Rechtenmedia.nl - Juridische Online Uitgeverij  Rechtennieuws.nl | Jure.nl | Maxius.nl | Parlis.nl | Rechtenforum.nl | JBmatch.nl | MijnWetten.nl | AdvocatenZoeken.nl | Rechtentotaal.nl
Leidraad FATCA (verbetering internationale naleving van belastingplicht en tenuitvoerlegging FATCA)
Bwb-id:
Officiele titel:
Citeertitel:
Soort regeling:
Wetsfamilies:
Eerst verantwoordelijk ministerie:

Geldigheidsdatum:
Ingangsdatum:
Inhoudsopgave
Inleiding
Flankerende regelgeving
Mondiale ontwikkeling
Leidraad
Lijst van afkortingen
Artikel 1. NL IGA
1.1.g
1.1.i
Voorbeelden
1.1.j
1.1.k
1.1.l
1.1.s
1.1.u
1.1.ee
1.1.jj
Artikel 2. NL IGA
2.2.a.4
2.2.a.5 en -6
2.2.a.5.B
Artikel 3. NL IGA
3.4
Artikel 4. NL IGA
4.1-b
4.1.c
4.1.d
4.1.e
4.7
Artikel 5. NL IGA
5.3
Bijlage I
I.A
I.B.3
I.C
II.A.3
II.B.3
II.C.3
II.D.3
II.D.4
III.B.1
IV.D.1.a
IV.D.3
IV.D.4
IV.D.3.a en -4.b en -c.1
IV.D.4.c.2
V.A
V.B.3
VI.A
VI.B.4
VI.B.4.e
VI.B.4.i
VI.B.5
VI.C
VI.C.1
VI.C.3
VI.C.4
VI.D.2
Bijlage II
I.E
III.A
III.B
Vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature

Juridisch advies nodig?
Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag
Geschiedenis

Geschiedenis-overzicht
Let op. Deze wet is vervallen op 21 januari 2016. U leest nu de tekst die gold op 20 januari 2016.

Leidraad FATCA (verbetering internationale naleving van belastingplicht en tenuitvoerlegging FATCA)

Leidraad met technische toelichting bij het op 18 december 2013 tussen Nederland en de Verenigde Staten gesloten verdrag tot verbetering van de internationale naleving van de belastingplicht en de tenuitvoerlegging van de FATCA
De Staatssecretaris van Financiën heeft het volgende besloten.
Dit besluit bevat een technische toelichting bij het op 18 december 2013 tussen Nederland en de Verenigde Staten gesloten verdrag tot verbetering van de internationale naleving van de belastingplicht en de tenuitvoerlegging van de FATCA. Het besluit geeft een nadere invulling aan de toepassing van de NL IGA en bevat antwoorden op in de praktijk gerezen vragen.
Inleiding
Op 18 december 2013 hebben Nederland en de Verenigde Staten (VS) een verdrag gesloten tot verbetering van de internationale naleving van de belastingplicht en de tenuitvoerlegging van de FATCA. 1 Deze zogenoemde Intergovernmental Agreement tussen Nederland en de VS (NL IGA) is op 3 juli 2014 aan de Staten-Generaal aangeboden ter goedkeuring. 2 Inmiddels ligt het goedkeuringswetsvoorstel in de Eerste Kamer, nadat het op 18 december 2014 is aanvaard in de Tweede Kamer.
De FATCA (Foreign Account Tax Compliance Act) is een Amerikaanse wet die financiële instellingen (FI’s) wereldwijd verplicht jaarlijks te rapporteren aan de Amerikaanse belastingdienst, de Internal Revenue Service (IRS), over rekeningen die personen, die belastingplichtig kunnen zijn in de VS, aanhouden buiten de VS. De Amerikaanse fiscale wetgeving verplicht ‘Amerikaanse personen’ (‘U.S. Persons’), waar ter wereld zij ook wonen, belastingaangifte te doen in de VS. De extraterritoriale werking van de FATCA was voor de Nederlandse regering aanleiding om de NL IGA te sluiten met de VS om die informatieverstrekking door FI’s van financiële gegevens tussen Nederland en de VS mogelijk en verplicht te maken. De NL IGA geldt ook voor de (FI’s op de) eilanden Bonaire, Sint Eustatius en Saba (BES-eilanden).
In de NL IGA zijn Nederland en de VS overeengekomen dat op wederkerige basis gegevens en inlichtingen over Amerikaanse respectievelijk Nederlandse belastingplichtigen door de Belastingdienst en de IRS zullen worden gerapporteerd. De Wet op de internationale bijstandsverlening bij de heffing van belastingen (WIB) en de Belastingwet BES bevatten bepalingen die strekken tot uitvoering van onder meer verdragen tot het verlenen van wederzijdse bijstand bij de heffing van belastingen. Beide wetten bevatten een delegatiegrondslag die het mogelijk maakt om in lagere regelgeving administratieplichtigen aan te wijzen die nader aan te wijzen gegevens en inlichtingen aan de Belastingdienst moeten verstrekken. Om de gegevensuitwisseling op grond van de NL IGA mogelijk te maken, worden in het Uitvoeringsbesluit internationale bijstandsverlening bij de heffing van belastingen (UB WIB) en het Uitvoeringsbesluit Belastingwet BES (UB Belastingwet BES) 3 de Nederlandse FI’s die worden omschreven in de NL IGA aangewezen als administratieplichtigen.
De NL IGA bevat twee Bijlagen. In Bijlage I zijn de door de Nederlandse FI’s toe te passen ‘due diligence-procedures’ opgenomen. Bijlage II bevat voor Nederland de soorten FI’s en productcategorieën die niet onder de rapportageverplichtingen van de NL IGA vallen.
De eerste automatische informatie-uitwisseling op basis van de NL IGA zal plaatsvinden in 2015 met betrekking tot de gegevens over 2014.
Flankerende regelgeving
Naast de NL IGA hebben Nederland en de VS in een briefwisseling praktische afspraken gemaakt over de interpretatie van enkele verdragsbepalingen. 4 In de NL IGA zelf wordt verwezen naar de Amerikaanse uitvoeringsregelingen (U.S. Treasury Regulations §1.1471 – §1.1474 Incorporating Temporary & Final Regulations published 06 March 2014. Hierna: Final Regulations). In deze Final Regulations zijn definities opgenomen die gunstiger kunnen zijn dan de definities in de NL IGA. Nederland kan bij de implementatie van de NL IGA gebruikmaken van deze definities in de Final Regulations en kan de Nederlandse FI’s het gebruik toestaan van die definities. 5 In artikel 21, derde lid, van het UB WIB en artikel 7b, derde lid, van het UB Belastingwet BES wordt uitwerking gegeven aan die mogelijkheid. Daarnaast zijn in het UB WIB en het UB Belastingwet BES de Nederlandse FI’s, genoemd in de NL IGA, aangewezen als administratieplichtigen en zijn daarin de aan te leveren gegevens en inlichtingen, genoemd in de NL IGA, aangewezen.
Mondiale ontwikkeling
Inmiddels heeft de OESO in samenwerking met de G20-landen een mondiale standaard voor de automatische uitwisseling van gegevens van financiële rekeningen ontwikkeld, die sterk lijkt op de standaard die is neergelegd in de NL IGA. Deze mondiale ‘Common Reporting Standard’ (CRS) gaat vergezeld van een uitgebreid commentaar (CRS-commentaar). 6 Een groep van 48 landen heeft afgesproken zo snel mogelijk aan de slag te zullen gaan met de CRS. De zogenoemde ‘early adopters-groep’ heeft op 29 oktober 2014 in Berlijn de ‘Multilateral Competent Authority Agreement on Automatic Exchange of Financial Account Information’ (MCAA) ondertekend. Dit is een verklaring tussen de landen, waaronder Nederland, om de CRS te gaan implementeren en onderling gegevens van financiële rekeningen automatisch te gaan uitwisselen vanaf september 2017. Deze kopgroep wordt uitgebreid met landen die de MCAA zullen tekenen voor uitwisseling vanaf september 2018. Daarnaast is de CRS overgenomen in EU-regelgeving door aanpassing van de Administratieve Bijstandsrichtlijn. 7
Leidraad
In de praktijk zijn vragen gerezen over de interpretatie van de NL IGA. Deze Leidraad beoogt in onderstaande toelichting die vragen te beantwoorden. Waar dit nuttig werd geacht, is verwezen naar de parlementaire behandeling van de NL IGA en de van toepassing zijnde flankerende regelgeving.
Daar waar de NL IGA en de Final Regulations geen duidelijkheid geven of waarbij een eenduidige interpretatie een meerwaarde heeft voor het begrip en de implementatie van zowel de FATCA als de CRS, wordt aangesloten bij het CRS-commentaar. Daarbij is ook gekeken of andere landen eenzelfde interpretatie volgen. Op deze manier wordt zo goed mogelijk een gelijk speelveld bewerkstelligd voor Nederlandse FI’s ten opzichte van FI’s in de verschillende FATCA-partnerstaten.
De nummering van de Leidraad verwijst naar het desbetreffende artikel van de NL IGA of naar het onderdeel van een van de Bijlagen van de NL IGA. Met het gebruik van het begrip ‘FI’ wordt bedoeld een in Nederland (met inbegrip van de BES-eilanden) gevestigde rapporterende FI, tenzij anders is aangegeven. Waar in deze Leidraad ‘Amerikaans(e) perso(o)n(en)’ staat geschreven, is bedoeld het begrip ‘Amerikaanse persoon’ (‘U.S. Person’) zoals omschreven in artikel 1, eerste lid, onderdeel ee, van de NL IGA. Waar in deze Leidraad sprake is van een ‘self-certification’-formulier is eveneens de digitale versie bedoeld.
