Rechtenmedia.nl - Juridische Online Uitgeverij  Rechtennieuws.nl | Jure.nl | Maxius.nl | Parlis.nl | Rechtenforum.nl | JBmatch.nl | MijnWetten.nl | AdvocatenZoeken.nl | Rechtentotaal.nl
Hygiënebesluit vleeskuikenbedrijven 1999
Bwb-id:
Officiele titel:
Citeertitel:
Soort regeling:
Wetsfamilies:
Eerst verantwoordelijk ministerie:

Geldigheidsdatum:
Ingangsdatum:
Inhoudsopgave
Artikel 1
Artikel 2
Artikel 2A
Artikel 3
Artikel 4
Artikel 5
Artikel 6
Artikel 7
Artikel 8
Vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature

Juridisch advies nodig?
Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag
Geschiedenis

Geschiedenis-overzicht
Let op. Deze wet is vervallen op 26 augustus 2007. U leest nu de tekst die gold op 25 augustus 2007.

Hygiënebesluit vleeskuikenbedrijven 1999

Hygiënebesluit vleeskuikenbedrijven 1999
Het bestuur van het Productschap Pluimvee en Eieren heeft,
gelet op de Verordening hygiënevoorschriften pluimveehouderij 1999,
op 11 november 1999 vastgesteld het navolgende
BESLUIT
Artikel 1
Dit besluit neemt de terminologie, als omschreven in artikel 1 van de Verordening hygiënevoorschriften pluimveehouderij 1999, over.
1.
Een hygiëne-onderzoek dient een score te hebben die kleiner of gelijk is aan 1,5.
2.
Indien de score groter dan 1,5 maar kleiner of gelijk aan 3,0 is dan dient tijdens de volgende leegstandperiode opnieuw een hygiëne-onderzoek plaats te vinden.
3.
Indien de score groter is dan 3,0 dan dient tijdens de volgende leegstandsperiode te worden ontsmet door een professioneel ontsmettingsbedrijf. Na de ontsmetting dient opnieuw een hygiëne-onderzoek plaats te vinden.
4.
Wanneer overeenkomstig bijlage III onder b. van het Besluit protocollen hygiënevoorschriften pluimveehouderij 1999 de uitkomst van twee van de vijf onderdelen van de visuele controle slecht is, worden na de volgende ronde nogmaals een hygiëneonderzoek en een visuele controle uitgevoerd.
Artikel 2A
Indien bij het pluimvee op het vleeskuikenbedrijf in de pluimveevleessector op de wijze zoals beschreven in het in Bijlage II opgenomen programma Salmonella is aangetoond, moet het vleeskuikenbedrijf een tracerings-, monitorings- en bestrijdingsplan overeenkomstig het model in Bijlage V opstellen en het betreffende plan uitvoeren.
Artikel 3
Bij binnenkomst van een koppel vleeskuikens op het vleeskuikenbedijf dient dat koppel op de wijze als omschreven in Bijlage I bemonsterd te worden.
1.
Bij het afleveren van een koppel vleeskuikens dient dat koppel op de wijze als omschreven in Bijlage II en III bemonsterd te zijn.
2.
Het onderzoek op aanwezigheid van Salmonella vindt plaats vanaf de leeftijd van 21 dagen. Indien de vleeskuikens worden afgeleverd voordat zij de leeftijd van 34 dagen hebben bereikt mag de monstername eerder plaatsvinden. De uitslag van het onderzoek is 14 dagen geldig, te rekenen vanaf de datum van afgifte van de uitslag door het laboratorium.
De uitslag dient minimaal 48 uur voor aflevering aan de slachterij te worden doorgegeven.
3.
De resultaten van het onderzoek op aanwezigheid van Campylobacter moeten maximaal 7 dagen voor de afleveringsdatum in het bezit zijn van de ondernemer die een vleeskuikenbedrijf uitoefent. De uitslag dient minimaal 48 uur voor aflevering aan de slachterij te worden doorgegeven.
4.
Indien de ondernemer, die een vleeskuikenbedrijf de uitoefent, constateert dat de kratten of containers waarin een koppel pluimvee wordt vervoerd niet schoon zijn, is de betreffende ondernemer verplicht hiervan direct melding te doen bij het Productschap.
5.
