Rechtenmedia.nl - Juridische Online Uitgeverij  Rechtennieuws.nl | Jure.nl | Maxius.nl | Parlis.nl | Rechtenforum.nl | JBmatch.nl | MijnWetten.nl | AdvocatenZoeken.nl | Rechtentotaal.nl
Nadere regeling gedragstoezicht financiële ondernemingen Wft
Bwb-id:
Officiele titel:
Citeertitel:
Ook bekend als:
Soort regeling:
Wetsfamilies:
Eerst verantwoordelijk ministerie:

Geldigheidsdatum:
Ingangsdatum:
Inhoudsopgave
+ Hoofdstuk 1. Definities
+ Hoofdstuk 2. Precontractuele Informatie
+ Hoofdstuk 3. Financiële Bijsluiter
+ Hoofdstuk 4. Dienstverleningsdocument als bedoeld in artikel 86f van het besluit
+ Hoofdstuk 5. Aanvullende regels betreffende het aanbieden van beleggingsobjecten
+ Hoofdstuk 6. Aanvullende regels betreffende het aanbieden van rechten van deelneming in een beleggingsinstelling
+ Hoofdstuk 7. Regels betreffende verlenen van beleggingsdiensten
+ Hoofdstuk 8. Regels betreffende de verplichting van levensverzekeraars als bedoeld in artikel 81b van het besluit
+ Hoofdstuk 9. Slotbepalingen
Vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature

Juridisch advies nodig?
Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag
Geschiedenis

Geschiedenis-overzicht

Nadere regeling gedragstoezicht financiële ondernemingen Wft

Nadere regeling van de Autoriteit Financiële Markten van 15 november 2006, houdende regels voor het gedragstoezicht op financiële ondernemingen op grond van de Wet op het financieel toezicht (Nadere Regeling gedragstoezicht financiële ondernemingen Wft)
De Autoriteit Financiële Markten,
Gelet op de artikelen 1:12; 2:59; 2:74; 2:79; 2:85; 4:7; 5:5 en 5:20 van de Wet op het financieel toezicht, en de artikelen 31, 35, 54, 56, 58, 59, 66, 67, 69, 70, 71, 84, 110, 112, 118, 123, 124, 133, 134, 164, 165, en 167 van het Besluit gedragstoezicht financiële ondernemingen Wft;
Besluit:
Artikel 1:1
In deze regeling wordt verstaan onder:
a. administratieve kosten: kosten die zijn gemaakt in het kader van het administreren van een beleggingsobject;
b. andere voordelen: andere posten dan opbrengsten die aan de definitie van baten voldoen;
c. bankspaarhypotheek: product als bedoeld in de Wet van 20 december 2007, houdende wijziging van de Wet inkomstenbelasting 2001 en van enige andere wetten inzake fiscale facilitering banksparen ten behoeve van pensioenopbouw of aflossing eigenwoningschuld, dat bestaat uit een combinatie van een hypothecair krediet en een spaarrekening;
d. baten: vermeerderingen van het economisch potentieel gedurende de verslagperiode in de vorm van instroom van nieuwe of verhoging van bestaande activa, dan wel vermindering van vreemd vermogen, een en ander uitmondend in een toename van het eigen vermogen;
e. beheerskosten: kosten die zijn gemaakt om een beleggingsobject in stand te houden of te onderhouden;
f. beleggingsobjectkosten: geprognosticeerde of eventuele reeds gemaakte administratieve kosten, beheers-, productie- en verkoopkosten, alsmede de geprognosticeerde of reeds voldane rentelasten;
g. het besluit: het Besluit gedragstoezicht financiële ondernemingen Wft ;
h. contractuele looptijd: duur van de overeenkomst inzake een complex product;
i. direct ingaande lijfrente: product waarbij in geval van een spaarvariant per direct levenslang een vaste periodieke uitkering wordt ontvangen en in geval van een beleggingsvariant een uitkering wordt ontvangen waarvan de hoogte en/of de duur afhankelijk is van de opbrengst van de beleggingen;
j. direct ingaande uitkering: product als bedoeld in de Wet van 20 december 2007, houdende wijziging van de Wet inkomstenbelasting 2001 en van enige andere wetten inzake fiscale facilitering banksparen ten behoeve van pensioenopbouw of aflossing eigenwoningschuld, waarbij in geval van een spaarvariant per direct gedurende een bepaald aantal jaren een vaste periodieke uitkering wordt ontvangen en in geval van een beleggingsvariant een uitkering wordt ontvangen waarvan de hoogte en/of de duur afhankelijk van de opbrengst van de beleggingen;
k. garantie: garantie op het product die wordt afgegeven door een instelling die onder kapitaaltoereikendheidstoezicht staat, waarbij ingeval van een schuldproduct de aflossing van de schuld van de consument volledig of gedeeltelijk is gegarandeerd en in geval van een opbouwproduct een bepaalde opbrengst is gegarandeerd;
l. guise: gemiddelde uitkering in de slechtste 10 procent van de gevallen, berekend op de in bijlage 4 aangegeven wijze;
m. hybride hypotheek, ook wel spaarbeleggingshypotheek: schuldproduct, waarbij de consument de mogelijkheid heeft om de premie of inleg naar eigen inzicht te gebruiken voor sparen of voor beleggen;
n. ingelegde gelden: totaal van gelden belegd door consumenten voor het verkrijgen van beleggingsobjecten;
o. kapitaaltoereikendheidstoezicht: wettelijk bedrijfseconomisch toezicht uit hoofde van:
1°. de richtlijn kapitaaltoereikendheid;,
2°. richtlijn nr. 2002/83/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 5 november 2002 betreffende levensverzekering (PbEG L 345/1);
3°. richtlijn nr. 2002/13/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 5 maart 2002 tot wijziging van Richtlijn 73/239/EEG van de Raad op het gebied van de solvabiliteitsmargevereisten voor schadeverzekeringsondernemingen (PbEG L 228);
4°. richtlijn nr. 2002/87/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 16 december 2002 betreffende het aanvullende toezicht op kredietinstellingen, verzekeringsondernemingen en beleggingsondernemingen in een financieel conglomeraat en tot wijziging van de richtlijnen nr. 73/239/EEG, nr. 79/267/EEG, nr. 92/49/EEG, nr. 92/96/EEG, nr. 93/6/EEG en nr. 93/22/EEG van de Raad en van de richtlijnen nr. 98/78/EG en 2000/12/EG van het Europees Parlement en de Raad;
5°. richtlijn nr. 2004/39/EG van het Europees Parlement en de Raad van 21 april 2004 betreffende markten voor financiële instrumenten, tot wijziging van de richtlijnen nr. 85/611/EEG en nr. 93/6/EEG van de Raad en van richtlijn nr. 2000/12/EG van het Europees Parlement en de Raad en houdende intrekking van richtlijn nr. 93/22/EEG van de Raad (PbEU L 145); of
6°. ander met het onder 1° tot en met 5° bedoeld vergelijkbaar adequaat bedrijfseconomisch toezicht;
p. kostenratio: weergave van het niveau van de kosten van een beleggingsinstelling gerelateerd aan haar gemiddelde intrinsieke waarde in enig boekjaar;
q. netto-rendementspercentage: percentage dat bij de bepaalde looptijd, gegeven de omvang en frequentie van de inleg leidt tot de uitkering van een complex product;
r. omloopfactor: indicator van de omloopsnelheid van de portefeuille van een beleggingsinstelling in enig boekjaar;
s. onderliggende waarden: financiële instrumenten waarin de consument direct of indirect met het complexe product belegt of doet beleggen;
t. opbouwproduct: complex product, dat wordt aangewend om kapitaal te doen groeien, niet zijnde een recht van deelneming in een beleggingsinstelling;
u. opbrengsten: baten die ontstaan bij uitvoering van de normale activiteiten van een onderneming;
v. opbrengstscenario: voorspelling van de uitkering aan de consument op basis van een bepaald rendement;
w. overwaardeconstructie: schuldproduct waarbij een deel van het krediet wordt aangewend ter belegging, niet zijnde aflossing van het krediet of een combinatie van een schuldproduct en een onttrekkingsdepot dat dient ter financiering van inkomensaanvulling;
x. productiekosten: kosten die zijn gemaakt in het kader van het verhogen van het economisch potentieel of de waarde van een beleggingsobject;
y. rentedervingskosten: dat deel van de kosten dat de aanbieder van het complexe product in rekening brengt bij of ten laste laat komen van de consument in geval van vervroegde beëindiging en dat verband houdt met gederfde rente-inkomsten;
z. restschuld: overblijvende financiële verplichting van de consument jegens de aanbieder van een complex product uit hoofde van een opbouwproduct;
aa. schuldproduct: complex product, bestaande uit een combinatie van krediet, met uitzondering van krediet dat wordt aangewend voor het verschaffen van het genot van een complex product dat overwegend tot doel heeft kapitaal te doen groeien, en een bestanddeel, dat wordt aangewend om te voorzien in de gehele of gedeeltelijke aflossing van het krediet;
ab. spaarbeleggingsproduct: opbouwproduct dat bestaat uit een combinatie van een spaar- en een beleggingsrekening;
ac. spaarhypotheek: complex product dat bestaat uit een combinatie van een hypothecair krediet en een levensverzekering met een garantiekapitaal dat in hoogte overeenkomt met de omvang van het krediet;
ad. uitkering: uitbetaling door de aanbieder van een complex product aan de consument van de waarde van het complexe product onder aftrek van kosten bij beëindiging door de consument aangevuld met voor zover van toepassing de onttrekkingen gedaan door de consument vóór beëindiging;
ae. verkoopkosten: kosten die direct kunnen worden gerelateerd aan de verkoop van het beleggingsobject aan de consument;
af. vermeldingsverplichting: de verplichting een vermelding, als bedoeld in artikelen 1:12, vierde lid; 2:59, derde lid; 2:74, tweede lid; 2:79, derde lid; 2:85, derde lid; 4:7, tweede lid; 5:5, tweede lid en 5:20, vijfde lid, van de wet, op te nemen in de toepasselijke vermeldingsuitingen;
ag. vermeldingsuitingen: de in de artikelen 1:12, vierde lid; 2:59, derde lid; 2:74, tweede lid; 2:79, derde lid; 2:85, derde lid; 4:7, tweede lid; 5:5, tweede lid en 5:20, vijfde lid, van de wet, bedoelde aanbiedingen, documenten, reclame-uitingen en andere onverplichte precontractuele informatie;
ah. voorbeeldwaarde: waarde van de opbrengst bij verkoop van een recht van deelneming in de beleggingsinstelling, waarbij verkoopkosten al zijn afgetrokken;
ai. waarde: som van alle door de consument onderscheidenlijk deelnemer verrichte betalingen voor een complex product aan de aanbieder plus een bepaald jaarlijks rendement over het deel van die betalingen dat wordt aangewend ten einde rendement te genereren ten behoeve van de consument onderscheidenlijk deelnemer;
aj. de wet: de Wet op het financieel toezicht .
1.
Indien een vermeldingsuiting op schrift is gesteld, op internet is geplaatst, of op televisie wordt getoond of ten gehore wordt gebracht, wordt de in het tweede lid gespecificeerde afbeelding, onverminderd de overige leden van dit artikel, goed leesbaar opgenomen bij de vermeldingsuiting. Indien een vermeldingsuiting ten gehore wordt gebracht via internet of radio wordt het in het tweede lid gespecificeerde geluidsfragment ten gehore gebracht na de vermeldingsuiting.
2.
Indien een vermeldingsverplichting bij of krachtens artikel 1:12, 2:59, 2:74, 2:79, 2:85 of 4:7 van de wet is gesteld, wordt één van de in de in bijlage 1.1 weergegeven afbeeldingen opgenomen in de vermeldingsuiting, of, indien van toepassing, wordt het in bijlage 1.1 weergegeven geluidsfragment ten gehore gebracht na de vermeldingsuiting. Indien een vermeldingsverplichting bij of krachtens artikel 5:5 of 5:20 van de wet is gesteld, wordt één van de in de in bijlage 1.2 weergegeven afbeeldingen opgenomen in de vermeldingsuiting, of, indien van toepassing, wordt het in bijlage 1.2 weergegeven geluidsfragment ten gehore gebracht na de vermeldingsuiting. Indien in de vermeldingsuiting zowel bij of krachtens artikel 2:74 van de wet als bij of krachtens artikel 5:5 of 5:20 van de wet een in die artikelen genoemde vermelding moet worden opgenomen, wordt één van de in de in bijlage 1.3 weergeven afbeeldingen opgenomen in de vermeldingsuiting, of, indien van toepassing, wordt het in bijlage 1.3 weergegeven geluidsfragment ten gehore gebracht na de vermeldingsuiting. De verschillende afbeeldingen en geluidsfragmenten zijn te downloaden vanaf www.afm.nl/vrijstellingsvermelding en www.afm.nl/exemption-notification.
3.
Indien een vermeldingsuiting in de Nederlandse taal wordt weergegeven of ten gehore wordt gebracht, is de in het eerste lid bedoelde afbeelding respectievelijk het in dat lid bedoelde geluidsfragment Nederlandstalig. Indien een vermeldingsuiting in een andere taal dan de Nederlandse taal wordt weergegeven of ten gehore wordt gebracht, is de in het eerste lid bedoelde afbeelding respectievelijk het in dat lid bedoelde geluidsfragment Engelstalig.
4.
De oorspronkelijke verhouding van de afbeelding als bedoeld in het eerste lid, wordt niet gewijzigd. Onverminderd het vijfde lid mag de afbeelding worden vergroot of verkleind, waarbij bij een vermeldingsuiting op schrift een lettergrootte van de afbeelding van 7 punten niet wordt onderschreden.
5.
