Rechtenmedia.nl - Juridische Online Uitgeverij  Rechtennieuws.nl | Jure.nl | Maxius.nl | Parlis.nl | Rechtenforum.nl | JBmatch.nl | MijnWetten.nl | AdvocatenZoeken.nl | Rechtentotaal.nl
Regeling hybride instrumenten banken en andere financiële ondernemingen (exclusief verzekeraars) Wft 2010
Bwb-id:
Officiele titel:
Citeertitel:
Soort regeling:
Wetsfamilies:
Eerst verantwoordelijk ministerie:

Geldigheidsdatum:
Ingangsdatum:
Inhoudsopgave
+ Hoofdstuk 1. Definities en toepassingsbereik
+ Hoofdstuk 2. Gelijkstelling van hybride instrumenten met kernkapitaal
+ Hoofdstuk 3. Gelijkstelling van hybride instrumenten met hoger dan wel lager aanvullend kapitaal
+ Hoofdstuk 4. Procedurele bepalingen
+ Hoofdstuk 5. Overgangsbepalingen
+ Hoofdstuk 6. Slotbepalingen
Vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature

Juridisch advies nodig?
Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag
Geschiedenis

Geschiedenis-overzicht
Let op. Deze wet is vervallen op 1 januari 2014. U leest nu de tekst die gold op -.

Regeling hybride instrumenten banken en andere financiële ondernemingen (exclusief verzekeraars) Wft 2010

