Rechtenmedia.nl - Juridische Online Uitgeverij  Rechtennieuws.nl | Jure.nl | Maxius.nl | Parlis.nl | Rechtenforum.nl | JBmatch.nl | MijnWetten.nl | AdvocatenZoeken.nl | Rechtentotaal.nl
Invoerings- en aanpassingswet Wet op het financieel toezicht
Bwb-id:
Officiele titel:
Citeertitel:
Ook bekend als:
Soort regeling:
Wetsfamilies:
Eerst verantwoordelijk ministerie:

Geldigheidsdatum:
Ingangsdatum:
Inhoudsopgave
+ Hoofdstuk 1. Overgangsmaatregelen
+ Hoofdstuk 2. Wijziging van andere wetten
+ Hoofdstuk 3. Slotbepalingen
Vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature

Juridisch advies nodig?
Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag
Parlement
Documenten bij de totstandkoming van (deze versie van) de wet.

Geschiedenis

Geschiedenis-overzicht
Jurisprudentie
Voorbeelden van het gebruik van deze artikel(en) in rechterlijke uitspraken

Invoerings- en aanpassingswet Wet op het financieel toezicht

Wet van 20 november 2006, houdende invoering van de Wet op het financieel toezicht en aanpassing van overige wetten aan die wet (Invoerings- en aanpassingswet Wet op het financieel toezicht)
Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de invoering te regelen van de Wet op het financieel toezicht en in verband daarmee de wetgeving aan te passen;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk wij goedvinden en verstaan bij deze:
Artikel 1
Artikel 1:1 van de Wet op het financieel toezicht is van overeenkomstige toepassing op dit hoofdstuk.
Artikel 2
De kosten van werkzaamheden die de toezichthouder op grond van artikel 1:40 van de Wet op het financieel toezicht in rekening brengt, kunnen mede betrekking hebben op de werkzaamheden die hij heeft verricht in verband met de uitvoering van zijn taak op grond van de Wet financiële dienstverlening , de Wet melding zeggenschap en kapitaalbelang in effectenuitgevende instellingen , de Wet toezicht beleggingsinstellingen , de Wet toezicht effectenverkeer 1995 , de Wet toezicht kredietwezen 1992 , de Wet toezicht natura-uitvaartverzekeringsbedrijf en de Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993 . Onder toepassing van de bedragen die direct voorafgaande aan het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezicht golden op grond van de in de vorige volzin bedoelde wetten, brengt de toezichthouder de hier bedoelde kosten in rekening bij de ondernemingen ten aanzien waarvan die werkzaamheden zijn verricht, voorzover deze kosten niet ten laste komen van de Rijksbegroting.
Artikel 3
De tweede volzin van artikel 1:40, eerste lid, van de Wet op het financieel toezicht is van overeenkomstige toepassing op de kosten die ingevolge artikel 2 in rekening worden gebracht.
2.
Vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezicht berust het register, bedoeld in artikel 4, derde lid, van de Wet toezicht effectenverkeer 1995 op artikel 1:109, eerste lid, van de Wet op het financieel toezicht.
3.
Vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezicht vermeldt de toezichthouder, voorzover van toepassing, met betrekking tot de gegevens die voor het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezicht waren opgenomen in de in het eerste en tweede lid bedoelde registers en lijsten, de bepalingen uit de Wet op het financieel toezicht waarop zij berusten.
Artikel 5
Vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezicht zijn met het toezicht op de naleving van de regels, gesteld bij en krachtens de Wet financiële dienstverlening , de Wet melding zeggenschap en kapitaalbelang in effectenuitgevende instellingen , de Wet toezicht beleggingsinstellingen , de Wet toezicht effectenverkeer 1995 , de Wet toezicht kredietwezen 1992 , de Wet toezicht natura-uitvaartverzekeringsbedrijf of de Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993 , belast de personen die ingevolge artikel 1:72 van de Wet op het financieel toezicht zijn belast met het toezicht op de naleving van overeenkomstige regels bij of krachtens die wet .
Artikel 6
Een last onder dwangsom of een bestuurlijke boete die is opgelegd terzake van overtreding van een voorschrift, gesteld bij of krachtens de Wet financiële dienstverlening , de Wet melding zeggenschap en kapitaalbelang in effectenuitgevende instellingen , de Wet toezicht beleggingsinstellingen , de Wet toezicht effectenverkeer 1995 , de Wet toezicht kredietwezen 1992 , de Wet toezicht natura-uitvaartverzekeringsbedrijf of de Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993 , wordt vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezicht aangemerkt als een last onder dwangsom of een bestuurlijke boete als bedoeld in artikel 1:79 onderscheidenlijk 1:80 van laatstgenoemde wet.
1.
De toezichthouder kan na inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezicht tot drie jaren na de dag waarop de overtreding is begaan een bestuurlijke boete opleggen terzake van overtreding van een voorschrift gesteld bij of krachtens de Wet financiële dienstverlening , de Wet melding zeggenschap en kapitaalbelang in effectenuitgevende instellingen , de Wet toezicht beleggingsinstellingen , de Wet toezicht effectenverkeer 1995 , de Wet toezicht kredietwezen 1992 , de Wet toezicht natura-uitvaartverzekeringsbedrijf of de Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993 .
2.
Op het opleggen van een bestuurlijke boete als bedoeld in het eerste lid blijft het recht van toepassing dat gold voor het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezicht .
1.
De toezichthouder kan een besluit tot het opleggen van een last onder dwangsom of een bestuurlijke boete terzake van overtreding van een voorschrift gesteld bij of krachtens de Wet financiële dienstverlening , de Wet melding zeggenschap en kapitaalbelang in effectenuitgevende instellingen , de Wet toezicht beleggingsinstellingen , de Wet toezicht effectenverkeer 1995 , de Wet toezicht kredietwezen 1992 , de Wet toezicht natura-uitvaartverzekeringsbedrijf of de Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993 , na bekendmaking openbaar maken.
2.
Op de openbaarmaking, bedoeld in het eerste lid, blijft het recht van toepassing dat gold voor het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezicht .
Artikel 9
Een aanwijzing die is gegeven terzake van overtreding van een voorschrift gesteld bij of krachtens de Wet financiële dienstverlening , de Wet melding zeggenschap en kapitaalbelang in effectenuitgevende instellingen , de Wet toezicht beleggingsinstellingen , de Wet toezicht effectenverkeer 1995 , de Wet toezicht kredietwezen 1992 , de Wet toezicht natura-uitvaartverzekeringsbedrijf of de Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993 , wordt vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezicht aangemerkt als een aanwijzing als bedoeld in artikel 1:75 van laatstgenoemde wet.
1.
De toezichthouder kan na het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezicht een aanwijzing geven terzake van overtreding van een voorschrift gesteld bij of krachtens de Wet financiële dienstverlening , de Wet melding zeggenschap en kapitaalbelang in effectenuitgevende instellingen , de Wet toezicht beleggingsinstellingen , de Wet toezicht effectenverkeer 1995 , de Wet toezicht kredietwezen 1992 , de Wet toezicht natura-uitvaartverzekeringsbedrijf of de Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993 .
2.
Op de aanwijzing, bedoeld in het eerste lid, blijft het recht van toepassing dat gold voor het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezicht .
Artikel 11
Een besluit op grond van de Wet financiële dienstverlening , de Wet toezicht beleggingsinstellingen , de Wet toezicht effectenverkeer 1995 , de Wet toezicht kredietwezen 1992 , de Wet toezicht natura-uitvaartverzekeringsbedrijf of de Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993 tot aanzegging dat vanaf een bepaald tijdstip alle of bepaalde organen of vertegenwoordigers van een financiële onderneming hun bevoegdheden slechts mogen uitoefenen na goedkeuring van een of meer door de toezichthouder aangewezen personen en met inachtneming van de opdrachten van deze personen, wordt vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezicht aangemerkt als een besluit als bedoeld in artikel 1:76 van laatstgenoemde wet.
1.
De toezichthouder kan vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezicht een besluit nemen als bedoeld in artikel 1:76, eerste lid, van die wet indien door een financiële onderneming niet of niet volledig binnen de gestelde termijn gevolg is gegeven aan een aanwijzing op grond van de Wet financiële dienstverlening , de Wet toezicht beleggingsinstellingen , de Wet toezicht effectenverkeer 1995 , de Wet toezicht kredietwezen 1992 , de Wet toezicht natura-uitvaartverzekeringsbedrijf of de Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993 .
2.
Op de curator, bedoeld in het eerste lid, blijft het recht van toepassing dat gold voor het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezicht .
Artikel 13
Vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezicht is afdeling 1.5.1 van die wet van overeenkomstige toepassing op gegevens en inlichtingen die zijn verstrekt of verkregen ingevolge de Wet financiële dienstverlening , de Wet melding zeggenschap en kapitaalbelang in effectenuitgevende instellingen , de Wet toezicht beleggingsinstellingen , de Wet toezicht effectenverkeer 1995 , de Wet toezicht kredietwezen 1992 , de Wet toezicht natura-uitvaartverzekeringsbedrijf of de Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993 .
Artikel 14
De toezichthouder kan vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezicht een openbare waarschuwing uitvaardigen, indien nodig onder vermelding van de overwegingen die tot die waarschuwing hebben geleid, terzake van de feiten, bedoeld in de artikelen 85 van de Wet financiële dienstverlening, 33n van de Wet toezicht beleggingsinstellingen, 48n van de Wet toezicht effectenverkeer 1995, 90n van de Wet toezicht kredietwezen 1992, 93n van de Wet toezicht natura-uitvaartverzekeringsbedrijf en 188n van de Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993, voorzover deze feiten tevens een overtreding van de Wet op het financieel toezicht opleveren.
Artikel 15
Op een voor het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezicht afgegeven verklaring door een rechtbank, inhoudende de instelling van de noodregeling, bedoeld in hoofdstuk X van de Wet toezicht kredietwezen 1992, hoofdstuk 8 van de Wet toezicht natura-uitvaartverzekeringsbedrijf of hoofdstuk IX van de Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993, blijft het voor dat tijdstip geldende recht van toepassing.
Artikel 16
Op de afhandeling van een noodregeling of een faillietverklaring van een kredietinstelling of verzekeraar die is vastgesteld onderscheidenlijk uitgesproken voor het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezicht , blijft het op het tijdstip van de vaststelling van de noodregeling onderscheidenlijk het uitspreken van de faillietverklaring geldende recht van toepassing.
Artikel 16a
Op een op of na 1 januari 2007 plaatsgevonden faillietverklaring van een kredietinstelling of verzekeraar of gedaan verzoek of voordracht daartoe en op de gevolgen van een op of na die datum uitgesproken faillissement van een kredietinstelling of verzekeraar ten aanzien waarvan onderscheidenlijk van wie voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezicht een noodregeling is uitgesproken op grond van artikel 71 van de Wet toezicht kredietwezen 1992, artikel 66 van de Wet toezicht natura-uitvaartverzekeringsbedrijf onderscheidenlijk artikel 156 Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993, is de Faillissementswet van toepassing zoals die luidt op het moment van het verzoek of de voordracht.
Artikel 17
Een levensverzekeraar, natura-uitvaartverzekeraar of schadeverzekeraar die op het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezicht ingevolge de Wet toezicht natura-uitvaartverzekeringsbedrijf , Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993 of de Wet toezicht verzekeringsbedrijf verplicht is tot afwikkeling van zijn bedrijf of het betrokken gedeelte daarvan is gedurende de afwikkeling onderworpen aan de bepalingen van de Wet op het financieel toezicht .