De afbeelding als bedoeld in het eerste lid, wordt opgenomen op de volgende wijze:
a. Indien de vermeldingsuiting op schrift is gesteld, wordt de afbeelding gecentreerd onderaan getoond, waarbij de breedte van de afbeelding gelijk is aan de breedte van de vermeldingsuiting en de hoogte van de afbeelding minimaal 10% bedraagt van de hoogte van de vermeldingsuiting met inbegrip van de afbeelding. Indien de vermeldingsuiting meerdere pagina's beslaat, wordt de afbeelding op de eerste pagina van de vermeldingsuiting weergegeven op de wijze als in dit onderdeel bepaald.
b. Indien de vermeldingsuiting de definitieve voorwaarden van een basisprospectus betreft, wordt de afbeelding op een inlegvel, of een kaft, weergegeven op de wijze als in onderdeel a bepaald.
c. Indien de vermeldingsuiting op internet is geplaatst, wordt de afbeelding gecentreerd bovenaan getoond, waarbij de breedte van de afbeelding gelijk is aan de breedte van de vermeldingsuiting en de hoogte van de afbeelding minimaal 10% bedraagt van de hoogte van de vermeldingsuiting met inbegrip van de afbeelding. De afbeelding dient zodanig te worden weergegeven op de internetpagina dat deze altijd zichtbaar is.
d. Gedurende een vermeldingsuiting die op televisie wordt getoond of ten gehore wordt gebracht, wordt gecentreerd onderaan in het televisiescherm de afbeelding getoond, waarbij de breedte van de afbeelding gelijk is aan de breedte van het beeld dat op het televisiescherm wordt getoond en de hoogte minimaal 10 % van het televisiescherm beslaat.
6.
Direct aansluitend aan een vermeldingsuiting die via radio of internet ten gehore wordt gebracht, wordt het in het eerste lid bedoelde geluidsfragment ten gehore gebracht. Het geluidsfragment wordt op oorspronkelijke snelheid afgespeeld met eenzelfde volume als de vermeldingsuiting zelf.
1.
In een reclame-uiting als bedoeld in artikel 53, achtste lid, van het besluit, die op schrift is gesteldwordt gecentreerd onderaan de in het vijfde lid bedoelde waarschuwing getoond in zijn oorspronkelijke verhouding, waarbij de breedte van de waarschuwing gelijk is aan de breedte van de reclame-uiting en de hoogte van de waarschuwing minimaal 10% van de hoogte van reclame-uiting inclusief waarschuwing bedraagt. Indien een reclame-uiting meerdere pagina’s beslaat, dient onderaan op de eerste pagina van die reclame-uiting de in het vijfde lid bedoelde waarschuwing getoond te worden.
2.
In een reclame-uiting als bedoeld in artikel 53, achtste lid, van het besluit, die op internet is geplaatst, wordt gecentreerd bovenaan de in het vijfde lid bedoelde waarschuwing getoond in zijn oorspronkelijke verhouding, waarbij de breedte van de waarschuwing gelijk is aan de breedte van de reclame-uiting en de hoogte van de waarschuwing minimaal 10% van de hoogte van reclame-uiting inclusief waarschuwing bedraagt.
3.
Direct aansluitend aan een reclame-uiting als bedoeld in artikel 53, achtste lid, van het besluit, die via radio of internet ten gehore wordt gebracht, wordt een waarschuwingszin opgenomen door het afspelen van een geluidsbestand, te downloaden vanaf www.afm.nl/kredietwaarschuwing. Het geluidsbestand wordt op oorspronkelijke snelheid afgespeeld en met eenzelfde volume als de reclame-uiting.
4.
Gedurende een reclame-uiting als bedoeld in artikel 53, achtste lid, van het besluit, die via televisie wordt getoond of ten gehore wordt gebracht, wordt gecentreerd onderaan in het beeld dat op het televisiescherm wordt getoond een waarschuwing getoond. Deze waarschuwing is de vanaf www.afm.nl/kredietwaarschuwing te downloaden afbeelding. Deze afbeelding wordt in zijn oorspronkelijke verhouding afgebeeld, waarbij de breedte van de afbeelding gelijk is aan de breedte van het beeld dat op het televisiescherm wordt getoond.
5.
De in het eerste en tweede lid genoemde waarschuwing is de vanaf www.afm.nl/kredietwaarschuwing te downloaden afbeelding. De hoogte van de te downloaden afbeelding, zoals geplaatst in de reclame-uiting overeenkomstig het eerste dan wel het tweede lid, beslaat minimaal 10% van de hoogte van de reclame-uiting inclusief waarschuwing. De afbeelding mag vergroot en verkleind worden, met als uiterste minimumwaarde een lettergrootte van 7 punten voor de letters welke gebruikt zijn in de afbeelding.
1.
Informatie over de belangrijkste financiële risico’s van een complex product in een schriftelijke reclame-uiting, bedoeld in artikel 52, eerste lid, van het besluit, wordt weergegeven rechtsboven in de reclame-uiting door middel van de risico-indicator te downloaden van www.afm.nl/reclameteksten. De waarde van de risico-indicator is daarbij voor rechten van deelneming in een beleggingsinstelling gelijk aan de waarde van de risico-indicator zoals berekend ten behoeve van de actuele essentiële beleggersinformatie, bedoeld in artikel 65, tweede lid, van het besluit. Voor een complex product, niet zijnde rechten van deelneming in een beleggingsinstelling, wordt de risico-indicator berekend op grond van artikel 3:6. In afwijking van artikel 3:5, derde lid, geldt voor een opbouwproduct geen tussentijdse looptijd.
2.
Informatie over de belangrijkste financiële risico’s van een complex product in een reclame-uiting, bedoeld in artikel 52, eerste lid, van het besluit, via internet wordt weergegeven in de onmiddellijke nabijheid van de informatie over de opbrengsten van het complexe product in de reclame-uiting door middel van de risico-indicator te downloaden van www.afm.nl/reclameteksten. De waarde van de risico-indicator is daarbij voor rechten van deelneming in een beleggingsinstelling gelijk aan de waarde van de risico-indicator zoals berekend ten behoeve van de actuele essentiële beleggersinformatie, bedoeld in artikel 65, tweede lid, van het besluit. Voor een complex product, niet zijnde rechten van deelneming in een beleggingsinstelling, wordt de risico-indicator berekend op grond van artikel 3:6. In afwijking van artikel 3:5, derde lid, geldt voor een opbouwproduct geen tussentijdse looptijd.
3.
Informatie over de belangrijkste financiële risico’s van een complex product in een reclame-uiting als bedoeld in artikel 52, tweede lid, van het besluit, via televisie wordt weergegeven gedurende de reclame-uiting onderaan in beeld door middel van de risico-indicator te downloaden van www.afm.nl/reclameteksten. De waarde van de risico-indicator is daarbij voor rechten van deelneming in een beleggingsinstelling gelijk aan de waarde van de risico-indicator zoals berekend ten behoeve van de actuele essentiële beleggersinformatie, bedoeld in artikel 65, tweede lid, van het besluit. Voor een complex product, niet zijnde rechten van deelneming in een beleggingsinstelling, wordt de risico-indicator berekend op grond van artikel 3:6. In afwijking van artikel 3:5, derde lid, geldt voor een opbouwproduct geen tussentijdse looptijd.
4.
In afwijking van artikel 3:6, tweede lid en derde lid, worden de risico’s: ‘klein’ en ‘groot’ niet benoemd maar wel weergegeven in de risico-indicator van een complex product, niet zijnde rechten van deelneming in een beleggingsinstelling als bedoeld in het eerste tot en met derde lid.
5.
Informatie over de belangrijkste financiële risico’s van een complex product in een reclame-uiting, bedoeld in artikel 52, derde lid, van het besluit, via radio wordt weergegeven aan het einde van de reclame-uiting door overneming van het geluidsbestand, te downloaden van www.afm.nl/reclameteksten.
6.
De Autoriteit Financiële Markten kan de risico-indicator voor gebruik in reclame-uitingen, bedoeld in het eerste tot en met derde lid, of een geluidsbestand als bedoeld in het vorige lid geheel of gedeeltelijk wijzigen. Een aanbieder van het complexe product verwerkt een dergelijke wijziging uiterlijk de eerste dag van de vierde kalendermaand na bekendmaking daarvan.
7.
De risico-indicator voor een complex product, niet zijnde rechten van deelneming in een beleggingsinstelling als bedoeld in het eerste en tweede lid wordt opgesteld conform de vormgeving van bijlage 1.4 , onder 1, met dien verstande dat de risico-indicator, bedoeld in het tweede lid, de consument door middel van een hyperlink verwijst naar www.afm.nl/risicometer. De risico-indicator voor een complex product, niet zijnde rechten van deelneming in een beleggingsinstelling als bedoeld in het derde lid wordt opgesteld conform de vormgeving van bijlage 1.4, onder 2.
De risico-indicator voor rechten van deelneming in een beleggingsinstelling als bedoeld in het eerste en tweede lid wordt opgesteld conform de vormgeving van bijlage 1.4 , onder 3, met dien verstande dat de risico-indicator, bedoeld in het tweede lid, de consument door middel van een hyperlink verwijst naar www.afm.nl/ebi.
De risico-indicator voor rechten van deelneming in een beleggingsinstelling als bedoeld in het derde lid wordt opgesteld conform de vormgeving van bijlage 1.4 , onder 4.
8.
De informatie, bedoeld in het eerste lid, wordt weergegeven, voor uitingen met een oppervlakte kleiner of gelijk aan A4, in een minimale diameter van 4 centimeter, in de kleur zwart of rood.
9.
De informatie, bedoeld in het eerste lid, wordt weergegeven, voor uitingen met een oppervlakte groter dan A4, in een oppervlakte van minimaal 5 procent van de totale oppervlakte van de reclame-uiting, in de kleur zwart of rood.
10.
De informatie, bedoeld in het tweede lid, wordt weergegeven in een minimale grootte van 180 pixels bij 180 pixels, in de kleur zwart of rood, met dien verstande dat voor de bepaling van de grootte een ingestelde beeldschermresolutie van 1024 × 768 beeldlijnen als uitgangspunt wordt genomen.
11.
De informatie, bedoeld in het derde lid, wordt weergegeven in een grootte van tien procent van de grootte van de reclame-uiting.
1.
Informatie over een historisch rendement, bedoeld in artikel 52, vijfde of zesde lid van het besluit, niet zijnde van een beleggingsinstelling, wordt berekend conform het opbrengstscenario bedoeld in artikel 3:9, eerste lid, onder a en mag worden aangevuld met de vermelding van de daadwerkelijk gerealiseerde rendementen over de gebruikte historie.
2.
Informatie over een toekomstig rendement, bedoeld in artikel 52, vijfde of zesde lid van het besluit, niet zijnde van een beleggingsinstelling, wordt berekend conform één of meer opbrengstscenario’s zoals beschreven in artikel 3:9, eerste lid, onder a, b, en c. Een rendement op basis van een eigen berekening kan worden toegevoegd, dit rendement mag echter het historisch opbrengstscenario van artikel 3:9, eerste lid, onder a, niet overschrijden.
3.
Informatie over de kosten, bedoeld in artikel 52, vijfde of zesde lid van het besluit, niet zijnde van een beleggingsinstelling, wordt verstrekt in absolute getallen indien de aanbieder van het complexe product de rendementen bedoeld in het eerste of tweede lid in absolute getallen weergeeft dan wel in percentages indien de betreffende financiële onderneming de rendementen in percentages weergeeft. De informatie over de kosten wordt verstrekt in cumulatieve vorm.
4.
Informatie over de belangrijkste financiële risico’s, bedoeld in artikel 52, vijfde lid van het besluit niet zijnde van een beleggingsinstelling, wordt weergegeven door middel van vermelding van, voor zover het een schuldproduct betreft: ‘Het risico dat u met een schuld blijft zitten zoals opgenomen in de Financiële Bijsluiter is […].’ of voor zover het een opbouwproduct betreft: ‘Het risico dat u uw inleg niet terugkrijgt zoals opgenomen in de Financiële Bijsluiter is […].’, onder invulling van de risicocategorie behorende bij de contractuele looptijd als bedoeld in artikel 3:5, tweede en derde lid, gevolgd door, indien van toepassing, de teksten: ‘Dit risico kan hoger of lager worden afhankelijk van bijvoorbeeld uw beleggingskeuze. Bespreek uw risico met een adviseur.’.
5.
Informatie als bedoeld in het vierde lid kan worden vervangen door een risico-indicator, die is berekend op basis van gegevens van de consument.
6.
De informatie over het complexe product bedoeld in het vierde of vijfde lid wordt weergegeven op een duidelijk en herkenbare wijze in de onmiddellijke nabijheid van de informatie over rendementen, als bedoeld in het eerste en tweede lid.
Artikel 2:5
Indien in een reclame-uiting van een beheerder of beleggingsinstelling werkelijke rendementscijfers worden gepresenteerd:
a. wordt de referentieperiode vermeld;
b. worden rendementscijfers die betrekking hebben op meerdere jaren teruggebracht tot een gemiddeld jaarrendement of als afzonderlijke jaarrendementen vermeld. Indien een gemiddeld jaarrendement over meer dan één jaar wordt gepresenteerd, wordt een meetperiode van minimaal drie jaar gehanteerd. Indien de beleggingsinstelling nog niet zo lang actief is, kan gerekend worden vanaf het moment van initiële uitgifte van deelnemingsrechten;
c. kunnen resultaten over kortere perioden dan 12 maanden worden gepresenteerd, mits de presentatie geschiedt op consistente wijze en de resultaten niet worden geëxtrapoleerd naar rendementen op jaarbasis;
d. wordt bij vergelijking van de resultaten met een vergelijkingsmaatstaf (benchmark) deze benchmark genoemd en is de referentieperiode van de benchmark gelijk aan de genoemde referentieperiode van de beleggingsinstelling;
e. worden de rendementscijfers gepresenteerd in procenten waardeverandering van ofwel consequent de intrinsieke waarde dan wel consequent de beurswaarde per aandeel of recht van deelnemingsrecht aan het begin van het boekjaar/de periode, rekening houdend met de distributies aan aandeelhouders of deelnemers in de betreffende periode(s) waarbij die distributies mogen worden opgerent naar het einde van het boekjaar of de periode. Als rendementscijfers worden gepresenteerd aan de hand van veranderingen van de intrinsieke waarde en deze intrinsieke waarde per deelnemingsrecht afwijkt van de verkoopwaarde van dat deelnemingsrecht, dan dient dit laatste expliciet te worden vermeld;
f. indien wordt uitgegaan van de waardeverandering van de intrinsieke waarde: wordt gerefereerd aan het totale rendement van de beleggingsinstelling. Een en ander is consistent met de betreffende jaarrekeningen. Indien de instelling belastingplichtig is, wordt het rendement na belastingen genoemd;
g. indien gebruik wordt gemaakt van gesimuleerde rendementscijfers: certificeert een deskundige, als bedoeld in artikel 393, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, dat de simulatie rekenkundig juist, objectief meetbaar en representatief is. In de reclame-uiting wordt melding gemaakt van het feit dat gebruik is gemaakt van een simulatie. De certificering van de deskundige behoeft niet in de reclame-uiting te worden opgenomen; en
h. indien de rendementscijfers niet in euro’s luiden wordt de gebruikte valuta vermeld.