BES-eilanden: Bonaire, Sint Eustatius en Saba
CRS: Common Reporting Standard
CRS-commentaar: het door de OESO opgestelde commentaar op de Common Reporting Standard
CSA: Credit Support Annex
CSD: Central Securities Depository
FATCA: Foreign Account Tax Compliance Act
Final Regulations: U.S. Treasury Regulations §1.1471 – §1.1474 Incorporating Temporary & Final Regulations published 06 March 2014
FI: een in Nederland (met inbegrip van de BES-eilanden) gevestigde rapporterende financiële instelling
GMSLA: Global Master Securities Lending Agreement
IRS: Internal Revenue Service (de Amerikaanse Belastingdienst)
ISDA: International Swaps and Derivatives Association
MCAA: Multilateral Competent Authority Agreement on Automatic Exchange of Financial Account Information
NFFE: Non-Financial Foreign Entity
NL IGA: Intergovernmental Agreement tussen Nederland en de VS
QI: Qualified Intermediary
UB WIB: Uitvoeringsbesluit internationale bijstandsverlening bij de heffing van belastingen
UB Belastingwet BES: Uitvoeringsbesluit Belastingwet BES
US TIN: US Tax Identification Number
VS: Verenigde Staten
Wbp: Wet bescherming persoonsgegevens
WIB: Wet op de internationale bijstandsverlening bij de heffing van belastingen
Wwft: Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme
Kwalificatie holding en treasury center als (lead) FI in plaats van NFFE
In §1.1471-5(e)(1)(v) van de Final Regulations wordt een entiteit die een holdingmaatschappij is of een treasury center, aangemerkt als een FI, mits deze deel uitmaakt van dezelfde uitgebreide groep van verbonden ondernemingen (‘Expanded Affiliated Group’) waartoe ten minste één FI behoort, of gevormd wordt dan wel gebruikt wordt door bepaalde beleggingsvehikels. Op grond van de onderdelen VI.B.4.e en h van Bijlage I van de NL IGA kwalificeert een dergelijke holdingmaatschapij of een dergelijk treasury center zich voor de toepassing van de NL IGA in beginsel echter als een actieve NFFE mits aan de daar genoemde vereisten is voldaan, en indien dat niet het geval is als een passieve NFFE. Elke holdingmaatschappij en elk treasury center kan de definitie van FI uit de Final Regulations hanteren om zo te opteren voor de status van FI in plaats van actieve of passieve NFFE, ondanks het feit dat die holdingmaatschappij of dat treasury center geen FI is volgens de NL IGA. Het gevolg van de keuze voor toepassing van de Final Regulations is dat zo’n holdingmaatschappij of treasury center zich moet registreren bij de ‘IRS registration portal’ en de relevante gegevens moet rapporteren aan de Belastingdienst.
Activiteitentoets voor een instelling die deposito’s neemt
Onder de uitdrukking ‘een instelling die deposito’s neemt’ wordt in de NL IGA verstaan een entiteit die deposito’s neemt in het kader van de normale uitoefening van het bankbedrijf of een daarmee vergelijkbaar bedrijf. De beoordeling of sprake is van een instelling die deposito’s neemt in het kader van de normale uitoefening van het bankbedrijf of een daarmee vergelijkbaar bedrijf wordt gedaan aan de hand van de daadwerkelijke activiteiten van die instelling en niet aan de hand van haar statuten.
Nemen van deposito’s
Voor de uitleg van de begrippen ‘deposito’s’ 8 en ‘bankbedrijf of een daarmee vergelijkbaar bedrijf’ 9 , kan een FI, gelet op artikel 2a, derde lid, van het UB WIB ervoor kiezen om gebruik te maken van de begripsomschrijvingen in de Final Regulations en de daarin opgenomen uitzonderingen. Dat kan voordelen hebben. Zo is in de Final Regulations voor bepaalde leasemaatschappijen een uitzondering opgenomen voor de kwalificatie van een ‘bankbedrijf of een daarmee vergelijkbaar bedrijf’. 10 Hiervan is sprake als de entiteit uitsluitend deposito’s neemt van personen als onderpand of zekerheid in het kader van een verkoop of lease van goederen of in het kader van een vergelijkbare financieringstransactie tussen de entiteit en de persoon die het deposito plaatst.
Aan de hand van enkele voorbeelden kan beoordeeld worden of sprake is van een entiteit die deposito’s neemt in het kader van de normale uitoefening van een bankbedrijf of een daarmee vergelijkbaar bedrijf en daarmee een FI wordt of juist niet:
? Een concern geeft een obligatielening uit via een Nederlandse BV. De gelden worden opgehaald buiten de groep en worden vervolgens aangewend om leningen te verstrekken aan verbonden lichamen binnen een niet-financiële groep. De uitgifte van de obligatielening wordt niet gezien als ‘het nemen van deposito’s’.
? Alle overtollige liquide middelen van de maatschappijen van een groep worden gestort bij een treasury center (cash pool). Er is sprake van ‘het nemen van deposito’s’ en daarmee is het treasury center een FI, tenzij het treasury center onderdeel is van een niet-financiële groep in de zin van §1.1471-5(e)(5)(i)(B) van de Final Regulations. In dat geval wordt het treasury center aangemerkt als een uitgezonderde NFFE volgens §1.1472-1(c)(1)(v) van de Final Regulations, en is dus op grond van onderdeel VI.B.4.i van Bijlage I een actieve NFFE voor de toepassing van de NL IGA.
? Een leasemaatschappij houdt zich uitsluitend bezig met lease aan derden. Zij verkrijgt ten behoeve van haar ondernemingsactiviteiten een niet-direct opeisbare lening van een groepsmaatschappij. Het verkrijgen van een (groeps)lening vormt op zichzelf nog geen depositorekening, zodat er geen sprake is van het nemen van een deposito. De leasemaatschappij is geen instelling die deposito’s neemt als zij uitsluitend deposito’s neemt als onderpand of zekerheid in het kader van een verkoop of lease van goederen of in het kader van een vergelijkbare financieringstransactie tussen de entiteit en de persoon die het deposito plaatst.
? Een entiteit binnen een niet-financiële groep verkrijgt een niet-direct opeisbare lening van een gelieerde entiteit en een banklening en leent deze bedragen door aan andere groepsmaatschappijen (back-to-back leningen binnen de groep). Ook hier worden niet-direct opeisbare leningen verkregen en is geen sprake van ‘het nemen van deposito’s’.
? Een schadeverzekeringsmaatschappij of een bewaarder van een fonds voor gemene rekening verkrijgt een onderpand in geld (‘cash collateral’) in het kader van bijvoorbeeld een GMSLA, een ISDA-swapovereenkomst, een CSA, een clearingovereenkomst in verband met de clearing van derivaten of een futures-overeenkomst. Het geld wordt bijgeschreven op een bankrekening van een instelling die deposito’s neemt en vormt bij deze instelling een depositorekening, die onderzocht, geïdentificeerd en eventueel gerapporteerd dient te worden. De schadeverzekeringsmaatschappij of de bewaarder van een fonds voor gemene rekening wordt zelf geen instelling die deposito’s neemt, als het verkrijgen van onderpand in geld voor hen de enige deposito-activiteit is en het niet verwordt tot het regelmatig verkrijgen daarvan in de normale bedrijfsuitoefening van een bankbedrijf of daarmee vergelijkbaar bedrijf.
Activiteitentoets voor een beleggingsentiteit
In artikel 1, eerste lid, onderdeel j, van de NL IGA is aangegeven dat een entiteit die in het kader van de bedrijfsuitoefening voor of namens een cliënt een of meer van de in dat onderdeel vermelde activiteiten uitvoert, wordt beschouwd als een beleggingsentiteit. Als een beleggings-BV met een directeur-grootaandeelhouder als enige aandeelhouder in aandelen belegt, dan is geen sprake van een cliëntrelatie tussen de besloten vennootschap en de directeur-grootaandeelhouder, zodat de vennootschap geen beleggingsentiteit is. Indien echter de beleggingswerkzaamheden worden uitgevoerd door een professionele derde partij, dan is wel sprake van een cliëntrelatie tussen die derde partij en de vennootschap of de directeur-grootaandeelhouder. In dat geval is die professionele derde partij een beleggingsentiteit; in de systematiek van de NL IGA is de beleggings-BV zelf daardoor ook een beleggingsentiteit.
Een vennootschap die meer dan één aandeelhouder heeft en die de in artikel 1, eerste lid, onderdeel j, van de NL IGA vermelde activiteiten uitvoert is een beleggingsentiteit, ongeacht of zij zelf belegt of dat laat doen door een professionele derde partij.
Met betrekking tot de term ‘uitvoeren in het kader van de bedrijfsuitoefening’ is in §1.1471-5(e)(4)(i)(A) van de Final Regulations aangegeven dat sprake is van een beleggingsentiteit indien de bedrijfsuitoefening overwegend (‘primarily’) bestaat uit de beleggingsactiviteiten zoals die ook staan vermeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel j, van de NL IGA. Dit betekent volgens §1.1471-5(e)(4)(iii)(A) van de Final Regulations dat pas van een beleggingsentiteit kan worden gesproken als voldaan wordt aan een inkomenstoets die inhoudt dat het bruto-inkomen uit beleggingsactiviteiten ten minste 50% van het totale bruto-inkomen moet bedragen gedurende:
een periode van drie jaren eindigend op 31 december van het jaar voorafgaand aan het jaar waarin de beoordeling plaatsvindt; of
de periode van bestaan van de entiteit indien deze korter is dan die drie jaren.
Gelet op artikel 4, zevende lid, van de NL IGA en artikel 2a, derde lid, van het UB WIB staat het een FI vrij om te kiezen voor de definitie van ‘investment entity’ uit de Final Regulations. Als een FI dat doet, kiest zij voor integrale toepassing van de definitie van ‘investment entity’ zoals omschreven in §1.1471-5(e)(4), zodat conform §1.1471-5(e)(4)(i)(B) van de definitie, zij eerder een beleggingsentiteit is als haar activiteiten gemanaged worden door een andere beleggingsentiteit, een instelling die deposito’s neemt, een bewaarinstelling zoals bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel h, van de NL IGA, of een verzekeringsmaatschappij of holdingmaatschappij zoals omschreven in §1.1471-5(e)(1)(iv) van de Final Regulations, en de gemanagede beleggingsentiteit voldoet aan de inkomenstoets van §1.1471-5(e)(4)(iv)(A).
De definitie van beleggingsentiteit in de Final Regulations ziet ook op het begrip ‘financial assets’ dat in de NL IGA niet voorkomt maar wel is gedefinieerd in §1.1471-5(e)(4)(ii) en waartoe onroerende zaken niet behoren. Entiteiten die rechtstreeks onroerende zaken houden, zijn daarom alleen een beleggingsentiteit volgens de Final Regulations als is voldaan aan de inkomenstoets van §1.1471-5(e)(4)(iii) voor een self-managing entiteit of §1.1471-5(e)(4)(iv)(A) voor een gemanagede entiteit. Dit betekent dat het bruto-inkomen uit beleggingsactiviteiten (exclusief bruto-inkomsten uit (her)investering en handel in onroerende zaken) ten minste 50% van het totale bruto-inkomen van de entiteit moet bedragen gedurende:
een periode van drie jaren eindigend op 31 december van het jaar voorafgaand aan het jaar waarin de beoordeling plaatsvindt; of
de periode van bestaan van de entiteit indien deze korter is dan die drie jaren.
Entiteiten waarvan de activa bestaan uit kasgeld of beleggingen – of een holdingmaatschappij daarvan –, met een (zeer) beperkte groep van onmiddellijke en middellijke aandeelhouders of participanten die behoren tot één familie, die zich niet presenteren als beleggingsentiteit en die geen kapitaal uit de markt hebben aangetrokken noch (zullen) aantrekken, zijn geen beleggingsentiteit in de zin van artikel 1, eerste lid, onderdeel j, van de NL IGA, ook niet als de activa gemanaged worden door een FI. Een dergelijke entiteit – of een holdingmaatschappij daarvan – wordt aangemerkt als passieve NFFE.
