderneming wordt erop toegezien dat aan de zekerheid passende eisen worden gesteld met betrekking tot de post, de mogelijkheid om de zekerheid vlot uit te winnen, de mogelijkheid en de tijdspanne om op objectieve wijze een prijs of marktwaarde vast te stellen, en de volatiliteit of een maatstaf voor de volatiliteit van de waarde van de zekerheid.
Artikel 4:67
De waarde van fysieke zekerheden als bedoeld in artikel 4:64 is gelijk aan de marktwaarde.
Artikel 4:68
Onverminderd het volgende artikel, worden vorderingen uit hoofde van transacties waarbij een financiële onderneming goederen aan een derde least, op dezelfde wijze behandeld als leningen waarvoor goederen als voornoemde geleasde goederen als zekerheid fungeren.
Artikel 4:69
Vorderingen als bedoeld in het vorige artikel, worden uitsluitend als door zekerheden gedekte vorderingen behandeld, indien:
a. is voldaan aan de voorwaarden van de artikelen 4:57 en 4:58 respectievelijk van de artikelen 4:65 en 4:66;
b. sprake is van een deugdelijk risicomanagement van de lessor met betrekking tot het gebruik, de ouderdom en de voorziene economische gebruiksduur van het geleasde actief, met inbegrip van een passende controle van de waarde van de zekerheid;
c. is voorzien in een deugdelijk juridisch kader tot vaststelling van de juridische eigendom van de lessor van het activum en van het vermogen van de lessor van het activum om zijn rechten als eigenaar uit te oefenen; en
d. voor zover niet reeds bij de berekening van de LGD vastgesteld, is het verschil tussen de waarde van de amortisatiecomponent van de nog uitstaande leasebetalingen en de marktwaarde van de zekerheid niet zodanig groot dat de aan de geleasde activa toegeschreven kredietrisicovermindering wordt overschat.
1.
De waarde van LGD* wordt voor de toepassing van de Eenvoudige IRB als de waarde van de LGD beschouwd, met dien verstande dat de LGD* overeenkomstig dit artikel wordt berekend.
2.
Voor de toepassing van het eerste lid is, afhankelijk van de ratio van de waarde van de zekerheid ten opzichte van de waarde van de vordering, de waarde van de LGD* gelijk aan:
a. de waarde die in de IRB van toepassing is op niet door zekerheden gedekte vorderingen op de tegenpartij, indien de in de aanhef bedoelde ratio kleiner is dan de in tabel 5 van bijlage 4B bedoelde drempelwaarde C*; of
b. de waarde genoemd in tabel 5 van bijlage 4B voor het onderpand dat als zekerheid bij de betreffende vorderingen is gevestigd, indien de in de aanhef bedoelde ratio groter is dan de in tabel 5 van bijlage 4B bedoelde drempelwaarde C**.
3.
Indien de in het tweede lid bedoelde ratio ligt tussen C* en C**, wordt de vordering gesplitst in een door zekerheden gedekt deel en een niet door zekerheden gedekt deel. Voor het niet door zekerheden gedekte deel is de waarde van de LGD* gelijk aan de waarde bedoeld in het tweede lid, onderdeel a. Voor het door zekerheden gedekte deel is de LGD* gelijk aan de waarde bedoeld in het tweede lid, onderdeel b.
4.
Voor de toepassing van het tweede lid wordt voor de waarde van de in artikel 3:58 vermelde posten berekend met gebruikmaking van een omrekeningsfactor van 100%, in plaats van de in de artikelen 3:58 en 3:59 vermelde omrekeningsfactoren.
Artikel 4:71
Op de toepassing van het vorige artikel is afdeling 4.9 van overeenkomstige toepassing.
1.
Contanten die gedeponeerd zijn bij een derde financiële onderneming respectievelijk met contanten gelijk te stellen instrumenten die aangehouden worden bij een derde financiële onderneming, anders dan ingevolge een bewaringsovereenkomst, en die in pand gegeven zijn aan de leningverstrekkende financiële onderneming, worden, met inachtneming van het tweede lid, als toelaatbare kredietprotectie aangemerkt.
2.
De kredietprotectie uit hoofde van contanten of met contanten gelijk te stellen instrumenten, bedoeld in het eerste lid, komt voor de in het derde lid bedoelde behandeling in aanmerking, indien:
a. de vordering van de leningnemer op de derde financiële onderneming openlijk, onvoorwaardelijk en onherroepelijk in pand is gegeven of is overgedragen aan de leningverstrekkende financiële onderneming;
b. het pand of de overdracht juridisch rechtsgeldig en afdwingbaar in alle relevante jurisdicties is;
c. de derde financiële onderneming in kennis is gesteld van de pandgeving of overdracht; en
d. als gevolg van de in onderdeel c bedoelde kennisgeving, de derde financiële onderneming alleen aan de leningverstrekkende financiële onderneming betalingen kan doen, of aan andere partijen als zij daarvoor de toestemming heeft gekregen van de leningverstrekkende financiële onderneming.
3.
Bij derde financiële ondernemingen aangehouden deposito’s als bedoeld in het eerste lid, kunnen worden behandeld als een garantie van de derde financiële onderneming, overeenkomstig artikel 4:93. Op de deposito's bedoeld in de vorige volzin is artikel 4:79 van overeenkomstige toepassing.
1.
Levensverzekeringsovereenkomsten die aan de leningverstrekkende financiële onderneming in pand zijn gegeven, worden tot maximaal de afkoopwaarde van de levensverzekeringspolis als toelaatbare kredietprotectie aangemerkt, indien:
a. de levensverzekeringsovereenkomst openlijk in pand is gegeven of is overgedragen aan de leningverstrekkende financiële onderneming en de pandgeving of overdracht juridisch rechtsgeldig en afdwingbaar in alle op het tijdstip van de sluiting van de leningsovereenkomst relevante jurisdicties is;
b. de onderneming waarbij de levensverzekering is gesloten, in kennis is gesteld van de pandgeving of overdracht en als gevolg daarvan onder de overeenkomst te betalen bedragen niet kan uitkeren zonder de toestemming van de leningverstrekkende financiële onderneming;
c. de aangegeven afkoopwaarde niet verminderbaar is en wordt aangegeven door de onderneming waarbij de levensverzekering is gesloten;
d. de leningverstrekkende financiële onderneming het recht heeft de overeenkomst op te zeggen en zo spoedig mogelijk de afkoopwaarde te ontvangen, in het geval de leningnemer in gebreke blijft;
e. de leningverstrekkende financiële onderneming in kennis wordt gesteld wanneer de verzekeringnemer verzuimt betalingen onder de overeenkomst te verrichten;
f. de kredietprotectie voor de gehele looptijd van de lening geldt, respectievelijk het uit de verzekeringsovereenkomst voortvloeiende bedrag de financiële onderneming tot het einde van de looptijd van de kredietovereenkomst als zekerheid dient;
g. er niet om betaling van de afkoopwaarde kan worden verzocht zonder de toestemming van de kredietinstelling;
h. op de onderneming waarbij de levensverzekering is afgesloten afdeling 3.5.5 van de Wet en titel I, afdeling 11B, van de Faillissementswet van toepassing zijn en deze onderneming onder toezicht staat op grond van de wet dan wel onder toezicht staat van een bevoegde autoriteit van een staat die geen lidstaat is, mits die derde staat beschikt over een stelsel van regelgeving en toezicht dat ten minste gelijkwaardig is aan de stelsels die in de Europese Economische Ruimte worden toegepast op basis van de herziene richtlijn banken en de herziene richtlijn kapitaaltoereikendheid;
i. artikel 4:80 van overeenkomstige toepassing is op de levensverzekeringsovereenkomst.
2.
Onder de standaardbenadering zijn, afhankelijk van het risicogewicht van een preferente ongedekte vordering op de onderneming waarbij de levensverzekering is afgesloten, de risicogewichten van het deel van de vorderingen dat door de actuele aankoopwaarde van de in onderpand gegeven levensverzekeringsovereenkomsten als volgt:
a. 20%, indien het risicogewicht van een preferente ongedekte vordering op de onderneming waarbij de levensverzekering is afgesloten 20% bedraagt;
b. 35%, indien het risicogewicht van een preferente ongedekte vordering op de onderneming waarbij de levensverzekering is afgesloten 50% bedraagt;
c. 70%, indien het risicogewicht van een preferente ongedekte vordering op de onderneming waarbij de levensverzekering is afgesloten 100% bedraagt; of
d. 150%, indien het risicogewicht van een preferente ongedekte vordering op de onderneming waarbij de levensverzekering is afgesloten 150% bedraagt.
3.
Onder de interne rating benadering (IRB) wordt aan het deel van de vordering dat wordt gedekt door de actuele afkoopwaarde van aan de leningverstrekkende financiële instelling in pand gegeven levensverzekeringsovereenkomsten een LGD van 40% toegekend, tenzij hierop eigen LGD-ramingen van toepassing zijn.
4.
Indien de vordering in andere valuta luidt dan de afkoopwaarde van de levensverzekering, wordt de actuele afkoopwaarde verminderd in overeenstemming met artikel 4:93, eerste lid, onder a, waarbij de waarde van de kredietprotectie gelijk is aan de actuele waarde van de levensverzekeringsovereenkomst.
1.
Door een derde financiële onderneming uitgegeven instrumenten die op verzoek door deze financiële onderneming zullen worden teruggekocht, worden, met inachtneming van het tweede lid, als toelaatbare kredietprotectie aangemerkt.
2.
De kredietprotectie uit hoofde van door een derde financiële onderneming uitgegeven instrumenten, bedoeld in het eerste lid, komt voor de in het derde lid bedoelde behandeling in aanmerking, indien:
a. de uitgevende financiële onderneming een kredietbeoordeling heeft waaraan ingevolge tabel A van bijlage 2A kredietkwaliteitstrap 1 voor vorderingen op financiële ondernemingen is toegekend; en
b. de financiële onderneming kan aantonen dat de instrumenten liquide zijn.
3.
Op verzoek teruggekochte instrumenten van financiële ondernemingen als bedoeld in het eerste lid, worden behandeld als een garantie van de uitgevende financiële onderneming, overeenkomstig artikel 4:93. Op de instrumenten bedoeld in de vorige volzin is artikel 4:80, van overeenkomstige toepassing.
4.
De waarde van de toelaatbare kredietprotectie, bedoeld in het eerste lid, is:
a. wanneer het instrument wordt teruggekocht tegen de nominale waarde: gelijk aan het bedrag van die nominale waarde;
b. wanneer het instrument wordt teruggekocht tegen de marktprijs: gelijk aan de waarde van het instrument, berekend volgens de berekeningsmethode voor de schuldtitels, genoemd in artikel 4:25.
1.
De volgende partijen worden als toelaatbare verschaffers van niet-volgestorte kredietprotectie aangemerkt:
a. centrale overheden en centrale banken;
b. regionale en lokale overheden;
c. multilaterale ontwikkelingsbanken;
d. internationale organisaties, mits aan de vorderingen op deze organisaties in de Standaardbenadering een risicogewicht van 0% wordt toegekend;
e. publiekrechtelijke lichamen, mits de vorderingen op deze lichamen in de Standaardbenadering als vorderingen op financiële ondernemingen of de centrale overheid worden behandeld;
f. financiële ondernemingen; en
g. andere entiteiten, met inbegrip van moeder-, dochter- en verbonden ondernemingen van de financiële onderneming, die:
1°. een kredietbeoordeling van een erkend kredietbeoordelingsbureau hebben waaraan ingevolge tabel A van bijlage 2A minimaal kredietkwaliteitstrap 2 is toegekend; of
2°. geen kredietbeoordeling van een erkend kredietbeoordelingsbureau hebben, maar waaraan door een financiële onderneming die risicogewogen posten en verwachte verliezen berekent overeenkomstig de Eenvoudige IRB een interne rating is toegekend.
2.
De interne rating, bedoeld in het eerste lid, onderdeel g, onder 2°, kan voor de toepassing van dit artikel alleen worden gebruikt indien deze rating overeenstemt met een kans op wanbetaling die gelijk is aan de kans op wanbetaling behorende bij een kredietbeoordeling van een erkende EKBI waaraan ingevolge tabel A van bijlage 2A minimaal kredietkwaliteitstrap 2 is toegekend.
3.
Indien een financiële onderneming risicogewogen posten en verwachte verliesposten berekent overeenkomstig de Eenvoudige IRB, is een garantiegever alleen toelaatbaar, wanneer de financiële onderneming hem een interne rating heeft toegekend.
1.
Financiële ondernemingen, verzekeraars en herverzekeraars en exportkredietbureaus kunnen worden erkend als toelaatbare verschaffers van niet-volgestorte kredietprotectie die onder de IRB-benadering voor de in artikel 3:20, eerste lid, bedoelde behandeling in aanmerking komen, indien de protectieverschaffer:
a. beschikt over voldoende deskundigheid op het gebied van de verschaffing van niet-volgestorte kredietprotectie;
b. is onderworpen aan een reglementering die gelijkwaardig is aan de herziene richtlijn banken, of op het moment dat de kredietprotectie werd verleend een kredietbeoordeling van een erkende EKBI had waaraan ingevolge tabel A van bijlage 2A minimaal kredietkwaliteitstrap 3 is toegekend;
c. op het moment dat de kredietprotectie werd verleend of gedurende enige daarop volgende periode, een interne rating had met een kans op wanbetaling die gelijk is aan de kans op wanbetaling behorende bij een kredietbeoordeling waaraan ingevolge tabel A van bijlage 2A minimaal kredietkwaliteitstrap 2 is toegekend; en
d. een interne rating heeft met een kans op wanbetaling die gelijk is aan de kans op wanbetaling behorende bij een kredietbeoordeling waaraan ingevolge tabel A van bijlage 2A minimaal kredietkwaliteitstrap 3 is toegekend.
