Rechtenmedia.nl - Juridische Online Uitgeverij  Rechtennieuws.nl | Jure.nl | Maxius.nl | Parlis.nl | Rechtenforum.nl | JBmatch.nl | MijnWetten.nl | AdvocatenZoeken.nl | Rechtentotaal.nl
Natuurbeschermingswet 1998
Bwb-id:
Officiele titel:
Citeertitel:
Ook bekend als:
Soort regeling:
Wetsfamilies:
Eerst verantwoordelijk ministerie:

Geldigheidsdatum:
Ingangsdatum:
Inhoudsopgave
+ Hoofdstuk I. Inleidende bepalingen
+ Hoofdstuk II. Natuurbeleidsplan
+ Hoofdstuk III. Beschermde gebieden
+ Hoofdstuk IV. Beschermde landschapsgezichten
+ Hoofdstuk V. Internationale verplichtingen
+ Hoofdstuk VI. Schadevergoeding
+ Hoofdstuk VII. Beroep en registratie
+ Hoofdstuk VIII. Procedure vergunningverlening
+ Hoofdstuk IX. Omgevingsvergunning
+ Hoofdstuk X. Toezicht
+ Hoofdstuk XI. Slot- en overgangsbepalingen
Vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature

Juridisch advies nodig?
Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag
Geschiedenis

Geschiedenis-overzicht
Let op. Deze wet is vervallen op 1 januari 2017. U leest nu de tekst die gold op -.

Natuurbeschermingswet 1998

Wet van 25 mei 1998, houdende nieuwe regelen ter bescherming van natuur en landschap (Natuurbeschermingswet 1998)
Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is nieuwe regelen te stellen inzake de bescherming van natuur en landschap en dat het voorts wenselijk is een wettelijke grondslag te geven aan het verlenen van bijdragen ter bevordering en ondersteuning van het beleid inzake natuur en landschap alsmede aan het verlenen van vergoedingen terzake van het op vrijwillige basis richten of mede richten van de bedrijfsvoering van landbouwbedrijven, binnen daartoe aangewezen gebieden, op het beheer van natuur en landschap;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:
Artikel 1
In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
a. Onze Minister: Onze Minister van Economische Zaken;
b. natuurmonument: terrein of water, dan wel samenstel van terreinen of wateren, dat van algemeen belang is om zijn natuurwetenschappelijke betekenis of zijn natuurschoon;
c. eigenaar: degene, die in de basisregistratie kadaster als eigenaar staat vermeld, met dien verstande dat indien op een onroerende zaak een eeuwig durend recht van erfpacht of een recht van beklemming rust, daaronder wordt verstaan de erfpachter of de beklemde meier, en dat bij onroerende zaken die aan een niet eeuwig durend recht van erfpacht, een recht van vruchtgebruik of een recht van opstal zijn onderworpen, daaronder mede zijn begrepen degenen, die in de basisregistratie kadaster als erfpachter, vruchtgebruiker of opstalhouder staan vermeld, een en ander voorzover niet de rechtstoestand is gebleken een andere te zijn dan de basisregistratie kadaster aangeeft;
d. gebruiker: degene, die uit hoofde van een andere rechtsverhouding dan onder c genoemd een onroerende zaak in gebruik heeft;
e. landschapsgezicht: samenstel van onbebouwde terreinen of van bebouwde en onbebouwde terreinen dat vanwege zijn structuren, patronen of elementen danwel anderszins vanwege zijn uiterlijke verschijningsvorm, historisch-landschappelijk van algemeen belang is;
f. richtlijn 2009/147/EG: richtlijn nr. 2009/147/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 30 november 2009 inzake het behoud van de vogelstand (PbEU 2010, L 20);
g. richtlijn 92/43/EEG: richtlijn 92/43/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna (PbEG L 206);
h. prioritaire soort: als prioritair aangeduide soort in bijlage II van de richtlijn 92/43/EEG;
i. prioritaire type natuurlijke habitat: als prioritair type aangeduide natuurlijke habitat in bijlage I van de richtlijn 92/43/EEG;
j. initiatiefnemer: degene die het initiatief neemt tot een plan als bedoeld in artikel 19j of tot een project of andere handeling als bedoeld in artikel 19d, eerste lid;
k. instandhoudingsdoelstelling: doelstelling of doelstellingen als bedoeld in artikel 10a, tweede lid;
l. Natura 2000: Europees ecologische netwerk dat bestaat uit de speciale beschermingszones, bedoeld in de richtlijn 2009/147/EG en richtlijn 92/43/EEG;
m. bestaand gebruik: gebruik dat op 31 maart 2010 bekend is, of redelijkerwijs bekend had kunnen zijn bij het bevoegd gezag;
n. Natura 2000-gebied:
1°. gebied dat door de bevoegde autoriteit van het land waarin het gebied is gelegen is aangewezen als speciale beschermingszone, ter uitvoering van de artikelen 3, tweede lid, onderdeel a, en 4, eerste en tweede lid, van richtlijn 2009/147/EG of de artikelen 3, tweede lid, en 4, vierde lid, van richtlijn 92/43/EEG,
2°. gebied dat voorlopig is aangewezen als bedoeld in artikel 12, derde lid, of
3°. gebied dat voorkomt op de lijst van gebieden van communautair belang, bedoeld in artikel 4, tweede lid, van richtlijn 92/43/EEG;
o. omgevingsvergunning: omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht;
p. exclusieve economische zone: exclusieve economische zone van Nederland als bedoeld in de Rijkswet instelling exclusieve economische zone ;
q. programma: programma als bedoeld in artikel 19kg, eerste lid;
r. ontwikkelingsruimte: stikstofdepositie die in het kader van het programma met betrekking tot een daarin opgenomen Natura 2000-gebied kan worden toegedeeld in of gereserveerd voor besluiten als bedoeld in artikel 19km, eerste lid;
s. voor stikstof gevoelige habitats in een Natura 2000-gebied: voor stikstof gevoelige natuurlijke habitats of habitats van voor stikstof gevoelige soorten in een Natura 2000-gebied waarvoor een instandhoudingsdoelstelling geldt.
Artikel 1a
Deze wet is mede van toepassing in de exclusieve economische zone, met uitzondering van artikel 10, hoofdstuk III, titel 2, paragraaf 1 en hoofdstuk IV.
1.
Voorzover niet anders bepaald, wordt onder gedeputeerde staten verstaan gedeputeerde staten van de provincie waarin Natura 2000-gebieden of natuurmonumenten of landschapsgezichten onderscheidenlijk beschermde natuurmonumenten of beschermde landschapsgezichten geheel of grotendeels zijn gelegen.
2.
Gedeputeerde staten wijzen landschapsgezichten, die mede zijn gelegen in een andere provincie, niet aan als beschermd landschapsgezicht dan in overeenstemming met gedeputeerde staten van die andere provincies.
3.
Gedeputeerde staten beslissen niet op een aanvraag van een vergunning als bedoeld in artikel 16 dan wel stellen een beheerplan als bedoeld in artikel 17 niet vast, dan in overeenstemming met gedeputeerde staten van de andere provincies waarin het beschermd natuurmonument mede is gelegen.
4.
Gedeputeerde staten stellen een beheerplan als bedoeld in artikel 19a niet vast dan in overeenstemming met gedeputeerde staten van de andere provincies waarin het Natura 2000-gebied mede is gelegen.
5.
Gedeputeerde staten beslissen niet op een aanvraag voor een vergunning als bedoeld in artikel 19d, eerste lid, dan in overeenstemming met gedeputeerde staten van de andere provincies waarin Natura 2000-gebieden, of delen daarvan, zijn gelegen waarvoor het project of de andere handeling waarvoor vergunning wordt verleend gevolgen kan hebben.
6.
Bij een besluit op een aanvraag voor een vergunning als bedoeld in artikel 19d, eerste lid, betrekken gedeputeerde staten tevens de gevolgen die het project of de andere handeling kan hebben voor een in een andere provincie of een buiten Nederland gelegen Natura 2000-gebied.
1.
Indien een aanvraag van een vergunning als bedoeld in artikel 16, eerste lid, betrekking heeft op een handeling die hoofdzakelijk gevolgen kan hebben voor een deel van een beschermd natuurmonument dat is gelegen binnen de grenzen van één provincie, beslissen gedeputeerde staten van de provincie waarin dat deel van het beschermd natuurmonument is gelegen over de aanvraag.
2.
Indien een aanvraag van een vergunning als bedoeld in artikel 19d, eerste lid, betrekking heeft op een project dat of andere handeling die hoofdzakelijk gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied of gedeelte daarvan in één van de provincies, beslissen gedeputeerde staten van die provincie over de aanvraag. Artikel 2, zesde lid, is van overeenkomstige toepassing.
3.
Indien op het moment van het indienen van een aanvraag als bedoeld in artikel 16, eerste lid, of artikel 19d, eerste lid, redelijkerwijs niet of nog niet kan worden vastgesteld in welke provincie hoofdzakelijk de gevolgen zullen plaatsvinden van een handeling, onderscheidenlijk een project of andere handeling, nemen gedeputeerde staten van de provincie waarin het beschermd natuurmonument of het Natura 2000-gebied geheel of grotendeels is gelegen de aanvraag in behandeling en beslissen die gedeputeerde staten op de aanvraag.
4.
Artikel 2, derde onderscheidenlijk vijfde lid, is van overeenkomstige toepassing op de besluiten, bedoeld in het eerste, tweede en derde lid.
5.
Indien een aanvraag van een vergunning als bedoeld in artikel 19d, eerste lid, betrekking heeft op een project dat of andere handeling die uitsluitend gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied dat buiten Nederland is gelegen, beslissen gedeputeerde staten van de provincie waarin het project of de andere handeling wordt gerealiseerd, onderscheidenlijk verricht, op de aanvraag.
Artikel 3
In dit hoofdstuk wordt verstaan onder Onze Ministers: Onze Minister tezamen met Onze Minister van Infrastructuur en Milieu voorzover het aangelegenheden betreft die tot zijn verantwoordelijkheid behoren.
Artikel 4
Onze Ministers stellen ten minste eenmaal in de acht jaar een natuurbeleidsplan vast, dat met het oog op een duurzame instandhouding, herstel en ontwikkeling van de natuurlijke en landschappelijke waarden voor de korte, middellange en lange termijn richting geeft aan van rijkswege te nemen beslissingen.
1.
Het natuurbeleidsplan bevat ten minste de hoofdlijnen van het beleid terzake van:
a. de algemene natuur- en landschapswaarden;
b. bescherming van de in het plan aangeduide gebieden en gebiedscategorieën waar sprake is van bijzondere natuur- en landschapswaarden;
c. de in het plan aangegeven soorten dieren en planten waaraan bijzondere aandacht zal worden gegeven;
d. voorlichting en onderzoek op het terrein van natuur en landschap;
e. de internationale ontwikkelingen van het natuurbeleid.
2.
Het natuurbeleidsplan bevat een aanduiding van:
a. de wijze waarop en de maatregelen waarmede voor de eerstvolgende periode van acht jaar uitvoering zal worden gegeven aan de hoofdlijnen van het beleid;
b. de redelijkerwijze te verwachten financiële en economische gevolgen van het te voeren beleid.
1.
In het plan geven Onze Ministers voorts aan in hoeverre het voorgenomen beleid inzake natuur en landschap is afgestemd op, dan wel leidt tot aanpassing van het nationale milieubeleid en het nationale waterbeleid en in hoeverre en binnen welke termijn zij voornemens zijn het nationaal milieubeleidsplan, bedoeld in artikel 4.3 van de Wet milieubeheer, en het nationale waterplan, bedoeld in artikel 4.1 van de Waterwet, te herzien.
2.
Met het geldende natuurbeleidsplan wordt tevens rekening gehouden bij de vaststelling van rijksbeleid op andere terreinen van beleid dan bedoeld in het eerste lid, voorzover daarbij het belang van duurzame instandhouding, herstel en ontwikkeling van natuurlijke en landschappelijke waarden wordt geraakt.
1.
Onze Ministers betrekken bij de voorbereiding van het natuurbeleidsplan de naar hun oordeel bij de te behandelen onderwerpen meest belanghebbende bestuursorganen, instellingen en organisaties. Daartoe behoren in elk geval gedeputeerde staten van de provincies.
2.
Op de voorbereiding van het nationale natuurbeleidsplan is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing. Zienswijzen kunnen naar voren worden gebracht door een ieder.
1.
Het plan geldt voor een tijdvak van acht jaar, nadat het is vastgesteld, behoudens ingeval in dat tijdvak een nieuw plan is vastgesteld.
2.
Na het verstrijken van de eerste vier jaar van de geldingsduur kan naar aanleiding van een beoordeling van de in die periode opgedane ervaringen het plan door Onze Ministers worden aangepast met inachtneming van artikel 7.
3.
Onze Ministers doen het plan alsmede een eventueel besluit tot aanpassing van dat plan toekomen aan de Staten-Generaal en aan gedeputeerde staten van de provincies.
4.
Onze Minister maakt de vaststelling van het plan en van aanpassingen daarvan bekend in de Staatscourant. Hierbij geeft hij aan op welke wijze kennis kan worden gekregen van de inhoud van het plan of de aanpassingen daarvan.
1.
Er is een Structuurvisie Natuur en Landschap.
2.
De structuurvisie geeft inzicht in de ruimtelijke aspecten van het rijksbeleid inzake natuur en landschap.
3.
De structuurvisie is een structuurvisie als bedoeld in artikel 2.3, tweede lid, van de Wet ruimtelijke ordening.
1.
Het Planbureau voor de Leefomgeving brengt eenmaal in de vier jaar aan Onze Minister een wetenschappelijk rapport uit, waarin de toestand van natuur, bos en landschap, alsmede de ten aanzien daarvan meest waarschijnlijke en mogelijke andere toekomstige ontwikkelingen voor een door Onze Minister aan te geven periode worden beschreven.
