Rechtenmedia.nl - Juridische Online Uitgeverij  Rechtennieuws.nl | Jure.nl | Maxius.nl | Parlis.nl | Rechtenforum.nl | JBmatch.nl | MijnWetten.nl | AdvocatenZoeken.nl | Rechtentotaal.nl
Regeling elektronisch-geldinstellingen
Bwb-id:
Officiele titel:
Citeertitel:
Soort regeling:
Wetsfamilies:
Eerst verantwoordelijk ministerie:

Geldigheidsdatum:
Ingangsdatum:
Inhoudsopgave
+ Richtlijnen en aanbevelingen
Vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature

Juridisch advies nodig?
Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag
Geschiedenis

Geschiedenis-overzicht
Let op. Deze wet is vervallen op 1 januari 2007. U leest nu de tekst die gold op -.

Regeling elektronisch-geldinstellingen

Regeling elektronisch-geldinstellingen
Inleiding De 'regeling elektronisch-geldinstellingen' heeft tot doel richtlijnen en aanbevelingen te geven voor het toezicht van de Bank op elektronisch-geldinstellingen. De richtlijnen en aanbevelingen hebben betrekking op de solvabiliteit, de liquiditeit 1 en de administratieve organisatie van elektronisch-geldinstellingen alsmede op de rapportage hierover aan de Bank. De regeling is van toepassing op alle onder toezicht van de Bank staande elektronisch-geldinstellingen waarop Hoofdstuk II, Afdeling 4, Wet toezicht kredietwezen 1992 (Wtk 1992) van toepassing is, daarbij inbegrepen de bijkantoren van niet in het EU-gebied gevestigde ondernemingen of instellingen. De regeling vindt haar grondslag in de artikelen 11, tweede lid, 30, vierde lid, 30b, eerste en vijfde lid, 30c, eerste en vierde lid, 41, tweede lid, en 55, tweede, derde en vijfde lid, Wtk 1992. De regeling bevat richtlijnen en aanbevelingen voor de uitoefening van het bedrijf van elektronisch-geldinstelling, gericht op de beperking van de kans op verliezen en het bevorderen van de aanwezigheid van voldoende financiële buffers alsmede van een gezonde en prudente bedrijfsvoering. De regeling is gebaseerd op de Wtk 1992 en strekt tot implementatie van Richtlijn 2000/46/EG betreffende de toegang tot, de uitoefening van en het bedrijfseconomisch toezicht op de werkzaamheden van instellingen voor elektronisch geld. Het regime van bedrijfseconomisch toezicht op elektronisch-geldinstellingen wijkt af van het geldende regime voor algemene kredietinstellingen. Voor elektronisch-geldinstellingen geldt een lagere eis voor het aanvangsvermogen (één miljoen euro tegenover vijf miljoen euro voor algemene banken). Daarnaast moeten elektronisch-geldinstellingen beschikken over een eigen vermogen dat ten minste gelijk is aan 2% van de totale verplichtingen die met uitstaand elektronisch geld verband houden. Dit bijzondere regime voorziet niet, in tegenstelling tot wat gebruikelijk is bij het toezicht op de algemene kredietinstellingen, in een relatie tussen de minimale omvang van het bedrijfskapitaal enerzijds en de risico's zoals die worden gelopen aan de uitzettingenkant anderzijds. In plaats daarvan is het elektronisch-geldinstellingen slechts toegestaan gelden te beleggen in beperkte en vastomlijnde activacategorieën. Het in de regeling neergelegde regime van bedrijfseconomisch toezicht op elektronisch-geldinstellingen sluit aan bij de door de wet gestelde beperkingen aan de toegestane activiteiten van elektronisch-geldinstellingen. In de regeling wordt, waar mogelijk, verwezen naar de bestaande richtlijnen en aanbevelingen voor algemene kredietinstellingen. Naast de onderhavige regeling is de overige bestaande en in de toekomst uit te vaardigen regelgeving van de Bank enkel van toepassing op elektronisch-geldinstellingen indien dat voortvloeit uit de onderhavige regeling of indien zulks in de desbetreffende overige regelgeving uitdrukkelijk is bepaald. Op grond van artikel 30b, tweede lid en 30c, tweede lid, Wtk 1992 geldt voor de onderhavige regeling een overlegverplichting met de betrokken representatieve organisatie(s) van elektronisch-geldinstellingen. Vanwege het ontbreken van een door de Minister van Financiën aangewezen representatieve organisatie op het moment van invoering van de regeling, heeft de Bank, in overleg met het Ministerie van Financiën, besloten de regeling aan een openbare consultatie te onderwerpen, alsmede deze rechtstreeks ter consultatie aan te bieden bij de bij de Bank en het Ministerie bekende belanghebbende personen, instellingen en organisaties.