2.
Niet in aanmerking voor de in artikel 3:20, eerste lid, bedoelde behandeling komt een door een exportkredietbureau verstrekte kredietprotectie waarop een uitdrukkelijke contragarantie van een centrale overheid van toepassing is.
1.
De volgende typen kredietderivaten en instrumenten die uit dergelijke kredietderivaten zijn samengesteld of die economisch effectief vergelijkbaar zijn, worden, met inachtneming van de in de artikelen 4:79, 4:80 en 4:84 tot en met 4:87 gestelde eisen, als toelaatbare kredietprotectie aangemerkt:
a. credit default swaps;
b. total return swaps; en
c. credit-linked notes, voor zover deze in contanten zijn gefinancierd.
2.
Indien een financiële onderneming kredietprotectie koopt in de vorm van een total return swap en de uit hoofde van die swap ontvangen nettobetalingen als netto-inkomsten boekt, maar nalaat de daartegenover staande waardevermindering van het beschermde activum te boeken, wordt de kredietprotectie alsnog niet in aanmerking genomen.
1.
Indien een financiële onderneming gebruik maakt van een intern afdekkingsinstrument in de vorm van een kredietderivaat, wordt dit derivaat alleen als kredietprotectie in aanmerking genomen wanneer het naar de handelsportefeuille overgehevelde kredietrisico aan een derde wordt overgedragen.
2.
Indien aan het vorige lid is voldaan, en de in het vorige lid bedoelde overdracht voldoet aan de in dit hoofdstuk vastgestelde vereisten voor het in aanmerking nemen van kredietrisicovermindering, is paragraaf 4.7.5 op de aankoop van niet-volgestorte kredietprotectie van overeenkomstige toepassing.
3.
De financiële onderneming waarborgt dat gegevens omtrent interne afdekkingsinstrumenten als bedoeld in het eerste lid, en daarmee verband houdende posities in de handelsportefeuille, verifieerbaar zijn in het kader van de controle door de toezichthouder en de accountant.
1.
Onverminderd de artikelen 4:81 tot en met 4:87, wordt een kredietprotectie in de vorm van een garantie of kredietderivaat uitsluitend als kredietprotectie in aanmerking genomen, indien:
a. het een rechtstreekse kredietprotectie betreft;
b. de omvang van de kredietprotectie duidelijk omschreven en onbetwistbaar is; en
c. de kredietprotectieovereenkomst geen enkel beding bevat waarvan de naleving buiten de directe controle van de leningverstrekkende financiële onderneming valt en die:
1°. de protectiegever in staat stelt de protectie eenzijdig op te zeggen;
2°. tot een toename van de effectieve kosten van de protectie leidt wanneer de kredietkwaliteit van de beschermde vordering verslechtert;
3°. kan verhinderen dat de protectiegever verplicht is zo spoedig mogelijk te betalen ingeval de oorspronkelijke debiteur nalaat verschuldigde betalingen te verrichten; of
4°. het mogelijk kan maken dat de protectiegever de looptijd van de kredietprotectie reduceert.
2.
Onverminderd het eerste lid, gelden tevens de volgende voorwaarden:
a. de financiële onderneming beschikt over systemen om de potentiële concentratierisico’s die voortvloeien uit het gebruik van garanties of kredietderivaten te beheersen; en
b. de financiële onderneming kan aantonen hoe haar beleid ten aanzien van het gebruik van garanties en kredietderivaten samenhangt met de instellingsbrede risicomanagementprocessen.
Artikel 4:80
Van ‘zo spoedig mogelijk betalen’ als bedoeld in artikel 4:79, eerste lid, onderdeel c, onder 3°, is uitsluitend sprake wanneer:
a. in het kader van garanties: een leningverstrekkende financiële onderneming onverwijld kan trekken op de garantiegever, tenzij artikel 4:82, tweede lid en derde lid, van toepassing is;
b. in het kader van kredietderivaten met cash-settlement: een leningverstrekkende financiële onderneming voor de verliesbepaling (het vaststellen van post credit event quotes) een vooraf bepaalde maximale termijn heeft die in lijn is met marktconforme standaarden.
1.
Een garantie met een contragarantie van een centrale overheid, een centrale bank, een regionale of lokale overheid of een publiekrechtelijk lichaam, kan in aanmerking worden genomen als een rechtstreekse garantie van voornoemde entiteiten, indien:
a. de vordering op deze overheden in de Standaardbenadering worden behandeld als vorderingen op de centrale overheid in wier rechtsgebied deze gevestigd zijn, als vorderingen op een multilaterale ontwikkelingsbank of een internationale organisatie waarop een risicogewicht van 0% wordt toegepast, respectievelijk als vorderingen op een publiekrechtelijk lichaam die als vorderingen op financiële ondernemingen worden behandeld;
b. de contragarantie alle kredietrisico-aspecten van de onderliggende vordering dekt;
c. zowel de oorspronkelijke garantie als de contragarantie aan de artikelen 4:79 en 4:82, eerste lid, voldoen, met dien verstande dat de contragarantie niet rechtstreeks hoeft te zijn; en
d. de dekking deugdelijk is en niets in de historische gegevens erop wijst dat de dekking van de contragarantie niet effectief gelijkwaardig is aan die van een rechtstreekse garantie door de entiteit in kwestie.
2.
Voor de toepassing van het eerste lid, komt ook een vordering met een tegengarantie van een andere dan de in dat lid genoemde entiteiten voor de behandeling als garantie in aanmerking, indien die tegengarantie op zijn beurt rechtstreeks wordt gedekt door een van de genoemde entiteiten en aan de onderdelen a tot en met d van het eerste lid is voldaan.
1.
Aan een garantie als bedoeld in artikel 4:79, eerste lid, of als bedoeld in artikel 4:81, eerste lid, worden de volgende aanvullende voorwaarden gesteld:
a. bij de kwalificerende wanbetaling van of niet-betaling door de tegenpartij, heeft de leningverstrekkende financiële onderneming het recht op een zo spoedig mogelijke betaling, als bedoeld in artikel 4:80, door de garantiegever van de gelden die verschuldigd zijn uit hoofde van de vordering waarvoor de protectie is verstrekt, ongeacht of de leningverstrekkende financiële onderneming hiertoe een vordering tegen de debiteur heeft ingesteld;
b. de garantie heeft de vorm van een expliciet, schriftelijk gedocumenteerde verplichting die door de garantiegever is aangegaan; en
c. de garantie bestrijkt alle soorten betalingen die de debiteur uit hoofde van de vordering geacht wordt te verrichten.
2.
Voor de toepassing van het eerste lid, heeft de financiële onderneming bij een niet-volgestorte kredietbescherming met betrekking tot hypotheekleningen op niet-zakelijk onroerend maximaal 24 maanden om te voldoen aan het eerste lid, onderdeel a, en aan artikel 4:79, eerste lid, onderdeel c, onder 3°.
3.
Indien niet aan het eerste lid, onderdeel c, wordt voldaan, wordt de in aanmerking te nemen waarde van de garantie zodanig aangepast dat met de beperkte dekking rekening wordt gehouden.
1.
Ten aanzien van garanties die door – in het kader van voor deze doeleinden door DNB erkende – onderlinge borgtochtmaatschappijen zijn verstrekt, dan wel die zijn verstrekt of waarvoor een contragarantie is verschaft door de in artikel 4:81, eerste lid bedoelde entiteiten, wordt aangenomen dat aan artikel 4:82, eerste lid, onderdeel a, is voldaan, indien:
a. de leningverstrekkende financiële onderneming het recht heeft op een zo spoedig mogelijke voorlopige betaling door de garantiegever, die in redelijke verhouding staat tot de omvang van het economische verlies dat vermoedelijk door de leningverstrekkende financiële onderneming zal worden geleden en de door de garantie geboden dekking; of
b. de leningverstrekkende financiële onderneming de door de garantie geboden protectie tegen economische verliezen aantoont.
2.
Voor de toepassing van het vorige lid wordt onder ‘economisch verlies’ tevens verstaan: de verliezen die voortvloeien uit de niet-betaling van rente en van andere soorten betalingen die de leningnemer verplicht is te verrichten.
Artikel 4:84
Onverminderd artikel 4:79, worden aan een kredietderivaat als bedoeld in artikel 4:79, eerste lid, de additionele voorwaarden, bedoeld in de artikelen 4:85 tot en met 4:87, gesteld.
1.
De in het kader van een kredietderivaat als bedoeld in artikel 4:79, eerste lid, specifieke omstandigheden die de kredietwaardigheid aantasten, omvatten in ieder geval de volgende kredietgebeurtenissen:
a. niet-betaling van de bedragen die verschuldigd zijn onder de voorwaarden van de onderliggende verplichting die gelden op het tijdstip van de niet-betaling, mits de respijtperiode vrijwel even lang is als of korter is dan de respijtperiode bij de onderliggende verplichting;
b. het faillissement, de insolventie of het onvermogen van de debiteur om zijn schulden te betalen, de schriftelijke bekentenis van de debiteur van zijn algemene onvermogen om zijn schulden te betalen, respectievelijk de wanbetaling door de debiteur en daarmee vergelijkbare gebeurtenissen; en
c. de herstructurering van de onderliggende verplichting, die een kwijtschelding of uitstel van betaling van de hoofdsom, de rente of de provisies inhoudt welke resulteert in een kredietverlies, in de zin van een waardeaanpassing of andere soortgelijke debitering van de winst- en verliesrekening.
2.
Indien herstructureringen zoals bedoeld in onderdeel c van het eerste lid geen onderdeel uitmaken van de in het kader van het kredietderivaat gespecificeerde kredietgebeurtenissen, kan in afwijking van het vorige lid, de kredietprotectie toch in aanmerking worden genomen indien de in aanmerking genomen waarde overeenkomstig artikel 4:92, eerste lid wordt gereduceerd.
1.
De identiteit van de partijen die verantwoordelijk zijn voor de vaststelling of zich een kredietgebeurtenis als bedoeld in artikel 4:85, eerste lid, heeft voorgedaan, wordt in de kredietprotectieovereenkomst duidelijk omschreven, waarbij de protectiekoper tenminste het contractuele recht en het feitelijke vermogen heeft om de protectiegever in kennis te stellen van het feit dat zich een kredietgebeurtenis heeft voorgedaan.
2.
Bij kredietderivaten met afwikkeling in contanten, wordt voorzien in een deugdelijke waarderingsprocedure om tot een betrouwbare raming van het verlies te komen, die voorziet in de verkrijging van waarderingen van de onderliggende verplichting nadat de kredietgebeurtenis zich heeft voorgedaan binnen de in artikel 4:80 bedoelde periode.
3.
Indien het contractuele recht en het feitelijk vermogen van de protectienemer om de onderliggende verplichting aan de protectiegever over te dragen onontbeerlijk zijn voor de afwikkeling, worden in de onderliggende verplichting de gronden vastgelegd, waarop de tegenpartij van de onderliggende verplichting zijn toestemming voor een dergelijke overdracht mag weigeren.
Artikel 4:87
Een mismatch tussen de onderliggende verplichting en de referentieverplichting, respectievelijk een mismatch tussen de onderliggende verplichting en de verplichting waarvan gebruik wordt gemaakt om te bepalen of zich een kredietgebeurtenis heeft voorgedaan, is alleen toelaatbaar, indien:
a. de referentieverplichting respectievelijk de verplichting waarvan gebruik wordt gemaakt om te bepalen of zich een kredietgebeurtenis heeft voorgedaan, al naargelang het geval, pari passu met of achtergesteld is bij de onderliggende verplichting; en
b. de onderliggende verplichting en de referentieverplichting of de verplichting waarvan gebruik wordt gemaakt om te bepalen of zich een kredietgebeurtenis heeft voorgedaan, al naargelang het geval, dezelfde debiteur hebben en voorzien is in juridisch afdwingbare kruiselingse kredietverzuimclausules dan wel kruiselings vervroegde-opeisbaarheidsclausules.
