Rechtenmedia.nl - Juridische Online Uitgeverij  Rechtennieuws.nl | Jure.nl | Maxius.nl | Parlis.nl | Rechtenforum.nl | JBmatch.nl | MijnWetten.nl | AdvocatenZoeken.nl | Rechtentotaal.nl
Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte, Oporto, 02-05-1992
Bwb-id:
Officiele titel:
Citeertitel:
Ook bekend als:
Soort regeling:
Wetsfamilies:
Eerst verantwoordelijk ministerie:

Geldigheidsdatum:
Ingangsdatum:
Inhoudsopgave
Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte
Artikel 1
Artikel 2
Artikel 3
Artikel 4
Artikel 5
Artikel 6
Artikel 7
+ HOOFDSTUK 1. DE GRONDBEGINSELEN
+ HOOFDSTUK 2. LANDBOUW- EN VISSERIJPRODUCTEN
+ HOOFDSTUK 3. SAMENWERKING OP HET GEBIED VAN DOUANE-AANGELEGENHEDEN EN HANDELSBEVORDERING
+ HOOFDSTUK 4. ANDERE VOORSCHRIFTEN INZAKE HET VRIJE VERKEER VAN GOEDEREN
+ HOOFDSTUK 5. KOLEN- EN STAALPRODUKTEN
+ HOOFDSTUK I. WERKNEMERS EN ZELFSTANDIGEN
+ HOOFDSTUK 2. RECHT VAN VESTIGING
+ HOOFDSTUK 3. DIENSTEN
+ HOOFDSTUK 4. KAPITAAL
+ HOOFDSTUK 5. SAMENWERKING BIJ HET ECONOMISCH EN MONETAIR BELEID
+ HOOFDSTUK 6. VERVOER
+ HOOFDSTUK 1. REGELS VOOR ONDERNEMINGEN
+ HOOFDSTUK 2. STEUNMAATREGELEN VAN DE STATEN
+ HOOFDSTUK 3. VERDERE GEMEENSCHAPPELIJKE REGELS
+ HOOFDSTUK 1. SOCIAAL BELEID
+ HOOFDSTUK 2. BESCHERMING VAN DE CONSUMENT
+ HOOFDSTUK 3. HET MILIEU
+ HOOFDSTUK 4. STATISTIEKEN
+ HOOFDSTUK 5. VENNOOTSCHAPSRECHT
Artikel 78
Artikel 79
Artikel 80
Artikel 81
Artikel 82
Artikel 83
Artikel 84
Artikel 85
Artikel 86
Artikel 87
Artikel 88
+ HOOFDSTUK 1. DE STRUCTUUR VAN DE ASSOCIATIE
+ HOOFDSTUK 2. DE BESLUITVORMINGSPROCEDURE
+ HOOFDSTUK 3. HOMOGENITEIT, TOEZICHTPROCEDURE EN BESLECHTING VAN GESCHILLEN
+ HOOFDSTUK 4. VRIJWARINGSMAATREGELEN
Artikel 115
Artikel 116
Artikel 117
Artikel 118
Artikel 119
Artikel 120
Artikel 121
Artikel 122
Artikel 123
Artikel 124
Artikel 125
Artikel 126
Artikel 127
Artikel 128
Artikel 129
Vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature

Juridisch advies nodig?
Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag
Geschiedenis

Geschiedenis-overzicht
Jurisprudentie
Voorbeelden van het gebruik van deze artikel(en) in rechterlijke uitspraken

Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte, Oporto, 02-05-1992

Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte
(authentiek: nl)
de Europese Gemeenschap,
het Koninkrijk België,
de Republiek Bulgarije,
de Tsjechische Republiek,
het Koninkrijk Denemarken,
de Bondsrepubliek Duitsland,
de Republiek Estland,
Ierland,
de Helleense Republiek,
het Koninkrijk Spanje,
de Franse Republiek,
de Republiek Kroatië,
de Italiaanse Republiek,
de Republiek Cyprus,
de Republiek Letland,
de Republiek Litouwen,
het Groothertogdom Luxemburg,
Hongarije,
de Republiek Malta,
het Koninkrijk der Nederlanden,
de Republiek Oostenrijk,
de Republiek Polen,
de Portugese Republiek,
Roemenië,
de Republiek Slovenië,
de Slowaakse Republiek,
de Republiek Finland,
het Koninkrijk Zweden,
het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland,
en
IJsland,
het Vorstendom Liechtenstein,
het Koninkrijk Noorwegen,
hierna de OVEREENKOMSTSLUITENDE PARTIJEN te noemen;
OVERTUIGD van de bijdrage die een Europese Economische Ruimte zal leveren aan de totstandbrenging van een Europa gebaseerd op vrede, democratie en mensenrechten;
OPNIEUW BEVESTIGEND de hoge prioriteit die wordt toegekend aan de bevoorrechte relatie tussen de Europese Gemeenschap, haar Lid-Staten en de EVA-Staten gebaseerd op nabuurschap, traditionele gemeenschappelijke waarden en een Europese identiteit;
VASTBESLOTEN op basis van de beginselen van de markteconomie bij te dragen aan de mondiale vrijmaking van de handel en internationale samenwerking op handelsgebied, met name in overeenstemming met de bepalingen van de Algemene Overeenkomst betreffende Tarieven en Handel en de Overeenkomst betreffende de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling;
OVERWEGENDE het oogmerk een dynamische en homogene Europese Economische Ruimte tot stand te brengen, gebaseerd op gemeenschappelijke regels en gelijke mededingingsvoorwaarden, en voorzien van een passend uitvoeringsmechanisme, mede op gerechtelijk niveau, een en ander op basis van gelijkheid en wederkerigheid en van een algeheel evenwicht wat betreft de voordelen en de rechten en plichten voor de overeenkomstsluitende partijen;
VASTBESLOTEN te voorzien in een zo volledig mogelijke verwezenlijking van het vrije verkeer van goederen, personen, diensten en kapitaal in de gehele Europese Economische Ruimte, alsmede in een sterkere en ruimere samenwerking op het gebied van begeleidende en horizontale beleidsmaatregelen;
STREVENDE naar een harmonische ontwikkeling van de Europese Economische Ruimte en overtuigd van de noodzaak via de uitvoering van deze Overeenkomst bij te dragen aan vermindering van de economische en sociale regionale verschillen;
VERLANGENDE bij te dragen aan de versterking van de samenwerking tussen de leden van het Europese Parlement en de parlementen van de EVA-Staten alsmede tussen de sociale partners in de Europese Gemeenschap en de EVA-Staten;
OVERTUIGD van de belangrijke rol die personen in de Europese Economische Ruimte via de uitoefening van de door deze Overeenkomst aan hen toegekende rechten en via een verdediging daarvan in rechte zullen spelen;
VASTBESLOTEN de kwaliteit van het milieu te behouden, te beschermen en te verbeteren en zorg te dragen voor een behoedzaam en rationeel gebruik van de natuurlijke hulpbronnen, met name op basis van het beginsel van duurzame ontwikkeling en preventief handelen;
VASTBESLOTEN bij de verdere uitwerking van regels uit te gaan van een hoog beschermingsniveau wat betreft de gezondheid, de veiligheid en het milieu;
WIJZENDE op het belang van de ontwikkeling van de sociale dimensie, inclusief de gelijke behandeling van mannen en vrouwen, in de Europese Economische Ruimte en wensende de economische en sociale vooruitgang te verzekeren en de voorwaarden voor volledige werkgelegenheid, een hogere levensstandaard en betere arbeidsvoorwaarden binnen de Europese Economische Ruimte te verbeteren;
VASTBESLOTEN de belangen van de consumenten te bevorderen en hun positie op de markt te versterken, waarbij een hoog beschermingsniveau wordt nagestreefd;
VERLANGENDE de gemeenschappelijke doelstellingen van versterking van de wetenschappelijke en technologische basis van de Europese industrie en verbetering van haar internationale concurrentiepositie te verwezenlijken;
OVERWEGENDE dat de sluiting van deze Overeenkomst op generlei wijze afbreuk doet aan de mogelijkheid van een EVA-Staat toe te treden tot de Europese Gemeenschappen;
OVERWEGENDE dat de overeenkomstsluitende partijen, met volledige eerbiediging van de onafhankelijkheid van de rechterlijke instanties, streven naar een uniforme uitlegging en toepassing van deze Overeenkomst en van die bepalingen van de communautaire wetgeving die in hoofdzaak in deze Overeenkomst zijn overgenomen, en te komen tot een gelijke behandeling van personen en ondernemingen wat betreft de vier vrijheden en de mededingingsvoorwaarden;
OVERWEGENDE dat deze Overeenkomst geen beperkingen stelt aan de besluitvormingsautonomie van de overeenkomstsluitende partijen noch aan hun bevoegdheid tot het sluiten van verdragen, behoudens het bepaalde in deze Overeenkomst en de door het volkenrecht gestelde beperkingen.
HEBBEN BESLOTEN de volgende Overeenkomst te sluiten:
1.
Het doel van deze Associatieovereenkomst is de bevordering van een gestadige en evenwichtige versterking van de handel en de economische betrekkingen tussen de overeenkomstsluitende partijen onder gelijke mededingingsvoorwaarden en met inachtneming van dezelfde voorschriften met het oog op de totstandbrenging van een homogene Europese Economische Ruimte, hierna “EER” te noemen,
2.
Ten einde de in lid 1 genoemde doelstellingen te bereiken, voorziet de associatie, in overeenstemming met de bepalingen van deze Overeenkomst, in:
a) het vrije verkeer van goederen,
b) het vrije verkeer van personen,
c) het vrije verkeer van diensten,
d) het vrije verkeer van kapitaal,
e) de totstandbrenging van een systeem waardoor wordt gewaarborgd dat de mededinging niet wordt vervalst en dat de mededingingsregels gelijkelijk worden nagekomen, alsmede
f) nauwere samenwerking op andere gebieden, zoals onderzoek en ontwikkeling, het milieu, het onderwijs en het sociaal beleid.
Artikel 2 [Wordt voorlopig toegepast per 12-04-2014]
In deze Overeenkomst wordt verstaan onder :
a) “Overeenkomst” : de hoofdovereenkomst met de daarbij behorende protocollen en bijlagen alsmede de daarin genoemde besluiten;
b) „EVA-Staten”: IJsland, het Vorstendom Liechtenstein en het Koninkrijk Noorwegen.
c) “overeenkomstsluitende partijen”: wat de Gemeenschap en de Lid-Staten van de EG betreft, de Gemeenschap en de Lid-Staten van de EG, of de Gemeenschap, of de Lid-Staten van de EG. De per geval aan deze term te hechten betekenis moet worden afgeleid uit de betrokken bepalingen van deze Overeenkomst en de onderscheiden bevoegdheden van de Gemeenschap en de Lid-Staten van de EG zoals deze voortvloeien uit het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap.
d) Toetredingsakte van 16 april 2003 : de akte betreffende de toetredingsvoorwaarden voor de Tsjechische Republiek, de Republiek Estland, de Republiek Cyprus, de Republiek Letland, de Republiek Litouwen, de Republiek Hongarije, de Republiek Malta, de Republiek Polen, de Republiek Slovenië en de Slowaakse Republiek en de aanpassingen van de Verdragen waarop de Europese Unie is gegrond, goedgekeurd te Athene op 16 april 2003.
e) Toetredingsakte van 25 april 2005: de Akte betreffende de toetredingsvoorwaarden voor de Republiek Bulgarije en Roemenië en de aanpassing van de Verdragen waarop de Europese Unie is gegrond, goedgekeurd te Luxemburg op 25 april 2005.
f) het begrip „Toetredingsakte van 9 december 2011” heeft betrekking op „de Akte betreffende de voorwaarden voor de toetreding van de Republiek Kroatië en de aanpassing van het Verdrag betreffende de Europese Unie, het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie en het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie, ondertekend te Brussel op 9 december 2011.
Artikel 3
De overeenkomstsluitende partijen treffen alle algemene of bijzondere maatregelen welke geschikt zijn om de nakoming van de uit deze Overeenkomst voortvloeiende verplichtingen te verzekeren.
Zij onthouden zich van alle maatregelen welke de verwezenlijking van de doelstellingen van deze Overeenkomst in gevaar kunnen brengen.
Voorts vergemakkelijken zij de samenwerking in het kader van deze Overeenkomst.
Artikel 4
Binnen de werkingssfeer van deze Overeenkomst en onverminderd de daarin vervatte bijzondere bepalingen, is elke discriminatie op grond van nationaliteit verboden.
Artikel 5
Een overeenkomstsluitende partij kan een vraagstuk dat zij van belang acht te allen tijde aan de orde stellen op het niveau van het Gemengd Comité van de EER of de EER-Raad op de respectievelijk in artikel 92, lid 2, en artikel 89, lid 2, vastgestelde wijzen.
Artikel 6
Onverminderd de toekomstige ontwikkelingen van de jurisprudentie, worden de bepalingen van deze Overeenkomst, voor zover zij in essentie gelijk zijn aan de overeenkomstige regels van het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap en het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal en de ter uitvoering van die Verdragen aangenomen besluiten, wat de tenuitvoerlegging en toepassing betreft, uitgelegd overeenkomstig de desbetreffende uitspraken van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen daterende van vóór de ondertekening van deze Overeenkomst.
