Rechtenmedia.nl - Juridische Online Uitgeverij  Rechtennieuws.nl | Jure.nl | Maxius.nl | Parlis.nl | Rechtenforum.nl | JBmatch.nl | MijnWetten.nl | AdvocatenZoeken.nl | Rechtentotaal.nl
Euro-Mediterrane Overeenkomst waarbij een associatie tot stand wordt gebracht tussen de Europese Gemeenschappen en hun lidstaten, enerzijds, en het Hasjemitisch Koninkrijk Jordanië, anderzijds, Brussel, 24-11-1997
Bwb-id:
Officiele titel:
Citeertitel:
Ook bekend als:
Soort regeling:
Wetsfamilies:
Eerst verantwoordelijk ministerie:

Geldigheidsdatum:
Ingangsdatum:
Inhoudsopgave
Artikel 1
+ Artikel 2
Artikel 3
Artikel 4
+ Artikel 5
+ Artikel 6
Artikel 7
Artikel 8
Artikel 9
Artikel 10
Artikel 11
Artikel 11 bis
Artikel 12
+ Artikel 13
Artikel 14
Artikel 14 bis
Artikel 15
Artikel 16
+ Artikel 17
Artikel 18
Artikel 19
Artikel 20
Artikel 21
Artikel 22
Artikel 23
Artikel 24
Artikel 25
Artikel 26
Artikel 27
Artikel 28
+ Artikel 29
Artikel 30
Artikel 31
Artikel 32
Artikel 33
Artikel 34
Artikel 35
+ Artikel 36
Artikel 37
Artikel 38
+ Artikel 39
Artikel 40
Artikel 41
Artikel 42
Artikel 43
Artikel 44
Artikel 45
Artikel 46
+ Artikel 47
Artikel 48
Artikel 49
Artikel 50
Artikel 51
+ Artikel 52
Artikel 53
Artikel 54
Artikel 55
Artikel 56
Artikel 57
+ Artikel 58
Artikel 59. Doelstellingen
Artikel 60. Toepassingssfeer
Artikel 61. Middelen en modaliteiten
Artikel 62. Regionale samenwerking
Artikel 63. Onderwijs en opleiding
Artikel 64. Wetenschappelijke en technologische samenwerking
Artikel 65. Milieu
Artikel 66. Industriële samenwerking
Artikel 67. Investeringen en stimulering van investeringen
Artikel 68. Normalisatie en conformiteitsbeoordeling
Artikel 69. Aanpassing van wetgeving
Artikel 70. Financiële diensten
Artikel 71. Landbouw
Artikel 72. Vervoer
Artikel 73. Informatie-infrastructuur en telecommunicatie
Artikel 74. Energie
Artikel 75. Toerisme
Artikel 76. Douane
Artikel 77. Statistiek
Artikel 78. Witwassen van geld
+ Artikel 79. Bestrijding van drugs
Artikel 80
+ Artikel 81
Artikel 82
Artikel 83
+ Artikel 84
+ Artikel 85
Artikel 86
Artikel 87
+ Artikel 88
Artikel 89
Artikel 90
Artikel 91
Artikel 92
Artikel 93
Artikel 94
Artikel 95
Artikel 96
Artikel 97
Artikel 98
Artikel 99
Artikel 100
Artikel 101
Artikel 102
Artikel 103
Artikel 104
Artikel 105
Artikel 106
Artikel 107
Vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature

Juridisch advies nodig?
Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag
Geschiedenis

Geschiedenis-overzicht

Euro-Mediterrane Overeenkomst waarbij een associatie tot stand wordt gebracht tussen de Europese Gemeenschappen en hun lidstaten, enerzijds, en het Hasjemitisch Koninkrijk Jordanië, anderzijds, Brussel, 24-11-1997

Euro-Mediterrane Overeenkomst waarbij een associatie tot stand wordt gebracht tussen de Europese Gemeenschappen en hun lidstaten, enerzijds, en het Hasjemitisch Koninkrijk Jordanië, anderzijds
(authentiek: nl)
Het Koninkrijk België,
het Koninkrijk Denemarken,
de Bondsrepubliek Duitsland,
de Helleense Republiek,
het Koninkrijk Spanje,
de Franse Republiek,
Ierland,
de Italiaanse Republiek,
het Groothertogdom Luxemburg,
het Koninkrijk der Nederlanden,
de Republiek Oostenrijk,
de Portugese Republiek,
de Republiek Finland,
het Koninkrijk Zweden,
het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland,
Partijen bij het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap en het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal,
hierna „lidstaten” genoemd, en
de Europese Gemeenschap,
de Europese Gemeenschap voor kolen en staal,
hierna „de Gemeenschap” genoemd,
enerzijds, en
het Hasjemitisch Koninkrijk Jordanië,
hierna „Jordanië” genoemd,
anderzijds,
Gelet op het belang van de historische banden tussen de Gemeenschap, haar lidstaten en Jordanië en hun gemeenschappelijke waarden,
Overwegende dat de Gemeenschap, haar lidstaten en Jordanië deze banden wensen te versterken en duurzame betrekkingen op basis van wederkerigheid, solidariteit, partnerschap en gezamenlijke ontwikkeling tot stand wensen te brengen,
Gelet op het belang dat de partijen hechten aan de beginselen van het Handvest van de Verenigde Naties, en in het bijzonder aan de eerbiediging van de mensenrechten en de politieke en economische vrijheden waarop de Associatie is gegrondvest,
Gelet op de politieke en economische ontwikkelingen van de laatste jaren in Europa en het Midden-Oosten,
Zich bewust van de noodzaak gezamenlijk te streven naar versterking van de politieke stabiliteit en de economische ontwikkeling in de regio door middel van bevordering van regionale samenwerking,
Verlangende een regelmatige politiek dialoog over bilaterale en internationale kwesties van wederzijds belang in te stellen en te verdiepen,
Overtuigd van de noodzaak van versterking van het proces van sociale en economische modernisering dat Jordanië onderneemt om zijn economie volledig te integreren in de wereldeconomie en te participeren in de gemeenschap van democratische landen,
Gezien het verschil in economische en sociale ontwikkeling tussen Jordanië en de Gemeenschap,
Verlangende tot samenwerking te komen, steunende op een regelmatige dialoog, op economisch, wetenschappelijk, technologisch, cultureel, audiovisueel en sociaal gebied, met het oog op beter wederzijds begrip,
Gezien de gehechtheid van de Gemeenschap en Jordanië aan vrije handel, met name aan de naleving van de rechten en plichten die voortvloeien uit de Algemene Overeenkomst inzake Tarieven en Handel (GATT),
Ervan overtuigd dat de Associatieovereenkomst een nieuw klimaat zal scheppen voor hun economische betrekkingen en met name voor de ontwikkeling van handel, investeringen en economische en technologische samenwerking,
Zijn als volgt overeengekomen [1] :
1.
Er wordt een associatie tot stand gebracht tussen de Gemeenschap en haar lidstaten, enerzijds, en Jordanië anderzijds.
2.
Deze associatie heeft ten doel:
een passend kader tot stand te brengen voor de politieke dialoog, waardoor nauwe politieke betrekkingen tussen de partijen tot stand kunnen komen;
de voorwaarden vast te leggen voor de geleidelijke liberalisering van het goederen-, diensten- en kapitaalverkeer;
het bevorderen van de ontwikkeling van evenwichtige economische en sociale betrekkingen tussen de partijen door middel van dialoog en samenwerking;
het verbeteren van de levensomstandigheden en arbeidsvoorwaarden en het versterken van de productiviteit en de financiële stabiliteit;
het aanmoedigen van regionale samenwerking ter consolidatie van de vreedzame coëxistentie en de economische en politieke stabiliteit;
het bevorderen van de samenwerking op andere gebieden van wederzijds belang.
Artikel 2
De betrekkingen tussen de partijen en alle bepalingen van deze Overeenkomst zijn gegrondvest op eerbiediging van de democratische beginselen en de fundamentele rechten van de mens, zoals deze zijn opgenomen in de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens , die ten grondslag ligt aan het binnen- en buitenlandse beleid van de Partijen en die een essentieel onderdeel van deze Overeenkomst vormt.
1.
Er wordt een regelmatige politieke dialoog tussen de Partijen tot stand gebracht. Deze dialoog versterkt de betrekkingen tussen de Partijen en vormt een bijdrage tot de verdere ontwikkeling van duurzaam partnerschap en de verbetering van het wederzijds begrip en de solidariteit.
2.