Artikel 1. Definities
Voor de toepassing van deze regeling wordt verstaan onder:
a) kredietinstelling : een onder prudentieel toezicht staande kredietinstelling als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel a, onder 1°, Wtk 1992;
b) Bank : De Nederlandsche Bank NV;
c) elektronisch geld : elektronisch geld als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel p, Wtk 1992;
d) elektronisch-geldinstelling
een kredietinstelling als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel a, onder 2°, Wtk 1992 waaraan een vergunning als bedoeld in artikel 6, eerste lid, dan wel artikel 38, eerste lid, Wtk 1992 is verleend;
e) marktrisico : de bestaande of toekomstige bedreiging van vermogen en resultaat van de elektronisch-geldinstelling als gevolg van bewegingen in marktprijzen. Het marktrisico omvat aldus het prijsrisico, het renterisico en het valutarisico;
f) prijsrisico : de bestaande of toekomstige bedreiging van vermogen en resultaat van de elektronisch-geldinstelling als gevolg van bewegingen in het niveau of de volatiliteit van marktprijzen van effecten en financiële instrumenten;
g) regeling : deze regeling elektronisch-geldinstellingen;
h) renterisico : de bestaande of toekomstige bedreiging van vermogen en resultaat van de elektronisch-geldinstelling als gevolg van bewegingen van rentevoeten; deze bewegingen kunnen zich voordoen als parallelle beweging en/of een verandering van de rentetermijnstructuur en een ongelijke beweging van actief- en passiefrentes in hetzelfde looptijdsegment van de rentetermijnstructuur;
i) Richtlijn : Richtlijn 2000/46/EG van het Europees Parlement en de Raad van 18 september 2000 betreffende de toegang tot, de uitoefening van en het bedrijfseconomisch toezicht op de werkzaamheden van instellingen voor elektronisch geld (PbEG L 275);
j) valutarisico : de bestaande of toekomstige bedreiging van vermogen en resultaat van de elektronisch-geldinstelling als gevolg van bewegingen van vreemde-valutakoersen.
Artikel 2. Reikwijdte
De bepalingen van de regeling zijn van toepassing op de onder toezicht van de Bank staande elektronisch-geldinstelling als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel a, onder 2°, Wtk 1992.
1.
De elektronisch-geldinstelling beschikt doorlopend over een eigen vermogen dat ten minste gelijk is aan 2% van het hoogste van de volgende twee bedragen: het lopende bedrag of het gemiddelde over de laatste zes maanden van haar totale financiële verplichtingen die met uitstaand elektronisch geld verband houden.
2.
Wanneer de elektronisch-geldinstelling haar werkzaamheden nog geen zes maanden uitoefent (met inbegrip van de dag waarop zij haar werkzaamheden heeft aangevangen), is haar eigen vermogen ten minste gelijk aan 2% van het hoogste van de volgende twee bedragen: het lopende bedrag of het op zes maanden nagestreefde bedrag van haar totale financiële verplichtingen die met uitstaand elektronisch geld verband houden.
1.
De omvang van het doorlopend door de elektronisch-geldinstelling aan te houden eigen vermogen wordt bepaald door het toetsingsvermogen. Het toetsingsvermogen bestaat uit het bij de elektronisch-geldinstelling aanwezige tier 1 en tier 2 vermogen als bedoeld in de artikelen 5 en 6.
2.
Het in aanmerking te nemen tier 2 vermogen dient kleiner of gelijk te zijn aan het aanwezige tier 1 vermogen.
3.
Voor de bepaling van de omvang van de elementen van het toetsingsvermogen wordt uitgegaan van de geconsolideerde bedrijfseconomische balans, opgesteld conform het jaarrekeningrecht voor banken als bedoeld in artikel 415 Boek 2 BW , in aanmerking genomen het in artikel 7, tweede lid, van de regeling bepaalde. De aanbevelingen van de Bank betreffende de jaarrekening van banken als bedoeld in artikel 415 Boek 2 BW (Handboek Wtk 5001) zijn, voor zover in deze regeling niet anders is bepaald, van overeenkomstige toepassing.
