Rechtenmedia.nl - Juridische Online Uitgeverij  Rechtennieuws.nl | Jure.nl | Maxius.nl | Parlis.nl | Rechtenforum.nl | JBmatch.nl | MijnWetten.nl | AdvocatenZoeken.nl | Rechtentotaal.nl
Procedureoverzicht Boeteoplegging OPTA 2004
Bwb-id:
Officiele titel:
Citeertitel:
Soort regeling:
Wetsfamilies:
Eerst verantwoordelijk ministerie:

Geldigheidsdatum:
Ingangsdatum:
Inhoudsopgave
+ Algemeen
Vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature

Juridisch advies nodig?
Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag
Geschiedenis

Geschiedenis-overzicht
Let op. Deze wet is vervallen op 2 december 2012. U leest nu de tekst die gold op 1 december 2012.

Procedureoverzicht Boeteoplegging OPTA 2004

Procedureoverzicht Boeteoplegging OPTA 2004
Inleiding
Het college van de Onafhankelijke Post en Telecommunicatie Autoriteit (hierna: het college) is bevoegd een boete op te leggen indien de voorschriften bedoeld in 15.1, derde lid, van de Telecommunicatiewet (hierna: Tw) worden overtreden. Het college is verder bevoegd een boete op te leggen wanneer artikel 5:20 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) wordt overtreden. In dit artikel staat dat eenieder verplicht is om mee te werken wanneer het bestuursorgaan om inlichtingen verzoekt. Doet men dat niet, dan kan het college een boete opleggen.
Het navolgende overzicht is bedoeld als verduidelijking van de procedure die wordt gevolgd indien wordt geconstateerd dat een overtreding van de Tw heeft plaatsgevonden en het een beboetbare overtreding betreft. Deze procedure vloeit voort uit de Telecommunicatiewet, Algemene wet bestuursrecht en de praktijk bij OPTA.
Dit overzicht behoort – als bijlage – bij de Boetebeleidsregels OPTA, die zien op het bepalen van de hoogte van de boete.
Het college van de Onafhankelijke Post en Telecommunicatie Autoriteit stelt vast:Overzicht van de procedure om te komen tot boeteoplegging, gebaseerd op de wet en de beleidspraktijk bij Opta