Artikel 7
De in de bijlagen bij deze Overeenkomst of in beschikkingen van het Gemengd Comité van de EER vermelde of vervatte besluiten zijn verbindend voor de overeenkomstsluitende partijen en maken deel uit van of worden opgenomen in hun interne rechtsorde, zulks op de volgende wijze :
a) een met een EEG-verordening overeenstemmend besluit wordt als zodanig opgenomen in de interne rechtsorde van de overeenkomstsluitende partijen ;
b) een met een EEG-richtlijn overeenstemmend besluit laat aan de instanties van de overeenkomstsluitende partijen de vrijheid om de vorm, middelen en wijze van tenuitvoerlegging te kiezen.
1.
Het vrije verkeer van goederen tussen de overeenkomstsluitende partijen wordt in overeenstemming met de bepalingen van deze Overeenkomst tot stand gebracht.
2.
Tenzij anders bepaald, zijn de artikelen 10 tot en met 15, 19, 20, 25, 26 en 27 slechts van toepassing op produkten van oorsprong uit de overeenkomstsluitende partijen.
3.
Tenzij anders bepaald, zijn de bepalingen van deze Overeenkomst slechts van toepassing op :
a) de produkten vallende onder de hoofdstukken 25 tot en met 97 van het geharmoniseerd systeem inzake de omschrijving en codering van goederen, met uitzondering van de in Protocol 2 vermelde produkten ;
b) de in Protocol 3 opgenomen produkten, behoudens de in dat protocol vervatte specifieke regelingen.
1.
Protocol 4 bevat de regels inzake oorsprong. Zij doen geen afbreuk aan de internationale verplichtingen die door de overeenkomstsluitende partijen in het kader van de Algemene Overeenkomst betreffende Tarieven en Handel zijn of kunnen worden aangegaan.
2.
Met het oog op de ontwikkeling van de in deze Overeenkomst bereikte resultaten zullen de overeenkomstsluitende partijen zich blijven inspannen om alle aspecten van de regels inzake oorsprong verder te verbeteren en te vereenvoudigen en de samenwerking op douanegebied uit te breiden.
3.
Een eerste onderzoek zal plaatsvinden vóór eind 1993. Vervolgens vindt om de twee jaar een onderzoek plaats. Op basis daarvan zeggen de overeenkomstsluitende partijen toe een besluit te zullen nemen over passende in de Overeenkomst op te nemen maatregelen.
Artikel 10
In- en uitvoerrechten en heffingen van gelijke werking zijn tussen de overeenkomstsluitende partijen verboden. Onverminderd de in Protocol 5 opgenomen regelingen geldt zulks eveneens voor douanerechten van fiscale aard.
Artikel 11
Kwantitatieve invoerbeperkingen en alle maatregelen van gelijke werking zijn tussen de overeenkomstsluitende partijen verboden.
Artikel 12
Kwantitatieve uitvoerbeperkingen en alle maatregelen van gelijke werking zijn tussen de overeenkomstsluitende partijen verboden.
Artikel 13
Het bepaalde in de artikelen 11 en 12 vormt geen beletsel voor verboden of beperkingen van invoer, uitvoer of doorvoer, welke gerechtvaardigd zijn uit hoofde van bescherming van de openbare zedelijkheid, de openbare orde, de openbare veiligheid, de gezondheid en het leven van personen, dieren, planten, het nationaal artistiek, historisch en archeologisch bezit of uit hoofde van bescherming van de industriële en commerciële eigendom. Deze verboden of beperkingen mogen echter geen middel tot willekeurige discriminatie noch een verkapte beperking van de handel tussen de overeenkomstsluitende Staten vormen.
Artikel 14
De overeenkomstsluitende partijen heffen op produkten van de andere overeenkomstsluitende partijen, al dan niet rechtstreeks, geen hogere binnenlandse belastingen van welke aard ook dan die welke, al dan niet rechtstreeks, op gelijksoortige nationale produkten worden geheven.
Bovendien heffen de overeenkomstsluitende partijen op de produkten van de overige overeenkomstsluitende partijen geen zodanige binnenlandse belastingen, dat daardoor andere produkties zijdelings worden beschermd.
Artikel 15
Bij de uitvoer van produkten naar het grondgebied van een der overeenkomstsluitende partijen mag de teruggave van binnenlandse belastingen niet het bedrag overschrijden dat daarover al dan niet rechtstreeks geheven is.
1.
De overeenkomstsluitende partijen zorgen ervoor dat nationale monopolies van commerciële aard zo worden aangepast dal elke discriminatie tussen onderdanen van de Lid-Staten van de EG en onderdanen van de EVA-Staten wat de voorwaarden van de voorziening en afzet van goederen betreft, zal zijn uitgesloten.
2.
De bepalingen van dit artikel zijn van toepassing op elk lichaam waardoor de bevoegde autoriteiten van de overeenkomstsluitende partijen de invoer of de uitvoer tussen de overeenkomstsluitende partijen in rechte of in feite rechtstreeks of zijdelings beheersen, leiden of aanmerkelijk beïnvloeden. Deze bepalingen zijn eveneens van toepassing op de door een Staat gedelegeerde monopolies.
Artikel 17
Bijlage I bevat specifieke bepalingen en regelingen op veterinair en fytosanitair gebied.
Artikel 18
Onverminderd de specifieke regelingen betreffende de handel in landbouwprodukten zorgen de overeenkomstsluitende partijen ervoor dat aan de in de artikelen 17 en 23, onder a) en b), vervatte regelingen, zoals deze van toepassing zijn op andere produkten dan die welke onder artikel 8, lid 3, vallen, geen afbreuk wordt gedaan door andere technische handelsbelemmeringen. Artikel 13 is van toepassing.
1.
De overeenkomstsluitende partijen bestuderen eventuele moeilijkheden die bij hun handel in landbouwprodukten rijzen en pogen hiervoor passende oplossingen te vinden.
2.
De overeenkomstsluitende partijen verplichten zich tot voortzetting van hun inspanningen met het oog op de geleidelijke liberalisatie van de handel in landbouwprodukten.
3.
Hiertoe onderwerpen zij de voorwaarden waaronder de handel in landbouwprodukten plaatsvindt vóór eind 1993 en daarna om de twee jaar aan een onderzoek.
4.
De overeenkomstsluitende partijen zullen, in het licht van de resultaten van dat onderzoek, in het kader van het landbouwbeleid van hun respectieve landen en met inachtneming van de resultaten van de Uruguay-Ronde, binnen het kader van deze Overeenkomst op preferentiële, bilaterale of multilaterale basis, op grondslag van wederkerigheid en wederzijds voordeel beslissen over verdere verminderingen van alle soorten handelsbelemmeringen in de landbouwsector, inclusief die welke voortvloeien uit nationale monopolies van commerciële aard op landbouwgebied.
Artikel 20
Protocol 9 bevat bepalingen en regelingen die van toepassing zijn op vis en andere produkten van de zee.
1.
Ten einde de onderlinge handel te bevorderen, vereenvoudigen de overeenkomstsluitende partijen de grenscontroles en -formaliteiten. Hiertoe strekkende regelingen zijn opgenomen in Protocol 10.
2.
De overeenkomstsluitende partijen verlenen elkaar bijstand in douaneaangelegenheden, ten einde ervoor te zorgen dat de douanewetgeving correct wordt toegepast. Hiertoe strekkende regelingen zijn opgenomen in Protocol 11.
3.
De overeenkomstsluitende partijen versterken en verbreden de samenwerking met het oog op vereenvoudiging van de procedures voor de handel in goederen, met name in het kader van communautaire programma's, projecten en acties die beogen de handel overeenkomstig de in deel VI vervatte regels te vergemakkelijken.
4.
In afwijking van artikel 8, lid 3, is dit artikel van toepassing op alle produkten.
Artikel 22
Een overeenkomstsluitende partij die de verlaging overweegt van het daadwerkelijke niveau van haar rechten of heffingen van gelijke werking geldende voor derde landen die in aanmerking komen voor de meestbegunstigingsclausule of die schorsing van de toepassing daarvan overweegt, stelt het Gemengd Comité van de EER, voor zover zulks uitvoerbaar is, uiterlijk 30 dagen voordat een dergelijke verlaging of schorsing van kracht wordt, hiervan in kennis. Hij neemt nota van eventuele bezwaren van andere overeenkomstsluitende partijen ten aanzien van mogelijk hieruit voortvloeiende verstoringen.
Artikel 23
Specifieke bepalingen en regelingen zijn vervat in :
a) Protocol 12 en bijlage II wat betreft technische voorschriften, normen, keuring en certificering ;
b) Protocol 47 wat betreft de afschaffing van technische belemmeringen voor de handel in wijn ;
c) bijlage III wat betreft produktaansprakelijkheid.
Zij zijn van toepassing op alle produkten, tenzij anders wordt bepaald.
Artikel 24
Bijlage IV bevat specifieke bepalingen en regelingen betreffende energie.
Artikel 25
Wanneer naleving van het bepaalde in de artikelen 10 en 12 leidt tot
a) wederuitvoer naar een derde land ten aanzien waarvan de exporterende overeenkomstsluitende partij voor het betrokken produkt kwantitatieve beperkingen, uitvoerrechten of maatregelen of heffingen van gelijke werking handhaaft, dan wel
b) een ernstig of dreigend ernstig tekort aan een voor de exporterende overeenkomstsluitende partij essentieel produkt.
en voornoemde situaties aanleiding geven of kunnen geven tot ernstige moeilijkheden voor de exporterende overeenkomstsluitende partij, kan die partij passende maatregelen overeenkomstig de in artikel 113 vermelde procedures treffen.
Artikel 26
In de betrekkingen tussen de overeenkomstsluitende partijen worden geen anti-dumpingmaatregelen, compenserende rechten en maatregelen tegen ongeoorloofde handelspraktijken van derde landen toegepast, tenzij in deze Overeenkomst anders wordt bepaald.
Artikel 27
De Protocollen 14 en 25 bevatten bepalingen en regelingen betreffende kolen- en staalprodukten.
1.
Tussen de Lid-Staten van de EG en de EVA-Staten wordt vrij verkeer van werknemers tot stand gebracht.
2.
Dit houdt de afschaffing in van elke discriminatie op grond van nationaliteit tussen de werknemers van de Lid-Staten van de EG en de EVA-Staten, wat betreft de werkgelegenheid, de beloning en de overige arbeidsvoorwaarden.
3.
Het houdt behoudens de uit hoofde van openbare orde, openbare veiligheid en volksgezondheid gerechtvaardigde beperkingen het recht in om :
a) in te gaan op een feitelijk aanbod tot tewerkstelling :
b) zich te dien einde vrij te verplaatsen binnen het grondgebied van de Lid-Staten van de EG en de EVA-Staten ;
c) op het grondgebied van een Lid-Staat van de EG of een EVA-Staat te verblijven ten einde daar een beroep uit te oefenen overeenkomstig de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen welke voor de tewerkstelling van nationale werknemers gelden ;
d) op het grondgebied van een Lid-Staat van de EG of een EVA-Staat verblijf te houden, na er een betrekking te hebben vervuld.
4.
De bepalingen van dit artikel zijn niet van toepassing op betrekkingen in overheidsdienst.
5.
Bijlage V bevat specifieke bepalingen inzake het vrije verkeer van werknemers.
Artikel 29
Met het oog op de totstandkoming van het vrije verkeer van werknemers en zelfstandigen waarborgen de overeenkomstsluitende partijen voor werknemers en zelfstandigen en hun rechthebbenden op het gebied van de sociale zekerheid, overeenkomstig bijlage VI, met name :
a) dat, met het oog op het verkrijgen en het behoud van het recht op uitkeringen alsmede voor de berekening daarvan, al die tijdvakken worden bijeengeteld welke door de verschillende nationale wetgevingen in aanmerking worden genomen ;
b) dat de uitkeringen aan personen die op het grondgebied van de overeenkomstsluitende partijen verblijven, zullen worden betaald.
Artikel 30
Ten einde de toegang tot en de uitoefening van werkzaamheden voor werknemers en zelfstandigen te vergemakkelijken, treffen de overeenkomstsluitende partijen overeenkomstig bijlage VII de noodzakelijke maatregelen inzake de onderlinge erkenning van diploma's, certificaten en andere titels en de coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de overeenkomstsluitende partijen betreffende de toegang tot en de uitoefening van werkzaamheden door werknemers en zelfstandigen.
1.
In het kader van de bepalingen van deze Overeenkomst zijn er geen beperkingen van de vrijheid van vestiging voor onderdanen van een Lid-Staat van de EG of een EVA-Staat op het grondgebied van een andere staat bij de Overeenkomst. Dit geldt eveneens voor de oprichting van agentschappen, filialen of dochterondernemingen door de onderdanen van een Lid-Staat van de EG of een EVA-Staat die op het grondgebied van een van deze staten zijn gevestigd.