Artikel 18
Indien de toezichthouder de betrouwbaarheid heeft vastgesteld van een persoon die het dagelijks beleid van een financiële onderneming bepaalt of mede bepaalt of van een persoon die onderdeel is van een orgaan dat is belast met het toezicht op het beleid en de algemene gang van zaken van een financiële onderneming voor de toepassing van de Wet financiële dienstverlening , de Wet toezicht beleggingsinstellingen , de Wet toezicht effectenverkeer 1995 , de Wet toezicht kredietwezen 1992 , de Wet toezicht natura-uitvaartverzekeringsbedrijf of de Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993 , wordt vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezicht de betrouwbaarheid van die persoon geacht buiten twijfel te staan voor de toepassing van laatstgenoemde wet .
Artikel 19
Indien de deskundigheid van een persoon die het dagelijks beleid van een financiële onderneming bepaalt of van een persoon die onderdeel uitmaakt van een orgaan dat is belast met het toezicht op het beleid en de algemene gang van zaken binnen een financiële onderneming als voldoende is aangemerkt voor de toepassing van de Wet financiële dienstverlening , de Wet toezicht beleggingsinstellingen , de Wet toezicht effectenverkeer 1995 , de Wet toezicht kredietwezen 1992 , de Wet toezicht natura-uitvaartverzekeringsbedrijf of de Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993 , wordt vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezicht die persoon geacht deskundig te zijn in de zin van overeenkomstige bepalingen in laatstgenoemde wet .
Artikel 20
Indien voor het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezicht de betalingsonmacht van een financiële onderneming is vastgesteld ingevolge het op grond van het op 21 september 1998 en 23 mei 2003 door de Nederlandsche Bank en een aantal representatieve organisaties overeengekomen beleggerscompensatiestelsel, algemeen verbindend verklaard bij koninklijk besluit van 29 januari 2004 , of op grond van de Collectieve Garantieregeling van kredietinstellingen voor Terugbetaalbare Gelden en Beleggingen van 17 september 1998, algemeen verbindend verklaard bij koninklijk besluit van 29 januari 2004, blijft op de afwikkeling van vorderingen op die financiële onderneming dat stelsel, onderscheidenlijk die regeling, van toepassing.
Artikel 21
Ten aanzien van beroepen tegen besluiten genomen op grond van de Wet financiële dienstverlening , de Wet melding zeggenschap en kapitaalbelang in effectenuitgevende instellingen , de Wet toezicht beleggingsinstellingen , de Wet toezicht effectenverkeer 1995 , de Wet toezicht kredietwezen 1992 , de Wet toezicht natura-uitvaartverzekeringsbedrijf en de Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993 is vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezicht artikel 1:110 van laatstgenoemde wet van overeenkomstige toepassing.
Artikel 22
Voorschriften die zijn verbonden en beperkingen die zijn gesteld aan een vergunning of een ontheffing die is verleend op grond van de Wet financiële dienstverlening , de Wet toezicht beleggingsinstellingen , de Wet toezicht effectenverkeer 1995 , de Wet toezicht kredietwezen 1992 , de Wet toezicht natura-uitvaartverzekeringsbedrijf of de Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993 berusten vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezicht op artikel 1:102, tweede lid, van laatstgenoemde wet.
1.
Een vergunning die is verleend op grond van artikel 11 van de Wet financiële dienstverlening voor het aanbieden van een beleggingsobject of het aanbieden van een financieel product als bedoeld in artikel 1, onderdeel m, onder 8°, van die wet, berust vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezicht op artikel 2:58, eerste lid, van laatstgenoemde wet.
2.
Een vergunning die is verleend op grond van artikel 11 van de Wet financiële dienstverlening voor het aanbieden van krediet, berust vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezicht op artikel 2:63, eerste lid, van laatstgenoemde wet.
3.
Een vergunning die is verleend op grond van artikel 11 van de Wet financiële dienstverlening voor adviseren, berust vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezicht op artikel 2:78, eerste lid, van laatstgenoemde wet.
4.
Een vergunning die is verleend op grond van artikel 11 van de Wet financiële dienstverlening voor bemiddelen, berust vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezicht op artikel 2:83, eerste lid, van laatstgenoemde wet.
5.
Een vergunning die is verleend op grond van artikel 11 van de Wet financiële dienstverlening voor herverzekeringsbemiddelen, berust vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezicht op artikel 2:89, eerste lid, van laatstgenoemde wet.
6.
Een vergunning die is verleend op grond van artikel 11 van de Wet financiële dienstverlening voor het optreden als gevolmachtigde agent of ondergevolmachtigde agent, berust vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezicht op artikel 2:94, eerste lid, van laatstgenoemde wet.
7.
Een vergunning die is verleend op grond van artikel 16, eerste lid, van de Wet financiële dienstverlening berust vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezicht op artikel 2:105, eerste lid, van laatstgenoemde wet.
1.
Personen als bedoeld in artikel 22, eerste lid, van de Wet financiële dienstverlening worden vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezicht geacht te beschikken over een vergunning als bedoeld in artikel 2:80, eerste lid, van laatstgenoemde wet, voor het afwikkelen van de in het eerstgenoemde artikel bedoelde overeenkomsten.
2.
Voorschriften die op grond van artikel 22, vijfde lid, van de Wet financiële dienstverlening met betrekking tot de afwikkeling van overeenkomsten zijn gegeven aan de in het eerste lid bedoelde personen berusten vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezicht op artikel 1:102, tweede lid, van laatstgenoemde wet.
1.
Een ontheffing van het verbod op het aanbieden van een beleggingsobject of een financieel product als bedoeld in artikel 1, onderdeel m, onder 8°, van de Wet financiële dienstverlening, die is verleend op grond van artikel 18, eerste lid, van die wet, berust vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezicht op artikel 2:55, tweede lid, van laatstgenoemde wet.
2.
Een ontheffing van het verbod op het aanbieden van krediet, die is verleend op grond van artikel 18, eerste lid, van de Wet financiële dienstverlening, berust vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezicht op artikel 2:60, tweede lid, van laatstgenoemde wet.
3.
Een ontheffing van het verbod op adviseren, die is verleend op grond van artikel 18, eerste lid, van de Wet financiële dienstverlening, berust vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezicht op artikel 2:75, tweede lid, van laatstgenoemde wet.
4.
Een ontheffing van het verbod op bemiddelen, die is verleend op grond van artikel 18, eerste lid, van de Wet financiële dienstverlening, berust vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezicht op artikel 2:80, tweede lid, van laatstgenoemde wet.
5.
Een ontheffing van het verbod op herverzekeringsbemiddelen, die is verleend op grond van artikel 18, eerste lid, van de Wet financiële dienstverlening, berust vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezicht op artikel 2:86, tweede lid, van laatstgenoemde wet.
6.
Een ontheffing van het verbod op het optreden als gevolmachtigde agent of ondergevolmachtigde agent, die is verleend op grond van artikel 18, eerste lid, van de Wet financiële dienstverlening, berust vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezicht op artikel 2:92, tweede lid, van laatstgenoemde wet.
7.
Een ontheffing die is verleend op grond van artikel 22, tweede lid, van de Wet financiële dienstverlening berust vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezicht op artikel 2:80, derde lid, van laatstgenoemde wet.
1.
Een ontheffing van deskundigheidsvereisten als bedoeld in artikel 27, tweede lid, van de Wet financiële dienstverlening, die is verleend op grond van artikel 18, eerste lid, van die wet, berust vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezicht op artikel 4:9, vierde lid, van laatstgenoemde wet.
2.
Een ontheffing van vereisten met betrekking tot een integere bedrijfsvoering of een adequate administratieve organisatie en systeem van interne controle als bedoeld in artikel 28 van de Wet financiële dienstverlening, die is verleend op grond van artikel 18, eerste lid, van die wet, berust vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezicht op artikel 4:15, vierde lid, van laatstgenoemde wet.
3.
Een ontheffing van vereisten met betrekking tot de informatieverstrekking als bedoeld in artikel 31 van die wet, die is verleend op grond van artikel 18, eerste lid, van die wet, berust vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezicht op artikel 4:20, zesde lid, van laatstgenoemde wet.
4.
Een ontheffing van vereisten met betrekking tot de informatievoorziening over een financieel product of een financiële dienst als bedoeld in artikel 35 van de Wet financiële dienstverlening, die is verleend op grond van artikel 18, eerste lid, van die wet, berust vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezicht op artikel 4:22, tweede lid, van laatstgenoemde wet.
5.
Een ontheffing van vereisten met betrekking tot de informatieverstrekking door een adviseur als bedoeld in artikel 34 van de Wet financiële dienstverlening, die is verleend op grond van artikel 18, eerste lid, van die wet, berust vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezicht op artikel 4:72, zesde lid, van laatstgenoemde wet.
6.
Een ontheffing van vereisten met betrekking tot de informatieverstrekking door een bemiddelaar als bedoeld in artikel 33 van de Wet financiële dienstverlening, die is verleend op grond van artikel 18, eerste lid, van die wet, berust vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezicht op artikel 4:73, zesde lid, van laatstgenoemde wet.
7.
Een ontheffing van vereisten met betrekking tot de beroepsaansprakelijkheidsverzekering of een daarmee vergelijkbare voorziening van een bemiddelaar in verzekeringen of een herverzekeringsbemiddelaar als bedoeld in artikel 29 van de Wet financiële dienstverlening, die is verleend op grond van artikel 18, eerste lid, van de Wet financiële dienstverlening, berust vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezicht op artikel 4:75, vijfde lid, onderscheidenlijk 4:76, vijfde lid, van laatstgenoemde wet.
Artikel 27
Andere dan de in artikel 26 bedoelde ontheffingen die zijn verleend op grond van de Wet financiële dienstverlening gelden vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezicht als ontheffingen van corresponderende vereisten in laatstgenoemde wet voor een periode van ten hoogste een jaar.
Artikel 28
Een verbod dat aan een financiële dienstverlener is opgelegd op grond van artikel 21, eerste lid, van de Wet financiële dienstverlening wordt vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezicht aangemerkt als een verbod als bedoeld in artikel 4:4, eerste lid, van laatstgenoemde wet.
Artikel 29
Een mededeling die is gedaan op grond van artikel 25, eerste lid, van de Wet financiële dienstverlening door een financiële onderneming met zetel in Nederland die vanuit een in een andere lidstaat gelegen bijkantoor of door middel van het verrichten van diensten naar een andere lidstaat bemiddelt in verzekeringen onderscheidenlijk herverzekeringsbemiddelt, berust vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezicht op artikel 2:125, eerste lid, onderscheidenlijk artikel 2:126, eerste lid, van laatstgenoemde wet.
Artikel 30
Het is een financiële onderneming met zetel in een andere lidstaat, die op het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezicht vanuit een in Nederland gelegen bijkantoor of door middel van het verrichten van diensten naar Nederland bemiddelt in verzekeringen onderscheidenlijk herverzekeringsbemiddelt, toegestaan gedurende zes maanden vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van die wet zonder mededeling als bedoeld in artikel 2:84, eerste lid, onderscheidenlijk 2:90, eerste lid, haar werkzaamheden voort te zetten.
1.
Het is een financiële dienstverlener als bedoeld in artikel 102, eerste lid, van de Wet financiële dienstverlening, alsmede een financiële dienstverlener die financiële diensten verleent ten aanzien van betaalrekeningen of beleggingsobjecten, bemiddelt in spaarrekeningen of optreedt als herverzekeringsbemiddelaar, die overeenkomstig artikel 102, tweede lid, van die wet onderscheidenlijk artikel 20, eerste lid, van de Vrijstellingsregeling Wfd een vergunning of ontheffing heeft aangevraagd, op welke aanvraag op het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezicht nog niet is beslist, toegestaan zonder vergunning of ontheffing zijn werkzaamheden voort te zetten totdat de Autoriteit Financiële Markten op die aanvraag heeft beslist.
