Rechtenmedia.nl - Juridische Online Uitgeverij  Rechtennieuws.nl | Jure.nl | Maxius.nl | Parlis.nl | Rechtenforum.nl | JBmatch.nl | MijnWetten.nl | AdvocatenZoeken.nl | Rechtentotaal.nl
Lichamen met financiële dienstverleningsactiviteiten binnen concernverband zonder reële economische aanwezigheid in Nederland; geen zekerheid vooraf, verstrekken van inlichtingen en beperking verrekening bronheffing
Bwb-id:
Officiele titel:
Citeertitel:
Soort regeling:
Wetsfamilies:
Eerst verantwoordelijk ministerie:

Geldigheidsdatum:
Ingangsdatum:
Inhoudsopgave
1. Lichamen met financiële dienstverleningsactiviteiten binnen concernverband
2. Geen zekerheid vooraf
3. Verstrekken van inlichtingen
4. Verrekening buitenlandse bronbelasting
5. De goede trouw die jegens verdragspartners verschuldigd is
6. Geen reële risico’s lopen
7. Competentie
8. Inwerkingtreding
Vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature

Juridisch advies nodig?
Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag
Geschiedenis

Geschiedenis-overzicht
Let op. Deze wet is vervallen op 13 juni 2014. U leest nu de tekst die gold op 12 juni 2014.

Lichamen met financiële dienstverleningsactiviteiten binnen concernverband zonder reële economische aanwezigheid in Nederland; geen zekerheid vooraf, verstrekken van inlichtingen en beperking verrekening bronheffing

Lichamen met financiële dienstverleningsactiviteiten binnen concernverband zonder reële economische aanwezigheid in Nederland; geen zekerheid vooraf, verstrekken van inlichtingen en beperking verrekening bronheffing De Staatssecretaris van Financiën heeft het volgende besloten.
Dit besluit vervangt het besluit van 30 maart 2001, nr. IFZ2001/294M. In dit besluit wordt het voorgaande besluit geactualiseerd. Opgenomen is dat het verstrekken van zekerheid vooraf over de fiscale gevolgen van de door het dienstverleningslichaam voorgenomen met elkaar samenhangende transacties slechts kan worden verleend in combinatie met zekerheid vooraf met betrekking tot de zakelijke beloning. Ook is opgenomen dat het minimum aan te houden eigen vermogen van a) 1% van de geldlening, dan wel b) een bedrag van € 2.000.000, per lening geldt waarbij als er meerdere leningen worden verstrekt, voor toepassing van de b-grens een evenredig deel van € 2.000.000 wordt bedoeld.
1. Lichamen met financiële dienstverleningsactiviteiten binnen concernverband
Onder lichamen met financiële dienstverleningsactiviteiten binnen concernverband (hierna: dienstverleningslichamen) worden voor de toepassing van dit besluit verstaan: lichamen waarvan de werkzaamheden hoofdzakelijk bestaan uit het op basis van samenhangende transacties rechtens, dan wel in feite direct of indirect binnen concernverband ontvangen en (door)betalen van rente en/of royalty’s, onder welke naam en in welke vorm dan ook. Bij het beoordelen van de vraag of de werkzaamheden van een lichaam hoofdzakelijk bestaan uit de in de vorige zin genoemde werkzaamheden, blijven werkzaamheden die samenhangen met het houden van deelnemingen buiten beschouwing.
Onder een concern wordt verstaan: de belastingplichtige tezamen met de met hem verbonden lichamen, bedoeld in artikel 10a, vierde lid in verbinding met het zesde lid van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969, en de met hem verbonden natuurlijke personen, bedoeld in artikel 10a, vijfde lid van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969.
Transacties hangen met elkaar samen indien deze als een geheel zijn afgesloten, indien de uitkomsten ervan van elkaar afhankelijk zijn, of indien anderszins een koppeling tussen de transacties bestaat.