Algemeen

Dit overzicht toont hoe het college van de Onafhankelijke Post en Telecommunicatie Autoriteit uitvoering geeft aan de uit de Telecommunicatiewet voortvloeiende bevoegdheid tot het opleggen van boetes.
Artikel 1. Definities
In deze regeling wordt verstaan onder:
a. Ambtenaar: de ambtenaar als bedoeld in artikel 15.1, derde lid, Telecommunicatiewet;
b. Awb: Algemene wet bestuursrecht ;
c. Belanghebbende: de belanghebbende als bedoeld in artikel 1:2 Algemene wet bestuursrecht;
d. Boetebesluit: besluit als bedoeld in artikel 15.10 eerste lid van de Telecommunicatiewet;
e. Boetebeleidsregels OPTA: Beleidsregels boetetoemeting met betrekking tot het opleggen van boetes ingevolge artikel 15.4 van de Telecommunicatiewet;
f. EVRM: Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens;
g. Het college: het college van de Onafhankelijke Post en Telecommunicatie Autoriteit;
h. OPTA: Onafhankelijke Post en Telecommunicatie Autoriteit;
i. Onze Minister: de minister van Economische Zaken;
j. Tw: Telecommunicatiewet ;
k. Wed: Wet op de economische delicten ;
l. Wob: Wet openbaarheid van bestuur .
Artikel 2. Toepassingsgebied
Deze regeling geeft de procedure voor het opleggen van bestuurlijke boetes door het college als bedoeld in artikel 15.4, tweede en vierde lid, Tw.
Artikel 3. Toezicht op de naleving
Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens de Telecommunicatiewet zijn belast de ambtenaren van OPTA voor zover het betreft de bepalingen genoemd in artikel 15.1, derde lid, Tw.
Artikel 4. Het onderzoek
Met het onderzoek naar mogelijke overtredingen van de Tw zijn belast de ambtenaren, bedoeld in artikel 15.1, eerste en derde lid, Tw. Met het onderzoek als bedoeld in artikel 15.1, derde lid, Tw zijn belast de ambtenaren, aangeduid in artikel II van het Besluit aanwijzing toezichthouders OPTA 2001.
In de Tw is een aantal specifieke bevoegdheden voor de ambtenaren die de overtreding onderzoeken opgenomen. De ambtenaren zijn ingevolge artikel 15.7 Tw bevoegd om bedrijfsruimten en voorwerpen te verzegelen, voor zover dat voor de uitoefening van hun bevoegdheden redelijkerwijs noodzakelijk is.
De ambtenaren zijn verder bevoegd om inzage in zakelijke gegevens en bescheiden te vorderen en ook zijn zij bevoegd om kopieën van deze gegevens en bescheiden te maken. Indien het maken van kopieën niet ter plaatse kan geschieden, zijn de ambtenaren bevoegd de gegevens en bescheiden een korte tijd mee te nemen tegen af te geven schriftelijk bewijs. Zakelijke gegevens kunnen in dit verband ook elektronisch opgeslagen gegevens zijn. Zonodig voeren bovengenoemde ambtenaren deze bevoegdheid uit met behulp van de sterke arm.
Op grond van artikel 15.6 Tw is een natuurlijke persoon of rechtspersoon die voorwerp is van een onderzoek als hiervoor genoemd, echter niet verplicht een mondelinge verklaring omtrent de (mogelijke) overtreding van de Tw af te leggen. De betrokken natuurlijke of rechtspersoon wordt van dit recht in kennis gesteld voordat door de genoemde ambtenaren om informatie wordt gevraagd, dit is de zogenoemde cautie.
Op het onderzoek naar overtredingen van de Tw is bovendien afdeling 5.2 van de Awb , waarin bevoegdheden van de toezichthouder zijn geregeld, van overeenkomstige toepassing.
Artikel 6. Het onderzoeksrapport
Indien de ambtenaar vaststelt dat een overtreding is begaan, maakt hij daarvan een rapport als bedoeld in artikel 15.8, eerste lid, Tw op. In het rapport worden overeenkomstig het bepaalde in artikel 15.8, tweede lid, Tw in ieder geval vermeld:
a. de feiten en omstandigheden op grond waarvan is vastgesteld dat een overtreding is begaan;
b. waar en wanneer de feiten, bedoeld onder a, zich hebben voorgedaan;
c. het wettelijk voorschrift dat overtreden is.
Een kopie van het rapport wordt gezonden aan degene die de overtreding heeft begaan.
Nadat het rapport is opgemaakt, wordt het toegezonden aan de belanghebbende. De belanghebbende wordt vervolgens schriftelijk uitgenodigd om zijn zienswijze omtrent het rapport schriftelijk, mondeling of zowel schriftelijk als mondeling naar voren te brengen.
De ambtenaar die onderzoek naar de overtreding heeft gedaan en die het rapport heeft opgesteld, wordt niet betrokken bij het horen van de belanghebbende in het kader van het naar voren brengen van diens zienswijze en het opstellen van de boetebeschikking.