2.
Het Planbureau voor de Leefomgeving brengt eenmaal in de twee jaar aan Onze Minister een wetenschappelijk rapport uit, waarin, mede in het licht van in eerdere rapporten beschreven ontwikkelingen, de stand van zaken in de beleidsuitvoering, de voortgang en nieuwe ontwikkelingen worden beschreven. Indien zich onvoorzien een omstandigheid voordoet die belangrijke gevolgen kan hebben voor de ontwikkeling van natuur, bos en landschap op langere termijn, neemt het Planbureau voor de Leefomgeving, indien Onze Minister daarom verzoekt, in een rapport tevens een beschrijving op van die mogelijke ontwikkeling.
1.
Onze Minister wijst, tezamen met – voor zover het hem aangaat – Onze Minister van Infrastructuur en Milieu, overheidsinstellingen aan, die door het Planbureau voor de Leefomgeving in ieder geval worden betrokken bij het opstellen van de in artikel 9a bedoelde rapporten.
2.
Onze Minister kan, tezamen met – voor zover het hem aangaat – Onze Minister van Infrastructuur en Milieu, regels stellen ten aanzien van de wijze waarop de krachtens het eerste lid aangewezen overheidsinstellingen bij het opstellen van de rapporten worden betrokken.
3.
Het Planbureau voor de Leefomgeving en de op grond van het eerste lid aangewezen instellingen verschaffen elkaar desgevraagd alle inlichtingen en gegevens waarover zij kunnen beschikken voorzover dat voor het opstellen van de rapporten, bedoeld in artikel 9a, eerste en tweede lid, redelijkerwijs noodzakelijk is.
1.
Onze Minister kan aanwijzingen geven omtrent veronderstelde ontwikkelingen die in ieder geval als grondslag voor beschrijvingen als bedoeld in artikel 9a, eerste lid, moeten worden aangenomen, alsmede omtrent onderwerpen die in ieder geval in een rapport als bedoeld in dat artikellid, moeten worden beschreven.
2.
Behoudens artikel 9a, tweede lid, en het eerste lid, geven Onze betrokken Ministers het Planbureau voor de Leefomgeving en de krachtens artikel 9b, eerste lid, aangewezen instellingen geen aanwijzingen met betrekking tot de inhoud van de rapporten.
1.
Onze Minister doet een rapport als bedoeld in artikel 9a, eerste lid, toekomen aan de Staten-Generaal.
2.
Onze Minister doet een rapport als bedoeld in artikel 9a, tweede lid, eveneens toekomen aan de Staten-Generaal, en wel gelijktijdig met de begroting.
3.
Het Planbureau voor de Leefomgeving draagt er zorg voor dat de rapporten algemeen verkrijgbaar worden gesteld.
1.
Onze Minister kan, mede op grondslag van de structuurvisie, bedoeld in artikel 9, bij besluit een natuurmonument aanwijzen als beschermd natuurmonument. Het besluit gaat vergezeld van een kaart waarop het beschermd natuurmonument is aangegeven en een toelichting.
2.
Indien het beheer over een natuurmonument of een gedeelte daarvan berust bij een van Onze andere Ministers, dan neemt Onze Minister een besluit als bedoeld in het eerste lid niet dan in overeenstemming met die andere Minister.
3.
Indien in andere gevallen dan bedoeld in het tweede lid, een van Onze andere Ministers op grond van enig wettelijk voorschrift bevoegd is besluiten te nemen met betrekking tot het natuurmonument, vindt voorafgaand aan het nemen van een besluit als bedoeld in het eerste lid overleg plaats met die andere Minister.
1.
Onze Minister wijst gebieden aan ter uitvoering van richtlijn 2009/147/EG en richtlijn 92/43/EEG.
2.
Een besluit als bedoeld in het eerste lid bevat de instandhoudingsdoelstelling voor het gebied. Tot de instandhoudingsdoelstelling behoren in ieder geval:
a. de doelstellingen ten aanzien van de instandhouding van de leefgebieden, voorzover vereist ingevolge richtlijn 2009/147/EG of
b. de doelstellingen ten aanzien van de instandhouding van de natuurlijke habitats of populaties in het wild levende dier- en plantensoorten voorzover vereist ingevolge richtlijn 92/43/EEG.
3.
De instandhoudingsdoelstelling, bedoeld in het tweede lid, kan mede betrekking hebben op doelstellingen ten aanzien van het behoud, het herstel en de ontwikkeling van het natuurschoon of de natuurwetenschappelijke betekenis van het gebied, anders dan vereist ingevolge de richtlijnen, bedoeld in het tweede lid.
4.
Een besluit als bedoeld in het eerste lid gaat vergezeld van een kaart, waarop de begrenzing van het gebied nauwkeurig wordt aangegeven alsmede van een toelichting.
5.
Artikel 10, tweede en derde lid, is van overeenkomstige toepassing.
6.
Een besluit als bedoeld in het eerste lid met betrekking tot de aanwijzing van een gebied dat geheel of gedeeltelijk is gelegen in de exclusieve economische zone, wordt niet eerder genomen dan vier weken nadat het ontwerp van dat besluit aan beide kamers der Staten-Generaal is overgelegd.
1.
Op de voorbereiding van een besluit als bedoeld in de artikelen 10, eerste lid, en 10a, eerste lid, is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing.
2.
Zienswijzen met betrekking tot de voorbereiding van een besluit als bedoeld in artikel 10, eerste lid, worden naar voren gebracht bij gedeputeerde staten.
3.
Binnen vier maanden na afloop van de in artikel 3:16, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht bedoelde termijn zenden gedeputeerde staten de naar voren gebrachte zienswijzen, vergezeld van hun beschouwingen, aan Onze Minister. Op verzoek van gedeputeerde staten kan Onze Minister de in de eerste volzin bedoelde termijn met acht weken verlengen.
1.
In geval van dringende noodzaak kan Onze Minister bij besluit een natuurmonument ten aanzien waarvan overeenkomstig artikel 11 een besluit tot aanwijzing als beschermd natuurmonument wordt voorbereid reeds voorlopig als zodanig aanwijzen voordat de procedure, bedoeld in de artikelen 11 en 13 is voltooid.
2.
Een besluit tot voorlopige aanwijzing vervalt zodra met inachtneming van de artikelen 11 en 13 een definitief besluit over aanwijzing als beschermd natuurmonument is genomen, doch in ieder geval een jaar nadat het ontwerp-besluit overeenkomstig artikel 11 ter inzage is gelegd.
3.
Het eerste en tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing op gebieden als bedoeld in artikel 10a, eerste lid, met dien verstande dat in het tweede lid de zinsnede beginnend met «doch in ieder geval» en eindigend met «ter inzage is gelegd» niet van toepassing is.
Artikel 13
Binnen een jaar nadat het ontwerp-besluit tot aanwijzing als beschermd natuurmonument overeenkomstig artikel 11 ter inzage is gelegd, beslist Onze Minister over de aanwijzing als beschermd natuurmonument, doch niet alvorens hij, voor zover van toepassing, de zienswijzen en beschouwingen, bedoeld in artikel 11, derde lid, heeft ontvangen dan wel de krachtens dat artikellid geldende termijnen zijn verstreken.
1.
Van een besluit tot voorlopige aanwijzing als bedoeld in artikel 12 wordt mededeling gedaan aan de eigenaren en hypothecaire schuldeisers.
2.
Onze Minister maakt een besluit tot voorlopige aanwijzing als bedoeld in artikel 12, bekend in de Staatscourant.
3.
Indien Onze Minister niet tot aanwijzing als beschermd natuurmonument of als gebied als bedoeld in artikel 10a, eerste lid, overgaat, maakt hij dit bekend en doet daarvan mededeling overeenkomstig het eerste en tweede lid en de artikelen 3:42 en 3:43 van de Algemene wet bestuursrecht.
1.
Onze Minister kan bij besluit een aanwijzing als bedoeld in artikel 10 of 10a geheel of gedeeltelijk intrekken of wijzigen. Het besluit gaat vergezeld van een toelichting alsmede in geval van gedeeltelijke intrekking of wijziging van een kaart waarop het gedeelte van het natuurmonument, waarop de intrekking of de wijziging betrekking heeft, is aangegeven.
2.
Onze Minister kan bij besluit de instandhoudingsdoelstellingen onderscheidenlijk de doelstellingen ten aanzien van het behoud, herstel en de ontwikkeling van het natuurschoon of de natuurwetenschappelijke betekenis, bedoeld in artikel 15a, derde lid, wijzigen.
1.
Een Natura 2000-gebied kan niet worden aangewezen als beschermd natuurmonument als bedoeld in artikel 10, eerste lid.
2.
Een besluit houdende de aanwijzing van een natuurmonument als beschermd natuurmonument als bedoeld in artikel 10, eerste lid, vervalt met ingang van het tijdstip waarop doch slechts voorzover dat beschermd natuurmonument deel uitmaakt van een aangewezen gebied als bedoeld in artikel 10a, eerste lid.
3.
Indien met toepassing van het tweede lid een besluit houdende de aanwijzing van een natuurmonument als beschermd natuurmonument geheel of gedeeltelijk is vervallen, heeft de instandhoudingsdoelstelling voor het op grond van artikel 10a, eerste lid, aangewezen gebied, voor het gedeelte van het gebied waarop de aanwijzing als beschermd natuurmonument betrekking had, mede betrekking op de doelstellingen ten aanzien van het behoud, herstel en de ontwikkeling van het natuurschoon of de natuurwetenschappelijke betekenis van het gebied zoals bepaald in het vervallen besluit.
1.
Onze Minister zendt een voorstel voor een lijst van gebieden, geheel of gedeeltelijk gelegen in de exclusieve economische zone, of een voorstel tot aanpassing daarvan, als bedoeld in artikel 4, eerste lid, van richtlijn 92/43/EEG, niet eerder aan de Europese Commissie toe dan vier weken nadat het ontwerp van dat voorstel aan beide kamers der Staten-Generaal is overgelegd.
2.
Het eerste lid is niet van toepassing op voorstellen die op het tijdstip van inwerkingtreding van de wet tot wijziging van de Natuurbeschermingswet 1998 en de Flora en faunawet in verband met de uitbreiding van de werkingssfeer van beide wetten naar de exclusieve zone aan de Europese Commissie zijn toegezonden.
1.
Het is verboden zonder vergunning van gedeputeerde staten of, ten aanzien van handelingen als bedoeld in het zesde lid, van Onze Minister, in een beschermd natuurmonument handelingen te verrichten, te doen verrichten of te gedogen, die schadelijk kunnen zijn voor het natuurschoon, voor de natuurwetenschappelijke betekenis van het beschermd natuurmonument of voor dieren of planten in het beschermd natuurmonument of die het beschermd natuurmonument ontsieren, dan wel in strijd met de bij een vergunning gestelde voorschriften of beperkingen handelingen te verrichten, te doen verrichten of te gedogen.
2.
Als schadelijke handelingen worden in elk geval aangemerkt handelingen die de in het besluit tot aanwijzing als beschermd natuurmonument vermelde wezenlijke kenmerken van het beschermde natuurmonument aantasten.
3.
[Vervallen.]
4.
Het in het eerste lid bedoelde verbod is tevens van toepassing op handelingen als bedoeld in dat lid die buiten het beschermd natuurmonument kunnen worden verricht en die zijn vermeld in het besluit tot aanwijzing als beschermd natuurmonument, bedoeld in artikel 10, of een besluit tot voorlopige aanwijzing als bedoeld in artikel 12. Bij de vermelding van handelingen kunnen beperkingen worden gesteld en uitzonderingen worden opgenomen met betrekking tot het tijdvak waarin, de omstandigheden waaronder, de doeleinden waarvoor en met betrekking tot de personen door wie zij worden verricht.
5.
Dit artikel is niet van toepassing op handelingen die worden verricht overeenkomstig een beheerplan als bedoeld in artikel 17.
6.
Bij algemene maatregel van bestuur kunnen terzake van bij die maatregel genoemde beschermde natuurmonumenten handelingen worden aangewezen waarvoor een vergunning als bedoeld in het eerste lid wordt verleend door Onze Minister.
7.
Een krachtens het zesde lid vastgestelde algemene maatregel van bestuur treedt niet eerder in werking dan acht weken na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin hij is geplaatst. Van de plaatsing wordt onverwijld mededeling gedaan aan de beide kamers der Staten-Generaal.
8.
Dit artikel is niet van toepassing op handelingen die zijn toegestaan krachtens een omgevingsvergunning die met toepassing van hoofdstuk IX is verleend.
1.
Gedeputeerde staten kunnen in overeenstemming met de eigenaar en de gebruiker voor een beschermd natuurmonument of een gedeelte daarvan een beheerplan vaststellen, dat het behoud, het herstel of de ontwikkeling van het natuurschoon of van de natuurwetenschappelijke betekenis van het natuurmonument ten doel heeft.
2.
Voorzover de kosten en lasten die voor de eigenaar en de gebruiker aan de uitvoering van het beheerplan zijn verbonden redelijkerwijze niet of niet geheel te hunnen laste behoren te komen, wordt in het beheerplan een door gedeputeerde staten te betalen subsidie vastgesteld.
3.
Gedeputeerde staten brengen het plan ter kennis van Onze Minister en van burgemeester en wethouders van de gemeenten waarin het beschermd natuurmonument of het gedeelte daarvan waarop het beheerplan betrekking heeft, is gelegen.
4.
De eigenaar en de gebruiker zijn verplicht zorg te dragen voor de naleving van het beheerplan, ieder voorzover dat uit de aard van zijn recht voortvloeit.
1.
Het beheerplan, bedoeld in artikel 17, wordt vastgesteld voor een tijdvak van ten hoogste zes jaren.
2.
Het beheerplan wordt van rechtswege verlengd met een tijdvak gelijk aan het laatst verstreken tijdvak waarvoor het beheerplan werd vastgesteld.