2.
De Autoriteit Financiële Markten beslist binnen twaalf maanden na het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet financiële dienstverlening op de aanvraag, bedoeld in het eerste lid. Bij regeling van Onze Minister kan deze termijn ten hoogste twee maal worden verlengd met een termijn van telkens maximaal zes maanden. De Autoriteit Financiële Markten past op de aanvraag de Wet op het financieel toezicht toe.
3.
De financiële dienstverlener, bedoeld in het eerste lid, wordt als aanvrager in de zin van het eerste lid ingeschreven in het register, bedoeld in artikel 1:107, eerste lid, van de Wet op het financieel toezicht. De Autoriteit Financiële Markten haalt deze inschrijving door zodra zij op de aanvraag heeft beslist.
4.
Met betrekking tot een financiële dienstverlener die zijn werkzaamheden zonder vergunning mag voortzetten als bedoeld in het eerste lid, blijft artikel 25 van de Wet op belastingen van rechtsverkeer zoals dit luidde op 31 december 2005, van toepassing totdat de inschrijving op grond van het derde lid is doorgehaald.
5.
Indien de Autoriteit Financiële Markten de aanvraag van een vergunning of ontheffing als bedoeld in het eerste lid, heeft afgewezen, mag de financiëledienstverlener zonder vergunning of ontheffing zijn bedrijf afwikkelen. De Autoriteit Financiële Markten kan een termijn bepalen voor de afwikkeling. De Autoriteit Financiële Markten kan de financiëledienstverlener voorschriften geven terzake van de afwikkeling met het oog op het adequaat functioneren van de financiële markten of de positie van de consumenten op die markten.
6.
Het bij en krachtens het Deel Gedragstoezicht financiële ondernemingen van de Wet op het financieel toezicht bepaalde is van overeenkomstige toepassing op financiëledienstverleners die op grond van het eerste lid hun werkzaamheden mogen voortzetten en op financiëledienstverleners die op grond van het vijfde lid hun bedrijf mogen afwikkelen.
Artikel 32
Artikel 4:30a, eerste lid, van de Wet op het financieel toezicht is niet van toepassing op aanbieders van beleggingsobjecten, voorzover zij overeenkomsten inzake beleggingsobjecten die voor 1 januari 2006 zijn aangegaan, beheren of uitvoeren of daarbij assisteren.
1.
Een vergunning die is verleend op grond van artikel 5, eerste lid, van de Wet toezicht beleggingsinstellingen aan een beheerder van een beleggingsinstelling, anders dan bedoeld in artikel 6 van die wet, berust vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezicht op artikel 2:67 van laatstgenoemde wet.
2.
Een vergunning die is verleend op grond van artikel 5 van de Wet toezicht beleggingsinstellingen ten behoeve van een beleggingsmaatschappij die geen aparte beheerder heeft en geen beleggingsmaatschappij is als bedoeld in artikel 6 van die wet, berust vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezicht op artikel 2:68 van laatstgenoemde wet.
3.
Een vergunning die is verleend op grond van artikel 5 ten behoeve van een beleggingsmaatschappij of beheerder als bedoeld in artikel 6 van de Wet toezicht beleggingsinstellingen, berust vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezicht op artikel 2:69 van laatstgenoemde wet en wordt geacht te zijn verleend aan de beheerder van die beleggingsmaatschappij.
Artikel 34
Een beleggingsinstelling die op 1 september 2005 beschikte over een vergunning als bedoeld in artikel 4 van de Wet toezicht beleggingsinstellingen zoals dit artikel luidde direct voorafgaand aan dat tijdstip, kan haar werkzaamheden overeenkomstig de bestaande vergunning voortzetten, indien de beheerder van die beleggingsinstelling voor 2 maart 2006 een verzoek heeft ingediend om een vergunning als bedoeld in artikel 4 van die wet zoals dit artikel luidde direct voorafgaand aan dat tijdstip, tot het moment dat onherroepelijk op het verzoek is beslist. De vergunning en de daaraan verbonden voorschriften en gestelde beperkingen worden beheerst door de Wet toezicht beleggingsinstellingen zoals deze luidde direct voorafgaand aan 1 september 2005.
Artikel 35
De in de artikelen 2:67, tweede lid, 2:68, tweede lid en 2:69, eerste lid, van de Wet op het financieel toezicht bedoelde beheerders en beleggingsmaatschappijen waaraan vóór 1 september 2005 een vergunning als bedoeld in artikel 4 van de Wet toezicht beleggingsinstellingen is verleend, kunnen op basis van die vergunning hun werkzaamheden voortzetten tot 14 februari 2007. Een vóór 1 september 2005 verleende vergunning en de aan die vergunning verbonden voorwaarden worden, tot het moment dat de vergunning is verleend op grond van artikel 2:68 van de Wet op het financieel toezicht, beheerst door de Wet toezicht beleggingsinstellingen zoals deze luidde direct voorafgaand aan 1 september 2005, met dien verstande dat met betrekking tot informatieverstrekking artikel 4:61 van de Wet op het financieel toezicht van toepassing is.
Artikel 36
Een ontheffing die is verleend op grond van artikel 14a, eerste lid, van de Wet toezicht beleggingsinstellingen berust vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezicht op artikel 2:65, derde lid, van laatstgenoemde wet.
1.
Een ontheffing van vereisten met betrekking tot bepaalde financiële waarborgen als bedoeld in artikel 12, eerste lid, onderdeel b, van de Wet toezicht beleggingsinstellingen, die is verleend op grond van artikel 12, vierde lid, van die wet berust vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezicht op artikel 3:57, zesde lid, van laatstgenoemde wet.
2.
Een ontheffing van vereisten met betrekking tot de bedrijfsvoering als bedoeld in artikel 12, eerste lid, onderdeel c, van de Wet toezicht beleggingsinstellingen, die is verleend op grond van artikel 12, vierde lid, van die wet berust vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezicht op artikel 4:11, vijfde lid, voorzover ontheffing is verleend van regels met betrekking tot de minimumvoorwaarden waaraan het beleid moet voldoen dat een integere uitoefening van het bedrijf waarborgt, of 4:14, vierde lid, van laatstgenoemde wet, voorzover ontheffing is verleend van regels die een beheerste en integere uitoefening van het bedrijf waarborgen.
3.
Een ontheffing van de verplichting, bedoeld in artikel 12, eerste lid, aanhef en onderdeel d, van de Wet toezicht beleggingsinstellingen, die is verleend op grond van artikel 12, vierde lid, van die wet berust vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezicht op artikel 4:22, tweede lid, 4:46a, tweede lid, 4:47, vijfde lid, 4:48, derde lid of  4:49, vijfde lid, van laatstgenoemde wet, voor zover het de in het desbetreffende artikel geregelde verplichting betreft.
4.
Een ontheffing van vereisten met betrekking tot de aan de toezichthouder te verstrekken informatie als bedoeld in artikel 12, eerste lid, onderdeel d, van de Wet toezicht beleggingsinstellingen, die is verleend op grond van artikel 12, vierde lid, van die wet berust vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezicht op artikel 4:51, vijfde lid, van laatstgenoemde wet.
5.
Een ontheffing van vereisten met betrekking tot de aan het publiek te verstrekken informatie als bedoeld in artikel 12, eerste lid, onderdeel d, van de Wet toezicht beleggingsinstellingen, die is verleend op grond van artikel 12, vierde lid, van die wet berust vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezicht op artikel 4:52, vierde lid, van laatstgenoemde wet.
Artikel 38
Andere dan de in artikel 37 bedoelde ontheffingen die zijn verleend op grond van de Wet toezicht beleggingsinstellingen gelden vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezicht als ontheffingen van corresponderende vereisten in laatstgenoemde wet voor een periode van ten hoogste een jaar.
Artikel 39
Een verklaring van geen bezwaar die is verleend op grond van artikel 12, tiende lid, van de Wet toezicht beleggingsinstellingen berust vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezicht op artikel 3:100 van laatstgenoemde wet.
Artikel 40
Een mededeling die is gedaan op grond van artikel 17a, eerste lid, van de Wet toezicht beleggingsinstellingen door een beheerder van een instelling voor collectieve belegging in effecten met zetel in een andere lidstaat die voornemens is door middel van dienstverrichting of vanuit een bijkantoor rechten van deelneming in die instelling in Nederland aan te bieden, berust vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezicht op artikel 2:72, eerste lid, onderscheidenlijk artikel 2:70, eerste lid, van laatstgenoemde wet.
Artikel 41
Een mededeling die is gedaan op grond van artikel 17c, tweede lid, van de Wet toezicht beleggingsinstellingen door een beleggingsinstelling met zetel in een aangewezen staat als bedoeld in het eerste lid van dat artikel, berust vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezicht op artikel 2:73, eerste lid, van laatstgenoemde wet.
Artikel 42
Een verbod dat op grond van artikel 17c, derde lid, van de Wet toezicht beleggingsinstellingen is opgelegd, berust vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezicht op artikel 4:4, eerste lid, van laatstgenoemde wet.
Artikel 43
Een beschikking die is gegeven op grond van artikel 21a van de Wet toezicht beleggingsinstellingen, berust vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezicht op artikel 1:78, eerste lid, van laatstgenoemde wet.
1.
Een vergunning die is verleend op grond van artikel 7, vierde lid, van de Wet toezicht effectenverkeer 1995 berust vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezicht op artikel 2:99 van laatstgenoemde wet, voorzover zij strekt tot het verlenen van beleggingsdiensten waarvoor een vergunning is vereist ingevolge de Wet op het financieel toezicht .
2.
Een vergunning die is verleend op grond van artikel 7, zesde lid, van de Wet toezicht effectenverkeer 1995, berust vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezicht op artikel 2:99 van laatstgenoemde wet. De houder van de vergunning wordt geacht te beschikken over een ontheffing als bedoeld in artikel 2:99, vierde lid, van de Wet op het financieel toezicht terzake van de vereisten waaraan de aanvrager niet kon voldoen.
1.
Een vergunning die is verleend op grond van artikel 6, tweede lid, of 10, tweede lid, van de Wet toezicht effectenverkeer berust vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezicht op artikel 2:99 van laatstgenoemde wet.
2.
Beleggingsondernemingen die op het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezicht worden geacht op grond van artikel 60, eerste lid, van de Wet toezicht effectenverkeer 1995 een vergunning als bedoeld in artikel 7, eerste lid, van die wet te hebben, worden vanaf dat tijdstip geacht een vergunning te hebben op grond van artikel 2:99, eerste lid, van de Wet op het financieel toezicht.
3.
Ten aanzien van beleggingsondernemingen met zetel in een andere lidstaat die op het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezicht een vergunning hebben op grond van artikel 6, tweede lid, of 10, tweede lid, van de Wet toezicht effectenverkeer wordt geacht te zijn voldaan aan artikel 2:98, tweede lid, van de Wet op het financieel toezicht.
Artikel 46
Het verbod, bedoeld in artikel 5:2 van de Wet op het financieel toezicht, is vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van die wet voor een periode van ten hoogste een jaar niet van toepassing op degenen aan wie een ontheffing is verleend op grond van artikel 4, eerste lid, van de Wet toezicht effectenverkeer 1995.
Artikel 47
Een ontheffing die is verleend op grond van artikel 25, eerste lid, van de Wet toezicht effectenverkeer 1995 berust vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezicht op artikel 5:27, tweede lid, van laatstgenoemde wet.
1.
Een ontheffing van vereisten met betrekking tot bepaalde financiële waarborgen als bedoeld in artikel 11, eerste lid, onderdeel b, van de Wet toezicht effectenverkeer 1995, die is verleend op grond van artikel 11, vierde lid, van die wet berust vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezicht op artikel 3:57, zesde lid, van laatstgenoemde wet.
