Rechtenmedia.nl - Juridische Online Uitgeverij  Rechtennieuws.nl | Jure.nl | Maxius.nl | Parlis.nl | Rechtenforum.nl | JBmatch.nl | MijnWetten.nl | AdvocatenZoeken.nl | Rechtentotaal.nl
Omzetbelasting, belaste verhuur en belaste levering van gedeelten van een onroerende zaak, verhuur van congres-, vergader- en tentoonstellingsruimten
Bwb-id:
Officiele titel:
Citeertitel:
Soort regeling:
Wetsfamilies:
Eerst verantwoordelijk ministerie:

Geldigheidsdatum:
Ingangsdatum:
Inhoudsopgave
1. Belaste verhuur van gedeelten van een onroerende zaak
2. Verhuur van congres-, vergader- en tentoonstellingsruimten
Goedkeuring
Uitzonderingen
3. Belaste levering voor gedeelten van een onroerende zaak
4. Inwerkingtreding
Vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature

Juridisch advies nodig?
Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag
Geschiedenis

Geschiedenis-overzicht
Let op. Deze wet is vervallen op 25 juli 2009. U leest nu de tekst die gold op 24 juli 2009.

Omzetbelasting, belaste verhuur en belaste levering van gedeelten van een onroerende zaak, verhuur van congres-, vergader- en tentoonstellingsruimten