3.
Verlenging vindt niet van rechtswege plaats wanneer gedeputeerde staten, de eigenaar of de gebruiker uiterlijk vier weken voor het einde van het geldend beheerplan schriftelijk te kennen heeft gegeven dat verlenging niet wordt verlangd.
4.
Gedeputeerde staten kunnen de kennisgeving slechts doen indien:
a. de eigenaar of de gebruiker de uit het beheerplan voortvloeiende verplichtingen in het afgelopen tijdvak niet of niet op de juiste wijze is nagekomen;
b. ongewijzigde verlenging van het beheerplan zou leiden tot een beheer dat naar hun oordeel het behoud, het herstel of de ontwikkeling van het natuurschoon of van de natuurwetenschappelijke betekenis van het natuurmonument onvoldoende waarborgt;
c. een andere zwaarwichtige reden bestaat om niet tot verlenging van het beheerplan over te gaan.
1.
Gedeputeerde staten kunnen een vastgesteld beheerplan in overeenstemming met de eigenaar en de gebruiker wijzigen.
2.
Artikel 17, derde lid, is van overeenkomstige toepassing.
1.
Gedeputeerde staten stellen, na overleg met de eigenaars, gebruikers en andere belanghebbenden, voor een op grond van artikel 10a, eerste lid, aangewezen gebied of een op grond van artikel 12, derde lid, voorlopig aangewezen gebied een beheerplan vast waarin met inachtneming van de instandhoudingsdoelstelling, met uitzondering van de doelstellingen, bedoeld in artikel 10a, derde lid, wordt beschreven welke instandhoudingsmaatregelen getroffen dienen te worden en op welke wijze. Tevens kan het beheerplan beschrijven welke handelingen en ontwikkelingen in het gebied en daarbuiten, in voorkomend geval onder nader in het beheerplan aangegeven voorwaarden en beperkingen, het bereiken van de instandhoudingsdoelstelling niet in gevaar brengen, mede gelet op de instandhoudingsmaatregelen die worden getroffen. Het beheerplan kan zulks ook doen ten aanzien van bij of krachtens algemene maatregel van bestuur aangewezen categorieën projecten en andere handelingen van nationaal belang in het gebied en daarbuiten.
2.
Een beheerplan als bedoeld in het eerste lid wordt vastgesteld voor een tijdvak van ten hoogste zes jaren. Een beheerplan kan telkenmale voor een gelijk tijdvak worden verlengd.
3.
Tot de inhoud van een beheerplan behoren ten minste:
a. een beschrijving van de beoogde resultaten met het oog op het behoud of herstel van natuurlijke habitats en populaties van wilde dier- en plantensoorten overeenkomstig de instandhoudingsdoelstelling voor het aangewezen gebied mede in samenhang met het bestaande gebruik in dat gebied en, voor zover relevant voor het bereiken van de instandhoudingsdoelstelling, daarbuiten;
b. een overzicht op hoofdlijnen van de in de door het plan bestreken periode noodzakelijke maatregelen met het oog op de onder a bedoelde resultaten.
4.
Bij de noodzakelijke maatregelen, bedoeld in het derde lid, onderdeel b, wordt rekening gehouden met vereisten op economisch, sociaal en cultureel gebied, alsmede met regionale en lokale bijzonderheden.
5.
Op de voorbereiding van een beheerplan als bedoeld in het eerste lid is de in afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht geregelde procedure van toepassing.
6.
Beheerplannen worden niet vastgesteld dan na overleg met de besturen van gemeenten en waterschappen op het grondgebied waarvan die beheerplannen betrekking hebben.
7.
Een beheerplan als bedoeld in het eerste lid wordt uiterlijk drie jaar na dagtekening van het in artikel 10a, eerste lid, genoemde besluit voor het eerst vastgesteld.
8.
Indien een gebied voorlopig is aangewezen op grond van artikel 12, derde lid, wordt in afwijking van het zevende lid, een beheerplan als bedoeld in het eerste lid uiterlijk drie jaar na dagtekening van het besluit tot voorlopige aanwijzing voor het eerst vastgesteld.
9.
Gedeputeerde staten kunnen in het beheerplan beschrijvingen als bedoeld in het eerste lid opnemen die betrekking hebben op de doelstellingen, bedoeld in artikel 10a, derde lid.
10.
Voor zover er in een beheerplan projecten worden opgenomen die niet direct verband houden met of nodig zijn voor het beheer van een Natura 2000-gebied maar die afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kunnen hebben voor het desbetreffende gebied, wordt het beheerplan eerst vastgesteld nadat gedeputeerde staten een passende beoordeling hebben gemaakt van de gevolgen voor het gebied, waarbij rekening wordt gehouden met de instandhoudingsdoelstelling van dat gebied, en is voldaan aan de voorwaarden, genoemd in de artikelen 19g en 19h.
1.
In afwijking van het bepaalde in artikel 19a wordt een beheerplan als bedoeld in dat artikel, voor een op grond van artikel 10a, eerste lid, aangewezen gebied of een gebied dat voorlopig is aangewezen als bedoeld in artikel 12, derde lid, dat geheel of ten dele wordt beheerd door of onder verantwoordelijkheid valt van Onze Minister of één van Onze andere Ministers, voor het geheel onderscheidenlijk het betreffende gedeelte vastgesteld door Onze Minister of door Onze andere Minister in overeenstemming met Onze Minister, en voor zover nodig na overleg met betrokken eigenaren, gebruikers en andere belanghebbenden.
2.
Een beheerplan als bedoeld in het eerste lid kan in voorkomende gevallen deel uit maken van een plan gericht op het beheer van een gebied als bedoeld in het eerste lid, dat al dan niet op grond van enig ander wettelijk voorschrift is vastgesteld.
3.
Beheerplannen worden niet vastgesteld dan na overleg met de besturen van provincies, gemeenten en waterschappen op het grondgebied waarvan die beheerplannen betrekking hebben.
1.
Het bevoegd gezag draagt ervoor zorg dat passende maatregelen worden genomen om te voorkomen dat bestaand gebruik de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van soorten in een Natura 2000-gebied verslechtert en dat er door bestaand gebruik storende factoren optreden die gelet op de instandhoudingsdoelstellingen een significant effect kunnen hebben op de soorten waarvoor het gebied is aangewezen.
2.
Ter uitvoering van het eerste lid kan het bevoegd gezag degene die bestaand gebruik uitoefent waardoor de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van soorten in een Natura 2000-gebied kan verslechteren of waardoor er storende factoren optreden die gelet op de instandhoudingsdoelstellingen een significant effect kunnen hebben op de soorten waarvoor het gebied is aangewezen:
a. verplichten binnen een door het bevoegd gezag te stellen termijn informatie te verstrekken over het gebruik;
b. verplichten binnen een door het bevoegd gezag te stellen termijn en met inachtneming van door het bevoegd gezag te geven instructies de nodige preventieve of herstelmaatregelen te treffen; of
c. verplichten dat gebruik binnen een door het bevoegd gezag te stellen termijn te staken of te beperken.
3.
Het bevoegd gezag stelt belanghebbenden in de gelegenheid hun zienswijze uit te brengen over een voornemen tot het opleggen van een verplichting als bedoeld in het tweede lid, tenzij de verslechtering of verstoring het opleggen van een verplichting terstond noodzakelijk maakt.
4.
Het is verboden te handelen in strijd met een verplichting als bedoeld in het tweede lid.
5.
Onder «bevoegd gezag» als bedoeld in het eerste, tweede en derde lid, wordt verstaan:
a. Onze Minister, indien:
1°. voor het desbetreffende Natura 2000-gebied geen onherroepelijk geworden beheerplan als bedoeld in de artikelen 19a of  19b is vastgesteld, of
2°. het gebruik een krachtens artikel 19d, vijfde lid, aangewezen project of andere handeling is, of het gebruik plaatsvindt in of gevolgen heeft voor categorieën van gebieden die krachtens dat lid zijn aangewezen;
b. gedeputeerde staten, in andere gevallen dan die, bedoeld in onderdeel a.
6.
Het eerste tot en met het vijfde lid zijn niet van toepassing op bestaand gebruik dat overeenkomstig een beheerplan als bedoeld in de artikelen 19a of  19b wordt uitgeoefend.
1.
Het is verboden zonder vergunning, of in strijd met aan die vergunning verbonden voorschriften of beperkingen, van gedeputeerde staten of, ten aanzien van projecten of andere handelingen als bedoeld in het vijfde lid, van Onze Minister, projecten of andere handelingen te realiseren onderscheidenlijk te verrichten die gelet op de instandhoudingsdoelstelling, met uitzondering van de doelstellingen, bedoeld in artikel 10a, derde lid, de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van soorten in een Natura 2000-gebied kunnen verslechteren of een significant verstorend effect kunnen hebben op de soorten waarvoor het gebied is aangewezen. Zodanige projecten of andere handelingen zijn in ieder geval projecten of handelingen die de natuurlijke kenmerken van het desbetreffende gebied kunnen aantasten.
2.
Het verbod, bedoeld in het eerste lid, is niet van toepassing op het realiseren van projecten of het verrichten van andere handelingen, waaronder bestaand gebruik, alsmede de wijzigingen daarvan, overeenkomstig een beheerplan als bedoeld in de artikelen 19a of 19b.
3.
Het verbod, bedoeld in het eerste lid, is niet van toepassing op bestaand gebruik, behoudens indien dat gebruik een project is dat niet direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van een Natura 2000-gebied maar dat afzonderlijk of in combinatie met andere projecten of plannen significante gevolgen kan hebben voor het desbetreffende Natura 2000-gebied.
4.
Het verbod, bedoeld in het eerste lid, is niet van toepassing op het realiseren van projecten of het verrichten van andere handelingen die zijn toegestaan krachtens een omgevingsvergunning die met toepassing van hoofdstuk IX is verleend.
5.
Bij algemene maatregel van bestuur kunnen projecten of andere handelingen of categorieën van gebieden worden aangewezen waarvoor een vergunning als bedoeld in het eerste lid wordt verleend door Onze Minister.
6.
De voordracht voor een krachtens het vijfde lid vast te stellen algemene maatregel van bestuur wordt niet eerder gedaan dan vier weken nadat het ontwerp aan beide kamers der Staten-Generaal is overgelegd.
1.
Bij algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald dat het verbod, bedoeld in artikel 19d, eerste lid, niet van toepassing is op bepaalde categorieën van projecten of andere handelingen.
2.
Bij algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald dat Onze Minister met betrekking tot projecten en andere handelingen behorende tot een categorie als bedoeld in het eerste lid beperkingen of verplichtingen kan opleggen.
3.
Een krachtens het eerste of tweede lid vastgestelde algemene maatregel van bestuur treedt niet eerder in werking dan zes weken na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin hij is geplaatst. Van plaatsing wordt onverwijld mededeling gedaan aan de beide Kamers der Staten-Generaal.
1.
Een bestemmingsplan dat betrekking heeft op een ontwikkelingsgebied als bedoeld in artikel 2.3 van de Crisis- en herstelwet, kan de voorwaarden, voorschriften en beperkingen bevatten waaronder een vergunning als bedoeld in artikel 19d, eerste lid, wordt verleend, indien op grond van een voor dat plan opgestelde passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat projecten die aan deze voorwaarden, voorschriften en beperkingen voldoen de natuurlijke kenmerken van Natura 2000-gebieden niet kunnen aantasten, dan wel is voldaan aan de artikelen 19g, tweede, derde en vierde lid, en 19h, onderscheidenlijk op grond van artikel 19e een beoordeling is uitgevoerd van andere handelingen.
2.
Het bestuursorgaan dat bevoegd is voor de verlening van vergunningen als bedoeld in artikel 19d, eerste lid, voor projecten of andere handelingen in een ontwikkelingsgebied, kan voorafgaand aan de vaststelling van een daarop betrekking hebbend bestemmingsplan instemming verlenen aan de in het eerste lid genoemde voorwaarden, voorschriften en beperkingen.
3.
Een vergunning als bedoeld in artikel 19d, eerste lid, wordt verleend indien:
a. het project of de andere handeling voldoet aan de voorwaarden, opgenomen in een plan als bedoeld in het eerste lid, en
b. de beoordelingen, genoemd in het eerste lid, op het moment van de verlening van de vergunning actueel zijn, en
c. het bestuursorgaan dat bevoegd is voor de verlening van de vergunning instemt, of voorafgaand aan de vaststelling van het in het eerste lid genoemde plan heeft ingestemd met de in het eerste lid genoemde voorwaarden, voorschriften en beperkingen.
4.
Aan een vergunning als bedoeld in het derde lid worden de in het bestemmingsplan op grond van het eerste lid opgenomen voorschriften verbonden. Zij wordt onder de in het bestemmingsplan op grond van het eerste lid opgenomen beperkingen verleend.
Artikel 19e
Gedeputeerde staten houden bij het verlenen van een vergunning als bedoeld in artikel 19d, eerste lid, rekening
a. met de gevolgen die een project of andere handeling, waarop de vergunningaanvraag betrekking heeft, gelet op de instandhoudingsdoelstelling, met uitzondering van de doelstellingen, bedoeld in artikel 10a, derde lid, kan hebben voor een Natura 2000-gebied;
b. met een op grond van artikel 19a of artikel 19b vastgesteld beheerplan, en
c. vereisten op economisch, sociaal en cultureel gebied, alsmede regionale en lokale bijzonderheden.
1.
Voor projecten waarover gedeputeerde staten een besluit op een aanvraag voor een vergunning als bedoeld in artikel 19d, eerste lid, nemen, en die niet direct verband houden met of nodig zijn voor het beheer van een Natura 2000-gebied maar die afzonderlijk of in combinatie met andere projecten of plannen significante gevolgen kunnen hebben voor het desbetreffende gebied, maakt de initiatiefnemer alvorens gedeputeerde staten een besluit nemen, een passende beoordeling van de gevolgen voor het gebied waarbij rekening wordt gehouden met de instandhoudingsdoelstelling, met uitzondering van de doelstellingen, bedoeld in artikel 10a, derde lid, van dat gebied.