Artikel 7. Hoorzitting
Indien de belanghebbende kiest voor een hoorzitting om zijn zienswijze ter kennis van het college te brengen, dan wel indien het college de belanghebbende uitnodigt voor een hoorzitting zonder dat de belanghebbende daarom heeft gevraagd, is het navolgende van belang.
Voorafgaand aan de hoorzitting kan het college vragen doen toekomen die ter zitting gesteld kunnen worden.
De uitnodiging voor de hoorzitting wordt uiterlijk tien werkdagen voor de datum van de hoorzitting verstuurd. Wanneer de belanghebbende nadere gegevens en/of bescheiden wenst in te dienen dan kan dit geschieden tot vijf werkdagen voor de hoorzitting. Uiterlijk zeven werkdagen voor de zitting kan de belanghebbende meedelen of en zo ja door wie hij zich ter zitting wenst te laten bijstaan, een en ander onder vermelding van de functie van die personen.
Partijen worden ter zitting gehoord door een commissie, bestaande uit vertegenwoordigers van het college. De zitting wordt door de voorzitter geopend, geleid en gesloten. Zowel de voorzitter als de overige leden van de commissie kunnen vragen stellen.
Partijen kunnen ter zitting getuigen en deskundigen meebrengen ten einde hen te laten horen. Van deze gelegenheid kan een partij slechts gebruik maken indien de namen van deze personen aan het college zijn meegedeeld. In aanvulling daarop dient te worden vermeld in verband met welke specifieke kwestie deze personen als getuigen of deskundigen optreden. Het horen van getuigen en deskundigen vindt op dezelfde wijze plaats als het hierboven beschreven horen van partijen. Het college kan ook zelf getuigen en deskundigen oproepen.
Van de hoorzitting wordt een verslag gemaakt. Het college stelt het verslag van de hoorzitting ter beschikking aan de belanghebbende, behoudens voor zover de daarin vervatte informatie als vertrouwelijk moet worden beschouwd.
Van een vastgestelde datum voor een hoorzitting wordt slechts afgeweken indien de belanghebbende wegens gewichtige redenen verhinderd is te verschijnen voor de hoorzitting. Een verzoek om uitstel van de hoorzitting kan uitsluitend gemotiveerd en uiterlijk vijf werkdagen voor de geplande hoorzitting ingediend worden.
Tijdens de hoorzitting kan blijken dat de belanghebbende alsnog gegevens, bescheiden of inlichtingen belanghebbende dient of wenst te verstrekken. In een dergelijk geval deelt het college zo spoedig mogelijk na de hoorzitting mee binnen welke termijn de belanghebbende de ontbrekende gegevens, bescheiden of inlichtingen moet of mag verstrekken.
Eveneens zo spoedig mogelijk na de hoorzitting doch uiterlijk twaalf weken na het opmaken van het boeterapport deelt het college mee op welke wijze de procedure wordt afgerond.
1.
Belanghebbenden kunnen gegevens of bescheiden per post indienen bij het college. Het postadres van het college luidt:
Postbus 90420
2509 LK Den Haag
2.
Het is ook mogelijk om gegevens of bescheiden bestemd voor het college af te geven bij de receptie op het bezoekadres van OPTA:
Zürichtoren;
Muzenstraat 41 te Den Haag.
Dit is mogelijk tijdens kantooruren, deze zijn gelegen tussen 8.30 uur en 17.00 uur.
3.
Belanghebbenden kunnen gegevens of bescheiden eveneens per fax indienen. Het faxnummer van het college is (070) 315 35 01. Uiterlijk de volgende werkdag dienen gegevens of bescheiden alsnog per post te worden verstuurd of door afgifte te worden ingediend.
4.
Gegevens of bescheiden kunnen vooralsnog niet ingediend worden via e-mail.
Artikel 9. Vertrouwelijkheid
De belanghebbende die van oordeel is dat gegevens of bescheiden die hij indient als vertrouwelijk beschouwd moeten worden, geeft het college redenen voor dat oordeel.
De belanghebbende dient in dat geval twee versies van de desbetreffende gegevens of bescheiden in. Eén versie daarvan is bestemd voor het college. In die versie zijn de onderdelen die de belanghebbende als vertrouwelijk aanmerkt opgenomen. In de tweede versie zijn de onderdelen die hij als vertrouwelijk aanmerkt onleesbaar gemaakt of op zichtbare wijze weggelaten.
De beoordeling of de informatie vertrouwelijk is, geschiedt door het college en op basis van de gronden zoals genoemd in de artikelen 10 en 11 van de Wob. Informatie die het college op basis van artikel 10 respectievelijk 11 van de Wob vertrouwelijk acht, wordt niet aan derden verstrekt.