De vrijheid van vestiging omvat, behoudens de bepalingen van hoofdstuk 4, de toegang tot werkzaamheden anders dan in loondienst en de uitoefening daarvan alsmede de oprichting en het beheer van ondernemingen, en met name van vennootschappen in de zin van artikel 34, tweede alinea, overeenkomstig de bepalingen welke door de wetgeving van het land van vestiging voor de eigen onderdanen zijn vastgesteld.
2.
De bijlagen VIII tot en met XI bevatten specifieke bepalingen inzake hel recht van vestiging.
Artikel 32
De bepalingen van dit hoofdstuk zijn, wat de betrokken overeenkomstsluitende partij betreft, niet van toepassing op de werkzaamheden ter uitoefening van het openbaar gezag in deze overeenkomstsluitende partij, zelfs indien deze slechts voor een bepaalde gelegenheid geschieden.
Artikel 33
De voorschriften van dit hoofdstuk en de maatregelen uit hoofde daarvan genomen doen niet af aan de toepasselijkheid van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen waarbij een bijzondere regeling is vastgesteld voor vreemdelingen, welke bepalingen uit hoofde van de openbare orde, de openbare veiligheid en de volksgezondheid gerechtvaardigd zijn.
Artikel 34
Vennootschappen welke in overeenstemming met de wetgeving van een Lid-Staat van de EG of een EVA-Staat zijn opgericht en welke hun statutaire zetel, hun hoofdbestuur of hun hoofdvestiging op het grondgebied van de overeenkomstsluitende partijen hebben, worden voor de toepassing van dit hoofdstuk gelijkgesteld met natuurlijke personen die onderdaan zijn van de Lid-Staten van de EG of de EVA-Staten.
Onder vennootschappen worden verstaan maatschappen naar burgerlijk recht of handelsrecht, de coöperatieve verenigingen of vennootschappen daaronder begrepen, en de overige rechtspersonen naar publiek- of privaatrecht, met uitzondering van vennootschappen welke geen winst beogen.
Artikel 35
De bepalingen van artikel 30 zijn van toepassing op het onderwerp dat in dit hoofdstuk is geregeld.
1.
In het kader van de bepalingen van deze Overeenkomst zijn er geen beperkingen van het vrij verrichten van diensten binnen het grondgebied van de overeenkomstsluitende partijen ten aanzien van de onderdanen van de Lid-Staten van de EG en de EVA-Staten die in een andere Lid-Staat van de EG of een EVA-Staat zijn gevestigd dan die, waarin degene is gevestigd te wiens behoeve de dienst wordt verricht.
2.
De bijlagen IX tot en met XI bevatten specifieke bepalingen inzake het vrij verrichten van diensten.
Artikel 37
In deze Overeenkomst worden als diensten beschouwd de dienstverrichtingen welke gewoonlijk tegen vergoeding geschieden, voor zover de bepalingen betreffende het vrije verkeer van goederen, kapitaal en personen op deze dienstverrichtingen niet van toepassing zijn.
Diensten omvatten met name werkzaamheden :
a) van industriële aard;
b) van commerciële aard;
c) van het ambacht;
d) van de vrije beroepen.
Onverminderd de bepalingen van hoofdstuk 2, kan degene die de dienst verricht, daartoe zijn werkzaamheden tijdelijk uitoefenen in het land waar de dienst wordt verricht, onder dezelfde voorwaarden als die welke dat land aan zijn eigen onderdanen oplegt.
Artikel 38
Het vrije verkeer van diensten op het gebied van het vervoer wordt geregeld door de bepalingen van hoofdstuk 6.
Artikel 39
De bepalingen van de artikelen 30 en 32 tot en met 34 zijn van toepassing op het onderwerp dat in dit hoofdstuk is geregeld.
Artikel 40
In het kader van de bepalingen van deze Overeenkomst zijn er tussen de overeenkomstsluitende partijen geen beperkingen van het verkeer van kapitaal toebehorende aan personen die woonachtig of gevestigd zijn in de Lid-Staten van de EG of de EVA-Staten en is er geen discriminerende behandeling op grond van de nationaliteit of van de vestigingsplaats van partijen of op grond van het gebied waar het kapitaal wordt belegd. Bijlage XII bevat de bepalingen die nodig zijn voor de tenuitvoerlegging van dit artikel.
Artikel 41
De lopende betalingen met betrekking tot het verkeer van goederen, personen, diensten en kapitaal tussen de overeenkomstsluitende partijen zijn in het kader van de bepalingen van deze Overeenkomst vrij van alle beperkingen.
1.
Wanneer binnenlandse voorschriften met betrekking tot de kapitaalmarkt en het kredietwezen worden toegepast op het overeenkomstig de bepalingen van deze Overeenkomst geliberaliseerd kapitaalverkeer, dan geschiedt zulks op nietdiscriminerende wijze.
2.
Leningen voor de middellijke of onmiddellijke financiering van een Lid-Staat van de EG of een EVA-Staat of van zijn territoriale publiekrechtelijke lichamen kunnen in de overige Lid-Staten van de EG of de EVA-Staten slechts worden uitgeschreven of geplaatst nadat tussen de betrokken staten ter zake overeenstemming is bereikt.
1.
Wanneer verschillen tussen de deviezenregelingen van de Lid-Staten van de EG en de EVA-Staten de personen die woonachtig of gevestigd zijn in een van deze landen ertoe zouden brengen de in artikel 40 bedoelde transfermogelijkheden op het grondgebied van de overeenkomstsluitende partijen te benutten, ten einde de door een van deze landen ten opzichte van derde landen getroffen regeling te ontgaan, kan de betrokken overeenkomstsluitende partij passende maatregelen treffen om deze moeilijkheden weg te nemen.
2.
Ingeval kapitaalbewegingen verstoringen in de werking van de kapitaalmarkt in een Lid-Staat van de EG of een EVA-Staat tot gevolg hebben, kan de betrokken overeenkomstsluitende partij beschermende maatregelen op het gebied van het kapitaalverkeer nemen.
3.
Indien de bevoegde instanties van een overeenkomstsluitende partij in de wisselkoers een wijziging aanbrengen die de mededingingsvoorwaarden ernstig vervalst, kunnen de overige overeenkomstsluitende partijen voor een strikt beperkte periode de maatregelen nemen die noodzakelijk zijn om de gevolgen van die handelwijze te ondervangen.
4.
In geval van moeilijkheden of ernstig dreigende moeilijkheden in de betalingsbalans van een Lid-Staat van de EG of een EVA-Staat, die voortvloeien hetzij uit het ontbreken van het globaal evenwicht van zijn balans hetzij uit de aard van zijn beschikbare deviezen, en die met name de werking van deze Overeenkomst in gevaar kunnen brengen, kan de betrokken overeenkomstsluitende partij beschermende maatregelen treffen.
Artikel 44
De Gemeenschap enerzijds en de EVA-Staten anderzijds passen hun interne procedures toe, zoals bepaald in Protocol 18 om de bepalingen van artikel 43 uit te voeren.
1.
Het Gemengd Comité van de EER wordt in kennis gesteld van de beschikkingen, adviezen en aanbevelingen verband houdende met de in artikel 43 beschreven maatregelen.
2.
Over alle maatregelen wordt in het Gemengd Comité van de EER voorafgaand overleg gepleegd en informatie uitgewisseld.
3.
In de in artikel 43, lid 2, bedoelde situatie kan de betrokken overeenkomstsluitende partij evenwel om reden van hun geheim of dringend karakter, maatregelen zelf treffen, wanneer zij noodzakelijk zijn, zonder voorafgaand overleg en voorafgaande uitwisseling van informatie.
4.
In het in artikel 43, lid 4, bedoelde geval dat er een plotselinge crisis in de betalingsbalans optreedt en de procedures van lid 2 niet kunnen worden gevolgd, kan de betrokken overeenkomstsluitende partij te harer bescherming de noodzakelijke beschermende maatregelen treffen. Die maatregelen moeten zo weinig mogelijk verstoringen in de werking van de Overeenkomst teweegbrengen en mogen niet verder reiken dan strikt onvermijdelijk is om de plotseling opgetreden moeilijkheden te overwinnen.
5.
Wanneer er maatregelen overeenkomstig de leden 3 en 4 worden getroffen, wordt hiervan uiterlijk op de datum van hun inwerkingtreding mededeling gedaan en vinden de uitwisseling van informatie, het overleg en de in lid 1 bedoelde kennisgevingen zo spoedig mogelijk daarna plaats.
Artikel 46
De overeenkomstsluitende partijen wisselen meningen en informatie uit over de tenuitvoerlegging van deze Overeenkomst en het effect van de integratie op hun economische bedrijvigheid en hun economisch en monetair beleid. Voorts kunnen zij macroeconomische situaties, beleid en vooruitzichten bespreken. Deze uitwisseling van meningen en informatie is niet bindend.
1.
De artikelen 48 tot en met 52 zijn van toepassing op het vervoer per spoor, over de weg en over de binnenwateren.
2.
Bijlage XIII bevat specifieke bepalingen betreffende alle wijzen van vervoer.
1.
De bepalingen van een Lid-Staat van de EG of een EVA-Staat betreffende het vervoer per spoor, over de weg en over de binnenwateren die niet onder bijlage XIII vallen, worden in hun rechtstreekse of zijdelingse uitwerking niet minder gunstig gemaakt voor de vervoerondernemers van de overige staten dan voor de nationale vervoerondernemers.
2.
Elke overeenkomstsluitende partij die van het in lid 1 vervatte beginsel afwijkt, stelt het Gemengd Comité van de EER daarvan in kennis. Indien andere overeenkomstsluitende partijen de afwijking niet aanvaarden, kunnen zij overeenkomstige tegenmaatregelen nemen.
Artikel 49
Met deze Overeenkomst is verenigbaar steun die beantwoordt aan de behoeften van de coördinatie van het vervoer of die overeenkomt met de vergoeding van bepaalde met het begrip "openbare dienst" verbonden, verplichte dienstverrichtingen.
1.
In het verkeer op het grondgebied van de overeenkomstsluitende partijen zijn er geen discriminaties welke daarin bestaan, dat een vervoerondernemer voor dezelfde verbindingen verschillende vrachtprijzen en vervoervoorwaarden voor gelijke goederen toepast naar gelang van het land van herkomst of bestemming van de vervoerde waren.
2.
De overeenkomstig deel VII bevoegde autoriteit onderzoekt eigener beweging of op verzoek van een Lid-Staat van de EG of een EVA-Staat de in dit artikel bedoelde gevallen van discriminatie en neemt in het kader van haar interne regels de noodzakelijke beschikkingen.
1.
Behoudens machtiging van de in artikel 50, lid 2, bedoelde bevoegde autoriteit, is het verboden voor het vervoer op het grondgebied van de overeenkomstsluitende partijen de toepassing van prijzen en voorwaarden op te leggen welke enig element van steun of bescherming in het belang van een of meer ondernemingen of bepaalde industrieën inhouden.
2.
De bevoegde autoriteit onderwerpt eigener beweging of op verzoek van een Lid-Staat van de EG of een EVA-Staat de in lid 1 bedoelde prijzen en voorwaarden aan een onderzoek en houdt daarbij met name rekening, enerzijds met de vereisten van een passend regionaal economisch beleid, met de behoeften van minder ontwikkelde gebieden alsmede met de vraagstukken welke zich in door politieke omstandigheden ernstig benadeelde streken voordoen, en anderzijds met de gevolgen van die prijzen en voorwaarden voor de mededinging tussen de takken van vervoer.
De bevoegde autoriteit neemt in het kader van haar interne regels de noodzakelijke beschikkingen.
3.
Het in lid 1 bedoelde verbod geldt niet voor mededingingstarieven.
Artikel 52
De heffingen of andere rechten welke naast de vervoerprijs door een vervoerondernemer in verband met het overschrijden der grens in rekening worden gebracht, mogen een redelijk peil niet te boven gaan, gelet op de werkelijke kosten welke door die grensoverschrijding feitelijk zijn veroorzaakt. De overeenkomstsluitende partijen streven naar een geleidelijke verlaging van die kosten.
1.
Onverenigbaar met de werking van deze Overeenkomst en verboden zijn alle overeenkomsten tussen ondernemingen, alle besluiten van ondernemersverenigingen en alle onderling afgestemde feitelijke gedragingen welke de handel tussen de overeenkomstsluitende partijen ongunstig kunnen beïnvloeden en ertoe strekken of ten gevolge hebben dat de mededinging op het door deze Overeenkomst bestreken grondgebied wordt verhinderd, beperkt of vervalst en met name die welke bestaan in :
a) het rechtstreeks of zijdelings bepalen van de aan- of verkoopprijzen of van andere contractuele voorwaarden :
b) het beperken of controleren van de produktie, de afzet, de technische ontwikkeling of de investeringen ;
c) het verdelen van de markten of van de voorzieningsbronnen ;
d) het ten opzichte van handelspartners toepassen van ongelijke voorwaarden bij gelijkwaardige prestaties, hun daarmede nadeel berokkenend bij de mededinging :
e) het afhankelijk stellen van het sluiten van overeenkomsten van de aanvaarding door de handelspartners van bijkomende prestaties welke naar hun aard of volgens het handelsgebruik geen verband houden met het onderwerp van deze overeenkomsten.