Artikel 4:88
Om in aanmerking te komen voor de behandeling bedoeld in artikel 3:20, eerste lid, moet een kredietprotectie in de vorm van een garantie of een kredietderivaat voldoen aan de volgende voorwaarden:
a. de onderliggende verplichting is:
1°. een vordering op een financiële onderneming, niet zijnde een verzekeraar of herverzekeraar;
2°. een vordering op een regionale of lokale overheid of een orgaan uit de openbare sector, die niet wordt behandeld als vordering op een centrale overheid of centrale bank; of
3°. een vordering op een kleine of middelgrote entiteit, die is ondergebracht in de categorie vorderingen op particulieren en kleine partijen.
b. de onderliggende debiteuren zijn geen met de protectiegever verbonden partijen;
c. de vordering wordt afgedekt door middel van één van de volgende instrumenten:
1°. single-name niet-volgestorte kredietderivaten of single-name garanties;
2°. basketproducten voor het eerst optredende kredietverzuim met inachtneming van artikel 4:89, eerste lid;
3°. basketproducten voor het n-de kredietverzuim met inachtneming van artikel 4:89, tweede lid, indien ook toelaatbare protectie tegen het (n-1)de kredietverzuim is verkregen of indien voor (n-1) van de in de mand voorkomende activa reeds sprake is van kredietverzuim, en indien dezelfde methode wordt toegepast op het in de mand voorkomende activum met de laagste risicogewogen waarde;
d. de kredietprotectie voldoet aan de artikelen 4:79, 4:83, 4:85 en 4:87;
e. het risicogewicht dat vóór de behandeling bedoeld in de aanhef van dit artikel aan de onderliggende vordering wordt toegekend, houdt niet reeds rekening met enigerlei aspect van de kredietprotectie;
f.
1°. de financiële onderneming heeft het recht en kan redelijkerwijs verwachten betaling te ontvangen van de protectieverschaffer zonder gerechtelijke stappen te hoeven nemen om de tegenpartij van de onderliggende vordering tot betaling te dwingen;
2°. voor zover mogelijk neemt de financiële onderneming stappen om zich ervan te vergewissen dat de protectiegever bereid is in geval van een kredietgebeurtenis terstond te betalen;
g. de gekochte kredietprotectie vangt alle op het afgedekte deel van de vordering geleden kredietverliezen op die zich voordoen als gevolg van de in het contract omschreven kredietgebeurtenissen;
h.
1°. indien de uitbetalingsstructuur voorziet in fysieke afwikkeling, bestaat er rechtszekerheid ten aanzien van de leverbaarheid van een lening, obligatie of voorwaardelijke verplichting;
2°. indien een financiële onderneming voornemens is een andere verplichting te leveren dan de onderliggende vordering, zorgt zij ervoor dat de leverbare verplichting liquide genoeg is om haar in staat te stellen deze te kopen voor levering in overeenstemming met het contract;
i. de voorwaarden van kredietprotectieovereenkomsten zijn schriftelijk en juridisch bevestigd door zowel de verschaffer van de kredietprotectie als de financiële onderneming;
j. de financiële onderneming beschikt over procedures om overmatige correlaties te ontdekken tussen de kredietwaardigheid van een protectieverstrekker en van de tegenpartij van de onderliggende vordering ten gevolge van het feit dat hun prestaties afhankelijk zijn van overeenkomstige factoren anders dan het systeemrisico; en
k. indien bescherming wordt geboden tegen het verwateringsrisico van gekochte kortlopende vorderingen, is de protectiegever geen verbonden partij met de verkoper van de betreffende gekochte kortlopende vorderingen.
1.
Ingeval van een vordering die wordt afgedekt door een basketproduct voor het eerst optredende kredietverzuim als bedoeld in artikel 4:88, onderdeel c, onder 2°, kan de in artikel 3:20, eerste lid, bedoelde behandeling worden toegepast op het in de basket voorkomende activum met de laagste risicogewogen waarde.
2.
Ingeval van een vordering die wordt afgedekt door een basketproduct voor het (n-1)de kredietverzuim als bedoeld in artikel 4:88, onderdeel c, onder 3°, kan de in artikel 3:20, eerste lid, bedoelde behandeling worden toegepast op het in de basket voorkomende activum met de laagste risicogewogen waarde.
Artikel 4:90
Met contanten volgestorte credit-linked notes die door de leningverstrekkende financiële onderneming zijn uitgegeven, en die aan de voorwaarden voor kredietderivaten, bedoeld in de vorige paragraaf voldoen, worden overeenkomstig afdeling 4.4 als zekerheden in de vorm van contanten behandeld.
1.
Wanneer een financiële onderneming een deel van het risico van een vordering in één of meer tranches met een verschillend risicoprofiel onderverdeelt en overdraagt aan een protectieverkoper, is hoofdstuk 6 van overeenkomstige toepassing.
2.
Materialiteitsdrempels inzake betalingen, die ertoe leiden dat, bij het niet bereiken van de drempel, in geval van verlies geen betaling wordt verricht, worden geacht gelijkwaardig te zijn aan aangehouden eerste-verliesposities en worden geacht aanleiding te geven tot een in tranches onderverdeelde risico-overdracht.
1.
Voor de toepassing van artikel 4:85, tweede lid, past een leningverstrekkende financiële onderneming de waarde van de kredietprotectie overeenkomstig de methode, bedoeld in het tweede lid, aan.
2.
De waarde van niet-volgestorte kredietprotectie (G), zijnde het bedrag dat de protectiegever heeft toegezegd te zullen betalen in geval van een kredietgebeurtenis als bedoeld in artikel 4:85, eerste lid, wordt berekend overeenkomstig artikel 4:93, met dien verstande dat:
a. indien het bedrag dat de protectiegever heeft toegezegd te zullen betalen niet hoger is dan de waarde van de vordering, wordt de waarde van de kredietprotectie verminderd met 40%; of
b. indien het bedrag dat de protectiegever heeft toegezegd te zullen betalen hoger is dan de waarde van de vordering, wordt de waarde van de kredietprotectie niet hoger vastgesteld dan 60% van de waarde van de vordering.
1.
Een leningverstrekkende financiële onderneming berekent de volledig aangepaste waarde van de kredietprotectie (G*) overeenkomstig formule 8 van bijlage 4A , met dien verstande dat:
a. de volatiliteitsaanpassingen die op een valutamismatch moeten worden toegepast, kunnen worden berekend op basis van de toezichthoudermethode respectievelijk op basis van de eigen-ramingenmethode, bedoeld in de paragrafen 4.4.6 en 4.4.7; en
b. voor de toepassing van dit artikel afdeling 4.9 van overeenkomstige toepassing is.
2.
Een leningverstrekkende financiële onderneming die de Standaardbenadering toepast:
a. kent aan het deel van de vordering waarvan de waarde van de post door kredietprotectie wordt gedekt, het risicogewicht toe dat de protectiegever volgens de Standaardbenadering heeft;
b. kent aan het deel dat niet door kredietprotectie wordt gedekt, de risicoweging van de debiteur toe;
c. past onder lid a voor de bepaling van de waarde van posten buiten de balanstelling overeenkomstig bijlage 2D van deze regeling omrekeningsfactoren van 100% toe, in plaats van de factoren vermeld in artikel 61, tweede en derde lid, van het Besluit .
3.
Een leningverstrekkende financiële onderneming die de Eenvoudige IRB toepast, hanteert:
a. voor het deel van de waarde van de post dat door zekerheden wordt gedekt, op basis van de gecorrigeerde waarde van de kredietprotectie: de PD van de garantiegever of, indien volledige vervanging niet gerechtvaardigd wordt geacht, een PD tussen die van de leningnemer en die van de garantiegever in;
b. ingeval van een achtergestelde vorderingen met niet-achtergestelde protectie: de LGD die van toepassing is op niet-achtergestelde schuldvorderingen; en
c. voor het deel van de waarde van de post dat niet door zekerheden wordt gedekt: de PD van de leningnemer en de LGD van de onderliggende waarde van de post.
4.
Wanneer het bedrag van de protectie lager is dan de waarde van de vordering en de gedekte en ongedekte delen dezelfde rangorde hebben, zodat de financiële onderneming en de protectiegever eventuele verliezen naar rato delen, wordt voor financiële ondernemingen die de Standaardbenadering toepassen, het risicogewicht bepaald volgens formule 9 van bijlage 4A , waarbij voor de bepaling van de waarde van posten buiten de balanstelling overeenkomstig bijlage 2D van deze regeling omrekeningsfactoren van 100% worden toegepast, in plaats van de factoren vermeld in artikel 61, tweede en derde lid, van het Besluit .
5.
Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing, voor de berekening van LGD door een leningverstrekkende financiële onderneming die de Eenvoudige IRB toepast.
6.
Voor de bepaling van de waarde van posten vermeld in het derde lid worden omrekeningsfactoren van 100% toegepast, in plaats van de factoren vermeld in artikel 3:58.
Artikel 4:94
De in artikel 2:5 bedoelde behandeling is van overeenkomstige toepassing op vorderingen of delen van vorderingen die door de centrale overheid of de centrale bank zijn gegarandeerd, indien de garantie in de nationale valuta van de leningnemer luidt en de vordering in die valuta is gefinancierd.
1.
Kredietprotectie voor een aantal vorderingen samen is toelaatbaar indien het eerst optredende kredietverzuim op zichzelf aanleiding geeft tot betaling onder het contract en deze kredietgebeurtenis de beëindiging van het contract met zich brengt. De financiële onderneming wijzigt de berekening van de risicogewogen post, en in voorkomend geval, het verwachte verlies van de post, die bij ontbreken van kredietprotectie het laagste risicogewicht zou hebben.
2.
Kredietprotectie kan uitsluitend in aanmerking worden genomen indien de waarde van de kredietprotectie groter dan of gelijk is aan de waarde van de post waarvoor de berekening wordt gewijzigd, als bedoeld in het eerste lid.
1.
In het geval waarin het nde kredietverzuim ingevolge de kredietprotectie aanleiding geeft tot betaling, kan de financiële onderneming die de protectie koopt deze slechts voor de berekening van risicogewogen posten en, in voorkomend geval, van verwachte verliezen in aanmerking nemen indien tevens protectie is verkregen voor kredietverzuim 1 tot en met n -1, of wanneer zich reeds n -1 wanbetalingen hebben voorgedaan.
2.
Voor de toepassing van het eerste lid, is het vorige artikel van overeenkomstige toepassing.
Artikel 4:97
Wanneer zich, in het kader van de berekening van risicogewogen posten, een looptijdverschil voordoet doordat de resterende looptijd van de kredietprotectie korter is dan die van de gedekte vordering, wordt de kredietprotectie niet in aanmerking genomen indien:
a. de oorspronkelijke looptijd van de protectie minder dan een jaar bedraagt;
b. de vordering een kortlopende vordering als bedoeld in artikel 3:46, tweede lid is; of
c. de resterende looptijd van de protectie minder dan drie maanden bedraagt en de looptijd van de onderliggende positie die van de protectie overschrijdt.
1.
De effectieve looptijd van de onderliggende vordering is de langst mogelijke periode, die de debiteur heeft om zijn contractuele verplichtingen volledig na te komen, met dien verstande dat deze periode voor de berekening van het looptijdverschil maximaal vijf jaar bedraagt.
2.
Voor de toepassing van het eerste lid, geldt ten aanzien van de looptijd van de protectie:
a. indien de protectiegever over de mogelijkheid beschikt om de protectie voortijdig te beëindigen, wordt als looptijd van de protectie aangemerkt: de periode tot de vroegste datum waarop van die mogelijkheid gebruik kan worden gemaakt;
b. indien de protectienemer over de mogelijkheid beschikt om de protectie voortijdig te beëindigen en van de voorwaarden van de protectieovereenkomst een positieve prikkel voor de financiële onderneming uitgaat om de transactie vóór de vervaldatum van de overeenkomst af te wikkelen, wordt als looptijd van de protectie aangemerkt: de periode tot de vroegste datum waarop van die mogelijkheid gebruik kan worden gemaakt; en
c. indien de protectienemer over de mogelijkheid beschikt om de protectie voortijdig te beëindigen maar van de voorwaarden van de protectieovereenkomst geen prikkel als bedoeld in het vorige onderdeel uitgaat, wordt als looptijd van de protectie aangemerkt: de looptijd als bedoeld in het eerste lid.
3.
Wanneer protectie in de vorm van een kredietderivaat kan worden beëindigd vóór het verstrijken van een eventuele respijtperiode en het verstrijken van die respijtperiode een vereiste is voor het optreden van een kredietgebeurtenis als gevolg van niet-betaling, wordt de looptijd van de protectie, bedoeld in het tweede lid, verminderd met de respijtperiode.
1.
Indien er gebruik gemaakt wordt van de eenvoudige methode van financiële zekerheden inzake transacties in het kader van volgestorte kredietprotectie, wordt de zekerheid niet erkend, wanneer er een verschil is tussen de looptijd van de vordering en de looptijd van de protectie.
2.
Indien er gebruik gemaakt wordt van de uitgebreide methode van financiële zekerheden inzake transacties in het kader van volgestorte kredietprotectie, worden de looptijd van de kredietprotectie en die van de vordering in de aangepaste waarde van de zekerheid tot uiting gebracht overeenkomstig formule 10 van bijlage 4A .
3.
Bij transacties in het kader van niet-volgestorte kredietprotectie, worden de looptijd van de kredietprotectie en die van de vordering tot uiting gebracht in de gecorrigeerde waarde van de kredietprotectie overeenkomstig formule 11 van bijlage 4A .
1.
Wanneer een financiële onderneming, die risicogewogen posten berekent overeenkomstig de Standaardbenadering, voor de dekking van één vordering gebruik maakt van meerdere vormen van kredietrisicovermindering, splitst deze financiële onderneming de vordering in daarmee overeenkomende gedeelten op en berekent het de risicogewogen post voor elk van deze gedeelten afzonderlijk, overeenkomstig hoofdstuk 2 en dit hoofdstuk.
2.
Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing, indien de kredietprotectie die door één protectiegever wordt geboden, verschillende looptijden heeft.
1.
