Rechtenmedia.nl - Juridische Online Uitgeverij  Rechtennieuws.nl | Jure.nl | Maxius.nl | Parlis.nl | Rechtenforum.nl | JBmatch.nl | MijnWetten.nl | AdvocatenZoeken.nl | Rechtentotaal.nl
Mijnwet 1903
Bwb-id:
Officiele titel:
Citeertitel:
Soort regeling:
Wetsfamilies:
Eerst verantwoordelijk ministerie:

Geldigheidsdatum:
Ingangsdatum:
Inhoudsopgave
Artikel 1
Artikel 1a
Artikel 1b
Artikel 2
Artikel 3
Artikel 4
Artikel 5
Artikel 6
Artikel 7
Artikel 8
Artikel 8a
Artikel 8b
Artikel 8c
Artikel 8d
Artikel 8e
Artikel 8f
Artikel 8g
Artikel 8h
Artikel 8i
Artikel 8j
Artikel 8k
Artikel 8l
Artikel 8m
Artikel 9
Artikel 9a
Artikel 10
Artikel 10a
Artikel 10b
Artikel 11
Artikel 12
Artikel 13
Artikel 14
Artikel 15
Vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature

Juridisch advies nodig?
Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag
Parlement
Documenten bij de totstandkoming van (deze versie van) de wet.

Geschiedenis

Geschiedenis-overzicht
Jurisprudentie
Voorbeelden van het gebruik van deze artikel(en) in rechterlijke uitspraken
Let op. Deze wet is vervallen op 1 januari 2003. U leest nu de tekst die gold op -.

Mijnwet 1903

Wet van 27 april 1904, houdende nadere bepalingen betreffende de mijnontginning
Wij WILHELMINA, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz., enz., enz.
Allen, die deze zullen zien of hooren lezen, saluut! doen te weten:
Alzoo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenschelijk is nadere bepalingen betreffende de mijnontginning, met wijziging der wet van 21 April 1810 ( Bulletin des Lois n°. 285), vast te stellen;
Zoo is het, dat Wij, den Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:
Artikel 1
In deze wet wordt verstaan onder:
concessie: een concessie als bedoeld in artikel 5 van de wet van 21 april 1810 (Bulletin des Lois no. 285);
vergunning: een vergunning als bedoeld in artikel 2 van de Wet opsporing delfstoffen;
Onze Minister: Onze Minister van Economische Zaken.
Artikel 2
Op de aanvraag om een concessie wordt beslist door Onze Minister.
1.
Onverminderd artikel 6 kan een concessie slechts worden geweigerd:
a. op grond van de technische of financiële mogelijkheden van de aanvrager,
b. op grond van de manier waarop de aanvrager voornemens is de ontginning in het gebied, waarvoor de concessie wordt aangevraagd, te verrichten, of
c. in het belang van een doelmatige en voortvarende opsporing en ontginning, indien een keuze moet worden gemaakt uit twee of meer aanvragen die bij een beoordeling op grond van de onderdelen a en b gelijkwaardig zijn gebleken.
2.
Onze Minister stelt met het oog op de toepassing van het eerste lid nadere regels vast, die hij bij zijn beslissing op een aanvraag om een concessie voor koolwaterstoffen in acht zal nemen.
3.
Van de plaatsing in de Staatscourant van een besluit tot vaststelling van nadere regels als bedoeld in het tweede lid wordt mededeling gedaan in het Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen. Een besluit tot wijziging van zodanige regels wordt mede bekendgemaakt in het Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen.
1.
In een concessie wordt bepaald voor welke delfstof of voor welke delfstoffen zij geldt.
2.
In een concessie wordt bepaald voor welk gebied zij geldt. Indien het een concessie voor koolwaterstoffen betreft, geschiedt dit zodanig dat de uitoefening van de activiteiten uit technisch en economisch oogpunt op zo goed mogelijke wijze kan plaatsvinden. Onze Minister stelt nadere regels vast met het oog op de toepassing van de vorige volzin.