Artikel 5. Tier 1 vermogen
Het bij de elektronisch-geldinstelling aanwezige tier 1 vermogen wordt verkregen door optelling van de onder a tot en met f opgenomen posten, onder aftrek van de post onder g:
a) het gestorte aandelenkapitaal, exclusief cumulatief preferente aandelen en preferente aandelen met een vaste looptijd;
b) de in de (gepubliceerde) jaarrekening gepresenteerde agioreserve, wettelijke reserve, statutaire reserve en overige reserves, met uitzondering van de herwaarderingsreserves;
c) het saldo van de winst- en verlies-rekeningen van het lopende jaar;
d) het saldo van de winst- en verlies-rekeningen van de voorgaande jaren;
e) het saldo van het fonds voor algemene bankrisico's;
f) het belang van derden, tenzij:
de Bank bepaalt dat in geval van belangrijke overkapitalisatie dit geheel of ten dele buiten de berekening van het aanwezige tier 1 vermogen moet worden gelaten;
- de via geconsolideerde groepsmaatschappijen van de elektronisch-geldinstelling aangetrokken vermogenselementen de kenmerken bezitten van tier 2 of lager gekwalificeerd vermogen en in de geconsolideerde opstelling neerslaan als belang van derden;
g) de immateriële activa.
Artikel 6. Tier 2 vermogen
Het bij de elektronisch-geldinstelling aanwezige tier 2 vermogen wordt verkregen door optelling van de onder a tot en met c opgenomen posten:
a) de cumulatief preferente aandelen met onbepaalde looptijd voor zover deel uitmakend van het gestorte kapitaal of het belang van derden;
b) de herwaarderingsreserves;
c) de daadwerkelijke gestorte bedragen op grond van schuldtitels met onbepaalde looptijd en andere financieringsinstrumenten die aan de volgende voorwaarden voldoen:
- de schuldtitels en financieringsinstrumenten kunnen niet worden terugbetaald op initiatief van de houder of zonder voorafgaande toestemming van de toezichthoudende autoriteit;
- de aan de schuldtitels of financieringsinstrumenten ten grondslag liggende schuldovereenkomst bepaalt dat de elektronisch-geldinstelling de betaling van rente over de schuld mag uitstellen;
- de vorderingen van de leninggever op de leningnemende elektronisch-geldinstelling zijn volledig achtergesteld bij die van alle niet-achtergestelde crediteuren;
- de documenten inzake de uitgifte van de schuldtitels bepalen, dat schuld en niet-betaalde rente kunnen worden gebruikt om verliezen op te vangen, terwijl de elektronisch-geldinstelling haar werkzaamheden kan voortzetten.
1.
De elektronisch-geldinstelling belegt een bedrag ten minste gelijk aan haar totale financiële verplichtingen die met uitstaand elektronisch geld verband houden, uitsluitend in de volgende activa:
a) kasmiddelen en gelijkwaardige posten;
b) voldoende liquide activa bestaande uit vorderingen op of gegarandeerd door:
centrale overheden in Zone A-landen;
centrale banken in Zone A-landen;
de Europese Gemeenschappen;
de binnenlandse regionale en lokale overheden;
de regionale of lokale overheden van andere EU-landen, indien:
- de toezichthouder van het EU-land waar de regionale of lokale overheid deel van uitmaakt, in het kader van het solvabiliteitstoezicht op kredietinstellingen, voor de desbetreffende vorderingen een 0%-weging hanteert; en
- de Bank aan de elektronisch-geldinstelling toestemming heeft verleend om de belegging te behandelen als een toegestane belegging in het kader van dit artikel;
c) onmiddellijk opvraagbare deposito's bij kredietinstellingen in G10- of EU-landen;
d) gekwalificeerde en voldoende liquide schuldinstrumenten, die:
- niet zijn uitgegeven door een onderneming, instelling of persoon met zeggenschap over de uitgever van het elektronisch geld of die in de geconsolideerde jaarrekening van deze ondernemingen moeten worden opgenomen;
- niet vallen onder de onder a of b genoemde activa;
- niet kunnen worden aangemerkt als belegging in achtergesteld schuldpapier of schuldpapier dat tot het toetsingsvermogen van kredietinstellingen behoort; en
- kunnen worden aangemerkt als voldoende liquide als bepaald in artikel 11.
2.
De activa worden gewaardeerd tegen de kostprijs of de marktwaarde, waarbij het laagste bedrag in aanmerking wordt genomen.
3.