2.
De passende beoordeling terzake van een besluit op een aanvraag voor een vergunning als bedoeld in artikel 19d, eerste lid, kan onderdeel uitmaken van een voor dat project voorgeschreven milieueffectrapportage.
3.
De verplichting tot het maken van een passende beoordeling bij de voorbereiding van een besluit als bedoeld in het eerste lid, geldt niet in gevallen waarin degene die een project waarop dat besluit betrekking heeft, onderneemt, daarmee een project ten aanzien waarvan reeds eerder een passende beoordeling is gemaakt, herhaalt of voortzet, voorzover de passende beoordeling redelijkerwijs geen nieuwe gegevens en inzichten kan opleveren omtrent de significante gevolgen van dat project.
1.
Indien een passende beoordeling is voorgeschreven op grond van artikel 19f, eerste lid, kan een vergunning als bedoeld in artikel 19d, eerste lid, slechts worden verleend indien gedeputeerde staten zich op grond van de passende beoordeling ervan hebben verzekerd dat de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zullen worden aangetast.
2.
In afwijking van het eerste lid kunnen bij ontstentenis van alternatieve oplossingen voor een project gedeputeerde staten ten aanzien van Natura 2000-gebieden waar geen prioritair type natuurlijke habitat of prioritaire soort voorkomt, een vergunning als bedoeld in artikel 19d, eerste lid, voor het realiseren van het desbetreffende project, slechts verlenen om dwingende redenen van groot openbaar belang met inbegrip van redenen van sociale of economische aard.
3.
Ten aanzien van Natura 2000-gebieden waar een prioritair type natuurlijke habitat of een prioritaire soort voorkomt, kunnen gedeputeerde staten bij ontstentenis van alternatieve oplossingen voor een project of andere handeling, in afwijking van het eerste lid, een vergunning als bedoeld in artikel 19d, eerste lid, voor het realiseren van het desbetreffende project, slechts verlenen:
a. op argumenten die verband houden met de menselijke gezondheid, de openbare veiligheid of voor het milieu wezenlijke gunstige effecten of
b. na advies van de Commissie van de Europese Gemeenschappen om andere dwingende redenen van groot openbaar belang.
4.
Een advies als bedoeld in het derde lid, onderdeel b, wordt door Onze Minister gevraagd.
1.
Indien een vergunning als bedoeld in artikel 19d, eerste lid, om dwingende redenen van groot openbaar belang wordt verleend voor het realiseren van projecten, waarvan niet met zekerheid vaststaat dat die projecten de natuurlijke kenmerken van het Natura 2000-gebied niet aantasten, verbinden gedeputeerde staten aan die vergunning in ieder geval het voorschrift inhoudende de verplichting compenserende maatregelen te treffen.
2.
De initiatiefnemer wordt door gedeputeerde staten tijdig tevoren in de gelegenheid gesteld om voorstellen voor compenserende maatregelen te doen.
3.
In de voorstellen voor compenserende maatregelen, bedoeld in het tweede lid, wordt in ieder geval opgenomen op welke wijze en in welk tijdsbestek de compenserende maatregelen zullen worden getroffen.
4.
Voor zover compenserende maatregelen worden voorgeschreven met het oog op de doelstellingen, bedoeld in artikel 10a, tweede lid, onderdeel a of onderdeel b, dient het met deze maatregelen beoogde resultaat te zijn bereikt op het tijdstip waarop significante gevolgen als bedoeld in artikel 19f, eerste lid, zich voordoen, tenzij kan worden aangetoond dat deze gelijktijdigheid niet noodzakelijk is om de bijdrage van het betrokken gebied aan Natura 2000 veilig te stellen.
5.
Bij ministeriële regeling kan Onze Minister in overeenstemming met Onze andere Ministers, wie het mede aangaat nadere eisen stellen ten aanzien van compenserende maatregelen.
Artikel 19i
In de gevallen waarin Onze Minister bevoegd is te besluiten op een aanvraag voor een vergunning als bedoeld in artikel 19d, eerste lid, zijn de artikelen 19e, 19f, 19g en 19h van overeenkomstige toepassing.
1.
Ingeval de instandhoudingsdoelstelling voor een Natura 2000-gebied mede betrekking heeft op doelstellingen als bedoeld in artikel 10a, derde lid, is artikel 16, eerste tot en met zesde lid, van overeenkomstige toepassing op handelingen die schadelijk kunnen zijn voor het natuurschoon, voor de natuurwetenschappelijke betekenis van het Natura 2000-gebied anders dan vereist ingevolge de richtlijnen, bedoeld in artikel 10a, tweede lid, of voor dieren en planten in dat gebied, of die het gebied ontsieren, met dien verstande dat:
a. in het vierde lid in plaats van «het besluit tot aanwijzing als beschermd natuurmonument, bedoeld in artikel 10» wordt gelezen: het besluit tot aanwijzing, bedoeld in artikel 10a;
b. in het vijfde lid in plaats van «een beheerplan als bedoeld in artikel 17» wordt gelezen: de beschrijvingen in het desbetreffende beheerplan, bedoeld in artikel 19a, negende lid;
c. de krachtens het zesde lid aangewezen handelingen de krachtens artikel 19d, vierde lid, aangewezen handelingen zijn.
2.
Ingeval het eerste lid van toepassing is, geldt een aanvraag van een vergunning als bedoeld in artikel 19d, eerste lid, tevens als een aanvraag van een vergunning als bedoeld in het artikel 16, eerste lid, in samenhang met het eerste lid.
3.
Ingeval een handeling als bedoeld in het eerste lid bestaand gebruik is waarop artikel 19d, derde lid, van toepassing is, is in plaats van het verbod, bedoeld in artikel 16, eerste lid, artikel 19c van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat de maatregelen, bedoeld in artikel 19c, eerste en tweede lid, tot doel hebben te voorkomen dat bestaand gebruik mogelijk nadelige gevolgen heeft voor het Natura 2000-gebied, gelet op de doelstellingen, bedoeld in artikel 10a, derde lid.
4.
Artikel 65 is niet van overeenkomstige toepassing op handelingen als bedoeld in het eerste lid.
1.
Een bestuursorgaan houdt bij het nemen van een besluit tot het vaststellen van een plan dat, gelet op de instandhoudingsdoelstelling, met uitzondering van de doelstellingen, bedoeld in artikel 10a, derde lid, voor een Natura 2000-gebied, de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van soorten in dat gebied kan verslechteren of een significant verstorend effect kan hebben op de soorten waarvoor het gebied is aangewezen, ongeacht de beperkingen die terzake in het wettelijk voorschrift waarop het berust, zijn gesteld, rekening
a. met de gevolgen die het plan kan hebben voor het gebied, en
b. met het op grond van artikel 19a of artikel 19b voor dat gebied vastgestelde beheerplan voor zover dat betrekking heeft op de instandhoudingsdoelstelling, met uitzondering van de doelstellingen, bedoeld in artikel 10a, derde lid.
2.
Voor plannen als bedoeld in het eerste lid, die niet direct verband houden met of nodig zijn voor het beheer van een Natura 2000-gebied maar die afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kunnen hebben voor het desbetreffende gebied, maakt het bestuursorgaan alvorens het plan vast te stellen een passende beoordeling van de gevolgen voor het gebied waarbij rekening wordt gehouden met de instandhoudingsdoelstelling, met uitzondering van de doelstellingen, bedoeld in artikel 10a, derde lid, van dat gebied.
3.
In de gevallen, bedoeld in het tweede lid, wordt het besluit, bedoeld in het eerste lid, alleen genomen indien is voldaan aan de voorwaarden, genoemd in de artikelen 19g en 19h.
4.
De passende beoordeling van deze plannen maakt deel uit van de ter zake van die plannen voorgeschreven milieueffectrapportage.
5.
De verplichting tot het maken van een passende beoordeling bij de voorbereiding van een plan als bedoeld in het tweede lid geldt niet in gevallen waarin het plan een herhaling of voortzetting is van een plan of project ten aanzien waarvan reeds eerder een passende beoordeling is gemaakt, voor zover de passende beoordeling redelijkerwijs geen nieuwe gegevens en inzichten kan opleveren omtrent de significante gevolgen van dat plan.
6.
Het eerste tot en met derde lid en het vijfde lid zijn van overeenkomstige toepassing op projectbesluiten als bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, onderdeel f, van de Wet ruimtelijke ordening.
1.
Gedeputeerde staten stellen Onze Minister in kennis van projecten als bedoeld in artikel 19f, eerste lid, en zenden een afschrift van vergunningen als bedoeld in artikel 19d, eerste lid, die met toepassing van artikel 19g zijn genomen naar Onze Minister en brengen Onze Minister op de hoogte van de genomen compenserende maatregelen, bedoeld in artikel 19h.
2.
Een bestuursorgaan dat een plan vaststelt als bedoeld in artikel 19j, tweede lid, dat met toepassing van artikel 19g is genomen zendt een afschrift van het besluit tot vaststelling van het plan naar Onze Minister en brengt Onze Minister op de hoogte van de genomen compenserende maatregelen, bedoeld in artikel 19h.
3.
Onze Minister stelt de Commissie van de Europese Gemeenschappen op de hoogte van de genomen compenserende maatregelen, bedoeld in het eerste en tweede lid.
1.
Indien voor het realiseren of verrichten van een project of andere handeling naast de vergunning , bedoeld in artikel 19d, eerste lid, andere besluiten vereist zijn, bevordert het bestuursorgaan waarbij de initiatiefnemer met betrekking tot dat project of die handeling een aanvraag heeft ingediend dat hij in kennis wordt gesteld van die andere besluiten, waarvan het bestuursorgaan redelijkerwijs kan aannemen dat deze nodig zijn.
2.
De initiatiefnemer kan bij één van de betrokken bestuursorganen schriftelijk om coördinatie van besluitvorming verzoeken.
3.
Tot coördinatie van besluitvorming kan ook ambtshalve door de betrokken bestuursorganen in onderling overleg worden besloten. De initiatiefnemer wordt hiervan in kennis gesteld.
4.
Indien een verzoek als bedoeld in het tweede lid is ingediend of indien ambtshalve tot coördinatie is besloten, wijzen de betrokken bestuursorganen uit hun midden een coördinerend bestuursorgaan aan. Indien, nadat er een verzoek is gedaan als bedoeld in het tweede lid, geen coördinerend bestuursorgaan is aangewezen, wordt als zodanig aangemerkt het bestuursorgaan dat als het hogere gezag kan worden aangemerkt.
5.
Het coördinerend bestuursorgaan bevordert een doelmatige en samenhangende besluitvorming. De andere betrokken bestuursorganen verlenen alle medewerking die voor het welslagen van een doelmatige en samenhangende besluitvorming nodig is.
1.
Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld over de wijze waarop wordt vastgesteld of projecten, andere handelingen of plannen een verslechterend of significant verstorend effect kunnen hebben als bedoeld in artikel 19d, eerste lid, of artikel 19j, eerste lid, alsmede over de wijze waarop wordt bepaald of projecten of plannen significante gevolgen kunnen hebben als bedoeld in artikel 19a, tiende lid, artikel 19f, eerste lid, of artikel 19j, tweede lid.
2.
De regels, bedoeld in het eerste lid, kunnen onder meer betrekking hebben op rekenmodellen, onderzoeksmethoden of meetmethoden waarmee effecten of gevolgen als bedoeld in het eerste lid kunnen worden bepaald.
1.
Bij ministeriële regeling kan aan degenen die bepaalde handelingen met, gelet op de instandhoudingsdoelstelling, mogelijk nadelige gevolgen voor een bij die regeling aangewezen Natura 2000-gebied of onderdeel daarvan, verrichten, laten verrichten, of daartoe het voornemen hebben, een verplichting worden opgelegd tot het melden van die handeling.
2.
In de ministeriële regeling, bedoeld in het eerste lid, wordt geregeld aan welk bestuursorgaan de melding wordt gericht, en kunnen verder regels worden gesteld over onder meer:
a. de termijn waarbinnen de melding wordt gedaan;
b. de gegevens die bij de melding worden verstrekt;
c. de wijze waarop de gegevens worden verstrekt.
3.
Het eerste lid is niet van toepassing op handelingen waarop artikel 19d, eerste of tweede lid, van toepassing is, en op handelingen in de exclusieve economische zone en op handelingen met betrekking tot wegen, vaarwegen, spoorwegen, waterkeringen, havens, luchthavens en luchtvaart, inclusief het gebruik daarvan.
4.
Het is verboden in strijd te handelen met een verplichting als het bedoeld in het eerste lid.
1.
Onze Minister en Onze Minister van Infrastructuur en Milieu stellen een programma vast voor de daarin opgenomen Natura 2000-gebieden ter vermindering van de stikstofdepositie in die gebieden en ter verwezenlijking van de instandhoudingsdoelstellingen voor de voor stikstof gevoelige habitats in die gebieden binnen afzienbare termijn.
2.
Het programma beoogt een ambitieuze en realistische vermindering van de stikstofdepositie, afkomstig van in Nederland aanwezige bronnen.
3.
Het programma wordt vastgesteld in overeenstemming met de bestuursorganen die voor de daarin opgenomen Natura 2000-gebieden het beheerplan, bedoeld in artikel 19a of 19b, vaststellen en de ingevolge artikel 2, vierde lid, medebetrokken bestuursorganen.
4.
Na de vaststelling van het programma kunnen Onze Minister en Onze Minister van Infrastructuur en Milieu daarin een Natura 2000-gebied opnemen in overeenstemming met de bestuursorganen die voor dat gebied het beheerplan, bedoeld in artikel 19a of 19b, vaststellen en de ingevolge artikel 2, vierde lid, medebetrokken bestuursorganen.