Regeling van De Nederlandsche Bank N.V. van 26 oktober 2010 tot vaststelling van de voorwaarden waaronder hybride instrumenten gelijk kunnen worden gesteld met vermogensbestanddelen als bedoeld in de artikelen 90 tot en met 94 van het Besluit prudentiële regels Wft (Regeling hybride instrumenten banken en andere financiële ondernemingen (exclusief verzekeraars) Wft 2010)
De Nederlandsche Bank N.V.,
Na raadpleging van de betrokken representatieve organisaties;
Gelet op artikel 1:28, tweede lid, van de Wet op het financieel toezicht;
Gelet op artikel 89, tweede lid, onderdeel a, en de artikelen 90 tot en met 94 van het Besluit prudentiële regels Wft;
Gelet op Richtlijn nr. 2009/111/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 september 2009 tot wijziging van de Richtlijnen 2006/48/EG, 2006/49/EG en 2007/64/EG wat betreft banken die zijn aangesloten bij centrale instellingen, bepaalde eigenvermogensbestanddelen, grote posities, het toezichtkader en het crisisbeheer (PbEU L 302);
Besluit:
Artikel 1:1
In deze regeling wordt verstaan onder:
a. Besluit: Besluit prudentiële regels Wft ;
b. DNB: De Nederlandsche Bank N.V.;
c. financiële onderneming: een financiële onderneming als bedoeld in artikel 90 van het Besluit;
d. hybride instrument: een financieel instrument dat vanwege zijn kenmerken kan worden gelijkgesteld met een vermogensbestanddeel, als bedoeld in artikel 89, tweede lid, onderdeel a, van het Besluit, in samenhang met de artikelen 90 tot en met 94 van het Besluit;
e. directe uitgifte: de uitgifte van een hybride instrument door een financiële onderneming die dat hybride instrument als een van de vermogensbestanddelen, bedoeld in de artikelen 90 tot en met 94 van het Besluit, in aanmerking neemt of zal nemen; en
f. indirecte uitgifte: de uitgifte van een hybride instrument door een andere entiteit dan een financiële onderneming die dat hybride instrument als een van de vermogensbestanddelen, bedoeld in de artikelen 90 tot en met 94 van het Besluit, in aanmerking neemt of zal nemen, mits die financiële onderneming en de uitgevende entiteit onderdeel zijn van dezelfde groep in de zin van artikel 24b van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek.
1.
Deze regeling is van toepassing op banken, beheerders van instellingen voor collectieve belegging in effecten, beleggingsondernemingen, clearinginstellingen of elektronischgeldinstellingen, in de zin van artikel 90 van het Besluit.
2.
Deze regeling is niet van toepassing op verzekeraars, in de zin van artikel 95, eerste lid, van het Besluit.
Artikel 2:1
Voor de berekening van het kernkapitaal als bedoeld in artikel 91, eerste lid, van het Besluit kunnen hybride instrumenten die hetzij direct, hetzij indirect zijn uitgegeven door een financiële onderneming, worden gelijkgesteld met vermogensbestanddelen als bedoeld in artikel 91, tweede lid, van het Besluit, mits wordt voldaan aan de procedurele bepalingen van hoofdstuk 4.
Artikel 3:1
Hybride instrumenten die voldoen aan het bepaalde in hoofdstuk 2 en die uitsluitend als gevolg van het overschrijden van de toepasselijke limieten niet als vermogensbestanddelen als bedoeld in artikel 91, tweede lid, van het Besluit in aanmerking kunnen worden genomen, komen in aanmerking als vermogensbestanddelen, als bedoeld in artikel 92, tweede lid, van het Besluit.
Artikel 3:2
Hybride instrumenten waaraan een calloptie of een renteopstap is verbonden, kunnen voor de berekening van het hoger aanvullend kapitaal (upper tier 2) uitsluitend worden gelijkgesteld met vermogensbestanddelen als bedoeld in artikel 92, tweede lid, van het Besluit, indien:
a. in het geval van een calloptie: deze calloptie voldoet aan het bepaalde in artikel 3:3;
b. in het geval van een renteopstap: deze renteopstap voldoet aan het bepaalde in artikel 3:4.
1.
Een calloptie is slechts uitoefenbaar op initiatief van de financiële onderneming, nadat een periode van ten minste vijf jaar is verstreken, gerekend vanaf de uitgiftedatum en na verkregen toestemming van DNB.
2.
De toestemming van DNB, bedoeld in het eerste lid, wordt uitsluitend verleend indien na de uitoefening van de calloptie vervangend kapitaal, bestaande uit een ander financieel instrument van gelijke of hogere kwaliteit, aanwezig is respectievelijk onverwijld beschikbaar komt.
3.
In afwijking van het tweede lid kan DNB de toestemming verlenen zonder dat kwalificerend vervangend kapitaal aanwezig is of onverwijld beschikbaar komt, indien DNB van oordeel is dat de omvang van het resterende vermogen van waaruit het hybride instrument bij uitoefening van de calloptie wordt onttrokken, op prudente afstand blijft boven de minimumomvang van het toetsingsvermogen, bedoeld in de artikelen 60, 63 en 64 van het Besluit ligt.
1.
Van een recht van renteopstap kan slechts eenmaal gedurende de looptijd van het hybride instrument gebruik worden gemaakt.
2.
Van een renteopstap kan niet eerder gebruik worden gemaakt dan nadat een periode van ten minste tien jaren is verstreken, gerekend vanaf de uitgiftedatum.
3.
Een renteopstap bedraagt ten hoogste 100 basispunten ten opzichte van de initiële rentevergoeding, respectievelijk ten hoogste 50% van de initiële kredietrentemarge, in beide gevallen gecorrigeerd voor het effect van een verandering van de relevante rentebases.
Artikel 3:5
Hybride instrumenten waaraan een calloptie of een renteopstap is verbonden, kunnen voor de berekening van het lager aanvullend kapitaal (lower tier 2) uitsluitend worden gelijkgesteld met vermogensbestanddelen als bedoeld in artikel 92, derde lid, van het Besluit, indien:
a. in het geval van een calloptie: deze calloptie slechts uitoefenbaar is op initiatief van de financiële onderneming en na verkregen toestemming van DNB;
b. in het geval van een renteopstap: deze renteopstap voldoet aan het bepaalde in artikel 3:4, met dien verstande dat:
1°. het in artikel 3:4, tweede lid, genoemde aantal verstreken kalenderjaren ten minste vijf is;
2°. de in artikel 3:4, derde lid, genoemde maximale waarden van de renteopstap bij effectuering na vijf jaar wordt gehalveerd en bij effectuering van de renteopstap tussen vijf en tien jaar rechtlijnig mag worden geïnterpoleerd; en
c. de verlaging, bedoeld in artikel 92, derde lid, onderdeel c, onder 4°, van het Besluit, wordt toegepast uiterlijk vanaf het moment waarop de uitoefening van de calloptie vrijwel zeker is en de verwachte datum van uitoefening als aflossingsdatum wordt gehanteerd.
1.
Hybride instrumenten kunnen uitsluitend voor toepassing van deze regeling in aanmerking komen, indien de emissie van deze instrumenten vooraf dan wel achteraf aan DNB ter toetsing wordt voorgelegd, onder overlegging van de benodigde documentatie waaruit blijkt dat aan deze regeling wordt voldaan.
2.
Het in aanmerking nemen van hybride instrumenten is uitsluitend mogelijk vanaf het moment dat DNB schriftelijk heeft aangegeven dat aan deze regeling is voldaan.
3.
Bij de in het eerste lid genoemde toetsing baseert DNB zich op de geldende internationale standaarden.
1.
Instrumenten die schriftelijk door DNB als innovatief tier 1 kapitaal respectievelijk als lager aanvullend kapitaal zijn aangemerkt op grond van de onderdelen 4003-02, 4003-04.1, 4003-04.6, 4003-05.3 tot en met 4003-06.4 en bijlage 4003-b1 van het Handboek Wtk van DNB, kwalificeren van rechtswege als hybride instrumenten als bedoeld in deze regeling.
2.
Instrumenten die schriftelijk door DNB als innovatieve financiële instrumenten zijn aangemerkt op grond van de Regeling innovatieve financiële instrumenten en immateriële activa (Stcrt. 2007, 1; welke is vervallen met ingang van 31 december 2007, Stcrt. 2007, 247), kwalificeren van rechtswege als hybride instrumenten als bedoeld in deze regeling.
3.
Instrumenten die schriftelijk door DNB als hybride instrumenten zijn aangemerkt op grond van de Regeling gelijkstelling hybride instrumenten met eigenvermogensbestanddelen (Stcrt. 2007, 247), kwalificeren van rechtswege als hybride instrumenten als bedoeld in deze regeling.
Artikel 6:1
De Regeling gelijkstelling hybride instrumenten met eigenvermogensbestanddelen (Stcrt. 2007, 247) vervalt met ingang van 31 december 2010.
1.
Deze regeling treedt in werking met ingang van 31 oktober 2010, met dien verstande dat deze regeling voor het eerst van toepassing is met ingang van 31 december 2010.
2.
Indien de Staatscourant waarin deze regeling wordt geplaatst verschijnt na 29 oktober 2010, treedt deze regeling in werking met ingang van de dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst en werkt zij terug tot en met 31 oktober 2010, met dien verstande dat deze regeling voor het eerst van toepassing is met ingang van 31 december 2010.
Artikel 6:3
Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling hybride instrumenten banken en andere financiële ondernemingen (exclusief verzekeraars) Wft 2010.
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
Amsterdam, 26 oktober 2010
De Nederlandsche Bank N.V.,
directeur