2. Geen zekerheid vooraf
Aan een dienstverleningslichaam wordt geen zekerheid vooraf verstrekt over de fiscale gevolgen van alle door het dienstverleningslichaam voorgenomen met elkaar samenhangende transacties zoals omschreven bij punt 1 hiervoor, indien:
a. het dienstverleningslichaam niet voldoet aan één of meer van de in de bijlage opgenomen vereisten op het gebied van de reële aanwezigheid (substance) in Nederland.
Aan een dienstverleningslichaam wordt geen zekerheid vooraf verstrekt over de fiscale gevolgen van met elkaar samenhangende transacties zoals omschreven bij punt 1, indien:
b. de door het dienstverleningslichaam uitgeoefende functies die verband houden met deze samenhangende transacties per saldo geen reële risico’s met zich meebrengen (zie punt 6 hierna).
Indien een dienstverleningslichaam niet voldoet aan de onder a genoemde vereisten ten aanzien van de reële aanwezigheid zal derhalve geen zekerheid vooraf worden verstrekt ten aanzien van het totaal van de door het dienstverleningslichaam voorgenomen transacties zoals omschreven bij punt 1 hiervoor, ongeacht of met de betreffende transacties reële risico’s worden gelopen zoals omschreven bij punt b en ongeacht of belastingplichtige akkoord gaat met spontane verstrekking van inlichtingen aan het bronland ten aanzien van de betreffende transacties.
Indien een dienstverleningslichaam wel voldoet aan de onder a genoemde vereisten ten aanzien van de reële aanwezigheid, maar niet voldoet aan de vereiste zoals genoemd onder b, zal aan het dienstverleningslichaam geen zekerheid vooraf worden verstrekt ten aanzien van de specifieke met elkaar samenhangende transacties waarvoor niet aan de voorwaarde onder b wordt voldaan. In afwijking van het gestelde onder b zal in deze situaties toch zekerheid vooraf kunnen worden verstrekt als belastingplichtige zich in de vaststellingsovereenkomst waarin de zekerheid vooraf wordt neergelegd akkoord verklaart met de spontane verstrekking van inlichtingen aan het bronland.
Voor de toepassing van onderdeel b worden risico’s die bij derden – niet verbonden lichamen – zijn ondergebracht aangemerkt als risico’s van het dienstverleningslichaam. Dit zal er over het algemeen toe leiden dat concerns die hun treasuryactiviteiten bij één of meerdere afdelingen hebben gecentraliseerd geacht worden ten aanzien van het totaal van de tot de verantwoordelijkheid van deze treasuryafdelingen behorende financiële transacties reële risico’s te lopen, omdat één van de wezenlijke taken van deze afdelingen bestaat uit het bij derden onderbrengen van de per saldo door het concern gelopen risico’s ten aanzien van het totaal van de financiële transacties waarvoor de betreffende afdeling verantwoordelijk is. De verantwoordelijkheid van de gecentraliseerde treasuryafdeling zal over het algemeen bestaan uit het zelfstandig managen van de risico’s die samenhangen met het totaal van de financiële transacties die door (een zelfstandige tak van) het concern worden aangegaan. Voorzover de verantwoordelijkheid van een dienstverleningslichaam beperkter is dan het zelfstandig managen van risico’s zoals hiervoor is genoemd, bestaat een indicatie dat geen sprake is van een actieve treasuryactiviteit. In die situaties zal nader moeten worden beoordeeld of ten aanzien van de met elkaar samenhangende transacties zoals gedefinieerd onder punt 1 reële risico’s worden gelopen.