2.
Een ontheffing van vereisten met betrekking tot de bedrijfsvoering als bedoeld in artikel 11, eerste lid, onderdeel c, van de Wet toezicht effectenverkeer 1995, die is verleend op grond van artikel 11, vierde lid, van de Wet toezicht effectenverkeer 1995 berust vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezicht op artikel 4:11, vijfde lid, voorzover ontheffing is verleend van regels met betrekking tot de minimumvoorwaarden waaraan het beleid moet voldoen dat een integere uitoefening van het bedrijf waarborgt, 4:14 vierde lid, voorzover ontheffing is verleend van regels die een beheerste en integere uitoefening van het bedrijf waarborgen, 4:25, tweede lid, voorzover een ontheffing is verleend van regels met betrekking tot de in acht te nemen zorgvuldigheid, 4:83, tweede lid, voor een ontheffing van het vereiste dat ten minste twee natuurlijke personen het dagelijks beleid van een beleggingsonderneming bepalen of 4:88, vijfde lid, van die wet, voorzover een ontheffing is verleend van regels met betrekking tot het beleid ter zake van het voorkomen van belangconflicten tussen een beleggingsonderneming en haar cliënten en tussen haar cliënten onderling.
3.
Een ontheffing van vereisten met betrekking tot de aan de toezichthouder te verstrekken informatie als bedoeld in artikel 11, eerste lid, onderdeel d, van de Wet toezicht effectenverkeer 1995, die is verleend op grond van artikel 11, vierde lid, van die wet berust vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezicht op artikel 4:85, zesde lid, van laatstgenoemde wet.
4.
Een ontheffing van vereisten met betrekking tot de aan het publiek te verstrekken informatie als bedoeld in artikel 11, eerste lid, onderdeel d, van de Wet toezicht effectenverkeer 1995, die is verleend op grond van artikel 11, vierde lid, van die wet berust vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezicht op artikel 4:20, zesde lid, voorzover ontheffing is verleend van regels met betrekking tot informatieverstrekking aan een consument of een cliënt, of 4:22, tweede lid, van die wet, voorzover ontheffing is verleend van regels met betrekking tot de informatievoorziening door een financiële onderneming over een financieel product of financiële dienst.
5.
Een ontheffing die is verleend op grond van artikel 17, derde lid, van de Wet toezicht effectenverkeer 1995 berust vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezicht op artikel 3:106, derde lid, van laatstgenoemde wet.
6.
Een ontheffing die is verleend op grond van artikel 18b, eerste lid, van de Wet toezicht effectenverkeer 1995 berust vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezicht op artikel 5:68, derde lid, van laatstgenoemde wet.
Artikel 49
Andere dan de in artikel 48 bedoelde ontheffingen die zijn verleend op grond van de Wet toezicht effectenverkeer 1995 gelden vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezicht als ontheffingen van corresponderende vereisten in laatstgenoemde wet voor een periode van ten hoogste een jaar.
1.
Een verklaring van geen bezwaar die is verleend op grond van artikel 16, derde lid, van de Wet toezicht effectenverkeer 1995 berust vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezicht op artikel 3:100 van laatstgenoemde wet.
2.
Een verklaring van geen bezwaar die is verleend op grond van artikel 26a, tweede lid, van de Wet toezicht effectenverkeer 1995 berust vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezicht op artikel 5:32, tweede lid, van laatstgenoemde wet.
1.
Een verklaring van geen bezwaar als bedoeld in artikel 16 van de Wet toezicht effectenverkeer 1995 die vóór 15 september 2004 is verleend, wordt vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezicht geacht te zijn verleend voor een deelneming tot de eerstvolgende bovengrens van 20, 33, 50 of 100 procent, tenzij:
a. de verklaring van geen bezwaar is verleend voor een deelneming die ligt op een van genoemde grenzen; of
2.
Een verklaring van geen bezwaar als bedoeld in artikel 16 van de Wet toezicht effectenverkeer 1995 die vóór 15 september 2004 op grond van de Wet toezicht effectenverkeer 1995 is verleend ten behoeve van alle groepsmaatschappijen van een groep gezamenlijk, wordt vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezicht geacht te zijn verleend op grond van artikel 3:100 van die wet.
Artikel 52
Indien voor het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezicht op grond van artikel 16 van de Wet toezicht effectenverkeer 1995 een aanvraag voor een verklaring van geen bezwaar is ingediend waarop de Autoriteit Financiële Markten op dat tijdstip nog niet heeft beslist, wordt hierop door de Autoriteit Financiële Markten een beslissing genomen met inachtneming van de toepasselijke bepalingen van de laatstgenoemde wet .
1.
Een mededeling die is gedaan op grond van artikel 13, derde lid, van de Wet toezicht effectenverkeer 1995 ten behoeve van een beleggingsonderneming met zetel in Nederland, wordt vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezicht aangemerkt als het besluit tot instemming, bedoeld in artikel 2:127, eerste lid, van laatstgenoemde wet.
2.
Een mededeling die is gedaan op grond van artikel 14, derde lid, van de Wet toezicht effectenverkeer 1995 ten behoeve van een beleggingsonderneming met zetel in Nederland, wordt vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezicht aangemerkt als de mededeling, bedoeld in artikel 2:129, tweede lid, van laatstgenoemde wet.
3.
Een besluit tot instemming als bedoeld in artikel 15a, eerste lid, van de Wet toezicht effectenverkeer 1995, berust vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezicht op 2:130, tweede lid, van laatstgenoemde wet.
Artikel 54
Een besluit tot goedkeuring van een prospectus op grond van artikel 3, tweede of derde lid, van de Wet toezicht effectenverkeer 1995 berust vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezicht op artikel 5:9, eerste onderscheidenlijk tweede lid, van laatstgenoemde wet.
Artikel 55
Een erkenning op grond van artikel 22, tweede lid, van de Wet toezicht effectenverkeer 1995 berust vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezicht op artikel 5:26, tweede lid, van laatstgenoemde wet.
Artikel 56
Een beschikking die is gegeven op grond van artikel 28b van de Wet toezicht effectenverkeer 1995 berust vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezicht op artikel 1:78, eerste lid, van laatstgenoemde wet.
1.
Een vergunning als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van de Wet toezicht kredietwezen 1992 berust vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezicht op artikel 2:11, eerste lid, van die wet, voorzover voor het uitoefenen van het bedrijf van de houder een vergunning is vereist op grond van laatstgenoemd artikel.
2.
Een vergunning als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van de Wet toezicht kredietwezen 1992 voor het uitoefenen van het bedrijf, bedoeld in artikel 3:4, eerste lid, van de Wet op het financieel toezicht, berust vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezicht op artikel 2:11 van die wet voor een periode van ten hoogste zes maanden.
3.
Een vergunning als bedoeld in het vorige lid berust ook na de in dat lid bedoelde periode op artikel 2:11 van de Wet op het financieel toezicht, indien de houder van de vergunning binnen zes maanden na inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezicht aan de Nederlandsche Bank te kennen heeft gegeven zijn vergunning te willen behouden.
4.
Een vergunning die is verleend op grond van artikel 38, eerste lid, van de Wet toezicht kredietwezen 1992 berust vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezicht op artikel 2:21, eerste lid, van laatstgenoemde wet.
1.
Een vergunning die is verleend op grond van artikel 2 van de Wet toezicht kredietwezen of op grond van artikel 62 van die wet of 7 van de Postbankwet wordt geacht te zijn verleend aan een bank met zetel in Nederland, berust vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezicht op artikel 2:11, eerste lid, van laatstgenoemde wet, voorzover voor het uitoefenen van het bedrijf van de houder van die vergunning een vergunning is vereist.
2.
Een vergunning die is verleend op grond van artikel 2 van de Wet toezicht kredietwezen of op grond van artikel 62 van die wet wordt geacht te zijn verleend aan een bank als bedoeld in artikel 112, tweede lid, van de Wet toezicht kredietwezen 1992, berust vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezicht op artikel 2:21 van die wet, voorzover voor het uitoefenen van het bedrijf van de houder van die vergunning een vergunning als bedoeld in dat artikel is vereist.
3.
Een bank als bedoeld in artikel 112, derde lid, van de Wet toezicht kredietwezen 1992 die een vergunning heeft op grond van artikel 2 van de Wet toezicht kredietwezen of op grond van artikel 62 van de eerstgenoemde wet wordt geacht een vergunning te hebben verkregen, en die op grond van artikel 112, derde lid, van de Wet toezicht kredietwezen 1992 wordt geacht te hebben voldaan aan het bepaalde, bedoeld in artikel 31, eerste lid, onderdelen b en c, van die wet, wordt vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezicht geacht te beschikken over de mededeling, bedoeld in artikel 2:15 van laatstgenoemde wet.
Artikel 59
Een financiële onderneming die op het tijdstip waarop artikel 112a van de Wet toezicht kredietwezen 1992 in werking trad, in Nederland het bedrijf van elektronischgeldinstelling uitoefende, wordt vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezicht geacht te beschikken over een vergunning als bedoeld in 2:11, eerste lid, van laatstgenoemde wet.
1.
Op degene op wie een vrijstelling van toepassing is als bedoeld in artikel 3 van de Vrijstellingsregeling Wtk 1992 is vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezicht het bepaalde in artikel 3:2 van die wet van toepassing, voorzover diegene effecten als bedoeld in de Wet op het financieel toezicht aanbiedt aan het publiek of doet toelaten tot de handel op een gereglementeerde markt als bedoeld in de Wet op het financieel toezicht .
2.
Op degene op wie een vrijstelling van toepassing is als bedoeld in artikel 3 van de Vrijstellingsregeling Wtk 1992 en die effecten als bedoeld in artikel 1, onderdeel a, van de Wet toezicht effectenverkeer 1995 die geen effecten zijn in de zin van de Wet op het financieel toezicht , aan het publiek aanbiedt of doet toelaten tot de handel op een gereglementeerde markt als bedoeld in de Wet op het financieel toezicht is vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezicht het bepaalde in artikel 3:2 van die wet van overeenkomstige toepassing voor een periode van ten hoogste een jaar. Indien de in de vorige volzin bedoelde effecten een overeenkomst betreffen met een looptijd die langer is dan een jaar, is het bepaalde in artikel 3:2 van die wet op de in de vorige volzin bedoelde aanbieder van overeenkomstige toepassing tot aan het einde van de looptijd van die overeenkomst.
1.
Een ontheffing die is verleend op grond van artikel 38a, derde lid, van de Wet toezicht kredietwezen 1992 berust vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezicht op artikel 2:23, tweede lid, van laatstgenoemde wet.
2.
Een ontheffing die is verleend op grond van artikel 82, vierde lid, van de Wet toezicht kredietwezen 1992, voor het buiten besloten kring van anderen dan professionele marktpartijen aantrekken, ter beschikking verkrijgen of ter beschikking hebben van opvorderbare gelden, berust vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezicht op artikel 3:5, vierde lid, van laatstgenoemde wet.
3.
Een ontheffing die is verleend op grond van artikel 82, vierde lid, van de Wet toezicht kredietwezen 1992, voor het verrichten van werkzaamheden in de uitoefening van een beroep of bedrijf als tussenpersoon ten behoeve van het buiten besloten kring aantrekken of ter beschikking verkrijgen van al dan niet op termijn opvorderbare gelden van anderen dan professionele marktpartijen, berust vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezicht op artikel 4:3, vierde lid, van laatstgenoemde wet.
4.