Wanneer risicogewogen posten en verwachte verliezen volgens de Eenvoudige IRB worden berekend, en een vordering zowel door financiële zekerheden als door andere erkende zekerheden wordt gedekt, wordt de LGD*, zijnde het effectieve verlies bij wanbetaling die voor de toepassing van de Eenvoudige IRB als LGD moet worden aangemerkt, overeenkomstig het tweede lid en derde lid berekend.
2.
De financiële onderneming is verplicht de waarde na de toepassing van de volatiliteitsaanpassing op te splitsen, zodat elk deel door slechts één type zekerheid wordt gedekt.
3.
Voor de toepassing van het tweede lid, kan de financiële onderneming de vordering, al naargelang het geval, opsplitsen in:
a. een gedeelte dat gedekt wordt door toelaatbare financiële zekerheden;
b. een gedeelte dat gedekt wordt door kortlopende vorderingen;
c. een gedeelte dat wordt gedekt door zekerheden in de vorm van zakelijk of niet-zakelijk onroerend goed;
d. een gedeelte dat gedekt wordt door overige toelaatbare zekerheden; of
e. een gedeelte dat niet door zekerheden wordt gedekt.
4.
De LGD* wordt voor elk gedeelte van de vordering afzonderlijk berekend, overeenkomstig de toepasselijke bepalingen van dit hoofdstuk.
Artikel 5:1
In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:
a. aanpassing van de kredietwaardering : een aanpassing van de gemiddelde marktwaardering van een portefeuille van transacties met een tegenpartij;
b. actuele marktwaarde : de netto marktwaarde, als resultaat van alle positieve en negatieve marktwaarden, van de portefeuille van transacties binnen het samenstel van verrekenbare transacties met de tegenpartij;
c. actuele positie : de marktwaarde van de transactie, of de portefeuille van transacties binnen een samenstel van verrekenbare transacties, die verloren gaat indien de tegenpartij in gebreke blijft, ervan uitgaande dat bij een faillissement geen verificatie mogelijk is;
d. algemeen wrong-way risico : het risico dat ontstaat wanneer de kans op wanbetaling van de tegenpartij of tegenpartijen een positieve correlatie vertoont met algemene marktrisicofactoren;
e. betalingsgedeelte : de betaling als tegenprestatie voor de levering van een financieel instrument respectievelijk de betaling als tegenprestatie voor een andere betaling, op de contractuele basis van een transactie met een lineair risicoprofiel die op een OTC-derivaat betrekking heeft;
f. centrale tegenpartij : een entiteit die ten aanzien van het sluiten van koopovereenkomsten op één of meer financiële markten, voor zowel de koper als de verkoper als tussenpersoon als bedoeld in artikel 425 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek optreedt;
g. doorrolrisico : de extra positie die uit toekomstige transacties voortvloeit en die gelijk is aan het bedrag waarmee de verwachte positieve positie is onderschat wanneer wordt verwacht dat toekomstige transacties een permanent karakter krijgen;
h. eenzijdige aanpassing van de kredietwaardering : een aanpassing van de kredietwaardering die betrekking heeft op de marktwaarde van het kredietrisico van de tegenpartij maar niet op de marktwaarde van het kredietrisico van de financiële onderneming die de aanpassing doorvoert;
i. effectieve looptijd volgens de interne modellenmethode, voor een samenstel van verrekenbare transacties met een looptijd van meer dan een jaar : het verhoudingsgetal dat wordt verkregen uit de berekening genoemd in bijlage 5.3;
j. effectieve EE (effectieve verwachte positie) : de verwachte waarde van een positie op een specifieke datum of de effectieve waarde van die positie op een eerdere datum, indien laatstbedoelde waarde groter is;
k. effectieve EPE (effectieve verwachte positieve positie) : het gewogen gemiddelde in de tijd van de effectieve verwachte posities over het eerste jaar, gerekend vanaf de berekendatum, of, als alle contracten binnen het samenstel van verrekenbare transacties binnen dat jaar vervallen, over de duur van het langstlopende contract binnen het samenstel van verrekenbare transacties, waarbij de gewichten het proportionele aandeel van een afzonderlijke verwachte positie in het volledige tijdsinterval vertegenwoordigen;
l. margedrempel : het hoogste bedrag dat een uitstaande vordering mag bereiken voordat een partij het recht heeft een uitwinbare zekerheid te eisen;
m. margeleningstransacties : leningen waarbij een financiële onderneming krediet verstrekt voor de aankoop, de verkoop, het aanhouden of het verhandelen van effecten;
n. margeovereenkomst : een contractuele overeenkomst of een aantal clausules in een overeenkomst op grond waarvan een tegenpartij een uitwinbare zekerheid aan een tweede tegenpartij moet verstrekken wanneer een vordering van deze tweede tegenpartij op de eerste tegenpartij een bepaalde hoogte overschrijdt;
o. marge-risicoperiode : de periode gerekend vanaf de dag van de laatste ruil van zekerheden ter dekking van een samenstel van verrekenbare transacties met een in gebreke blijvende tegenpartij tot en met de dag dat de betrokken tegenpartij is geliquideerd en het resulterende marktrisico opnieuw is afgedekt;
p. maximumpositie : een hoog percentiel van de verdeling van posities op een bepaalde datum in de toekomst vóór de vervaldatum van de langstlopende transactie van het samenstel van verrekenbare transacties;
q. productoverschrijdende verrekening : de opname van transacties met betrekking tot verschillende productcategorieën in hetzelfde samenstel van verrekenbare transacties in overeenstemming met de in afdeling 5.7 vervatte regels voor productoverschrijdende verrekening;
r. risiconeutrale verdeling : een verdeling van marktwaarden of posities tijdens een periode in de toekomst waarbij de verdeling wordt berekend aan de hand van impliciete marktwaarden;
s. risicopositie : een risicowaarde die volgens de standaardmethode, bedoeld in afdeling 5.5 aan een transactie wordt toegekend op basis van een vooraf bepaald algoritme;
t. samenstel van afdekkingsinstrumenten (hedging set) : een groep risicoposities uit hoofde van transacties die tot eenzelfde samenstel van verrekenbare transacties behoren en waarvan alleen het saldo relevant is voor de bepaling van de waarde van de post volgens de standaardmethode, bedoeld in afdeling 5.5;
u. samenstel van verrekenbare transacties (netting set) : een groep transacties ten aanzien waarvan verrekening als bedoeld in artikel 127 van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek mogelijk is, welke verrekening in het kader van hoofdstuk 4 en afdeling 5.7 van deze regeling in aanmerking wordt genomen;
v. specifiek wrong-way risico : het risico dat ontstaat wanneer de positie op een bepaalde tegenpartij vanwege de aard van de transacties met die tegenpartij een positieve correlatie vertoont met de kans op wanbetaling van die tegenpartij;
w. tegenpartijkredietrisico of CCR : het risico dat de tegenpartij bij een transactie in gebreke blijft voordat de definitieve afwikkeling van de met de transactie samenhangende kasstromen heeft plaatsgevonden;
x. transactie met afwikkeling op lange termijn : de transactie waarbij een tegenpartij van de financiële onderneming zich verbindt een hoeveelheid effecten, grondstoffen of deviezen te leveren tegen contanten, andere financiële instrumenten of grondstoffen, of vice versa, op een afwikkelings- of leveringsdatum die later is dan volgens de marktstandaard voor de betreffende soort transactie gebruikelijk is respectievelijk een afwikkelings- of leveringsdatum, die meer dan vijf werkdagen na de transactiedatum ligt, ongeacht of laatstgenoemde datum de marktstandaard is of niet;
y. verdeling van posities : de prognose van de waarschijnlijkheidsverdeling van marktwaarden waarbij de verwachte negatieve netto marktwaarden door nul worden vervangen;
z. verdeling van marktwaarden : de prognose van de waarschijnlijkheidsverdeling van netto marktwaarden van transacties binnen een samenstel van verrekenbare transacties voor een datum in de toekomst (de prognosehorizon) in het licht van de gerealiseerde marktwaarde van die transacties tot op de dag waarop de prognose wordt gedaan;
aa. verwachte positie (expected exposure – EE) : het gemiddelde van de verdeling van posities op een bepaalde datum in de toekomst vóór de vervaldatum van de langstlopende transactie van het samenstel van verrekenbare transacties;
bb. verwachte positieve positie (expected positive exposure – EPE) : het gewogen gemiddelde in de tijd van de verwachte posities, waarbij de gewichten het proportionele aandeel van een afzonderlijke verwachte positie in het volledige tijdsinterval vertegenwoordigen; en
cc. werkelijke verdeling : een verdeling van marktwaarden of posities tijdens een periode in de toekomst waarbij de verdeling wordt berekend aan de hand van historische of gerealiseerde waarden.
1.
Met inachtneming van deze afdeling, bepaalt een financiële onderneming de positiewaarde die voortvloeit uit afgeleide financiële instrumenten als bedoeld in bijlage B bij het Besluit , aan de hand van één van de methoden, bedoeld in de afdelingen 5.3 tot en met 5.6.
2.
Een financiële onderneming die niet aan de voorwaarden, bedoeld in artikel 62, eerste lid, van het Besluit respectievelijk afdeling 1.2 van de Rsm 2011 voldoet, is uitgesloten van de toepassing van de methode, bedoeld in afdeling 5.4.
3.
De methode, bedoeld in afdeling 5.4, kan niet worden gebruikt voor de bepaling van de positiewaarde die voortvloeit uit afgeleide instrumenten als bedoeld in punt 3 van bijlage B bij het Besluit .
4.
De in de afdelingen 5.3 tot en met 5.6 bedoelde methoden kunnen binnen een groep als bedoeld in artikel 24b van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek in combinatie worden toegepast, mits dit op permanente basis geschiedt. Binnen de afzonderlijke juridisch-zelfstandige entiteiten die onderdeel uitmaken van de groep, is gecombineerde toepassing niet mogelijk.
5.
In afwijking van het vierde lid, tweede volzin, kunnen de in afdelingen 5.3 en 5.5 bedoelde methoden binnen de juridisch zelfstandige entiteiten die onderdeel uitmaken van de groep, bedoeld in artikel 24b van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, in combinatie worden toegepast, indien tenminste één van deze methoden wordt gebruikt voor de toepassing van artikel 5:18.
Artikel 5:3
Mits daarvoor de voorafgaande toestemming van DNB is verkregen, kan een financiële onderneming van de in afdeling 5.6 beschreven interne modellenmethode gebruik maken voor de bepaling van de vorderingswaarde (exposure value) voor:
a. contracten betreffende de afgeleide financiële instrumenten, bedoeld in bijlage B van het Besluit ;
b. retrocessieovereenkomsten;
c. opgenomen of verstrekte effecten- of grondstoffenleningen;
d. margeleningstransacties; en
e. transacties met afwikkeling op lange termijn.
1.
Een financiële onderneming die protectie in de vorm van een kredietderivaat koopt ter afdekking van een positie in de niet-handelsportefeuille of ter afdekking van een kredietrisicovordering op een tegenpartij, kan het solvabiliteitsvereiste voor het afgedekte activum in overeenstemming met de artikelen 4:91 tot en met 4:93 berekenen, mits die financiële onderneming in dat geval de waarde van de vordering voor het tegenpartijkredietrisico op nul stelt.
2.
Mits daarvoor de voorafgaande toestemming van DNB is verkregen, kan een financiële onderneming in afwijking van het eerste lid, het in dat lid bedoelde solvabiliteitsvereiste in overeenstemming met de artikelen 3:20, eerste lid, tweede volzin, en 3:83 berekenen, mits die financiële onderneming de waarde van de vordering voor het tegenpartijkredietrisico op nul stelt.
3.
In afwijking van het eerste lid mag een instelling voor de berekening van kapitaalvereisten voor het tegenpartijkredietrisico consequent rekening houden met alle in de handelsportefeuille opgenomen kredietderivaten, voor zover deze deel uitmaken van samengestelde posities ter afdekking van kredietrisico of tegenpartijkredietrisico, mits deze posities zijn erkend als kredietrisicovermindering conform hoofdstuk 4.
1.
De CCR-positiewaarde afkomstig uit de verkochte credit default swaps in de niet-handelsportefeuille wordt gelijkgesteld aan nul, indien deze swaps worden behandeld als door de financiële onderneming verleende kredietprotectie en indien een solvabiliteitsvereiste voor kredietrisico geldt voor het volle nominale bedrag waarover kredietprotectie is verleend.
2.
De positiewaarde voor een bepaalde tegenpartij is, ongeacht de daarbij gebruikte methode, in ieder geval gelijk aan de som van de positiewaarden voor ieder samenstel van verrekenbare transacties met die tegenpartij.
3.
Ten aanzien van een centrale tegenpartij kan – onder de voorwaarde dat voor de CCR-vorderingen van de centrale tegenpartij met alle deelnemers aan haar regelingen op dagelijkse basis volledig zekerheden worden gesteld – een CCR-positiewaarde van nul worden toegekend aan:
a. afgeleide contracten (derivaten) of retrocessieovereenkomsten;
b. opgenomen of verstrekte effecten- of grondstoffenleningen;
c. transacties met afwikkeling op lange termijn en margeleningstransacties die uitstaan bij een centrale tegenpartij en die door deze centrale tegenpartij niet zijn verworpen;
d. kredietrisicovorderingen op centrale tegenpartijen die voortkomen uit één van de in de onderdelen a tot en met c genoemde contracten of transacties of door De Nederlandsche Bank aan te wijzen contracten of transacties;
e. onder de voorwaarde dat voor de CCR-vorderingen van de centrale tegenpartij met alle deelnemers aan haar regelingen op dagelijkse basis volledige zekerheden worden gesteld.