Onder het toepassingsbereik van artikel 1, eerste lid, onderdeel j, van de NL IGA vallen collectieve beleggingsinstellingen, private equity funds, hedge funds, mutual funds, exchange traded funds, venture capital funds, leveraged buyout funds en vergelijkbare beleggingsentiteiten. Dit geldt ook voor een special purpose vehicle in een securitisatiestructuur of in een Collateral Loan Obligations/Collatoral Debt Obligations-structuur, voor treasury centers binnen een groep van FI’s, fiscale beleggingsinstellingen (tenzij deze op grond van de Final Regulations in verband met het houden van onroerende zaken geen FI zijn), vrijgestelde beleggingsinstellingen, unit-linked fondsen en holdingmaatschappijen als onderdeel van een private equity-structuur.
Een holdingmaatschappij als onderdeel van een private equity- of andere beleggingsstructuur is echter geen beleggingsentiteit maar een passieve NFFE, indien alle aandelen onmiddellijk en middellijk gehouden worden door het private equity- of ander beleggingsfonds zelf. Op het niveau van (het) fonds(en) wordt immers al gerapporteerd.
Een holdingmaatschappij die als actieve NFFE kan worden aangemerkt op grond van onderdeel VI.B.4 van Bijlage I van de NL IGA, behoudt die kwalificatie ook als die holdingmaatschappij gemanaged wordt door een (werknemer van een) trustkantoor dat een FI is.
Verzekeringsmaatschappij
In artikel 1, eerste lid, onderdeel k, van de NL IGA wordt ‘omschreven verzekeringsmaatschappij’ (‘Specified Insurance Company’) gedefinieerd als een entiteit die een verzekeringsmaatschappij (of de houdstermaatschappij van een verzekeringsmaatschappij) is en die een kapitaalverzekering of een lijfrenteverzekering aanbiedt of die verplicht is tot het betalen van uitkeringen uit hoofde van een kapitaalverzekering of lijfrenteverzekering. Voor de nadere invulling van het begrip ‘verzekeringsmaatschappij’ wordt aangesloten bij de Final Regulations. 11 Er is sprake van een verzekeringsmaatschappij als een entiteit of juridische overeenkomst (‘legal arrangement’):
onder toezicht staat als een verzekeringsbedrijf volgens de wetten, de voorschriften, of de praktijk van de staat waarin de verzekeringsmaatschappij actief is;
meer bruto-inkomen (bijvoorbeeld brutopremies en brutobeleggingsinkomen) uit verzekeringen, herverzekeringen en lijfrenteverzekeringen in het voorafgaande kalenderjaar heeft verkregen dan 50% van het totale bruto-inkomen voor dat jaar; of
op elk moment gedurende het voorafgaande kalenderjaar aan totale waarde van de activa toegerekend aan verzekeringen, herverzekeringen, en lijfrenteverzekeringen meer bezit dan 50% van de totale activa op elk moment gedurende dat jaar.
Levensverzekeringsmaatschappijen zullen in het algemeen beschouwd worden als een omschreven verzekeringsmaatschappij. Entiteiten die geen kapitaalverzekeringen of lijfrenteverzekeringen afsluiten of die niet verplicht zijn om betalingen in verband daarmee te doen, zoals de meeste schadeverzekeringsmaatschappijen, holdingmaatschappijen van verzekeringsmaatschappijen, en tussenpersonen, zullen geen omschreven verzekeringsmaatschappij zijn. 12 Het enkele feit dat een verzekeringsmaatschappij voorzieningen treft, bestempelen die verzekeringsmaatschappij niet tot een entiteit die deposito’s neemt, een bewaarentiteit of een beleggingsentiteit. 13
Een verzekeringsbedrijf dat onder toezicht staat van De Nederlandsche Bank N.V. en niet voldoet aan de kwalificatie van ‘omschreven verzekeringsmaatschappij’ (een schadeverzekeringsmaatschappij) is een actieve NFFE.
Dubbel inwonerschap van een FI
Een FI kan inwoner zijn voor belastingdoeleinden in meerdere jurisdicties. De nationale wet van een jurisdictie bepaalt wanneer sprake is van fiscaal inwonerschap. Ingevolge het Memorandum of Understanding van de NL IGA 14 wordt op grond van de criteria in artikel 4 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen beoordeeld of een FI inwoner is van Nederland en daarmee onder het toepassingsbereik van de NL IGA valt of niet. De vestigingsplaatsfictie van artikel 2, vierde lid, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 is hierbij niet van toepassing. Voor een Nederlands filiaal van een buitenlandse bank geldt dat het in Nederland aan de FATCA-verplichtingen moet voldoen.
Voor een FI zal op grond van artikel 4 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen bepaald worden waar de feitelijke leiding van die FI zich bevindt.
Als regel kan daarbij betekenis toegekend worden aan onder andere de volgende omstandigheden:
de plaats waar de kernbeslissingen en commerciële besluiten worden genomen die nodig zijn voor het voeren van het bedrijf;
de plaatsen waar bestuurders werken en vergaderen;
de plaats waar de administratie wordt bijgehouden en de jaarrekening wordt opgemaakt;
het land waar de FI onder toezicht staat dan wel een bankvergunning heeft;
de plaatsen waar aandeelhouders wonen en/of vergaderen;
de inschrijving in het handelsregister;
het oprichtingsrecht van het lichaam.
In een andere jurisdictie kunnen (ook) andere criteria dan de plaats van feitelijke leiding gehanteerd worden, bijvoorbeeld als een FI is opgericht naar het recht van die jurisdictie. 15 Daardoor kan er sprake zijn van dubbel inwonerschap van de FI en ontstaat de vraag onder welke IGA een FI valt en aan de belastingdienst van welk land de FI moet rapporteren. Bij dubbel inwonerschap dient de FI de FATCA-informatie te rapporteren aan de belastingdienst van het land waarin de FI de financiële rekeningen aanhoudt. 16 Dit is het land waar toezicht wordt gehouden op het verlenen van die dienst.
‘Regelmatig verhandeld’
In artikel 1, eerste lid, onderdeel s, slotalinea, van de NL IGA is het begrip ‘regelmatig verhandeld’ gedefinieerd. Hiervan is sprake indien er voortdurend een betekenisvol volume van effecten wordt verhandeld op een erkende effectenbeurs.
Onder een erkende effectenbeurs wordt verstaan een beurs die officieel erkend wordt en onder toezicht staat van een erkende toezichthouder, zoals de AFM of een andere overheidsinstantie van de jurisdictie waarin de beurs gevestigd is, en waar jaarlijks een betekenisvolle waarde aan aandelen wordt verhandeld. Onder een erkende effectenbeurs valt onder meer de NYSE Euronext Amsterdam, maar ook het Euronext Fund Services platform waar aandelen of participaties van open-end fondsen worden verhandeld, ondanks dat de aandelen of participaties niet rechtstreeks, maar via een open-end fonds worden verhandeld.
In de Final Regulations is aangegeven dat van regelmatig verhandelbare effecten in een kalenderjaar sprake is indien een of meer categorieën van effecten van een entiteit gedurende het afgelopen kalenderjaar genoteerd stonden aan een erkende beurs en deze categorieën van effecten meer dan 50% van de totale stemrechten en van de totale waarde van de aandelen vertegenwoordigen. Ten aanzien van elke categorie van effecten die meer dan 50% van de totale stemrechten en de totale waarde van de aandelen vertegenwoordigt geldt bovendien de eis dat:
1. handel van deze categorieën plaatsvindt op ten minste 60 dagen in het voorafgaande kalenderjaar aan een of meer erkende effectenbeurzen, en
2. het totale aantal van de verhandelde effecten in deze categorieën in dat voorafgaande kalenderjaar ten minste 10 procent bedraagt van het totale aantal uitstaande aandelen in deze categorieën gedurende dat jaar. 17
Voor de toepassing van de NL IGA mag worden aangesloten bij de hierboven weergegeven benaderingswijze in de Final Regulations.
Swapovereenkomst en securities lending-overeenkomst geen ‘debt interest’ in beleggingsentiteit
Een ISDA-swapovereenkomst of een GMSLA vormt geen financiële rekening voor een beleggingsentiteit. De vordering die voortvloeit uit deze raamovereenkomsten is niet aan te merken als vordering (‘debt interest’) op een beleggingsentiteit, omdat de vordering geen betrekking heeft op het belegde vermogen of de beleggingsresultaten van de beleggingsentiteit. Ook dient een ‘debt interest’ te worden uitgegeven door het fonds, waarvan in deze gevallen geen sprake is.
Uitzonderingen op het begrip ‘financiële rekening’ (‘Financial Account’)
Nederland kan op grond van artikel 4, zevende lid, van de NL IGA het gebruik toestaan van een begripsomschrijving uit de Final Regulations in plaats van de overeenkomende definitie in de NL IGA, mits de toepassing daarvan niet ten koste gaat van de doelstelling van de NL IGA. Hiervan is gebruik gemaakt door in het UB WIB op te nemen dat het een FI is toegestaan om in plaats van de begripsomschrijving in de NL IGA gebruik te maken van de overeenkomstige begripsomschrijving in de Final Regulations. 18
In de NL IGA is het begrip ‘financiële rekening’ (‘Financial Account’) gedefinieerd in artikel 1, eerste lid, onderdeel s, van de NL IGA. De definitie van het begrip ‘Financial Account’ in §1.1471-5(b) van de Final Regulations bevat echter volgens §1.1471-5(b)(2) een aantal uitzonderingen dat niet is opgenomen in de gebruikte definitie in de NL IGA. FI’s mogen in aanvulling op de in de NL IGA gebruikte definitie van het begrip ‘financiële rekening’ en in aanvulling op de in Bijlage II, onderdeel III, van de NL IGA opgenomen uitgezonderde producten, een beroep doen op de uitzonderingen die onderdeel zijn van het begrip ‘Financial Account’ uit de Final Regulations, mits voldaan wordt aan de daarin genoemde vereisten. Een integrale keuze voor de definitie uit de Final Regulations is in dit specifieke geval niet nodig. Dit betekent dat een FI geen onderzoek, identificatie en rapportage hoeft te verrichten ten aanzien van deze producten. Het gaat dan om bepaalde soorten (fiscaal gefaciliteerde) spaarrekeningen al dan niet voor pensioendoeleinden, bepaalde levensverzekeringsovereenkomsten tot de verzekerde de leeftijd van 90 jaar heeft bereikt, rekeningen die behoren tot een nalatenschap, bepaalde escrow rekeningen (waaronder bepaalde escrow-rekeningen in verband met lease), en bepaalde lijfrenteverzekeringen voor pensioendoeleinden (zie ook onderdeel III van Bijlage II, Vrijgestelde verzekeringsproducten en rechtsvoorgangers).