Artikel 2:6
Wanneer in een reclame-uiting van een beheerder of beleggingsinstelling rendementsprognoses worden gepresenteerd:
a. is artikel 2.4 onderdelen a, b, f, g en h van overeenkomstige toepassing op de berekeningswijze van de rendementscijfers;
b. wordt in de reclame-uiting vermeld dat het prognoses betreft; en
c. worden de prognoses onderbouwd en wordt het model dat daarbij wordt gebruikt door een deskundige als bedoeld in artikel 393, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek getoetst op de elementen die zich daartoe lenen. Het resultaat van deze toetsing wordt schriftelijk vastgelegd.
Artikel 3:1
De financiële bijsluiter voor een complex product, niet zijnde een recht van deelneming in een beleggingsinstelling, wordt opgesteld overeenkomstig de artikelen 3:2 tot en met 3:10.
1.
Een financiële bijsluiter wordt opgesteld:
a. indien het een schuldproduct met garantie betreft: overeenkomstig de vormgeving van bijlage 2, onderdeel 2;
b. indien het een schuldproduct betreft: overeenkomstig de vormgeving van bijlage 2, onderdeel 1;
c. indien het een overwaardeconstructie betreft: overeenkomstig de vormgeving van bijlage 2, onderdeel 3;
d. indien het een opbouwproduct betreft: overeenkomstig de vormgeving van bijlage 3, onderdeel 1;
e. indien het een opbouwproduct met garantie betreft: overeenkomstig de vormgeving van bijlage 3, onderdeel 2;
f. indien het een direct ingaande lijfrente op spaarbasis betreft: overeenkomstig de vormgeving van bijlage 3, onderdeel 3;
g. indien het een indien het een direct ingaande uitkering op spaarbasis betreft: overeenkomstig de vormgeving van bijlage 3, onderdeel 5;
h. direct ingaande lijfrente op beleggingsbasis betreft: overeenkomstig de vormgeving van bijlage 3, onderdeel 4;
i. indien het een direct ingaande uitkering op beleggingsbasis betreft: overeenkomstig de vormgeving van bijlage 3, onderdeel 6;
j. indien het een beleggingsobject betreft: overeenkomstig de vormgeving van bijlage 3, onderdeel 7.
2.
Een financiële bijsluiter bevat de volgende informatie:
a. bovenaan op de eerste pagina een inleiding als bedoeld in artikel 3:3;
b. midden op de eerste pagina een productomschrijving bestaande uit een toelichting op de toepasselijke onderdelen ‘lenen’, ‘beleggen’, ‘verzekeren’ of ‘sparen’ van het complexe product, als bedoeld in artikel 3:4;
c. onderaan op de eerste pagina de risico-indicator als bedoeld in artikel 3:6 en, met uitzondering van een direct ingaande lijfrente op spaarbasis of een direct ingaande uitkering op spaarbasis, een beschrijving van het meest negatieve financiële resultaat van het complexe product als bedoeld in artikel 3:7;
d. bovenaan op de tweede pagina een weergave van alle kosten van het complexe product als bedoeld in artikel 3:8;
e. midden op de tweede pagina een weergave in drie grafieken van de uitkering bij onderscheidenlijk een historisch, 4-procent- en pessimistisch opbrengstscenario als bedoeld in artikel 3:9 dan wel indien het een direct ingaande lijfrente op spaarbasis of een direct ingaande uitkering op spaarbasis betreft een weergave in twee grafieken van de uitkering bij respectievelijk leven en overlijden; en
f. onderaan op de tweede pagina een beschrijving van de financiële gevolgen van vroegtijdige beëindiging van het complexe product als bedoeld in artikel 3:10.
1.
Een financiële bijsluiter bevat onder de titel ‘Financiële bijsluiter’ links bovenaan een overzicht van de symbolen. Vlak daaronder bevat de financiële bijsluiter:
a. indien het een schuldproduct betreft de zin: ‘Let op! Er wordt gerekend met een hypotheek of een lening, onder invulling van hetgeen toepasselijk is, van € (…)’, onder invulling van het toepasselijke bedrag bedoeld in artikel 3:5, vijfde lid, onderdeel a of b, aangevuld met de zin die staat vermeld in bijlage 5, tabel 1 en die behoort bij de toepasselijke beleggingsklasse, tenzij
1. het een complex product betreft dat bestaat uit een combinatie van een hypothecair krediet en een spaarrekening, waarvan de tegoeden dienen ter aflossing van het krediet, dan is er geen aanvullende zin; of
2. het een hybride hypotheek betreft, dan luidt de aanvullende zin: met 50% sparen en 50% beleggen;
b. indien het een opbouwproduct, een beleggingsobject, een direct ingaande lijfrente of een direct ingaande uitkering betreft voor zover van toepassing de zin ‘Let op! Er wordt gerekend met een inleg van € 1.200 per jaar’ of de zin ‘Let op! Er wordt gerekend met een eenmalige inleg van € (…)’, onder invulling van het toepasselijke bedrag bedoeld in artikel 3:5, tweede en vierde lid, aangevuld met de zin die staat vermeld in bijlage 5, tabel 1 , en die hoort bij de toepasselijke beleggingsklasse, tenzij het complexe product een traditionele levensverzekering betreft als bedoeld in artikel 1, onderdeel d, onder drie van het besluit;
c. indien het een spaarbeleggingsproduct betreft de zin: ‘Let op! Er wordt gerekend met een inleg van € 1.200 per jaar, met 50% sparen en 50% beleggen’;
d. indien het een opbouwproduct betreft waarin volledig wordt gespaard de zin: ‘Let op! Er wordt gerekend met een inleg van € 1.200 per jaar, met 100% sparen.’;
e. voor zover het een opbouwproduct betreft waarbij de beleggingen worden afgestemd op een doeldatum, betreft de zin: ‘Let op! Er wordt gerekend met een inleg van € 1.200 per jaar, waarbij de beleggingsmix verandert gedurende de tijd’.
2.
De financiële bijsluiter bevat rechts bovenaan de naam van het product met daaronder de naam van de aanbieder van het complexe product.
3.
Een financiële bijsluiter bevat in de eerste alinea van de inleiding de volgende zinnen: ‘Gebruik de Financiële Bijsluiter vóór u overgaat tot het afsluiten van de [productsoort] [productnaam]’, onder invulling van de omschrijving in enkelvoud van het soort producten waartoe het aangeboden complexe product behoort en van de naam van het aangeboden complexe product, gevolgd door de zin: ‘Vergelijk deze Financiële Bijsluiter ook met de bijsluiter van andere [productsoorten]’, onder invulling van de omschrijving in meervoud van het soort producten waartoe het aangeboden complexe product behoort en de zin: ‘Lees ook de offerte en/of de algemene voorwaarden.’ of, indien het een beleggingsobject betreft, de zin: ‘Lees ook het prospectus, de offerte en de algemene voorwaarden.’
4.
Een financiële bijsluiter bevat in de tweede alinea van de inleiding:
a. met betrekking tot een schuldproduct de volgende zin: ‘Let op! Er wordt gerekend met een hypotheek of een lening, onder invulling van hetgeen toepasselijk is, van € (…)’, onder invulling van het toepasselijke bedrag bedoeld in artikel 3:4, vijfde lid, onder a of b, en vervolgens naar gelang de beleggingsklasse de zin die staat vermeld in bijlage 5, tabel 2 , tenzij
1. het een complex product betreft dat bestaat uit een combinatie van een hypothecair krediet en een spaarrekening, waarvan de tegoeden dienen ter aflossing van het krediet, dan is er geen zin uit bijlage 5, tabel 2 ; of
2. het een hybride hypotheek betreft, dan luidt de zin: met 50% sparen en 50% beleggen;
b. met betrekking tot een opbouwproduct, een beleggingsobject, een direct ingaande lijfrente of een direct ingaande uitkering de volgende zin ‘Let op! Er wordt gerekend met een inleg van € 1.200 per jaar’ of de zin ‘Let op! Er wordt gerekend met een eenmalige inleg van €?(…)’, onder invulling van het toepasselijke bedrag bedoeld in artikel 3:5, tweede en vierde lid, aangevuld met de zin die staat vermeld in bijlage 5, tabel 1 , en die hoort bij de toepasselijke beleggingsklasse, tenzij het complexe product een traditionele levensverzekering betreft als bedoeld in artikel 1, onder d ten derde van het besluit;
c. met betrekking tot een spaarbeleggingsproduct de volgende zin: ‘Let op! Er wordt gerekend met een inleg van € 1.200 per jaar en met 50% sparen en 50% beleggen’ of
d. met betrekking tot een opbouwproduct waarbij de beleggingen worden afgestemd op een doeldatum, de volgende de zin: ‘Let op! Er wordt gerekend met een inleg van € 1.200 per jaar, waarbij de beleggingsmix verandert gedurende de tijd’;
e. de teksten: ‘uw persoonlijke keuzes en situatie kunnen van invloed zijn op de resultaten die in deze bijsluiter vermeld worden. Meer informatie: www.definancielebijsluiter.nl of vraag een adviseur.’
5.
Een financiële bijsluiter bevat in de derde alinea de volgende zin: ‘Heeft u vragen?’, gevolgd door naam, adres en telefoonnummer van de aanbieder van het complexe product en aangevuld met de tekst: ‘of neem contact op met een adviseur’.
6.
Een financiële bijsluiter bevat in de vierde alinea van de inleiding de volgende zinnen: ‘Deze Financiële Bijsluiter is opgesteld op […] volgens de voorschriften van de Autoriteit Financiële Markten (www.afm.nl).’, onder invulling van de datum waarop de financiële bijsluiter is opgesteld, gevolgd door de zin: ‘Deze organisatie houdt toezicht op sparen, lenen, beleggen en verzekeren.’
1.
Een financiële bijsluiter bevat onder de subtitel ‘Wat houdt [Naam product] in?’ de toepasselijke onderdelen ‘lenen’, ‘beleggen’, ‘verzekeren’ en ‘sparen’, bedoeld in het tweede, derde, vierde onderscheidenlijk vijfde lid.
2.
Een financiële bijsluiter licht het onderdeel ‘lenen‘ toe door opneming:
a. onder het kopje ‘U moet’ van: ‘[elke …] [op …] rente betalen’, onder invulling van de toepasselijke frequentie of het toepasselijke moment en voor zover van toepassing ‘het huis in onderpand geven’, ‘het huis in onderpand geven en de lening terugbetalen door aflossing’ of ‘de lening terugbetalen’ alsmede voor zover het betreft schuldproduct: ‘Let op! Hoe korter de periode waarover u de rente vastzet, hoe groter de onzekerheid over uw maandlasten’ en
b. onder het kopje ‘U kunt’ voor zover van toepassing van: ‘een huis kopen’, ‘beleggen met geleend geld’ of ‘beleggen om uw inkomen aan te vullen’.
3.
Een financiële bijsluiter licht het onderdeel ‘beleggen’ toe door opneming:
a. onder het kopje ‘U moet’ voor zover van toepassing van: ‘[eenmalig/elke …] een vast bedrag storten’ onder invulling van de toepasselijke frequentie of ‘eenmalig uw overwaarde storten’ alsmede: ‘Vraag naar het bedrag en vraag waarin u belegt’ en
b. onder het kopje ‘U kunt’ voor zover van toepassing: ‘een bedrag bijeen krijgen om de lening af te lossen’, ‘een bedrag bijeen krijgen’, ‘uw inkomen aanvullen’, ‘een periodieke uitkering ontvangen’ en ‘Vraag naar de hoogte en duur van de uitkeringen’ of ‘een bedrag bijeen krijgen met een garantie op einddatum’ [om uw lening geheel of gedeeltelijk af te lossen] en ‘Vraag naar de garantievoorwaarden’ of een bedrag bijeen krijgen met garantie op een [jaarlijks/periodiek minimum rendement’ [om uw lening geheel of gedeeltelijk af te lossen].
4.
Een financiële bijsluiter licht het onderdeel ‘verzekeren’ toe door opneming:
a. onder het kopje ‘U moet’ van: ‘[eenmalig/elke …] premie betalen’ alsmede: ‘Vraag naar het bedrag’ en
b. onder het kopje ‘U kunt’ voor zover van toepassing van: ‘bij overlijden een (vast/onzeker) bedrag/periodieke uitkering nalaten aan [uw partner/nabestaanden]’ of van: ‘een aanvulling op uw inkomen ontvangen bij [arbeidsongeschiktheid] en [werkloosheid]’, een en ander onder invulling van hetgeen toepasselijk is.
5.
Een financiële bijsluiter licht het onderdeel ‘sparen’ toe door opneming:
a. onder het kopje ‘U moet’ van: ‘[eenmalig/elke …] een bedrag storten’ onder invulling van de toepasselijke frequentie alsmede: ‘Vraag naar het bedrag’ en
b. onder het kopje ‘U kunt’ van: ‘een [gegarandeerd] bedrag bijeen krijgen’, onder toevoeging van ‘gegarandeerd’ indien het eindbedrag is gegarandeerd, of van: ‘een [vaste] [levenslange] periodieke uitkering ontvangen [gedurende maximaal 20 jaar]. Vraag naar de hoogte en de duur van de uitkering.’, onder toevoeging van vast indien de hoogte van de periodieke uitkering vaststaat en onder toevoeging van levenslang indien er sprake is van een levenslange uitkering.
6.
Indien het eerste tot en met het vijfde lid niet toepasbaar blijkt, kan de aanbieder van het complexe product de Autoriteit Financiële Markten verzoeken om aanvullingen.
1.
Een financiële bijsluiter is voor de berekening van het financiële risico, de kosten en opbrengsten gebaseerd op de volgende contractuele looptijden:
a. indien het product een vaste looptijd kent die niet afwijkt voor verschillende consumenten: de vaste looptijd; of
b. indien het complexe product geen vaste looptijd kent en
1°. een schuldproduct is: een looptijd van dertig jaren indien het product een onderdeel hypothecair krediet kent, een looptijd van 15 jaren voor zover het een krediet zonder hypothecaire zekerheid betreft of een looptijd te bepalen door de Autoriteit Financiële Markten indien het product een onderdeel krediet kent waarmee de consument andere dan financiële producten of financiële instrumenten aanschaft;
2°. een opbouwproduct, een direct ingaande lijfrente op beleggingsbasis, een direct ingaande uitkering of een beleggingsobject is: een looptijd van twintig jaren; of
3°. een spaarbeleggingsproduct zonder verzekering en zonder contractuele looptijd is: een looptijd van één jaar; of
4°. een direct ingaande lijfrente op spaarbasis: een levenslange looptijd.