4.
Vorderingen die voortkomen uit transacties met afwikkeling op lange termijn kunnen worden berekend met gebruikmaking van elk van de methoden, bedoeld in de afdelingen 5.3 tot en met 5.6, ongeacht de methode die is gekozen voor de behandeling van OTC-derivaten en retrocessieovereenkomsten, opgenomen of verstrekte effecten- of grondstoffenleningen en margeleningstransacties.
5.
Bij de berekening van het solvabiliteitvereiste voor transacties met afwikkeling op lange termijn kunnen financiële ondernemingen die de IRB, bedoeld in hoofdstuk 3, toepassen, op permanente basis en ongeacht het belang van dergelijke posities, de risicogewichten, bedoeld in afdeling 2.2, gebruiken.
6.
De uitkomst van de methoden, bedoeld in de afdelingen 5.3 en 5.4 kan uitsluitend worden gebruikt indien de nominale waarde van die uitkomst in reële verhouding staat tot het risico dat aan het contract verbonden is. Indien niet aan de eerste volzin wordt voldaan, wordt de nominale waarde aangepast om rekening te houden met het verhoogde risico als gevolg van de risicostructuur van het contract.
1.
Binnen de marktwaardemethode, wordt de positiewaarde per post berekend als de som van de positieve actuele vervangingswaarde per post en de potentiële toekomstige kredietpositie.
2.
De actuele vervangingswaarde wordt vastgesteld op basis van de actuele marktwaarde van contracten met een positieve waarde.
3.
De waarde van de potentiële toekomstige kredietpositie wordt vastgesteld, ongeacht of de actuele vervangingswaarde positief of negatief is, op basis van het totaal van de de theoretische hoofdsommen of op basis van de onderliggende waarden, voor zover van toepassing, vermenigvuldigd met de in tabel 1 van bijlage 5A genoemde percentages.
4.
Indien daartoe de voorafgaande toestemming van de DNB is verkregen, kan een financiële onderneming ingeval van contracten in grondstoffen en edele metalen anders dan goud voor de berekening van de potentiële kredietpositie, in afwijking van de percentages genoemd in tabel 1 van bijlage 5A , gebruik maken van de percentages genoemd in tabel 2 van bijlage 5A , mits de financiële onderneming voor de berekening van het positierisico in desbetreffende grondstoffen of edele metalen gebruik maakt van de looptijdmethode, bedoeld in artikel 3:40 van de Rsm 2011.
5.
In afwijking van de berekeningsmethode bedoeld in het eerste lid mag voor de berekening van de positiewaarde in geval van op één valuta betrekking hebbende floating renteswaps de vervangingswaarde van deze swaps worden genomen.
1.
Een financiële onderneming die met in achtneming van artikel 5:2, gebruik maakt van de oorspronkelijke vorderingsmethode vermenigvuldigt de theoretische hoofdsommen of onderliggende waarden, voor zover van toepassing, van de afgeleide financiële instrumenten, bedoeld in bijlage B bij het Besluit , met de bij de aard en looptijd passende percentages volgens tabel 1 hieronder.
2.
Bij de toepassing van de in het eerste lid genoemde tabel, kan de financiële onderneming in het geval van rentecontracten in de plaats van de oorspronkelijke looptijd voor de resterende looptijd kiezen.
Artikel 5:8
De gestandaardiseerde methode wordt uitsluitend gebruikt voor verhandelde OTC-derivaten en voor transacties met afwikkeling op lange termijn. De gestandaardiseerde methode kan niet worden gebruikt voor effecten- of grondstoffenfinancieringstransacties.
1.
Binnen de gestandaardiseerde methode, wordt de positiewaarde van de post voor elk samenstel van verrekenbare transacties afzonderlijk berekend.
2.
De omvang van de positiewaarde, zekerheden in aanmerking genomen, wordt berekend op basis van formule 1 van bijlage 5B .
3.
Voor de toepassing van de gestandaardiseerde methode worden uitsluitend zekerheden als bedoeld in artikel 4:27 van deze regeling respectievelijk artikel 3:32 van de Rsm 2011 erkend.
1.
Ten behoeve van de berekeningen, bedoeld in de volgende leden, kan een financiële onderneming:
a. voorbijgaan aan het renterisico van betalingsgedeelten met een resterende looptijd van minder dan één jaar; en
b. transacties die uit twee betalingsgedeelten bestaan en in dezelfde valuta luiden, als één enkele geaggregeerde transactie beschouwen. De procedure voor betalingsgedeelten geldt voor de geaggregeerde transactie.
2.
Transacties met een lineair risicoprofiel waarbij aandelen, daaronder tevens begrepen aandelenindexen, goud, andere edele metalen of andere grondstoffen als onderliggend financieel instrument fungeren, worden gekoppeld aan een risicopositie in het desbetreffende onderliggend financieel instrument, edel metaal of grondstof en aan een rentetarief-risicopositie voor het betalingsgedeelte. Indien het betalingsgedeelte in een buitenlandse valuta luidt, wordt de dit betalingsgedeelte bovendien gekoppeld aan een risicopositie in de desbetreffende valuta.
3.
Transacties met een lineair risicoprofiel waarbij een schuldinstrument als het onderliggende instrument fungeert, worden gekoppeld aan een rentetarief-risicopositie voor het schuldinstrument en aan een andere rentetarief-risicopositie voor het betalingsgedeelte.
4.
Indien het in het derde lid bedoelde onderliggende schuldinstrument in een buitenlandse valuta luidt, wordt het schuldinstrument gekoppeld aan een risicopositie in de desbetreffende valuta. Indien het betalingsgedeelte in een buitenlandse valuta luidt, wordt dit onverminderd het derde lid tevens aan een risicopositie in de desbetreffende valuta gekoppeld.
5.
Bij transacties met een lineair risicoprofiel die voorzien in de ruil van twee betalingen, wordt elk van beide betalingsgedeelten aan een rentetarief-risicopositie gekoppeld. Dit geldt ook voor valutatermijntransacties.
6.
Indien een betalingsgedeelte in een buitenlandse valuta luidt, wordt dat betalingsgedeelte tevens betrokken in de berekening van de eigen positie van de financiële onderneming in desbetreffende valuta volgens de Rsm 2011 .
7.
Aan de post die uit een valuta-basisswap voortvloeit, wordt een waarde van nul toegekend.
1.
Behalve voor schuldinstrumenten is de omvang van een risicopositie die voortvloeit uit een transactie met een lineair risicoprofiel gelijk aan de effectieve nominale waarde in Euro’s van de onderliggende financiële instrumenten, daaronder tevens begrepen grondstoffen.
2.
Voor schuldinstrumenten en betalingsgedeelten is de omvang van de risicopositie gelijk aan de effectieve nominale waarde in Euro’s van de uitstaande brutobetalingen (inclusief het nominale bedrag), vermenigvuldigd met de gewijzigde duur van het schuldinstrument respectievelijk het betalingsgedeelte.
3.
De omvang van een risicopositie die voortvloeit uit een credit default swap is de nominale waarde van het als referentie fungerende schuldinstrument vermenigvuldigd met de resterende looptijd van de credit default swap.
4.
De omvang van een risicopositie die voortvloeit uit een OTC-derivaat met een niet-lineair risicoprofiel (met inbegrip van opties en swaptions), is gelijk aan het delta-equivalent van de effectieve nominale waarde van het onderliggende financiële instrument van de transactie, behalve indien het gaat om een onderliggend schuldinstrument.
5.
De omvang van een risicopositie die voortvloeit uit een OTC-derivaat met een niet-lineair risicoprofiel (met inbegrip van opties en swaptions) waarvan de onderliggende waarde een schuldinstrument of een betalingsgedeelte is, is gelijk aan het delta-equivalent van de effectieve nominale waarde van het financiële instrument of aan het betalingsgedeelte vermenigvuldigd met de gewijzigde looptijd van het schuldinstrument respectievelijk het betalingsgedeelte.
Artikel 5:12
Voor de vaststelling van risicoposities worden de van een tegenpartij ontvangen zekerheden behandeld als een claim op die tegenpartij krachtens een derivatencontract (lange afwikkelingsduur) die op de dag van ontvangst vervalt, terwijl uitgegeven zekerheden behandeld worden als een verplichting aan de tegenpartij (kortlopende afwikkelingsduur), die op de dag van uitgifte vervalt.
Artikel 5:13
Een financiële onderneming kan de formule 2, bedoeld in bijlage 5B , gebruiken om de omvang en het teken van een risicopositie te bepalen.
Artikel 5:14
De risicoposities worden gegroepeerd in samenstellen van afdekkingsinstrumenten (hedging sets). Voor elke hedging set wordt de netto risicopositie, zijnde het absolute bedrag van de som van de resulterende risicoposities, berekend en weergegeven zoals bedoeld in formule 1 van bijlage 5B .
1.
Rentetarief-risicoposities die voortvloeien uit gelddeposito’s die van een tegenpartij als zekerheid uit betalingsgedeelten en onderliggende schuldinstrumenten zijn ontvangen en waarop volgens artikel 3:9, derde lid, onderdeel d, van de Rsm 2011 een solvabiliteitsvereiste van ten hoogste 1,6% van toepassing is, worden gegroepeerd in zes samenstellen van afdekkingsinstrumenten (hedging sets) voor elke valuta, zoals bedoeld in tabel 1 van bijlage 5B .
2.
Hedging sets worden gedefinieerd door middel van een combinatie van de criteria looptijd en referentierentetarieven.
3.
Voor rentetarief-risicoposities die voortvloeien uit onderliggende schuldinstrumenten of betalingsgedeelten en waarvan het rentetarief gekoppeld is aan een referentierentetarief dat een algemeen marktrenteniveau weerspiegelt, is de resterende looptijd gelijk aan de duur van het tijdsinterval tot de volgende aanpassing van het rentetarief. In alle overige gevallen is de resterende looptijd gelijk aan de resterende looptijd van het onderliggende schuldinstrument of, in het geval van een betalingsgedeelte, de resterende looptijd van de transactie.
4.
Er is één hedging set voor elke emittent die een referentieschuldinstrument uitgeeft, dat als onderliggende waarde van een credit default swap fungeert.
5.
Rentetarief-risicoposities die voortvloeien uit gelddeposito’s die bij een tegenpartij als zekerheid worden ondergebracht, worden voor elke emittent gegroepeerd in een hedging set, tenzij de tegenpartij schuldverplichtingen van een laag specifiek risico uit onderliggende schuldinstrumenten heeft waarop op grond van artikel 3:9, derde lid, onderdeel d, van de Rsm 2011 een solvabiliteitsvereiste van meer dan 1,6% van toepassing is. Wanneer een betalingsgedeelte is geënt op een schuldinstrument als bedoeld in de vorige volzin, is er eveneens één hedging set voor elke emittent van het referentieschuldinstrument.
6.
Risicoposities die voortvloeien uit schuldinstrumenten van een bepaalde emittent of uit referentieschuldinstrumenten van dezelfde emittent waarop betalingsgedeelten zijn geënt respectievelijk die als onderliggende waarde van een credit default swap fungeren, kunnen in dezelfde hedging set worden ondergebracht.
1.
Andere onderliggende financiële instrumenten dan schuldinstrumenten worden alleen in dezelfde respectieve samenstellen van afdekkingsinstrumenten (hedging sets) ondergebracht indien het identieke of vergelijkbare instrumenten betreft. In alle andere gevallen worden zij in afzonderlijke hedging sets ondergebracht.
2.
Vergelijkbare instrumenten als bedoeld in het eerste lid zijn, met betrekking tot:
a. aandelen: instrumenten die door dezelfde emittent zijn uitgegeven;
b. aandelenindexen: instrumenten die per index worden behandeld als ware zij uitgegeven door een afzonderlijke emittent;
c. edele metalen: instrumenten in hetzelfde metaal;
d. een index voor edele metalen: wordt als een afzonderlijk edel metaal behandeld;
e. elektrische energie: leveringsrechten en verplichtingen die verwijzen naar dezelfde piek- of dallaadtijdinterval binnen een periode van 24 uur;
f. grondstoffen: instrumenten in dezelfde grondstof; en
g. een grondstoffenindex: wordt als een afzonderlijke grondstof behandeld.
Artikel 5:17
De financiële onderneming past CCR-vermenigvuldigingsfactoren toe op de verschillende categorieën van samenstellen van afdekkingsinstrumenten (hedging sets) in overeenstemming met de in tabel 2 van bijlage 5B genoemde percentages.
1.
Indien de financiële onderneming bij transacties met een niet-lineair risicoprofiel geen delta of, indien schuldinstrumenten of betalingsgedeelten als onderliggende waarde fungeren, geen gewijzigde duur kan bepalen met behulp van een door DNB voor dat doel goedgekeurd model voor de bepaling van de minimumsolvabiliteitsvereisten voor het tegenpartijkredietrisico, worden de omvang van de risicoposities en de toe te passen CCRM’s op conservatieve wijze bepaald en toegepast na voorafgaande toestemming van DNB.