Omzetbelasting, belaste verhuur en belaste levering van gedeelten van een onroerende zaak, verhuur van congres-, vergader- en tentoonstellingsruimten
1. Belaste verhuur van gedeelten van een onroerende zaak
In artikel 11, eerste lid, letter b, onder 5°, van de Wet op de omzetbelasting 1968, hierna de Wet, is met ingang van 31 maart 1995 18.00 uur aangegeven, dat de aldaar bedoelde verzoeken om voor de verhuur van onroerende zaken te worden uitgezonderd van de vrijstelling slechts kunnen plaatsvinden, indien de afnemer van die prestatie de onroerende zaak gebruikt voor doeleinden waarvoor een volledig of nagenoeg volledig recht op aftrek van de belasting op de voet van artikel 15 van de Wet bestaat. Voor de toepassing van deze bepaling kan het bedoelde verzoek worden gedaan voor een gedeelte van een onroerende zaak dat voorwerp is van een huurovereenkomst, een en ander voor zover de huurovereenkomst betrekking heeft op een gedeelte van een onroerende zaak dat blijkens zijn indeling is bestemd om als afzonderlijk geheel te worden gebruikt.
Goedkeuring
Aangaande de toepassing van vorenbedoelde bepaling met betrekking tot de verhuur van congres-, vergader- en tentoonstellingsruimten is in de brief van de staatssecretaris van Financiën inzake het voorstel van wet houdende wijziging van de Wet op de omzetbelasting 1968, de Wet op belastingen van rechtsverkeer en enkele andere wetten in verband met de bestrijding van constructies met betrekking tot onroerende zaken (kamerstukken II, 1994/95, 24 172, nr. 7, blz. 7), de nota naar aanleiding van het verslag inzake voornoemd wetsvoorstel (24 172, nr. 5, blz. 8 en 12) in het bijzonder gesteld, dat in die sector het gebruik zich voordoet dat de verhuur van slechts korte duur is en om die reden verhuur plaatsvindt aan veel en telkens wisselende huurders, die niet allen in dezelfde mate tot aftrek van de in rekening gebrachte omzetbelasting gerechtigd zijn. Dit brengt mee, dat van de verhuurder niet verwacht kan worden dat hij ten aanzien van alle huurders nagaat of voldaan wordt aan de voorwaarde om te kunnen verzoeken om te worden uitgezonderd van de vrijstelling. Overeenkomstig de gedane toezegging kan er, gelet op de zich voordoende praktische problemen, van worden uitgegaan dat de verhuur van onroerende zaken of gedeelten daarvan door ondernemers wier activiteiten bestaan uit het ter beschikking stellen van congres-, vergader- en tentoonstellingsruimte, ook zonder een daartoe strekkend verzoek en ongeacht de vraag in welke mate de desbetreffende huurder aftrekgerechtigd is, is uitgezonderd van de vrijstelling en belast is naar het algemene tarief, voor zover de verhuur slechts een korte periode betreft. Ik verbind hieraan de voorwaarde dat aan de huurder kenbaar is gemaakt dat de verhuur van de onroerende zaak belast geschiedt, bijvoorbeeld door een duidelijke vermelding op de prijslijst of een duidelijke bepaling in de huurovereenkomst. Hiermee wordt bereikt dat de huurder niet buiten zijn medeweten en ongewild wordt geconfronteerd met belastingheffing over de huursommen. Ik keur overigens goed dat eventueel ander gebruik van de ter beschikking gestelde ruimte, welk gebruik dan plaatsvindt naast het gebruik als congres-, vergader- en tentoonstellingsruimte, aan de toepasselijkheid van deze regeling niet in de weg staat.
Tot de categorie van ondernemers wier activiteiten bestaan uit het ter beschikking stellen van congres-, vergader- en tentoonstellingsruimte, zijn naar mijn oordeel eveneens te rekenen de ondernemers bij wie de verhuur van een zodanige ruimte geschiedt in het kader van het hotel-, café- en restaurantbedrijf.
Het vorenstaande kan overigens ook toepassing vinden jegens ondernemers wier hoofdactiviteit niet de verhuur van congres-, vergader- en tentoonstellingsruimte is, maar wèl het verrichten van belaste prestaties inhoudt en voor wie de vorenbedoelde verhuur slechts een nevenactiviteit is.
Uitzonderingen
De goedkeuring is niet van toepassing ten aanzien van:
1. kerkgebouwen en andere bij kerkgenootschappen of daaraan verbonden lichamen in eigendom zijnde gebouwen;
2. buurthuizen, dorpshuizen en gebouwen van daarmee verwante instellingen;
3. theaters, schouwburgen, ijsstadions en sporthallen;
4. (kantoor)gebouwen die in gebruik zijn bij publiekrechtelijke lichamen of ondernemers die geen volledig of nagenoeg volledig recht op aftrek van de belasting op de voet van artikel 15 van de Wet hebben.
Voor al deze gevallen geldt dat op grond van het besluit van 24 maart 1999, nr. VB 99/571 (herdruk van Mededeling 45) gebruik kan worden gemaakt van de mogelijkheid om bij belaste verhuur als bedoeld in artikel 11, lid 1, letter b, onder 5°, van de Wet, af te zien van het indienen van een optieverzoek. Aan de voorwaarden die zijn verbonden aan de toepassing van deze in Mededeling 45 opgenomen regeling dient te worden voldaan. Met betrekking tot de voorwaarde inzake het gebruik van de onroerende zaak zoals die is gesteld in artikel 11, lid 1, letter b, onder 5°, van de Wet (de 90%-voorwaarde) geldt dat het gebruik dat gedurende de verhuurperiode van de onroerende zaak wordt gemaakt het relevante gebruik is. Voor de hier bedoelde ondernemers betekent dit dat bij kortlopende verhuur kan worden volstaan met een verklaring over het gebruik gedurende deze periode.
Het uitsluiten van deze categorieën houdt onder meer verband met de omstandigheid dat hetzij de financiering van dergelijke instellingen veelal beïnvloed zal zijn door subsidieregelingen of andersoortige tegemoetkomingen, waardoor zij in staat zijn ter zake een niet louter op commerciële gronden gebaseerde huurprijs te bedingen, hetzij toepassing van de vorenstaande regeling, welke louter is getroffen om praktische redenen, bij deze categorieën ondernemers een onevenredige invloed zou hebben op de mate waarin recht bestaat op aftrek van de belasting die ter zake van de onroerende zaak in rekening is gebracht. In zoverre zou toepassing van deze regeling ook in strijd komen met doel en strekking van de wetgeving.
3. Belaste levering voor gedeelten van een onroerende zaak
Met ingang van 31 maart 1995 18.00 uur geldt ingevolge artikel 11, eerste lid, letter a, onder 2°, van de Wet, dat de aldaar bedoelde verzoeken om voor de levering van onroerende zaken te worden uitgezonderd van de vrijstelling slechts kunnen plaatsvinden, indien de afnemer van die prestatie de onroerende zaak gebruikt voor doeleinden waarvoor een volledig of nagenoeg volledig recht op aftrek van de belasting op de voet van artikel 15 van de Wet bestaat. Voor de toepassing van deze bepaling wordt goedgekeurd dat het bedoelde verzoek wordt gedaan voor een gedeelte van een onroerende zaak dat blijkens zijn indeling is bestemd om als een afzonderlijk geheel te worden gebruikt en als zodanig ook vatbaar zou zijn om civielrechtelijk afzonderlijk te worden geleverd.
4. Inwerkingtreding
Dit besluit treedt in werking met ingang van heden.
Het besluit van de staatssecretaris van Financiën van 24 november 2000, nr. RTB2000/2814M, wordt hierbij ingetrokken.