Nadat bij een koppel vleeskuikens een Salmonella paratyhi B var. Java is geconstateerd moet, als de vleeskuikens een leeftijd van twee weken hebben bereikt, het onderzoek als omschreven in Bijlage II plaatsvinden. De uitslag moet bekend zijn voordat broedeieren voor een volgend koppel worden ingelegd op de broederij.
6.
De monsters, waarvan de wijze van monstername en analyse in de bijlagen I , II en III zijn omschreven, moeten geanalyseerd worden op alle typen Salmonella. Bij een besmetting moet geanalyseerd worden om welk serotype het gaat.
1.
De informatie die verkregen is uit het onderzoek van de monsters, als bedoeld in artikel 3 en 4 en de informatie verkregen van de leverancier van het pluimvee, dient schriftelijk te worden vastgelegd en te worden doorgegeven aan de afnemer. Deze informatie dient ingevuld te worden op het meldingsformulier of het koppelpaspoort. Dit formulier gaat met het koppel mee tot en met de slachterij.
2.
De informatie die verkregen is uit het onderzoek als bedoeld in artikel 3 dient te worden doorgegeven aan de leverancier.
3.
Indien een Salmonella paratyphi B var. Java besmetting bij de onderzoeken, als bedoeld in artikel 3 en 4 wordt gevonden, moet deze door de pluimveehouder binnen 48 uur gemeld worden aan het productschap. Op verantwoordelijkheid van de pluimveehouder kan hij dit laten doen door het erkende laboratorium.
3.
Zodra op het pluimveebedrijf bij een koppel een Salmonella paratyphi B var. Java besmetting is geconstateerd via het onderzoek dat conform bijlage I en/of bijlage II is uitgevoerd, moet de pluimveehouder iedere bezoeker hierover informeren zodra de afspraak voor het maken van een bezoek wordt gemaakt. De bezoeker bezoekt het betreffende bedrijf na alle andere bezoeken op die dag.
1.
In het geval dat in een stal bij een koppel vleeskuikens een besmetting met Salmonella is aangetoond dient de stal te worden onderzocht op de aanwezigheid van Salmonella.
2.
In het geval dat in het in het eerste lid bedoelde onderzoek Salmonella wordt aangetoond dient de ondernemer de stal, na het ruimen van het volgende koppel, te laten ontsmetten door een professioneel ontsmettingsbedrijf.
3.
Indien bij een koppel vleeskuikens een besmetting met Salmonella is aangetoond, dient door de pluimveehouder een traceringsonderzoek te worden uitgevoerd samen met een volgens de GVP-code erkende dierenarts, de Gezondheidsdienst voor Dieren of een andere deskundige. Het resultaat van dit onderzoek moet schriftelijk worden vastgelegd en inzicht kunnen geven in mogelijke oorzaken van de besmetting.
Naast inzicht in mogelijke oorzaken van de besmetting moeten ook de ondernomen/te ondernemen acties worden vastgelegd, waarbij getracht wordt om een volgende besmetting te voorkomen. Het tracerings-, monitorings- en bestrijdingsplan in de pluimveevleessector kan daarbij als handleiding worden gebruikt.
4.
Indien de pluimveehouder graan voert afkomstig van eigen teelt of rechtstreeks afkomstig van een andere teler, dient van iedere partij graan een monster te worden achtergehouden. Indien bij een koppel vleeskuikens besmetting met Salmonella is aangetoond, dient het achtergehouden monster graan te worden onderzocht op de aanwezigheid van Salmonella. De monstername en het onderzoek geschieden volgens het werkvoorschrift zoals opgenomen in bijlage IV bij dit besluit.
5.