2.
Indien het complexe product een onderdeel verzekeren kent, is de berekening van het financiële risico, de kosten en opbrengsten, in aanvulling op de contractuele looptijd bedoeld in het eerste lid, gebaseerd op de volgende parameters:
a. één niet-rokende mannelijke verzekerde met een leeftijd van 35 jaren en voorzover het een direct ingaande lijfrente betreft van 60 jaren;
b. in geval van een spaarhypotheek of een bankspaarhypotheek een jaarlijkse spaarpremie van € 3.428,87 die rendeert tegen 4% netto per jaar of een maandelijkse spaarpremie van € 287,21 die rendeert tegen 0,3333% netto per maand;
c. in geval van overige variabelen die van invloed zijn op de hoogte van de premie de meest representatieve keuze uit variabelen of indien deze niet te bepalen is die variabelen die leiden tot de hoogst mogelijke premie of kosten.
3.
Indien het complexe product een opbouwproduct, een direct ingaande lijfrente op beleggingsbasis of een direct ingaande uitkering op beleggingsbasis betreft, wordt in aanvulling op de contractuele looptijd bedoeld in het eerste lid, de berekening van het financiële risico gebaseerd op een tussenliggende looptijd van:
a. één jaar indien de contractuele looptijd langer is dan één en korter dan of gelijk is aan tien jaren;
b. drie jaren indien de contractuele looptijd langer is dan tien en korter dan of gelijk is aan twintig jaren; of
c. vijf jaren indien de contractuele looptijd langer is dan twintig jaren.
4.
Indien het complexe product een opbouwproduct, een beleggingsobject, een direct ingaande lijfrente of een direct ingaande uitkering betreft is, in aanvulling op het eerste tot en met het derde lid, de berekening van de risico-indicator, de kosten en opbrengsten gebaseerd op de volgende parameters:
a. een eenmalige inleg van € 1.000;
b. indien de periodieke betalingen van de consument aan de aanbieder zijn overeengekomen: een maandelijkse inleg van € 100;
c. in geval van een niet-direct uitkerende lijfrenteverzekering: een eenmalige premiestorting van € 5.000;
d. in geval van een direct ingaande lijfrente op beleggingsbasis, een direct ingaande uitkering op beleggingsbasis dan wel op spaarbasis en een onttrekking waarvan de hoogte wordt bepaald door het te hanteren rendement en een periode van onttrekking van twintig jaar: een storting van € 20.000;
e. in geval van een direct ingaande lijfrente op spaarbasis en een onttrekking waarvan de hoogte wordt bepaald door een levenslange uitbetaling voor verzekerde vanaf 60 jaren en een levenslange nabestaande-uitbetaling van zeventig procent van vorenbedoelde uitbetaling uitgaande van een nabestaande vrouw van 60 jaren: een storting van € 20.000;
f. een verzekerd bedrag uitgekeerd uit hoofde van een gemengde verzekering met overlijdensrisicodekking of een overlijdensrisicoverzekering ter hoogte van de totale inleg over de gehele contractuele looptijd; of
g. in geval van een levensverzekering met winstdeling wordt voor de berekening van de guise uitgegaan van de laagst mogelijke winstdeling.
5.
Indien het complexe product een schuldproduct betreft is, in aanvulling op het eerste en het tweede lid, de berekening van het financiële risico, de kosten en opbrengsten gebaseerd op de volgende parameters:
a. in geval van een schuldproduct, niet zijnde een overwaardeconstructie:
1°. een hypothecair krediet van € 200.000; of
2°. in geval van een niet-hypothecair krediet: een door de Autoriteit Financiële Markten te bepalen omvang van het krediet;
b. in geval van een overwaardeconstructie: een hypothecair krediet van € 225.000, waarvan € 25.000 wordt gestort in een beleggingsdepot en een jaarlijkse onttrekking uit het depot van € 1.630;
c. een inleg gebaseerd op de historische rendementen en/of voorgeschreven rekenrendementen uit bijlage 5, tabel 0 , en een aflossingsdoel dat gelijk is aan het krediet;
d. een verzekerd bedrag uitgekeerd uit hoofde van een gemengde verzekering met een overlijdensrisicodekking waarvan de omvang gelijk is aan het krediet of een overlijdensrisicoverzekering waarvan de omvang gelijk is aan het krediet;
e. in geval van een hypothecair krediet af te lossen door middel van sparen en beleggen een verdeling van de helft aan spaar- en de andere helft aan beleggingsopbrengsten of
f. een krediet van € 15.000 in geval het complexe product bestaat uit een combinatie van een krediet zonder een hypothecaire zekerheid en een levensverzekering, die dient ter aflossing van voornoemd krediet.
6.
In aanvulling op het eerste tot en met het vijfde lid, zijn de berekening van het financiële risico, de kosten en opbrengsten gebaseerd op een beleggingsklasse als bedoeld in bijlage 5 , die overeenkomt met:
a. hetgeen inherent is aan het product;
b. de beleggingsklasse bedoeld in categorie 4 van bijlage 5 indien de consument de beleggingen kan kiezen, een mixfonds tot de keuzemogelijkheden behoort en mixfonds niet de minst risicovolle keuze is;
c. de beleggingsklasse bedoeld in categorie 5 van bijlage 5 indien de consument de beleggingen kan kiezen, onderdeel b niet van toepassing is en categorie 5 tot de keuzemogelijkheden behoort; of
d. de beleggingsklasse bedoeld in categorie 6 van bijlage 5 indien onderdeel b, of c niet van toepassing zijn.
7.
Indien de aanbieder van het complexe product transactiekosten berekent, waarvan de hoogte afhankelijk is van te maken keuzes van de consument, wordt voor de berekening van deze kosten uitgegaan van de meest representatieve keuzes.
1.
Een financiële bijsluiter bevat als eerste deel onder de subtitel ‘Wat zijn de risico’s?’ de risico-indicator, als bedoeld in het tweede of derde lid
2.
In een financiële bijsluiter wordt het financiële risico van een schuldproduct onder het kopje ‘Risico dat u met een schuld blijft zitten’ boven de streep en onder het kopje ‘bij gehele looptijd (… jaar)’ onder de streep, onder invulling van de contractuele looptijd, bedoeld in artikel 3:5, eerste lid, aangegeven als:
a. ‘zeer klein’ indien de aflossing van de schuld van de consument volledig is gegarandeerd en de garantie op het complexe product wordt afgegeven door een instelling die onder kapitaaltoereikendheidstoezicht staat;
b. ‘klein’ indien de aflossing van de schuld van de consument voor tachtig procent of meer is gegarandeerd, de guise negentig procent of meer van de schuld bedraagt en de garantie op het complexe product wordt afgegeven door een instelling die onder kapitaaltoereikendheidstoezicht staat;
c. ‘vrij groot’ indien de guise tachtig procent of meer van de schuld bedraagt en onderdeel a of b niet van toepassing is;
d. ‘groot’ indien de guise tussen de 65 procent en tachtig procent van de schuld bedraagt; of
e. ‘zeer groot’ indien de guise minder dan 65 procent van de schuld bedraagt;
f. ‘zeer groot’ indien het een overwaardeconstructie betreft.
3.
In een financiële bijsluiter wordt het financiële risico van een opbouwproduct, een direct ingaande lijfrente op beleggingsbasis, een direct ingaande uitkering op beleggingsbasis, een beleggingsobject, of een spaarbeleggingsproduct, voor het einde van de contractuele looptijd bedoeld in artikel 3:5, eerste lid en de tussenliggende looptijd, bedoeld in artikel 3:5, derde lid, onder voor zover van toepassing het kopje ‘Risico dat u uw inleg niet terug krijgt’ of ‘Risico dat u uw inleg niet terug krijgt en met een restschuld blijft zitten’ boven de streep en onder het kopje ‘bij tussentijdse beëindiging (… jaar)’, onder invulling van de contractuele looptijd, bedoeld in artikel 3:5, derde lid, links onder de streep en ‘bij gehele looptijd (… jaar)’ onder de streep, onder invulling van de contractuele looptijd, bedoeld in artikel 3:5, eerste lid, aangegeven als:
a. ‘zeer klein’ indien de uitbetaling van de inleg volledig is gegarandeerd aan de consument en de garantie op het complexe product wordt afgegeven door een instelling die onder kapitaaltoereikendheidstoezicht staat;
b. ‘klein’ indien de uitbetaling van tachtig procent of meer van de inleg is gegarandeerd aan de consument, de guise 95 procent of meer bedraagt van de totale inleg en de garantie op het complexe product wordt afgegeven door een instelling die onder kapitaaltoereikendheidstoezicht staat;
c. ‘vrij groot’ indien de guise negentig procent of meer bedraagt van de inleg en onderdeel a of b niet van toepassing is;
d. ‘groot’ indien de guise tussen de negentig procent en 75 procent bedraagt van de inleg;
e. ‘zeer groot’ indien de guise minder dan 75 procent bedraagt van de inleg;
f. ‘zeer groot’ indien de consument een restschuld kan overhouden of
g. ‘zeer groot’ indien het een beleggingsobject betreft.
4.
In een financiële bijsluiter wordt het financiële risico van een direct ingaande lijfrente op spaarbasis en een direct ingaande uitkering op spaarbasis onder het kopje ‘risico dat uw uitkering lager is dan verwacht’ aangegeven als ‘zeer klein’.
1.
Een financiële bijsluiter bevat als tweede deel onder de subtitel ‘Wat zijn de risico’s?’ informatie over overige financiële risico’s als bedoeld in het tweede of derde lid.
2.
Een financiële bijsluiter voor een schuldproduct bevat onder het kopje ‘Wat kan er gebeuren in het ergste geval?’ een beschrijving van het meest negatieve financiële resultaat van het product voor de contractuele looptijd door vermelding van:
a. ‘bij de gehele looptijd ([…] jaar) wordt uw schuld volledig afgelost’, onder invulling van de contractuele looptijd, bedoeld in artikel 3:5, eerste lid, indien de aanbieder van het schuldproduct de aflossing volledig heeft gegarandeerd en de instelling die de garantie heeft verstrekt onder kapitaaltoereikendheidstoezicht staat;
b. ‘bij de gehele looptijd ([…] jaar) kunt u met […]% van uw schuld blijven zitten’, onder invulling van de contractuele looptijd, bedoeld in artikel 3:5, eerste lid, en het betreffende percentage in vorenbedoelde vermelding indien de aanbieder een gedeelte van de aflossing van de schuld heeft gegarandeerd en de instelling die de garantie heeft verstrekt onder kapitaaltoereikendheidstoezicht staat;
c. ‘bij de gehele looptijd ([…] jaar) kunt u met de volledige schuld blijven zitten’, onder invulling van de contractuele looptijd, bedoeld in artikel 3:5, eerste lid, indien de consument een volledige schuld kan overhouden, maar het schuldproduct geen overwaardeconstructie of inkomensaanvulling betreft en onderdeel a of b niet van toepassing is of
d. ‘bij de gehele looptijd ([…] jaar) kunt u met een volledige schuld blijven zitten en uw inkomensaanvulling kan voor het einde van de looptijd wegvallen’, onder invulling van de contractuele looptijd, bedoeld in artikel 3:5, eerste lid, indien er sprake is van een onttrekking aan een beleggingsdepot of een overwaardeconstructie en onderdeel a of b niet van toepassing is.
3.
Een financiële bijsluiter voor een opbouwproduct, een direct ingaande lijfrente op beleggingsbasis, een direct ingaande uitkering op beleggingsbasis, of een spaarbeleggingsproduct bevat onder het kopje ‘Wat kan er gebeuren in het ergste geval?’ een beschrijving van het meest negatieve financiële resultaat van het product voor de contractuele looptijd door vermelding van:
a. ‘bij een gehele looptijd ([…] jaar) ontvangt u uw inleg terug’, onder invulling van respectievelijk de contractuele looptijd, bedoeld in artikel 3:5, eerste lid, indien de aanbieder van het complexe product de terugbetaling van de inleg aan de consument heeft gegarandeerd en de instelling die de garantie heeft verstrekt onder kapitaaltoereikendheidstoezicht staat;
b. ‘bij een gehele looptijd ([…] jaar) ontvangt u (…)% van uw inleg terug’, onder invulling van respectievelijk de contractuele looptijd, bedoeld in artikel 3:5, eerste lid, indien de aanbieder van het complexe product meer dan de terugbetaling van de inleg aan de consument heeft gegarandeerd en de instelling die de garantie heeft verstrekt onder kapitaaltoereikendheidstoezicht staat, onder invulling van het toepasselijke percentage voor zover bedoelde teruggave de som van alle ingelegde premies overstijgt;
c. ‘bij een gehele looptijd ([…] jaar) kunt u […]% van uw inleg kwijtraken’, onder invulling van de contractuele looptijd, bedoeld in artikel 3:5, eerste lid, en het betreffende percentage in vorenbedoelde vermelding indien de aanbieder van het complexe product uitbetaling van het resterende deel heeft gegarandeerd aan de consument en de instelling die de garantie heeft verstrekt onder kapitaaltoereikendheidstoezicht staat;
d. ‘bij een gehele looptijd ([…] jaar) kunt u uw inleg kwijtraken’, onder invulling van de contractuele looptijd, bedoeld in artikel 3:5, eerste lid, indien de consument zijn volledige inleg kan verliezen en de onderdelen a en b niet van toepassing zijn of
e. ‘bij een gehele looptijd ([…] jaar) kunt u uw inleg kwijtraken en kunt u een schuld overhouden’, onder invulling van de contractuele looptijd, bedoeld in artikel 3:5, eerste lid, indien de consument zijn inleg kan verliezen en de consument een restschuld kan overhouden.
f. ‘bij een gehele looptijd ([…] jaar) kunt u 50% van uw inleg (uw beleggingsdeel) kwijtraken’, onder invulling van de contractuele looptijd, bedoeld in artikel 3:5, eerste lid, voor zover het opbouwproduct, een direct ingaande lijfrente op beleggingsbasis, een direct ingaande uitkering op beleggingsbasis een spaarbeleggingsproduct betreft.