Indien het college van oordeel is dat bepaalde informatie ten onrechte als vertrouwelijk is aangemerkt, dan deelt het college dit met redenen omkleed mee aan de belanghebbende. Niet eerder dan een week na mededeling dat de verstrekte informatie openbaar is, wordt de informatie aan derden verstrekt. Deze termijn van een week kan worden bekort door de eerdere instemming met de openbaarmaking van de belanghebbende die de vertrouwelijkheid heeft ingeroepen.
Artikel 10. Het boetebesluit
Indien het college naar aanleiding van het onderzoek en een eventuele hoorzitting besluit tot oplegging van een boete dan wordt dit besluit op schrift gesteld. In het boetebesluit wordt in ieder geval vermeld de overtreding die heeft plaatsgevonden, alsmede het overtreden voorschrift. Tevens wordt vermeld de te betalen geldsom alsmede een motivering van de hoogte daarvan. Voor meer informatie over dit onderwerp raadplege men de Boetebeleidsregels OPTA .
Het besluit dient te worden gegeven binnen 12 weken nadat het rapport is opgemaakt, tenzij binnen deze termijn het rapport aan het openbaar ministerie is gezonden. In dat geval kan een boete worden opgelegd binnen twaalf weken nadat het openbaar ministerie aan het college, heeft meegedeeld dat geen strafvervolging wordt ingesteld.
Overeenkomstig artikel 15.11 Tw worden de werkzaamheden die verband houden met het horen van belanghebbenden en de werkzaamheden die noodzakelijk zijn voor het opstellen van de boetebeschikking verricht door personen die niet betrokken zijn geweest bij de opstelling van het onderzoeksrapport en het daaraan voorafgaande onderzoek.
Artikel 11. Bezwaar, beroep en hoger beroep
Op grond van artikel 17.1, derde lid, van de Tw kan tegen besluiten tot oplegging van een boete bezwaar worden gemaakt. De termijn voor het indienen van een bezwaarschrift bedraagt 6 weken.
Op grond van artikel 17.1, tweede lid, van de Tw in samenhang gelezen met artikel 17.1, derde lid van de Tw is de Rechtbank Rotterdam bevoegd indien beroep wordt ingesteld tegen boetebesluiten. Ingeval van hoger beroep is het College van beroep voor het bedrijfsleven bevoegd. Ook voor het indienen van een beroepschrift of hoger beroepschrift bedraagt de termijn zes weken.
Artikel 12. Schorsende werking bezwaar en (hoger) beroep
Ingevolge artikel 15.12 Tw wordt de werking van een boetebesluit opgeschort totdat de (hoger) beroepstermijn respectievelijk de bezwaartermijn is verstreken of indien bezwaar of (hoger) beroep is ingesteld, totdat op dat bezwaar of (hoger) beroep is beslist.
Artikel 13. Betalingstermijn; rente
Een boetebesluit treedt, overeenkomstig artikel 3:41 van de Awb in werking door toezending van het boetebesluit aan de belanghebbende. De in het besluit opgelegde boete dient binnen 6 weken nadat het boetebesluit in werking is getreden, te worden betaald. De betalingstermijn wordt opgeschort in de artikel 12 van dit Procedureoverzicht genoemde gevallen. Bij overschrijding van de betalingstermijn van zes weken wordt degene die de boete is verschuldigd één maal schriftelijk gemaand binnen twee weken alsnog het bedrag van de boete, verhoogd met de verschuldigde wettelijke rente en de kosten van de aanmaning te betalen.
Artikel 14. Dwangbevel
Bij gebreke van betaling binnen de in het vorige artikel genoemde termijn van twee weken kan het college de verschuldigde boete verhoogd met de verschuldigde rente en de op de aanmaning en invordering betrekking hebbende kosten invorderen bij dwangbevel. Het dwangbevel wordt op kosten van de overtreder bij deurwaardersexploit betekend en levert een executoriale titel op in de zin van het Tweede Boek van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Gedurende zes weken na de dag van betekening staat verzet tegen het dwangbevel open door dagvaarding van het college. Het verzet schorst de tenuitvoerlegging. Op verzoek van het college kan de rechter de schorsing van de tenuitvoerlegging opheffen. De bovengenoemde bedragen komen toe aan de staat.
Artikel 15. Verjaringstermijn
De bevoegdheid tot het opleggen van een boete vervalt vijf jaar nadat de overtreding is begaan.
Artikel 16. Citeertitel
Dit overzicht kan worden aangehaald als: Procedureoverzicht Boeteoplegging OPTA 2004.
Aldus besloten te ’s Gravenhage op 17 november 2004.
Het college van de Onafhankelijke Post en Telecommunicatie Autoriteit,
namens het college,
voorzitter.