Onderpandrekening
In artikel 1, eerste lid, onderdeel u, van de NL IGA wordt gedefinieerd wat wordt verstaan onder ‘een beleggingsrekening’. Het betreft een rekening die gehouden wordt ten gunste van een derde die een financieel instrument of een overeenkomst inzake rechten van deelneming houdt, bijvoorbeeld aandelen of belangen in een onderneming, waardepapieren, obligaties of andere schuldbewijzen. De definitie van beleggingsrekening ziet op alle rekeningen die ten gunste van derden worden gehouden, ook op het houden van onderpand (‘collateral account’) voor een ander, tenzij het gaat om geld als onderpand. Onderpand in de vorm van geld vormt namelijk een depositorekening (zie artikel 1, eerste lid, onderdeel t, van de NL IGA). De exacte voorwaarden van de overeenkomst zijn bepalend voor de vraag of sprake is van onderpand of niet. Als de FI als uitlenende partij bij een securities lending-transactie zelf de juridische eigendom van het onderpand heeft verkregen, dan vormt het verkregen collateral geen beleggingsrekening bij de FI zelf. Door de verkrijging van de juridische eigendom is er immers geen sprake van het houden ten gunste van een derde. Dit geldt ook voor vergelijkbaar cash collateral verkregen in het kader van bijvoorbeeld een GMSLA, een ISDA-swapovereenkomst, een CSA, een clearingovereenkomst in verband met de clearing van derivaten of een futures-overeenkomst.
Het begrip ‘Amerikaans persoon’ in relatie tot Amerikaanse territoria
In artikel 1, eerste lid, onderdeel ee, van de NL IGA wordt het begrip ‘Amerikaans persoon’ (‘U.S. Person’) gedefinieerd. Een natuurlijk persoon die geboren is in een van de Amerikaanse territoria is Amerikaans staatsburger en dus een Amerikaans persoon, met uitzondering van personen geboren op de Noordelijke Marianen voor 4 november 1986 of van personen geboren op Amerikaans Samoa. De Amerikaanse territoria zijn gedefinieerd in artikel 1, eerste lid, onderdeel b, van de NL IGA. Ook een natuurlijk persoon die niet geboren is in de Amerikaanse territoria maar daar wel inwoner is en een green card heeft, is een Amerikaans persoon. Een natuurlijk persoon die niet geboren is in de Amerikaanse territoria, daar inwoner is, maar geen green card heeft, is echter geen Amerikaans persoon. Een entiteit is een Amerikaans persoon als deze is opgericht (‘incorporated’) naar het recht van de VS. Een entiteit die is opgericht naar het recht van een van de Amerikaanse territoria is geen Amerikaans persoon.
Nadere uitleg van het begrip ‘vermogen’
In artikel 1, eerste lid, onderdeel jj, van de NL IGA wordt de uitdrukking ‘gelieerde entiteit’ nader verklaard. Er is sprake van een gelieerde entiteit indien een van de entiteiten de andere beheerst of indien beide entiteiten dezelfde aandeelhouder hebben. Onder aandeelhouderschap wordt mede verstaan de directe of indirecte eigendom van meer dan 50% van het stemrecht of het vermogen/belang (‘value’) in een entiteit. Als sprake is van een lichaam met een in aandelen verdeeld kapitaal wordt onder ‘vermogen’ in dit verband verstaan het geplaatste en volgestorte aandelenkapitaal. In de Final Regulations wordt aangegeven dat sprake is van eenzelfde aandeelhouder indien de ene vennootschap met een in aandelen verdeeld kapitaal (‘corporation’) in de andere vennootschap met een in aandelen verdeeld kapitaal de directe of indirecte eigendom van meer dan 50% van het stemrecht en het vermogen/belang bezit. 19 FI’s kunnen deze definitie ook gebruiken, waardoor de grootte van de groep van gelieerde entiteiten wordt verkleind.
Saldo van opgeheven rekening tijdens het jaar
In artikel 2, tweede lid, onderdeel a, onder 4, van de NL IGA is bepaald dat voor rekeningen die worden opgeheven tijdens het kalenderjaar de FI het saldo van de rekening onmiddellijk vóór de opheffing dient te rapporteren in de reguliere jaarrapportage. Dit saldo dient gesteld te worden op het laatste saldo niet zijnde nihil, tenzij in het voorgaande jaar het saldo nihil was.
Verduidelijking van het begrip ‘rente’
Op grond van artikel 2, tweede lid, onderdeel a, onder 5 en 6, van de NL IGA moet een FI ter zake van een beleggingsrekening en een depositorekening het totale brutobedrag aan rente rapporteren dat is gestort of bijgeschreven op de rekening gedurende het kalenderjaar of een andere relevante periode waarover gerapporteerd dient te worden. Voor het rentebegrip wordt aangesloten bij het rentebegrip in de Nederlandse belastingwetgeving en dus niet bij de definitie van het rentebegrip in de spaarrenterichtlijn. Onder de FATCA gelden derhalve geen andere rentedefinities dan in de door de Belastingdienst opgestelde renseigneringshandleidingen.
Bijzondere uitleg voor het begrip ‘bruto-opbrengsten’ in relatie tot clearingorganisaties
De Final Regulations kennen een speciale regel voor een clearingorganisatie die aankopen en verkopen op nettobasis uitvoert van bijvoorbeeld termijncontracten. In dat geval zijn de ‘totale bruto-opbrengsten’ van de verkoop, terugbetaling of afkoop van vermogensbestanddelen beperkt tot de nettobedragen, betaald of bijgeschreven op een rekening op grond van de settlement-procedures van clearingorganisaties. 20 Op grond van vorenstaande mogen clearingorganisaties voor het begrip ‘totale bruto-opbrengsten’ ‘nettobedragen’ hanteren.
3.4
Geldigheidsduur van het ‘self certification’-formulier en de W8- en W9-formulieren
Voor de toepassing van de FATCA-identificatie van een bestaande klant of een persoon die klant wil worden, zijn het voor de Nederlandse markt ontwikkelde ‘self certification’-formulier en de Amerikaanse W8- en W9-formulieren voor onbepaalde tijd geldig, mits deze formulieren een US Tax Identification Number (US TIN) bevatten als dit op basis van de kwalificatie van de rekeninghouder vereist is. Bovendien mag een FI geen aanleiding hebben om aan te nemen dat sprake is van gewijzigde omstandigheden. W8- en W9-formulieren waarin geen US TIN is opgenomen terwijl dit op basis van de kwalificatie van de rekeninghouder wel vereist is, zijn geldig tot 1 januari 2017.
Als het gaat om een bestaande rekening en de FI het US TIN van deze persoon niet heeft, dan is tot 1 januari 2017 het ‘self certification’-formulier geldig als het is voorzien van de geboortedatum van deze Amerikaanse persoon. Na 1 januari 2017 dient elk ‘self certification’-formulier van een Amerikaans belastingplichtige voorzien te zijn van een US TIN, ook wanneer daarin al – in plaats van een US TIN – een geboortedatum was opgenomen. Zie artikel 3, vierde lid, en artikel 6, vierde lid, van de NL IGA. 21
Invulling van het begrip ‘betalingen’
In artikel 4, eerste lid, onderdeel b, van de NL IGA staat de verplichting voor FI’s om over de jaren 2015 en 2016 de naam van elke niet-participerende financiële instelling 22 waaraan de FI betalingen heeft gedaan te rapporteren, alsmede het totale bedrag van betalingen gedaan aan elke niet-participerende financiële instelling. Het begrip ‘betalingen’ omvat in principe elke betaling van Amerikaans FDAP-inkomen (Fixed, Determinable, Annual, Periodical income). Vanwege de uitgebreidheid van dit begrip en de beperkte jaren waarover rapportage nodig is, is met de VS besproken dat de te rapporteren gegevens over betalingen aan niet-participerende financiële instellingen voor toepassing van artikel 4, eerste lid, onderdeel b, van de NL IGA, dezelfde gegevens zijn als genoemd in artikel 2, tweede lid, onderdeel a, subonderdelen 4 tot en met 7, van de NL IGA.
Hierdoor hoeft een FI, onafhankelijk van de vorm van verleende dienstverlening, dus geen betalingen aan niet-participerende financiële instellingen meer te rapporteren, maar is het voldoende dat de gegevens die een FI normaliter over een te rapporteren rekeninghouder zou moeten rapporteren ook rapporteert ten aanzien van de rekeningen die een niet-participerende financiële instelling bij de FI aanhoudt. In het geval van een verzekeringsmaatschappij leidt dit niet tot rapportage over de uitkering aan een begunstigde die een rekening aanhoudt bij een niet-participerende financiële instelling. De FI dient per jaar het totale bedrag aan waarden en inkomen per elke niet-participerende financiële instelling te rapporteren.
(Geen) registratieplicht voor niet-rapporterende financiële instellingen
Artikel 4, eerste lid, onderdeel c, van de NL IGA bepaalt dat FI’s zich moeten registreren bij de ‘IRS registration portal’. Deze verplichting geldt niet voor niet-rapporterende FI’s die van rapportage zijn uitgezonderd op grond van artikel 1, eerste lid, onderdeel q, van de NL IGA tenzij de FI:
opteert voor de status van Qualified Intermediary, Withholding Foreign Partnership of Withholding Foreign Trust, of
optreedt als een ‘sponsoring entity’ of een ‘lead FI’ voor een of meer verbonden entiteit(en), of
beschreven is in de NL IGA als niet-rapporterend maar wel (op een gegeven moment) een Amerikaanse te rapporteren rekening heeft, als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel cc, van de NL IGA. Het gaat dan om de in onderdeel II.A.1 van Bijlage II van de NL IGA opgenomen FI met een lokaal cliëntenbestand.
Het ‘sponsoring regime’ uit de Final Regulations kan ook worden toegepast in de Nederlandse situatie.
Geen wettelijke basis voor inhouding door Primary Withholding Qualified Intermediary (QI)
Artikel 4, eerste lid, onderdeel d, van de NL IGA bepaalt dat een FI die besloten heeft de primaire inhoudingsplicht te aanvaarden (‘Primary Withholding QI’) op grond van Hoofdstuk 3 van de Internal Revenue Code, of die een Withholding Foreign Partnership of Withholding Foreign Trust is, 30% bronbelasting moet inhouden op elke uit de VS afkomstige en aan inhouding onderworpen betaling aan een niet-participerende financiële instelling. De in dit artikel voorgeschreven inhouding vloeit voort uit de aangepaste QI-agreement met de IRS, die op de website van de IRS is gepubliceerd.