Het verstrekken van zekerheid vooraf over de fiscale gevolgen van de door het dienstverleningslichaam voorgenomen met elkaar samenhangende transacties zoals omschreven bij punt 1 hiervoor, houdt in dat uitsluitend zekerheid vooraf wordt verleend over de toepassing van de voorwaarden van het onderhavige besluit in samenhang met zekerheid vooraf met betrekking tot de zakelijke beloning. Voor zekerheid vooraf over de zakelijke beloning of de methode van vaststelling van een dergelijke beloning wordt verwezen naar het besluit Procedure voor een behandeling van verzoeken om zekerheid vooraf ten aanzien van bij grensoverschrijdende transacties te hanteren verrekenprijzen (advance pricing agreements), van 11 augustus 2004, nr. IFZ2004/124M. Voor het bepalen van een zakelijke beloning voor lichamen met financiële dienstverleningsactiviteiten binnen concernverband wordt verwezen naar het Verrekenprijsbesluit van 30 maart 2001, nr. IFZ2001/295M.
3. Verstrekken van inlichtingen
Bij punt 2, onderdeel b wordt aangegeven dat geen zekerheid vooraf wordt gegeven ten aanzien van de daar omschreven samenhangende transacties, tenzij verzoeker zich in de vaststellingsovereenkomst akkoord verklaart met spontane verstrekking van inlichtingen aan het bronland als bedoeld in artikel 7, eerste lid van de Wet op de internationale bijstandsverlening bij de heffing van belastingen (‘WIB’). Deze akkoordverklaring houdt mede in dat verzoeker verklaart niet een beroep te zullen doen op artikel 13, derde lid van de WIB. Nadat verzoeker zich in de vaststellingsovereenkomst aan deze verklaring heeft verbonden, vervalt de grond om op basis van dit artikellid bezwaar en beroep aan te tekenen tegen de kennisgeving waarbij de verstrekking van deze inlichtingen wordt aangekondigd.
Het feit dat in de situaties zoals beschreven onder punt 2, onderdeel a of b, geen zekerheid vooraf wordt gegeven, beperkt belastingplichtigen niet in hun mogelijkheden om de aldaar beschreven financieringstransacties zonder zekerheid vooraf over de fiscale gevolgen uit te voeren. Ook in die gevallen vindt spontane verstrekking van informatie plaats aan het betrokken land of de betrokken landen. In situaties waarin niet is voldaan aan de eisen ten aanzien van reële aanwezigheid in Nederland (punt 2, onderdeel a) zal aan andere landen waarvoor dit van belang kan zijn informatie worden verstrekt over de feitelijke omstandigheden zoals deze zich bij belastingplichtige voordoen ten aanzien van de eisen zoals deze zijn omschreven in de bijlage. In situaties waarin structuren worden geïmplementeerd zoals omschreven onder punt 2 onderdeel b ziet de te verstrekken informatie op de aard van het lichaam en op de verrichte of de te verrichten transacties.
Het verstrekken van inlichtingen vindt plaats in aansluiting op een verzoek om afgifte van een woonplaatsverklaring, of zodra bij de aanslagregeling het vermoeden opkomt dat een ander land belang kan hebben bij de informatie doch uiterlijk bij de vaststelling van de aanslag vennootschapsbelasting. De inspecteur stuurt daartoe de benodigde informatie, vergezeld van een vermelding van het betrokken land of de betrokken landen, toe aan de Belastingdienst/FIOD-ECD Haarlem. De Belastingdienst/FIOD-ECD Haarlem beoordeelt of het verstrekken van de inlichtingen in overeenstemming is met de relevante wettelijke en verdragsrechtelijke bepalingen dienaangaande, zoals of met het verstrekken van de inlichtingen in strijd wordt gekomen met artikel 13, eerste en tweede lid van de WIB.
4. Verrekening buitenlandse bronbelasting
Bij transacties als bedoeld in punt 2, onderdeel b, wordt geen verrekening van buitenlandse bronbelasting verleend aangezien het financiële dienstverleningslichaam in feite optreedt als intermediair en de ontvangen geldstromen als gevolg daarvan niet tot de Nederlandse belastinggrondslag van dat lichaam behoren.