2.
In gevallen anders dan bedoeld in het eerste lid, kan DNB het gebruik van de methode bedoeld in afdeling 5.3 vereisen, met dien verstande dat de waarde van de positie wordt bepaald alsof er sprake is van een samenstel van verrekenbare transacties die uitsluitend de individuele transactie behelst.
Artikel 5:19
Een financiële onderneming beschikt over interne procedures om te verifiëren of een transactie valt onder een in rechte afdwingbare verrekeningsovereenkomst die aan de vereisten van afdeling 5.6 voldoet, voordat zij de desbetreffende transactie in het samenstel van afdekkingsinstrumenten (hedging set) opneemt.
Artikel 5:20
Een financiële onderneming die gebruik maakt van zekerheden om haar CCR te verminderen, beschikt over interne procedures om te verifiëren of een zekerheid aan de rechtszekerheidseisen van de artikelen 4:5, 4:30, 4:61 en 4:65 voldoet voordat zij het effect van de desbetreffende zekerheid in haar berekeningen in aanmerking neemt.
1.
Een financiële onderneming kan de interne modellenmethode uitsluitend toepassen indien zij aan de in deze afdeling bedoelde voorwaarden voldoet en indien zij daarvoor de voorafgaande toestemming van DNB heeft verkregen.
2.
De interne modellenmethode kan worden toegepast om de positiewaarde van de overeenkomsten bedoeld in artikel 5:3, onderdelen a tot en met d, te berekenen. De financiële onderneming kan in de berekening, bedoeld in de vorige volzin, ook de in artikel 5:3, onderdeel e, bedoelde transacties meenemen.
1.
In afwijking van artikel 5:2, eerste lid, kan een financiële onderneming besluiten de interne modellenmethode niet toe te passen op posten die qua omvang en risico niet materieel zijn.
2.
Op de niet-materiële posten bedoeld in het eerste lid, kan met voorafgaande toestemming van de Nederlandse Bank en in afwijking van artikel 5:2, vijfde lid, de interne modellenmethode door een afzonderlijke, juridisch-zelfstandige entiteit binnen een groep als bedoeld in artikel 24b van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, in combinatie met één van de methoden bedoeld in de afdelingen 5.3 en 5.5 worden toepast.
Artikel 5:23
Indien daarvoor de voorafgaande toestemming van DNB is verkregen, kan een financiële onderneming de interne modellenmethode gefaseerd op verschillende productcategorieën toepassen. Onverminderd het tweede lid van het vorige artikel, kan een financiële onderneming totdat deze gefaseerde uitrol gecompleteerd is, voor de berekening van haar overige positiewaarden gebruikmaken van de in afdeling 5.3 respectievelijk afdeling 5.5 bedoelde methode.
1.
Een financiële onderneming die toestemming heeft gekregen voor het gebruik van de interne modellenmethode, keert niet terug tot het gebruik van de in afdeling 5:3 respectievelijk afdeling 5:5 bedoelde methode, tenzij zij hiervoor de toestemming van DNB heeft verkregen.
2.
Indien een financiële onderneming niet langer voldoet aan de in deze afdeling bedoelde voorwaarden, dient zij bij DNB tijdig een herstelplan in, of toont zij aan dat de gevolgen van de niet-naleving te verwaarlozen zijn.
1.
Bij de toepassing van de interne modellenmethode wordt de positiewaarde, op het niveau van het samenstel van verrekenbare transacties, als volgt gemeten:
a. het model specificeert de prognoseverdeling voor veranderingen in de marktwaarde van het samenstel van verrekenbare transacties die toe te schrijven zijn aan veranderingen in marktvariabelen; en
b. vervolgens berekent het model de waarde van de uit het samenstel van verrekenbare transacties voortvloeiende post in het licht van de veranderingen in de marktvariabelen op elke datum in de toekomst.
2.
Voor de toepassing van het eerste lid, onderdeel a, kan de financiële onderneming een erkende financiële zekerheid als bedoeld in artikel 4:27 van deze regeling respectievelijk artikel 3:32 van de Rsm 2011, in haar specificatie van de prognoseverdeling opnemen, indien wordt voldaan aan de kwantitatieve, kwalitatieve en gegevensvereisten voor de interne modellenmethode voor wat betreft de zekerheid. Ingeval van tegenpartijen met margeverplichtingen kan ook met toekomstige overdrachten van zekerheden rekening worden houden.
3.
Na toepassing van het eerste en tweede lid, wordt de positiewaarde overeenkomstig bijlage 5C berekend als het product van alfa en de effectieve EPE.
Artikel 5:26
In afwijking van het derde lid van het vorige artikel, kan een financiële onderneming met voorafgaande toestemming van DNB in haar interne model eigen ramingen van ? hanteren, mits:
a. ? ten minste 1,2 bedraagt en gelijk is aan de verhouding tussen het economische kapitaal dat wordt verkregen na uitvoering van een volledige simulatie van tegenpartij-kredietrisico aan de hand van de posities op alle tegenpartijen (teller) en het op basis van de EPE berekende economische kapitaal (noemer);
b. het in de noemer opgenomen getal wordt bepaald alsof de EPE een vast uitstaand leningsbedrag betreft;
c. in de teller rekening wordt gehouden met materiële bronnen van stochastische afhankelijkheid na de verdeling van de marktwaarden van de transacties of van de portefeuilles van transacties over de tegenpartijen; en
d. rekening wordt gehouden met de granulariteit van de portefeuilles.
1.
Bij de toepassing van het vorige artikel, volgt een financiële onderneming in haar interne model een benadering die de teller en de noemer van ? op consequente wijze berekent wat de modelleringsmethode, de parameterspecificaties en de portefeuillesamenstelling betreft. Deze benadering berust op de door de financiële onderneming gevolgde interne benadering ten aanzien van het kapitaal, is goed gedocumenteerd en is tevens aan onafhankelijke validatie onderworpen.
2.
De validatie, bedoeld in het eerste lid, tweede volzin, vindt ten minste om de drie maanden plaats, en zoveel vaker als de in het eerste lid, eerste volzin, bedoelde samenstelling van de portefeuille varieert in de tijd. De validatie, bedoeld in het eerste lid, tweede volzin, omvat, ten behoeve van het prudentieel toezicht door DNB, tevens een evaluatie van het modelrisico.
3.
Voor zover van toepassing, worden de volatiliteiten en correlaties van de marktrisicofactoren die bij de gezamenlijke simulatie van het markt- en kredietrisico worden gebruikt, bepaald aan de hand van de kredietrisicofactor, zulks om de mogelijke toename van de volatiliteit of de correlatie in een economische baisse tot uiting te laten komen.
1.
Indien het samenstel van verrekenbare transacties aan een margeovereenkomst onderworpen is, maakt een financiële onderneming in haar interne model gebruik van één van de volgende EPE-metingen:
a. de effectieve EPE zonder met de margeovereenkomst rekening te houden; of
b. de in de margeovereenkomst vastgelegde EPE-drempel, mits deze positief is, vermeerderd met een opslagfactor die de potentiële stijging van de positie over de marge risicoperiode weerspiegelt.
2.
De opslagfactor, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, wordt berekend als de verwachte stijging over de marge risicoperiode van de uit het samenstel van verrekenbare transacties voortvloeiende positie, uitgaande van een actuele positie van nul. Bij het verrichten van deze berekening wordt een marge risicoperiode gehanteerd van:
a. ten minste vijf werkdagen voor samenstellen van verrekenbare transacties die slechts bestaan uit repo- of daarop gelijkende transacties en die onderworpen zijn aan dagelijkse bijkomende dekking en dagelijkse marktwaarde; of
b. tien werkdagen voor alle andere samenstellen van verrekenbare transacties dan bedoeld in onderdeel a.
3.
Indien de financiële onderneming in haar interne model bij de raming van EE met de gevolgen van margestortingen rekening houdt, kan zij met voorafgaande instemming van DNB de EE van het model direct in de tweede vergelijking van bijlage 5C gebruiken.
Artikel 5:29
Het interne EPE-model van een financiële onderneming voldoet aan de operationele vereisten, bedoeld in de paragrafen 5.6.7.a tot en met 5.6.7.e.
1.
De financiële onderneming heeft een controleafdeling die belast is met het ontwerpen en implementeren van haar CCR-beheersysteem, met inbegrip van de initiële en doorlopende validatie van haar interne model.
2.
De in het eerste lid bedoelde afdeling:
a. controleert de integriteit van de invoergegevens;
b. stelt analyses, en rapporten daarvan, op die betrekking hebben op de uitkomsten van het interne model en waarin in ieder geval de relatie tussen risicometingen en krediet- en transactielimieten wordt beoordeeld;
c. is onafhankelijk van de afdelingen die verantwoordelijk zijn voor de uitwerking, de vernieuwing en het verhandelen van vorderingen, staat niet bloot aan invloeden die haar onafhankelijkheid kunnen beïnvloeden en beschikt over voldoende en geschikt personeel; en
d. rapporteert rechtstreeks aan de hoogste leiding van de financiële onderneming.
3.
De financiële onderneming waarborgt dat de werkzaamheden van de in het eerste lid bedoelde afdeling in hoge mate in het dagelijkse kredietrisicobeheerproces van de financiële onderneming zijn geïntegreerd. Tevens waarborgt zij dat de output van deze werkzaamheden een geïntegreerd onderdeel vormt van het proces van de planning, bewaking en beheersing van haar krediet- en algemene risicoprofiel.
1.
De gedragslijnen, procedures en systemen van de financiële onderneming voor het CCR-beheer zijn conceptueel solide en worden op integere wijze toegepast.
2.
De gedragslijnen van de financiële onderneming op het gebied van het risicobeheer houden rekening met de markt, met de liquiditeit en met het juridische en operationele risico dat aan het CCR verbonden kan zijn.
3.
De financiële onderneming sluit geen transacties af met een tegenpartij zonder de kredietwaardigheid van deze partij te toetsen of zonder naar behoren rekening te houden met het afwikkelings- en pre-settlementkredietrisico. Deze risico’s worden zoveel mogelijk ondernemingsbreed en op het niveau van de tegenpartij beheerd, door vorderingen op een tegenpartij met andere kredietvorderingen op die partij te aggregeren.
1.
Het bestuur en het seniormanagement van de financiële onderneming zijn actief betrokken bij het CCR-beheersingsproces en stellen hiervoor voldoende personele en financiële middelen ter beschikking. De directie waarborgt de betrouwbaarheid van de uitkomsten van het interne model van de financiële onderneming, en:
a. is zich bewust van de beperkingen en aannames van het gebruikte model en van het mogelijke effect hiervan op de betrouwbaarheid van de uitkomsten;
b. houdt rekening met de onzekerheden gelieerd aan het marktklimaat en operationele risico’s; en
c. is op de hoogte van de wijze waarop de in de onderdelen a en b bedoelde informatie in het model zijn weerspiegeld.
2.
Voor de toepassing van het eerste lid worden de dagelijkse rapporten over de CCR-posities van de financiële onderneming beoordeeld door een management-echelon dat qua hiërarchie en bevoegdheden in staat is om een vermindering op te leggen van de door afzonderlijke kredietbeheerders of handelaren ingenomen posities respectievelijk van de totale CCR-positie van de financiële onderneming.
1.
Het CCR-beheersysteem van de financiële onderneming wordt gehanteerd in combinatie met de krediet- en transactielimieten, die in het interne model zijn opgenomen. De financiële onderneming waarborgt dat de krediet- en transactielimieten consistent in de tijd zijn en goed door kredietbeheerders, handelaren en de directie worden begrepen.
2.
De CCR-meting van de financiële onderneming behelst:
a. de meting van het dagelijkse gebruik van kredietlijnen inclusief de meting van het gebruik van kredietlijnen gedurende de loop van de dag, en
b. de meting van de actuele positie van de financiële onderneming zowel met in aanmerkingneming van gestelde zekerheden als de meting zonder in aanmerkingneming van gestelde zekerheden.
3.
Op het niveau van de portefeuille en de tegenpartij berekent en bewaakt de financiële onderneming de maximumpositie respectievelijk de potentiële toekomstige positie voor het door haar gekozen betrouwbaarheidsinterval. De financiële onderneming houdt rekening met grote en geconcentreerde posities, daaronder in ieder geval begrepen posities die naar groep kunnen worden gecategoriseerd.
1.
Ter aanvulling van de CCR-analyse beschikt de financiële onderneming over een ordelijk en strikt programma van stresstests, dat gebaseerd is op de dagelijkse uitkomsten van haar interne risicometingsmodel.
2.
De resultaten van de in het eerste lid bedoelde stresstests worden periodiek beoordeeld door de directie en worden verwerkt in de in artikel 5:31 bedoelde gedragslijnen en de in het vorige artikel bedoelde limieten. Wanneer uit de stresstests blijkt dat er sprake is van bijzondere kwetsbaarheid voor een bepaalde samenloop van omstandigheden, neemt de financiële onderneming terstond maatregelen om deze risico’s op passende wijze te beheersen.
1.
De financiële onderneming beschikt over een procedure voor de naleving van een schriftelijk vastgelegde reeks van interne gedragslijnen, controlevoorschriften en procedures die betrekking hebben op de werking van het CCR-beheersingssysteem.
2.
