Rechtenmedia.nl - Juridische Online Uitgeverij  Rechtennieuws.nl | Jure.nl | Maxius.nl | Parlis.nl | Rechtenforum.nl | JBmatch.nl | MijnWetten.nl | AdvocatenZoeken.nl | Rechtentotaal.nl
Overeenkomst houdende oprichting van een Europees Universitair Instituut, Florence, 19-04-1972
Bwb-id:
Officiele titel:
Citeertitel:
Ook bekend als:
Soort regeling:
Wetsfamilies:
Eerst verantwoordelijk ministerie:

Geldigheidsdatum:
Ingangsdatum:
Inhoudsopgave
Overeenkomst houdende oprichting van een Europees Universitair Instituut
+ HOOFDSTUK I. Grondslagen voor de oprichting van het Instituut
+ HOOFDSTUK II. Bestuurlijke structuur
+ HOOFDSTUK III. Academische structuur
+ HOOFDSTUK IV. Financiële bepalingen
+ HOOFDSTUK V. Diverse bepalingen
+ HOOFDSTUK VI. Overgangs- en slotbepalingen
Vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature

Juridisch advies nodig?
Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag
Geschiedenis

Geschiedenis-overzicht

Overeenkomst houdende oprichting van een Europees Universitair Instituut, Florence, 19-04-1972

Overeenkomst houdende oprichting van een Europees Universitair Instituut
(authentiek: nl)
Zijne Majesteit de Koning der Belgen, de President van de Bondsrepubliek Duitsland, de President van de Franse Republiek, de President van de Italiaanse Republiek, Zijne Koninklijke Hoogheid de Groothertog van Luxemburg, Hare Majesteit de Koningin der Nederlanden,
Vastbesloten de vooruitgang te bevorderen van de kennis op voor de ontwikkeling van Europa bijzonder belangrijke gebieden, met name Europese cultuur, geschiedenis, recht, economie en instellingen;
Verlangende een samenwerking op deze gebieden te bevorderen en te bewerken dat er gezamenlijk onderzoek wordt verricht;
Besloten hebbende de voornemens te verwezenlijken die op dit gebied werden geformuleerd in de verklaringen, aangenomen door de Staatshoofden of Regeringsleiders die op 18 juli 1961 te Bonn en op 1 en 2 december 1969 te Den Haag bijeen waren;
Overwegende dat een nieuwe bijdrage dient te worden geleverd tot het intellectuele leven van Europa en dat in deze geest een Europees instituut op het hoogste universitaire niveau dient te worden opgericht;
Hebben besloten een Europees Universitair Instituut op te richten en de voorwaarden voor de werking ervan vast te stellen, en hebben te dien einde als hun gevolmachtigden aangewezen:
Zijne Majesteit de Koning der Belgen:
De heer Léon Hurez,
Minister van Nationale Opvoeding (F);
De President van de Bondsrepubliek Duitsland:
De heer Rolf Lahr,
Ambassadeur van de Bondsrepubliek Duitsland te Rome;
De President van de Franse Republiek:
De heer Jacques Duhamel,
Minister van Culturele Zaken;
De President van de Italiaanse Republiek:
De heer Aldo Moro,
Minister van Buitenlandse Zaken;
De heer Riccardo Misasi,
Minister van Nationale Opvoeding;
Zijne Koninklijke Hoogheid de Groothertog van Luxemburg:
De heer Jean Dupong,
Minister van Nationale Opvoeding;
Hare Majesteit de Koningin der Nederlanden:
De heer Th. E. Westerterp,
Staatssecretaris van Buitenlandse Zaken;
Die, na overlegging van hun in goede en behoorlijke vorm bevonden volmachten, overeenstemming hebben bereikt omtrent de volgende bepalingen:
Artikel 1
Bij deze Overeenkomst richten de Lid-Staten van de Europese Gemeenschappen (hierna Overeenkomstsluitende Staten genoemd) gezamenlijk het Europees Universitair Instituut (hierna Instituut genoemd) op, dat rechtspersoonlijkheid bezit.
Het Instituut is gevestigd te Florence.
1.
Het Instituut heeft tot taak om middels activiteiten op het gebied van het hoger onderwijs en het onderzoek bij te dragen tot de uitbouw van het culturele en wetenschappelijke erfdeel van Europa, in zijn eenheid en zijn verscheidenheid. De werkzaamheden hebben tevens betrekking op de grote stromingen en de instellingen die kenmerkend zijn voor de geschiedenis en de ontwikkeling van Europa. Bij deze werkzaamheden wordt rekening gehouden met de culturele en taalkundige pluriformiteit van Europa en met de banden met de beschavingen buiten Europa.
Deze taak wordt verricht door middel van onderwijs en onderzoek op het hoogste universitaire niveau.
In het kader van het algemeen programma van zijn wetenschappelijke werkzaamheden zet het Instituut interdisciplinaire onderzoekprogramma's op over de belangrijkste problemen waarmee de hedendaagse Europese samenleving wordt geconfronteerd, inzonderheid de problemen die verband houden met de opbouw van Europa.
2.
Het Instituut moet tevens een ontmoetingsplaats zijn voor de uitwisseling van ideeën en ervaringen over onderwerpen die vallen onder de studierichtingen, die tot het studie- en onderzoekterrein van het Instituut behoren.
1.