2.
De krachtens dit artikel verboden overeenkomsten of besluiten zijn van rechtswege nietig.
3.
De bepalingen van lid 1 van dit artikel kunnen echter buiten toepassing worden verklaard :
- voor elke overeenkomst of groep van overeenkomsten tussen ondernemingen,
- voor elk besluit of groep van besluiten van ondernemersverenigingen, en
- voor elke onderling afgestemde feitelijke gedraging of groep van gedragingen
die bijdragen tot verbetering van de produktie of van de verdeling der produkten of tot verbetering van de technische of economische vooruitgang, mits een billijk aandeel in de daaruit voortvloeiende voordelen de gebruikers ten goede komt, en zonder nochtans aan de betrokken ondernemingen
a) beperkingen op te leggen welke voor het bereiken van deze doelstellingen niet onmisbaar zijn ;
b) de mogelijkheid te geven, voor een wezenlijk deel van de betrokken produkten de mededinging uit te schakelen.
Artikel 54
Onverenigbaar met de werking van deze Overeenkomst en verboden, voor zover de handel tussen de overeenkomstsluitende partijen daardoor ongunstig kan worden beïnvloed, is het, dat een of meer ondernemingen misbruik maken van een machtspositie op het door deze Overeenkomst bestreken grondgebied af op een wezenlijk deel daarvan.
Dit misbruik kan met name bestaan in :
a) het rechtstreeks of zijdelings opleggen van onbillijke aan- af verkoopprijzen of van andere onbillijke contractuele voorwaarden ;
b) het beperken van de produktie, de afzet of de technische ontwikkeling ten nadele van de verbruikers ;
c) het toepassen ten opzichte van handelspartners van ongelijke voorwaarden bij gelijkwaardige prestaties, hun daarmede nadeel berokkenend bij de mededinging ;
d) het feit dat het sluiten van overeenkomsten afhankelijk wordt gesteld van het aanvaarden door de handelspartners van bijkomende prestaties, welke naar hun aard of volgens het handelsgebruik geen verband houden met het onderwerp van deze overeenkomsten.
1.
Onverminderd de bepalingen die uitvoering geven aan de artikelen 53 en 54, zoals die in Protocol 21 en bijlage XIV van deze Overeenkomst zijn vervat, waken de Commissie van de EG en de in artikel 108, lid 1, bedoelde Toezichthoudende Autoriteit van de EVA over de toepassing van de in de artikelen 53 en 54 neergelegde beginselen.
De in artikel 56 bedoelde bevoegde toezichthoudende autoriteit stelt, eigener beweging of op verzoek van een staat binnen het onderscheiden rechtsgebied of van het andere toezichthoudende orgaan, een onderzoek in naar de gevallen van vermoedelijke inbreuk op deze beginselen. De bevoegde toezichthoudende autoriteit verricht het onderzoek in samenwerking met de bevoegde nationale autoriteiten binnen het onderscheiden rechtsgebied en met het andere toezichthoudende orgaan dat haar overeenkomstig zijn interne regels behulpzaam is.
Indien haar blijkt dat inbreuk is gepleegd, stelt zij passende middelen voor om daaraan een eind te maken.
2.
Wordt aan deze inbreuken geen eind gemaakt, dan stelt de bevoegde toezichthoudende autoriteit de inbreuk op de beginselen in een met redenen omkleedde beschikking vast.
De bevoegde toezichthoudende autoriteit kan haar beschikking bekendmaken en de staten binnen het onderscheiden rechtsgebied machtigen de noodzakelijke tegenmaatregelen, waarvan zij de voorwaarden en de wijze van toepassing bepaalt, te treffen om de toestand te verhelpen. Zij kan de andere toezichthoudende autoriteit eveneens verzoeken om de staten binnen het onderscheiden rechtsgebied te machtigen tot het treffen van dergelijke maatregelen.
1.
Over afzonderlijke gevallen waarop artikel 53 van toepassing is, wordt door de toezichthoudende autoriteiten overeenkomstig de volgende bepalingen beslist :
a) over afzonderlijke gevallen waarin alleen de handel tussen de EVA-Staten ongunstig wordt beïnvloed, wordt beslist door de Toezichthoudende Autoriteit van de EVA ;
b) onverminderd het bepaalde onder c) beslist de Toezichthoudende Autoriteit van de EVA, zoals bepaald in artikel 58, Protocol 21 en de uitvoeringsbepalingen daarvan, Protocol 23 en bijlage XIV, over de gevallen waarin de omzet van de betrokken ondernemingen op het grondgebied van de EVA-Staten 33 % of meer bedraagt van hun omzet op het door deze overeenkomst bestreken grondgebied ;
c) over de overige gevallen alsmede over de onder b) bedoelde gevallen waarin de handel tussen de Lid-Staten van de EG ongunstig wordt beïnvloed, beslist de Commissie van de EG met inachtneming van het bepaalde in artikel 58, Protocol 21, Protocol 23 en bijlage XIV.
2.
Over afzonderlijke gevallen waarop artikel 54 van toepassing is, wordt beslist door de toezichthoudende autoriteit op het rechtsgebied waarvan het bestaan van een machtspositie is geconstateerd. Het in lid 1, onder b) en c), bepaalde is slechts van toepassing indien er een machtspositie bestaat binnen het rechtsgebied van beide toezichthoudende autoriteiten.
3.
Over afzonderlijke gevallen waarop lid 1, onder c), van toepassing is en waarvan de gevolgen voor de handel tussen de Lid-Staten van de EG of voor de mededinging binnen de Gemeenschap niet merkbaar zijn, wordt beslist door de Toezichthoudende Autoriteit van de EVA.
4.
De termen "ondernemingen" en "omzet" worden voor de toepassing van dit artikel in Protocol 22 gedefinieerd.
1.
Concentraties die overeenkomstig lid 2 aan toezicht onderworpen zijn en die een machtspositie creëren of versterken ten gevolge waarvan een daadwerkelijke mededinging op het door deze Overeenkomst bestreken grondgebied of op een wezenlijk deel daarvan aanzienlijk wordt belemmerd, worden onverenigbaar met deze Overeenkomst verklaard.
2.
Op concentraties waarop lid 1 van toepassing is, wordt toezicht gehouden door:
a) de Commissie van de EG in de gevallen waarop Verordening (EEG) nr. 4064/89 van toepassing is, overeenkomstig die verordening en overeenkomstig de Protocollen 21 en 24 en bijlage XIV. Aan de Commissie van de EG wordt de uitsluitende bevoegdheid toegekend over deze gevallen te beslissen, met dien verstande dat het Hof van Justitie van de EG de wettigheid hiervan kan nagaan ;
b) de Toezichthoudende Autoriteit van de EVA in de gevallen die niet onder het bepaalde in punt a) vallen, wanneer de in bijlage XIV vermelde drempels op het grondgebied van de EVA-Staten zijn bereikt overeenkomstig de Protocollen 21 en 24 en bijlage XIV, zulks onverminderd de bevoegdheden van de Lid-Staten van de EG.
Artikel 58
De bevoegde autoriteiten werken samen overeenkomstig het bepaalde in de Protocollen 23 en 24, met het oog op de omwikkeling en het behoud van een uniform toezichtbeleid in de gehele Europese Economische Ruimte op het gebied van de mededinging en met het oog op de bevordering van een homogene tenuitvoerlegging, toepassing en interpretatie van de daartoe strekkende bepalingen van deze Overeenkomst.
1.
De overeenkomstsluitende partijen zien erop toe dat met betrekking tot de openbare bedrijven en de ondernemingen waaraan de Lid-Staten van de EG of de EVA-Staten bijzondere of uitsluitende rechten verlenen, geen enkele maatregel wordt vastgesteld of gehandhaafd welke in strijd is met de regels van deze Overeenkomst, met name die bedoeld in de artikelen 4 en 53 tot en met 63.
2.
Ondernemingen belast met het beheer van diensten van algemeen economisch belang of die het karakter dragen van een fiscaal monopolie, vallen onder de regels van deze Overeenkomst, met name onder de mededingingsregels, voor zover de toepassing daarvan de vervulling, in feite of in rechte, van de hun toevertrouwde bijzondere taken niet verhindert. De ontwikkeling van het handelsverkeer mag niet worden beïnvloed in een mate die strijdig is met het belang van de overeenkomstsluitende partijen.
3.
De Commissie van de EG en de Toezichthoudende Autoriteit van de EVA waken binnen het kader van hun respectieve bevoegdheden over de toepassing van dit artikel en treffen, voor zover nodig, passende maatregelen ten aanzien van de staten binnen hun onderscheiden rechtsgebied.
Artikel 60
Bijlage XIV bevat specifieke bepalingen ter uitvoering van de beginselen neergelegd in de artikelen 53, 54, 57 en 59.
1.
Behoudens de afwijkingen waarin deze Overeenkomst voorziet, zijn steunmaatregelen van de Lid-Staten van de EG, de EVA-Staten of in welke vorm ook met staatsmiddelen bekostigd, die de mededinging door begunstiging van bepaalde ondernemingen of bepaalde produkties vervalsen of dreigen te vervalsen, onverenigbaar met de werking van deze Overeenkomst, voor zover deze steun het handelsverkeer tussen de overeenkomstsluitende partijen ongunstig beïnvloedt.
2.
Met de werking van deze Overeenkomst zijn verenigbaar :
a) steunmaatregelen van sociale aard aan individuele verbruikers op voorwaarde dat deze toegepast worden zonder onderscheid naar de oorsprong van de produkten ;
b) steunmaatregelen tot herstel van schade veroorzaakt door natuurrampen of andere buitengewone gebeurtenissen.
c) steunmaatregelen aan de economie van bepaalde streken van de Bondsrepubliek Duitsland die nadeel ondervinden van de deling van Duitsland, voor zover deze steunmaatregelen noodzakelijk zijn om de door deze deling berokkende economische nadelen te compenseren.
3.
Als verenigbaar met de werking van deze Overeenkomst kunnen worden beschouwd :
a) steunmaatregelen ter bevordering van de economische ontwikkeling van streken waarin de levensstandaard abnormaal laag is of waar een ernstig gebrek aan werkgelegenheid heerst ;
b) steunmaatregelen om de verwezenlijking van een belangrijk project van gemeenschappelijk Europees belang te bevorderen of een ernstige verstoring in de economie van een Lid-Staat van de EG of een EVA-Staat op te heffen ;
c) steunmaatregelen om de omwikkeling van bepaalde vormen van economische bedrijvigheid of van bepaalde regionale economieën te vergemakkelijken, mits de voorwaarden waaronder het handelsverkeer plaatsvindt daardoor niet zodanig worden veranderd dat het gemeenschappelijk belang wordt geschaad ;
d) andere soorten van steunmaatregelen aangewezen door het Gemengd Comité van de EER overeenkomstig deel VII.
1.
Op het grondgebied van de overeenkomstsluitende partijen worden alle bestaande regelingen inzake overheidssteun en alle plannen om overheidssteun te verlenen of te wijzigen voortdurend onderzocht op hun verenigbaarheid met artikel 61. Dit onderzoek wordt uitgevoerd:
a) wat de Lid-Staten van de EG betreft, door de Commissie van de EG overeenkomstig de in artikel 93 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap vastgestelde regels;
b) wat de EVA-Staten betreft, door de Toezichthoudende Autoriteit van de EVA overeenkomstig de regels neergelegd in een overeenkomst tussen de EVA-Staten waarbij deze autoriteit, die de in Protocol 26 vastgestelde bevoegdheden en taken heeft, wordt ingesteld.
2.
Met het oog op een uniform toezichtbeleid op het gebied van overheidssteun op het gehele door deze Overeenkomst bestreken grondgebied werken de Commissie van de EG en de Toezichthoudende Autoriteit van de EVA samen overeenkomstig het bepaalde in Protocol 27.
Artikel 63
Bijlage XV bevat specifieke bepalingen inzake overheidssteun.
1.
Indien een van de toezichthoudende autoriteiten van oordeel is dat de tenuitvoerlegging door de andere toezichthoudende autoriteit van de artikelen 61 en 62 van deze Overeenkomst en van artikel 5 van Protocol 14 niet in overeenstemming is met de handhaving van gelijke mededingingsvoorwaarden op het door deze Overeenkomst bestreken grondgebied, wordt daarover overeenkomstig de procedure van Protocol 27, punt f), binnen twee weken van gedachten gewisseld.
Indien tegen het einde van deze periode van twee weken geen gemeenschappelijk aanvaarde oplossing is bereikt, kan de bevoegde autoriteit van de benadeelde overeenkomstsluitende partij onverwijld passende tussentijdse maatregelen nemen om aan de ontstane vervalsing van de mededinging een einde te maken.
Vervolgens wordt in het Gemengd Comité van de EER overleg gepleegd, ten einde een voor alle betrokkenen aanvaardbare oplossing uit te werken.