4.
Een financiële bijsluiter voor een opbouwproduct, een direct ingaande lijfrente op beleggingsbasis of een direct ingaande uitkering op beleggingsbasis bevat onder het kopje ‘Wat kan er gebeuren in het ergste geval?’ een beschrijving van het meest negatieve financiële resultaat van het product voor de tussentijdse looptijd door vermelding van:
a. ‘bij tussentijdse beëindiging ontvangt u uw inleg terug’ indien de aanbieder van het complexe product de terugbetaling van de inleg aan de consument bij tussentijdse beëindiging heeft gegarandeerd en de instelling die de garantie heeft verstrekt onder kapitaaltoereikendheidstoezicht staat;
b. ‘bij tussentijdse beëindiging kunt u […]% van uw inleg kwijtraken’ onder invulling van het betreffende percentage in vorenbedoelde vermelding indien de aanbieder van het complexe product uitbetaling van het resterende deel bij tussentijdse beëindiging heeft gegarandeerd aan de consument en de instelling die de garantie heeft verstrekt onder kapitaaltoereikendheidstoezicht staat;
c. ‘bij tussentijdse beëindiging kunt u uw volledige inleg kwijtraken’ indien de consument zijn volledige inleg kan verliezen en de onderdelen a en b niet van toepassing zijn; of
d. ‘bij tussentijdse beëindiging kunt u uw inleg kwijtraken en kunt u een schuld overhouden’ indien de consument zijn inleg kan verliezen en de consument een restschuld kan overhouden.
5.
Een financiële bijsluiter voor een beleggingsobject onder het kopje ‘Wat kan er gebeuren in het ergste geval?’ de volgende vermelding: ‘u kunt uw volledige inleg kwijtraken’.
6.
Een financiële bijsluiter voor een beleggingsobject bevat direct onder de risico-indicator een verwijzing naar het hoofdstuk van het betreffende beleggingsobjectprospectus waarin alle belangrijke risico’s als bedoeld in artikel 108, eerste lid onder d, van het besluit zijn opgenomen. De tekst die dient te worden ingevoegd luidt: ‘voor alle risico’s van het beleggingsobject wordt verwezen naar hoofdstuk [x] van het beleggingsobjectprospectus’.
1.
Een financiële bijsluiter voor een opbouwproduct, een schuldproduct, een beleggingsobject, een direct ingaande lijfrente op beleggingsbasis en een direct ingaande uitkering op beleggingsbasis bevat onder de subtitel ‘Wat zijn de kosten?’ informatie in een tabel over de inleg, verzekeringspremie dan wel investeringspremie, kosten, rendement, kosten bij eerder beëindigen, wat u overhoudt [om af te lossen] [bij leven / bij overlijden] en rendement na kosten, alsmede de volgende tekst: ‘De kosten bij een voorspelling op basis van een waardevermeerdering van de belegging/het kapitaal van 4%’ [de kosten zijn exclusief te betalen rente en inclusief de afsluitprovisie voor de lening] onder invulling van hetgeen toepasselijk is. De financiële bijsluiter voor een beleggingsobject geeft daarnaast onder de tabel de volgende tekst weer: ‘Het rendement wordt pas aan het einde van de looptijd weergegeven, omdat dit product niet eerder beëindigd kan worden.’
2.
Een financiële bijsluiter voor een direct ingaande lijfrente op spaarbasis en een direct ingaande uitkering op spaarbasis bevat onder de subtitel ‘Wat zijn de kosten?’ de volgende tekst ‘U kunt dit product vergelijken op inleg, uitkering en voorwaarden. De kosten zijn in de hoogte van de uitkering verwerkt. Hogere kosten leiden tot een lagere uitkering en andersom’.
3.
De financiële bijsluiter geeft onder het kopje ‘inleg’ voor zover het een opbouwproduct betreft onderscheidenlijk onder het kopje ‘eenmalige inleg’ voor zover het een beleggingsobject, direct ingaande lijfrente op beleggingsbasis of een direct ingaande uitkering op beleggingsbasis betreft, de som weer van alle betalingen van de consument aan de financiële dienstverlener van het complexe product.
4.
De financiële bijsluiter voor een schuldproduct geeft onder het kopje ‘inleg’ de som weer van alle betalingen van de consument aan de financiële dienstverlener van het complexe product exclusief rentebetalingen.
5.
De financiële bijsluiter voor een overwaardeconstructie geeft onder het kopje ‘inleg’ de som weer van € 25.000 en alle betalingen van de consument aan de aanbieder van het complexe product onder aftrek van de cumulatieve onttrekkingen uit het beleggingsdepot.
6.
De financiële bijsluiter voor een schuldproduct, een opbouwproduct, een direct ingaande lijfrente op beleggingsbasis of een direct ingaande uitkering op beleggingsbasis geeft onder het kopje ‘verzekeringspremie’ de verzekeringspremie over de looptijden van het complexe product als bedoeld in het veertiende lid weer als de hoogte van de gezamenlijke premies voor overlijdensrisico-, arbeidsongeschiktheids- en werkloosheidsdekking en eventueel andere tot complexe producten behorende verzekeringen.
7.
De financiële bijsluiter voor een beleggingsobject geeft onder het kopje ‘investeringspremie’ de investeringspremie over de looptijden van het complexe product als bedoeld in het veertiende lid weer als de hoogte van de directe kosten van het beleggingsobject, die in de prospectus staan gedefinieerd als behandelings- c.q. productiekosten.
8.
De financiële bijsluiter voor een opbouwproduct, een schuldproduct, een beleggingsobject, een direct ingaande lijfrente op beleggingsbasis of een direct ingaande uitkering op beleggingsbasis geeft onder het kopje ‘kosten’ de kosten over de looptijden van het complexe product als bedoeld in het veertiende lid weer als het saldo van de totale kosten onder aftrek van de verzekeringspremie als bedoeld in het zesde lid en de kosten van beëindiging als bedoeld in het tiende lid.
9.
De financiële bijsluiter voor een opbouwproduct, een schuldproduct, een beleggingsobject, een direct ingaande lijfrente op beleggingsbasis en een direct ingaande uitkering op beleggingsbasis geeft onder het kopje ‘rendement’ de waarde van het complexe product weer uitgaande van een waardevermeerdering van de belegging van 4 procent per jaar minus de inleg als bedoeld in het derde, vierde en vijfde lid.
10.
De financiële bijsluiter voor een schuldproduct, een opbouwproduct, een beleggingsobject, een direct ingaande lijfrente op beleggingsbasis of een direct ingaande uitkering op beleggingsbasis geeft onder het kopje ‘kosten bij eerder beëindigen’ deze kosten over de looptijden als bedoeld in het veertiende lid van het complexe product weer als de bedragen die de aanbieder van het complexe product in rekening brengt bij of ten laste laat komen van de consument die verband houden met diens beëindiging van het complexe product vóór afloop van de contractuele looptijd, exclusief rentedervingskosten;
11.
De financiële bijsluiter geeft onder het kopje ‘Wat u overhoudt om af te lossen’ indien het een schuldproduct betreft onderscheidenlijk ‘Wat u overhoudt’ indien het een opbouwproduct of een beleggingsobject betreft, de uitkering weer. Voor zover van toepassing wordt de uitkering bij leven en overlijden weergegeven. Indien het garantiebedrag wordt weergeven wordt dit gevolgd door de volgende tekst: ‘(garantiebedrag)’.
12.
De financiële bijsluiter geeft indien het een direct ingaande lijfrente op beleggingsbasis of een direct ingaande uitkering op beleggingsbasis betreft onder het kopje ‘Wat u overhoudt’ weer:
a. bij ‘uitkering’ de cumulatieve onttrekkingen gedaan door de consument vóór beëindiging,
b. bij ‘restant ’ de depotwaarde onder aftrek van onttrekkingen gedaan door de consument vóór beëindiging.
13.
De financiële bijsluiter voor een opbouwproduct, een schuldproduct, een beleggingsobject,een direct ingaande lijfrente op beleggingsbasis of een direct ingaande uitkering op beleggingsbasis geeft onder het kopje ‘ ‘rendement na kosten’, het netto-rendement ten opzichte van de inleg weer uitgedrukt in percentages tot en met een decimaal achter de komma, voorafgegaan door een positief teken in geval van positief netto-rendement of een negatief teken in geval van een negatief netto-rendement.’
14.
De financiële bijsluiter geeft de waarde, kosten en uitkering van het complexe product weer berekend op de volgende looptijden:
a. de contractuele looptijd indien de contractuele looptijd korter is dan één jaar;
b. een looptijd van één jaar en de contractuele looptijd bij een contractuele looptijd langer dan één en korter dan of gelijk aan vier jaren;
c. een looptijd van één en drie jaren alsmede de contractuele looptijd bij een contractuele looptijd van langer dan vier en korter dan of gelijk aan zeven jaren;
d. een looptijd van één en vijf jaren alsmede de contractuele looptijd bij een contractuele looptijd van langer dan zeven en korter dan of gelijk aan vijftien jaren of
e. een looptijd van één en tien jaren alsmede de contractuele looptijd bij een contractuele looptijd langer dan vijftien jaren.
15.
De financiële bijsluiter voor een schuldproduct met garantie of een opbouwproduct met garantie bevat onder de tabel een blok met de tekst ‘Let op! Dit betreft een product met garantie. Aan de garantie zijn voorwaarden verbonden. Vraag er naar.’
1.
De financiële bijsluiter voor een opbouwproduct, een schuldproduct, een beleggingsobject, een direct ingaande lijfrente op beleggingsbasis of een direct ingaande uitkering op beleggingsbasis bevat onder de subtitel ‘Wat kan [Naam product] opbrengen?’ de waarde danwel de uitkering weergegeven in een grafiek berekend op basis van:
a. een historisch opbrengstscenario, onder het kopje ‘Historisch scenario’ indien sub 1° of sub 2° van toepassing is danwel ‘Voorbeeld scenario’ indien sub 3° van toepassing is, boven de streep en onder het kopje ‘De opbrengst bij een voorspelling op basis van een waardevermeerdering van de belegging van gemiddeld per jaar onder invulling van hetgeen toepasselijk is uitgaande van:
1°. het gemiddelde rendement over de afgelopen twintig jaren indien een historie van rendementen voor het complexe product beschikbaar is van twintig jaren of langer;
2°. het gemiddelde rendement over twintig jaren waarbij de eigen historie wordt aangevuld met de van toepassing zijnde parameter of gewogen gemiddelde van parameters onder ‘verwacht rendement’, bedoeld in bijlage 5, tabel 0 , voor de ontbrekende periode indien een historie beschikbaar is van tussen de twintig en vier jaren; of
3°. de toepasselijke parameter of gewogen gemiddelde van parameters als bedoeld onder ‘verwacht rendement’ in bijlage 5, tabel 0 indien een historie beschikbaar is van korter dan vier jaren.
b. vier procent rendement op jaarbasis onder het kopje ‘4% Scenario’ boven de streep en onder het kopje ‘De opbrengst bij een voorspelling op basis van een waardevermeerdering van de belegging van 4%’ per jaar, onder invulling van hetgeen toepasselijk is, onder de streep. en
c. een pessimistisch opbrengstscenario door middel van de guise onder het kopje ‘Pessimistisch scenario’ boven de streep en onder het kopje ‘De opbrengst bij een voorspelling op basis van een waardevermeerdering van de belegging van gemiddeld per jaar onder de streep.
2.
Een financiële bijsluiter voor een direct ingaande lijfrente op beleggingsbasis of een direct ingaande uitkering op beleggingsbasis geeft, in aanvulling op het eerste lid, voor zover van toepassing: ‘De uitkering per jaar is € (…)’, ‘de uitkering is € (…)’, of ‘de uitkering wordt jaarlijks herberekend’.
3.
Een financiële bijsluiter voor een direct ingaande lijfrente op spaarbasis of een direct ingaande uitkering op spaarbasis geeft onder de subtitel ‘Wat kan [Naam product] opbrengen?’ de uitkering bij leven en de uitkering bij overlijden weer in twee grafieken. Ingeval van een direct ingaande lijfrente wordt daarnaast de volgende tekst weergegeven ‘U krijgt een levenslange uitkering van € (…) per maand bij een inleg van € 20.000. Indien u overlijdt, krijgt uw partner een levenslange uitkering van € (…) per maand en ingeval van een direct ingaande uitkering de volgende tekst ‘U krijgt tot uw 80ste een uitkering van € (…) per maand bij een inleg van € 20.000. Indien u overlijdt voor uw 80ste krijgen uw nabestaanden de resterende uitkeringen.
4.
De financiële bijsluiter voor een opbouwproduct, een schuldproduct, een beleggingsobject, een direct ingaande lijfrente op beleggingsbasis en een direct ingaande uitkering op beleggingsbasis geeft de waarde danwel de uitkering weer voor de volgende looptijden:
1.
a. het begin en het einde van de contractuele looptijd indien de contractuele looptijd korter is dan één jaar;
b. één jaar en het einde van de contractuele looptijd indien de contractuele looptijd langer is dan één en korter dan of gelijk aan drie jaren;
c. één en drie jaren en het einde van de contractuele looptijd indien de contractuele looptijd langer is dan drie en korter dan of gelijk aan vijf jaren;
d. één, drie en vijf jaren en het einde van de contractuele looptijd indien de contractuele looptijd langer is dan vijf en korter dan of gelijk aan twaalf jaren; of
e. één, vijf en tien jaren en het einde van de contractuele looptijd indien de contractuele looptijd langer is dan twaalf jaren.
2. In geval van een opbouwproduct met garantie danwel een schuldproduct met garantie geeft de financiële bijsluiter de garantie-opbrengst aan het einde van de contractuele looptijd weer indien deze meer bedraagt dan de waarde op het einde van de contractuele looptijd.
5.
Een financiële bijsluiter geeft de waarde bedoeld in het eerste lid weer afgezet tegen een schuld, als bedoeld in artikel 3:5, vijfde lid, onderdeel a indien het een schuldproduct betreft.
6.
Een financiële bijsluiter geeft in afwijking van het derde lid indien het een spaarhypotheek of een bankspaarhypotheek betreft de waarde bedoeld in het eerste lid uitsluitend weer met een opbrengstscenario als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b.