De Overeenkomstsluitende Staten treffen alle maatregelen die nodig zijn om de vervulling van de taak van het Instituut te vergemakkelijken, zulks met eerbiediging van de vrijheid van onderzoek en onderwijs.
2.
De Overeenkomstsluitende Staten stimuleren de uitstralende werking van het Instituut in de wereld van het hoger onderwijs en de wetenschappen. Te dien einde staan zij het Instituut bij om een passende samenwerking met de op hun grondgebied gelegen universitaire en wetenschappelijke instellingen, alsook met de Europese en internationale organisaties op het gebied van onderwijs, cultuur en onderzoek tot stand te brengen.
3.
In het kader van zijn bevoegdheden werkt het Instituut samen met de universiteiten en alle nationale of internationale instellingen voor onderwijs en onderzoek, die het Instituut bijstand wensen te verlenen; het Instituut kan met Staten en met internationale organisaties overeenkomsten sluiten.
Artikel 4
Het Instituut en het personeel daarvan genieten, overeenkomstig het aan deze Overeenkomst gehechte Protocol dat een integrerend bestanddeel daarvan vormt, de voorrechten en immuniteiten die nodig zijn voor de uitoefening van hun taak.
Het Instituut sluit met de Regering van de Italiaanse Republiek een vestigingsovereenkomst, die met eenparigheid van stemmen door de Raad van Bestuur wordt goedgekeurd.
Artikel 5
De organen van het Instituut zijn:
a) de Raad van Bestuur
b) de President van het Instituut
c) de Academische Raad.
1.
De Raad van Bestuur bestaat uit Vertegenwoordigers van de Regeringen der Overeenkomstsluitende Staten; elke Regering beschikt over één stem in deze Raad en vaardigt er twee vertegenwoordigers naar af.
De Raad komt ten minste eenmaal per jaar te Florence bijeen.
2.
Het voorzitterschap van de Raad van Bestuur wordt voor de duur van een jaar door de Overeenkomstsluitende Staten bij toerbeurt vervuld.
3.
De President van het Instituut, de Algemeen Secretaris en een vertegenwoordiger van de Europese Gemeenschappen nemen, zonder stemrecht te hebben, deel aan de vergaderingen van de Raad van Bestuur.
4.
De Raad van Bestuur is verantwoordelijk voor het algemene beleid van het Instituut; hij regelt de werking ervan en ziet toe op zijn ontwikkeling. Enerzijds bevordert hij de contacten tussen de Regeringen in zaken betreffende het Instituut en anderzijds de contacten tussen het Instituut en de Regeringen.
De Raad van Bestuur neemt, onder de in de leden 5 en 6 vastgestelde voorwaarden, de voor de vervulling van de hem aldus opgedragen taken nodige besluiten.
5.
De Raad van Bestuur neemt met eenparigheid van stemmen de besluiten betreffende:
a) de vaststelling van de voorschriften betreffende de werking van het Instituut, alsmede de in artikel 26 vermelde financiële voorschriften;
b) de vaststelling van de wijze waarop overeenkomstig artikel 27 de keuze der werktalen wordt bepaald;
c) de vaststelling van het statuut van het personeel van het Instituut; dit statuut dient te bepalen op welke wijze geschillen tussen het Instituut en degenen, waarop het statuut van toepassing is, worden beslecht;
d) het instellen van permanente posten van aan het Instituut verbonden hoogleraren;
e) de uitnodiging, onder de door hem vast te stellen voorwaarden, van de in artikel 9, lid 3, omschreven persoonlijkheden aan de activiteiten van de Academische Raad deel te nemen;
f) de sluiting van de vestigingsovereenkomst tussen het Instituut en de Regering van de Italiaanse Republiek, alsook de akkoorden en overeenkomsten bedoeld in artikel 3, lid 3;
g) de eerste benoeming van de President en de Algemeen Secretaris van het Instituut;
h) het toestaan van afwijkingen van artikel 8, lid 3;
i) de wijziging van de in artikel 11 bedoelde verdeling in afdelingen of de oprichting van nieuwe afdelingen;
j) het uitbrengen van het in artikel 33 bedoelde gunstig advies;
k) de in artikel 34 bedoelde maatregelen.
6.
De Raad van Bestuur neemt de niet in lid 5 genoemde besluiten met gekwalificeerde meerderheid van stemmen, met name de besluiten betreffende:
a) de benoeming van de President en van de Algemeen Secretaris van het Instituut;
b) de goedkeuring van de begroting van het Instituut en de kwijting aan de Voorzitter voor de uitvoering van de begroting;
c) de goedkeuring, op voorstel van de Academische Raad, van de hoofdlijnen van het onderwijs;
d) de instelling van een Raad voor Onderzoek, waarvan hij, na raadpleging van de Academische Raad, de structuur en de bevoegdheden vaststelt;
e) de oprichting en de afschaffing van interdisciplinaire centra binnen het Instituut, na raadpleging van de Academische Raad en de Raad voor Onderzoek;
f) de vaststelling van zijn reglement van orde.
7.
De stemmen met betrekking tot besluiten waarvoor een gekwalificeerde meerderheid van stemmen is vereist, worden als volgt gewogen:
België Denemarken Duitsland Griekenland Spanje Frankrijk Ierland Italië Luxemburg Nederland Portugal Verenigd Koninkrijk 5 3 10 5 8 10 3 10 2 5 5 10

De besluiten komen tot stand wanneer zij ten minste vierenvijftig stemmen hebben verkregen, waarbij ten minste 8 Regeringen voor stemmen.