Een ontheffing die op grond van artikel 6, derde lid, van de Wet toezicht kredietwezen 1992 is verleend aan een onderneming of instelling als bedoeld in artikel 3 van de Vrijstellingsregeling Wtk 1992 die niet voldeed aan de in dat artikel bedoelde voorschriften berust, voor zover deze ontheffing betrekking heeft op die voorschriften, vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezicht op artikel 3:2, derde lid, van laatstgenoemde wet.
Artikel 62
Een ontheffing die is verleend op grond van artikel 83, vierde lid, van de Wet toezicht kredietwezen 1992 berust vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezicht op artikel 3:7, vierde lid, van laatstgenoemde wet.
Artikel 63
Een ontheffing die is verleend op grond van artikel 42 van de Wet toezicht kredietwezen 1992 berust vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezicht op artikel 3:5, vierde lid, van laatstgenoemde wet.
Artikel 64
Een ontheffing die is verleend op grond van artikel 31, vijfde lid, van de Wet toezicht kredietwezen 1992 wordt vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezicht aangemerkt als de mededeling, bedoeld in artikel 2:15, tweede lid, van laatstgenoemde wet.
1.
Een ontheffing die is verleend op grond van artikel 10, vijfde lid, van de Wet toezicht kredietwezen 1992 berust vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezicht op artikel 3:19, derde lid, van laatstgenoemde wet.
2.
Een ontheffing die is verleend op grond van artikel 11, vijfde lid, van de Wet toezicht kredietwezen 1992 berust vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezicht op artikel 3:53, zesde lid, van laatstgenoemde wet.
3.
Een ontheffing die is verleend op grond van artikel 20, vierde lid, van de Wet toezicht kredietwezen 1992 berust vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezicht op artikel 3:57, zesde lid, van laatstgenoemde wet.
4.
Een ontheffing die is verleend op grond van artikel 21, vierde lid, van de Wet toezicht kredietwezen 1992 berust vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel op artikel 3:63, vierde lid, van laatstgenoemde wet.
5.
Een ontheffing die is verleend op grond van artikel 22, derde lid, of 30c, derde lid, van de Wet toezicht kredietwezen 1992 berust vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezicht op artikel 3:17, vierde lid, van laatstgenoemde wet.
6.
Een ontheffing die is verleend op grond van artikel 30, derde lid, van de Wet toezicht kredietwezen 1992 berust vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezicht op artikel 3:71, derde lid, van laatstgenoemde wet.
7.
Een ontheffing die is verleend op grond van artikel 30b, vierde lid, van de Wet toezicht kredietwezen 1992 van het terzake van de vereiste solvabiliteit of liquiditeit bepaalde, berust vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezicht op artikel 3:57, zesde lid, onderscheidenlijk artikel 3:63, vierde lid, van laatstgenoemde wet.
8.
Een ontheffing die is verleend op grond van artikel 55, negende lid, van de Wet toezicht kredietwezen 1992 berust vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezicht op artikel 3:72, achtste lid, van laatstgenoemde wet.
Artikel 66
Een kennisgeving die is gedaan op grond van artikel 17, eerste lid, van de Wet toezicht kredietwezen 1992 door een kredietinstelling met zetel in Nederland, berust vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezicht op artikel 2:110, eerste lid, van laatstgenoemde wet.
Artikel 67
Een kennisgeving als bedoeld in artikel 31, eerste lid, van de Wet toezicht kredietwezen 1992 die is gedaan door een toezichthoudende instantie van een andere lidstaat, wordt vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezicht aangemerkt als de mededeling, bedoeld in artikel 2:14, eerste lid, van laatstgenoemde wet.
Artikel 68
Een kennisgeving die is gedaan op grond van artikel 32, eerste lid, van de Wet toezicht kredietwezen 1992 door een bank met zetel in een andere lidstaat, berust vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezicht op artikel 2:18, eerste lid, van laatstgenoemde wet.
Artikel 69
Een kennisgeving die is gedaan op grond van artikel 32a van de Wet toezicht kredietwezen 1992 door een elektronischgeldinstelling met zetel in een andere lidstaat, berust vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezicht op artikel 2:19 van laatstgenoemde wet.
Artikel 70
Een mededeling die is gedaan op grond van artikel 48, derde lid, van de Wet toezicht kredietwezen 1992, wordt vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezicht aangemerkt als de instemming, bedoeld in artikel 2:112, eerste lid, van laatstgenoemde wet.
Artikel 71
Een bank met zetel in een andere lidstaat die op het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezicht voor het ter beschikking verkrijgen van opvorderbare gelden door middel van het verrichten van diensten in Nederland op grond van artikel 115 van de Wet toezicht kredietwezen 1992 wordt geacht te beschikken over een ontheffing als bedoeld in artikel 82 van die wet en die van de toezichthoudende instantie in de andere lidstaat een voor de uitoefening van het bedrijf van bank benodigde vergunning heeft, wordt geacht te hebben voldaan aan artikel 2:18, eerste lid, van de Wet op het financieel toezicht.
Artikel 72
Een financiële onderneming met zetel in een andere lidstaat die op 1 juli 2002 in Nederland door middel van een bijkantoor dan wel het verrichten van diensten het bedrijf van elektronischgeldinstelling uitoefent, wordt vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezicht geacht te hebben voldaan aan artikel 2:14, eerste lid, onderscheidenlijk 2:19, eerste lid, van laatstgenoemde wet.
Artikel 73
Een verklaring van geen bezwaar die is verleend op grond van artikel 26, eerste lid, van de Wet toezicht kredietwezen 1992 voor een handeling als bedoeld in artikel 23, eerste lid, of 24, eerste lid, van die wet, berust vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezicht op artikel 3:97, eerste lid, artikel 3:100, onderscheidenlijk artikel 3:101 van laatstgenoemde wet.
1.
Een verklaring van geen bezwaar die is verleend op grond van artikel 25 van de Wet toezicht kredietwezen berust vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezicht op artikel 3:97, eerste lid, of op artikel 3:100 van laatstgenoemde wet, voorzover de handelingen waarvoor de verklaring van geen bezwaar is verleend overeenkomen met de in artikel 3:95, eerste lid, bedoelde handelingen.
2.
Aan degene die reeds op 1 januari 1979 een gekwalificeerde deelneming hield waarvoor ingevolge de artikelen 3:95, eerste lid, onderscheidenlijk 3:96, eerste lid, van de Wet op het financieel toezicht een verklaring van geen bezwaar is vereist, wordt geacht een verklaring van geen bezwaar te zijn verleend op grond van de artikelen 3:97, eerste lid, 3:100, eerste lid, onderscheidenlijk 3:101 van laatstgenoemde wet.
Artikel 75
Een verklaring van geen bezwaar als bedoeld in artikel 23 of 24 van de Wet toezicht kredietwezen 1992 die vóór 15 september 2004 is verleend, wordt vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezicht geacht te zijn verleend voor een deelneming tot de eerstvolgende bovengrens van 20, 33, 50 of 100 procent, tenzij:
a. de verklaring van geen bezwaar is verleend voor een deelneming die ligt op een van genoemde grenzen; of
Artikel 76
Een besluit dat is genomen op grond van artikel 12 van de Wet toezicht kredietwezen 1992 berust vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezicht op artikel 3:111, tweede lid, van laatstgenoemde wet.
Artikel 77
Een beschikking die is gegeven op grond van artikel 14a van de Wet toezicht kredietwezen 1992, berust vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezicht op artikel 1:78, eerste lid, van laatstgenoemde wet.
Artikel 78
Een verklaring van ondertoezichtstelling die is afgegeven op grond van artikel 45, eerste lid, van de Wet toezicht kredietwezen 1992 berust vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezicht op artikel 3:110, eerste lid, van laatstgenoemde wet.
Artikel 79
Een beschikking die is gegeven op grond van artikel 55, derde lid, van de Wet toezicht kredietwezen 1992, berust vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezicht op artikel 3:72, zesde lid, van laatstgenoemde wet.
Artikel 80
Een vergunning die is verleend op grond van artikel 14 van de Wet toezicht natura-uitvaartverzekeringsbedrijf berust vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezicht op artikel 2:49 van laatstgenoemde wet.
Artikel 81
Een ontheffing die is verleend op grond van artikel 36, tweede lid, van de Wet toezicht natura-uitvaartverzekeringsbedrijf berust vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezicht op artikel 2:165, derde lid, van laatstgenoemde wet .
1.
Een ontheffing die is verleend op grond van artikel 17, vierde lid, van de Wet toezicht natura-uitvaartverzekeringsbedrijf, berust vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezicht op artikel 3:19, derde lid, van laatstgenoemde wet.
2.
Een ontheffing die is verleend op grond van artikel 23, vierde lid, van de Wet toezicht natura-uitvaartverzekeringsbedrijf, berust vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezicht op artikel 3:47, vierde lid, van laatstgenoemde wet.
3.
Een ontheffing die is verleend op grond van artikel 25, tweede lid, van de Wet toezicht natura-uitvaartverzekeringsbedrijf berust vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezicht op artikel 4:20, zesde lid, van laatstgenoemde wet.
4.
Een ontheffing die is verleend op grond van artikel 32, tweede lid, van de Wet toezicht natura-uitvaartverzekeringsbedrijf, berust vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezicht op artikel 3:70, tweede lid, voorzover de ontheffing is verleend aan een verzekeraar met zetel in Nederland, onderscheidenlijk 3:79 van laatstgenoemde wet, voorzover de ontheffing is verleend aan een levensverzekeraar of schadeverzekeraar met zetel in een staat die geen lidstaat is, die zijn bedrijf uitoefent vanuit in Nederland gelegen bijkantoren.
5.
Een ontheffing die is verleend op grond van artikel 38, vierde lid, van de Wet toezicht natura-uitvaartverzekeringsbedrijf berust vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezicht op artikel 3:69, derde lid, van laatstgenoemde wet.
6.
Een ontheffing die is verleend op grond van artikel 45, vierde lid, van de Wet toezicht natura-uitvaartverzekeringsbedrijf berust vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezicht op artikel 3:69, derde lid, van laatstgenoemde wet.
Artikel 83
Een verklaring van geen bezwaar die is verleend op grond van artikel 84, eerste lid, van de Wet toezicht natura-uitvaartverzekeringsbedrijf berust vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezicht op artikel 3:97, eerste lid, of op artikel 3:100 van laatstgenoemde wet.
Artikel 84
Een verklaring van geen bezwaar als bedoeld in artikel 82 van de Wet toezicht natura-uitvaartverzekeringsbedrijf die vóór 15 september 2004 is verleend, wordt vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezicht geacht te zijn verleend voor een deelneming tot de eerstvolgende bovengrens van 20, 33, 50 of 100 procent, tenzij:
a. de verklaring van geen bezwaar is verleend voor een deelneming die ligt op een van genoemde grenzen; of
Artikel 85
Een beslissing tot toestemming die is gegeven op grond van artikel 40a, vijfde lid, van de Wet toezicht natura-uitvaartverzekeringsbedrijf, wordt vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezicht aangemerkt als de instemming, bedoeld in artikel 2:121, eerste lid, van laatstgenoemde wet.
Artikel 86
Een overlegging van bescheiden op grond van artikel 49, tweede lid, van de Wet toezicht natura-uitvaartverzekeringsbedrijf door een natura-uitvaartverzekeraar met zetel buiten Nederland, wordt vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezicht aangemerkt als de kennisgeving, bedoeld in artikel 2:54, eerste lid, van laatstgenoemde wet.
Artikel 87
Een beschikking die is gegeven op grond van artikel 51, tweede lid, van de Wet toezicht natura-uitvaartverzekeringsbedrijf berust vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezicht op artikel 1:67, eerste lid, van laatstgenoemde wet.
1.