7.
Een financiële bijsluiter geeft, in aanvulling op het derde lid, indien het een overwaardeconstructie betreft de waarde bedoeld in het eerste lid uitsluitend weer aangevuld met een vermelding van het jaar waarin het beleggingsdepot leeg raakt indien het beleggingsdepot bij het gehanteerde opbrengstscenario vóór het einde van de contractuele looptijd leeg raakt.
8.
Een financiële bijsluiter geeft in aanvulling op het eerste lid indien het een overwaardeconstructie betreft en het beleggingsdepot bedoeld in artikel 3:5, vijfde lid, onder b leeg raakt de volgende tekst weer: ‘Let op! Over (…) jaar stijgen uw lasten jaarlijks met € 1.630, onder invulling van hetgeen toepasselijk is.
9.
Een financiële bijsluiter geeft indien het een opbouwproduct betreft de uitkering bedoeld in het eerste lid weer afgezet tegen de inleg, bedoeld in artikel 3:5, vierde lid,
1.
Een financiële bijsluiter vermeldt onder de subtitel ‘Wat gebeurt er bij eerder beëindigen?’:
a. onder het kopje ‘Gevolgen’ en bij het kopje ‘bij uw overlijden’:
indien het complexe product de consument aanspraak geeft op een uitkering uit hoofde van een overlijdensrisicoverzekering: ‘uw nabestaande krijgt een [(vast/onzeker) bedrag/periodieke uitkering]’;
‘uw nabestaande krijgt [de resterende waarde] [de resterende uitkeringen]’ of ‘uw partner krijgt een vaste periodieke uitkering van […] vraag naar de voorwaarden’ of ‘uw nabestaande krijgt [..%] van de opgebouwde waarde/van de premies’, onder invulling van hetgeen toepasselijk is;
‘het opgebouwde kapitaal vervalt [aan uw nabestaanden] [aan de verzekeraar]’, onder invulling van hetgeen toepasselijk is;
‘uw nabestaande kan een schuld overhouden’;
‘u kunt een schuld overhouden’,
en: ‘Vraag naar de voorwaarden’;
b. onder het kopje ‘Gevolgen’ en bij het kopje ‘bij opzeggen (bijvoorbeeld bij scheiding, baanverlies, arbeidsongeschiktheid)’:
voor zover het een verzekering betreft waarbij afkoop mogelijk is: ‘u heeft afkoopkosten’;
voor zover het een verzekering betreft waarbij afkoop niet mogelijk is: ‘u kunt volgens de voorwaarden niet opzeggen’;
voor zover het lenen, sparen of beleggen betreft: ‘u heeft kosten’ en ‘vraag naar de bedragen’ indien de aanbieder van het complexe product de consument kosten in rekening brengt bij beëindigen van het complexe product vóór afloop van de contractuele looptijd anders dan door overlijden, dan wel ‘u heeft geen kosten’ indien de aanbieder van het complexe product de consument geen kosten in rekening brengt bij beëindigen van het complexe product vóór afloop van de contractuele looptijd anders dan door overlijden;
voor zover het een opbouwproduct betreft: ‘u krijgt de opbrengst. Er worden wel/geen afkoopkosten verrekend. Uw garantie geldt niet’, onder invulling van hetgeen toepasselijk is;
voor zover het een schuldproduct betreft waarbij de consument afgezien van de te betalen rente geen beëindigingskosten heeft: ‘u heeft mogelijk kosten voor het aflossen van de lening. Uw garantie geldt niet’, onder invulling van hetgeen toepasselijk is.
2.
Indien het eerste lid niet toepasbaar blijkt, kan de aanbieder van het complexe product de Autoriteit Financiële Markten verzoeken om aanvullingen.
1.
Een dienstverleningsdocument als bedoeld in artikel 86f, eerste lid, van het besluit wordt opgesteld overeenkomstig de artikelen 4:2 tot en met 4:4 van dit hoofdstuk.
2.
Een dienstverleningsdocument heeft betrekking op de gevraagde dienstverlening. Onder de gevraagde dienstverlening vallen de volgende dienstverleningsvragen:
a. hypotheekvraag;
b. vraag over risico’s afdekken;
c. vraag over vermogen opbouwen; of
d. pensioenvraag werkgever.
Artikel 4:2*
Tabel 1: financiële producten gespecificeerd per dienstverleningsvraag
Dienstverleningsvragen financiële producten
a. Hypotheekvraag Aflossingsvrije hypotheek
Annuïteiten hypotheek
Lineaire hypotheek
Krediet Hypotheek
Unit Linked Leven Hypotheek
Hybride Levenhypotheek
Spaarhypotheek (inclusief banksparen)
Beleggingsobject
Traditioneel Leven Hypotheek
Beleggingsrecht Eigen Woning
Beleggingsfonds
Beleggerhypotheek
b. Vraag over risico’s afdekken Betalingsbeschermer
Overlijdensrisicoverzekering
Uitvaartverzekering
Individuele arbeidsongeschiktheidsverzekering
c. Vraag over vermogen opbouwen Spaarverzekering
Lijfrente
Beleggingsobject
Beleggingsinstelling
d. Pensioenvraag werkgever Pensioenverzekering
1.
Een financiëledienstverlener stelt per dienstverleningsvraag een dienstverleningsdocument op dat is afgestemd op de gevraagde dienstverlening.
2.
Een financiëledienstverlener stelt een dienstverleningsdocument op indien de gevraagde dienstverlening van de consument of, indien het gaat om een verzekering, de cliënt betrekking heeft op een financieel product als bedoeld in artikel 86c, eerste lid van het besluit. Onder deze financiële producten vallen in ieder geval de producten genoemd in tabel 1 van dit artikel.
3.
Indien een financiëledienstverlener een dienstverleningsdocument opstelt voor de ‘Hypotheekvraag’, genoemd in tabel 1 onder a, maakt de ‘Vraag over risico’s afdekken’, zoals genoemd in tabel 1 onder b, en de bijhorende antwoorden integraal deel uit van het dienstverleningsdocument.
1.
Het dienstverleningsdocument wordt opgesteld en vormgegeven overeenkomstig het model opgenomen in bijlage 6 .
2.
Een financiëledienstverlener draagt er zorg voor dat het dienstverleningsdocument te allen tijde actueel is.
3.
Voor het opstellen van het dienstverleningsdocument stelt de Autoriteit Financiële Markten op haar website een generator beschikbaar.
Artikel 4:4*
Een analyse van een toereikend aantal op de markt verkrijgbare vergelijkbare financiële producten als bedoeld in artikel 86f, vierde lid, van het besluit wordt berekend met behulp van de formule opgenomen in bijlage 7 .
1.
Het beleggingsobjectprospectus bevat een samenvatting van de kerngegevens bestaande uit maximaal 1000 woorden. Deze samenvatting bevat ten minste de volgende gegevens:
a. gegevens over de aanbieder van het beleggingsobject:
1°. naam, rechtsvorm, datum oprichting en plaats van vestiging hoofdkantoor,
2°. overzicht van de bedrijfsactiviteiten; en
3°. beschrijving van de groep waar de aanbieder van een beleggingsobject deel van uitmaakt;
b. gegevens over de serie van beleggingsobjecten:
1°. aard;
2°. bestaansduur;
3°. een overzicht van de voornaamste risico’s; en
4°. een overzicht van de voornaamste algemene respectievelijke bijzondere voorwaarden;
c. financiële informatie:
1°. informatie over de beleggingsobjectkosten;
2°. de te verwachten waardeontwikkeling van het beleggingsobject; en
d. indien van toepassing: een overzicht van de belangrijke transacties met gelieerde partijen; en
e. ingeval van een aanpassing van het beleggingsobjectprospectus: een korte toelichting op de in de desbetreffende versie van het beleggingsobjectprospectus doorgevoerde wijziging ten opzichte van de voorgaande versie.
2.
Indien het beleggingsobjectprospectus uit maximaal 7.500 woorden bestaat, is de samenvatting, bedoeld in het eerste lid, facultatief.
1.
Een beleggingsobjectprospectus wordt opgesteld overeenkomstig bijlage 6 .
2.
De informatie betreffende de beleggingsobjectkosten per serie van beleggingsobjecten, bedoeld in artikel 110, eerste lid onderdeel i, van het besluit wordt overeenkomstig tabel 1 van bijlage 7 in het beleggingsobjectprospectus opgenomen, waarbij wordt uitgegaan van een gemiddelde inleg gebruikelijk voor het desbetreffende beleggingsobject. De beleggingsobjectkosten dienen voor de gehele bestaansduur van de serie van beleggingsobjecten te worden weergegeven. Indien de beleggingsobjectkosten voor een reeks jaren gelijk zijn, kunnen deze jaren en de bijhorende beleggingsobjectkosten op basis van een gemiddelde inleg gebruikelijk voor het desbetreffende beleggingsobject samengevoegd worden in een kolom als bedoeld in tabel 1 van bijlage 7 .
3.
De informatie betreffende de gegevens per serie van beleggingsobjecten, bedoeld in artikel 110 eerste lid onderdeel j, van het besluit, wordt overeenkomstig tabel 2 van bijlage 7 in het beleggingsobjectprospectus opgenomen.
4.
De beleggingsobjectkosten en de gegevens, bedoeld in artikel 110, eerste lid, onderdelen i en j, van het besluit worden onderbouwd in het beleggingsobjectprospectus door vermelding van de aannames die daaraan ten grondslag liggen. De tekst waarin de aannames worden vermeld en toegelicht, wordt direct onder de tabellen van bijlage 7 opgenomen.
5.
Het beleggingsobjectprospectus vermeldt een datum en een versienummer. Ingeval van een wijziging in een beleggingsobjectprospectus wordt deze toegelicht in het aangepaste beleggingsobjectprospectus met inbegrip van de consequentie(s) van de desbetreffende wijziging. De toelichting bevat een verwijzing naar het voorgaande beleggingsobjectprospectus dat is gewijzigd.
Artikel 4:3
Bij berekening van de beleggingsobjectkosten, bedoeld in artikel 4:2, worden opbrengsten en andere voordelen op deze kosten niet in mindering gebracht.
1.
De administratieve kosten, beheers-, productie- en verkoopkosten worden per serie van beleggingsobjecten per boekjaar in de toelichting op de jaarrekening verantwoord overeenkomstig de kruistabel van bijlage 8 . Eventuele valutakoersverschillen dienen in de bedoelde kosten te worden verantwoord. De ingelegde gelden per serie van beleggingsobjecten per boekjaar, bedoeld in artikel 67, eerste lid, onderdeel a, van het besluit worden separaat in de toelichting op de jaarrekening vermeld.
2.
Indien het totaal van de in een boekjaar verantwoorde kosten niet gelijk is aan het totaal van de kosten, bedoeld in het eerste lid, wordt dit verschil toegelicht in de jaarrekening.
3.
Bij berekening van de kosten, bedoeld in het eerste lid, worden opbrengsten en andere voordelen niet in mindering gebracht.
1.
In de toelichting op de balans en de winst- en verliesrekening van de beleggingsinstelling wordt inzicht verschaft in de lopende kosten van de beleggingsinstelling en eventueel in rekening gebrachte prestatievergoedingen. De berekening van de lopende kosten geschiedt conform de bepaling over lopende kosten in artikel 10, tweede lid, onderdeel b, van verordening nr. 583/2010 van de Europese Commissie van 1 juli 2010 tot uitvoering van Richtlijn 2009/65/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie wat betreft essentiële beleggersinformatie en de voorwaarden waaraan moet worden voldaan als de essentiële beleggersinformatie of het prospectus op een andere duurzame drager dan papier of via een website wordt verstrekt (PbEU L 176) en de uitwerking daarvan door de Europese Autoriteit voor effecten en markten.
2.
In de toelichting op de balans en de winst- en verliesrekening van de beleggingsinstelling wordt inzicht verschaft in de omloopsnelheid van de activa door middel van de omloopfactor.
3.
De omloopfactor, bedoeld in het tweede lid, wordt berekend door het totaal van transacties in financiële instrumenten (aankopen + verkopen van financiële instrumenten = Totaal 1) minus het totaal aan transacties (uitgifte + inkopen = Totaal 2) van rechten van deelneming te delen door de gemiddelde intrinsieke waarde van de beleggingsinstelling (X) volgens de formule [(Totaal 1 – Totaal 2) / X] * 100.
4.
De gemiddelde intrinsieke waarde, bedoeld in het derde lid, is de som van de intrinsieke waarden gedeeld door het aantal waarnemingen en wordt op dezelfde manier bepaald als door de Europese Autoriteit voor effecten en markten is voorgeschreven voor de berekening van de lopende kosten, bedoeld in het eerste lid.
Artikel 5:3
Een beheerder berekent het totale risico van een door hem beheerde instelling voor collectieve belegging in effecten overeenkomstig de artikelen 5:4 tot en met 5:6.
1.
Het totale risico van een instelling voor collectieve belegging in effecten, bedoeld in artikel 133, zesde lid, van het besluit wordt berekend op een van de volgende wijzen:
a. de verhoogde blootstelling en het hefboomeffect die door de instelling voor collectieve belegging in effecten worden gegenereerd door van financiële derivaten, met inbegrip van ingepaste derivaten gebruik te maken, waarbij de totale intrinsieke waarde van de instelling voor collectieve belegging in effecten niet mag worden overschreden; of
b. het marktrisico van de portefeuille van de instelling voor collectieve belegging in effecten.
2.
Het totale risico wordt berekend door gebruik te maken van de benadering op basis van de aangegane verplichtingen, de benadering op basis van risicowaarde of door een andere geavanceerde methode voor risicometing, wanneer die beter aansluit bij de beleggingen.
3.
Voor de toepassing van dit artikel wordt onder risicowaarde het volgende verstaan: een raming van het maximale potentiële verlies dat binnen een bepaalde tijdshorizon met een bepaalde zekerheidsgraad zal worden geleden.
4.
Wanneer een instelling voor collectieve belegging in effecten technieken en instrumenten, inclusief retrocessieovereenkomsten of effectenkrediet, aanwendt om voor een extra hefboomeffect of een extra blootstelling aan marktrisico te zorgen, worden deze transacties in aanmerking genomen bij de berekening van het totale risico.
1.