8.
Onthouding van stemming vormt geen beletsel voor het aannemen der besluiten van de Raad van Bestuur, waarvoor eenparigheid van stemmen is vereist.
1.
De President leidt het Instituut. Hij voert de besluiten die worden genomen ter toepassing van deze Overeenkomst uit of doet ze uitvoeren en neemt de besluiten van bestuurlijke aard die niet onder de bevoegdheid van de andere organen van het Instituut vallen.
2.
Hij is belast met het algemeen beheer van het Instituut. Hij vertegenwoordigt het Instituut in rechte.
Hij stelt het ontwerp van jaarlijkse begroting en het ontwerp van driejaarlijkse financiële ramingen op en legt deze ontwerpen, na raadpleging van de Academische Raad, aan de Raad van Bestuur voor.
Hij benoemt de afdelingshoofden, de directeuren van de interdisciplinaire centra en de andere leden van het docentencorps, aangewezen in overeenstemming met artikel 9, lid 5, onder e., en artikel 9, lid 2.
Hij benoemt het administratieve personeel van het Instituut.
3.
De President van het Instituut wordt na raadpleging van de Academische Raad gekozen door de Raad van Bestuur. De wijze waarop de samenwerking tussen de Raad van Bestuur en de Academische Raad bij de totstandkoming van dit besluit verloopt, wordt door de Raad van Bestuur na raadpleging van de Academische Raad met eenparigheid van stemmen bepaald.
De President wordt benoemd voor vijf jaar. Zijn ambtstermijn kan voor een periode van ten hoogste drie jaar worden verlengd bij besluit van de Raad van Bestuur na raadpleging van de Academische Raad genomen met eenparigheid van stemmen.
In de in artikel 6, lid 5, onder a., bedoelde voorschriften worden de voorwaarden vastgesteld waaronder hij, op eigen initiatief of op initiatief van het Instituut, van zijn ambt kan worden ontheven.
1.
Een Algemeen Secretaris staat de President van het Instituut bij in diens organisatorische en bestuurlijke taken.
2.
Zijn mandaat en de duur ervan worden vastgesteld bij de in artikel 6, lid 5 sub a), vermelde voorschriften.
3.
De Algemeen Secretaris en de President van het Instituut mogen niet dezelfde nationaliteit hebben, behoudens een door de Raad van Bestuur met eenparigheid van stemmen genomen andersluidend besluit.
1.
De Academische Raad bezit algemene bevoegdheid inzake onderzoek en onderwijs, zulks onverminderd de bevoegdheden van de overige organen van het Instituut.
De Raad wordt voorgezeten door de President van het Instituut.
2.
Een Uitvoerend Comité, dat wordt voorgezeten door de President van het Instituut, dat wordt bijgestaan door de Algemeen Secretaris, en dat bestaat uit de President, de afdelingshoofden, de directeurs van de in artikel 11, lid 3, bedoelde centra en een vertegenwoordiger van de wetenschappelijke onderzoekers, staat de President op diens verzoek bij in de vervulling van de opdrachten van het Instituut.
Het Uitvoerend Comité bereidt de werkzaamheden van de Academische Raad voor. Het wijst de leden van het docentencorps aan, met uitzondering van die bedoeld in lid 5, onder e. Het stelt de lijst op van de leden van de toelatingscommissie en van de eindexamencommissie.
Het vervult de bijzondere taken die door de Academische Raad aan het Comité worden opgedragen.
Het brengt regelmatig verslag uit aan de Academische Raad en de Raad van Bestuur over de wijze waarop het zijn opdrachten heeft uitgevoerd.
3.
Lid van de Academische Raad zijn:
a. de President van het Instituut;
b. de Algemeen Secretaris van het Instituut, die zonder stemrecht aan de werkzaamheden deelneemt;
c. de afdelingshoofden;
d. de directeuren van de interdisciplinaire centra;
e. alle of een aantal van de aan het Instituut verbonden hoogleraren;
f. alle of een aantal van de aan het Instituut verbonden hoofddocenten;
g. vertegenwoordigers van de andere leden van het docentencorps;
h. vertegenwoordigers van de wetenschappelijke onderzoekers;
i. vertegenwoordigers van de leden van andere categorieën die in het kader van het Instituut deelnemen aan de vervulling van zijn opdrachten.
De Raad van Bestuur kan, onder de door hem vast te stellen voorwaarden, op grond van hun bekwaamheid aangewezen personaliteiten uit de verschillende categorieën van het economische, sociale en culturele leven, die onderdaan van een Overeenkomstsluitende Staat zijn, uitnodigen deel te nemen aan de werkzaamheden van de Academische Raad.
4.
In de voorschriften vermeld in artikel 6, lid 5, sub a, worden vastgesteld:
a. het aantal leden van de Academische Raad die de in lid 3, onder e, f, g, h en i, genoemde categorieën vertegenwoordigen, alsmede de wijze van hun benoeming en de duur van hun mandaat;
b. de voorschriften inzake meerderheid die in de Academische Raad van toepassing zijn;
c. de regels voor de werkwijze van het Uitvoerend Comité.
5.