5.
Het programma wordt ten minste eenmaal in de zes jaar vastgesteld en geldt voor een tijdvak van zes jaar.
6.
Op de voorbereiding van de vaststelling of wijziging van een programma, uitgezonderd een wijziging als bedoeld in artikel 19ki, eerste lid, is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing.
7.
Onverminderd artikel 3:42, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht maakt Onze Minister het programma of een wijziging van het programma als bedoeld in het vierde lid of in artikel 19ki, eerste lid, op elektronische wijze bekend.
1.
In een programma als bedoeld in artikel 19kg worden voor de betrokken Natura 2000-gebieden in elk geval beschreven of genoemd:
a. de omvang van de stikstofdepositie aan het begin van het tijdvak van het programma, onderscheiden naar:
1°. depositie, veroorzaakt door factoren in de gebieden;
2°. depositie, veroorzaakt door factoren buiten de gebieden;
b. de verwachte autonome ontwikkelingen ten aanzien van de stikstofemissie door de factoren, bedoeld in onderdeel a, en de effecten daarvan op de omvang van stikstofdepositie in de gebieden;
c. de getroffen of te treffen maatregelen die bijdragen aan een vermindering van de stikstofdepositie, of die op een andere wijze bijdragen aan het bereiken van een goede staat van instandhouding van de voor stikstof gevoelige habitats, en de verwachte effecten van die maatregelen op de omvang van de depositie, onderscheidenlijk het bereiken van een goede staat van instandhouding in de gebieden;
d. de sociaal-economische evaluatie en weging van haalbaarheid en betaalbaarheid van maatregelen als bedoeld in de onderdelen c en g;
e. de doelstellingen ten aanzien van de omvang van de stikstofdepositie, al dan niet met tussendoelstellingen, of de indicatoren waaruit kan worden afgeleid of een doelstelling al dan niet is behaald welke noodzakelijk zijn met het oog op het bereiken van een gunstige staat van instandhouding;
f. de wijze waarop en frequentie waarmee de rapportage plaatsvindt over de voortgang en uitvoering van de getroffen of te treffen in het programma beschreven en genoemde maatregelen en de effecten daarvan op de depositie;
g. de getroffen of te treffen maatregelen ter verwezenlijking van de instandhoudingsdoelstellingen voor de voor stikstof gevoelige habitats in de Natura 2000-gebieden die in het programma zijn opgenomen;
h. de resultaten van een beoordeling voor elk Natura 2000-gebied dat in het programma is opgenomen, in hoeverre de maatregelen, bedoeld in de onderdelen c en g, rekening houdend met de verwachte algemene ontwikkeling van de stikstofdepositie, in het bijzonder het totaal van de stikstofdeposities, bedoeld in het zevende en negende lid, en de ontwikkelingsruimte:
1°. bijdragen aan de verwezenlijking van de instandhoudingsdoelstellingen voor de voor stikstof gevoelige habitats in het gebied;
2°. voorkomen dat verslechtering optreedt van de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van soorten in het gebied;
3°. voorkomen dat storende factoren optreden voor de soorten waarvoor het gebied is aangewezen voor zover die factoren, gelet op de instandhoudingsdoelstellingen van het gebied, een significant effect kunnen hebben, en
4°. de verwezenlijking van de instandhoudingsdoelstellingen van het gebied die geen betrekking hebben op voor stikstof gevoelige habitats, niet in gevaar brengen.
2.
In het programma kan onderscheid worden gemaakt tussen de depositie van ammoniak en andere stikstofverbindingen.
3.
Tot de maatregelen, bedoeld in het eerste lid, onderdelen c en g, behoren in elk geval:
a. maatregelen van bestuursorganen van het Rijk;
b. maatregelen voorzien in bindende besluiten van de Raad van de Europese Unie, van het Europees Parlement en de Raad gezamenlijk of van de Commissie van de Europese Gemeenschappen;
c. gebiedsgerichte of effectgerichte maatregelen van bestuursorganen van het Rijk, provincies, gemeenten, of waterschappen.
4.
In het programma worden de uitgangspunten opgenomen voor de bepaling van de ontwikkelingsruimte en voor de toedeling en reservering van ontwikkelingsruimte. In het programma wordt de op het tijdstip van vaststelling van het programma beschikbare ontwikkelingsruimte vermeld.
5.
Bij ministeriële regeling kan, overeenkomstig de uitgangspunten die in het programma zijn opgenomen op grond van het vierde lid, worden bepaald op welke wijze voor de Natura 2000-gebieden die in het programma zijn opgenomen de ontwikkelingsruimte wordt bepaald en ontwikkelingsruimte wordt toegedeeld en gereserveerd.
6.
In het programma kunnen projecten worden beschreven of genoemd waarvan op grond van een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat, mede in het licht van de ontwikkelingsruimte die ontstaat als gevolg van de maatregelen, bedoeld in het eerste lid, onderdelen c en g, en de autonome ontwikkelingen, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, de natuurlijke kenmerken van Natura 2000-gebieden niet zullen worden aangetast. Het verbod, bedoeld in artikel 19d, eerste lid, is niet van toepassing op projecten als bedoeld in de eerste volzin.
7.
Het verbod, bedoeld in artikel 19d, eerste lid, is met betrekking tot een Natura 2000-gebied niet van toepassing op een project of andere handeling dat voldoet aan elk van de volgende voorwaarden:
a. het project of de handeling:
1°. veroorzaakt een stikstofdepositie op voor stikstof gevoelige habitats in het Natura 2000-gebied die afzonderlijk en, ingeval het project of de handeling betrekking heeft op een inrichting als bedoeld in artikel 1.1, derde lid, van de Wet milieubeheer, in cumulatie met andere projecten of handelingen met betrekking tot dezelfde inrichting in de periode waarvoor het programma geldt, niet een waarde die is vastgesteld bij algemene maatregel van bestuur overschrijdt, of,
2°. behoort tot een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen categorie van projecten of handelingen en wordt gerealiseerd, onderscheidenlijk verricht op een grotere afstand gerekend tot het Natura 2000-gebied dan voor de desbetreffende categorie van projecten of handelingen bij die maatregel is vastgesteld;
b. het project of de handeling kan voor het desbetreffende Natura 2000-gebied geen andere gevolgen veroorzaken dan stikstofdepositie die, gelet op de instandhoudingsdoelstellingen, de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van soorten in een Natura 2000-gebied kunnen verslechteren of een significant verstorend effect kunnen hebben op de soorten waarvoor het gebied is aangewezen.
8.
De waarde, onderscheidenlijk de afstand, bedoeld in het zevende lid, onderdeel a, kan voor de onderscheiden Natura 2000-gebieden verschillend worden vastgesteld. De waarde, onderscheidenlijk de afstand wordt zodanig vastgesteld dat:
1°. geen afbreuk wordt gedaan aan het oogmerk, bedoeld in artikel 19kg, tweede lid, en
2°. op voorhand op grond van objectieve gegevens kan worden uitgesloten dat projecten of andere handelingen als bedoeld in het zevende lid afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten de natuurlijke kenmerken van een Natura 2000-gebied zullen aantasten.
9.
Bij het nemen van een besluit als bedoeld in artikel 19km, eerste lid, betrekt het bevoegd gezag niet de stikstofdepositie die het project of de andere handeling veroorzaakt op voor stikstof gevoelige habitats in een Natura 2000-gebied, indien de stikstofdepositie de in het zevende lid, onderdeel a, bedoelde waarde niet overschrijdt, onderscheidenlijk indien het project of de handeling wordt gerealiseerd, onderscheidenlijk verricht op een grotere afstand dan de op grond van het zevende lid, onderdeel a, vastgestelde afstand.
10.
De voordracht voor een krachtens het zevende lid, onderdeel a, vast te stellen algemene maatregel van bestuur wordt niet eerder gedaan dan vier weken nadat het ontwerp aan beide kamers der Staten-Generaal is overgelegd.
1.
Onze Minister en Onze Minister van Infrastructuur en Milieu kunnen in het programma maatregelen als bedoeld in artikel 19kh, eerste lid, onderdeel c of g, wijzigen of door andere maatregelen vervangen, dan wel maatregelen toevoegen. Zij stellen voor de Natura 2000-gebieden waarop de maatregelen betrekking hebben in het programma vast wat daarvan de gevolgen zijn voor de ontwikkelingsruimte en voor de beoordeling, bedoeld in artikel 19kh, eerste lid, onderdeel h. Ingeval het wijzigen, vervangen of toevoegen van maatregelen leidt tot minder ontwikkelingsruimte met betrekking tot een Natura 2000-gebied, geschiedt dit in overeenstemming met de bestuursorganen die het beheerplan, bedoeld in artikel 19a of 19b, voor dat gebied vaststellen.
2.
De Minister van Defensie of bestuursorganen van provincies, gemeenten of waterschappen kunnen in het programma opgenomen maatregelen als bedoeld in artikel 19kh, eerste lid, onderdeel c of g, voor de uitvoering waarvan zij zorg dragen, gewijzigd uitvoeren of vervangen door andere maatregelen, indien de bestuursorganen die voor het desbetreffende gebied het beheerplan, bedoeld in artikel 19a of 19b, vaststellen, daarmee instemmen, en dit niet leidt tot minder ontwikkelingsruimte met betrekking tot enig Natura 2000-gebied.
Artikel 19kj
De bestuursorganen die het aangaat dragen zorg voor een tijdige uitvoering van de in het programma opgenomen maatregelen, bedoeld in artikel 19kh, eerste lid, onderdelen c en g.
Artikel 19kk
Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld over de inpassing van onderdelen van het programma, bedoeld in artikel 19kg, die betrekking hebben op, of van belang zijn voor een in het programma, bedoeld in artikel 19kg, eerste lid, opgenomen Natura 2000-gebied, in het desbetreffende beheerplan.
1.
Onze Minister en Onze Minister van Infrastructuur en Milieu stellen uiterlijk vier maanden na inwerkingtreding van de Crisis- en herstelwet een voorlopig programma vast ter vermindering van de stikstofdepositie.
2.
In het voorlopige programma, bedoeld in het eerste lid, worden in elk geval beschreven of genoemd de maatregelen en effecten, bedoeld in artikel 19kh, eerste lid, onderdeel c, in samenhang met het derde lid, onderdeel a.
3.
Het voorlopige programma vervalt op het moment dat een eerste programma als bedoeld in artikel 19kg, eerste lid, wordt vastgesteld.
4.
De artikelen 19kh, eerste lid, onderdeel f, 19ki en 19kj zijn van overeenkomstige toepassing.
1.
De ontwikkelingsruimte voor een in het programma opgenomen Natura 2000-gebied, kan, met uitzondering van de ruimte die is toegedeeld aan projecten als bedoeld in artikel 19kh, zesde lid, overeenkomstig de uitgangspunten, bedoeld in artikel 19kh, vierde lid, door het bestuursorgaan dat bevoegd is tot het nemen van het desbetreffende besluit, worden toegedeeld in:
a. een beheerplan als bedoeld in artikel 19a, voor zover daarin een project of andere handeling is opgenomen als bedoeld in artikel 19d, tweede lid;
b. een vergunning als bedoeld in artikel 19d, eerste lid;
c. een bestemmingsplan als bedoeld in artikel 19db, eerste lid;
d. een omgevingsvergunning waarop hoofdstuk IX van toepassing is;
e. een tracébesluit waarop artikel 13, zevende lid, van de Tracéwet van toepassing is;
f. een wegaanpassingsbesluit waarop artikel 9, vierde lid, van de Spoedwet wegverbreding van toepassing is, of
g. een ander besluit dat bij ministeriële regeling is aangewezen.
2.
Bij het nemen van een besluit als bedoeld in het eerste lid neemt het bevoegd gezag de reserveringen in acht, die krachtens artikel 19kn, eerste lid, zijn gedaan. Daarbij draagt het bevoegd gezag er zorg voor dat in de eerste helft van het tijdvak van het programma voldoende ontwikkelingsruimte beschikbaar blijft om, met inachtneming van artikel 19kn, derde lid, en het bepaalde krachtens artikel 19kn, vierde lid, te worden toegedeeld in besluiten waarvoor krachtens artikel 19kn, eerste lid, ontwikkelingsruimte is gereserveerd.
3.
Voor een project dat of een andere handeling die betrekking heeft op een inrichting als bedoeld in artikel 1.1, derde lid, van de Wet milieubeheer en stikstofdepositie veroorzaakt op een in het programma opgenomen Natura 2000-gebied wordt een vergunning als bedoeld in artikel 19d, eerste lid, niet verleend op grond van het feit dat onmiddellijk in verband met dit project of deze andere handeling een afname van de stikstofdepositie plaatsvindt als gevolg van de beëindiging of beperking van een of meer bepaalde andere handelingen buiten die inrichting.
4.
Het derde lid is niet van toepassing op een besluit op een aanvraag om een vergunning als bedoeld in artikel 19d, eerste lid, die is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van het derde lid.
5.
Het bestuursorgaan dat bevoegd is tot het nemen van een besluit als bedoeld in het eerste lid waarin ontwikkelingsruime is toegedeeld kan dit besluit intrekken of wijzigen indien het project of de andere handeling waarop dit besluit betrekking heeft, nadat het besluit onherroepelijk is geworden, niet is gerealiseerd, onderscheidenlijk is verricht.
1.
Een ieder neemt voldoende zorg in acht voor de instandhouding van een gebied aangewezen op grond van artikel 10 of een Natura 2000-gebied als bedoeld in artikel 12.
2.