Verplichtingen van FI’s die geen Primary Withholding Qualified Intermediary zijn
Artikel 4, eerste lid, onderdeel e, van de NL IGA bepaalt dat als een FI een betaling doet of optreedt als tussenpersoon voor uit de VS afkomstige en aan inhouding onderworpen betalingen aan een niet-participerende financiële instelling, deze FI de benodigde informatie dient te verstrekken aan de rechtstreekse betaler van deze betaling (‘withholding agent’), die dan op grond van die informatie de bronbelasting kan inhouden en kan rapporteren over de betaling aan de niet-participerende financiële instelling. De vraag rees wat deze bepaling in samenhang met artikel 5, derde lid, van de NL IGA betekent voor een Central Securities Depository (CSD). Tevens werd gevraagd hoe de inhouding van bronbelasting zou moeten lopen als betalingen worden gedaan aan een FI die niet optreedt als Primary Withholding QI.
Leden van de CSD in Nederland – Euroclear Nederland – zijn in principe zelf verantwoordelijk voor rapportage aan de Belastingdienst over Amerikaanse personen voor stukken gehouden door Euroclear Nederland. Euroclear Nederland hoeft dus als CSD niet te rapporteren ten aanzien van deze stukken. Op grond van artikel 5, derde lid, van de NL IGA mag Euroclear Nederland echter wel als externe dienstverlener rapporteren ten behoeve van de leden of de FI’s die toegang hebben tot Euroclear Nederland. De verantwoordelijkheid voor de verplichtingen uit het verdrag, zoals gesteld in artikel 5, derde lid, van de NL IGA, blijft liggen bij de FI’s.
Voor leden van Euroclear Nederland die niet optreden als Primary Withholding QI en waarvoor Euroclear Nederland de rapportageverplichting jegens de Belastingdienst op grond van artikel 5, derde lid, van de NL IGA, heeft overgenomen, blijft ingevolge artikel 4, eerste lid, onderdeel e, van de NL IGA in principe de verplichting bestaan om FATCA-informatie aan de withholding agent over te leggen. Artikel 5, derde lid, van de NL IGA maakt het echter mogelijk dat Euroclear Nederland ook deze rapportageverplichting aan de withholding agent, overneemt. De uiteindelijke verantwoordelijkheid voor rapportage onder artikel 4, eerste lid, onderdeel e, van de NL IGA blijft dan eveneens bij de leden of FI’s die toegang tot Euroclear Nederland hebben en niet optreden als Primary Withholding QI.
4.7
Bestaande klant met nieuwe rekening
Op grond van artikel 4, zevende lid, van de NL IGA is het mogelijk om een gunstigere definitie uit de Final Regulations te hanteren. Dit kan gelden voor de definitie van ‘bestaande rekening’ waarbij een nieuwe rekening die geopend wordt door een bestaande klant, onder voorwaarden nog steeds aangemerkt mag worden als bestaande rekening. 23 Het kan voorkomen dat een bestaande rekening van een bestaande klant op enig moment door gewijzigde omstandigheden een Amerikaanse indicatie heeft. Op grond van de due diligence-procedures wordt van de FI verwacht dat deze een ‘self-certification’-formulier uitreikt aan deze klant. Als de klant het ‘self-certification’-formulier niet ingevuld terugstuurt en dus geen gebruik maakt van de mogelijkheid van tegenbewijs, is sprake van een Amerikaanse te rapporteren rekening. Indien de bestaande klant vervolgens een nieuwe rekening opent, hoeft niet opnieuw een ‘self-certification’-formulier te worden uitgereikt. Er is immers niet sprake van een nieuwe klant. De nieuwe rekening wordt dan ook gerapporteerd.
5.3
Externe dienstverleners
Artikel 5, derde lid, van de NL IGA stelt dat aan FI’s kan worden toegestaan om gebruik te maken van externe dienstverleners om te voldoen aan de verplichtingen zoals opgenomen in de NL IGA, maar dat de FI’s verantwoordelijk blijven voor deze verplichtingen.
Verzekeringsmaatschappijen kunnen dus vertrouwen op de klantidentificatie volgens de in Bijlage I van de NL IGA genoemde procedures die door tussenpersonen wordt gedaan, maar blijven wel verantwoordelijk daarvoor.
Gevolgen geen self-certification opgevraagd door een externe dienstverlener
Als een externe dienstverlener aan wie de klantidentificatie is uitbesteed in de praktijk geen ‘self-certification’-formulier heeft opgevraagd waar dat wel nodig is, hetzij omdat de FI daar niet de opdracht toe heeft gegeven, hetzij omdat deze externe dienstverlener die opdracht niet heeft uitgevoerd, dan wordt de FI indien sprake is van een bestaande rekening aangemerkt als non-compliant, tenzij het ‘self-certification’-formulier alsnog wordt opgevraagd, hetzij door de dienstverlener, hetzij door de FI. Als sprake is van een nieuwe rekening wordt de FI aangemerkt als non-compliant, tenzij de externe dienstverlener of de FI zelf het ingevulde ‘self-certification’-formulier alsnog binnen 90 dagen na opening van de nieuwe rekening of na het sluiten van de verzekering heeft verkregen, dan wel de pas geopende rekening of afgesloten verzekering heeft gesloten of geannuleerd indien het ‘self-certification’-formulier niet binnen die termijn is verkregen.
I.A
Klantidentificatie bij meerdere (sub)fondsen
Een beleggingsfonds kan bestaan uit meer subfondsen (zelfstandige FI’s). Participanten kunnen in een of meerdere subfondsen deelnemen. Vermogensbeheerders maken vaak gebruik van eenzelfde derde partij, zoals de transfer agent, voor de identificatie van nieuwe klanten. Een dergelijke derde partij hoeft per klant slechts eenmaal het klantidentificatieproces te verrichten als die klant participeert in die subfondsen die beheerd worden door dezelfde vermogensbeheerder. Bestaande klanten die participeren in het ene subfonds en toetreden tot het andere subfonds hoeven dan niet opnieuw het klantidentificatieproces te ondergaan (invullen van een ‘self-certification’-formulier). Het bovenstaande is eveneens van toepassing op fondsen met eenzelfde vermogensbeheerder of waarvan de vermogensbeheerder de klantidentificatie heeft uitbesteed aan dezelfde derde partij.
Waardering van verzekeringspolissen met een geldswaarde
Met inachtneming van de uitzondering opgenomen in onderdeel II.A.3 van Bijlage I moet over de waarde van verzekeringspolissen en niet-gefaciliteerde lijfrenten gerapporteerd worden per de laatste dag van een kalenderjaar of van een andere relevante periode van rapportage. Hiervoor dient de waarde in het economische verkeer te worden genomen, waarbij voor de berekening daarvan de uitgangspunten gelden zoals opgenomen in de geldende versie van de Handleiding renseignering levensverzekeringen.
Datum drempelvrijstelling
Onderdeel I. B.3 van Bijlage I bepaalt dat het saldo of de waarde van een rekening in verband met de drempelvrijstelling bepaald wordt per 30 juni 2014, of per de laatste dag van de rapportageperiode die eindigt voor 30 juni 2014. Voor het jaar 2014 kunnen FI’s in plaats van de waarde per 30 juni 2014 ook de waarde nemen per de laatste dag van het laatste boekjaar dat eindigt voor 30 juni 2014. De datum die de FI kiest, geldt voor alle rekeningen binnen de business units van de FI.
I.C
Gunstigere identificatieprocedures uit de Final Regulations
FI’s kunnen ervoor kiezen om bij de identificatie van rekeningen op grond van onderdeel I.C van Bijlage I de Final Regulations toe te passen. Indien die keuze gemaakt wordt voor het identificeren van nieuwe rekeningen van individuele personen, betekent dit dat de FI eerst bewijsstukken opvraagt waaruit het vaste adres van de rekeninghouder/natuurlijk persoon blijkt of het land waarvan de rekeninghouder/natuurlijk persoon inwoner of burger is, dan wel waarin de rekeninghouder/entiteit gevestigd is of naar het recht van welk land de rekeninghouder/entiteit is opgericht. 24 Ook moet voldaan worden aan de ‘reason to know test’ 25 , op grond waarvan de FI mogelijk niet meer kan vertrouwen op de juistheid van de bewijsstukken als sprake is van een van de Amerikaanse indicatoren genoemd in onderdeel II.B.1 van Bijlage I. In dat geval dient de FI een ‘self-certification’-formulier uit te reiken aan de nieuwe rekeninghouder om diens FATCA-status vast te stellen. De toepassing van de Final Regulations leidt er dan toe dat de FI de bewijsstukken in het kader van de normale procedures voor het openen van een rekening op grond van de Wwft kan opvragen, en vervolgens pas een ‘self-certification’-formulier vraagt van de rekeninghouders als een Amerikaanse indicator is gevonden die daar aanleiding toe geeft. Indien de FI geen ‘self-certification’-formulier terugontvangt binnen 90 dagen nadat een Amerikaanse indicator is gevonden, dient de rekening alsnog gerapporteerd te worden.
Uitleg van het begrip ‘rapportage of inhouding’
Onderdeel II.A.3 van Bijlage I bepaalt dat een FI geen bestaande kapitaal- of lijfrenteverzekering hoeft te onderzoeken, identificeren en rapporteren als de FI niet beschikt over de vereiste registratie naar Amerikaans recht om zulke verzekeringen aan te bieden aan inwoners van de VS, en er tevens sprake is van rapportage van of inhouding over zulke verzekeringen indien die gehouden worden door inwoners van Nederland. Levensverzekeringen die vallen in box 3 en als zodanig gerenseigneerd worden aan de Belastingdienst, of levensverzekeringen en vergelijkbare (bancaire) producten waarop inhouding van loonheffing dient plaats te vinden in geval van (een) eenmalige of periodieke uitkering(en), voldoen aan het rapportage- of inhoudingsvereiste genoemd in onderdeel II.A.3 van Bijlage I. Het is niet vereist dat het alleen gaat om levensverzekeringen en (bancaire) producten die in het kader van de binnenlandse renseignering in box 1 vallen, om te voldoen aan de uitzondering genoemd in onderdeel II.A.3 van Bijlage I.
Altijd bieden van tegenbewijsmogelijkheid aan de rekeninghouder
In onderdeel II.B.3 van Bijlage I is aangegeven dat als een FI ten aanzien van een bestaande rekening van een natuurlijk persoon een of meer Amerikaanse indicatoren vindt naar aanleiding van het elektronische onderzoek of als gevolg van gewijzigde omstandigheden, de FI de rekening moet behandelen als een Amerikaanse te rapporteren rekening, tenzij de FI besluit om onderdeel II.B.4 van Bijlage I toe te passen en een van de daar genoemde uitzonderingen van toepassing is. Volgens artikel 11 van de Wbp mogen persoonsgegevens door de FI slechts worden verwerkt voor zover zij, gelet op de doeleinden waarvoor zij worden verzameld of vervolgens worden verwerkt, toereikend, ter zake dienend en niet bovenmatig zijn. Daarnaast moet de FI de nodige maatregelen treffen opdat persoonsgegevens juist en nauwkeurig zijn gelet op de doeleinden waarvoor zij worden verzameld of vervolgens worden verwerkt.