Indien voor de berekening van het totale risico van de benadering op basis van de aangegane verplichtingen wordt gebruikgemaakt, wordt deze benadering toegepast op alle posities in financiële derivaten, met inbegrip van derivaten die ingepast zijn in effecten of geldmarktinstrumenten, ongeacht of deze worden gebruikt als onderdeel van het algemene beleggingsbeleid van de instelling voor collectieve belegging in effecten, ter vermindering van het risico, dan wel met het oog op een goed portefeuillebeheer.
2.
Indien voor de berekening van het totale risico van de benadering op basis van de aangegane verplichtingen wordt gebruikgemaakt, wordt elke financiële derivatenpositie omgezet in de marktwaarde van een gelijkwaardige positie in het onderliggende activum van dat derivaat. Dit is de standaardbenadering op basis van de aangegane verplichtingen.
3.
Het gebruik van andere berekeningsmethoden is toegestaan indien deze gelijkwaardig zijn aan de standaardbenadering op basis van de aangegane verplichtingen.
4.
Het is toegestaan verrekening- en risicodekkingsregelingen in aanmerking te nemen bij de berekening van het totale risico, indien deze regelingen voor de hand liggende en wezenlijke risico’s niet negeren en in een duidelijke vermindering van het totale risico resulteren.
5.
Indien het gebruik van financiële derivaten niet in een verhoogde blootstelling voor de instelling voor collectieve belegging in effecten resulteert, hoeft het onderliggende risico bij de berekening van de verplichtingen niet in aanmerking te worden genomen.
6.
Indien van de benadering op basis van de aangegane verplichtingen gebruik wordt gemaakt, hoeven kortlopende leningen die in naam van de instelling voor collectieve belegging in effecten zijn aangegaan, niet in aanmerking te worden genomen bij de berekening van het totale risico indien wordt voldaan aan artikel 133, tweede lid, van het besluit.
1.
Tegenpartijrisico dat voortvloeit uit een financieel derivaat dat niet op een gereglementeerde markt of een andere markt in financiële instrumenten wordt verhandeld wordt onderworpen aan de in artikel 134 van het besluit beschreven begrenzingen.
2.
Indien een beheerder het door een instelling voor collectieve belegging in effecten gelopen tegenpartijrisico overeenkomstig de in artikel 134, tweede lid, van het besluit beschreven begrenzingen berekent, gebruikt de beheerder de positieve marktwaarde van het met de betrokken tegenpartij afgesloten contract betreffende een financieel derivaat, bedoeld in het eerste lid.
Een beheerder mag de derivatenposities van een instelling voor collectieve belegging in effecten met eenzelfde tegenpartij verrekenen, mits zij in staat zijn verrekeningsovereenkomsten met de tegenpartij juridisch af te dwingen namens de instelling voor collectieve belegging in effecten. Verrekening is enkel toegestaan met betrekking tot financiële derivaten, bedoeld in het eerste lid, met dezelfde tegenpartij en niet met betrekking tot andere risicoposities die de instelling voor collectieve belegging in effecten jegens dezelfde tegenpartij kan hebben.
3.
Het tegenpartijrisico dat een instelling voor collectieve belegging in effecten wegens een transactie in financiële derivaten, bedoeld in het eerste lid, loopt, kan door middel van de ontvangst van zekerheden worden beperkt. De ontvangen zekerheden zijn voldoende liquide zodat zij snel kunnen worden verkocht tegen een prijs die hun waardering van voor de verkoop sterk benadert.
4.
Een beheerder neemt zekerheden in aanmerking bij de berekening van het in artikel 134, tweede lid, van het besluit bedoelde tegenpartijrisico wanneer de beheerder namens de instelling voor collectieve belegging in effecten zekerheden aan een tegenpartij in financiële derivaten, bedoeld in het eerste lid, doorgeeft. Doorgegeven zekerheden mogen enkel op nettobasis in aanmerking worden genomen indien de beheerder in staat is verrekeningsovereenkomsten met deze tegenpartij juridisch af te dwingen namens de instelling voor collectieve belegging in effecten.
5.
Een beheerder berekent de in artikel 134 van het besluit bedoelde begrenzingen voor concentraties van beleggingen in één uitgevende instelling overeenkomstig de benadering op basis van de aangegane verplichtingen, op grond van het onderliggende risico dat uit het gebruik van financiële derivaten voortvloeit.
6.
Met betrekking tot het risico dat voortvloeit uit in artikel 134, derde lid, van het besluit bedoelde transacties in financiële derivaten die niet op een gereglementeerde markt of een andere markt in financiële instrumenten worden verhandeld, neemt een beheerder elk aan die financiële derivaten verbonden tegenpartijrisico bij de berekening in aanmerking.
Artikel 6:1
Voor de toepassing van de voorschriften van dit hoofdstuk wordt onderscheid gemaakt tussen een vermogensbeheerder die in het kader van het beheer van een individueel vermogen:
a. op naam en voor rekening van de cliënt orders doorgeeft met betrekking tot financiële instrumenten aan een andere beleggingsonderneming; of
b. voor rekening van de cliënt transacties uitvoert of doet uitvoeren met betrekking tot financiële instrumenten.
Artikel 6:2
De bewaaradministratie betreffende financiële instrumenten van een beleggingsonderneming voldoet aan het bepaalde in 9.26 van bijlage 9 .
1.
Een beleggingsonderneming houdt zich aan de in bijlage 10 opgenomen regels met betrekking tot reclame-uitingen.
2.
Het eerste lid is niet van toepassing indien het reclame-uitingen met betrekking tot complexe producten betreft.
1.
Een beleggingsonderneming treft met betrekking tot de financiële instrumenten en gelden van cliënten een zodanige regeling dat de rechten van die cliënten voldoende beschermd zijn.
2.
De in het eerste lid bedoelde regeling dient te voorkomen dat financiële instrumenten en, voorzover het geen beleggingsonderneming betreft die voor de uitoefening van het bedrijf van bank een door de Nederlandsche Bank verleende vergunning heeft of voor de uitoefening van het bedrijf van financiële instelling een door de Nederlandsche Bank verleende verklaring van ondertoezichtstelling heeft, gelden door de beleggingsonderneming voor eigen rekening worden gebruikt.
3.
In afwijking van het tweede lid kan een beleggingsonderneming financiële instrumenten van cliënten uitlenen, indien de cliënt hiervoor uitdrukkelijk schriftelijk toestemming verleent, de cliënt door de beleggingsonderneming gewezen is op de risico’s en door de beleggingsonderneming voldoende waarborgen voor de bescherming van de cliënt zijn getroffen.
1.
Een beleggingsonderneming, die de beleggingsdienst verleent als bedoeld in onderdeel a van de definitie van verlenen van beleggingsdiensten in artikel 1:1 van de wet of vermogensbeheer als bedoeld in onderdeel a van de definitie van vermogensbeheer in artikel 6:1, kan aan het vereiste bedoeld in artikel 6:14 voldoen indien:
a. de gelden en financiële instrumenten die een cliënt toebehoren en waarop de diensten van de beleggingsonderneming betrekking hebben, op een of meer rekeningen ten name van de cliënt bij een kredietinstelling worden aangehouden;
b. bij de op naam en voor rekening van de cliënt verrichte transacties geen geldrekeningen of rekeningen voor financiële instrumenten van de beleggingsonderneming worden gebruikt; en
c. de schriftelijke volmacht van de cliënt aan de beleggingsonderneming uitdrukkelijk beperkt is tot de bevoegdheid om over de onder a bedoelde gelden en financiële instrumenten te beschikken voorzover dit noodzakelijk is ter uitvoering van de diensten van de beleggingsonderneming voor de cliënt.
2.
Onder schriftelijk in het eerste lid, sub c wordt mede verstaan langs elektronische weg als bedoeld in artikel 15d, derde lid, van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek indien de overeenkomst:
raadpleegbaar is door partijen;
de authenticiteit van de overeenkomst in voldoende mate is gewaarborgd;
het moment van totstandkoming van de overeenkomst met voldoende zekerheid kan worden vastgesteld en
de identiteit van partijen met voldoende zekerheid kan worden vastgesteld.
3.
Dit artikel is niet van toepassing op beleggingsondernemingen die voor de uitoefening van het bedrijf van bank een door de Nederlandsche Bank verleende vergunning hebben of voor de uitoefening van het bedrijf van financiële instelling een door de Nederlandsche Bank verleende verklaring van ondertoezichtstelling hebben.
1.
Een beleggingsonderneming die een beleggingsdienst verleent als bedoeld in onderdeel b of c van de definitie van verlenen van een beleggingsdienst in artikel 1:1 van de wet, kan aan het vereiste, bedoeld in artikel 6:14, voldoen door het sluiten van een overeenkomst met de cliënt, waarin tenminste is bepaald dat:
a. de gelden en financiële instrumenten die een cliënt toebehoren en waarop de diensten van de beleggingsonderneming betrekking hebben, worden aangehouden op een of meer rekeningen ten name van de cliënt bij een kredietinstelling;
b. creditering of debitering van de rekening in financiële instrumenten van de cliënt uitsluitend geschiedt tegen gelijktijdige debitering of creditering van het ingevolge de nota te ontvangen of verschuldigde bedrag op de daarvoor bestemde geldrekening van de cliënt; en
c. de beleggingsonderneming uitsluitend bevoegd is om over de in onderdeel a bedoelde gelden en financiële instrumenten te beschikken voorzover dit noodzakelijk is ter uitvoering van de diensten van de beleggingsonderneming voor de cliënt.
2.
Dit artikel is niet van toepassing op beleggingsondernemingen die voor de uitoefening van het bedrijf van bank een door de Nederlandsche Bank verleende vergunning hebben of voor de uitoefening van het bedrijf van financiële instelling een door de Nederlandsche Bank verleende verklaring van ondertoezichtstelling hebben.
Artikel 6:17
Een beleggingsonderneming die de beleggingsdienst verleent als bedoeld in onderdeel a van de definitie van verlenen van een beleggingsdienst in artikel 1:1 van de wet kan aan het vereiste, bedoeld in artikel 6:14 voldoen, indien wordt voorzien in een regeling krachtens welke de in onderdeel d van de definitie van het verlenen van een beleggingsdienst in artikel 1:1 van de wet bedoelde rekening en de voor de cliënt aangehouden geldrekening worden beheerd door een beleggersgiro die voldoet aan de volgende voorwaarden:
a. de beleggersgiro is een rechtspersoon naar Nederlands recht;
b. een ieder die de beleggersgiro krachtens statuten of reglementen vertegenwoordigt dan wel het dagelijks beleid van de beleggersgiro bepaalt, is voldoende deskundig in verband met de bedrijfsvoering van de beleggersgiro en dient voldoende onafhankelijk te zijn van de bestuurders van de in de aanhef genoemde beleggingsonderneming. Tevens dient de betrouwbaarheid van de in de vorige volzin bedoelde personen, buiten twijfel te staan alsmede van de personen die rechtstreeks of middellijk bevoegd zijn om die personen te benoemen of te ontslaan.
c. degene die ten behoeve van de beleggersgiro werkzaamheden verrichten mogen niet werkzaam zijn voor het bedrijfsonderdeel van de beleggingsonderneming dat transacties in financiële instrumenten uitvoert of doet uitvoeren;
d. de beleggersgiro verricht geen andere activiteiten dan het houden van de aan cliënten toebehorende gelden en financiële instrumenten en het beheren van de in de aanhef van dit artikel bedoelde rekeningen;
e. de som van alle vorderingen in geld en financiële instrumenten van alle cliënten tezamen komt overeen met de som van de saldi van de in aanhef genoemde voor de cliënten aangehouden rekeningen;
f. de gelden en financiële instrumenten, bedoeld in onderdeel d, worden aangehouden op een of meer rekeningen op naam van de beleggersgiro bij een kredietinstelling, waarbij de beleggersgiro een strikte administratieve scheiding toepast ten aanzien van de in de aanhef van dit onderdeel bedoelde gelden en de gelden die toebehoren aan de beleggersgiro;
g. transacties voor rekening van de cliënt geschieden slechts indien het saldo op de bij de beleggersgiro aangehouden rekening ten name van die cliënt toereikend is;
h. de Autoriteit Financiële Markten kan bij de beleggersgiro alle inlichtingen inwinnen of doen inwinnen, die nodig zijn voor de juiste uitoefening van haar wettelijke taken en bevoegdheden;
i. de nakoming van de verplichtingen door de beleggersgiro is gegarandeerd door de beleggingsonderneming;
j. de beleggersgiro treedt uitsluitend op in het belang van de cliënten van de beleggingsonderneming voor wie financiële instrumenten en gelden bij de beleggersgiro worden gehouden;
k. de beleggersgiro is jegens de cliënten aansprakelijk voor de door hen geleden schade, voorzover die schade het gevolg is van verwijtbare niet-nakoming van zijn verplichtingen;
l. de beleggersgiro voorziet in een procedure in geval de beleggersgiro het voornemen te kennen geeft zijn functie neer te leggen;
m. De beleggersgiro richt de bedrijfsvoering zodanig in dat deze een beheerste en integere bedrijfsvoering van zijn bedrijf waarborgt overeenkomstig de artikelen 31 eerste, tweede en derde lid, 31b, 35 eerste, tweede en vierde lid en 165 eerste lid onderdeel a tot en met c BGfo
n. de beleggersgiro legt binnen zes maanden na het einde van het boekjaar een jaarrekening als bedoeld in artikel 361, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek vergezeld van een verklaring omtrent de getrouwheid, afgegeven door de accountant als bedoeld in artikel 393, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek over aan de Autoriteit Financiële Markten. De accountant staat niet in dienstbetrekking tot de beleggersgiro of de beleggingsonderneming die de in de aanhef bedoelde rekeningen aanbiedt;
o. de beleggersgiro beschikt over een bedrag aan eigen vermogen van tenminste 125.000 euro;
Artikel 6:18
Een beleggingsonderneming die voor de uitoefening van het bedrijf van bank een door de Nederlandsche Bank verleende vergunning heeft, kan aan het vereiste, bedoeld in artikel 6:14, voldoen door het sluiten van een overeenkomst met de cliënt, waarin tenminste is bepaald dat creditering of debitering van de bij de kredietinstelling aangehouden rekening in financiële instrumenten van de cliënt uitsluitend geschiedt tegen gelijktijdige debitering of creditering van het ingevolge de nota inzake financiële instrumenten te ontvangen of verschuldigde bedrag op de daarvoor bestemde geldrekening van de cliënt en:
a. indien de financiële instrumenten onder de Wet giraal effectenverkeer vallen, de financiële instrumenten overeenkomstig de bepalingen van de Wet giraal effectenverkeer worden bewaard en geadministreerd; of
b. de financiële instrumenten worden bewaard bij een bewaarinstelling en aan de volgende voorwaarden is voldaan:
de bewaarinstelling is een rechtspersoon naar Nederlands recht;
een ieder die de bewaarinstelling krachtens statuten of reglementen vertegenwoordigt dan wel het dagelijks beleid van de bewaarinstelling bepaalt voldoende deskundig is in verband met de bedrijfsvoering van de bewaarinstelling. Tevens dient de betrouwbaarheid van de in de vorige volzin bedoelde personen, alsmede van de personen die rechtstreeks of middellijk bevoegd zijn om die personen te benoemen of te ontslaan buiten twijfel te staan;
degene die ten behoeve van de bewaarinstelling werkzaamheden verrichten mogen niet werkzaam zijn voor het bedrijfsonderdeel van de beleggingsonderneming die voor de uitoefening van het bedrijf van bank een door de Nederlandsche Bank verleende vergunning heeft dat transacties in financiële instrumenten uitvoert;
de bewaarinstelling verricht geen andere activiteiten dan het bewaren van financiële instrumenten;
de bewaarinstelling beschikt over een bedrag aan eigen vermogen van tenminste 125.000 euro;
de som van de rechten van cliënten op financiële instrumenten komt overeen met de som van de door de bewaarinstelling voor cliënten bewaarde financiële instrumenten;
de nakoming van de verplichtingen van de bewaarinstelling is gegarandeerd door de beleggingsonderneming;
de Autoriteit Financiële Markten kan bij de bewaarinstelling alle inlichtingen inwinnen of doen inwinnen, die naar het oordeel van de Autoriteit Financiële Markten nodig zijn voor de juiste uitoefening van haar wettelijke taken en bevoegdheden;
de bewaarder treedt uitsluitend op in het belang van de cliënten van de beleggingsonderneming voor wie financiële instrumenten en gelden bij de bewaarder in bewaring zijn gegeven;
de bewaarder is jegens de cliënten aansprakelijk voor de door hen geleden schade, voorzover die schade het gevolg is van verwijtbare niet-nakoming van zijn verplichtingen;
de bewaarder voorziet in een procedure in geval de bewaarder het voornemen te kennen geeft zijn functie neer te leggen; en
De bewaarinstelling richt de bedrijfsvoering zodanig in dat deze een beheerste en integere bedrijfsvoering van haar bedrijf waarborgt overeenkomstig de artikelen 31eerste, tweede en derde, 31b, 35 eerste, tweede en vierde lid en 165 eerste lid onderdeel a tot en met c BGfo
1.