5. De goede trouw die jegens verdragspartners verschuldigd is
In de onder punt 2, onderdelen a en b beschreven gevallen wordt geen zekerheid vooraf verstrekt omdat de daar benoemde elementen een indicatie vormen dat door het verstrekken van zekerheid vooraf in strijd wordt getreden met de goede trouw die jegens verdragspartners verschuldigd is. Naast de elementen die onder de punten a en b specifiek zijn beschreven, dienen de verzoeken tot het verstrekken van zekerheid vooraf meer in het algemeen te worden beoordeeld aan de hand van het Besluit Algemeen, rechtsvragen en fiscaal uitvoeringsbeleid van 25 februari 2004, nr. DGB2003/6662M en zoals nader ingevuld bij Besluit Zekerheid vooraf; goede trouw jegens de verdragspartners van 11 augustus 2004, nr. DGB2004/1337M.
6. Geen reële risico’s lopen
Indien de door het dienstverleningslichaam uitgeoefende functies die verband houden met de bij punt 1 omschreven samenhangende transacties per saldo geen reële risico’s met zich meebrengen, zal slechts zekerheid vooraf kunnen worden verstrekt indien belastingplichtige zich in de vaststellingsovereenkomst waarin de zekerheid vooraf wordt neergelegd akkoord verklaart met de spontane verstrekking van inlichtingen aan de verdragspartner. Het is derhalve van belang om te bepalen in welke mate door het dienstverleningslichaam risico’s worden gelopen ten aanzien van deze met elkaar samenhangende transacties.
De risico’s die kunnen samenhangen met de bij punt 1 omschreven transacties, bestaan met name uit kredietrisico’s (debiteuren- en valutarisico’s), marktrisico’s en operationele risico’s. Het uitsluitend lopen van operationele risico’s zal over het algemeen niet leiden tot de aanwezigheid van reële risico’s zoals bedoeld in dit besluit. De mate waarin door dienstverleningslichamen risico’s worden gelopen, vertaalt zich met name in de mogelijkheid dat het door het dienstverleningslichaam tegenover haar activa aangehouden eigen vermogen wordt aangetast. Doorslaggevend voor de vraag of en in hoeverre door een dienstverleningslichaam reële risico’s worden gelopen is derhalve de vraag of en in hoeverre door het dienstverleningslichaam één of meer van de hiervoor genoemde risico’s wordt gelopen en of door het dienstverleningslichaam tegenover deze risico’s voldoende eigen vermogen wordt aangehouden om deze risico’s te kunnen dragen.
Een dienstverleningslichaam waarvan de activiteiten bestaan uit het verstrekken van geldleningen wordt geacht reële risico’s te lopen indien het eigen vermogen dat noodzakelijk is om de gelopen risico’s te kunnen dragen minimaal gelijk is aan 1% van het bedrag van de geldlening, dan wel een bedrag van € 2.000.000. Indien derhalve door een dienstverleningslichaam in verband met het verstrekken van geldleningen minimaal een eigen vermogen wordt aangehouden dat gelijk is aan het laagste bedrag van 1% van het bedrag van de geldlening dan wel € 2.000.000, wordt het dienstverleningslichaam geacht reële risico’s te lopen, mits door verzoeker aannemelijk wordt gemaakt dat de realistische mogelijkheid bestaat dat dit eigen vermogen wordt aangetast als de in verband met de samenhangende transacties gelopen risico’s zich manifesteren.Voorbeeld 1