De Academische Raad:
a. keurt de studieprogramma's van de afdelingen en, na raadpleging van de Raad voor Onderzoek, de onderzoekprogramma's van de afdelingen goed;
b. keurt, na raadpleging van de Raad voor Onderzoek, de onderzoekprogramma's van de interdisciplinaire centra goed;
c. werkt mee aan de opstelling van het ontwerp van jaarlijkse begroting, alsook van het ontwerp van driejaarlijkse financiële ramingen;
d. stelt die uitvoeringsmaatregelen op het gebied van onderzoek en onderwijs vast, die niet onder de bevoegdheid van de andere organen van het Instituut ressorteren;
e. wijst de afdelingshoofden, de directeuren van de interdisciplinaire centra, de hoogleraren en de hoofddocenten die voltijds deel zullen uitmaken van het docentencorps van het Instituut, aan in een zitting waaraan alleen die docenten deelnemen wier hoedanigheid ten minste gelijk is aan die der betrokken personen;
f. stelt de voorwaarden vast waarop de in artikel 14 vermelde titels en getuigschriften worden verleend;
g. onderzoekt het ontwerp-verslag over de werkzaamheden, dat door de President van het Instituut wordt opgesteld en aan de Raad van Bestuur wordt voorgelegd.
6.
De Academische Raad kan het initiatief nemen om aan de Raad van Bestuur voorstellen te doen over de aangelegenheden die onder de bevoegdheid van de Raad van Bestuur ressorteren.
Artikel 10
Het Instituut is georganiseerd in afdelingen die de basiseenheden voor onderzoek en onderwijs zijn.
1.
Van de oprichting af kent het Instituut vier afdelingen, onderscheidenlijk gewijd aan de volgende studierichtingen:
- Economische wetenschappen
- Geschiedenis en cultuurwetenschappen
- Politieke en sociale wetenschappen
- Rechtswetenschappen.
De Raad van Bestuur kan, na raadpleging van de Academische Raad en met inachtneming van de opgedane ervaring, met eenparigheid van stemmen, deze indeling wijzigen of nieuwe afdelingen oprichten. De Academische Raad kan daartoe aanbevelingen doen.
2.
Binnen de grenzen van de voor haar in de begroting uitgetrokken middelen alsmede van de voor 1) de Academische Raad vastgestelde programma's, beschikt de afdeling over een hoge mate van zelfstandigheid bij de uitvoering van de haar opgedragen studie- en onderzoekswerkzaamheden en wordt haar het voor haar werking benodigde personeel toegewezen.
3.
Het Instituut kan, rekening houdend met de bij het Instituut opgerichte afdelingen, een of meer centra voor interdisciplinaire studie en onderzoek omvatten. De oprichting of afschaffing van deze centra alsmede hun opdracht, bijzondere structuur en de algemene werkingsvoorwaarden worden vastgesteld bij besluit van de Raad van Bestuur genomen met gekwalificeerde meerderheid van stemmen na raadpleging van de Academische Raad en de Raad voor Onderzoek.
1.
De onderzoekswerkzaamheden vinden in hoofdzaak plaats in werkcolleges of onderzoekteams. De werkzaamheden van een werkcollege kunnen worden geïntegreerd met die van andere werkcolleges van dezelfde afdeling of van andere afdelingen.
De organisatie van de verschillende werkcolleges en onderzoekteams valt onder de verantwoordelijkheid van de afdelingshoofden. De werkzaamheden zijn het resultaat van actieve samenwerking tussen docenten en wetenschappelijke onderzoekers, die de werkmethoden en de ontwikkeling ervan gezamenlijk bepalen.
2.
De onderzoekswerkzaamheden in de werkcolleges en onderzoekteams moeten worden bepaald binnen de grenzen van de in artikel 9, lid 5, bedoelde studie- en onderzoekprogramma's en met inachtneming van de specifieke taak van het Instituut.
De onderwerpen voor in de werkcolleges en onderzoekteams te verrichten werkzaamheden worden door de afdelingshoofden ter kennis van de Academische Raad gebracht en wel nadat overleg heeft plaatsgevonden met de hoogleraren en de hoofddocenten.
3.
Het Instituut kan stages en colloquia organiseren, waaraan personen kunnen deelnemen die reeds beroepservaring hebben opgedaan in de studierichtingen die tot het studie- en onderzoekterrein van het Instituut behoren.
1.
Het Instituut beschikt over een bibliotheek en een documentatiedienst, die worden gefinancierd uit de jaarlijkse huishoudelijke begroting.
2.
De Italiaanse Republiek verplicht zich ertoe de nodige stappen te doen en overeenkomsten te sluiten om de docenten en wetenschappelijke onderzoekers in staat te stellen te Florence en, indien nodig, in andere Italiaanse steden gebruik te maken van archieven en bibliotheken en toegang te hebben tot musea.
De wijze van uitvoering van deze bepaling wordt vastgesteld in de vestigingsovereenkomst.
1.
In de studierichtingen die tot zijn studie- en onderzoekterrein behoren, is het Instituut gemachtigd om de titel van doctor van het Europees Universitair Instituut te verlenen aan wetenschappelijke onderzoekers die ten minste twee jaar studie aan het Instituut hebben volbracht en een oorspronkelijk werkstuk van hoge kwaliteit hebben voorgelegd, dat door het Instituut is aanvaard en dat overeenkomstig de uitvoeringsbepalingen van lid 4 moet worden gepubliceerd.
2.