3.
In een concessie wordt bepaald voor welk tijdvak zij geldt. Indien het een concessie voor koolwaterstoffen betreft, geschiedt dit zodanig dat dit tijdvak niet langer is dan noodzakelijk om de activiteiten, waarvoor de concessie wordt verleend, te verrichten.
4.
Een concessie kan tevens onder andere beperkingen worden verleend dan die, bedoeld in het eerste, tweede en derde lid. Een concessie voor koolwaterstoffen kan slechts onder andere beperkingen worden verleend indien deze worden gerechtvaardigd door de veiligheid, de landsverdediging, de milieubescherming of een planmatig beheer van voorkomens van koolwaterstoffen. In dat geval is artikel 8 d , derde en vierde lid, van overeenkomstige toepassing.
Artikel 5
De houder van een concessie is voor het tijdvak waarvoor deze is verleend eigenaar van de mijn waarop zij betrekking heeft.
Artikel 6
Een concessie voor een delfstof wordt niet verleend voor een gebied waarvoor reeds een vergunning of concessie voor die delfstof geldt.
1.
Aan een concessie kunnen voorschriften worden verbonden.
2.
Indien het een concessie voor koolwaterstoffen betreft, kunnen aan de concessie slechts voorschriften worden verbonden indien zij:
a. gericht zijn op de betaling van een bijdrage in geld of in koolwaterstoffen dan wel op het veilig stellen van belastinginkomsten of
b. gerechtvaardigd worden door de veiligheid, de landsverdediging, de milieubescherming of een planmatig beheer van voorkomens van koolwaterstoffen.
3.
In een concessie kan worden bepaald dat Onze Minister daarbij omschreven bevoegdheden heeft ter uitvoering van daarbij aangewezen voorschriften.
4.
In een concessie kan worden bepaald dat overtreding van daarbij aangewezen voorschriften een grond is voor intrekking van de concessie.
Artikel 8
Aan een concessie voor koolwaterstoffen kunnen de voorschriften worden verbonden:
a. dat daarin aangeduide inrichtingen, welke bij het gebruik maken van de concessie worden gebezigd, aan de houder toebehoren;
b. dat de houder een daarin bepaalde zekerheid zal stellen en gesteld houden voor de betaling van hetgeen hij ingevolge deze wet als houder van de concessie dan wel door het gebruik maken daarvan aan de Staat verschuldigd zal worden; zodanig voorschrift blijft, ook nadat de concessie haar kracht heeft verloren, gedurende een daarbij bepaalde termijn van kracht.
Artikel 8a
Aan een concessie voor koolwaterstoffen kunnen de voorschriften worden verbonden, dat de houder aan de Staat:
a. telkens op in de concessie bepaalde tijdstippen een daarin vastgesteld bedrag, berekend naar de waarde der ontgonnen delfstoffen, verschuldigd wordt;
b. telkens op in de concessie bepaalde tijdstippen een daarin vastgesteld bedrag, berekend naar de met de ontginning behaalde winst, verschuldigd wordt;
c. op in de concessie bepaalde tijdstippen een daarin vastgesteld oppervlakterecht verschuldigd wordt.
Artikel 8b
Aan een concessie voor koolwaterstoffen kunnen de voorschriften worden verbonden:
a. dat de houder aan de desbetreffende gemeente of gemeenten een bedrag ineens, dan wel, indien het gemeentebestuur daarom verzoekt, een jaarlijks bedrag, verschuldigd wordt, berekend naar de oppervlakte van het terrein of van de uitbreiding ervan, waar in verband met de ontginning van de delfstoffen een of meer putten of een of meer direct met de ontginning verband houdende installaties aanwezig zijn;
b. dat de houder aan de eigenaren van binnen het concessiegebied gelegen grond een jaarlijkse uitkering of een uitkering ineens verschuldigd wordt, naar keuze van de houder.