Een beleggingsonderneming die door het sluiten van een lease-overeenkomst voor financiële instrumenten cliënten de mogelijkheid biedt financiële instrumenten te verkrijgen, kan aan het vereiste, bedoeld in artikel 6:14, voldoen door te voorzien in een regeling krachtens welke de rechten van cliënten op grond van de lease-overeenkomst voor financiële instrumenten cliënten door middel van een eerste pandrecht van deze cliënten op de desbetreffende financiële instrumenten zijn gewaarborgd.
2.
Het pandrecht dient tot zekerheid te strekken voor:
a. de betaling van vervangende schadevergoeding, indien de overdracht van de financiële instrumenten niet tot stand komt;
b. de eventuele vordering die de cliënt in geval van ontbinding van de lease-overeenkomst voor financiële instrumenten op de beleggingsonderneming heeft, indien deze ontbinding het gevolg is van een toerekenbare tekortkoming van de beleggingsonderneming;
c. betaling van de op de financiële instrumenten betaalbaar gestelde renten en dividenden; en
d. voldoening van de wettelijke rente over de vorderingen, bedoeld in de onderdelen a, b en c, over de periode dat de beleggingsonderneming met de voldoening daarvan in verzuim is.
3.
In geval van ontbinding van de lease-overeenkomst voor financiële instrumenten dient de rekenregel op grond waarvan de financiële rechten van de cliënt ten opzichte van de beleggingsonderneming worden bepaald, de rechten van de cliënt op grond van de lease-overeenkomst voor financiële instrumenten voldoende te beschermen.
Artikel 6:20
Teneinde te voldoen aan het vereiste, bedoeld in artikel 6:14, kan de beleggingsonderneming andere regelingen treffen dan de regelingen als bedoeld in de artikelen 6:15 tot en met 6:19. Deze andere regelingen behoeven de voorafgaande goedkeuring van de Autoriteit Financiële Markten.
Artikel 8:1
De levensverzekeraar draagt zorg voor een adequate informatieverstrekking aan cliënten. Hieronder wordt in deze regeling verstaan dat:
a. de cliënt op duidelijke wijze wordt geïnformeerd over het verschil tussen de verwachte waarde van de beleggingsverzekering op de einddatum zoals deze bij aanvang van de beleggingsverzekering aan de cliënt is voorgerekend en de waarde op de einddatum zoals die naar de huidige verwachting zal bedragen. De levensverzekeraar maakt daarbij concreet hoe laatstgenoemde waarde zich verhoudt tot het oorspronkelijke doel van cliënt;
b. de cliënt zo wordt geïnformeerd dat deze in staat zal zijn de generieke financiële gevolgen te overzien indien hij zijn beleggingsverzekering:
1°. ongewijzigd voorzet;
2°. wijzigt; of
3°. afkoopt.
c. de cliënt wordt gewezen op de urgentie om een weloverwogen keuze te maken met betrekking tot zijn beleggingsverzekering.
Artikel 8:2
Om te voldoen aan zijn inspanningsverplichting als bedoeld in artikel 81b van het besluit vergewist de levensverzekeraar zich ervan dat de cliënt daadwerkelijk de consequenties van zijn keuze overziet.
Artikel 8:3
Een levensverzekeraar wordt geacht eveneens te hebben voldaan aan zijn inspanningsverplichting als bedoeld in artikel 81b van het besluit ingeval de adviseur of bemiddelaar deze inspanningen heeft verricht en de levensverzekeraar in zijn cliëntdossier heeft vastgelegd:
a. de gegevens van de adviseur of bemiddelaar bij wie het volledige cliëntdossier is opgeslagen;
b. de gemaakte keuze van de cliënt;
c. welk contact hieraan ten grondslag heeft gelegen; en
d. wat de onderbouwing is van de cliënt voor de gemaakte keuze.
1.
Wanneer de cliënt niet kan worden bereikt of de cliënt geen weloverwogen keuze aan de levensverzekeraar kenbaar heeft gemaakt, heeft de levensverzekeraar desondanks voldaan aan zijn inspanningsverplichting als bedoeld in artikel 81b van het besluit, indien hij kan aantonen dat door hem of door de adviseur of bemiddelaar voldoende inspanningen zijn geleverd om de cliënt een weloverwogen keuze te kunnen laten maken. Daartoe toont de levensverzekeraar in ieder geval aan:
a. dat de cliënt een of meerdere brieven heeft ontvangen met de informatie zoals bedoeld in artikel 8:1;
b. dat de cliënt binnen een redelijke termijn na het verzenden van de onder a genoemde brieven, en over een langere periode, verschillende malen telefonisch is benaderd;
c. welke handelingen zijn verricht, wanneer andere handelingen zijn verricht door de levensverzekeraar of adviseur of bemiddelaar om de cliënt een bewuste keuze te kunnen laten maken;
d. dat een slotbrief aan de cliënt is gestuurd, waarin de verrichte inspanningen zijn weergegeven, de urgentie en de mogelijke consequenties van het niet maken van een keuze worden benadrukt en waarin de cliënt alsnog, blijvend, de mogelijkheid wordt geboden om een weloverwogen keuze te maken.
2.
Behoudens cliënten die in het bezit zijn van een niet opbouwende beleggingsverzekering, zoals bedoeld in artikel 8:5, tweede lid, mag de levensverzekeraar de cliënt als bedoeld in het eerste lid meetellen voor het in Bijlage 13 vastgestelde vereiste resultaat.
1.
Voor cliënten met een niet opbouwende beleggingsverzekering geldt dat aan hen een passende oplossing moet worden geboden alvorens de beleggingsverzekering meetelt voor het in Bijlage 13 vastgestelde vereiste resultaat.
2.
Voor de toepassing van dit artikel en van artikel 8:4, tweede lid, wordt onder een niet opbouwende beleggingsverzekering verstaan een voor 1 januari 2013, de peildatum, afgesloten beleggingsverzekering waarvoor premie wordt betaald op hiervoor vermelde datum, waarbij de verwachte aangroei in vermogen tussen de peildatum en einddatum, berekend op 4% per jaar als in Modellen De Ruiter, op 1 januari 2013, lager is dan de door de cliënt naar verwachting nog in te leggen premies tussen de peildatum en de einddatum.
3.
Met passende oplossing zoals vermeld in het eerste lid wordt bedoeld dat, indien de cliënt met een beleggingsverzekering als bedoeld in het tweede lid niet kan worden bereikt of de cliënt geen weloverwogen keuze kenbaar heeft gemaakt, de levensverzekeraar ervoor zorg draagt dat het niet opbouwende karakter van de beleggingsverzekering wordt weggenomen.
1.
De levensverzekeraar monitort zijn portefeuille eenmaal per jaar op een door hem gekozen meetmoment op cliënten die voor 1 januari 2013 een beleggingsverzekering hebben afgesloten waarvoor premie wordt betaald op de hiervoor vermelde datum, en waarbij eerst op dit jaarlijkse meetmoment naar voren komt dat de verwachte aangroei in vermogen tussen het meetmoment en einddatum, berekend op 4% per jaar overeenkomstig de Modellen De Ruiter, lager is dan door de cliënt naar verwachting nog in te leggen premies tussen het meetmoment en de einddatum.
2.
De cliënt als bedoeld in het eerste lid wordt een passende oplossing geboden als bedoeld in artikel 8:5, derde lid, voor zover niet eerder een oplossing is geboden als bedoeld in artikel 8:5, derde lid.
3.
De oplossing als bedoeld in het tweede lid wordt geboden binnen zes maanden nadat is vastgesteld dat de cliënt met deze beleggingsverzekering behoort tot de categorie als bedoeld in het eerste lid.
Artikel 8:7
Ter uitvoering van het bepaalde in artikel 81b, derde lid van het besluit, stelt de AFM een vereist resultaat vast voor verschillende categorieën beleggingsverzekeringen. Het vereiste resultaat en de daarbij behorende einddata zijn opgenomen in de in Bijlage 13 weergeven tabel. Ten aanzien van het activeren van cliënten met een beleggingsverzekering wordt in het vereiste resultaat een onderscheid gemaakt in:
a. cliënten met beleggingsverzekeringen zoals bedoeld in artikel 8:5, tweede lid (rij 1 van de tabel in Bijlage 13 );
b. cliënten met hypotheekgebonden beleggingsverzekeringen die zijn gesloten voor 1 januari 2013 en premiebetalend zijn, dan wel zijn gesloten op basis van een koopsom (rij 2 van de tabel in Bijlage 13);
c. cliënten met pensioengebonden beleggingsverzekeringen, niet zijnde een collectieve verzekering, die zijn gesloten voor 1 januari 2013 en die:
premiebetalend zijn, gesloten zijn op basis van een koopsom of premievrij zijn en op 1 januari 2013 een verwachte eindwaarde hadden van € 40.000 of hoger, ongeacht de jaarlijkse inleg, of waarvan de totale inleg in 2013 € 3.500 of meer was (rij 3 van de tabel in bijlage 13);
niet in de categorie beleggingsverzekeringen vallen als bedoeld in sub c, onder 1, premiebetalend zijn dan wel zijn gesloten op basis van een koopsom en op 1 januari 2013 een verwachte eindwaarde hadden van € 25.000 of hoger, ongeacht de hoogte van de jaarlijkse inleg, of waarvan de totale inleg in 2013 € 1.000- of meer was (rij 4 van de tabel in Bijlage 13 );
niet in de categorie beleggingsverzekeringen vallen als bedoeld in sub c, onder 1 en 2, premiebetalend zijn, dan wel zijn gesloten op basis van een koopsom en op 1 januari 2013 een verwachte eindwaarde hebben van minder dan € 25.000 of waarvan de totale inleg in 2013 minder dan € 1.000 was (rij 5 van de tabel in Bijlage 13 ).
Artikel 8:8
Een levensverzekeraar heeft voldaan aan zijn inspanningsverplichting als bedoeld in artikel 81b van het besluit voor cliënten die in het bezit zijn van een beleggingsverzekering als bedoeld in artikel 8:7, sub c, onder 3, wanneer de levensverzekeraar kan aantonen dat hij deze cliënten de informatie als bedoeld in artikel 8:1 heeft verstrekt.
1.
Een levensverzekeraar houdt voldoende gegevens bij over het in artikel 81b van het besluit genoemde proces om de toezichthouder in staat te stellen na te gaan of de in artikel 81b van het besluit opgenomen verplichtingen door de levensverzekeraar worden nageleefd.
2.
De gegevens als bedoeld in het eerste lid omvatten in elk geval:
a. de door de levensverzekeraar aan de individuele cliënt verstrekte informatie;
b. de door de levensverzekeraar verrichte inspanningen om cliënt te bereiken en van informatie te voorzien;
c. de van de individuele cliënt ontvangen informatie waaronder in ieder geval wordt verstaan vastlegging van de keuze van de cliënt en de door de cliënt gegeven onderbouwing van deze gemaakte keuze.
3.
De levensverzekeraar bewaart de gegevens, bedoeld in het eerste lid en bedoeld in artikel 8:3 en artikel 8:8, gedurende ten minste vijf jaar na het verstrijken van de einddatum van het vereiste resultaat van de categorie waar de desbetreffende beleggingsverzekering toe behoort, of, indien er geen vereist resultaat gekoppeld is aan de categorie waar de beleggingsverzekering toe behoort, ten minste vijf jaar na het in werking treden van artikel 81b van het besluit.
Artikel 7:1. Inwerkingtreding
Deze regeling treedt in werking op het tijdstip waarop de wet in werking treedt.
Artikel 7:2. Citeertitel
Deze regeling wordt aangehaald als: Nadere regeling gedragstoezicht financiële ondernemingen Wft.
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
Amsterdam, 15 november 2006
De
Voorzitter
Bestuurslid