Het CCR-beheersingssysteem van de financiële onderneming is goed gedocumenteerd en voorziet in een beschrijving van de empirische technieken die voor de meting van het CCR worden gehanteerd.
1.
Als onderdeel van het interne-controleproces laat de financiële onderneming periodiek een onafhankelijk onderzoek naar het CCR-beheersingssysteem uitvoeren, dat betrekking heeft op de activiteiten van zowel de zakelijke afdeling, bedoeld in artikel 5:51, derde lid, als de onafhankelijke controleafdeling, bedoeld in artikel 5:30, eerste lid.
2.
Het complete CCR-beheersingsproces wordt periodiek onderworpen aan een onderzoek, dat ten minste betrekking heeft op:
a. de toereikendheid van de documentatie over het CCR-beheersingssysteem en -proces;
b. de organisatie van de afdeling CCR-beheersing;
c. de integratie van de CCR-metingen in het dagelijkse risicobeheer;
d. het proces voor de fiattering van risicowaarderingsmodellen en waarderingssystemen die door het personeel in back en front office-afdelingen worden gebruikt;
e. de validatie van significante wijzigingen in het CCR-metingsproces;
f. de omvang van de CCR’s die in het risicometingsmodel verwerkt zijn;
g. de deugdelijkheid van het systeem voor informatie van het management;
h. de nauwkeurigheid en volledigheid van CCR-gegevens;
i. de verificatie van de consistentie, tijdigheid en betrouwbaarheid van de gegevensbronnen die voor de interne modellen worden gebruikt, evenals van de onafhankelijkheid van deze gegevensbronnen;
j. de nauwkeurigheid en correctheid van de aannames in zake volatiliteit en correlatie;
k. de nauwkeurigheid van de waarderings- en risicotransformatieberekeningen;
l. de verificatie of het model accuraat is door veelvuldige tests achteraf uit te voeren.
1.
De financiële onderneming hanteert een model waaruit een verdeling van de CCR-posities resulteert om de effectieve EPE te berekenen, en waarborgt dat dit model deel uitmaakt van een CCR-beheersingskader dat de vaststelling, de meting, het beheer, de goedkeuring en de interne rapportage van het CCR omvat. Dit beheerskader behelst tevens de meting van het gebruik van kredietlijnen in het kader van de aggregatie van CCR-vorderingen met andere kredietvorderingen en de allocatie van economisch kapitaal.
2.
De financiële onderneming integreert de verdeling van de posities die resulteert uit het in het eerste lid bedoelde model, in hoge mate in haar dagelijkse CCR-beheersingsproces. De financiële onderneming kent een essentiële rol aan deze positie-uitkomsten toe in haar beleid met betrekking tot kredietacceptatie, CCR-beheersing, interne allocatie van kapitaal en corporate governance.
3.
Voor de toepassing van de vorige leden, toont de financiële onderneming – voordat zij de aanvraag tot het gebruik van het in het eerste lid bedoelde model bij DNB indient – aan DNB aan dat zij gedurende tenminste één jaar ervaring heeft met het gebruik van modellen waaruit een verdeling van CCR-posities resulteert. Daarbij toont zij tevens aan dat deze modellen in grote lijnen aan de minimumvereisten van deze paragraaf voldoen.
1.
Behalve de verwachte positieve positie (EPE), meet en beheert de financiële onderneming ook actuele posities. Indien nodig, meet de financiële onderneming de actuele positie met en zonder in aanmerkingneming van gestelde zekerheden.
2.
Aan de gebruikstest is voldaan indien de financiële onderneming gebruik maakt van andere CCR-metingen, zoals de maximumpositie of de potentiële toekomstige positie (potential future exposure – PFE) op basis van de verdeling van de posities welke resulteert uit hetzelfde model voor de berekening van de EPE.
3.
De financiële onderneming is in staat de EE dagelijks te ramen, tenzij zij aan DNB kan aantonen dat haar CCR-posities een minder frequente berekening rechtvaardigen. Zij berekent de EE langs het tijdsprofiel van prognosehorizonten waarin adequaat de tijdsstructuur van de toekomstige kasstromen en de looptijd van de contracten tot uiting komen, en op een wijze die consistent is met het belang en de samenstelling van de positie.
1.
Een positie wordt niet alleen over een tijdshorizon van een jaar gemeten, bewaakt en beheerst, maar over de duur van alle contracten van het samenstel van verrekenbare transacties.
2.
Indien de looptijd van de positie de tijdshorizon van een jaar overtreft, beschikt de financiële onderneming over procedures voor het onderkennen en beheersen van de daaruit voortvloeiende tegenpartijrisico’s.
3.
De uit de meting, bedoeld in het vorige artikel, voorspelde toename van de positie is een invoergegeven in het door de financiële onderneming gebruikte interne model voor economisch kapitaal.
1.
De financiële onderneming beschikt over deugdelijke procedures voor het verrichten van stresstests bij de beoordeling van de CCR-kapitaaltoereikendheid.
2.
De uitkomsten van de in het eerste lid bedoelde stresstests worden vergeleken met de EPE-meting, en worden door de financiële onderneming betrokken in de in artikel 24a van het Besluit bedoelde risicobeoordelings-, meet- en controleprocedures.
3.
Bij het verrichten van de in het eerste lid bedoelde stresstests beoordeelt de financiële onderneming tevens welke mogelijke gebeurtenissen of toekomstige veranderingen in economische omstandigheden ongunstige gevolgen kunnen hebben voor haar kredietvorderingen en in hoeverre zij daartegen bestand is.
1.
De in het vorige artikel bedoelde stresstests hebben betrekking op de CCR-posities van een financiële onderneming en slaan tegelijk op markt- en kredietrisicofactoren. In de stresstests met betrekking tot het tegenpartijrisico wordt rekening gehouden met het concentratierisico, ten aanzien van zowel een enkele tegenpartij als ten aanzien van groepen van tegenpartijen), het correlatierisico tussen markt- en kredietrisico en het risico dat de liquidatie van de posities op de tegenpartij een marktbeweging kan veroorzaken.
2.
Bij het verrichten van de stresstests, bedoeld in het eerste lid, houdt de financiële onderneming ook rekening met het effect van marktbewegingen als bedoeld in het eerste lid, tweede volzin, op haar eigen posities. Zij neemt dat effect mee in de beoordeling van het tegenpartijrisico.
1.
De financiële onderneming houdt terdege rekening met posities die aanleiding geven tot het ontstaan van een significante mate van een algemeen wrong-way risico.
2.
De financiële onderneming beschikt over procedures om gevallen van specifiek wrong-way risico te onderkennen, te bewaken en te beheersen vanaf de precontractuele fase van een transactie tot aan de definitieve afwikkeling van de transactie.
1.
Het interne model van de financiële onderneming weerspiegelt de voorwaarden en specificaties van een transactie op passende, volledige en prudente wijze.
2.
De in het eerste lid bedoelde voorwaarden en -specificaties bevatten in ieder geval gegevens over de:
a. contractuele nominale bedragen,
b. looptijd,
c. referentieactiva,
d. aard van de transactie, ingeval de transactie een margeovereenkomst of een verrekeningsovereenkomst betreft.
3.
De transactievoorwaarden en transactiespecificaties worden onder verantwoordelijkheid van de onafhankelijke controle-afdeling, bedoeld in artikel 5:30, eerste lid, ingevoerd en opgeslagen in een beveiligde gegevensbank. Zowel deze opslag als de transmissie van gegevens over deze voorwaarden en specificaties is onderworpen aan een formele en periodieke interne audit.
4.
De invoer in de gegevensbank behoeft de voorafgaande goedkeuring van een juridische deskundige, in het bijzonder wat betreft de kwalificatie van de transactie als een verrekeningsovereenkomst.
5.
De financiële onderneming hanteert formele afstemmingsprocessen tussen het interne model en de gegevensbank om continue te verifiëren of de transactievoorwaarden en -specificaties op correcte of ten minste prudente wijze in de EPE worden weerspiegeld.
1.
Het interne model maakt gebruik van actuele marktgegevens om actuele posities te berekenen.
2.
Wanneer een financiële onderneming gebruik maakt van historische gegevens om de volatiliteit en de correlaties te ramen, hebben deze gegevens betrekking op een periode van ten minste drie jaar. Deze gegevens worden elk kwartaal geactualiseerd en zoveel vaker als de marktomstandigheden daartoe aanleiding geven.
3.
De in het tweede lid bedoelde gegevens bestrijken het gehele spectrum van economische omstandigheden. De door de desbetreffende zakelijke afdeling verstrekte prijs wordt gevalideerd door een, van de zakelijke afdeling onafhankelijke, afdeling.
4.
De in het tweede lid bedoelde gegevens worden onafhankelijk van de business lines verkregen, tijdig en volledig in het model ingevoerd en bewaard in een beveiligde gegevensbank die aan een formele en periodieke audit onderworpen is. Tevens voorziet de financiële onderneming in een goed ontwikkelde procedure voor de correctie van fouten of anomalieën als waarborg van de integriteit van de in het tweede lid bedoelde gegevens.
5.
In afwijking van het tweede lid, kan de financiële onderneming ook wanneer geen historische gegevens van ten minste drie jaar beschikbaar zijn, van vervangende marktgegevens gebruikmaken, indien:
a. zij in haar interne gedragslijnen aangeeft welke gegevens als geschikte vervangende marktgegevens worden aangemerkt; en
b. zij op empirische wijze aantoont dat de vervangende marktgegevens een prudent beeld geven van het onderliggende risico onder ongunstige marktomstandigheden.
6.
Voor het bepalen van het effect van een zekerheid op de veranderingen van de marktwaarde van het samenstel van verrekenbare transacties baseert, de financiële onderneming zich uitsluitend op haar interne model indien zij over genoeg historische gegevens beschikt om de volatiliteit van de zekerheid in dat model te vatten.
1.
Het model is onderworpen aan een intern validatieproces.
2.
Het validatieproces wordt duidelijk omschreven in de gedragslijnen en procedures van de financiële onderneming en omvat in ieder geval een specificatie van de noodzakelijke tests om de deugdelijkheid van het interne model te waarborgen. Tevens omvat het validatieproces een aanduiding van de omstandigheden die tot afwijkingen van de aannames leiden en zodoende in een onderschatting van de EPE kunnen resulteren.
3.
Voor de toepassing van het eerste lid, wordt in het kader van het validatieproces in ieder geval nagegaan of het interne model het tegenpartij-kredietrisico in voldoende mate bestrijkt.
Artikel 5:46
De financiële onderneming bewaakt het in het derde lid van het vorige artikel bedoelde modelrisico en beschikt over procedures om haar EPE-raming aan te passen wanneer dit risico significant wordt. De toepassing van de vorige volzin houdt tenminste in dat:
a. de financiële onderneming haar specifieke wrong-way risks onderkent en beheerst;
b. de financiële onderneming in geval van posities met een stijgend risicoprofiel na een jaar de EPE-raming over dat jaar vergelijkt met de EPE over de looptijd van positie;
c. de financiële onderneming regelmatig de vervangingskosten (actuele positie) en het gerealiseerde positieprofiel vergelijkt, waarbij zij de gegevens die een dergelijke vergelijking mogelijk maken opslaat, ingeval van posities met een restlooptijd van minder dan een jaar.
Artikel 5:47
Een financiële onderneming beschikt over interne procedures om te verifiëren of een transactie valt onder een in rechte afdwingbare verrekeningsovereenkomst die aan de toepasselijke vereisten van afdeling 5.7 voldoet voordat zij de desbetreffende transactie in een samenstel van verrekenbare transacties opneemt.
Artikel 5:48
Een financiële onderneming die gebruik maakt van zekerheden om haar tegenpartij-kredietrisico te verminderen, beschikt over interne procedures om te verifiëren of een zekerheid aan de rechtszekerheidseisen van hoofdstuk 4 voldoet voordat zij het effect van de desbetreffende zekerheid in haar berekeningen meeneemt.
1.
Een financiële onderneming waarborgt dat haar EPE-model, onverminderd de volgende leden van dit artikel, in ieder geval aan de kwalitatieve validatievereisten van de artikelen 4:3, 4:4 en 4:6 van de Rsm 2011 voldoet.
2.
Onverminderd het eerste lid, worden rentetarieven, wisselkoersen, aandelenkoersen, grondstoffen en andere marktrisicofactoren over lange tijdshorizonten geprognosticeerd voor de meting van het tegenpartijrisico. De resultaten van het prognosemodel voor de marktrisicofactoren worden over een lange tijdshorizon gevalideerd.
3.
Onverminderd het eerste lid, worden de prijsmodellen voor de berekening van de vordering op een tegenpartij op basis van een scenario waarin marktrisicofactoren toekomstige schokken ondergaan, getest in het kader van het validatieproces, bedoeld in artikel 5:45. Voor de toepassing van de vorige volzin, wordt in prijsmodellen voor opties rekening gehouden met de niet-lineariteit van de optiewaarde ten opzichte van marktrisicofactoren.
1.
Het EPE-model bevat transactiespecifieke informatie om posities te kunnen aggregeren op het niveau van het samenstel van verrekenbare transacties. De financiële onderneming verifieert of deze posities binnen haar interne model in het juiste samenstel van verrekenbare transacties zijn ondergebracht.
2.