Een beschikking die is gegeven op grond van artikel 33, tweede lid, van de Wet natura-uitvaartverzekeringsbedrijf, berust vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezicht op artikel 3:72, zesde lid, van laatstgenoemde wet.
2.
Een beschikking die is gegeven op grond van artikel 33, vierde lid, of 33a, vijfde lid, van de Wet toezicht natura-uitvaartverzekeringsbedrijf berust vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezicht op artikel 1:78, eerste lid, van laatstgenoemde wet.
3.
Een beschikking die is gegeven of machtiging die is verleend op grond van artikel 56, eerste lid, van de Wet toezicht natura-uitvaartverzekeringsbedrijf berust vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezicht op artikel 3:135, eerste lid, van laatstgenoemde wet.
4.
Een beschikking die is gegeven of machtiging die is verleend op grond van artikel 56, tweede lid, van de Wet toezicht natura-uitvaartverzekeringsbedrijf berust vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezicht op artikel 3:146, eerste lid, van laatstgenoemde wet.
5.
Een beschikking die is gegeven op grond van artikel 57, eerste lid, van de Wet toezicht natura-uitvaartverzekeringsbedrijf berust vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezicht op artikel 3:136, eerste lid, voorzover de beschikking is gegeven aan een verzekeraar met zetel in Nederland of 3:147 van laatstgenoemde wet, voorzover de beschikking is gegeven aan een natura-uitvaartverzekeraar met zetel in een niet-aangewezen staat.
6.
Een beschikking die is gegeven op grond van artikel 57, tweede lid, van de Wet toezicht natura-uitvaartverzekeringsbedrijf berust vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezicht op artikel 3:136, tweede lid, voorzover de beschikking is gegeven aan een verzekeraar met zetel in Nederland of 3:147 van laatstgenoemde wet, voorzover de beschikking is gegeven aan een natura-uitvaartverzekeraar met zetel in een niet-aangewezen staat.
7.
Een beschikking die is gegeven of machtiging die is verleend op grond van artikel 59, eerste lid, van de Wet toezicht natura-uitvaartverzekeringsbedrijf berust vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezicht op artikel 3:138, eerste lid, voorzover de beschikking is gegeven aan een verzekeraar met zetel in Nederland of 3:147 van laatstgenoemde wet, voorzover de beschikking is gegeven aan een natura-uitvaartverzekeraar met zetel in een niet-aangewezen staat.
Artikel 89
Ten aanzien van overeenkomsten van natura-uitvaartverzekering die met een onderlinge waarborgmaatschappij zijn gesloten voor 26 juli 1976 en waaruit rechten en verplichtingen na 31 december 1995 zijn of zullen worden overgedragen, geldt artikel 62, aanhef en onderdeel a, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek van de overdracht af, zulks in afwijking van artikel 47, tweede lid, van de Overgangswet voor het nieuwe Burgerlijk Wetboek .
Artikel 90
Ingeval voor 1 januari 1996 de faillietverklaring van een natura-uitvaartverzekeraar is uitgesproken, blijven op het faillissement en op de vereffening of de overdracht van verbintenissen de bepalingen van toepassing die voor dat tijdstip golden.
Artikel 91
Een vergunning die is verleend op grond van artikel 27, eerste lid, van de Wet toezicht verzekeringbedrijf 1993 berust vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezicht op artikel 2:31, eerste lid, voorzover de vergunning is verleend aan een persoon met zetel in Nederland voor het uitoefenen van het bedrijf van levensverzekeraar of schadeverzekeraar, 2:37, eerste lid, voorzover de vergunning is verleend aan een persoon met zetel in een andere lidstaat voor het vanuit een in Nederland gelegen bijkantoor uitoefenen van het bedrijf van levensverzekeraar of schadeverzekeraar dan wel op grond van artikel 2:41, eerste lid, van laatstgenoemde wet, voorzover de vergunning is verleend aan een persoon met zetel in een staat die geen lidstaat is voor het uitoefenen van het bedrijf van levensverzekeraar of schadeverzekeraar vanuit een bijkantoor in Nederland.
1.
Een vergunning die is verleend op grond van artikel 10 van de Wet toezicht verzekeringsbedrijf en die op het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezicht wordt beschouwd te zijn verkregen op grond van artikel 35 of artikel 47 van de Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993, berust vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezicht op artikel 2:31, eerste lid, onderscheidenlijk artikel 2:41, eerste lid, van laatstgenoemde wet.
2.
Een levensverzekeraar of schadeverzekeraar met zetel in een andere lidstaat die het bedrijf van levensverzekeraar of schadeverzekeraar vanuit een in Nederland gelegen bijkantoor uitoefent en die op het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezicht op grond van artikel 190, tweede lid, van de Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993 wordt geacht te hebben voldaan aan artikel 37 van de Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993, wordt geacht de mededelingen, bedoeld in artikel 2:35 van de Wet op het financieel toezicht te hebben ontvangen.
1.
Op levensverzekeraars en schadeverzekeraars die op 20 maart 2002 een vergunning hadden om het levensverzekeringsbedrijf onderscheidenlijk het schadeverzekeringsbedrijf uit te oefenen, blijft tot 20 maart 2007 het bij of krachtens de artikelen 68 of 69 van de Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993 bepaalde van toepassing zoals dit luidde op 30 november 2003.
2.
Indien een verzekeraar als bedoeld in het eerste lid op 20 maart 2007 nog niet volledig voldoet aan het bij of krachtens de artikelen 68 of 96 van de Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993 bepaalde, kan de Nederlandsche Bank daartoe een aanvullende termijn van ten hoogste twee jaar toestaan, mits de verzekeraar voor genoemde datum de maatregelen die hij voornemens is te nemen om de vereiste solvabiliteitsmarge te bereiken overeenkomstig artikel 138 of 144 van de Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993 ter toestemming bij de Nederlandsche Bank heeft ingediend en zij die toestemming heeft verleend.
1.
Een ontheffing die is verleend op grond van artikel 28, vierde lid, van de Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993 berust vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezicht op artikel 3:15, derde lid, of  3:19, derde lid, van laatstgenoemde wet.
2.
Een ontheffing die is verleend op grond van artikel 45, vierde lid, van de Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993 berust vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezicht op artikel 3:47, vierde lid, van laatstgenoemde wet.
3.
Een ontheffing die is verleend op grond van artikel 51, tweede lid, van de Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993 berust vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezicht op artikel 4:20, zesde lid, van laatstgenoemde wet.
4.
Een ontheffing die is verleend op grond van artikel 52, zevende lid, van de Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993, berust vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezicht op artikel 4:71, zesde lid, van laatstgenoemde wet.
5.
Een ontheffing die is verleend op grond van artikel 66, zevende lid, van de Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993 berust vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezicht op artikel 3:67, vijfde lid, van laatstgenoemde wet.
6.
Een ontheffing die is verleend op grond van artikel 67, derde lid, van de Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993 berust vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezicht op artikel 3:67, vijfde lid, van laatstgenoemde wet.
7.
Een ontheffing die is verleend op grond van artikel 71, tweede lid, van de Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993 berust vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezicht op artikel 3:70, tweede lid, van laatstgenoemde wet.
8.
Een ontheffing die is verleend grond van artikel 76, tweede lid, van de Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993 berust vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezicht op artikel 2:165, derde lid, van laatstgenoemde wet .
9.
Een ontheffing die is verleend op grond van artikel 94, achtste lid, van de Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993, berust vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezicht op artikel 3:68, vierde lid, van laatstgenoemde wet.
10.
Een ontheffing die is verleend op grond van artikel 99, tweede lid, van de Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993, berust vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezicht op 3:79 van laatstgenoemde wet.
11.
Een ontheffing die is verleend op grond van artikel 104, tweede lid, van de Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993 berust vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezicht op artikel 2:166, tweede lid, van laatstgenoemde wet .
12.
Een ontheffing die is verleend op grond van artikel 109, tiende lid, van de Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993 berust vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezicht op artikel 4:71, zesde lid, van laatstgenoemde wet.
13.
Een ontheffing die is verleend op grond van artikel 147k, elfde lid, van de Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993 berust vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezicht op artikel 3:156, achtste lid, van laatstgenoemde wet.
Artikel 95
Een ontheffing die is verleend op grond van artikel 13, zesde lid, van de Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993 blijft vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezicht voor een periode van ten hoogste een jaar geldig.
Artikel 96
Een verklaring van geen bezwaar die is verleend op grond van artikel 176, eerste lid, van de Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993 berust vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezicht op artikel 3:97, tweede lid, van die wet, voorzover de verklaring van geen bezwaar is verleend voor een handeling als bedoeld in het eerste lid van laatstgenoemd artikel, of op artikel 3:100 van de Wet op het financieel toezicht, voorzover de verklaring van geen bezwaar is verleend voor een handeling als bedoeld in artikel 3:95, eerste lid, van die wet.
1.
Een verklaring van geen bezwaar die is verleend op grond van artikel 81 van de Wet toezicht verzekeringsbedrijf berust vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezicht op artikel 3:97, eerste lid, dan wel op artikel 3:100 van laatstgenoemde wet, voorzover de handelingen waarvoor de verklaring van geen bezwaar is verleend overeenkomen met de in artikel 3:95, eerste lid, van de Wet op het financieel toezicht bedoelde handelingen.
2.
Degene die voor het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet toezicht verzekeringsbedrijf een gekwalificeerde deelneming hield, wordt geacht te beschikken over een verklaring van geen bezwaar als bedoeld in artikel 3:95, eerste lid, van de Wet op het financieel toezicht.
Artikel 98
Een verklaring van geen bezwaar als bedoeld in artikel 175 van de Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993 die voor 15 september 2004 is verleend, wordt vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezicht geacht te zijn verleend voor een deelneming tot de eerstvolgende bovengrens van 20, 33, 50 of 100 procent, tenzij:
a. de verklaring van geen bezwaar is verleend voor een deelneming die ligt op een van genoemde grenzen; of
Artikel 99
Een mededeling die is gedaan op grond van artikel 111, eerste lid, of artikel 113, eerste lid, van de Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993 door een levensverzekeraar of schadeverzekeraar met zetel in een andere lidstaat, berust vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezicht op artikel 2:34, eerste lid, van laatstgenoemde wet.
Artikel 100
Een mededeling die is gedaan op grond van artikel 50g, 50m, 50t of 50z van de Wet toezicht verzekeringsbedrijf door een schadeverzekeraar of levensverzekeraar met zetel in een andere lidstaat, berust vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezicht op artikel 2:34, eerste lid, van laatstgenoemde wet.
Artikel 101
Een mededeling die is gedaan op grond van artikel 116, eerste lid, van de Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993 door een levensverzekeraar of een schadeverzekeraar met zetel in een staat die geen lidstaat is, berust vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezicht op artikel 2:46, eerste lid, van laatstgenoemde wet.
Artikel 102
Een mededeling die is gedaan op grond van artikel 118, eerste lid, van de Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993 door een levensverzekeraar of een schadeverzekeraar met zetel in een staat die geen lidstaat is, berust vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezicht op artikel 2:45, eerste lid, van laatstgenoemde wet.
Artikel 103
Een verklaring die is afgegeven op grond van artikel 49, eerste lid, van de Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993 wordt vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezicht aangemerkt als een ontheffing op grond van artikel 3:60, eerste lid, van laatstgenoemde wet.
Artikel 104
Een machtiging die is verleend op grond van artikel 147e, eerste lid, van de Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993 berust vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezicht op artikel 3:154, eerste lid, van laatstgenoemde wet.
1.
Een beschikking die is gegeven op grond van artikel 72, vierde lid, 72a, vijfde lid, 100, vierde lid of 100a, vijfde lid, van de Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993, berust vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezicht op artikel 1:78, eerste lid, van laatstgenoemde wet.
2.