Gelet op artikel 11 Wbp wordt van de FI verwacht dat deze – ondanks dat onderdeel II.B.3 van Bijlage I dat niet vereist – altijd de procedure van onderdeel II.B.4 van Bijlage I toepast en de rekeninghouder ten minste de gelegenheid geeft om indien sprake is van een of meer Amerikaanse indicatoren, de in onderdeel II.B.4 van Bijlage I genoemde vormen van tegenbewijs te verschaffen. Het bovenstaande geldt ook ten aanzien van onderdeel II.C.2 van Bijlage I voor lagewaarderekeningen en de onderdelen II.D.5.b en II.E.4 van Bijlage I voor hogewaarderekeningen van natuurlijke personen, alsmede voor onderdeel IV.D.1.b van Bijlage I voor bestaande rekeningen van entiteiten waar een Amerikaanse indicator is gevonden en de FI niet redelijkerwijze kan vaststellen dat de rekeninghouder geen omschreven Amerikaanse persoon is op grond van informatie waar zij over beschikt of die publiekelijk beschikbaar is.
Het bovenstaande is niet van toepassing in geval van slapende rekeningen, omdat in dat geval bij voorbaat vaststaat dat de rekeninghouder niet reageert. Van een slapende rekening is sprake als:
er geen activiteit van de rekeninghouder op de rekening in de afgelopen drie jaar is geweest;
de rekeninghouder in de afgelopen zes jaar geen contact heeft opgenomen over de rekening of andere rekeningen gehouden bij de FI; en
de rekening niet is gelinkt aan een niet-slapende rekening van dezelfde rekeninghouder.
Overleden rekeninghouder
Als een rekeninghouder overlijdt hoeft de rekening niet gerapporteerd te worden in het jaar van overlijden als de rekening of de verzekeringsovereenkomst behoort tot een nog niet afgewikkelde nalatenschap. Dat hoeft ook niet in de daarop volgend jaren als de nalatenschap nog niet is afgewikkeld. Vereist is wel dat de FI beschikt over een kopie van de akte van overlijden, een kopie van het testament of een verklaring van erfrecht. Het moment van overlijden wordt voor toepassing van deze bepaling gelijkgesteld met het moment waarop de FI voor het eerst bekend wordt met het overlijden van de rekeninghouder. Pas na verdeling van de nalatenschap en als de rekening niet is opgeheven zullen de due diligence-procedures weer van toepassing zijn. Zo kan beoordeeld worden of de rekening opnieuw een te rapporteren rekening is.
Leeg veld in elektronische database
Als de FI een elektronisch systeem heeft waarin alle informatie die beschreven is in onderdeel II.D.3 van Bijlage I is opgenomen, dan is een onderzoek in de papieren dossiers niet vereist. Dit betekent dus dat de elektronische database van de FI over velden beschikt die de informatie genoemd in onderdeel II.D.3 van Bijlage I kan bevatten en waarin elektronisch gezocht kan worden. Indien als gevolg van het beleid en de procedures van de FI een leeg veld betekent dat de FI niet over die informatie beschikt in zijn elektronische systeem of in het ‘customer master file’ dat de primaire dossiers van de FI over de rekeninghouder bevat, dan hoeft de FI geen onderzoek te doen in de papieren dossiers. 26 Deze uitzondering op het onderzoek in de papieren dossiers is echter niet van toepassing wanneer een veld simpelweg leeg gelaten is.
Begrip ‘relatiemanager’
Het kan voorkomen dat verzekeringsmaatschappijen gebruik maken van makelaars met wie zij contracten aangaan of die zij in dienst nemen om cliëntrelaties te onderhouden. Deze makelaars zijn niet werkzaam bij de entiteit die de verzekeringspolissen beheert, maar kunnen wel werkzaam zijn bij een gelieerde entiteit. Een dergelijke makelaar is niet aan te merken als een relatiemanager. Voor de invulling van het begrip relatiemanager wordt aangesloten bij de punten 39 en 40 van subparagraaf C(4) van sectie III van het CRS-commentaar.
US TIN opvragen bij self-certification
Onderdeel III.B.1 van Bijlage I bepaalt dat in het geval van een nieuwe rekening die geopend wordt op of na 1 juli 2014 de FI een ‘self-certification’-formulier met daarin een US TIN moet verkrijgen. Het is in die situatie niet voldoende dat het ‘self-certification’-formulier tot 1 januari 2017 een geboortedatum bevat in plaats van een US TIN. In geval van het openen van een nieuwe rekening bestaat de mogelijkheid om een US TIN in te vullen. Artikel 3, vierde lid, van de NL IGA bepaalt dat tot 1 januari 2017 het voldoende is om een geboortedatum op te geven als het US TIN niet in het dossier van de FI voorhanden is. Dit artikel ziet echter alleen op bestaande rekeningen voor 1 juli 2014 en niet op nieuwe rekeningen.
Gevolgen als FI geen ingevuld ‘self-certification’-formulier verkrijgt
Onderdeel III.B.1 vereist dat een FI bij de opening van een nieuwe rekening van een natuurlijk persoon een ingevuld ‘self-certification’-formulier van haar rekeninghouder verkrijgt om vast te stellen of de rekeninghouder staatsburger of fiscaal inwoner is van de VS of niet. Als de FI binnen 90 dagen na het openen van de rekening of het afsluiten van de verzekering nog geen ingevuld ‘self-certification’-formulier heeft verkregen op grond waarvan is vast te stellen of de rekening gerapporteerd moet worden of niet, dan dient de FI de nieuwe rekening te sluiten of de verzekering te annuleren.
Twee indicatoren voor identificatie van bestaande rekeningen van entiteiten als Amerikaanse persoon
Onderdeel IV.D.1.a van Bijlage I bepaalt dat voor de vraag of een entiteit kan worden aangemerkt als een te rapporteren Amerikaanse persoon, de FI moet controleren of de bestaande rekeninghouder die een entiteit is, gevestigd is in dan wel is opgericht (‘incorporated’) naar het recht van de VS of een adres heeft in de VS. De FI hoeft niet andere indicatoren zoals genoemd in onderdeel II.B.1 van Bijlage I te onderzoeken.
Rekening houden met Bijlage II-status in FATCA-partnerstaat (identificatie van rekeninghouders met buitenlandse vrijgestelde status)
Op grond van onderdeel IV.D.3 van Bijlage I dient elke FI te onderzoeken wat de FATCA-status is van een bestaande rekeninghouder die een entiteit is. Als een dergelijke rekeninghouder een FI is die onder het toepassingsbereik van een IGA van een andere FATCA partnerjurisdictie valt (vanwege de vestigingsplaats, het recht van oprichting, of het adres), dan kan de FI deze rekeninghouder als een FATCA partner FI identificeren. Als de desbetreffende FATCA partner FI vrijgesteld is op grond van Bijlage II van die IGA, dan volgt de FI die kwalificatie.
Als de rekeninghouder echter in een ander land gevestigd is zonder dat een IGA van toepassing is, en de rekeninghouder als FI vrijgesteld is op grond van de Final Regulations (als ‘Exempt Beneficial Owner’, ‘Registered Deemed Compliant’, of ’Certified Deemed Compliant’), dan dient de FI die (vrijgestelde) kwalificatie te hanteren mits de rekeninghouder de daarvoor benodigde bewijsstukken kan overleggen.
Direct Reporting NFFE
Volgens de Final Regulations is een Direct Reporting NFFE een ‘Excepted NFFE’. 27 Een Direct Reporting NFFE krijgt na registratie ook een GIIN. Een in Nederland gevestigde passieve NFFE die tevens een Direct Reporting NFFE is, wordt voor de toepassing van de NL IGA niet gekwalificeerd als een actieve NFFE in de zin van onderdeel VI.B.4.i van Bijlage I. Voor de toepassing van onderdeel IV.D.4 van Bijlage I dient een FI de voorgeschreven klantidentificatieregels toe te passen voor een in Nederland gevestigde passieve NFFE ook al is die een Direct Reporting NFFE. Indien de rekeninghouder een niet in Nederland gevestigde passieve NFFE is die tevens een Direct Reporting NFFE is, dan hoeft de FI geen gegevens van de personen met zeggenschap te identificeren en te rapporteren. De informatie over de in het buitenland gevestigde Direct Reporting NFFE wordt direct door dat lichaam aan de IRS gerapporteerd.
Identificatie passieve NFFE (‘presumption rule’)
Voor de identificatie van een rekeninghouder kan de FI eerst op grond van publiekelijk beschikbare informatie vaststellen of sprake is van een FI of van een actieve NFFE. Indien dit op grond van de beschikbare informatie niet is vast te stellen, dient de FI aan de rekeninghouder een ‘self-certification’-formulier toe te zenden. Indien de rekeninghouder na herhaaldelijk verzoek zijn ‘self-certification’-formulier niet terugstuurt aan de FI, dan wordt de rekeninghouder geacht een passieve NFFE te zijn en dient de FI de rekeninghouder als zodanig te kwalificeren, de uiteindelijk belanghebbende(n) (‘Controlling Persons’) te identificeren aan de hand van onderdeel IV.D.4.c.1 van Bijlage I van de NL IGA en de vereiste gegevens te rapporteren als een uiteindelijk belanghebbende een Amerikaanse persoon is.
Uiteindelijk belanghebbende van een passieve NFFE met saldo of waarde hoger dan US $ 1.000.000
Als een FI een rekeninghouder heeft die een entiteit is, moet de FI vaststellen of de entiteit een actieve of passieve NFFE is en of de uiteindelijk belanghebbenden Amerikaanse personen zijn. De FI mag in geval van een bestaande rekening met een saldo of waarde van meer dan US $ 1.000.000 van een passieve NFFE, vertrouwen op een verklaring van de rekeninghouder of diens uiteindelijk belanghebbende(n) (‘Controlling Person(s)’) over diens wel of niet te rapporteren Amerikaanse uiteindelijk belanghebbenden. Als de passieve NFFE of de uiteindelijk belanghebbende na herhaaldelijk verzoek daartoe geen verklaring stuurt aan de FI, dan dient de FI indien sprake is van een Amerikaanse indicatie de rekening te rapporteren als een Amerikaanse te rapporteren rekening. De FI zal de rekeninghouder daarover informeren voordat de gegevens gerapporteerd worden aan de Belastingdienst.