Het EPE-model bevat ook de volgende transactiespecifieke informatie om het risicoverminderende effect van margeovereenkomsten in aanmerking te kunnen nemen:
a. het actuele bedrag van de marge;
b. de toekomstige margestortingen tussen tegenpartijen;
c. de aard van de margeovereenkomsten (unilateraal of bilateraal);
d. de frequentie van de margevorderingen;
e. de marge risicoperiode;
f. de minimumomvang van een niet door margestortingen gedekte positie die de financiële onderneming bereid is te accepteren; en
g. het minimumbedrag van de overdracht.
3.
Het EPE-model modelleert de verandering in de marktwaarde van de als zekerheden gestelde margeovereenkomsten, bedoeld in het tweede lid, tenzij op deze overeenkomsten reeds hoofdstuk 4 wordt toegepast.
1.
In het kader van het in artikel 5:45 bedoelde validatieproces worden statisch-historische tests achteraf uitgevoerd op basis van representatieve tegenpartijportefeuilles. De financiële onderneming verricht deze tests achteraf op een aantal feitelijke respectievelijk hypothetische en regelmatige representatieve tegenpartijportefeuilles. Deze representatieve portefeuilles worden gekozen op grond van hun gevoeligheid voor de wezenlijke risicofactoren en -correlaties waaraan de financiële onderneming is blootgesteld.
2.
Indien bij de tests achteraf blijkt dat het interne model niet accuraat genoeg is, kan DNB de modelgoedkeuring intrekken of passende maatregelen opleggen om te waarborgen dat het model onmiddellijk wordt verbeterd. Op grond van de artikelen 23 , 23a , 23d en 23e van het Besluit , kan DNB tevens eisen dat voldoende eigen vermogen wordt aangehouden.
1.
Voor de toepassing van deze afdeling wordt verstaan onder:
a. tegenpartij : elke persoon die of lichaam dat handelingsbevoegd is een overeenkomst inzake contractuele verrekening met een financiële onderneming te sluiten; en
b. productoverschrijdende verrekeningsovereenkomst : een schriftelijke (koepel)overeenkomst tussen één financiële onderneming en één tegenpartij waarbij een wederzijdse juridische verbintenis tot stand komt betreffende de verrekening van verschillende productcategorieën uit meerdere, tussen de partijen geldende, raamovereenkomsten en andere transacties.
2.
Productoverschrijdende verrekeningsovereenkomsten komen uitsluitend voor wederzijdse verrekening in aanmerking.
Artikel 5:53
Met het oog op productoverschrijdende verrekening worden de producten uit de volgende transacties en overeenkomsten geacht tot verschillende productcategorieën te behoren:
a. retrocessietransacties, omgekeerde retrocessietransacties, grondstoffen en effectenleentransacties
b. margin lending transacties; en
c. de afgeleide financiële instrumenten, bedoeld in bijlage B bij het Besluit .
1.
Uitsluitend de volgende vormen van contractuele verrekening kunnen als risicoverminderend in aanmerking worden genomen:
a. tweezijdige schuldvernieuwingscontracten tussen één financiële onderneming en één tegenpartij, krachtens welke wederzijdse vorderingen en verplichtingen continue automatisch worden verrekend, zodat continue één netto-bedrag resteert en één nieuw contract ontstaat dat in de plaats van de vroegere contracten treedt;
b. tweezijdige verrekeningsovereenkomsten tussen één financiële onderneming en één tegenpartij; en
c. productoverschrijdende verrekeningsovereenkomsten tussen één tegenpartij en één financiële onderneming, mits de financiële onderneming van DNB toestemming heeft gekregen voor het gebruik van de in afdeling 5.6 bedoelde interne modellenmethode, en de overeenkomst onder het bereik van die methode valt.
2.
Onderlinge verrekeningstransacties tussen leden van een groep als bedoeld in artikel 24b van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek komen niet voor risicovermindering op grond van het eerste lid in aanmerking.
1.
Contractuele verrekening kan slechts onder de in de volgende leden bedoelde voorwaarden als risicoverminderend in aanmerking worden genomen.
2.
De financiële onderneming heeft een overeenkomst inzake contractuele verrekening met haar tegenpartij, waaruit één enkele juridische verplichting ontstaat die alle onder die overeenkomst vallende transacties bestrijkt, zodat als een tegenpartij ingevolge een faillissement, het in gebreke blijven of een liquidatie, respectievelijk andere soortgelijke omstandigheden niet aan haar verplichtingen voldoet, de financiële onderneming slechts één vordering tot ontvangst of een verplichting tot betaling heeft van het nettobedrag van de tegen marktwaarde gewaardeerde positieve en negatieve waarden van de afzonderlijke onder de overeenkomst vallende transacties.
3.
De financiële onderneming toont aan de hand van schriftelijke stukken aan DNB aan dat de overeenkomst – volgens de regels van het krachtens het internationaal privaatrecht aangewezen toepasselijke recht – aan het tweede lid voldoet. Indien het toepasselijke recht het Nederlandse recht is, wordt dit aangetoond door middel van bewijsstukken als bedoeld in afdeling 9 van Titel 2 van Boek 1 van het Wetboek van Burgerlijke rechtsvordering.
4.
Voor de toepassing van het derde lid, beschikt de financiële onderneming over procedures die garanderen dat de rechtsgeldigheid van de door haar verrichte contractuele verrekening voortdurend getoetst wordt aan eventuele wijzigingen in het toepasselijke recht, en bewaart zij de in het derde lid bedoelde bewijsstukken.
1.
De effecten van de contractuele verrekening worden door de financiële onderneming in haar raming van de totale kredietrisicoposities van elke tegenpartij als factor meegewogen. De financiële onderneming beheert haar tegenpartijkredietrisico op de basis van de uitkomsten van de in de eerste volzin bedoelde raming.
2.
Het voor verschillende transacties afzonderlijk vastgestelde kredietrisico met betrekking tot een tegenpartij wordt voor elke tegenpartij samengevoegd tot een totaalrisico over alle transacties per tegenpartij. Deze optelling wordt als factor meegewogen in de procedures betreffende kredietlimieten en het interne kapitaal.
Artikel 5:57
Overeenkomsten die een beding bevatten op grond waarvan een niet in gebreke zijnde tegenpartij de bevoegdheid heeft om slechts beperkte betalingen of in het geheel geen betalingen aan de boedel van de in gebreke zijnde partij te doen, zelfs wanneer laatstgenoemde partij een netto crediteur is, worden niet als risicoverminderend in aanmerking genomen.
Artikel 5:58
Onverminderd de artikelen 5:52 tot en met 5:57, worden productoverschrijdende verrekeningsovereenkomsten alleen voor risicovermindering in aanmerking genomen, indien:
a. het in artikel 5:55, tweede lid, bedoelde nettobedrag het nettobedrag is van de positieve en negatieve uitverkoopwaarden (close out values) van de afzonderlijke tweezijdige raamovereenkomsten en van de tegen marktwaarde gewaardeerde positieve en negatieve waarden van de afzonderlijke andere transacties, voor zover de betreffende verrekeningsovereenkomst deze overeenkomsten en transacties bestrijkt;
b. de in artikel 5:55, derde lid, bedoelde schriftelijke stukken de geldigheid en juridische afdwingbaarheid van de gehele contractuele productoverschrijdende verrekeningsovereenkomst evenals het effect van de verrekening op de kernbedingen van een eventueel opgenomen bilaterale raamovereenkomst behelzen;
c. de in artikel 5:55, vierde lid, bedoelde procedures worden gedekt door een juridisch advies; en
d. de financiële onderneming de vereisten voor de erkenning van tweezijdige verrekening en de vereisten voor de erkenning van kredietrisicovermindering van hoofdstuk 4, met betrekking tot elke opgenomen afzonderlijke bilaterale raamovereenkomst en transactie, voor zover van toepassing, blijft naleven.
Artikel 5:59
Onverminderd de afdelingen 5.5 en 5.6 wordt netting uitsluitend erkend indien aan de voorwaarden van deze paragraaf wordt voldaan.
Artikel 5:60
Onverminderd de bepalingen van deze afdeling, wordt met het oog op de toepassing van de afdelingen 5.5 en 5.6 netting erkend op de manier zoals in laatstgenoemde afdelingen omschreven.
Artikel 5:61
In geval van schuldvernieuwingscontracten kan de financiële onderneming in plaats van de betreffende brutobedragen de netto bedragen wegen. Op deze wijze kunnen bij toepassing van afdeling 5:3:
a. bij artikel 5:6, tweede lid: de actuele vervangingswaarde; en
b. bij artikel 5:6, derde lid: de theoretische hoofdsommen of de onderliggende waarden worden berekend met inachtneming van het schuldvernieuwingscontract.
Artikel 5:62
Bij toepassing van afdeling 5:4 kan voor de toepassing van artikel 5:7, eerste lid, de theoretische hoofdsom worden berekend met inachtneming van het schuldvernieuwingscontract. De percentages van tabel 1 van artikel 5:7 zijn van toepassing.
1.
Voor de toepassing van artikel 5:6 kan de actuele vervangingswaarde voor contracten die onder een verrekeningsovereenkomst vallen, worden berekend door de actuele hypothetische netto vervangingswaarde die uit de overeenkomst resulteert in aanmerking te nemen. Indien deze verrekening ertoe leidt dat de financiële onderneming die de netto vervangingswaarde berekent, een netto betalingsverplichting heeft, wordt de actuele vervangingswaarde, bedoeld in artikel 5:6, tweede lid, op nul gesteld.
2.
Voor de toepassing van artikel 5:6, kan het bedrag van de potentiële toekomstige kredietpositie, voor alle contracten die onder een verrekeningsovereenkomst vallen, worden verlaagd volgens de volgende vergelijking: PKRverlaagd = 0,4 * PKRbruto + 0,6 * NBR * PKRbruto, waarbij:
a. onder PKRverlaagd wordt verstaan: het verlaagde bedrag van de potentiële toekomstige kredietpositie van alle contracten met eenzelfde tegenpartij die onder een rechtsgeldige bilaterale verrekeningsovereenkomst vallen;
b. onder PKRbruto wordt verstaan: de som van de bedragen van de potentiële toekomstige kredietposities van alle contracten met eenzelfde tegenpartij die onder een rechtsgeldige bilaterale verrekeningsovereenkomst vallen en worden berekend door de theoretische hoofdsommen ervan te vermenigvuldigen met de in tabel 1 vermelde percentages; en
c. onder NBR wordt verstaan: de netto/bruto-ratio.
3.
De in het vorige lid, onderdeel c, bedoelde netto/bruto-ratio kan afzonderlijk respectievelijk geaggregeerd berekend worden. Bij de afzonderlijke berekening wordt het quotiënt berekend van de nettovervangingswaarde van alle contracten die onder één rechtsgeldige bilaterale verrekeningsovereenkomst met één bepaalde tegenpartij vallen (teller), en de brutovervangingswaarde van alle contracten die onder een rechtsgeldige bilaterale verrekeningsovereenkomst met dezelfde tegenpartij vallen (noemer). Bij de geaggregeerde berekening wordt het quotiënt berekend van de som van de op bilaterale basis berekende nettovervangingswaarde met betrekking tot alle tegenpartijen, rekening houdend met alle contracten die onder rechtsgeldige verrekeningsovereenkomsten vallen (teller), en de brutovervangingswaarde van alle contracten die onder rechtsgeldige verrekeningsovereenkomsten vallen (noemer).
1.
De keuze van een financiële onderneming voor één van de in het derde lid van het vorige artikel bedoelde methoden voor de berekening van de netto/bruto-ratio, wordt consistent toegepast.
2.
Voor de berekening van de potentiële toekomstige kredietpositie volgens de in het tweede lid van het vorige artikel bedoelde vergelijking, kunnen onder de verrekeningsovereenkomst vallende perfect matchende contracten worden beschouwd als één enkel contract waarvan de theoretische hoofdsom gelijk is aan de netto opbrengsten.
3.
Onder perfect matchende contracten als bedoeld in het vorige lid wordt verstaan: valutatermijncontracten of soortgelijke contracten waarvan de theoretische hoofdsom gelijk is aan de kasstromen, indien de kasstromen op dezelfde datum vervallen en geheel of gedeeltelijk in dezelfde valuta luiden.
1.
Bij toepassing van artikel 5:7, eerste lid, kunnen de volgende onder een verrekeningsovereenkomst vallende contracten als volgt worden behandeld:
a. onder de verrekeningsovereenkomst vallende perfect matchende contraten worden beschouwd als één enkel contract waarvan de theoretische hoofdsom gelijk is aan de netto-opbrengsten; de theoretische hoofdsommen worden vermenigvuldigd met de van toepassing zijnde percentages van tabel 1, behorend bij artikel 5:7, eerste lid.
b. voor alle overige contracten die onder een verrekeningsovereenkomst vallen, kunnen de toe te passen percentages worden verlaagd overeenkomstig onderstaande tabel 2: Tabel 2
Oorspronkelijke looptijd Rentecontracten Valutacontracten
Eén jaar of korter 0,35% 1,50%
Langer dan één jaar doch niet langer dan twee jaar 0,75% 3,75%
Verhoging voor ieder jaar extra 0,75% 2,25%
2.
Bij toepassing van tabel 2 kan een financiële onderneming na toestemming van DNB, voor de oorspronkelijke of voor de resterende looptijd kiezen.