Indien het Gemengd Comité van de EER binnen drie maanden geen oplossing heeft kunnen uitwerken, en indien de desbetreffende feitelijke gedraging de mededinging zodanig vervalst of dreigt te vervalsen dat de handel tussen de overeenkomstsluitende partijen ongunstig wordt beïnvloed, kunnen de tussentijdse maatregelen worden vervangen door definitieve maatregelen die strikt noodzakelijk zijn om de gevolgen van die vervalsing te compenseren. Er wordt voorrang verleend aan maatregelen die de werking van de EER zo weinig mogelijk verstoren.
2.
De bepalingen van dit artikel zijn eveneens van toepassing op staatsmonopolies die na de datum van ondertekening van de Overeenkomst tot stand komen.
1.
Bijlage XVI bevat specifieke bepalingen en regelingen betreffende aanbestedingen die, tenzij anders bepaald, op alle vermelde produkten en diensten van toepassing zijn.
2.
Protocol 28 en bijlage XVII bevatten specifieke bepalingen en regelingen betreffende de intellectuele, industriële en commerciële eigendom die, tenzij anders bepaald, op alle produkten en diensten van toepassing zijn.
Artikel 66
De overeenkomstsluitende partijen erkennen de noodzaak, verbetering van de levensstandaard en de arbeidsvoorwaarden van de werknemers te bevorderen.
1.
De overeenkomstsluitende partijen beijveren zich om de verbetering van met name het arbeidsmilieu te bevorderen ten einde de gezondheid en de veiligheid van de werknemers te beschermen. Om dit doel te bereiken worden geleidelijk minimumeisen ingevoerd met inachtneming van de in elk van de overeenkomstsluitende partijen bestaande omstandigheden en technische voorschriften. Dergelijke minimumeisen beletten niet dat een overeenkomstsluitende partij maatregelen voor een hogere graad van bescherming van de arbeidsvoorwaarden handhaaft en treft welke met deze Overeenkomst verenigbaar zijn.
2.
Bijlage XVIII bevat de als de in lid I genoemde minimumeisen in te voeren bepalingen.
Artikel 68
De overeenkomstsluitende partijen treffen op het gebied van het arbeidsrecht de maatregelen die noodzakelijk zijn om de goede werking van deze Overeenkomst te waarborgen. Deze maatregelen zijn opgenomen in bijlage XVIII.
1.
Elke overeenkomstsluitende partij verzekert en handhaaft de toepassing van het beginsel van gelijke beloning voor mannelijke en vrouwelijke werknemers voor gelijke arbeid.
Onder beloning in de zin van dit artikel dient te worden verstaan het gewone basis- of minimumloon of -salaris, en alle overige voordelen in geld of in natura die de werkgever direct of indirect aan de werknemer uit hoofde van zijn dienstbetrekking betaalt.
Gelijkheid van beloning zonder onderscheid naar kunne houdt in :
a) dat de beloning voor dezelfde arbeid in stukloon wordt vastgesteld op basis van een zelfde maatstaf ;
b) dat de beloning voor arbeid in tijdloon dezelfde is voor een zelfde functie.
2.
Bijlage XVIII bevat specifieke bepalingen voor de tenuitvoerlegging van lid 1.
Artikel 70
De overeenkomstsluitende partijen bevorderen het beginsel van gelijke behandeling van mannelijke en vrouwelijke werknemers via de tenuitvoerlegging van de in bijlage XVIII opgenomen bepalingen.
Artikel 71
De overeenkomstsluitende partijen beijveren zich de dialoog tussen de sociale partners op Europees niveau te bevorderen.
Artikel 72
Bijlage XIX bevat bepalingen inzake de bescherming van de consument.
1.
Het optreden van de overeenkomstsluitende partijen op milieugebied heeft tot doel :
a) de kwaliteit van het milieu te behouden, te beschermen en te verbeteren ;
b) bij te dragen tot de bescherming van de gezondheid van de mens ;
c) zorg te dragen voor een behoedzaam en rationeel gebruik van de natuurlijke hulpbronnen.
2.
Het optreden van de overeenkomstsluitende partijen op milieugebied berust op de beginselen van preventief handelen, bestrijding van milieu-aantastingen bij voorrang aan de bron en het beginsel dat de vervuiler betaalt. De eisen terzake van milieubescherming vormen een bestanddeel van de andere takken van beleid van de overeenkomstsluitende partijen
Artikel 74
Bijlage XX bevat de specifieke bepalingen inzake beschermende maatregelen die overeenkomstig artikel 73 van toepassing zijn.
Artikel 75
De in artikel 74 bedoelde beschermende maatregelen beletten niet dat een overeenkomstsluitende partij maatregelen voor een verdergaande bescherming handhaaft en treft welke met deze Overeenkomst verenigbaar zijn.
1.
De overeenkomstsluitende partijen zorgen voor de produktie en verspreiding van samenhangende en vergelijkbare statistische informatie voor het beschrijven en volgen van alle ter zake doende economische, sociale en milieu-aspecten van de Europese Economische Ruimte.
2.
Hiertoe ontwikkelen en gebruiken de overeenkomstsluitende partijen geharmoniseerde methoden, definities en indelingen alsmede gemeenschappelijke programma's en procedures ; de statistische werkzaamheden worden op de passende administratieve niveaus georganiseerd en de noodzaak van vertrouwelijke behandeling van de statistische informatie wordt naar behoren in acht genomen.
3.
Bijlage XXI bevat specifieke bepalingen inzake statistieken.
4.
Protocol 30 bevat specifieke bepalingen inzake de organisatie van de samenwerking op het gebied van de statistieken.
Artikel 77
Bijlage XXII bevat specifieke bepalingen inzake het vennootschapsrecht.
Artikel 78
De overeenkomstsluitende partijen versterken en verbreden de samenwerking in het kader van de werkzaamheden van de Gemeenschap op het gebied van :
- onderzoek en technologische ontwikkeling,
- informatiediensten,
- milieu,
- onderwijs, opleiding en jongerenbeleid,
- sociaal beleid,
- bescherming van de consument,
- kleine en middelgrote ondernemingen,
- toerisme,
- de audiovisuele sector en
- burgerbescherming,
voor zover deze onderwerpen niet in andere delen van deze Overeenkomst worden geregeld.
1.
De overeenkomstsluitende partijen stellen alles in het werk, met name via de in deel VII vastgestelde procedures, om hun dialoog te versterken ten einde te bepalen op welke terreinen en voor welke werkzaamheden nauwere samenwerking zou kunnen bijdragen tot de verwezenlijking van hun gemeenschappelijke doelstellingen op de in artikel 78 genoemde gebieden.
2.
Zij wisselen met name informatie uit en plegen, op verzoek van een overeenkomstsluitende partij, overleg in het Gemengd Comité van de EER over plannen of voorstellen voor de totstandbrenging of wijziging van kaderprogramma's, specifieke programma's, acties en projecten op de in artikel 78 genoemde terreinen.
3.
Deel VII is mutatis mutandis van toepassing op het onderhavige deel, wanneer zulks in laatstgenoemd deel of Protocol 31 speciaal wordt bepaald.
Artikel 80
De in artikel 78 bedoelde samenwerking vindt normaliter in een van de volgende vormen plaats:
- deelneming door EVA-Staten aan communautaire kaderprogramma's, specifieke programma's, projecten of andere acties ;
- totstandbrenging van gezamenlijke activiteiten op specifieke terreinen, inclusief overleg over of coördinatie van activiteiten, het samenvoegen van bestaande activiteiten en de totstandbrenging van gezamenlijke ad hoc-activiteiten :
- formele en informele uitwisseling of verstrekking van informatie ;
- gemeenschappelijke inspanningen om bepaalde activiteiten op het gehele grondgebied van de overeenkomstsluitende partijen aan te moedigen ;
- parallelle wetgeving, in voorkomend geval, met een identieke of gelijksoortige inhoud ;
- coördinatie van inspanningen en activiteiten, wanneer zulks van wederzijds belang is, via of in het kader van internationale organisaties en van samenwerking met derde landen.
Artikel 81
Wanneer de samenwerking de vorm aanneemt van deelneming door EVA-Staten in een communautair kaderprogramma, specifiek programma, project of andere actie, zijn de volgende beginselen van toepassing :
a) De EVA-Staten moeten toegang hebben tot alle delen van een programma.
b) In de status van de EVA-Staten in de commissies die de Commissie bijstaan bij het beheer of de ontwikkeling van een communautaire activiteit waaraan EVA-Staten op grond van hun deelneming financieel kunnen bijdragen, moet deze bijdrage ten volle tot uiting komen.
c) Besluiten van de Gemeenschap die geen verband houden met de algemene begroting van de Gemeenschap, en al dan niet rechtstreeks betrekking hebben op een kaderprogramma, een specifiek programma, een project of andere actie waaraan EVA-Staten via een in het kader van deze Overeenkomst genomen besluit deelnemen, zijn onderworpen aan het bepaalde in artikel 79, lid 3. De voorwaarden voor de voortgezette deelneming aan bedoelde activiteit kunnen door het Gemengd Comité van de EER worden gewijzigd overeenkomstig artikel 86.
d) Op projectniveau hebben instellingen, ondernemingen, organisaties en onderdanen van de EVA-Staten dezelfde rechten en verplichtingen in het communautaire programma of een andere actie als die welke gelden voor de instellingen, ondernemingen, organisaties en onderdanen van de Lid-Staten van de EG waarmee het partnerschap wordt aangegaan. Hetzelfde geldt mutatis mutandis voor deelnemers aan uitwisselingen tussen EVA-Staten en Lid-Staten van de EG in het kader van bedoelde activiteit.
e) De EVA-Staten, hun instellingen, ondernemingen, organisaties en onderdanen hebben dezelfde rechten en verplichtingen ten aanzien van de verspreiding, evaluatie en exploitatie van resultaten als die welke gelden voor de Lid-Staten van de EG, hun instellingen, ondernemingen, organisaties en onderdanen.
f) De overeenkomstsluitende partijen verbinden zich ertoe om, in overeenstemming met hun onderscheiden voorschriften en regelingen, het verkeer van deelnemers aan het programma of een andere actie in de mate waarin zulks noodzakelijk is te vergemakkelijken.
1.
Wanneer de samenwerking in het kader van dit deel een financiële deelneming van de EVA-Staten omvat, vindt die deelneming in een van de volgende vormen plaats :
a) De bijdrage van de EVA-Staten als gevolg van hun deelneming aan communautaire activiteiten wordt berekend naar rato van :
- de vastleggingskredieten en
- de betalingskredieten
die elk jaar voor de Gemeenschap op de algemene communautaire begroting worden opgevoerd op elke begrotingslijn overeenstemmende met de betrokken activiteiten.
De "evenredigheidsfactor" aan de hand waarvan de deelneming van de EVA-Staten wordt bepaald, is de som van de verhoudingsgetallen tussen het bruto binnenlands produkt tegen marktprijzen van elk van de EVA-Staten enerzijds en de som van de bruto binnenlandse produkten tegen marktprijzen van de Lid-Staten van de EG en die EVA-Staat anderzijds. Deze factor wordt voor elk begrotingsjaar aan de hand van de meest recente statistische gegevens berekend.
Het bedrag van de bijdrage van de EVA-Staten is zowel wat de vastleggingskredieten als wat de betalingskredieten betreft een aanvulling op de voor de Gemeenschap opgevoerde bedragen op de algemene begroting op elke begrotingslijn overeenstemmende met de betrokken activiteiten.
De elk jaar door de EVA-Staten te betalen bijdragen worden op basis van de betalingskredieten vastgesteld.
Verplichtingen die de Gemeenschap is aangegaan vóór de inwerkingtreding op basis van deze Overeenkomst van de deelneming van de EVA-Staten aan de betrokken activiteiten - en de daaruit voortvloeiende betalingen -, geven geen aanleiding tot een bijdrage van de EVA-Staten.
b) De financiële bijdrage van de EVA-Staten als gevolg van hun deelneming aan bepaalde projecten of andere activiteiten wordt gebaseerd op het beginsel dat elke overeenkomstsluitende partij haar eigen kosten dekt en een door het Gemengd Comité van de EER vast te stellen passende bijdrage levert aan de algemene kosten van de Gemeenschap.
c) Het Gemengd Comité van de EER neemt de nodige besluiten betreffende de bijdrage van de overeenkomstsluitende partijen in de kosten van de activiteit.
2.
Protocol 32 bevat de nadere bepalingen voor de tenuitvoerlegging van dit artikel.
Artikel 83
Wanneer de samenwerking de vorm van een uitwisseling van informatie tussen overheidsinstanties aanneemt, hebben de EVA-Staten dezelfde rechten om informatie te ontvangen en verplichtingen om informatie te verstrekken als de Lid-Staten van de EG, op voorwaarde dat wordt voldaan aan de eisen van vertrouwelijkheid die door het Gemengd Comité van de EER worden vastgesteld.
Artikel 84
Protocol 31 bevat bepalingen inzake samenwerking op bepaalde specifieke terreinen.
Artikel 85
Tenzij anders bepaald in Protocol 31 gelden voor op de datum van inwerkingtreding van deze Overeenkomst reeds tussen de Gemeenschap en afzonderlijke EVA-Staten bestaande samenwerking op de in artikel 78 vermelde gebieden na die datum de desbetreffende bepalingen van het onderhavige deel en van Protocol 31.