Artikel 8c
Aan een concessie voor koolwaterstoffen kunnen de voorschriften worden verbonden, dat de houder, indien hij met gebruikmaking van die concessie of van een vergunning de betrokken delfstof in een economisch winbare hoeveelheid heeft aangetoond:
a. de door Onze Minister verlangde medewerking zal verlenen aan de totstandkoming van een overeenkomst van maatschap voor de ontginning van die delfstof, waarin de houder en een in de concessie aangewezen naamloze vennootschap of besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid, waarvan alle aandelen middellijk of onmiddellijk aan de Staat toebehoren, op een in de concessie bepaalde wijze belang nemen, en krachtens welke overeenkomst de houder slechts voor rekening van die maatschap zal ontginnen;
b. zo die delfstof zich bevindt in een voorkomen, dat naar het oordeel van Onze Minister de grens van het betrokken gebied overschrijdt, de door Onze Minister verlangde medewerking zal verlenen aan de totstandkoming van een overeenkomst tussen de houder en de voor een aangrenzend gebied tot ontginning gerechtigde, krachtens welke de ontginning in onderling overleg zal geschieden.
1.
Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld met betrekking tot de aan een concessie voor koolwaterstoffen te verbinden voorschriften, bedoeld in artikel 7, tweede lid, onder a.
2.
Een krachtens het eerste lid vastgestelde algemene maatregel van bestuur wordt aan de beide kamers der Staten-Generaal overgelegd. Hij treedt in werking op een tijdstip dat nadat vier weken na de overlegging zijn verstreken bij koninklijk besluit wordt vastgesteld, tenzij binnen die termijn door of namens een der kamers of door ten minste een vijfde van het grondwettelijk aantal leden van een der kamers de wens te kennen wordt gegeven dat de inwerkingtreding van de algemene maatregel van bestuur bij wet wordt geregeld. In dat geval wordt een daartoe strekkend voorstel van wet zo spoedig mogelijk ingediend. Indien het voorstel van wet wordt ingetrokken of indien een van de beide kamers van de Staten-Generaal besluit het voorstel niet aan te nemen, wordt de algemene maatregel van bestuur ingetrokken.
3.
Bij ministeriële regeling worden nadere regels gesteld met betrekking tot de aan een concessie voor koolwaterstoffen te verbinden voorschriften, bedoeld in artikel 7, tweede lid, onder b.
4.
Aan een concessie voor koolwaterstoffen kunnen geen andere voorschriften worden verbonden dan die welke voortvloeien uit de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in het eerste lid, of de ministeriële regeling, bedoeld in het derde lid.
1.
Indien de houder van een vergunning voor een delfstof met gebruikmaking van die vergunning die delfstof in een economisch winbare hoeveelheid heeft aangetoond, wordt hem op zijn aanvraag, ingediend gedurende de geldingsduur van de vergunning, een concessie voor die delfstof verleend voor het gebied waarvoor de vergunning geldt, dan wel, ingeval de aanwezigheid van de betrokken delfstof slechts in een deel van dat gebied is aangetoond, voor het deel van het gebied, waarvoor verlening van de concessie op grond van de aantoning uit geologisch oogpunt gerechtvaardigd is.
2.
Het eerste lid geldt niet indien weigering van de concessie gerechtvaardigd wordt door een wijziging in de technische of financiële mogelijkheden van de houder van de vergunning of door de manier waarop de aanvrager voornemens is de ontginning in het gebied, waarvoor de concessie wordt aangevraagd, te verrichten. Met betrekking tot concessies voor koolwaterstoffen is artikel 3, tweede en derde lid, van overeenkomstige toepassing.
3.
Indien op grond van het eerste lid een concessie voor koolwaterstoffen wordt verleend, geschiedt dit met inachtneming van de in artikel 8d, eerste lid, bedoelde algemene maatregel van bestuur, zoals deze luidde op het tijdstip waarop de vergunning werd verleend.
4.
Indien een aanvraag als bedoeld in het eerste lid is ingediend, wordt de geldingsduur van de vergunning verlengd tot het tijdstip waarop de beschikking waarbij op de aanvraag wordt beslist in werking treedt.