De politieke dialoog en samenwerking hebben met name ten doel:
verbetering van het onderling begrip en versterking van de convergentie van de standpunten over internationale vraagstukken, met name ten aanzien van aangelegenheden die belangrijke gevolgen voor een der partijen kunnen hebben;
de partijen in staat te stellen het standpunt en de belangen van de andere partij in overweging te nemen;
bevordering van de regionale veiligheid en stabiliteit;
bevordering van gezamenlijke initiatieven.
Artikel 4
De politieke dialoog heeft betrekking op alle onderwerpen van wederzijds belang en beoogt de weg te openen voor nieuwe samenwerkingsvormen, gericht op gemeenschappelijke doelstellingen, met name vrede, veiligheid, mensenrechten, democratie en regionale ontwikkeling.
1.
De politieke dialoog is gericht op vereenvoudiging van de uitvoering van gezamenlijke initiatieven en vindt met regelmatige tussenpozen plaats, alsmede telkens wanneer de omstandigheden zulks vereisen, met name:
a. op ministerieel niveau, voornamelijk in het kader van de Associatieraad;
b. op het niveau van hoge functionarissen tussen vertegenwoordigers van Jordanië enerzijds en van het Voorzitterschap van de Raad en de Commissie anderzijds;
c. met optimale gebruikmaking van alle diplomatieke kanalen, in het bijzonder door middel van regelmatige briefings door functionarissen, overleg ter gelegenheid van internationale vergaderingen en contacten tussen diplomatieke vertegenwoordigers in derde landen;
d. op elke andere wijze die kan bijdragen tot de consolidatie, verdere ontwikkeling en intensivering van deze dialoog.
2.
Er wordt een politieke dialoog ingesteld tussen het Europees Parlement en het Parlement van Jordanië.
Artikel 6
De Gemeenschap en Jordanië brengen in de loop van een overgangsperiode van ten hoogste 12 jaar, te beginnen bij de inwerkingtreding van deze Overeenkomst, geleidelijk een vrijhandelszone tot stand, overeenkomstig het bepaalde in deze Overeenkomst en in overeenstemming met de bepalingen van de Algemene Overeenkomst inzake Tarieven en Handel van 1994, hierna „GATT” te noemen.
Artikel 7
De bepalingen van dit hoofdstuk zijn van toepassing op producten van oorsprong uit de Gemeenschap en Jordanië, met uitzondering van de in bijlage II van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap genoemde producten.
Artikel 8
Er worden geen nieuwe invoerrechten of heffingen van gelijke werking ingesteld in het handelsverkeer tussen de Gemeenschap en Jordanië.
Artikel 9
Producten van oorsprong uit Jordanië worden bij invoer in de Gemeenschap toegelaten met vrijstelling van douanerechten of heffingen van gelijke werking en zonder kwantitatieve beperkingen of andere maatregelen van gelijke werking.
1.
a. De bepalingen van dit hoofdstuk vormen geen beletsel voor het door de Gemeenschap handhaven van een landbouwelement bij invoer van de in bijlage I genoemde producten van oorsprong uit Jordanië.
b. Het landbouwelement kan de vorm van een vast bedrag of een ad valorem recht aannemen.
c. De op landbouwproducten van toepassing zijnde bepalingen van hoofdstuk 2 zijn van overeenkomstige toepassing op het landbouwelement.
2.
a. De bepalingen van dit hoofdstuk vormen geen beletsel voor het door Jordanië handhaven van een landbouwelement bij invoer van de in bijlage II genoemde producten van oorsprong uit de Gemeenschap.
b. Het landbouwelement dat Jordanië op grond van het bepaalde onder a. kan heffen op de invoer uit de Gemeenschap mag niet meer bedragen dan 50% van het basisrecht dat geheven wordt op de invoer uit landen waarmee Jordanië geen preferentiële handelsregeling heeft, doch die wel een meestbegunstigingsbehandeling genieten.
c. Indien Jordanië aantoont dat het equivalent van de rechten die van toepassing zijn op landbouwproducten die in de goederen in bijlage II zijn verwerkt hoger is dan het onder b. genoemde maximum, dan kan de Associatieraad een hoger percentage overeenkomen.
d. Jordanië mag de lijst van goederen waarop dit landbouwelement van toepassing is uitbreiden, mits de goederen voorkomen in bijlage I. Dit landbouwelement wordt, vóór het wordt goedgekeurd, ter beoordeling voorgelegd aan het Associatiecomité, dat alle vereiste besluiten kan nemen.
e. Op de in bijlage II opgenomen producten van oorsprong uit de Gemeenschap past Jordanië vanaf de inwerkingtreding van de Overeenkomst geen hogere invoerrechten en heffingen van gelijke werking toe dan die welke op 1 januari 1996 van toepassing waren.