De Bank kan de elektronisch-geldinstelling ontheffing verlenen van het in het eerste lid bepaalde. Een zodanige ontheffing wordt slechts verleend indien de totale financiële verplichtingen die met uitstaand elektronisch geld verband houden, niet meer volledig worden gedekt door de waarde van de in het eerste lid bedoelde activa. De ontheffing kan bepalen dat, gedurende een beperkte periode, de elektronisch-geldinstelling ook in andere dan de in het eerste lid bedoelde activa kan beleggen tot maximaal de laagste van de volgende twee bedragen: 5% van de totale financiële verplichtingen die met het uitstaand elektronisch geld verband houden of 5% van het totale eigen vermogen van de elektronisch-geldinstelling.
Artikel 8. Aanvullende beleggingsbeperkingen
De maximale omvang van de beleggingen als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onder c en d, wordt vastgesteld op twintigmaal het eigen vermogen van de elektronisch-geldinstelling.
Artikel 9. Grote-postenregeling
Op de beleggingen als bedoeld in artikel 7, eerste lid, is, tenzij anders bepaald in het kader van deze regeling, de grote-postenregeling voor kredietinstellingen, onderdeel 4081 van het Handboek Wtk, van toepassing, met de volgende uitzonderingen:
- de regeling op basis waarvan een overschrijding van de limiet is toegestaan voor handelsposities is niet van toepassing;
- de elektronisch-geldinstelling mag geen risico's aangaan ten aanzien van ondernemingen, instellingen of personen die controle uitoefenen op de elektronisch-geldinstelling zelf.
1.
De maximale omvang van de door de elektronisch-geldinstelling bij één kredietinstelling aan te houden beleggingen als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onder c en d, wordt vastgesteld op 25% van haar totale financiële verplichtingen die met uitstaand elektronisch geld verband houden.
2.
Het in het eerste lid gestelde is niet van toepassing op de elektronisch-geldinstelling waarvan de omvang van haar totale financiële verplichtingen die met uitstaand elektronisch geld verband houden, minder bedraagt dan 50 miljoen euro.
Artikel 11. Liquiditeit van de beleggingen
Door de elektronisch-geldinstelling gehouden beleggingen worden uitsluitend als voldoende liquide aangemerkt voor zover het betreft beleggingen in 'direct in geld opvraagbare activa' dan wel beleggingen in activa:
a) waarvoor door een erkende beurs dan wel door verschillende, niet gelieerde, professionele marktparticipanten regelmatig en minimaal dagelijks laat- en biedprijzen worden afgegeven;
b) die regelmatig worden verhandeld;
c) waarvan de verkoop of belening op dagelijkse termijn kan plaatsvinden;
d) waarvan de opbrengstwaarde dan wel de beleningswaarde niet materieel wordt beïnvloed door de omvang of de snelheid van respectievelijk de verkoop of de belening;
e) waarvan de liquiditeit ten minste gelijkwaardig is aan uitzettingen bij centrale overheden van Zone A-landen; en
f) waarvan de settlement in de markt waar de desbetreffende activa worden verhandeld, plaatsvindt volgens een vaste en niet onderhandelbare tijdtabel.
1.
De elektronisch-geldinstelling draagt zorg voor het beperken van de marktrisico's die zij loopt in het kader van de uitgifte van elektronisch geld en haar beleggingen.
2.
Voor het beperken van marktrisico's komen uitsluitend in aanmerking voldoende liquide, op rente en wisselkoersen betrekking hebbende afgeleide, aan een erkende beurs genoteerde financiële instrumenten, waarvoor dagelijkse margevereisten gelden, of wisselkoerscontracten met een oorspronkelijke looptijd van 14 dagen of minder, waarbij de tegenpartij een in een Zone A-land gevestigde kredietinstelling of erkende effecten-instelling is.
3.
Als voldoende liquide instrumenten in de zin van het tweede lid worden uitsluitend aangemerkt de instrumenten die voldoen aan de in artikel 11 opgenomen vereisten.
Het in artikel 12 van de regeling bepaalde strekt ter implementatie van artikel 5, derde en vierde lid, van de richtlijn. De voorgeschreven zorg voor het beperken van de marktrisicos (en dus ook voor de rente-, prijs- en valutarisis) geldt voor alle beleggingen van de elektronisch-geldinstelling en dus niet enkel voor de in artikel 7 bedoelde beleggingen.
1.
De door de elektronisch-geldinstelling uitgezette deposito's zijn steeds direct opvraagbaar.
2.
Voor zover van toepassing is de door de elektronisch-geldinstelling vergoede rente steeds volledig variabel.
1.