De zorg, bedoeld in het eerste lid, houdt in ieder geval in dat een ieder die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat door zijn handelen of nalaten, gelet op de instandhoudingsdoelstelling, voor zover het een Natura 2000-gebied betreft dan wel gelet op de wezenlijke kenmerken van een gebied, aangewezen op grond van artikel 10, eerste lid, nadelige gevolgen voor het gebied, bedoeld in het eerste lid, kunnen worden veroorzaakt, verplicht is dergelijke handelingen achterwege te laten, dan wel, indien dat achterwege laten redelijkerwijs niet kan worden gevergd, alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van hem kunnen worden gevergd teneinde die gevolgen te voorkomen of, voorzover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen, deze zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken.
1.
Gedeputeerde staten kunnen de toegang tot een beschermd natuurmonument als bedoeld in artikel 10, eerste lid, een Natura 2000-gebied of delen van bedoelde gebieden, voorzover dit noodzakelijk is voor de bescherming van natuurwaarden, beperken.
2.
Indien een gebied als bedoeld in het eerste lid geheel of ten dele wordt beheerd door of onder verantwoordelijkheid van Onze Minister of een van Onze andere Ministers, wordt de in het eerste lid bedoelde bevoegdheid uitgeoefend door Onze Minister in overeenstemming met Onze andere Minister.
3.
Het is verboden in strijd met de beperkingen die ingevolge het eerste en tweede lid zijn opgelegd, zich te bevinden in een beschermd natuurmonument als bedoeld in artikel 10, eerste lid, een Natura 2000-gebied of gedeelten daarvan.
4.
Het verbod in het derde lid geldt niet voor de eigenaar en de gebruiker van een beschermd natuurmonument als bedoeld in artikel 10, eerste lid of een Natura 2000-gebied, indien bedoeld gebruiksrecht zich daarover uitstrekt.
1.
Indien ten gevolge van het achterwege blijven van maatregelen het natuurschoon of de natuurwetenschappelijke betekenis van het beschermd natuurmonument in ernstige mate vermindert of dreigt te verminderen, kunnen vanwege gedeputeerde staten in het beschermd natuurmonument maatregelen worden getroffen die noodzakelijk zijn om het natuurschoon of de natuurwetenschappelijke betekenis te herstellen of te behouden.
2.
De eigenaar en de gebruiker zijn verplicht het treffen van de maatregelen te gedogen.
3.
Gedeputeerde staten gaan niet over tot het treffen van de maatregelen dan nadat zij de eigenaar en gebruiker het voornemen daartoe schriftelijk hebben medegedeeld en, behoudens onverwijlde noodzaak, na de mededeling ten minste vier weken zijn verstreken.
4.
Het eerste, tweede en derde lid zijn van overeenkomstige toepassing op een Natura 2000-gebied met dien verstande dat de noodzakelijke maatregelen worden getroffen, indien gelet op de instandhoudingsdoelstelling de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van soorten in het aangewezen gebied verslechtert of indien er verstorende factoren optreden die een significant effect hebben op de soorten waarvoor het gebied is aangewezen, dan wel indien het beheerplan, bedoeld in artikel19a, voorziet in het treffen van de maatregelen met het oog op de realisatie van de instandhoudingsdoelstelling voor het desbetreffende gebied. In het geval het gebied wordt beheerd door of onder verantwoordelijkheid van Onze Minister of een van Onze andere Ministers, worden zodanige maatregelen getroffen door Onze Minister onderscheidenlijk Onze andere Minister in overeenstemming met Onze Minister.
1.
Na overleg met de eigenaren en de gebruikers kunnen in een beschermd natuurmonument vanwege gedeputeerde staten de nodige kentekenen worden aangebracht om de aanwijzing als beschermd natuurmonument alsmede de rechtsgevolgen van de aanwijzing kenbaar te maken.
2.
De eigenaar en gebruiker zijn verplicht het aanbrengen van de kentekenen te gedogen.
3.
Het eerste en tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing op een Natura 2000-gebied.
Artikel 22a
De paragrafen 2 en 3 zijn niet van toepassing op activiteiten die onderwerp zijn van het gemeenschappelijk visserijbeleid, bedoeld in artikel 38 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, voor zover zij plaatsvinden in de exclusieve economische zone.
1.
Gedeputeerde staten kunnen een landschapsgezicht bij besluit aanwijzen als beschermd landschapsgezicht.
2.
Indien het betreffende gebied reeds is aangewezen als beschermd natuurmonument, houden gedeputeerde staten bij hun besluit rekening met die aanwijzing.
3.
Gedeputeerde staten kunnen bij besluit een aanwijzing als beschermd landschapsgezicht geheel of gedeeltelijk wijzigen of intrekken.
4.
Op een besluit als bedoeld in het derde lid zijn het tweede lid en de artikelen 24 tot en met 26 van overeenkomstige toepassing.
1.
Het besluit, bedoeld in artikel 23, bevat in ieder geval:
a. een beschrijving van de kenmerken van het landschapsgezicht voorzover deze kenmerken uiterlijk waarneembaar zijn;
b. een aanduiding van handelingen die de kenmerken, bedoeld in onderdeel a, kunnen aantasten.
2.
Het besluit gaat vergezeld van een kaart waarop de begrenzing van het gebied dat als beschermd landschapsgezicht is aangewezen, is aangegeven.
1.
Alvorens tot een aanwijzing als beschermd landschapsgezicht over te gaan, zenden gedeputeerde staten het ontwerp-besluit aan de gemeenteraad van de gemeenten waarin het landschapsgezicht is gelegen alsmede aan de provinciale planologische commissie. De gemeenteraad brengt binnen zes maanden en de provinciale planologische commissie brengt binnen negen maanden na ontvangst van het ontwerp-besluit advies uit.
2.
Binnen een jaar na toezending van het ontwerp-besluit, bedoeld in het eerste lid, beslissen gedeputeerde staten over aanwijzing van het landschapsgezicht als beschermd landschapsgezicht, doch niet alvorens zij de adviezen bedoeld in het eerste lid, hebben ontvangen dan wel de krachtens dat artikellid geldende termijnen zijn verstreken.
3.
Gedeputeerde staten maken een besluit over aanwijzing van een landschapsgezicht als beschermd landschapsgezicht bekend in de Staatscourant en in één of meer in het betrokken gebied verspreide dag-, nieuws- of huis-aan-huisbladen.
4.
Gedeputeerde staten zenden afschrift van een besluit over aanwijzing van een landschapsgezicht als beschermd landschapsgezicht aan Onze Minister en de gemeenteraad van de gemeenten waarin het beschermd landschapsgezicht is gelegen.
1.
De gemeenteraad van de gemeenten waarin het beschermd landschapsgezicht is gelegen, stelt ter bescherming van een beschermd landschapsgezicht een bestemmingsplan vast als bedoeld in de Wet ruimtelijke ordening . Bij het besluit tot aanwijzing van een beschermd landschapsgezicht kan hiertoe door gedeputeerde staten een termijn worden gesteld.
2.
Bij het besluit tot aanwijzing van een beschermd landschapsgezicht wordt bepaald of en zo ja in hoeverre geldende bestemmingsplannen als beschermend plan in de zin van het eerste lid kunnen worden aangemerkt.
1.
Onze Minister wijst gebieden aan ter uitvoering van verdragen of andere internationale verplichtingen met betrekking tot natuur- en landschapsbehoud met uitzondering van de richtlijn 2009/147/EG en de richtlijn 92/43/EEG, voorzover die verdragen of verplichtingen zulks met zich brengen.
2.
Een besluit als bedoeld in het eerste lid, gaat vergezeld van een kaart, waarop de begrenzing van het gebied nauwkeurig wordt aangegeven alsmede van een toelichting. In de toelichting wordt in ieder geval vermeld op welke wijze de instandhouding van het gebied, overeenkomstig het bepaalde in de bedoelde verplichtingen, wordt verwezenlijkt.
3.
Een besluit als bedoeld in het eerste lid, wordt bekendgemaakt in de Staatscourant en in één of meer in het betrokken gebied verspreide dag-, nieuws- of huis-aan-huisbladen.
Artikel 28
Alvorens tot een aanwijzing als bedoeld in artikel 27, eerste lid, over te gaan, hoort Onze Minister de besturen van de provincies en gemeenten waarin het gebied gelegen is.
1.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden, voorzover dit noodzakelijk is ter uitvoering van verdragen of andere internationale verplichtingen met betrekking tot natuur- en landschapsbehoud, nadere regels gesteld ten aanzien van de in deze wet geregelde onderwerpen.
2.
Tot de regels, bedoeld in het eerste lid, kunnen behoren de criteria voor de beoordeling van op grond van artikel 27 aan te wijzen gebieden.
3.
Tot de regels, bedoeld in het eerste lid, kan daarnaast behoren de mogelijkheid om door middel van een voorbereidingsbesluit te komen tot een voorlopige aanwijzing van een gebied, voordat de procedure, bedoeld in artikel 28, is voltooid.
1.
Onverminderd het elders bij deze wet of bij een algemene maatregel van bestuur krachtens deze wet bepaalde, kunnen bij ministeriële regeling regels worden gesteld inzake onderwerpen waarop deze wet van toepassing is, mits deze regels uitsluitend strekken ter uitvoering van een voor Nederland verbindend verdrag of ander besluit van een volkenrechtelijke organisatie.
2.
Bij de regeling, bedoeld in het eerste lid, kan het bij deze wet of bij algemene maatregel van bestuur krachtens deze wet bepaalde buiten werking worden gesteld, voorzover dat noodzakelijk is voor een juiste en tijdige uitvoering van een verdrag of besluit bedoeld in het eerste lid.
3.
Voorzover bij de regeling het bij deze wet of bij algemene maatregel van bestuur krachtens deze wet bepaalde buiten werking worden gesteld, zorgt Onze Minister voor vervanging van de regeling. Indien voor de vervanging een wet nodig is, wordt binnen twee jaren na inwerkingtreding van de regeling een voorstel van wet ingediend bij de Staten-Generaal. Indien voor de vervanging een algemene maatregel van bestuur nodig is, wordt de voordracht aan Ons gedaan binnen een jaar na inwerkingtreding van de regeling.
Artikel 30
Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder het bevoegd gezag: het orgaan dat het besluit, bedoeld in artikel 31, heeft genomen of geacht wordt te hebben genomen.
1.
Voorzover blijkt dat een belanghebbende ten gevolge van een besluit, genomen krachtens hoofdstuk III van deze wet, schade lijdt of zal lijden, die redelijkerwijs niet of niet geheel te zijnen laste behoort te blijven en waarvan de vergoeding niet of niet voldoende door aankoop, onteigening of anderszins is verzekerd, kent het orgaan dat dat besluit heeft genomen of geacht wordt te hebben genomen, hem op zijn verzoek een naar billijkheid te bepalen schadevergoeding toe.
2.
Het bevoegd gezag kan omtrent het verzoek om schadevergoeding het advies van de schadebeoordelingscommissie, bedoeld in artikel 32, inwinnen.
1.
Een schadebeoordelingscommissie wordt door het bevoegde gezag ingesteld.
2.
De schadebeoordelingscommissie bestaat uit één of meer leden.
3.
Een lid van een door Onze Minister ingestelde schadebeoordelingscommissie mag niet de betrekking bekleden van ambtenaar in dienst van het ministerie of van een dienst, bedrijf of instelling werkzaam onder verantwoordelijkheid van Onze Minister.
4.
Met ambtenaar als bedoeld in het derde lid worden voor de toepassing van dit hoofdstuk gelijkgesteld zij die op grond van een arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht werkzaam zijn.
5.
Een lid van een door gedeputeerde staten ingestelde schadebeoordelingscommissie mag niet de betrekking bekleden van:
a. commissaris van de Koning;
b. lid van gedeputeerde staten;
c. ambtenaar, door of vanwege het provinciaal bestuur aangesteld of daaraan ondergeschikt.
6.
Met ambtenaar als bedoeld in het vijfde lid, onderdeel c, worden voor de toepassing van dit hoofdstuk gelijkgesteld zij die in dienst van de provincie op grond van een arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht werkzaam zijn.
1.
Indien het bevoegd gezag besluit het advies van de schadebeoordelingscommissie in te winnen, zendt het het verzoekschrift voor advies aan de schadebeoordelingscommissie, vergezeld van alle op de zaak betrekking hebbende stukken, onder gelijktijdige mededeling hiervan aan de verzoeker.
2.
Het bevoegd gezag verleent aan de schadebeoordelingscommissie de gevraagde medewerking.
1.
De schadebeoordelingscommissie stelt de verzoeker of zijn gemachtigde in de gelegenheid zijn verzoek om schadevergoeding in een openbare vergadering tegenover haar nader toe te lichten.
2.
Een door Onze Minister ingestelde schadebeoordelingscommissie kan ambtenaren in dienst van het ministerie of van een dienst, bedrijf of instelling, werkzaam onder verantwoordelijkheid van Onze Minister oproepen om in de openbare vergadering te verschijnen tot het geven van inlichtingen.
3.
Een door gedeputeerde staten ingestelde schadebeoordelingscommissie kan één of meer leden van gedeputeerde staten, met inbegrip van de voorzitter, en ambtenaren door of vanwege het provinciaal bestuur aangesteld of daaraan ondergeschikt, oproepen om in de openbare vergadering te verschijnen tot het geven van inlichtingen.
4.
Indien de schadebeoordelingscommissie een plaatsopneming wil houden, deelt zij het tijdstip van de plaatsopneming vooraf mede aan de verzoeker en aan het bevoegd gezag.
Artikel 35
De schadebeoordelingscommissie brengt een met redenen omkleed advies uit aan het bevoegd gezag. Zij zendt gelijktijdig een exemplaar daarvan aan de verzoeker.
1.
Het bevoegd gezag stelt de verzoeker in de gelegenheid schriftelijk of mondeling in tegenwoordigheid van de schadebeoordelingscommissie, zijn zienswijze omtrent het advies naar voren te brengen.
2.
Het mondeling naar voren brengen van een zienswijze als bedoeld in het eerste lid geschiedt, indien de schadebeoordelingscommissie is ingesteld door gedeputeerde staten, ten overstaan van één of meer leden van gedeputeerde staten met inbegrip van de voorzitter.