Een beschikking die is gegeven op grond van artikel 100, tweede lid, van de Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993, berust vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezicht op artikel 3:72, zesde lid, van laatstgenoemde wet.
3.
Een beschikking die is gegeven op grond van artikel 115, tweede lid, van de Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993, berust vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezicht op artikel 1:58, tweede lid, van laatstgenoemde wet.
4.
Een beschikking die is gegeven op grond van artikel 120, tweede lid, van de Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993, berust vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezicht op artikel 1:66, tweede lid, van laatstgenoemde wet.
5.
Een beschikking die is gegeven of machtiging die is verleend op grond van artikel 137, eerste lid, van de Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993 berust vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezicht op artikel 3:135, eerste lid, van laatstgenoemde wet.
6.
Een beschikking die is gegeven op grond van artikel 137a, eerste lid, van de Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993 berust vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezicht op artikel 3:132, eerste lid, van laatstgenoemde wet.
7.
Een beschikking die is gegeven op grond van artikel 138, eerste lid, van de Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993 berust vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezicht op artikel 3:136, eerste lid, van laatstgenoemde wet.
8.
Een beschikking die is gegeven op grond van artikel 138, tweede lid, van de Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993 berust vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezicht op artikel 3:136, tweede lid, van laatstgenoemde wet.
9.
Een beschikking die is gegeven of machtiging die is verleend op grond van artikel 140, eerste lid, van de Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993 berust vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezicht op artikel 3:138, eerste lid, van laatstgenoemde wet.
10.
Een beschikking die is gegeven of machtiging die is verleend op grond van artikel 140a, eerste lid, van de Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993 berust vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezicht op artikel 3:139, eerste lid, van laatstgenoemde wet.
11.
Een beschikking die is gegeven op grond van artikel 141, tweede lid, van de Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993 berust vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezicht op artikel 1:59, eerste lid, van laatstgenoemde wet.
12.
Een beschikking die is gegeven of machtiging die is verleend op grond van artikel 143, eerste lid, van de Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993 berust vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezicht op artikel 3:141, eerste lid, van laatstgenoemde wet.
13.
Een beschikking die is gegeven op grond van artikel 144 van de Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993 berust vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezicht op artikel 3:136 van laatstgenoemde wet.
14.
Een beschikking die is gegeven of machtiging die is verleend op grond van artikel 146, eerste lid, van de Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993 berust vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezicht op artikel 3:144, eerste lid, van laatstgenoemde wet.
15.
Een beschikking die is gegeven of machtiging die is verleend op grond van artikel 146a, eerste lid, van de Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993 berust vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezicht op artikel 3:145, eerste lid, van laatstgenoemde wet.
16.
Een beschikking die is gegeven op grond van artikel 147, tweede lid van de Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993, berust vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezicht op artikel 1:59, tweede lid, van laatstgenoemde wet.
17.
Een beschikking die is gegeven op grond van artikel 147h van de Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993 berust vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezicht op artikel 3:153 van laatstgenoemde wet.
18.
Een beschikking die is gegeven op grond van artikel 147k, vijfde of zesde lid, van de Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993 berust vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezicht op artikel 3:156, vijfde onderscheidenlijk zesde lid, van laatstgenoemde wet.
19.
Een beschikking die is gegeven of een machtiging die is verleend op grond van artikel 153, eerste lid, van de Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993 berust vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezicht op artikel 3:135, eerste lid, van laatstgenoemde wet.
Artikel 106
Een besluit dat is genomen op grond van een van de artikelen van de Wet toezicht verzekeringsbedrijf , genoemd in kolom A, wordt vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezicht , aangemerkt als besluit in de zin van het in kolom B genoemde artikel van de Wet op het financieel toezicht . Wet toezicht verzekeringsbedrijf Wet op het financieel toezicht 17, vierde lid artikel 17, tweede lid 3:15. derde lid 17, vierde lid artikel 17, derde lid 3:19 derde lid 24 22, vierde lid 3:47, vierde lid 25, eerste lid 3:60, eerste lid 26, vijfde lid 4:70, achtste lid 27, tweede lid 3:70 1:59, tweede lid 34 1:75 1:76 37, vijfde lid 3:67, vijfde lid 42, vijfde lid 3:68, vierde lid 4:71, zesde lid 1:58, tweede lid 1:66, tweede lid 1:75 1:58, tweede lid 1:66, tweede lid 1:75 1:58, tweede lid 1:66, tweede lid 1:75 1:58, tweede lid 1:66, tweede lid 1:75 3:119, vierde lid 54, eerste lid 3:140, tweede lid 3:141, eerste lid 54, derde lid 3:140, eerste lid 55, eerste lid 3:136, eerste lid 3:142 55, tweede lid 3:136 tweede lid 3:142 57, eerste lid 3:138, eerste lid 3:144, eerste lid 83, vijfde lid 4:20
A. B.
(ontheffing van )
(ontheffing van )
juncto
29g, tweede lid
en
35a, tweede lid 2:165 en 2:166
50e, tiende lid
50k, tweede lid (schadeverzekeraar met zetel in andere lidstaat), (schadeverzekeraar met zetel in een staat die geen lidstaat is), (voor wat betreft de voorschriften ter zake van acquisitie)
50o, eerste lid (schadeverzekeraar met zetel in andere lidstaat), (schadeverzekeraar met zetel in een staat die geen lidstaat is), (voor wat betreft de voorschriften ter zake van acquisitie)
50x, tweede lid (levensverzekeraar met zetel in andere lidstaat), (levensverzekeraar met zetel in een staat die geen lidstaat is), (voor wat betreft de voorschriften ter zake van acquisitie)
50bb, eerste lid (levensverzekeraar met zetel in andere lidstaat), (levensverzekeraar met zetel in een staat die geen lidstaat is), (voor wat betreft de voorschriften ter zake van acquisitie)
53c, vierde lid
(levensverzekeraar of schadeverzekeraar met zetel in andere lidstaat), (levensverzekeraar of schadeverzekeraar met zetel in een staat die geen lidstaat is)
(verzekeraar met zetel in Nederland); (levensverzekeraar of schadeverzekeraar met zetel in een staat die geen lidstaat is)
(verzekeraar met zetel in Nederland); (levensverzekeraar of schadeverzekeraar met zetel in een staat die geen lidstaat is)
(verzekeraar met zetel in Nederland); (levensverzekeraar of schadeverzekeraar met zetel in een staat die geen lidstaat is)
1.
Voorzieningen die zijn getroffen voor 4 december 1985 en die in strijd waren met artikel 13, vierde lid, aanhef en onderdeel a, onder 3°, onderdelen b en c, onderdeel d, onder 2°, en onderdeel e, onder 2°, van de Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993 zoals deze wet luidde voor de inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezicht kunnen worden voortgezet, voorzover:
a. zij hebben geleid tot overeenkomsten van pensioenverzekering, gesloten voor 19 december 1987;
b. zij na 19 december 1987 hebben geleid of leiden tot een verhoging of uitbreiding van een pensioenverzekering als bedoeld in onderdeel a, mits het fonds, de onderneming of de pensioeninstelling daartoe krachtens de voorwaarden van die verzekering of van de voorziening, zoals deze luidden op 19 december 1987, gehouden was of is;
c. zij in de periode vanaf 19 december 1987 tot en met 18 juni 1988 hebben geleid tot nieuwe overeenkomsten van pensioenverzekering, verhoging of uitbreiding van die verzekeringen daaronder begrepen, tot het sluiten waarvan het fonds, de onderneming of de pensioeninstelling gehouden was.
2.
Handelingen die ingevolge het eerste lid zijn toegestaan, worden niet beschouwd als de uitoefening van het bedrijf van levensverzekeraar of schadeverzekeraar.
Artikel 108
Ten aanzien van overeenkomsten van schadeverzekering of levensverzekering die door een onderlinge waarborgmaatschappij zijn gesloten voor 26 juli 1976 en waaruit rechten en verplichtingen na 1 januari 1994 zijn of zullen worden overgedragen, geldt artikel 62, aanhef en onderdeel a, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek van de overdracht af, zulks in afwijking van artikel 47, tweede lid, van de Overgangswet voor het nieuwe Burgerlijk Wetboek .
Artikel 109
De artikelen 85, 86, 86a, 86b, 88 en 89 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek zijn van overeenkomstige toepassing op een vruchtgebruik van en een pandrecht op aandelen in het waarborgkapitaal van een onderlinge waarborgmaatschappij, gevestigd voor 1 januari 1986.
1.
Het is een financiële onderneming met zetel in Nederland, niet zijnde een bank, die op het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezicht in Nederland het bedrijf van clearinginstelling uitoefent, toegestaan zonder vergunning haar werkzaamheden voort te zetten, indien zij voldoet aan het vierde lid.
2.
Het is een financiële onderneming met zetel buiten Nederland, niet zijnde een bank met zetel in een andere lidstaat, noch zijnde een clearinginstelling met zetel in een staat die door Onze Minister is aangewezen ingevolge artikel 2:6, tweede lid, van de Wet op het financieel toezicht, die op het tijdstip van inwerkingtreding van die wet in Nederland het bedrijf van clearinginstelling uitoefent vanuit een in Nederland gelegen bijkantoor, toegestaan zonder vergunning haar werkzaamheden voort te zetten, indien zij voldoet aan het vijfde lid.
3.
Het is een financiële onderneming met zetel buiten Nederland, niet zijnde een bank met zetel in een andere lidstaat, noch zijnde een clearinginstelling met zetel in een staat die door Onze Minister is aangewezen ingevolge artikel 2:8, tweede lid, van de Wet op het financieel toezicht, die op het tijdstip van inwerkingtreding van die wet het bedrijf van clearinginstelling uitoefent door middel van het verrichten van diensten naar Nederland, toegestaan zonder dat zij heeft voldaan aan artikel 2:8, eerste lid, van die wet haar werkzaamheden voort te zetten, indien zij voldoet aan het zesde lid.
4.
De financiële onderneming, bedoeld in het eerste lid, vraagt binnen één maand vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezicht een vergunning aan bij de Nederlandsche Bank en verstrekt binnen zes maanden vanaf het tijdstip waarop die wet in werking treedt aan de Nederlandsche Bank de gegevens, bedoeld in artikel 2:5, tweede lid, van laatstgenoemde wet.
5.
De financiële onderneming, bedoeld in het tweede lid, vraagt binnen één maand vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezicht een vergunning aan bij de Nederlandsche Bank en verstrekt binnen zes maanden vanaf dat tijdstip aan de Nederlandsche Bank de gegevens, bedoeld in artikel 2:7, tweede lid, van die wet.
6.
De financiële onderneming, bedoeld in het derde lid, meldt zich binnen één maand vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezicht bij de Nederlandsche Bank en verstrekt binnen zes maanden vanaf dat tijdstip aan de Nederlandsche Bank de gegevens, bedoeld in artikel 2:9, eerste lid, van die wet.
7.
Het eerste en tweede lid zijn van toepassing op de daarin bedoelde financiële onderneming totdat de Nederlandsche Bank op haar vergunningaanvraag heeft beslist.
8.
Het derde lid is van toepassing op de financiële onderneming totdat de Nederlandsche Bank heeft beslist dat is voldaan aan artikel 2:8 van de Wet op het financieel toezicht.
9.
De Nederlandsche Bank beslist binnen 12 maanden na het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezicht op een aanvraag als bedoeld in het eerste en tweede lid. Bij ministeriële regeling kan deze termijn twee maal worden verlengd met een periode van maximaal een half jaar.
10.
De Nederlandsche Bank beslist binnen 12 maanden na het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezicht of voldaan is aan artikel 2:8 van die wet. Bij ministeriële regeling kan deze termijn twee maal worden verlengd met een periode van maximaal een half jaar.
11.