5.
Indien op grond van het tweede lid een concessie is geweigerd en de daartoe strekkende beschikking onherroepelijk is geworden, kan ten aanzien van het gebied waarvoor de concessie was aangevraagd, een concessie voor de delfstof aan een ander worden verleend. Geschiedt dit binnen tien jaren nadat de beschikking tot weigering onherroepelijk is geworden, dan wordt in die concessie bepaald, welk bedrag de houder aan de in het eerste lid bedoelde vergunninghouder wegens vinderspremie en ter vergoeding van de door deze gemaakte kosten zal betalen.
6.
Op het tijdstip waarop een krachtens het eerste of vijfde lid genomen beschikking tot verlening van een concessie in werking is getreden, vervalt voor het gebied waarvoor de concessie geldt, de vergunning voor de delfstof.
1.
Onze Minister stelt regels omtrent de wijze waarop de aanvraag om een concessie dient te geschieden en betreffende de gegevens en de bescheiden, welke daarbij moeten worden overgelegd.
2.
Bij de aanvraag om een concessie wordt in elk geval overgelegd een plan, volgens hetwelk de aanvrager voornemens is activiteiten te verrichten. Een dergelijk plan moet voldoen aan de bij de in het eerste lid bedoelde regels gestelde eisen.
1.
Indien een aanvraag om een concessie wordt ingediend, worden anderen in de gelegenheid gesteld om aanvragen om een concessie voor dezelfde delfstof in te dienen voor hetzelfde gebied. Hiertoe plaatst Onze Minister een uitnodiging in de Staatscourant.
2.
Anderen kunnen aanvragen indienen gedurende dertien weken nadat de uitnodiging in de Staatscourant is geplaatst.
3.
Indien het een aanvraag om een concessie voor koolwaterstoffen betreft, wordt de uitnodiging tevens geplaatst in het Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen. In dat geval wordt de in het tweede lid bedoelde termijn gerekend vanaf deze plaatsing.
4.
Op de aanvragen wordt tegelijk beslist. De uitnodiging maakt melding van het bepaalde in artikel 8i .
5.
Het eerste tot en met het vierde lid gelden niet ingeval een aanvraag betrekking heeft op een concessie, ten aanzien waarvan artikel 8e, eerste lid, van toepassing is.
6.
Het eerste tot en met het vierde lid gelden mede niet ingeval een aanvraag om een concessie wordt ingediend door de houder van een vergunning of concessie voor een aangrenzend gebied en deze aanvraag is ingediend naar aanleiding van de aantoning van een zich gedeeltelijk in het aangrenzende en gedeeltelijk in het aangevraagde gebied bevindend economisch winbaar voorkomen. Onze Minister stelt de houders van een vergunning of concessie voor eventuele andere aangrenzende gebieden gedurende dertien weken in de gelegenheid om een aanvraag om een concessie voor dezelfde delfstof voor hetzelfde gebied in te dienen.
7.
Het eerste tot en met het vierde lid gelden voorts niet ingeval een aanvraag wordt ingediend binnen twee jaar na de indiening van een aanvraag om een concessie voor dezelfde delfstof voor hetzelfde gebied, zonder dat op die aanvraag of op aanvragen van anderen als bedoeld in het tweede lid een concessie is verleend. Onze Minister deelt in het Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen mede op welke gebieden de eerste volzin met betrekking tot concessies voor koolwaterstoffen van toepassing is.
8.
Ten aanzien van overeenkomstig het tweede lid ingediende aanvragen wordt niet opnieuw toepassing gegeven aan het eerste tot en met het vierde lid.
Artikel 8h
Alvorens op een aanvraag om een concessie te beslissen, stelt Onze Minister gedeputeerde staten van de betrokken provincie in de gelegenheid daaromtrent advies uit te brengen.
1.