Het Instituut is tevens gemachtigd een titel van een niveau beneden dat van doctor te verlenen aan wetenschappelijke onderzoekers die ten minste één jaar studie aan het Instituut nebben volbracht en hebben voldaan aan de bijzondere voorwaarden die overeenkomstig lid 4 voor deze titel zijn vastgesteld.
3.
Onderzoekers aan wie bij het verlaten van het Instituut geen van de in de leden 1 en 2 bedoelde titels is verleend, ontvangen desgewenst van het Instituut een getuigschrift betreffende de studie- en onderzoekwerkzaamheden die zij aan het Instituut hebben verricht.
4.
De voorwaarden voor het verlenen van de titels en het getuigschrift als bedoeld in dit artikel, worden vastgesteld door de Academische Raad; voor deze voorwaarden is de goedkeuring vereist van de Raad van Bestuur.
1.
Het docentencorps bestaat uit de afdelingshoofden, directeuren van interdisciplinaire centra, hoogleraren, hoofddocenten en overige docenten.
2.
De leden van het docentencorps worden gekozen uit persoonlijkheden die onderdaan zijn van de Overeenkomstsluitende Staten en wier bekwaamheden aan de werkzaamheden van het Instituut een hoge waarde kunnen verlenen. Voorts kan het Instituut een beroep doen op de medewerking van onderdanen van andere Staten.
3.
De Overeenkomstsluitende Staten treffen, binnen de grenzen van hun mogelijkheden, de nodige maatregelen ten einde de mobiliteit van personen die deel moeten uitmaken van het docentencorps van het Instituut, te vergemakkelijken.
1.
In de zin van deze Overeenkomst zijn de wetenschappelijke onderzoekers van het Instituut, studenten of wetenschappelijke onderzoekers die in het bezit zijn van nationale universitaire getuigschriften waaruit hun geschiktheid om onderzoeken te verrichten of voort te zetten blijkt, en die beantwoorden aan de voorwaarden van artikel 27, lid 3, en tot het Instituut zijn toegelaten.
2.
Het Instituut is toegankelijk voor de onderdanen van de Overeenkomstsluitende Staten.
Onderdanen van andere Staten kunnen worden toegelaten binnen de grenzen en volgens de voorwaarden neergelegd in de voorschriften die door de Raad van Bestuur worden vastgesteld na raadpleging van de Academische Raad.
3.
Over de toelating tot het Instituut wordt beslist door de toelatingscommissie op de grondslag van de regels welke bij deze Overeenkomst en bij de door de Raad van Bestuur vastgestelde voorschriften zijn gegeven. De commissie houdt rekening met de bekwaamheid van de kandidaten en, voor zover mogelijk, met hun geografische herkomst.
De bevoegde autoriteiten van de Overeenkomstsluitende Staten verlenen hun bijstand aan het Instituut met het oog op de toepassing van de toelatingsprocedure.
1.
Elk der Overeenkomstsluitende Staten bevordert, binnen de grenzen der beschikbare middelen, de toekenning van studiebeurzen aan diegenen van zijn tot het Instituut toegelaten onderdanen wier positie zulks noodzakelijk maakt, waarbij, in voorkomend geval, alle nodige maatregelen worden getroffen om de bepalingen inzake de toekenning van studiebeurzen op ter zake dienende wijze aan te passen.
2.
In de financiële voorschriften kan worden bepaald dat er een speciaal fonds wordt opgericht bestemd voor de toekenning van bepaalde beurzen. Dit fonds kan met name zijn middelen uit particuliere bijdragen verkrijgen.
3.
De voorgaande bepalingen sluiten niet uit dat de wetenschappelijke onderzoekers van het Instituut beurzen kunnen ontvangen, welke door de Europese Gemeenschappen worden toegekend aan wetenschappelijke onderzoekers die werken aan een onderwerp dat verband houdt met de Europese eenwording.
1.
Voor elk begrotingsjaar wordt een huishoudelijke begroting opgesteld.
2.
Alle ontvangsten en uitgaven van het Instituut moeten voor elk begrotingsjaar worden geraamd en opgenomen in de begroting.
De ontvangsten en uitgaven van de begroting moeten in evenwicht zijn.
In de financiële voorschriften wordt een opsomming gegeven van de ontvangsten van het Instituut.
3.
Het begrotingsjaar begint op 1 januari en sluit op 31 december.
4.
De ontvangsten en uitgaven worden in Italiaanse lires uitgedrukt.
1.
De financiële bijdragen van de Overeenkomstsluitende Staten, bestemd voor dekking van de in de begroting van het Instituut opgenomen uitgaven, worden vastgesteld overeenkomstig de volgende verdeelsleutel, in overeenstemming met het Besluit no 3/04 van de Raad van Bestuur van 10 juni 2004:
2.
Vanaf 1 januari 1978 wordt de financiering vastgesteld volgens criteria die worden bepaald tijdens een onderzoek dat met ingang van 1 januari 1977 wordt verricht, waarbij rekening wordt gehouden met de ontwikkeling die de Europese Gemeenschappen dan hebben doorgemaakt, en met het door de communautaire financiering geboden alternatief.
1.
De uitgaven opgevoerd op de begroting worden toegestaan voor de duur van een begrotingsjaar, voor zover niet anders wordt bepaald overeenkomstig artikel 26.
2.
Onder de voorwaarden die worden vastgesteld ter toepassing van artikel 26, kunnen de kredieten welke aan het einde van het begrotingsjaar ongebruikt zijn gebleven, worden overgedragen uitsluitend naar het eerstvolgende begrotingsjaar, voor zover deze kredieten niet betrekking hebben op personeelsuitgaven.