De door de elektronisch-geldinstelling gehouden beleggingen in verhandelbare schuldinstrumenten hebben een oorspronkelijke of resterende looptijd van ten hoogste één jaar.
2.
De Bank kan, indien de elektronisch-geldinstelling ten genoegen van de Bank aantoont dat zij beschikt over een surplus aan toetsingsvermogen en een adequaat risicomanagement, aan de elektronisch-geldinstelling ontheffing verlenen van het in het eerste lid bepaalde.
1.
De elektronisch-geldinstelling die beschikt over een toetsingsvermogen van minder dan 3% van haar totale financiële verplichtingen die met uitstaand elektronisch geld verband houden, draagt zorg voor volledige afdekking van de valutarisico's.
2.
De elektronisch-geldinstelling die ten genoegen van de Bank aantoont dat zij beschikt over een toetsingsvermogen dat ten minste gelijk is aan 3% van haar totale financiële verplichtingen die met uitstaand elektronisch geld verband houden, is niet gehouden eventuele valutarisico's volledig af te dekken, onder de volgende voorwaarden:
a) het door de elektronisch-geldinstelling berekende valutarisico is gelijk aan 8% van de totale netto open positie in valuta's. De totale netto open positie in valuta's wordt berekend volgens de methode zoals die van toepassing is in het kader van de solvabiliteitstoetsing van kredietinstellingen, Handboek Wtk, onderdeel 4022; en
b) het berekende valutarisico is kleiner of gelijk aan het toetsingsvermogen van de elektronisch-geldinstelling, voor zover dat de grens van 3% van haar totale financiële verplichtingen die met uitstaand elektronisch geld verband houden te boven gaat.
1.
De elektronisch-geldinstelling draagt zorg voor het voortdurend ter beschikking hebben van voldoende liquide middelen om tijdig te kunnen voldoen aan haar betalingsverplichtingen zoals die met het uitstaand elektronisch geld en met haar overige verplichtingen verband houden.
2.
De elektronisch-geldinstelling houdt ten minste 20% van de in het eerste lid bedoelde verplichtingen aan in de vorm van direct opvraagbare deposito's dan wel onherroepelijke stand-by faciliteiten bij kredietinstellingen gevestigd in G10- of EU-landen, of in de vorm van direct bij de centrale banken beleenbaar papier tegen de beleningswaarde.
3.
Als voldoende liquide instrumenten in de zin van het eerste lid worden uitsluitend aangemerkt de instrumenten die voldoen aan de in artikel 11 opgenomen vereisten.
Artikel 17. Eisen aan de organisatie en beheersing van bedrijfsprocessen
Voor zover in deze regeling niet anders is bepaald, zijn de richtlijnen en aanbevelingen van de Bank met betrekking tot de administratieve organisatie, met inbegrip van de financiële administratie en interne controle, van kredietinstellingen van overeenkomstige toepassing op de administratieve organisatie van de elektronisch-geldinstelling.
Artikel 18. Informatie-inwinning door de Bank
Voor zover in deze regeling niet anders is bepaald, zijn de richtlijnen en aanbevelingen van de Bank met betrekking tot de informatie-inwinning bij kredietinstellingen van overeenkomstige toepassing op de informatie-inwinning bij de elektronisch-geldinstelling.
Artikel 19. Evaluatiebepaling
De Bank stelt uiterlijk op 31 december 2003 een verslag op van de toepassing van deze regeling. Het verslag wordt ter kennis gesteld aan de representatieve organisatie voor elektronisch-geldinstellingen en gepubliceerd op de website van de Bank.
Artikel 20. Inwerkingtreding
De regeling treedt in werking met ingang van de dag waarop het bij Koninklijke boodschap van 18 januari 2002 ingediende voorstel van wet tot wijziging van de Wet toezicht kredietwezen 1992 in verband met de invoering van het bedrijfseconomisch toezicht op instellingen voor elektronisch geld (Kamerstukken II, 2001/2002 nr. 28 189, nr 1), nadat het tot wet is verheven, in werking treedt. De in de bijlage bij de regeling opgenomen samenhangende wijzigingen in andere regelgeving van de Bank treden gelijktijdig in werking. Indien de Staatscourant waarin de regeling wordt geplaatst, wordt uitgegeven na het moment waarop het voornoemde, bij Koninklijke boodschap van 18 januari 2002 ingediende voorstel van wet in werking treedt, treden de regeling en de in de bijlage opgenomen wijzigingen in werking met ingang van de tweede dag na dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst en werkt zij terug tot het moment van inwerkingtreding van de hiervoor bedoelde wet.