Onze Minister beslist op een aanvraag om een concessie binnen zes maanden na de ontvangst daarvan dan wel, indien toepassing is gegeven aan artikel 8 g , eerste lid, binnen zes maanden na afloop van de termijn, bedoeld in artikel 8 g , tweede onderscheidenlijk derde lid.
2.
Onze Minister kan de termijn, waarbinnen hij op een aanvraag dient te beslissen, eenmaal met ten hoogste drie maanden verlengen.
Artikel 8j
Een beschikking tot verlening van een concessie treedt eerst in werking nadat de houder aan Onze Minister schriftelijk heeft doen blijken dat hij de concessie met de beperkingen en voorschriften zonder voorbehoud aanvaardt en de daarin voorgeschreven zekerheid heeft gesteld. Dit kan slechts tot uiterlijk vier weken nadat de beschikking onherroepelijk is geworden. Is dit niet geschied vóór dat tijdstip, dan vervalt de beschikking.
1.
Onze Minister kan een concessie op aanvraag van de houder wijzigen of intrekken.
2.
Indien een aanvraag als bedoeld in het eerste lid strekt tot verlenging van het tijdvak waarvoor een concessie geldt, wordt deze slechts ingewilligd indien het in de concessie vastgestelde tijdvak onvoldoende is om de activiteiten, waarvoor de concessie geldt, te voltooien en deze activiteiten zijn verricht in overeenstemming met de concessie.
3.
In een beschikking, waarbij het tijdvak waarvoor een concessie geldt wordt verlengd, kan het gebied waarvoor die concessie geldt worden beperkt tot dat deel van het gebied, waarbinnen de ontginning reeds is aangevangen en nog niet is beëindigd.
4.
Ten aanzien van een beschikking tot wijziging van een concessie is artikel 8 j van overeenkomstige toepassing.
5.
Onze Minister kan een concessie anders dan op aanvraag intrekken, indien de houder een aan een concessie verbonden voorschrift, waarbij is bepaald dat overtreding daarvan een grond is voor het intrekken van de concessie, heeft overtreden, en, nadat Onze Minister hem schriftelijk heeft gewaarschuwd, zich voortdurend of opnieuw aan overtreding van dat voorschrift schuldig maakt of, zo het voorschrift een verplichting om te doen inhoudt, deze verplichting niet alsnog nakomt.
6.
Onze Minister kan een concessie anders dan op aanvraag intrekken, indien de concessie niet langer nodig is voor de goede uitvoering van de activiteiten waarvoor zij geldt. Hij doet dit onder de genoemde omstandigheden in elk geval, indien het een concessie voor koolwaterstoffen betreft.
1.
De houder van een concessie kan zijn concessie geheel of gedeeltelijk aan een ander overdragen, nadat hij daartoe van Onze Minister schriftelijk toestemming heeft gekregen.
2.
De toestemming kan slechts worden geweigerd op grond van de technische of financiële mogelijkheden van de ander of op grond van de manier waarop de ander voornemens is de ontginning in het over te dragen gebied te verrichten. Met betrekking tot concessies voor koolwaterstoffen is artikel 3, tweede en derde lid, van overeenkomstige toepassing.
3.
Ten aanzien van een beschikking waarbij toestemming tot overdracht van een concessie wordt verleend, is artikel 8 j van overeenkomstige toepassing.
1.
Onze Minister zendt aan de Commissie van de Europese Gemeenschappen ieder jaar een verslag met gegevens over:
a. de gebieden die voor de opsporing en ontginning van koolwaterstoffen zijn vrijgegeven;
b. de verleende vergunningen en concessies voor koolwaterstoffen;
c. de houders van de verleende vergunningen en concessies voor koolwaterstoffen;
d. de samenstelling van de houders, bedoeld onder c ;
e. de geraamde reserves aan koolwaterstoffen.
2.
Onze Minister legt het verslag voor een ieder ter inzage. Hij doet hiervan mededeling in de Staatscourant.
1.