De financiële onderneming die op grond van het vierde of vijfde lid een vergunning heeft aangevraagd wordt als aanvrager ingeschreven in het register, bedoeld in artikel 1:107, van de Wet op het financieel toezicht. De Nederlandsche Bank haalt deze inschrijving door zodra zij op de aanvraag heeft beslist.
12.
De financiële onderneming die op grond van het zesde lid zich bij de Nederlandsche Bank heeft gemeld wordt ingeschreven in het register, bedoeld in artikel 1:107, van de Wet op het financieel toezicht, als een onderneming die aan de Nederlandsche Bank kennis heeft gegeven van het voornemen door middel van dienstverrichting naar Nederland het bedrijf van clearinginstelling te verrichten. De Nederlandsche Bank haalt deze inschrijving door zodra zij heeft beslist dat is voldaan aan artikel 2:8 van de Wet op het financieel toezicht.
1.
Het is een financiële instelling, niet zijnde een bank, met zetel in een staat die is aangewezen ingevolge artikel 2:6, tweede lid, van de Wet op het financieel toezicht, die op het moment van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezicht vanuit een in Nederland gelegen bijkantoor of door middel van het verrichten van diensten naar Nederland het bedrijf van clearinginstelling uitoefent, toegestaan haar werkzaamheden voort te zetten, onder de voorwaarde dat zij binnen twee maanden na de inwerkingtreding aan de Nederlandsche Bank kennis geeft van de voortzetting.
2.
De financiële onderneming kan haar werkzaamheden blijven uitoefenen door middel van het verrichten van diensten naar Nederland nadat de kennisgeving is gedaan tenzij de Nederlandsche Bank mededeelt dat de voortzetting of de wijze van uitoefening in strijd is met de Wet op het financieel toezicht .
3.
Indien de Nederlandsche Bank een kennisgeving als bedoeld in het eerste lid heeft ontvangen, deelt zij de betrokken clearinginstelling onverwijld deze ontvangst mee.
4.
De Nederlandsche Bank kan binnen twee maanden na ontvangst van de kennisgeving de clearinginstelling mededelen welke voorwaarden om redenen van algemeen belang door de clearinginstelling in acht moeten worden genomen bij het uitoefenen van haar bedrijf vanuit het in Nederland gelegen bijkantoor.
1.
Het verbod, bedoeld in artikel 3:6, eerste lid, van de Wet op het financieel toezicht is niet van toepassing op degene die op het tijdstip waarop die wet in werking treedt optreedt als waarborg- of garantiefonds, indien deze binnen twee maanden na dat tijdstip een aanvraag indient voor een vergunning voor het uitoefenen van het bedrijf van schadeverzekeraar, en voor zover de Nederlandsche Bank nog niet op die aanvraag heeft beslist.
2.
De Nederlandsche Bank beslist binnen 12 maanden na het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezicht op de aanvraag. Bij ministeriële regeling kan deze termijn tweemaal worden verlengd met een periode van maximaal zes maanden.
3.
Degene die op grond van het eerste lid een vergunning heeft aangevraagd wordt als aanvrager ingeschreven in het register, bedoelt in artikel 1:107, eerste lid, van de Wet op het financieel toezicht. De Nederlandsche Bank haalt deze inschrijving door zodra zij op de aanvraag heeft beslist.
Artikel 112
[Wijzigt de Brandweerwet 1985.]
Artikel 113
[Wijzigt de Wet gevolgen privatisering ABP voor het personeel van de Koninklijke Hofhouding.]
Artikel 114
[Wijzigt de Wet privatisering ABP.]
Artikel 115
[Wijzigt de Sanctiewet 1977.]
Artikel 116
[Wijzigt de Colportagewet.]
Artikel 117
[Wijzigt de Handelsregisterwet 1996.]
Artikel 118
[Wijzigt de Mededingingswet.]
Artikel 119
[Wijzigt de Vestigingswet Bedrijven 1954.]
Artikel 120
[Wijzigt de Wet handhaving consumentenbescherming.]
Artikel 121
[Wijzigt de Algemene wet inzake rijksbelastingen.]
Artikel 122
[Wijzigt de Comptabiliteitswet 2001.]
Artikel 123
[Wijzigt de Fusiewet De Nederlandsche Bank N.V. en de Stichting Pensioen- & Verzekeringskamer.]
Artikel 124
[Wijzigt de Invorderingswet 1990.]
Artikel 125
[Wijzigt de Kaderwet financiële verstrekkingen Financiën.]
Artikel 126
[Wijzigt de Noodwet financieel verkeer.]
Artikel 127
[Wijzigt de Wet giraal effectenverkeer.]
Artikel 128
[Wijzigt de Wet identificatie bij dienstverlening.]
Artikel 129
[Wijzigt de Wet inkomstenbelasting 2001.]
Artikel 130
[Wijzigt de Wet inzake de geldtransactiekantoren.]
Artikel 131
[Wijzigt de Wet melding ongebruikelijke transacties.]
Artikel 132
[Wijzigt de Wet op belastingen van rechtsverkeer.]
Artikel 133
[Wijzigt de Wet op de dividendbelasting 1965.]
Artikel 134
[Wijzigt de Wet op de loonbelasting 1964.]
Artikel 135
[Wijzigt de Wet op de vennootschapsbelasting 1969.]
Artikel 135a
[Wijzigt de Wet op het financieel toezicht.]
Artikel 136
[Wijzigt de Wet toezicht financiële verslaggeving.]
Artikel 137
[Wijzigt de Wet toezicht trustkantoren.]
Artikel 138
[Wijzigt het Burgerlijk Wetboek Boek 1.]
Artikel 139
[Wijzigt het Burgerlijk Wetboek Boek 2.]
Artikel 140
[Wijzigt het Burgerlijk Wetboek Boek 7.]
Artikel 141
[Wijzigt de Faillissementswet.]
Artikel 142
[Wijzigt de Gerechtsdeurwaarderswet.]
Artikel 143
[Wijzigt de Onteigeningswet.]
Artikel 144
[Wijzigt de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen.]
Artikel 145
[Wijzigt de Wet aansprakelijkheid olietankschepen.]
Artikel 146
[Wijzigt de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften.]
Artikel 147
[Wijzigt de Wet bescherming persoonsgegevens.]
Artikel 148
[Wijzigt de Wet bestuursrechtspraak bedrijfsorganisatie.]
Artikel 149
[Wijzigt de Wet Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen.]
Artikel 150
[Wijzigt de Wet op de economische delicten.]
Artikel 151
[Wijzigt de Wet op het notarisambt.]
Artikel 152
[Wijzigt de Uitvoeringswet enkele conflictenrechtelijke bepalingen van richtlijn nr. 88/357/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 22 juni 1988, enz..]
Artikel 153
[Wijzigt de Uitvoeringswet Verdrag inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst.]
Artikel 154
[Wijzigt het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.]
Artikel 155
[Wijzigt het Wetboek van Strafvordering.]
Artikel 156
[Wijzigt de Wet agrarisch grondverkeer.]
Artikel 157
[Wijzigt de Wet verzelfstandiging Staatsbosbeheer.]
Artikel 158
[Wijzigt de Pensioen- en spaarfondsenwet.]
Artikel 159
[Wijzigt de Wet financiering sociale verzekeringen.]
Artikel 161
[Wijzigt de Wet privatisering FVP.]
Artikel 162
[Wijzigt de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen.]
Artikel 163
[Wijzigt de Wet verplichte beroepspensioenregeling.]
Artikel 164
[Wijzigt de Wet verplichte deelneming in een bedrijfstakpensioenfonds 2000.]
Artikel 165
[Wijzigt de Wet werk en bijstand.]
Artikel 166
[Wijzigt de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten.]
Artikel 167
[Wijzigt de Invoerings- en aanpassingswet Zorgverzekeringswet.]
Artikel 168
[Wijzigt de Wet marktordening gezondheidszorg.]
Artikel 169
[Wijzigt de Zorgverzekeringswet.]
Artikel 170
[Wijzigt de Wet toezicht financiële verslaggeving en deze wet.]
Artikel 171
[Wijzigt de Wet handhaving consumentenbescherming.]
Artikel 172
[Wijzigt de Fusiewet De Nederlandsche Bank N.V. en de Stichting Pensioen- & Verzekeringskamer.]
Artikel 173
Vervallen.
Artikel 174
[Wijzigt deze wet.]
Artikel 175
[Wijzigt deze wet.]
Artikel 175a
Artikel 5:86 van de Wet op het financieel toezicht is van toepassing met ingang van het boekjaar aanvangt op of na het tijdstip van inwerkingtreding van die wet .
1.
Bij ministeriële regeling kunnen, voorzover dit noodzakelijk is voor de invoering van de Wet op het financieel toezicht of van deze wet en zo nodig in afwijking van deze wet, tijdelijke voorzieningen worden getroffen.
2.
Na de plaatsing in de Staatscourant van een krachtens het eerste lid vastgestelde ministeriële regeling wordt een voorstel van wet tot regeling van het betrokken onderwerp zo spoedig mogelijk bij de Staten-Generaal ingediend. Indien het voorstel wordt ingetrokken of indien een van beide kamers der Staten-Generaal besluit het voorstel niet aan te nemen, wordt de ministeriële regeling onverwijld ingetrokken. Wordt het voorstel tot wet verheven, dan wordt de ministeriële regeling ingetrokken op het tijdstip van inwerkingtreding van die wet.
Artikel 177
Onze Minister brengt voor plaatsing van deze wet in het Staatsblad de in deze wet voorkomende verwijzingen naar artikelen uit de Wet op het financieel toezicht in overeenstemming met de op grond van artikel 7:1 van die wet opnieuw vastgestelde nummering.
Artikel 178
De Wet van 6 december 1999, houdende bepalingen ter vrijwaring van kredietinstellingen en andere financiële instellingen tegen aansprakelijkheid in verband met maatregelen die samenhangen met sluiting van betalings- en effectenafwikkelsystemen op 31 december 1999 (Stb. 589), de Wet financiële dienstverlening , de Wet melding zeggenschap en kapitaalbelang in effectenuitgevende instellingen , de Wet toezicht beleggingsinstellingen , de Wet toezicht effectenverkeer 1995 , met uitzondering van het bepaalde bij of krachtens de artikelen 1, onderdelen a, e, n, o en p, 2, 5a, met dien verstande dat voor «artikel 5» wordt gelezen « artikel 5:24 van de Wet op het financieel toezicht», 6a, met dien verstande dat voor «op grond van artikel 22 erkende effectenbeurs» wordt gelezen «markt in financiële instrumenten waarvan de houder een erkenning heeft als bedoeld in artikel 5:26, eerste lid, van de Wet op het financieel toezicht», 6b, 6c, 28, eerste tot en met het derde lid, 29, eerste lid, onderdeel o, tweede en derde lid, 31, 44 en 67, alsmede de hoofdstukken IX, XIIA, XIIB en XIIC, de Wet toezicht kredietwezen 1992, de Wet toezicht natura-uitvaartverzekeringsbedrijf en de Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993 worden ingetrokken.
1.
Deze wet en de Wet op het financieel toezicht treden in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip.
2.
In het koninklijk besluit kan worden bepaald dat daarbij aan te geven artikelen of onderdelen daarvan op een later, bij koninklijk besluit te bepalen, tijdstip in werking treden.
3.
In het koninklijk besluit kan worden bepaald dat het bepaalde in artikel 31, vierde lid, van deze wet kan terugwerken tot en met 1 januari 2006.
Artikel 180
Deze wet wordt aangehaald als: Invoerings- en aanpassingswet Wet op het financieel toezicht.
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Gegeven te ’s-Gravenhage, 20 november 2006
De Minister van Financiën
Uitgegeven de zevende december 2006
De Minister van Justitie