Artikel 86
Het Gemengd Comité van de EER geeft overeenkomstig deel VII alle beschikkingen die nodig zijn voor de tenuitvoerlegging van de artikelen 78 tot en met 85 en de daaruit voortvloeiende maatregelen, zoals bij voorbeeld het aanvullen en wijzigen van de bepalingen van Protocol 31 alsmede het invoeren van de overgangsregelingen die voor de tenuitvoerlegging van artikel 85 nodig zijn.
Artikel 87
De overeenkomstsluitende partijen doen het nodige om de samenwerking in het kader van de activiteiten van de Gemeenschap op niet in artikel 78 vermelde terreinen te ontwikkelen, te versterken of te verbreden, wanneer een dergelijke samenwerking wordt geacht een bijdrage te leveren aan de doelstellingen van deze Overeenkomst of anderszins door de overeenkomstsluitende partijen van wederzijds belang wordt geoordeeld. Dit kan ertoe leiden dat aan de in artikel 78 vermelde terreinen nieuwe terreinen worden toegevoegd.
Artikel 88
Onverminderd het bepaalde in andere delen van deze Overeenkomst beletten de bepalingen van dit deel overeenkomstsluitende partijen niet om zelfstandig maatregelen uit te werken, aan te nemen en ten uitvoer te leggen.
1.
Er wordt een EER-Raad ingesteld die met name verantwoordelijk is voor het geven van de politieke impulsen bij de tenuitvoerlegging van deze Overeenkomst en het vaststellen van de algemene richtsnoeren voor het Gemengd Comité van de EER.
Daartoe beoordeelt de EER-Raad de algemene werking en de ontwikkeling van de Overeenkomst en neemt hij de politieke besluiten die leiden tot wijziging van de Overeenkomst.
2.
De overeenkomstsluitende partijen - wat de Gemeenschap en de Lid-Staten van de EG betreft elk op hun onderscheiden bevoegdheidsterreinen - kunnen iedere aangelegenheid die aanleiding geeft tot moeilijkheden, na bespreking ervan in het Gemengd Comité van de EER, of in uitzonderlijk urgente gevallen direct, in de EER-Raad aan de orde stellen.
3.
De EER-Raad stelt zijn reglement van orde vast.
1.
De EER-Raad bestaat uit de leden van de Raad van de Europese Gemeenschappen en leden van de Commissie van de EG en een lid van de regering van elk van de EVA-Staten.
De leden van de EER-Raad kunnen worden vertegenwoordigd overeenkomstig de in zijn reglement van orde vast te stellen voorwaarden.
2.
De EER-Raad geeft beschikkingen op basis van overeenstemming tussen de Gemeenschap enerzijds en de EVA-Staten anderzijds.
1.
Het voorzitterschap van de EER-Raad wordt afwisselend voor een periode van zes maanden uitgeoefend door een lid van de Raad van de Europese Gemeenschappen en een lid van de regering van een EVA-Staat.
2.
De EER-Raad wordt tweemaal per jaar door zijn voorzitter bijeengeroepen. De EER-Raad komt overeenkomstig zijn reglement van orde eveneens bijeen wanneer de omstandigheden zulks vereisen.
1.
Er wordt een Gemengd Comité van de EER ingesteld, dat de daadwerkelijke tenuitvoerlegging en werking van de Overeenkomst verzekert. Daartoe wisselt het denkbeelden en informatie uit en neemt het in de gevallen waarin deze Overeenkomst voorziet besluiten.
2.
De overeenkomstsluitende partijen - wat de Gemeenschap en de Lid-Staten van de EG betreft elk op hun onderscheiden bevoegdheidsterreinen - plegen in het Gemengd Comité van de EER overleg over ieder door een van hen aan de orde gesteld punt dat van belang is voor de Overeenkomst en dat aanleiding geeft tot moeilijkheden.
3.
Het Gemengd Comité van de EER stelt zijn reglement van orde vast.
1.
Het Gemengd Comité van de EER bestaat uit vertegenwoordigers van de overeenkomstsluitende partijen.
2.
Het Gemengd Comité van de EER geeft beschikkingen op basis van overeenstemming tussen de Gemeenschap enerzijds en de met één stem sprekende EVA-Staten anderzijds.
1.
Het voorzitterschap van het Gemengd Comité van de EER wordt afwisselend voor een periode van zes maanden uitgeoefend door de vertegenwoordiger van de Gemeenschap, in casu de Commissie, en de vertegenwoordiger van een van de EVA-Staten.
2.
Om zijn taken te vervullen komt het Gemengd Comité van de EER in beginsel ten minste eenmaal per maand bijeen. Het komt overeenkomstig zijn reglement van orde eveneens bijeen op initiatief van zijn voorzitter of op verzoek van een van de overeenkomstsluitende partijen.
3.
Het Gemengd Comité van de EER kan besluiten om subcomités of werkgroepen op te richten om het te helpen zijn taken uit te voeren. Het Gemengd Comité van de EER stelt in zijn reglement van orde de samenstelling en wijze van functioneren van deze subcomités en werkgroepen vast. Hun taken worden per geval door het Comité vastgesteld.
4.
Het Gemengd Comité van de EER brengt jaarlijks verslag uit over de werking en de ontwikkeling van de Overeenkomst.
1.
Er wordt een Gemengd Parlementair Comité van de EER ingesteld dat bestaat uit gelijke aantallen leden van het Europese Parlement enerzijds en de parlementen van de EVA-Staten anderzijds. Het totale aantal leden van het Comité is neergelegd in de Statuten in Protocol 36.
2.
Het Gemengd Parlementair Comité van de EER komt afwisselend bijeen in de Gemeenschap en in een EVA-Staat, overeenkomstig de in het statuut in Protocol 36 vastgestelde bepalingen.
3.
Het Gemengd Parlementair Comité van de EER draagt door middel van dialoog en beraadslagingen bij tot een beter begrip tussen de Gemeenschap en de EVA-Staten op de door deze Overeenkomst bestreken terreinen.
4.
Het Gemengd Parlementair Comité van de EER kan zijn standpunten in de vorm van verslagen of resoluties kenbaar maken. Het bestudeert met name het jaarlijks verslag van het Gemengd Comité van de EER dat overeenkomstig artikel 94, lid 4, over de werking en de ontwikkeling van de Overeenkomst wordt opgesteld.
5.
De voorzitter van de EER-Raad kan voor het Gemengd Parlementair Comité van de EER verschijnen om te worden gehoord.
6.
Het Gemengd Parlementair Comité van de EER stelt zijn reglement van orde vast.
1.
De leden van het Economisch en Sociaal Comité en andere organen die de sociale partners in de Gemeenschap vertegenwoordigen en de overeenkomstige organen in de EVA-Staten beijveren zich om hun onderlinge contacten te versterken en georganiseerd en regelmatig samen te werken ten einde de bewustwording van de economische en sociale aspecten van de groeiende verstrengeling van de economieën en de belangen van de overeenkomstsluitende partijen in het kader van de EER te verhogen.
2.
Daartoe wordt hierbij een Raadgevend Comité van de EER opgericht, dat bestaat uit gelijke aantallen leden van het Economisch en Sociaal Comité van de Gemeenschap enerzijds en het Raadgevend Comité van de EVA anderzijds. Het Raadgevend Comité van de EER kan zijn standpunten kenbaar maken in de vorm van verslagen of resoluties.
3.
Het Raadgevend Comité van de EER stelt zijn reglement van orde vast.
Artikel 97
Deze Overeenkomst doet geen afbreuk aan het recht van elke overeenkomstsluitende partij om, onverminderd het beginsel van non-discriminatie en na de overige overeenkomstsluitende partijen te hebben ingelicht, haar interne wetgeving op de door de Overeenkomst bestreken gebieden te wijzigen :
- indien het Gemengd Comité van de EER oordeelt dat de gewijzigde wetgeving geen afbreuk doet aan de goede werking van de Overeenkomst of
- indien de in artikel 98 bedoelde procedures zijn afgerond.
Artikel 98
De bijlagen bij deze Overeenkomst en de Protocollen 1 tot en met 7, 9, 10, 11, 19 tot en met 27, 30, 31, 32, 37, 39, 41 en 47, kunnen bij besluit van het Gemengd Comité van de EER overeenkomstig de artikelen 93, lid 2, 99, 100, 102 en 103 worden gewijzigd.
1.
Zodra er door de Commissie van de EG nieuwe wetgeving wordt voorbereid op een terrein waarop deze Overeenkomst van toepassing is, wint de Commissie van de EG informeel advies in bij deskundigen uit de EVA-Staten op dezelfde wijze als zij voor de uitwerking van haar voorstellen advies inwint bij deskundigen uit de Lid-Staten van de Gemeenschap.
2.
Wanneer de Commissie van de EG haar voorstel aan de Raad van de Europese Gemeenschappen toezendt, doet zij afschriften daarvan toekomen aan de EVA-Staten.
Op verzoek van een van de overeenkomstsluitende partijen vindt er in het Gemengd Comité van de EER een inleidende gedachtenwisseling plaats.
3.
In de fase voorafgaand aan het besluit van de Raad van de Europese Gemeenschappen plegen de overeenkomstsluitende partijen, in een voortdurend informatie- en raadplegingsproces, op belangrijke momenten op verzoek van een hunner opnieuw overleg met elkaar in het Gemengd Comité van de EER.
4.
De overeenkomstsluitende partijen werken in de informatie- en overlegfase te goeder trouw samen met het uiteindelijke oogmerk de besluitvorming in het Gemengd Comité van de EER te vergemakkelijken.
Artikel 100
De Commissie van de EG zorgt, naargelang de betrokken terreinen, voor een zo ruim mogelijke deelneming van deskundigen van de EVA-Staten in de voorbereidende fase van ontwerp-maatregelen die vervolgens worden voorgelegd aan de commissies die de Commissie bijstaan bij de uitoefening van haar uitvoerende bevoegdheden. Bij de uitwerking van ontwerp-maatregelen worden deskundigen van de EVA-Staten dan ook in dezelfde mate door de Commissie ingeschakeld als deskundigen van de Lid-Staten van de EG.
In de gevallen waarin voornoemde maatregelen overeenkomstig de procedure die past bij het soort ingeschakelde commissie, aan de Raad worden voorgelegd, deelt de Commissie van de EG de standpunten van de deskundigen van de EVA-Staten aan de Raad van de Europese Gemeenschappen mee.
1.
Wat de commissies betreft die noch onder artikel 81 noch onder artikel 100 vallen, worden deskundigen uit de EVA-Staten ingeschakeld bij de werkzaamheden wanneer de goede werking van deze Overeenkomst zulks vereist.
Bedoelde commissies zijn vermeld in Protocol 37. De wijze van uitvoering van deze samenwerking wordt uiteengezet in de desbetreffende sectoriële protocollen en bijlagen waarin de betrokken onderwerpen worden behandeld.
2.
Indien de overeenkomstsluitende partijen tot de conclusie komen dat een dergelijke samenwerking tot andere commissies met soortgelijke kenmerken moet worden uitgebreid, kan het Gemengd Comité van de EER Protocol 37 wijzigen.
1.
Ten einde de rechtszekerheid en de homogeniteit van de EER te waarborgen, laat het Gemengd Comité van de EER zo min mogelijk tijd verstrijken tussen zijn besluit betreffende een wijziging van een bijlage bij deze Overeenkomst en de aanneming door de Gemeenschap van de overeenkomstige nieuwe communautaire wetgeving met het oog op gelijktijdige toepassing van de communautaire wetgeving en de wijzigingen van de bijlagen bij de Overeenkomst. Met het oog hierop stelt de Gemeenschap, wanneer zij wetgeving aanneemt betreffende een onderwerp dat door deze Overeenkomst wordt geregeld, de overige overeenkomstsluitende partijen in het Gemengd Comité van de EER hiervan zo spoedig mogelijk op de hoogte.
2.
In het Gemengd Comité van de EER wordt vastgesteld op welk deel van een bijlage bij de Overeenkomst de nieuwe wetgeving rechtstreeks betrekking heeft.
3.
De overeenkomstsluitende partijen doen al het mogelijke om overeenstemming te bereiken over aangelegenheden die deze Overeenkomst betreffen.
Het Gemengd Comité van de EER doet met name het nodige om een voor beide partijen aanvaardbare oplossing te vinden indien er een ernstig probleem rijst op een gebied dat in de EVA-Staten onder de bevoegdheid van de wetgever valt.
4.
Indien er ondanks de toepassing van het voorgaande lid geen overeenstemming kan worden bereikt over een wijziging van een bijlage bij deze Overeenkomst, beziet het Gemengd Comité van de EER alle verdere mogelijkheden tot bescherming van de goede werking van deze Overeenkomst en neemt het de daartoe noodzakelijke besluiten, inclusief de mogelijkheid van erkenning van de gelijkwaardigheid van wetgeving. Een dergelijk besluit wordt uiterlijk genomen zes maanden na de datum van voorlegging aan het Gemengd Comité van de EER of op het moment van inwerkingtreding van de overeenkomstige communautaire regelgeving, wanneer dat tijdstip later valt.