Bij algemene maatregel van bestuur worden voorschriften gegeven:
a. ter verzekering van de veiligheid bij de mijnontginning en bij mijnbouwkundige onderzoekingen en van de bescherming van de in artikel 2 van de wet van 21 april 1810 (Bulletin des Lois no. 285) bedoelde delfstoffen bij die onderzoekingen, zomede in het belang van de veiligheid en de gezondheid van mensen en dieren bij het verblijf in de ondergrondse werken van mijnen, benevens in de bij een mijn behorende bovengronds gelegen werken en inrichtingen, bij algemene maatregel van bestuur aangewezen, alsmede in de bij mijnbouwkundige onderzoekingen behorende werken en inrichtingen, onder andere betreffende:
de inrichting van de ontginningswerken en van de afbouw, benevens het bijhouden van plans en registers;
het verkeer op de terreinen en in de inrichtingen boven de grond;
de toegang tot de ondergrondse werken en de inrichting van en het verkeer door de schachten;
het verkeer in de ondergrondse werken;
de middelen tot verwijdering van het overtollige water;
de verlichting, de luchtverversing en de maatregelen te nemen tot het bevorderen van een dragelijke temperatuur en tot het verwijderen van schadelijke dampen, gassen en stof;
de aanwezigheid en de inrichting van was-, bad- en kleedgelegenheden en schaftlokalen alsmede van privaten;
het verstrekken van goed drinkbaar water;
de maatregelen te nemen tot het voorkomen van brand en ontploffing en tot het voorkomen van ongevallen door werktuigen, werktuigdelen, drijfwerken, gereedschappen of elektrische geleidingen, door vallen of door vallende voorwerpen;
het vervoer, de opslag en het gebruik van ontplofbare stoffen;
de bij ongevallen of bij gevaar voor ongevallen te nemen maatregelen;
b. in het belang van de veiligheid en de gezondheid van personen beneden de 18 jaar, dat zij bepaalde soorten van arbeid of arbeid onder bepaalde omstandigheden niet verrichten of slechts verrichten met inachtneming van beperkingen en voorschriften bij die maatregel gesteld;
c. in het belang van de bescherming van het milieu met betrekking tot
1°. bij mijnen behorende, ondergronds gelegen werken en inrichtingen, en
2°. bij mijnen behorende, bovengronds gelegen werken en inrichtingen of delen daarvan, voor zover deze technisch samenhangen met werken en inrichtingen als onder 1° bedoeld.
2.
Bovendien kunnen bij algemene maatregel van bestuur voorschriften worden gegeven ter verzekering van de veiligheid bij de ontginning of bij ander gebruik van ondergrondse steengroeven, voor zover de Arbeidsomstandighedenwet en de Wet milieubeheer daarin niet voorzien.
3.
Bij een krachtens het eerste of het tweede lid vast te stellen algemene maatregel van bestuur kan door Ons aan Onze Minister worden opgedragen ter uitvoering van bepaalde voorschriften nadere regelen vast te stellen, dan wel in die algemene maatregel voorziene ontheffingen of vergunningen, zo nodig onder bepaalde voorwaarden, te verlenen.
Artikel 9a
Onze Minister is bevoegd tot toepassing van bestuursdwang ter handhaving van voorschriften, die berusten op of mede berusten op artikel 9, eerste lid, onder a, ingeval als gevolg van een overtreding daarvan ernstige aantasting van door deze voorschriften beschermde belangen ontstaat of dreigt te ontstaan.
1.
De paragrafen 3.5.2 tot en met 3.5.6 van de Algemene wet bestuursrecht alsmede afdeling 13.2 van de Wet milieubeheer zijn van overeenkomstige toepassing met betrekking tot vergunningen krachtens bij algemene maatregel van bestuur gegeven voorschriften die berusten of mede berusten op artikel 9, eerste lid, onder c, voor zover dat bij die maatregel is bepaald.
2.
Onze Minister is bevoegd tot toepassing van bestuursdwang ter handhaving van voorschriften, die berusten op of mede berusten op artikel 9, eerste lid, onder c. Daarbij zijn de artikelen 18.7 tot en met 18.11 en 18.14 tot en met 18.16 van de Wet milieubeheer van overeenkomstige toepassing.