V.A
‘Qualified credit card issuers’
Volgens onderdeel V.A van Bijlage I hoeft een creditcardrekening of een doorlopend-kredietfaciliteit die wordt behandeld als een nieuwe rekening van een entiteit, niet te worden gecontroleerd, geïdentificeerd of gerapporteerd, mits de rapporterende FI die een dergelijke rekening beheert, beleid en procedures implementeert om te voorkomen dat het saldo verschuldigd aan de rekeninghouder hoger wordt dan US $ 50.000. Op grond van artikel 1, eerste lid, onderdeel q, van de NL IGA kunnen naast de werking van onderdeel V.A van Bijlage I eveneens bepaalde creditcardbedrijven in aanmerking komen als niet-rapporterende FI, omdat bepaalde creditcardbedrijven (‘Qualified credit card issuers’) in §1.1471-5(f)(1)(i)(E) van de Final Regulations gekwalificeerd kunnen worden als ‘Registered deemed-compliant FFI’. 28
De Final Regulations bevatten in §1.1471-5(f)1(i)(E) twee cumulatieve vereisten voor het zijn van een Qualified Credit Card Issuer. Het moet ten eerste gaan om een FI die uitsluitend als zodanig wordt aangemerkt omdat ze credit cards (diensten) aanbiedt, en die alleen deposito’s accepteert als de klant een betaling verricht hoger dan het verschuldigde rekeningsaldo en dit surplus niet onmiddellijk terugstort aan de rekeninghouder.
Het tweede vereiste houdt in dat het beleid en de procedures van de FI erop gericht zijn dat wordt voorkomen dat het saldo van een rekening boven de US $ 50.000 uit kan komen, of dat het surplus boven de US $ 50.000 binnen 60 dagen (na het moment waarop het saldo boven de US $ 50.000 uitkomt) wordt teruggestort aan de rekeninghouder. Aan het tweede vereiste wordt ook voldaan als alleen het surplus boven de US $ 50.000 wordt teruggestort, voor zover dit surplus nog aanwezig is na 60 dagen vanaf het moment dat het saldo voor het eerst boven de US $ 50.000 uitkomt.
Gevolgen als een FI geen ingevuld ‘self certification’-formulier ontvangt
Onderdeel V.B.3 van Bijlage I vereist dat een FI bij de opening van een nieuwe rekening van een entiteit een ingevuld ‘self certification’-formulier van haar rekeninghouder verkrijgt om vast te stellen wat de status is van de entiteit en haar uiteindelijke belanghebbenden, als de FI niet kan vertrouwen op publiekelijk beschikbare informatie, een GIIN of informatie die de FI al in zijn bezit heeft.
Als de FI binnen 90 dagen na het openen van de rekening nog geen ingevuld ‘self-certification’-formulier heeft verkregen op grond waarvan is vast te stellen of de rekening gerapporteerd moet worden of niet, dan dient de FI de nieuwe rekening te sluiten.
Uitleg van het begrip ‘aanleiding om aan te nemen dat’
Een FI mag zich niet baseren op verklaringen of bewijsstukken indien haar bekend is of er aanleiding is om aan te nemen dat deze verklaringen of bewijsstukken onjuist of onbetrouwbaar zijn. Het begrip ‘aanleiding om aan te nemen dat’ is een vertaling van het begrip ‘reason to know’. Voor de invulling van dit begrip wordt aangesloten bij de punten 2 tot en met 9 van paragraaf A van sectie VII van het CRS-commentaar betreffende speciale due diligence-regels. Punt 10 van paragraaf A van sectie VII van dat commentaar is niet van toepassing, omdat de VS ook uitgaat van Amerikaans staatsburgerschap. Indien er sprake is van een of meer Amerikaanse indicatoren vormt dit mogelijk een aanleiding om aan te nemen dat de eerdere verklaringen of bewijsstukken onjuist of onbetrouwbaar zijn. Dit zal afhangen van de aard van de indicator en de reparatiemogelijkheden daarvan.
Vertrouwen op de kwalificatie van overgenomen rekeningen
Als een FI rekeningen van een andere in Nederland of in het buitenland gevestigde rapporterende FI overneemt in het kader van een fusie, overname of (af)splitsing, dan kan die FI vertrouwen op de FATCA-kwalificatie van de overgenomen rekeningen die de gefuseerde, overgenomen of (af) te splitsen instelling heeft toegekend.
Het bovenstaande kan alleen indien is voldaan aan de volgende voorwaarden:
1. de overgenomen FI of de (af) te splitsen FI heeft de FATCA-kwalificatie aan de overgenomen rekeningen toegekend op basis van de geldende klantidentificatieregels;
2. de overnemende FI of (af)gesplitste FI beschikt over alle relevante documentatie van de overgenomen FI of de (af) te splitsen FI in het kader van de fusie, overname of (af)splitsing;
3. de overnemende FI of (af)gesplitste FI identificeert opnieuw een klant indien er aanleiding is om aan te nemen dat de betrokken bewijsstukken onjuist of onbetrouwbaar zijn (‘reason to know’); en
4. bij veranderende omstandigheden worden de due diligence-procedures opnieuw gevolgd.
Gedeeld rekeningsysteem
Een FI mag vertrouwen op documentatie die door een rekeninghouder is overgelegd bij een ander filiaal van dezelfde FI of bij een filiaal van een gelieerde entiteit binnen de groep als:
de FI alle rekeningen waar documentatie voor wordt gedeeld, behandelt als geconsolideerde rekeningen; en
de FI en het andere filiaal van de FI of van een gelieerde entiteit binnen de groep, een al dan niet elektronisch informatiesysteem delen dat voldoet aan de onderstaande voorwaarden.
Een gedeeld rekeningsysteem moet het voor de FI mogelijk maken om gemakkelijk informatie te vinden over de aard van de documentatie, de informatie die deel uitmaakt van de documentatie (inclusief een kopie van de documentatie zelf) en de geldigheid van de documentatie. Het systeem moet het ook mogelijk maken om gemakkelijk informatie op te slaan als de FI op de hoogte raakt van enig feit dat invloed kan hebben op de betrouwbaarheid van die documentatie. Bovendien moet de FI kunnen aantonen op welke wijze en wanneer zij informatie over dergelijke feiten in het systeem heeft ingevoerd en moet zij kunnen laten zien dat alle informatie die zij in het systeem heeft ingevoerd is verwerkt en dat de geldigheid van de documentatie onderworpen is aan voldoende onderzoek.
Een FI die ervoor kiest om te vertrouwen op de kwalificatie van de rekeninghouder in het gedeelde rekeningsysteem zonder zelf kopieën van de documentatie ter onderbouwing van die kwalificatie te verkrijgen en te onderzoeken, moet op verzoek van de Belastingdienst alle documentatie kunnen overleggen die van belang is voor die kwalificatie (of aantekeningen van de onderzochte bewijsstukken als de FI in het kader van AML-regelgeving niet verplicht is om kopieën te bewaren).
NFFE met intentie om een FI te worden
In onderdeel VI.B.4 van Bijlage I is aangegeven welke entiteiten zich onder welke omstandigheden kunnen kwalificeren als een actieve NFFE. Het kan voorkomen dat een entiteit voldoet aan alle vereisten van een van de in onderdeel VI.B.4 van Bijlage I omschreven soorten actieve NFFE’s ten tijde van het invullen van het ‘self-certification’ formulier, maar dat op dat moment tevens het voornemen aanwezig is om een FI te worden. In dat geval dient de entiteit in het ‘self-certification’ formulier gekwalificeerd te worden als een actieve NFFE. Op het moment dat de entiteit een FI is geworden, dient zij dat onverwijld als een wijziging van omstandigheden te melden aan de FI waarbij de entiteit een rekening aanhoudt, met als doel dat de FI de kwalificatie van de entiteit kan wijzigen. Tevens ontstaat voor de entiteit die een FI is geworden de verplichting tot onderzoek, identificatie en rapportage van Amerikaanse personen, tenzij een vrijstelling daarvoor van toepassing is.
Uitleg van het begrip ‘een wezenlijk deel van de activiteiten’
In onderdeel VI.B.4 van Bijlage I is opgenomen aan welke criteria een actieve niet-Amerikaanse entiteit die geen buitenlandse FI is, moet voldoen om als actieve NFFE te worden aangemerkt. Een van de criteria – opgenomen onder letter e – is dat een wezenlijk deel van de activiteiten van de NFFE bestaat uit het (geheel of gedeeltelijk) aanhouden van de geplaatste aandelen in, of het verstrekken van financiering of diensten aan (…). In dit verband betekent een ‘wezenlijk deel’ van de activiteiten dat 80% of meer van de activiteiten van de NFFE moet bestaan uit de onder letter e omschreven activiteiten van de NFFE. Als de holdingactiviteiten en/of het verschaffen van financiering of diensten van de NFFE aan (klein)dochterondernemingen minder dan 80% inhouden, maar de NFFE wel actief inkomen verkrijgt uit andere bron(nen), dan kan de NFFE toch gekwalificeerd worden als actieve NFFE mits de totale activiteiten voldoen aan de ‘wezenlijk deel’-toets. Om te bepalen of andere activiteiten dan holding- of financieringsactiviteiten de NFFE kunnen aanmerken als actief, moet de toets van onderdeel VI.B.4.a van Bijlage I worden toegepast. Als een NFFE bijvoorbeeld holdingactiviteiten verricht en/of financiering en diensten verstrekt voor 60% en tegelijkertijd voor 40% functioneert als een groepsdistributiecentrum en de inkomsten daaruit actief zijn ingevolge onderdeel VI.B.4.a van Bijlage I, dan is er sprake van een actieve NFFE ongeacht dat minder dan 80% van de activiteiten bestaat uit holdingactiviteiten en/of het verstrekken van financiering en diensten aan een of meer (klein)dochtermaatschappijen. 29
Treasury center binnen een niet-financiële groep
Onderdeel VI.B.4.i van Bijlage I kwalificeert een uitgezonderde NFFE zoals beschreven in de Final Regulations als een actieve NFFE. In §1.1472-1(c)(1)(v) van de Final Regulations worden onder meer een holdingmaatschappij en een treasury center binnen een niet-financiële groep in de zin van §1.1471-5(e)(5)(i)(B) aangemerkt als een uitgezonderde NFFE, en dus een actieve NFFE voor de toepassing van de NL IGA.
Bestaande rekeningen
Voor beleggingsverzekeringen die zijn afgesloten voor 30 juni 2014 en waarop na die datum aanpassingen worden gedaan aan lopende beleggingsverzekeringen of nabetalingen worden verricht op beëindigde beleggingsverzekeringen, geldt dat die afgesloten beleggingsverzekeringen zich blijven kwalificeren als bestaande rekeningen. Aanpassingen of nabetalingen laten de eventueel van toepassing zijnde uitzondering van onderdeel II.A.3 van Bijlage I onverlet, tenzij het karakter van de beleggingsverzekering zodanig verandert dat deze niet meer onder de uitzondering valt omdat niet meer aan de voorwaarden wordt voldaan.
Toepassing aggregatieregels
In onderdeel VI.C van Bijlage I staan de voorschriften voor de aggregatie van saldi en omrekening van valuta’s. Hierna worden de aggregatieregels toegepast op enkele specifieke situaties.