5.
Indien het Gemengd Comité van de EER aan het einde van de in lid 4 genoemde termijn geen besluit heeft genomen over een wijziging van een bijlage bij deze Overeenkomst, wordt het betrokken deel daarvan, zoals dit overeenkomstig lid 2 werd vastgesteld, als voorlopig geschorst beschouwd, behoudens een andersluidend besluit van het Gemengd Comité van de EER. Een dergelijke schorsing wordt zes maanden na het einde van de in lid 4 bedoelde periode van kracht, maar in geen geval vóór de datum waarop het overeenkomstige EG-besIuit in de Gemeenschap ten uitvoer wordt gelegd. Het Gemengd Comité van de EER blijft zoeken naar overeenstemming over een wederzijds aanvaardbare oplossing zodat de schorsing zo spoedig mogelijk kan worden beëindigd.
6.
De praktische gevolgen van de in lid 5 bedoelde schorsing worden in het Gemengd Comité van de EER besproken. De rechten en verplichtingen van personen en ondernemingen krachtens deze Overeenkomst, blijven onverlet. De overeenkomstsluitende partijen besluiten welke aanpassingen in verband met de schorsing noodzakelijk zijn.
1.
Indien een besluit van het Gemengd Comité van de EER voor een overeenkomstsluitende partij slechts verbindend is nadat aan grondwettelijke eisen is voldaan, treedt dat besluit, indien het een datum bevat, op die datum in werking, mits de betrokken overeenkomstsluitende partij de andere overeenkomstsluitende partijen vóór die datum ervan in kennis heeft gesteld dat aan de grondwettelijke eisen is voldaan.
Bij ontbreken van een dergelijke kennisgeving vóór die datum treedt het besluit in werking op de eerste dag van de tweede maand na de laatste kennisgeving.
2.
Indien een dergelijke kennisgeving bij het verstrijken van een termijn van zes maanden na het besluit van het Gemengd Comité van de EER niet heeft plaatsgevonden, wordt het besluit van het Gemengd Comité van de EER voorlopig ten uitvoer gelegd totdat is voldaan aan de grondwettelijke eisen, tenzij een overeenkomstsluitende partij te kennen geeft dat voorlopige toepassing niet plaats kan vinden. In laatstgenoemd geval of indien een overeenkomstsluitende partij kennis geeft van de niet-bekrachtiging van een besluit van het Gemengd Comité van de EER, wordt de in artikel 102, lid 5, bedoelde schorsing één maand na een dergelijke kennisgeving van kracht, maar in geen geval vóór het tijdstip waarop het overeenkomstige EG-besluit in de Gemeenschap ten uitvoer wordt gelegd.
Artikel 104
Door het Gemengd Comité van de EER genomen besluiten in de gevallen waarin deze Overeenkomst voorziet, zijn, tenzij daarin anders wordt bepaald, vanaf hun inwerkingtreding verbindend voor de overeenkomstsluitende partijen, die de nodige maatregelen nemen om hun tenuitvoerlegging en toepassing te verzekeren.
1.
Met het oog op de verwezenlijking van het streven van de overeenkomstsluitende partijen om te komen tot een zo uniform mogelijke uitlegging van de bepalingen van de Overeenkomst en van die bepalingen van de communautaire wetgeving die in essentie in de Overeenkomst zijn overgenomen, handelt het Gemengd Comité van de EER overeenkomstig dit artikel.
2.
Het Gemengd Comité van de EER volgt nauwgezet de ontwikkeling van de jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen en het in artikel 180, lid 2, bedoelde EVA-Hof. Daartoe worden de arresten van beide hoven ter kennis gebracht van het Gemengd Comité van de EER, dat het nodige doet om de homogene uitlegging van de overeenkomst te handhaven.
3.
Is het Gemengd Comité van de EER, binnen twee maanden nadat het in kennis is gesteld van een verschil in jurisprudentie van beide hoven, er niet in geslaagd de homogene uitlegging van de Overeenkomst te handhaven, dan kunnen de procedures van artikel 111 worden toegepast.
Artikel 106
Ten einde te komen tot een zo uniform mogelijke uitlegging van deze Overeenkomst, met volledige eerbiediging van de onafhankelijkheid van de rechterlijke instanties, stelt het Gemengd Comité van de EER een systeem in voor de uitwisseling van informatie betreffende de beslissingen van het EVA-Hof. het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen, het Gerecht van Eerste Aanleg van de Europese Gemeenschappen en de rechterlijke instanties van de EVA-Staten die in laatste aanleg uitspraak doen. Dit systeem omvat :
a) toezending aan de Griffier van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen van uitspraken van deze rechterlijke instanties over de uitlegging en toepassing van enerzijds deze Overeenkomst en anderzijds het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap en het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal zoals die werden gewijzigd of aangevuld, alsmede van de ter uitvoering daarvan aangenomen besluiten voor zover die betrekking hebben op bepalingen die in essentie gelijk zijn aan die van deze Overeenkomst;
b) de classificatie van die uitspraken door de Griffier van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen, met inbegrip van, voor zover nodig, het maken en publiceren van vertalingen en samenvattingen ;
c) toezending, door de Griffier van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen, van de documentatie aan de door elke overeenkomstsluitende partij aan te wijzen bevoegde nationale instanties.
Artikel 107
Protocol 34 bepaalt hoe een EVA-Staat een rechterlijke instantie kan toestaan het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen te verzoeken een uitspraak te doen over de uitlegging van een EER-regel.
1.
De EVA-Staten stellen een onafhankelijke toezichthoudende autoriteit in (de Toezichthoudende Autoriteit van de EVA) alsmede soortgelijke procedures als die welke in de Gemeenschap bestaan, met inbegrip van procedures voor de naleving van de verplichtingen krachtens deze Overeenkomst en voor de toetsing van de wettigheid van handelingen van de Toezichthoudende Autoriteit van de EVA op het gebied van de mededinging.
2.
De EVA-Staten richten een hof van justitie op (het EVA-Hof).
In overeenstemming met een afzonderlijke overeenkomst tussen de EVA-Staten in verband met de toepassing van deze Overeenkomst, is het EVA-Hof in het bijzonder bevoegd ter zake van :
a) vorderingen inzake de toezichtprocedure betreffende de EVA-Staten ;
b) beroepen betreffende beschikkingen van de Toezichthoudende Autoriteit van de EVA op het gebied van de mededinging ;
c) de beslechting van geschillen tussen twee of meer EVA-Staten.
1.
Op de naleving van de verplichtingen krachtens deze Overeenkomst wordt toegezien door enerzijds de Toezichthoudende Autoriteit van de EVA en anderzijds de Commissie van de EG, die handelt in overeenstemming met het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap, en deze Overeenkomst.
2.
Ten einde een uniform toezicht in de gehele EER te verzekeren, wordt door de Toezichthoudende Autoriteit van de EVA en de Commissie van de EG samengewerkt, informatie uitgewisseld en overleg gepleegd over kwesties betreffende het toezichtbeleid en over afzonderlijke gevallen.
3.
Klachten betreffende de toepassing van deze Overeenkomst worden gericht tot de Commissie van de EG en de Toezichthoudende Autoriteit van de EVA, die elkaar in kennis stellen van de ontvangen klachten.
4.
Elk van beide organen onderzoekt alle klachten ter zake waarvan het bevoegd is en geeft de klachten ter zake waarvan het andere orgaan bevoegd is aan dat orgaan door.
5.
Bij onenigheid tussen deze twee organen over de maatregelen die in verband met een klacht of met het resultaat van het onderzoek moeten worden genomen, kan elk van deze organen de zaak voorleggen aan het Gemengd Comité van de EER, dat overeenkomstig artikel 111 optreedt.
Artikel 110
De krachtens deze Overeenkomst door de Toezichthoudende Autoriteit van de EVA en de Commissie van de EG genomen beschikkingen welke voor natuurlijke of rechtspersonen met uitzondering van de staten een geldelijke verplichting inhouden, vormen executoriale titel. Hetzelfde geldt voor krachtens deze Overeenkomst gedane soortgelijke uitspraken van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen, het Gerecht van Eerste Aanleg van de Europese Gemeenschappen en het EVA-Hof.
De tenuitvoerlegging geschiedt volgens de regels van burgerlijke rechtsvordering die van kracht zijn in de staat op het grondgebied waarvan zij plaatsvindt. De formule van tenuitvoerlegging wordt, zonder andere controle dan de verificatie van de authenticiteit van de toezichtprocedure, op de toezichtprocedure aangebracht door de autoriteit die door elke overeenkomstsluitende partij daartoe wordt aangewezen en wordt bekendgemaakt aan de andere overeenkomstsluitende partijen, de Toezichthoudende Autoriteit van de EVA, de Commissie van de EG, het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen, het Gerecht van Eerste Aanleg van de Europese Gemeenschappen en het EVA-Hof.
Nadat deze formaliteiten op verzoek van de belanghebbende zijn vervuld, kan deze overgaan tot de tenuitvoerlegging in overeenstemming met de wetgeving van de staat op het grondgebied waarvan de tenuitvoerlegging moet plaatsvinden, door zich rechtstreeks tot de bevoegde instantie te wenden.
De tenuitvoerlegging kan alleen worden geschorst krachtens een beschikking van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen, voor zover het gaat om beschikkingen van de Commissie van de EG, het Gerecht van Eerste Aanleg van de Europese Gemeenschappen of het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen, of krachtens een beschikking van het EVA-Hof voor zover het gaat om beschikkingen van de Toezichthoudende Autoriteit van de EVA of het EVA-Hof. Het toezicht op de regelmatigheid van de wijze van tenuitvoerlegging behoort evenwel tot de bevoegdheid van de nationale rechterlijke instanties.
1.
Geschillen betreffende de uitlegging of de toepassing van deze Overeenkomst kunnen door de Gemeenschap of een EVA-Staat overeenkomstig de volgende bepalingen aan het Gemengd Comité van de EER worden voorgelegd.
2.
Het Gemengd Comité van de EER kan het geschil beslechten. Het comité ontvangt alle informatie die nuttig kan zijn voor een diepgaand onderzoek van de situatie met het oog op het uitwerken van een aanvaardbare oplossing. Daartoe onderzoekt het Gemengd Comité alle mogelijkheden om de goede werking van de Overeenkomst in stand te houden.
3.
Indien een geschil betrekking heeft op de uitlegging van bepalingen van deze Overeenkomst die in essentie gelijk zijn aan overeenkomstige regels van het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap , het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal of ter uitvoering van die Verdragen aangenomen besluiten, en indien het geschil niet beslecht is binnen drie maanden nadat het aan het Gemengd Comité van de EER is voorgelegd, kunnen de overeenkomstsluitende partijen die bij het geschil zijn betrokken, overeenkomen het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen te verzoeken zich over de uitlegging van de desbetreffende regels uit te spreken.
Indien het Gemengd Comité van de EER in een dergelijk geschil geen oplossing bereikt binnen zes maanden vanaf het tijdstip waarop de procedure is ingeleid of indien de overeenkomstsluitende partijen die bij het geschil zijn betrokken tegen die tijd niet hebben besloten het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen om een beslissing te verzoeken, kan een overeenkomstsluitende partij, ten einde eventuele onevenwichtige situaties te corrigeren,
- hetzij overeenkomstig artikel 112, lid 2, en volgens de procedure van artikel 113 het initiatief tot een vrijwaringsmaatregel nemen;
- hetzij artikel 102 mutatis mutandis toepassen.
4.
Indien een geschil betrekking heeft op het toepassingsgebied of de duur van vrijwaringsmaatregelen die overeenkomstig artikel 111, lid 3, of artikel 112 zijn genomen, dan wel op de evenredigheid van de overeenkomstig artikel 114 genomen maatregelen om het evenwicht te herstellen, en indien het Gemengd Comité van de EER er niet in slaagt het geschil op te lossen binnen drie maanden vanaf het tijdstip waarop de zaak aan het comité is voorgelegd, kan elke overeenkomstsluitende partij het geschil overeenkomstig de procedures van Protocol 33 aan arbitrage onderwerpen. Vraagstukken inzake de uitlegging van de in lid 3 bedoelde bepalingen van deze Overeenkomst mogen in die procedures niet worden behandeld. De arbitrage-uitspraak is bindend voor de partijen bij het geschil.
1.
Indien er mogelijk aanhoudende ernstige economische, maatschappelijke of met het milieu verband houdende moeilijkheden van sectoriële of regionale aard rijzen, mag een overeenkomstsluitende partij overeenkomstig de in artikel 113 vastgestelde voorwaarden en procedures unilateraal passende maatregelen treffen.
2.
Dergelijke vrijwaringsmaatregelen zijn naar draagwijdte en duur beperkt tot hetgeen strikt noodzakelijk is om de situatie te verhelpen. Voorrang wordt gegeven aan maatregelen die de werking van deze Overeenkomst zo weinig mogelijk verstoren.
3.
De vrijwaringsmaatregelen zijn ten aanzien van alle overeenkomstsluitende partijen van toepassing.