Indien het graan besmet is met Salmonella, mag de rest van de partij graan niet meer aan de vleeskuikens gevoerd worden, tenzij het graan zodanig is behandeld, dat het graan niet meer met Salmonella is besmet. Na de behandeling van het graan dient ter verificatie opnieuw volgens het werkvoorschrift zoals opgenomen in bijlage IV bij dit besluit een Salmonellaonderzoek te worden verricht. Het graan mag uitsluitend gevoerd worden indien het verificatieonderzoek uitwijst dat de partij graan niet meer met Salmonella is besmet.
6.
Indien het graan niet de oorzaak is van de Salmonella-besmetting bij de vleeskuikens, aangezien traceringsonderzoek inmiddels een andere oorzaak heeft uitgewezen, is het niet noodzakelijk het graan te onderzoeken op aanwezigheid van Salmonella.
7.
De pluimveehouder die zelf de in artikel 4 bedoelde monsters neemt dient te voldoen aan de borgingssystematiek als omschreven in bijlage VI .
7.
Nadat in een stal voor de tweede achtereenvolgende keer een Salmonella paratyphi B var. Java is geconstateerd via het onderzoek dat conform bijlage I en/of II is uitgevoerd, moet in de betreffende stal een leegstandperiode van minimaal 10 dagen in acht worden genomen. Tijdens deze periode kunnen bestrijdingsmaatregelen worden genomen.
8.
Na de constatering van een Salmonella paratyphi B var. Java besmetting moet de stal tijdens de in lid 7 genoemde leegstandperiode worden gereinigd en ontsmet op de wijze zoals in bijlage VII is omschreven.
9.
Tijdens de in lid 7 genoemde leegstandperiode na de constatering van een Salmonella paratyphi B var. Java besmetting moet de stal door een erkende instantie worden onderzocht op de aanwezigheid van Salmonella spp. op de wijze zoals in bijlage VIII is omschreven. Indien na de leegstandperiode de stal nog altijd besmet is met Salmonella spp. moet de pluimveehouder in overleg met externe deskundigen de verdere aanpak bepalen.
10.
Nadat voor de derde achtereenvolgende keer in een stal een Salmonella paratyphi B var. Java besmetting is geconstateerd, dient in de betreffende stal het voersysteem gereinigd en ontsmet te worden en dient tijdens de volgende ronde gedurende twee weken aan het drinkwater voor de vleeskuikens een middel met bacteriedodende werking te worden toegediend. Deze middelen zijn in de handel vrij verkrijgbaar. De wijze en de toe te dienen hoeveelheid moet gedaan worden volgens de aanwijzingen van de fabrikant.
11.
Nadat, met uitzondering van een eerste Salmonella paratyphi B var. Java constatering in de stal, op basis van de onderzoeken, omschreven in lid 7 en lid 9, geen Salmonella paratyphi B var. Java meer wordt aangetroffen, dienen enkele maatregelen gedurende drie achtereenvolgende ronden te worden uitgevoerd. De erkende instantie voert het hygiëne-onderzoek uit en onderzoekt de stal op aanwezigheid van Salmonella spp.
12.
De erkende instantie, als bedoeld in het negende en elfde lid wordt aangewezen door de voorzitter en werkt volgens een door het bestuur goedgekeurd protocol.
1.
Indien uit de uitslag van het onderzoek, bedoeld in artikel 3 en in artikel 4, tweede lid, blijkt dat een koppel pluimvee besmet is met Salmonella is de ondernemer verplicht er voor zorg te dragen dat het betreffende koppel gescheiden van niet besmette koppels wordt gevangen en afgevoerd.
2.
De ondernemer, die een vleeskuikenbedrijf uitoefent, is verplicht schriftelijk afspraken te maken omtrent het gescheiden vangen en afleveren en deze op zijn bedrijf aanwezig te hebben.
1.
Dit besluit kan worden aangehaald als "Hygiënebesluit vleeskuikenbedrijven 1999".
2.
Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag van inwerkingtreding van de Verordening hygiënevoorschriften pluimveehouderij 1999 .
Voor het Bestuur,
voorzitter
secretaris