3.
De kredieten worden ingedeeld in hoofdstukken, waarin de uitgaven worden gegroepeerd naar hun aard en bestemming en voor zover nodig onderverdeeld overeenkomstig de financiële voorschriften.
1.
De President voert de begroting uit overeenkomstig de financiële voorschriften en binnen de grenzen der toegekende kredieten. Hij brengt bij de Raad van Bestuur verslag uit van zijn beheer.
2.
De financiële voorschriften kunnen bepalingen bevatten betreffende overschrijving van kredieten hetzij van het ene hoofdstuk naar het andere, hetzij van de ene onderverdeling naar de andere.
Artikel 22
Indien bij het begin van een begrotingsjaar de begroting nog niet is aangenomen, kunnen de uitgaven maandelijks worden verricht per hoofdstuk of per andere afdeling, overeenkomstig de financiële voorschriften, zonder dat zij een twaalfde der bij de begroting van het vorige begrotingsjaar geopende kredieten mogen overschrijden en zonder dat deze maatregel tot gevolg mag hebben, dat het Instituut meer dan een twaalfde van de kredieten der in voorbereiding zijnde ontwerp-begroting ter beschikking krijgt.
De Raad van Bestuur kan met gekwalificeerde meerderheid van stemmen, onder voorbehoud dat aan de overige in de eerste alinea gestelde voorwaarden wordt voldaan, uitgaven van meer dan een twaalfde toestaan.
De Overeenkomstsluitende Staten storten iedere maand bij wijze van voorschot en overeenkomstig de voor het voorafgaande dienstjaar vastgestelde verdeelsleutel de bedragen noodzakelijk voor de toepassing van dit artikel.
1.
De Raad van Bestuur benoemt twee controleurs van verschillende nationaliteit voor een periode van vier jaar. Het mandaat van deze controleurs kan niet worden verlengd.
De controle, die aan de hand van bescheiden en zo nodig ter plaatse geschiedt, heeft ten doel de wettigheid en de regelmatigheid van de ontvangsten en uitgaven na te gaan en vast te stellen of een goed financieel beheer werd gevoerd.
De controleurs brengen jaarlijks aan de Raad van Bestuur verslag uit over hun bevindingen.
De President verschaft alle inlichtingen en verleent alle bijstand die de controleurs bij de uitoefening van hun functie nodig kunnen hebben.
2.
In de financiële voorschriften wordt bepaald op welke wijze aan de President kwijting wordt verleend voor de uitvoering van de begroting.
1.
De President stelt een ontwerp op van driejaarlijkse financiële ramingen en legt dit, na raadpleging van de Academische Raad, ter bestudering en ter beoordeling voor aan de Raad van Bestuur.
2.
De uitvoeringsbepalingen van lid 1 worden geregeld in de financiële voorschriften.
1.
De Italiaanse Republiek stelt een te Florence gelegen terrein alsmede de voor de werking van het Instituut nodige gebouwen gratis ter beschikking van het Instituut en neemt het onderhoud daarvan voor haar rekening.
Op dezelfde voorwaarden stelt de Italiaanse Republiek een ingerichte mensa en een ontmoetingscentrum, beide gebouwd op het terrein van het Instituut, ter beschikking van docenten, wetenschappelijke onderzoekers en personeelsleden van het Instituut.
2.
De uitvoeringsbepalingen van lid 1 worden in de vestigingsovereenkomst geregeld.
1.
Op voorstel van de President van het Instituut of van een der leden van de Raad van Bestuur stelt de Raad van Bestuur met eenparigheid van stemmen de financiële voorschriften vast, waarin met name worden gespecificeerd:
a) de nadere bepalingen betreffende de opstelling en de uitvoering van de jaarlijkse begroting alsmede betreffende de wijze waarop rekening en verantwoording wordt gedaan en de rekeningen worden nagezien;
b) de nadere bepalingen betreffende de opstelling van de driejaarlijkse financiële ramingen;
c) de nadere bepalingen en de procedure voor de storting en het gebruik van de bijdragen der Lid-Staten;
d) de regels en controlebepalingen betreffende de verantwoordelijkheid van de ordonnateurs en rekenplichtigen.
2.
Bij de in lid 1 bedoelde financiële voorschriften kan worden bepaald dat er een Comité voor begroting en financiën wordt ingesteld, dat is samengesteld uit Vertegenwoordigers van de Overeenkomstsluitende Staten en belast wordt met de voorbereiding van het overleg in de Raad van Bestuur over begrotings- en financiële aangelegenheden.
1.
De officiële talen van het Instituut zijn Deens, Duits, Engels, Ests, Fins, Frans, Grieks, Italiaans, Nederlands, Pools, Portugees, Sloveens, Slowaaks, Spaans en Zweeds.
2.
Voor elke academische activiteit worden uit de in lid 1 genoemde talen twee werktalen gekozen, zulks rekening houdend met de talenkennis en de wensen van de docenten en de wetenschappelijke onderzoekers.
De wijze waarop deze talen worden gekozen, wordt door de Raad van Bestuur met eenparigheid van stemmen vastgesteld.
3.
De docenten en de wetenschappelijke onderzoekers moeten een voldoende kennis bezitten van twee der in lid 1 genoemde talen.