De enige activiteit van een dienstverleningslichaam (DVL) bestaat uit het verstrekken van een geldlening van € 100 miljoen aan verbonden lichaam X. Het eigen vermogen van DVL bedraagt € 1,5 miljoen. Daarnaast leent DVL ter financiering van de te verstrekken geldlening een bedrag van € 98,5 miljoen van verbonden lichaam Y. De moedermaatschappij van DVL (M) heeft ten aanzien van Y de garantie afgegeven dat de gehele lening door haar zal worden terugbetaald als DVL niet aan haar betalingsverplichtingen kan voldoen. Als het kredietrisico (debiteurenrisico) dat DVL loopt zich manifesteert (X kan niet aan haar betalingsverplichtingen voldoen), zal allereerst het eigen vermogen van DVL worden aangetast. Slechts voorzover het eigen vermogen van DVL niet toereikend is om aan de betalingsverplichtingen te kunnen voldoen, zal de door M afgegeven garantie intreden. Daar DVL tegenover de geldlening een eigen vermogen aanhoudt dat hoger is dan 1% van het bedrag van de geldlening en daarnaast ook de realistische mogelijkheid aanwezig is dat dit eigen vermogen wordt aangetast bij manifestatie van de gelopen risico’s (in casu het debiteurenrisico), worden door DVL reële risico’s gelopen.Voorbeeld 2
De enige activiteit van een dienstverleningslichaam (DVL) bestaat uit het verstrekken van een geldlening van € 400 miljoen aan verbonden lichaam X. Het eigen vermogen van DVL bedraagt € 3 miljoen. Daarnaast leent DVL ter financiering van de te verstrekken geldlening een bedrag van € 397 miljoen van verbonden lichaam Y. De moedermaatschappij van DVL (M) heeft ten aanzien van DVL de garantie afgegeven dat de gehele lening aan X door haar zal worden terugbetaald als X niet aan haar betalingsverplichtingen kan voldoen. Als het debiteurenrisico dat DVL loopt ten aanzien van X zich manifesteert (X kan niet aan haar betalingsverplichtingen voldoen), zal DVL een beroep op M kunnen doen voor de terugbetaling van de lening. Hoewel DVL een eigen vermogen heeft van meer dan € 2 miljoen, is geen realistische mogelijkheid aanwezig dat dit eigen vermogen wordt aangetast als X niet aan haar betalingsverplichting kan voldoen. Door DVL worden derhalve geen reële risico’s gelopen.
Het bedrag van € 2.000.000 geldt per vennootschap. Indien een lichaam meerdere geldleningen verstrekt, dient ten aanzien van ieder van de geldleningen een evenredig deel van dit bedrag te worden aangehouden. Per geldlening dient een bedrag aan eigen vermogen te worden aangehouden dat gelijk is aan het laagste bedrag van de volgende bedragen:
a. 1% van de (afzonderlijke) geldlening, dan wel
b. een evenredig deel van € 2.000.000 ten opzichte van het totale bedrag aan geldleningen.
Dit wordt hierna toegelicht met een voorbeeld.Voorbeeld 3
De enige activiteit van een dienstverleningslichaam (DVL) bestaat uit het verstrekken van twee geldleningen: een geldlening van € 200 miljoen (lening 1) en een geldlening van € 300 miljoen (lening 2). Het eigen vermogen van DVL bedraagt € 2 miljoen. De ten aanzien van lening 1 gelopen risico’s zijn beperkt door een garantie van de moedermaatschappij van DVL (M) tot een bedrag van € 500.000. Omdat de in verband met lening 1 gelopen risico’s zijn beperkt tot € 500.000 terwijl die risico’s ten minste zouden moeten bedragen het laagste van a. 1% van € 200 miljoen, ofwel € 2 miljoen en b. 200/500 x € 2 miljoen, ofwel € 800.000, wordt niet voldoende eigen vermogen aangehouden ten aanzien van lening 1. Door DVL worden ten aanzien van lening 1 derhalve geen reële risico’s gelopen.
7. Competentie
Voor de competentie ten aanzien van dienstverleningslichamen zoals bedoeld in het onderhavige besluit wordt verwezen naar het Besluit Advance Pricing Agreements (APA’s); Advance Tax Rulings (ATR’s); Financiële dienstverleningsactiviteiten; Tussenhoudsters; Aanspreekpunt potentiële buitenlandse investeerders (APBI) en Rulings. Organisatie en competentieregeling van 11 augustus 2004, nr. DGB2004/1338M.
8. Inwerkingtreding
Dit besluit treedt in werking met ingang van heden.