3.
De schadebeoordelingscommissie verstrekt het bevoegd gezag desgevraagd nadere toelichting op het advies en geeft desgevraagd haar mening omtrent de zienswijze daarover van de verzoeker.
Artikel 37
De kosten van de schadebeoordelingscommissie worden de verzoeker niet in rekening gebracht.
1.
Het bestuursorgaan beslist binnen acht weken of, indien een schadebeoordelingscommissie als bedoeld in artikel 32, eerste lid, is ingeschakeld, binnen zesentwintig weken na de ontvangst van het verzoek om schadevergoeding.
2.
Het bestuursorgaan kan de beslissing eenmaal voor ten hoogste acht weken of, indien een schadebeoordelingscommissie als bedoeld in artikel 32, eerste lid, is ingeschakeld, zesentwintig weken verdagen. Van de verdaging wordt schriftelijk mededeling gedaan.
1.
De werking van een besluit als bedoeld in artikel 15, eerste lid, wordt geschorst totdat de beroepstermijn is verstreken of, indien beroep is ingesteld, op het beroep is beslist.
2.
Een beroep tegen de vaststelling van een beheerplan als bedoeld in artikel 19a heeft uitsluitend betrekking op de beschrijvingen van handelingen die het bereiken van de instandhoudingsdoelstelling niet in gevaar brengen, en de daarbij in voorkomend geval aangegeven voorwaarden en beperkingen.
3.
Een beroep tegen de vaststelling van een programma als bedoeld in artikel 19kg, eerste lid, heeft uitsluitend betrekking op de beschrijving of vermelding van projecten als bedoeld in artikel 19kh, zesde lid.
Artikel 40
Met toepassing van artikel 28, eerste lid, laatste zinsnede, van de Dienstenwet is paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing op een aanvraag tot een vergunning als bedoeld in de artikelen 16 en 19d.
1.
In de aanvraag van de vergunningen, bedoeld in de artikelen 16 en 19d, wordt het belang van de aanvrager bij het verlenen van de vergunning gemotiveerd.
2.
De ontvangst van de aanvraag wordt schriftelijk bevestigd.
1.
Op de vergunningaanvraag wordt binnen dertien weken na de datum van ontvangst beslist.
2.
Het orgaan dat tot verlening van de vergunning bevoegd is, kan de termijn eenmaal met dertien weken verlengen. Van zodanige verlenging wordt mededeling gedaan aan de aanvrager en aan burgemeester en wethouders als bedoeld in artikel 44.
3.
Van een besluit tot verlening, wijziging of intrekking van de vergunningen als bedoeld in de artikelen 16 en 19d wordt door het orgaan dat tot verlening van de vergunning bevoegd is kennis gegeven in een of meer dag-, nieuws-, of huis-aan-huisbladen of op andere geschikte wijze. Volstaan kan worden met vermelding van de zakelijke inhoud.
1.
Aan een vergunning kunnen voorschriften worden verbonden.
Een vergunning kan onder beperkingen worden verleend. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen met betrekking tot deze voorschriften en beperkingen nadere regels worden gesteld.
2.
Een vergunning kan worden ingetrokken of gewijzigd indien:
a. de houder van de vergunning handelt in strijd met de daaraan verbonden voorschriften of beperkingen;
b. de gegevens op grond waarvan de vergunning is verleend zodanig onjuist of onvolledig blijken te zijn dat, waren de juiste gegevens bekend geweest, een andere beslissing zou zijn genomen;
c. de vergunning in strijd met de wettelijke voorschriften is gegeven, of
d. de omstandigheden sedert het tijdstip waarop de vergunning is verleend zodanig zijn gewijzigd, dat deze niet, niet zonder beperkingen of voorwaarden of slechts onder andere beperkingen of voorwaarden zou zijn verleend indien deze omstandigheden op het tijdstip waarop de vergunning is verleend zouden hebben bestaan.
1.
Indien Onze Minister bevoegd is tot verlening van een vergunning zendt hij een afschrift van het verzoek om een vergunning en van de ontvangstbevestiging aan gedeputeerde staten van de provincies en burgemeester en wethouders van de gemeenten, waarin de handeling, waarvoor de vergunning wordt verlangd, zal geschieden.
2.
Indien gedeputeerde staten bevoegd zijn tot verlening van een vergunning, zenden zij een afschrift van de stukken, bedoeld in het eerste lid, aan burgemeester en wethouders van de gemeenten, bedoeld in het eerste lid, alsmede aan Onze Minister.
3.
Gedeputeerde staten en burgemeester en wethouders, onderscheidenlijk burgemeester en wethouders, kunnen binnen acht weken na de op de ontvangstbevestiging vermelde datum bij het tot verlening van de vergunning bevoegd orgaan hun zienswijze naar voren brengen.
1.
Deze titel is van toepassing op handelingen:
a. waarvoor een omgevingsvergunning is vereist en
b. die tevens zijn aan te merken als handelingen waarvoor het verbod, bedoeld in artikel 16, eerste lid geldt.
2.
Deze titel is niet van toepassing op handelingen die zijn toegestaan krachtens een vergunning als bedoeld in artikel 16, eerste lid, of waarvoor een zodanige vergunning is aangevraagd.
1.
De aanvrager van een omgevingsvergunning draagt er zorg voor dat de aanvraag tevens betrekking heeft op de handelingen die voldoen aan de criteria, bedoeld in artikel 46, eerste lid.
2.
Op een beschikking op een aanvraag om een omgevingsvergunning als bedoeld in het eerste lid zijn de artikelen 4.2 en 4.3 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht van toepassing.
3.
Indien toepassing wordt gegeven aan artikel 2.5 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, zijn het tweede lid en de artikelen 46b en 46c van overeenkomstige toepassing op de beschikking met betrekking tot de eerste en tweede fase.
1.
Een omgevingsvergunning die betrekking heeft op handelingen als bedoeld in artikel 46, eerste lid, wordt niet verleend dan nadat het bestuursorgaan dat ten aanzien van de betrokken handelingen bevoegd is te beslissen op een aanvraag om een vergunning als bedoeld in artikel 16, eerste lid, heeft verklaard dat het daartegen geen bedenkingen heeft als bedoeld in artikel 2.27, eerste lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.
2.
Het eerste lid is niet van toepassing indien gedeputeerde staten zowel bevoegd gezag zijn om te beslissen op een aanvraag om een omgevingsvergunning als ten aanzien van de betrokken handelingen bevoegd zijn te beslissen op een aanvraag om een vergunning als bedoeld in artikel 16, eerste lid. In dit geval zijn afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht en paragraaf 3.3 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht van toepassing op de voorbereiding van de beschikking op een aanvraag om een omgevingsvergunning.
3.
De verklaring onderscheidenlijk, in het in het tweede lid bedoelde geval, de omgevingsvergunning kan slechts worden geweigerd indien de betrokken handelingen schade kunnen toebrengen aan de belangen, omschreven in artikel 16, eerste lid. Artikel 16, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing met betrekking tot de verklaring onderscheidenlijk de omgevingsvergunning.
1.
Het bestuursorgaan, bedoeld in artikel 46b, eerste lid, kan een verzoek als bedoeld in artikel 2.29, eerste lid, tweede volzin, aanhef en onder a, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht slechts doen indien de omstandigheden sinds het tijdstip waarop de in artikel 46b, eerste lid, bedoelde verklaring is gegeven zodanig zijn gewijzigd, dat deze niet zou zijn gegeven of niet zonder daarbij te bepalen dat aan de omgevingsvergunning daarbij aangegeven voorschriften worden verbonden, indien deze omstandigheden op het bedoelde tijdstip zouden hebben bestaan.
2.
Onverminderd de artikelen 2.31 en 2.33 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, kunnen gedeputeerde staten in een geval als bedoeld in artikel 46b, tweede lid, de omgevingsvergunning intrekken of de voorschriften die aan de omgevingsvergunning zijn verbonden wijzigen, aanvullen of intrekken dan wel alsnog aan de omgevingsvergunning verbinden indien de omstandigheden sinds het tijdstip waarop de omgevingsvergunning is verleend, zodanig zijn gewijzigd dat deze niet zou zijn verleend of niet zonder daaraan te verbinden voorschriften, indien deze omstandigheden op het genoemde tijdstip zouden hebben bestaan.
Artikel 46d
Het is verboden in strijd te handelen met een voorschrift van een omgevingsvergunning dat betrekking heeft op handelingen als bedoeld in artikel 16, eerste of vierde lid.
1.
Deze titel is van toepassing op handelingen:
a. waarvoor een omgevingsvergunning is vereist en
b. die tevens zijn aan te merken als projecten of andere handelingen waarvoor het verbod, bedoeld in artikel 19d, eerste lid, geldt.
2.
Deze titel is niet van toepassing op projecten of andere handelingen die zijn toegestaan krachtens een vergunning als bedoeld in artikel 19d, eerste lid, of waarvoor een zodanige vergunning is aangevraagd.
1.
De aanvrager van een omgevingsvergunning draagt er zorg voor dat de aanvraag tevens betrekking heeft op de handelingen die voldoen aan de criteria, bedoeld in artikel 47, eerste lid.
2.
Op een beschikking op een aanvraag om een omgevingsvergunning als bedoeld in het eerste lid zijn de artikelen 4.2 en 4.3 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht van toepassing.
3.
Indien toepassing wordt gegeven aan artikel 2.5 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, zijn het tweede lid en de artikelen 47b en 47c van overeenkomstige toepassing op de beschikking met betrekking tot de eerste en tweede fase.
1.
Een omgevingsvergunning die betrekking heeft op handelingen als bedoeld in artikel 47, eerste lid, wordt niet verleend dan nadat het bestuursorgaan dat ten aanzien van de betrokken handelingen bevoegd is te beslissen op een aanvraag om een vergunning als bedoeld in artikel 19d, eerste lid, heeft verklaard dat het daartegen geen bedenkingen heeft als bedoeld in artikel 2.27, eerste lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.
2.
Het eerste lid is niet van toepassing indien gedeputeerde staten zowel bevoegd gezag zijn om te beslissen op een aanvraag om een omgevingsvergunning als ten aanzien van de betrokken handelingen bevoegd zijn te beslissen op een aanvraag om een vergunning als bedoeld in artikel 19d, eerste lid. In dit geval zijn afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht en paragraaf 3.3 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht van toepassing op de voorbereiding van de beschikking op een aanvraag om een omgevingsvergunning.
3.
Met betrekking tot de verklaring onderscheidenlijk, in het in het tweede lid bedoelde geval, de beschikking op de aanvraag voor zover deze betrekking heeft op handelingen als bedoeld in artikel 47a, eerste lid, zijn de artikelen 19e tot en met 19g, 19ia, 19k, eerste en derde lid, 19kh, negende lid, en 19km, derde en vierde lid en het bepaalde krachtens artikel 19kb, van overeenkomstige toepassing. De verklaring geeft in voorkomend geval aan welke ontwikkelingsruimte overeenkomstig artikel 19km bij de omgevingsvergunning wordt toegedeeld.
4.
Indien een omgevingsvergunning om dwingende redenen van groot openbaar belang wordt verleend voor het realiseren van projecten als bedoeld in artikel 19h, eerste lid, bepaalt het bestuursorgaan dat de verklaring geeft, dat aan de omgevingsvergunning in ieder geval het voorschrift wordt verbonden inhoudende de verplichting compenserende maatregelen te treffen. In het in het tweede lid bedoelde geval verbindt het bevoegd gezag dit voorschrift aan de omgevingsvergunning.
5.
Met betrekking tot de compenserende maatregelen is artikel 19h, tweede tot en met vijfde lid, van toepassing, met dien verstande dat in het in het eerste lid bedoelde geval de krachtens artikel 19h, tweede lid, gestelde verplichting geldt voor het bestuursorgaan dat de verklaring geeft.
6.
Artikel 19k, eerste lid, is voor zover het betreft de in dat lid gestelde verplichting met betrekking tot het in kennis stellen van Onze Minister en de in dat lid gestelde verplichting met betrekking tot het zenden van een afschrift van vergunningen van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat deze verplichtingen in het in het eerste lid bedoelde geval gelden voor het bestuursorgaan dat de verklaring geeft en niet gelden in gevallen dat Onze Minister de verklaring geeft.
1.
Het bestuursorgaan, bedoeld in artikel 47b, eerste lid, kan een verzoek als bedoeld in artikel 2.29, eerste lid, tweede volzin, aanhef en onder a, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht slechts doen indien de omstandigheden sinds het tijdstip waarop de verklaring is gegeven zodanig zijn gewijzigd, dat deze niet zou zijn gegeven of niet zonder daarbij te bepalen dat aan de omgevingsvergunning daarbij aangegeven voorschriften worden verbonden, indien deze omstandigheden op het genoemde tijdstip zouden hebben bestaan.
2.
Onverminderd de artikelen 2.31 en 2.33 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, kunnen gedeputeerde staten in een geval als bedoeld in artikel 47b, tweede lid, de omgevingsvergunning intrekken of de voorschriften die aan de omgevingsvergunning zijn verbonden wijzigen, aanvullen of intrekken dan wel alsnog aan de omgevingsvergunning verbinden indien de omstandigheden sinds het tijdstip waarop de omgevingsvergunning is verleend, zodanig zijn gewijzigd dat deze niet zou zijn verleend of niet zonder daaraan te verbinden voorschriften, indien deze omstandigheden op het genoemde tijdstip zouden hebben bestaan.
Artikel 47d
Het is verboden in strijd te handelen met een voorschrift van een omgevingsvergunning dat betrekking heeft op projecten of andere handelingen als bedoeld in artikel 19d, eerste lid.
1.
Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze wet zijn belast:
a. de bij besluit van Onze Minister aangewezen ambtenaren;
b. de door Onze Minister van Veiligheid en Justitie op grond van artikel 17 van de Wet op de economische delicten met de opsporing van de bij of krachtens deze wet strafbaar gestelde feiten belaste ambtenaren, en
c. de bij besluit van gedeputeerde staten aangewezen ambtenaren.
2.
Van een besluit als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, wordt mededeling gedaan door plaatsing in de Staatscourant.
1.
Onze Minister is bevoegd tot oplegging van een last onder bestuursdwang ter handhaving van het bij of krachtens deze wet bepaalde, ter zake van projecten en andere handelingen waarvoor hij ingevolge de artikelen 16, 19d, en 19ia in samenhang met 16 bevoegd is vergunning te verlenen, alsmede ter zake van de verplichtingen en instructies die hij krachtens de artikelen 19c, 19ia in samenhang met 19c, en 19ke bevoegd is op te leggen onderscheidenlijk te geven.
2.
Dit artikel is niet van toepassing met betrekking tot de handhaving van het bij of krachtens hoofdstuk IX bepaalde.
1.
Met betrekking tot de handhaving van het bij of krachtens hoofdstuk IX bepaalde zijn de artikelen 5.3 tot en met 5.23 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht van toepassing.
2.
Het in artikel 5.2 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht bedoelde bestuursorgaan heeft tot taak zorg te dragen voor de bestuursrechtelijke handhaving van de op grond van hoofdstuk IX voor degene die de betrokken activiteit verricht, geldende voorschriften.
1.
Bij het bestaan van een voornemen tot onteigening in het belang der natuurbescherming krachtens titel VIII der onteigeningswet kan Onze Minister met name genoemde handelingen verbieden, die schadelijk zijn voor het natuurschoon of voor de natuurwetenschappelijke betekenis van de bij de voorgenomen onteigening betrokken onroerende zaak.
2.
Het verbod vervalt door de overgang van de eigendom van de zaak op de onteigenende partij alsmede indien het niet binnen twee jaar is gevolgd door een zodanige eigendomsovergang, tenzij alsdan een geding aanhangig is als bedoeld in hoofdstuk III van titel I der onteigeningswet. De termijn kan bij een in de Staatscourant te plaatsen koninklijk besluit met ten hoogste een jaar verlengd worden.
3.
Onze Minister is te allen tijde bevoegd het verbod geheel of gedeeltelijk in te trekken dan wel daarvan ontheffing te verlenen.
4.
Onze Minister maakt het verbod bekend in de Staatscourant.
Artikel 60
Besluiten die zijn genomen op grond van de artikelen 7, 11, 12, 14, 18, 21, eerste lid, 28, eerste lid, 29, en 31 van de Natuurbeschermingswet gelden als besluiten die zijn genomen op grond van onderscheidenlijk de artikelen 10, 15, 16, 17, 31, 10, 49, eerste lid, 57 en 58 van deze wet.
1.
Besluiten die zijn genomen op grond van artikel 12 van de Natuurbeschermingswet voor projecten of andere handelingen als bedoeld in artikel 19d, eerste lid, gelden ter zake van een Natura 2000-gebied als besluiten die zijn genomen op grond van artikel 19d.
2.
Besluiten die zijn genomen op grond van artikel 16, tweede lid, onderdeel c, van de Natuurbeschermingswet gelden als besluiten die zijn genomen op grond van artikel 16 of artikel 19d van deze wet.
3.
Het eerste en het tweede lid gelden niet met betrekking tot de toepassing van artikel 31 van deze wet.
4.
De besluiten van Onze Minister houdende de aanwijzing van gebieden ter uitvoering van richtlijn 2009/147/EG gelden als besluiten als bedoeld in artikel 10a.
5.
Voor zover een beschermd natuurmonument als bedoeld in artikel 10 geheel of gedeeltelijk deel uitmaakt van een gebied als bedoeld in het vierde lid, vervalt in afwijking van artikel 15a, tweede lid, een besluit houdende de aanwijzing van dat beschermde natuurmonument geheel of gedeeltelijk met ingang van 1 oktober 2005. Artikel 15a, derde lid, is van overeenkomstige toepassing.
6.
Op besluiten, waarbij artikel 6 van de richtlijn 92/43/EEG aan de orde is, op voor 1 oktober 2005 ingediende aanvragen om vergunning of ontheffing en ingediende verzoeken om toestemming anderszins blijft deze wet buiten toepassing, totdat de bezwaar- of beroepstermijn is verstreken dan wel, indien beroep is ingesteld, onherroepelijk op het beroep is beslist.
7.
Een beheerplan dat is vastgesteld op grond van artikel 14 van de Natuurbeschermingswet, behoudt zijn gelding gedurende de periode waarvoor het plan is aangegaan.
8.
Een beheerplan als bedoeld in artikel 19a voor een gebied dat ter uitvoering van richtlijn 2009/147/EG voor 1 oktober 2005 is aangewezen, wordt uiterlijk drie jaar na het vaststellen van de instandhoudingsdoelstelling voor het gebied voor het eerst vastgesteld.
9.
Besluiten die zijn genomen op basis van artikel 19d, derde lid, (oud) gelden als besluiten die zijn genomen op basis van artikel 19d, vierde lid (nieuw).
10.
Artikel 19d is niet van toepassing op handelingen in de exclusieve economische zone waarvoor op grond van andere wetten en met inachtneming van artikel 6, derde en vierde lid, van richtlijn 92/43/EEG, een vergunning is of zal worden verleend.
11.
Artikel 19d is niet van toepassing op handelingen waarvoor een aanvraag tot wijziging van de in het tiende lid bedoelde vergunning is of wordt aangevraagd en deze vergunning met inachtneming van artikel 6, derde en vierde lid, van richtlijn 92/42/EEG, zal worden gewijzigd, dan wel ambtshalve een besluit tot wijziging van die vergunning met inachtneming van de voornoemde richtlijnbepaling is of zal worden vastgesteld.
12.
De vergunning, bedoeld in het tiende en elfde lid, kan door het bevoegde gezag dat de vergunning heeft verleend, worden gewijzigd of ingetrokken in de gevallen, bedoeld in artikel 43, tweede lid, in het bijzonder indien dit noodzakelijk is om de instandhoudingsdoelstelling voor het desbetreffende Natura 2000-gebied te realiseren.
Artikel 61
Gebieden die voor de inwerkingtreding van deze wet door Onze Minister zijn aangewezen ter uitvoering van verdragen of andere internationale verplichtingen met betrekking tot natuur- en landschapsbehoud, gelden als aangewezen gebieden op grond van artikel 27 van deze wet.
1.
Besluiten, die voor de datum van inwerkingtreding van deze wet zijn genomen op grond van artikel 8, eerste lid, van de Natuurbeschermingswet worden afgehandeld overeenkomstig artikel 9 van genoemde wet.
2.
Besluiten die voor de datum van inwerkingtreding van deze wet zijn genomen op grond van artikel 8, tweede lid, van de Natuurbeschermingswet gelden als besluiten die zijn genomen op grond van artikel 12, eerste lid, van deze wet, met dien verstande dat zodanige besluiten worden afgehandeld overeenkomstig artikel 9 van de Natuurbeschermingswet.
3.
Besluiten als bedoeld in artikel 10, die met inachtneming van het eerste lid worden genomen vermelden de in artikel 16, vierde lid, van deze wet bedoelde handelingen.
1.
Ten aanzien van het nemen van besluiten omtrent voor de datum van inwerkingtreding van deze wet ingediende verzoeken om vergunning of ontheffing als bedoeld in artikel 12 onderscheidenlijk 16, tweede lid, onderdeel c, van de Natuurbeschermingswet, blijft genoemde wet van toepassing totdat de bezwaar- of beroepstermijn is verstreken dan wel, indien beroep is ingesteld, onherroepelijk op het beroep is beslist.
2.
Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op voor de datum van inwerkingtreding van deze wet ingediende verzoeken om vergunning voor het verrichten van handelingen in een staatsnatuurmonument als bedoeld in artikel 21, eerste lid, van de Natuurbeschermingswet.
Artikel 64
Ten aanzien van de mogelijkheid om bezwaar te maken of beroep in te stellen tegen een besluit dat voor de datum van inwerkingtreding van deze wet is bekendgemaakt, alsmede ten aanzien van de behandeling van bezwaar of beroep dat voor de datum van inwerkingtreding van deze wet is gemaakt onderscheidenlijk is ingesteld, blijft de Natuurbeschermingswet van toepassing.
Artikel 65
Ten aanzien van beschermde natuurmonumenten en staatsnatuurmonumenten, als bedoeld in artikel 7, eerste lid, respectievelijk artikel 21, eerste lid, van de Natuurbeschermingswet, die voor de datum van inwerkingtreding van deze wet als zodanig zijn aangewezen op grond van de Natuurbeschermingswet , geldt in afwijking van artikel 16, vierde lid, van deze wet het verbod van artikel 16, eerste lid, van deze wet voor in dat artikellid bedoelde schadelijke handelingen die buiten het beschermde natuurmonument of staatsnatuurmonument worden verricht zonder dat deze handelingen vermeld zijn in het besluit tot aanwijzing.
Artikel 66
De eigenaar en gebruiker zijn verplicht de kentekenen die op grond van artikel 15 van de Natuurbeschermingswet in een beschermd natuurmonument zijn aangebracht na intrekking van die wet te gedogen.
Artikel 67
Ten aanzien van voor de datum van inwerkingtreding van deze wet genomen besluiten tot toepassing van bestuursdwang en de daaruit voortvloeiende uitvoering van werken als bedoeld in artikel 29, eerste en tweede lid, van de Natuurbeschermingswet, blijft genoemde wet van toepassing.
Artikel 67a
De artikelen 19km, 19kn en 19ko zijn niet van toepassing op projecten, plannen en andere handelingen die stikstofdepositie op voor stikstof gevoelige habitats in een Natura 2000-gebied veroorzaken indien:
voor het project, plan of de andere handeling voor het tijdstip van inwerkingtreding van het programma een besluit als bedoeld in artikel 19km, eerste lid, in voorbereiding is bij het desbetreffende bestuursorgaan;
de voor het nemen van het desbetreffende besluit beschikbare gegevens en bescheiden naar het oordeel van het desbetreffende bestuursorgaan voldoende zijn voor de beoordeling van de aanvraag of voor de voorbereiding van het desbetreffende besluit en bovendien, ingeval het besluit betrekking heeft op een project als bedoeld in artikel 19f, eerste lid, een volledige passende beoordeling als bedoeld in dat artikellid is gemaakt, en
degene die het desbetreffende project zal realiseren, onderscheidenlijk de andere handeling zal verrichten, heeft een tijdige uitvoering verzekerd van de maatregelen die in het kader van de realisering van het project, onderscheidenlijk het verrichten van de andere handeling worden getroffen om te verzekeren dat de natuurlijke kenmerken van Natura 2000-gebied niet zullen worden aangetast als gevolg van het project, onderscheidenlijk om verslechteringen of significant verstorende effecten als gevolg van de andere handeling te voorkomen.
Artikel 68
[Wijzigt de Wet op de economische delicten.]
Artikel 68a
Onze Minister zendt binnen drie jaar na de inwerkingtreding van de wet van 20 januari 2005 tot wijziging van de Natuurbeschermingswet 1998 in verband met Europeesrechtelijke verplichtingen (Stb. 2005, 195) aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en effecten van deze wet.
Artikel 68b
De Nederlandse strafwet is van toepassing op een ieder die zich in de exclusieve economische zone schuldig maakt aan overtreding van regels gesteld bij of krachtens de artikelen 19c, vierde lid, 19d, eerste lid, 19ia, eerste lid, in samenhang met 16, 19ia, derde lid, in samenhang met 19c, vierde lid, 19kc, eerste lid, 19ke, vijfde lid, 19l, eerste lid, 20, derde lid, 21, tweede lid, en 22, tweede lid.
Artikel 69
[Wijzigt de Wet op de waterhuishouding.]
Artikel 70
[Wijzigt de Wet milieubeheer.]
1.
[Wijzigt de Natuurbeschermingswet.]
2.
De Natuurbeschermingswet wordt ingetrokken.
Artikel 72
[Wijzigt deze wet.]
Artikel 73
[Wijzigt de Algemene wet bestuursrecht.]
1.
De Wet deelneming Grevelingen wordt ingetrokken.
2.
Het Natuur- en Recreatieschap De Grevelingen ontvangt ter zake van de uittreding van het Rijk uit de gemeenschappelijke regeling Natuur- en Recreatiegebied De Grevelingen een vergoeding van het Rijk van 9,75 miljoen euro, onder de voorwaarde dat de vergoeding door het Natuur- en Recreatieschap De Grevelingen of diens rechtsopvolger wordt besteed aan de behartiging van de belangen van natuur, landschap en openluchtrecreatie in De Grevelingen.
3.
Het Natuur- en Recreatieschap De Grevelingen of diens rechtsopvolger legt aan Onze Minister verantwoording af over de besteding van de afkoopsom en overlegt daartoe jaarlijks aan Onze Minister een jaarrekening tezamen met een accountantsverklaring. De eerste volzin is van toepassing tot 1 januari 2030 of, als dit eerder is, tot 1 januari van het jaar volgend op het jaar waarin het Natuur- en Recreatieschap De Grevelingen of diens rechtsopvolger is opgehouden te bestaan.
4.
Ingeval niet is voldaan aan de voorwaarde, bedoeld in het tweede lid, of aan de verplichtingen, bedoeld in het derde lid, eerste volzin, kan Onze Minister de vergoeding geheel of gedeeltelijk terugvorderen.
Artikel 74
Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld.
Artikel 75
Deze wet wordt aangehaald als: Natuurbeschermingswet, met vermelding van het jaartal van het Staatsblad waarin zij zal worden geplaatst.
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Gegeven te 's-Gravenhage, 25 mei 1998
De Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij,
Uitgegeven de veertiende juli 1998
De Minister van Justitie,