De Academische Raad kan een uitzondering maken voor specialisten die uitgenodigd worden, aan bepaalde werkzaamheden van het Instituut deel te nemen.
Artikel 28
In elk der Overeenkomstsluitende Staten heeft het Instituut de ruimste handelingsbevoegdheid welke door de nationale wetgevingen aan rechtspersonen wordt toegekend. Het kan met name roerende of onroerende goederen verkrijgen of vervreemden, overeenkomsten sluiten en in rechte optreden; hiertoe wordt het vertegenwoordigd door zijn President.
Artikel 29
Elk geschil tussen de Overeenkomstsluitende Staten of tussen een of meer Overeenkomstsluitende Staten en het Instituut over de toepassing of de uitlegging van deze Overeenkomst, dat niet kon worden beslecht binnen de Raad van Bestuur, wordt op verzoek van een bij het geschil betrokken partij aan scheidsrechters voorgelegd.
In dit geval wijst de President van het Hof van Justitie der Europese Gemeenschappen de scheidsrechterlijke instantie aan, die dit geschil moet beslechten.
De Overeenkomstsluitende Staten verplichten zich ertoe de beslissingen van de scheidsrechterlijke instantie uit te voeren.
1.
De Raad van Bestuur komt onmiddellijk na de inwerkingtreding van deze Overeenkomst in vergadering bijeen.
2.
De Raad van Bestuur sluit de vestigingsovereenkomst en richt de overige organen op, waarin deze Overeenkomst voorziet.
3.
De eerste acht docenten van het Instituut worden met eenparigheid van stemmen gekozen door een voorlopig Academisch Comité, bestaande uit twee vertegenwoordigers van elk der Overeenkomstsluitende Staten, van welke ten minste één aan een universiteit doceert.
De Academische Raad kan rechtsgeldige besluiten nemen zodra hij is samengesteld uit de President, de Algemeen Secretaris en deze acht docenten.
Artikel 31
De eerste benoeming van de President en van de Algemeen Secretaris van het Instituut geschiedt door de Raad van Bestuur, die met eenparigheid van stemmen besluit.
1.
De toetreding van elke andere Lid-Staat der Europese Gemeenschappen dan de Overeenkomstsluitende Staten geschiedt door het nederleggen van een Toetredingsakte bij de Italiaanse Regering.
2.
De toetreding wordt van kracht op het tijdstip waarop de Raad van Bestuur met eenparigheid van stemmen en met instemming van de toetredende Staat de nodige wijzigingen heeft vastgesteld in de bepalingen van deze Overeenkomst, met name in artikel 6, lid 7, en in artikel 19, lid 1.
Artikel 33
De Regering van elke Overeenkomstsluitende Staat, de President van het Instituut of de Academische Raad kunnen aan de Raad van Bestuur ontwerpen voorleggen tot herziening van deze Overeenkomst. Indien de Raad van Bestuur met eenparigheid van stemmen gunstig adviseert ten aanzien van het bijeenkomen van een Conferentie van de Vertegenwoordigers van de Regeringen der Overeenkomstsluitende Staten, wordt deze Conferentie bijeengeroepen door de Regering die het Voorzitterschap van de Raad van Bestuur vervult.
Artikel 34
Indien een optreden van een der organen van het Instituut noodzakelijk blijkt om een van de in deze Overeenkomst omschreven doelstellingen te verwezenlijken, zonder dat deze Overeenkomst in de daartoe vereiste bevoegdheden voorziet, neemt de Raad van Bestuur met eenparigheid van stemmen de passende maatregelen.
1.
De overeenkomst is van toepassing op het Europese grondgebied van de Overeenkomstsluitende Staten, op de Azoren, op Madeira, op de Canarische Eilanden, op de Franse overzeese departementen alsmede op de Franse overzeese gebieden.
2.
In afwijking van lid 1 is deze Overeenkomst niet van toepassing op de zones die onder de soevereiniteit van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland op Cyprus vallen; het is evenmin van toepassing op de Kanaaleilanden en het eiland Man, tenzij de Regering van het Verenigd Koninkrijk bij de toetreding tot deze Overeenkomst of op een later tijdstip verklaart dat deze Overeenkomst op een of meer van deze grondgebieden van toepassing is.
3.
In afwijking van lid 1 is deze Overeenkomst niet van toepassing op de zones die onder de soevereiniteit van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland op Cyprus vallen; het is evenmin van toepassing op de Kanaaleilanden en het eiland Man, tenzij de Regering van het Verenigd Koninkrijk bij de toetreding tot deze Overeenkomst of op een later tijdstip verklaart dat deze Overeenkomst op een of meer van deze grondgebieden van toepassing is.
4.
Elke Overeenkomstsluitende Staat kan bij de ondertekening, de ratificatie, de aanvaarding of de goedkeuring van de Overeenkomst, of bij de toetreding tot de Overeenkomst, of op enig later tijdstip, door kennisgeving aan de Regering van de Italiaanse Republiek verklaren dat deze Overeenkomst van toepassing is op datgene of diegene van de in die verklaring vermelde, buiten Europa gelegen gebieden, waarvan hij de internationale betrekkingen waarneemt.
Artikel 36
Deze Overeenkomst zal worden onderworpen aan de bekrachtiging, aanvaarding of goedkeuring, vereist krachtens de grondwettelijke bepalingen der Overeenkomstsluitende Staten.