Verschillende rekeningen met eenzelfde nummer
Het kan voorkomen dat een FI verschillende bedragen heeft uitstaan op verschillende soorten rekeningen zoals een spaar- en een beleggingsrekening maar met één en hetzelfde rekeningnummer. In dat geval zullen beide bedragen samengeteld moeten worden, omdat onderdeel VI.C.1 van Bijlage I geen onderscheid maakt naar het type financiële rekening. Als op hetzelfde rekeningnummer een spaarsaldo van US $ 30.000 staat en tevens een beleggingssaldo van US $ 40.000, dan zullen beide rekeningen (via het productlabel) gerapporteerd moeten worden.
Bijzondere aggregatieregel voor relatiemanagers
Onderdeel II.D.4 van Bijlage I vereist dat naast het onderzoek van elektronische en papieren dossiers voor bestaande rekeningen van natuurlijke personen ook de relatiemanager geraadpleegd wordt als sprake is van een hogewaarderekening van boven de US $ 1.000.000 (met inbegrip van eventueel daarmee geaggregeerde rekeningen) die is ondergebracht bij de relatiemanager. Als de relatiemanager beschikt over feitelijke kennis dat de rekeninghouder een Amerikaanse persoon is, dan is de hogewaarderekening (met inbegrip van daarmee geaggregeerde rekeningen) een te rapporteren rekening.
Op grond van onderdeel VI.C.3 van Bijlage I geldt een bijzondere aggregatieregel voor relatiemanagers voor de vaststelling of een financiële rekening een hogewaarderekening is of niet. Deze regel houdt in dat de FI verplicht is om de saldi van financiële rekeningen samen te tellen als de relatiemanager weet of aanleiding heeft om te weten dat die rekeningen (in)direct in het bezit zijn van, of worden beheerd of zijn geopend door dezelfde persoon (anders dan als gevolmachtigde).
Het bovenstaande leidt ertoe dat eerst de regel van onderdeel VI.C.3 van Bijlage I moet worden toegepast voordat de regel van onderdeel II.D.4 van Bijlage I kan worden toegepast, met als gevolg dat de relatiemanager geraadpleegd moet worden als deze weet of aanleiding heeft om te weten dat een rekeninghouder bij een FI een beleggingsrekening aanhoudt van US $ 800.000 en een depositorekening van US $ 400.000. 30
Omrekening van valuta’s
Volgens onderdeel VI.C.4 van Bijlage I moet voor het omrekenen van de rekeningbedragen naar een andere valuta dan de Amerikaanse dollar de wisselkoers van 31 december van het voorgaande kalenderjaar genomen worden. Onderdeel I.B.3. van Bijlage I bepaalt voor de rapportage dat bij een van het kalenderjaar afwijkend boekjaar niet het saldo van een rekening aan het einde van het kalenderjaar genomen wordt, maar het saldo aan het einde van een ‘andere relevante periode waarover gerapporteerd dient te worden’. In het laatste geval moet de omrekenkoers op de laatste dag van die andere periode gebruikt worden.
Rijbewijs kan geldig gedocumenteerd bewijsstuk zijn
In onderdeel VI.D van Bijlage I wordt voor de toepassing van de NL IGA aangegeven aan welke aanvaardbare bewijsstukken gedacht kan worden. Voor natuurlijke personen valt een geldig identiteitsbewijs onder de aanvaardbare bewijsstukken als dat is afgegeven door een bevoegd overheidsorgaan en daarop de naam van de natuurlijke persoon staat. Voor het cliëntonderzoek dat FI’s moeten uitvoeren op grond van de Wwft kan een rijbewijs gelden als identiteitsbewijs. Voorwaarde is dat sprake is van een geldig Nederlands rijbewijs dan wel een geldig rijbewijs dat is afgegeven door het daartoe bevoegde gezag in een andere EU-lidstaat en voorzien is van een pasfoto en de naam van de houder. 31
Voor de toepassing van de due diligence-procedures in bijlage I wordt aangesloten bij deze bepalingen. Dat betekent dat voor personen uit Nederland en de EU-lidstaten een geldig rijbewijs voorzien van foto en naam van de houder voldoet als gedocumenteerd bewijsstuk. Voor personen uit landen buiten de EU volstaat een rijbewijs niet als geldig identiteitsbewijs. Die personen zullen zich moeten identificeren met een geldig paspoort.
I.E
Vrijgestelde beleggingsentiteit waarvan de aandelen of participaties volledig in handen zijn van vrijgestelde begunstigden
Onderdeel I.E van Bijlage II voorziet in een vrijstelling van rapportage als elke directe houder van een aandelenbelang in de beleggingsentiteit een vrijgestelde begunstigde is en elke directe houder van een schuldvordering in de beleggingsentiteit hetzij een instelling is die deposito’s neemt (ter zake van een lening aan de beleggingsentiteit) hetzij een vrijgestelde begunstigde is. Voor de toepassing van deze vrijstelling geldt dat elke houder gevestigd is in Nederland en vrijgestelde begunstigde is volgens de NL IGA, of in een andere FATCA partnerstaat gevestigd is en de status van vrijgestelde begunstigde heeft volgens de IGA van die FATCA partnerstaat, of in een niet-FATCA partnerstaat gevestigd is en vrijgestelde begunstigde is volgens de Final Regulations.
Vrijgestelde groepspensioencontracten
Artikel 4, zevende lid, van de NL IGA maakt het mogelijk dat gekozen wordt voor de toepassing van een gunstigere definitie in de Final Regulations ten opzichte van een vergelijkbare definitie in de NL IGA. Groepsverzekeringscontracten en groepslijfrentepolissen kunnen op grond van §1.1471-4(c)(4)(iii) van de Final Regulations onder bepaalde voorwaarden zijn uitgezonderd van het begrip financiële rekening. Groepspensioencontracten die zijn vrijgesteld in onderdeel III.A van Bijlage II hoeven echter niet te voldoen aan de voorwaarden genoemd in §1.1471-4(c)(4)(iii) van de Final Regulations, omdat die groepspensioencontracten al zijn uitgezonderd op grond van onderdeel III.A van Bijlage II.
Vrijgestelde verzekeringsproducten en rechtsvoorgangers
In onderdeel III van Bijlage II wordt aangegeven welke categorieën rekeningen en producten geopend in Nederland en beheerd door een FI niet worden behandeld als financiële rekeningen en daarom geen Amerikaanse te rapporteren rekeningen zijn. Voor de definities van de verzekeringsproducten wordt verwezen naar de geldende versie van de Handleiding renseignering levensverzekeringen.
In onderdeel III.B van Bijlage II staat een aantal vervallen artikelen. Ten aanzien van de rekeningen en producten in deze artikelen is in de memorie van toelichting bij de NL IGA opgenomen dat deze producten door overgangsrecht als zodanig blijven bestaan, waardoor uitsluiting van rapportage aan de VS in Bijlage II nodig blijft.
Ook de verzekeringsproducten die rechtsvoorgangers zijn van de verzekeringsproducten die zijn opgenomen in onderdeel III.A.3 en III.B.2 van Bijlage II vallen onder deze vrijstelling. Het betreft hier alle producten die aftrekbaar zijn in de opbouwfase en belastbaar zijn in de fase van uitkering waarop de artikelen 3.124, 3.125 en 3.126a van de Wet inkomstenbelasting 2001 van toepassing zijn.
Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 januari 2015.
Dit besluit wordt in de Staatscourant gepubliceerd.
Den Haag, 12 januari 2015
De 1
Trb. 2014, 22 en 128. 2
Kamerstukken II 2013/14, 33 985 . 3
Besluit van 15 december 2014, Stb. 544. 4
Bijlage bij de Kamerstukken II 2013/14, 33 985, nr. 3. 5
Artikel 4, zevende lid, van de NL IGA. 6
http://www.oecd-ilibrary.org/taxation/standard-for-automatic-exchange-of-financial-account-information-in-tax-matters/commentaries-on-the-common-reporting-standard_9789264216525-7-en. 7
Richtlijn 2014/107 /EU van de Raad van 9 december 2014 tot wijziging van Richtlijn 2011/16 /EU wat betreft verplichte automatische uitwisseling van inlichtingen op belastinggebied (PB L 359/1). 8
Zie §1.1471-5 (b)(1)(i) jo §1.1471-5 (b)(3)(i). 9
Zie §1.1471-5(e)(1)(i) en (2)(i). 10
Zie §1.1471-5(e)(2)(ii). 11
§1.1471-1 (b)(65) en §1.1471- 5(e)(1) (iv). 12
Zie het CRS-commentaar op sectie VIII, paragraaf A, punt 28. 13
§1.1471-5 (e)(6) en het CRS-commentaar op sectie VIII, paragraaf A, punt 29. 14
Kamerstukken II 2013/14, 33 985, Bijlage bij nr. 3. 15
Zie bijvoorbeeld de Britse Guidance Notes van HM Revenue & Customs van augustus 2014, paragraaf 2.2. 16
Zie ook het CRS-commentaar op sectie VIII, paragraaf A, punt 5. 17
Zie §1.1472-1 (c) (1) (i) (A). 18
UB WIB, artikel 2a, derde lid. 19
Zie §1.1471-5 (i) (4) (i). 20
Zie §1.1473-1(a)(3)(i)C. 21
Zie ook de onderdelen II.C.2, II.D.5.b, II.E.4 en 5, III.B.1, IV.D.1.b, IV.D.3.c.1, IV.D.4.b, en IV.D.4.c.2 van Bijlage I. 22
Een niet-participerende financiële instelling rapporteert niet en kan ook buiten Nederland gevestigd zijn. Zo’n instelling is daarmee te onderscheiden van een FI die wel in Nederland is gevestigd en gegevens rapporteert. 23
Zie §1.1471-1(b)(104)(ii). 24
Zie §1.1471-4(c)(4)(i) jo -1.1471-3(c)(5)(i) jo 1.1471-3(c)(6)(ii) en -(ii)(C). 25
Zie §1.1471-4(c)(4)(i) jo -1.1471-4(c)(2)(ii)(A) jo 1.1471-3 (e)(4)(iv)(A). 26
Zie ook het CRS-commentaar op sectie I, subparagraaf C – F, punt 26 jo. sectie III, subparagraaf C(2) en (3), punt 35. 27
Zie §1.1472-1(c)(1)(vi) jo §1.1472-1(c)(3). 28
Zie voor het begrip ‘Registered deemed-compliant FFI’ §1.1471-5 (f)(1). 29
Zie ook het CRS commentaar op Sectie VIII, paragraaf D, punt 130. 30
Zie ook het CRS-commentaar op sectie III, subparagraaf C(4), punten 41 en 42 en op Sectie VII, paragraaf C, punt 16. 31
Zie artikel 11 van de Wwft jo. artikel 4 van de Uitvoeringsregeling Wwft.
Staatssecretaris
Lid van het managementteam Belastingdienst