1.
Een overeenkomstsluitende partij die overweegt vrijwaringsmaatregelen overeenkomstig artikel 112 te treffen, stelt de overige overeenkomstsluitende partijen hiervan onverwijld via het Gemengd Comité van de EER in kennis en verstrekt alle relevante inlichtingen.
2.
De overeenkomstsluitende partijen plegen onmiddellijk overleg in het Gemengd Comité van de EER om een voor elke partij aanvaardbare oplossing te vinden.
3.
De betrokken overeenkomstsluitende partij mag geen vrijwaringsmaatregelen nemen binnen een maand na de datum van kennisgeving overeenkomstig lid 1, tenzij de overlegprocedure overeenkomstig lid 2 vóór het verstrijken van de gestelde termijn is beëindigd. Wanneer uitzonderlijke omstandigheden die onmiddellijke maatregelen vereisen voorafgaand onderzoek uitsluiten, mag de betrokken overeenkomstsluitende partij onmiddellijk de vrijwaringsmaatregelen toepassen die strikt noodzakelijk zijn om de situatie te verhelpen.
Voor de Gemeenschap neemt de EG-Commissie het initiatief tot de vrijwaringsmaatregelen.
4.
De betrokken overeenkomstsluitende partij stelt het Gemengd Comité van de EER onverwijld in kennis van de getroffen maatregelen en verstrekt alle relevante inlichtingen.
5.
Vanaf de datum van invoering wordt over de vrijwaringsmaatregelen om de drie maanden overleg gepleegd in het Gemengd Comité van de EER, met het oog op de intrekking ervan vóór de gestelde vervaldatum of de beperking van het toepassingsgebied.
Elke overeenkomstsluitende partij kan het Gemengd Comité van de EER te allen tijde om herziening van de maatregelen verzoeken.
1.
Indien een vrijwaringsmaatregel van een overeenkomstsluitende partij het evenwicht tussen de uit deze Overeenkomst voortvloeiende rechten en verplichtingen verstoort, kan elke andere overeenkomstsluitende partij ten aanzien van die partij de strikt noodzakelijke evenredige maatregelen nemen om het evenwicht te herstellen. Voorrang wordt gegeven aan maatregelen die de werking van de EER zo weinig mogelijk verstoren.
2.
De procedure van artikel 113 is van toepassing.
Artikel 115
De overeenkomstsluitende partijen zijn het erover eens dat met het oog op de bevordering van een gestadige en evenwichtige versterking van hun handel en hun economische betrekkingen, zoals bepaald in artikel 1, de economische en sociale verschillen tussen hun regio's moeten worden teruggedrongen. Zij wijzen in dit verband op de elders in deze Overeenkomst en de daarbij behorende protocollen vastgestelde desbetreffende bepalingen, inclusief sommige betreffende landbouw en visserij.
Artikel 116
De EVA-Staten stellen een financieel mechanisme in om in het kader van de EER en in aanvulling op de stappen die de Gemeenschap in dezen reeds heeft gezet bij te dragen tot de in artikel 115 vastgestelde doelstellingen.
Artikel 117 [Wordt voorlopig toegepast per 12-04-2014]
Protocol 38, Protocol 38 bis, het addendum bij Protocol 38 bis, Protocol 38 ter en het addendum bij Protocol 38 ter bevatten bepalingen betreffende het financieel mechanisme.
1.
Wanneer een overeenkomstsluitende partij meent dat het in het belang van alle overeenkomstsluitende partijen nuttig zou zijn de bij deze Overeenkomst tot stand gebrachte betrekkingen verder te ontwikkelen door ze uit te breiden tot niet door de Overeenkomst bestreken gebieden, legt zij daartoe in de EER-Raad een met redenen omkleed verzoek voor aan de overige overeenkomstsluitende partijen. De EER-Raad kan het Gemengd Comité van de EER opdracht geven alle aspecten van dit verzoek te onderzoeken en een verslag te publiceren.
De EER-Raad kan in voorkomend geval de politieke besluiten nemen met het oog op het openen van onderhandelingen tussen de overeenkomstsluitende partijen.
2.
De uit de in lid 1 bedoelde onderhandelingen voortvloeiende overeenkomsten moeten door de overeenkomstsluitende partijen overeenkomstig hun eigen procedures worden bekrachtigd of goedgekeurd.
Artikel 119
De bijlagen en de daarin vermelde besluiten, zoals aangepast voor de toepassing van deze Overeenkomst, en de protocollen vormen een integrerend bestanddeel van deze Overeenkomst.
Artikel 120
Tenzij anders wordt bepaald in deze Overeenkomst en met name in de Protocollen 41, en 43, hebben de bepalingen van de onderhavige Overeenkomst voorrang boven de bepalingen in bestaande bilaterale of multilaterale overeenkomsten tussen de Europese Economische Gemeenschap enerzijds en één of meerdere EVA-Staten anderzijds, voor zover de onderhavige Overeenkomst dezelfde onderwerpen regelt.
Artikel 121
De bepalingen van deze Overeenkomst vormen geen beletsel voor samenwerking :
a) in het kader van de Noorse samenwerking, voor zover die samenwerking de goede werking van deze Overeenkomst niet schaadt;
b) in het kader van de regionale unie tussen Zwitserland en Liechtenstein, voor zover de doelstellingen van die unie niet door de uitvoering van deze Overeenkomst worden bereikt en de goede werking van de Overeenkomst niet wordt geschaad ;
Artikel 122
De vertegenwoordigers, afgevaardigden en deskundigen van de overeenkomstsluitende partijen alsmede de ambtenaren en andere personeelsleden die bij deze Overeenkomst zijn betrokken, mogen, ook nadat zij hun taken hebben beëindigd, geen ruchtbaarheid geven aan inlichtingen, die krachtens hun aard zijn onderworpen aan het beroepsgeheim en met name aan inlichtingen betreffende ondernemingen, hun handelsbetrekkingen of de elementen van hun kostprijs.
Artikel 123
Niets in deze Overeenkomst verhindert een overeenkomstsluitende partij maatregelen te treffen :
a) die zij noodzakelijk acht ter voorkoming van de verbreiding van inlichtingen die strijdig zijn met de wezenlijke belangen van haar veiligheid ;
b) die betrekking hebben op de produktie van of de handel in wapens, munitie en oorlogsmateriaal of andere produkten die onontbeerlijk zijn voor defensiedoeleinden of onderzoek, ontwikkeling of produktie onontbeerlijk voor defensiedoeleinden, mits dergelijke maatregelen geen afbreuk doen aan de mededingingsverhoudingen voor produkten die niet bestemd zijn voor specifiek militaire doeleinden ;
c) die zij noodzakelijk acht voor haar eigen veiligheid in geval van ernstige binnenlandse onlusten waardoor de openbare orde wordt verstoord, in geval van oorlog of van een ernstige internationale spanning welke oorlogsgevaar inhoudt, of om te voldoen aan de verplichtingen die zij met het oog op het behoud van de vrede en van de internationale veiligheid heeft aangegaan.
Artikel 124
De overeenkomstsluitende partijen verlenen nationale behandeling wat betreft financiële deelneming door de onderdanen van de Lid-Staten van de EG en de EVA-Staten in het kapitaal van rechtspersonen in de zin van artikel 34, onverminderd de toepassing van de overige bepalingen van deze Overeenkomst.
Artikel 125
Deze Overeenkomst laat de regeling van het eigendomsrecht van de overeenkomstsluitende partijen onverlet.
1.
De Overeenkomst is van toepassing op de gebieden waar het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap van toepassing is en onder de in dat Verdrag neergelegde voorwaarden en op de grondgebieden van IJsland, het Vorstendom Liechtenstein en het Koninkrijk Noorwegen.
2.
In afwijking van lid 1 is deze Overeenkomst niet van toepassing op de Ålandeilanden. De regering van Finland kan evenwel door een verklaring die bij de bekrachtiging van deze Overeenkomst wordt neergelegd bij de depositaris, die een voor eensluidend gewaarmerkt afschrift daarvan toezendt aan de overeenkomstsluitende partijen, ervan kennis geven dat de Overeenkomst op die eilanden van toepassing is onder dezelfde voorwaarden als waaronder zij voor andere delen van Finland geldt, behoudens de volgende bepalingen:
a) De bepalingen van deze Overeenkomst vormen geen beletsel voor de toepassing te allen tijde op de Ålandeilanden van de geldende voorschriften inzake:
i) beperkingen op het recht voor natuurlijke personen die niet in het bezit zijn van het regionale burgerschap van Åland, en voor rechtspersonen, om op de Ålandeilanden onroerend goed aan te kopen en te bezitten zonder toestemming van de bevoegde autoriteiten van de eilanden;
ii) beperkingen op het recht van vestiging en het recht diensten te verrichten van natuurlijke personen die niet in het bezit zijn van het regionale burgerschap van Åland of van een rechtspersoon, zonder toestemming van de bevoegde autoriteiten van de eilanden.
b) Deze Overeenkomst doet geen afbreuk aan de rechten die Ålanders in Finland genieten.
c) De autoriteiten van de Ålandeilanden behandelen alle natuurlijke en rechtspersonen van de overeenkomstsluitende partijen op gelijke voet.
Artikel 127
Elke overeenkomstsluitende partij kan deze Overeenkomst opzeggen, mits zij daarvan ten minste twaalf maanden tevoren schriftelijk kennis geeft aan de overige overeenkomstsluitende partijen.
Onmiddellijk na de kennisgeving van de voorgenomen opzegging, roepen de overige overeenkomstsluitende partijen een diplomatieke conferentie bijeen ten einde te bezien welke wijzigingen in de Overeenkomst moeten worden aangebracht.
1.
Elke Europese Staat die tot de Gemeenschap toetreedt, moet, en de Zwitserse Bondsstaat of elke Europese Staat die tot de EVA toetreedt, kan, vragen partij te worden bij deze Overeenkomst. Deze aanvragen wordt tot de EER-Raad gericht.
2.
De voorwaarden voor een dergelijk lidmaatschap worden vastgelegd in een overeenkomst tussen de overeenkomstsluitende partijen en de Staat die de aanvraag doet. Bedoelde overeenkomst behoeft bekrachtiging of goedkeuring door alle overeenkomstsluitende partijen overeenkomstig hun eigen procedures.
1.
Deze Overeenkomst wordt opgesteld in één exemplaar, in de Deense, de Duitse, de Engelse, de Finse, de Franse, de Griekse, de Italiaanse, de IJslandse, de Nederlandse, de Noorse, de Portugese, de Spaanse en de Zweedse taal. zijnde elk van deze teksten gelijkelijk authentiek.
Naar aanleiding van de uitbreidingen van de Europese Economische Ruimte zijn eveneens de versies van deze overeenkomst in de Bulgaarse, de Estse, de Hongaarse, de Kroatische, de Letse, de Litouwse, de Maltese, de Poolse, de Roemeense, de Sloveense, de Slowaakse en de Tsjechische taal gelijkelijk authentiek.
De teksten van de in de bijlagen genoemde besluiten zijn gelijkelijk authentiek in de Bulgaarse, de Deense, de Duitse, de Engelse, de Estse, de Finse, de Franse, de Griekse, de Hongaarse, de Italiaanse, de Kroatische, de Letse, de Litouwse, de Maltese, de Nederlandse, de Poolse, de Portugese, de Roemeense, de Sloveense, de Slowaakse, de Spaanse, de Tsjechische en de Zweedse taal, zoals zij in het Publicatieblad van de Europese Unie zijn verschenen, en worden met het oog op hun echtverklaring in de IJslandse en Noorse taal opgemaakt en in het EER-supplement bij het Publicatieblad van de Europese Unie bekendgemaakt.
2.
Deze Overeenkomst zal door de overeenkomstsluitende partijen worden bekrachtigd of goedgekeurd overeenkomstig hun onderscheidene grondwettelijke bepalingen.
Zij zal worden neergelegd bij het Secretariaat-generaal van de Raad van de Europese Gemeenschappen dat voor eensluidend gewaarmerkte afschriften daarvan toezendt aan alle andere overeenkomstsluitende partijen.
De akten van bekrachtiging of goedkeuring zullen worden nedergelegd bij het Secretariaat-generaal van de Raad van de Europese Gemeenschappen dat alle andere overeenkomstsluitende partijen hiervan in kennis stelt.
3.
Deze Overeenkomst treedt in werking op de datum en op de voorwaarden als bepaald in het Protocol tot aanpassing van de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte.
TEN BLIJKE WAARVAN de ondergetekende gevolmachtigden hun handtekening onder deze Overeenkomst hebben gesteld.
GEDAAN te Oporto, de tweede mei negentienhonderd tweeënnegentig.
De Overeenkomst is op 2 mei 1992 ondertekend voor:
de Raad en de Commissie van de Europese Gemeenschappen
België
Denemarken
Duitsland
Frankrijk
Griekenland
Ierland
Italië
het Koninkrijk der Nederlanden
Luxemburg
Portugal
Spanje
het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland
Finland
Liechtenstein
Noorwegen
Oostenrijk
IJsland
Zweden
Zwitserland