Deze Overeenkomst treedt in werking op de eerste dag van de maand volgende op de ontvangst van de laatste kennisgeving door de Regering van de Italiaanse Republiek van de vervulling van deze formaliteiten.
Artikel 37
De Regering van de Italiaanse Republiek zal de Overeenkomstsluitende Staten in kennis stellen van:
a) elke ondertekening;
b) de nederlegging van elke akte van bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding, alsmede van elke in artikel 35, lid 2. bedoelde verklaring;
c) de inwerkingtreding van deze Overeenkomst;
d) elke wijziging die overeenkomstig artikel 33 in deze Overeenkomst wordt aangebracht.
Artikel 38
Deze Overeenkomst, opgesteld in de Duitse, de Franse, de Italiaanse en de Nederlandse taal, zijnde de vier teksten gelijkelijk authentiek, zal worden nedergelegd in het archief van de Regering van de Italiaanse Republiek, die een voor eensluidend gewaarmerkt afschrift daarvan toezendt aan de Regeringen der andere Ondertekenende Staten.
De in de Deense, de Engelse en de Ierse taal opgestelde teksten van de Overeenkomst, die als bijlage gehecht zijn aan het besluit van de Raad van Bestuur waarin de wijzigingen worden omschreven die in verband met de toetreding van het Koninkrijk Denemarken, Ierland en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland nodig zijn, zijn gelijkelijk authentiek op dezelfde voet als de bovengenoemde oorspronkelijke teksten van de Overeenkomst, en de Regering van de Italiaanse Republiek zendt een voor eensluidend gewaarmerkt afschrift daarvan toe aan de Regering van elk van de overige Overeenkomstsluitende Staten.
De in de Griekse taal opgestelde tekst van de Overeenkomst, die als bijlage gehecht is aan het Besluit van de Raad van Bestuur waarin de wijzigingen worden omschreven die in verband met de toetreding van Griekenland nodig zijn, is gelijktijdig 1) [2] authentiek op dezelfde voet als de bovengenoemde teksten van de Overeenkomst, en de Regering van de Italiaanse Republiek zendt een voor eensluidend gewaarmerkt afschrift daarvan toe aan de Regering van elk der Overeenkomstsluitende Staten.
De tekst van de Overeenkomst opgesteld in de Spaanse taal die als bijlage is gehecht aan het besluit van de Raad van Bestuur waarin de wijzigingen worden omschreven die in verband met de toetreding van het Koninkrijk Spanje nodig zijn, is authentiek op dezelfde voet als de teksten genoemd in de voorgaande alinea's en de Regering van de Italiaanse Republiek zendt een voor eensluidend gewaarmerkt afschrift daarvan toe aan de Regering van elk van de andere Overeenkomstsluitende Staten.
De in de Portugese taal opgestelde tekst van de Overeenkomst, die als bijlage gehecht is aan Besluit nr. 4/89 van de Raad van Bestuur van 7/12/1989 houdende wijziging van de Overeenkomst houdende oprichting van een Europees Universitair Instituut naar aanleiding van de toetreding van de Portugese Republiek, is gelijkelijk authentiek op dezelfde voet als de in de voorgaande alinea's vermelde teksten, en de Regering van de Italiaanse Republiek zendt een voor eensluidend gewaarmerkt afschrift daarvan toe aan de Regering van elk van de andere Overeenkomstsluitende Staten.
De in de Finse en Zweedse taal opgestelde teksten van de Overeenkomst, die als bijlage gehecht zijn aan het Besluit van de Raad van Bestuur 1)[3] , waarin de wijzigingen worden omschreven die in verband met de toetreding van de Finse Republiek en het Koninkrijk Zweden nodig zijn, zijn gelijkelijk authentiek op dezelfde voet als de in de voorgaande alinea's vermelde teksten, en de Regering van de Italiaanse Republiek zendt een voor eensluidend gewaarmerkt afschrift daarvan toe aan de Regering van elk van de andere Overeenkomstsluitende Staten.
De Griekse, Sloveense en Slowaakse tekst van deze Overeenkomst, zoals opgenomen in de Bijlage bij dit Besluit van de Raad van Bestuur houdende wijziging van de Overeenkomst houdende oprichting van een Europees Universitair Instituut in verband met de toetreding van de Republiek Cyprus, de Republiek Slovenië en de Slowaakse Republiek, zijn gelijkelijk authentiek op dezelfde voet als de in de voorgaande leden vermelde teksten, en de Regering van de Italiaanse Republiek zendt een voor eensluidend gewaarmerkt afschrift daarvan toe aan de Regering van elk van de andere Overeenkomstsluitende Staten.
De Estse tekst van deze Overeenkomst, zoals opgenomen in de Bijlage bij dit Besluit van de Raad van Bestuur houdende wijziging van de Overeenkomst houdende oprichting van een Europees Universitair Instituut in verband met de toetreding van de Republiek Estland, is gelijkelijk authentiek op dezelfde voet als de in de voorgaande leden vermelde teksten, en de Regering van de Italiaanse Republiek zendt een voor eensluidend gewaarmerkt afschrift daarvan toe aan de Regering van elk van de andere Overeenkomstsluitende Staten.
TEN BLIJKE WAARVAN de ondergetekende gevolmachtigden hun handtekening onder deze Overeenkomst hebben gesteld.
GEDAAN te Florence, negentien april negentienhonderd tweeënzeventig.