3.
De voordracht voor een algemene maatregel van bestuur krachtens artikel 9, eerste lid, onder c, wordt Ons gedaan door Onze Minister in overeenstemming met Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer. Het ontwerp wordt overgelegd aan de Staten-Generaal en in de Staatscourant bekendgemaakt. Aan een ieder wordt de gelegenheid geboden binnen een bij die bekendmaking vast te stellen termijn van ten minste vier weken opmerkingen over het ontwerp schriftelijk ter kennis van Onze Minister te brengen. Een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in de eerste volzin wordt, nadat hij is vastgesteld, toegezonden aan de Staten-Generaal. Hij treedt niet eerder in werking dan vier weken na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin hij is geplaatst.
Artikel 10a
Tegen besluiten krachtens bij algemene maatregel van bestuur gegeven voorschriften die berusten of mede berusten op artikel 9, eerste lid, onderdeel c, en tegen besluiten van Onze Minister ter uitvoering van artikel 10, tweede lid, staat beroep op de administratieve rechter open overeenkomstig hoofdstuk 20 van de Wet milieubeheer.
1.
Indien een concessie is verleend of overgedragen aan twee of meer natuurlijke personen of rechtspersonen gezamenlijk, is ieder van hen hoofdelijk aansprakelijk voor hetgeen ingevolge de concessie verschuldigd is.
2.
Het eerste lid geldt niet ten aanzien van een bedrag als bedoeld in artikel 8 a , onder b.
1.
Overtreding van in artikel 9 bedoelde voorschriften, nadere regelen of voorwaarden, voor zover niet bedoeld in artikel 9, eerste lid, onder c , of van artikel 5 der wet van 21 april 1810 (Bulletin des Lois no. 285) wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste zes maanden of geldboete van de derde categorie. Eveneens met hechtenis van ten hoogste zes maanden of geldboete van de derde categorie wordt gestraft overtreding van een voorschrift, gesteld krachtens artikel 7, eerste lid, voor zover niet artikel 7, vierde lid, toepassing heeft gevonden.
2.
De strafbare feiten in dit artikel bedoeld worden beschouwd als overtredingen.
3.
Met de opsporing van overtredingen van de bij of krachtens deze wet gestelde voorschriften en voorwaarden en van artikel 5 der wet van 21 april 1810 ( Bulletin des Lois no. 285) zijn, onverminderd artikel 141 van het Wetboek van Strafvordering , belast de daartoe bij of krachtens algemene maatregel van bestuur aangewezen buitengewone opsporingsambtenaren. Deze ambtenaren zijn tevens belast met de opsporing van de feiten, strafbaar gesteld in de artikelen 179 tot en met 182 en 184 van het Wetboek van Strafrecht, voor zover deze feiten betrekking hebben op een bevel, vordering of handeling, gedaan of ondernomen door henzelf.
Artikel 12
Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze wet zijn belast de bij of krachtens algemene maatregel van bestuur aangewezen ambtenaren.
Artikel 13
De krachtens artikel 11, derde lid, en artikel 12 aangewezen ambtenaren zijn bevoegd, met medeneming van de benodigde apparatuur, een woning binnen te treden zonder toestemming van de bewoner.
Artikel 14
Deze wet, zomede de wet van 21 april 1810 ( Bulletin des Lois no. 285) is niet van toepassing op ontgrondingen.
1.
Deze wet treedt in werking op een nader door Ons te bepalen tijdstip.
2.
Deze wet wordt aangehaald als: Mijnwet 1903.
Lasten en bevelen, dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst, en dat alle Ministerieele Departementen, Autoriteiten, Colleges en Ambtenaren, wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Gegeven te ’s Gravenhage, den 27sten April 1904
De Minister van Waterstaat, Handel en Nijverheid,
De Minister van Binnenlandsche Zaken,
Uitgegeven den veertienden Mei 1904.
De Minister van Justitie,