3.
Voor het industrie-element van de in bijlage II opgenomen producten van oorsprong uit de Gemeenschap schaft Jordanië de invoerrechten en heffingen van gelijke werking geleidelijk af overeenkomstig het bepaalde in artikel 11.
4.
De overeenkomstig de leden 1 en 2 toegepaste landbouwelementen kunnen worden verminderd wanneer in het handelsverkeer tussen de Gemeenschap en Jordanië de op een basislandbouwproduct toegepaste heffing is verlaagd of wanneer deze verminderingen het gevolg zijn van wederzijdse concessies op het gebied van verwerkte landbouwproducten.
5.
De in lid 4 bedoelde vermindering, de lijst van betrokken producten en, in voorkomend geval, de tariefcontingenten waarvoor de verlagingen gelden, worden door de Associatieraad vastgesteld.
1.
De douanerechten en heffingen van gelijke werking die bij invoer in Jordanië van toepassing zijn op producten van oorsprong uit de Gemeenschap, met uitzondering van de in bijlagen II, III en IV vermelde producten, worden afgeschaft bij de inwerkingtreding van de Overeenkomst.
2.
Overeenkomstig het bepaalde in artikel 10, lid 2, onder b., en lid 3, worden de douanerechten en heffingen van gelijke werking die bij invoer in Jordanië van toepassing zijn op producten van oorsprong uit de Gemeenschap vermeld in bijlage II, geleidelijk afgeschaft overeenkomstig het hierna volgende tijdschema:
vier jaar na de inwerkingtreding van de Overeenkomst worden alle rechten en heffingen verlaagd met 10% van het basisrecht;
vijf jaar na de inwerkingtreding van de Overeenkomst worden alle rechten en heffingen verlaagd met 20% van het basisrecht;
zes jaar na de inwerkingtreding van de Overeenkomst worden alle rechten en heffingen verlaagd met 30% van het basisrecht;
zeven jaar na de inwerkingtreding van de Overeenkomst worden alle rechten en heffingen verlaagd met 40% van het basisrecht;
acht jaar na de inwerkingtreding van de Overeenkomst worden alle rechten en heffingen verlaagd met 50% van het basisrecht.
3.
De douanerechten en heffingen van gelijke werking die bij invoer in Jordanië van toepassing zijn op de in lijst A van bijlage III vermelde producten van oorsprong uit de Gemeenschap worden geleidelijk afgeschaft volgens het onderstaande tijdschema:
bij de inwerkingtreding van de Overeenkomst worden alle rechten en heffingen verlaagd tot 80% van het basisrecht;
één jaar na de inwerkingtreding van de Overeenkomst worden alle rechten en heffingen verlaagd tot 60% van het basisrecht;
twee jaar na de inwerkingtreding van de Overeenkomst worden alle rechten en heffingen verlaagd tot 40% van het basisrecht;
drie jaar na de inwerkingtreding van de Overeenkomst worden alle rechten en heffingen verlaagd tot 20% van het basisrecht;
vier jaar na de inwerkingtreding van de Overeenkomst worden alle resterende rechten en heffingen afgeschaft.
4.
De douanerechten en heffingen van gelijke werking die bij invoer in Jordanië van toepassing zijn op de in lijst B van bijlage III vermelde producten van oorsprong uit de Gemeenschap worden geleidelijk afgeschaft volgens het onderstaande tijdschema:
vier jaar na de inwerkingtreding van de Overeenkomst worden alle rechten en heffingen verlaagd tot 90% van het basisrecht;
vijf jaar na de inwerkingtreding van de Overeenkomst worden alle rechten en heffingen verlaagd tot 80% van het basisrecht;
zes jaar na de inwerkingtreding van de Overeenkomst worden alle rechten en heffingen verlaagd tot 70% van het basisrecht;
zeven jaar na de inwerkingtreding van de Overeenkomst worden alle rechten en heffingen verlaagd tot 60% van het basisrecht;
acht jaar na de inwerkingtreding van de Overeenkomst worden alle rechten en heffingen verlaagd tot 50% van het basisrecht;
negen jaar na de inwerkingtreding van de Overeenkomst worden alle rechten en heffingen verlaagd tot 40% van het basisrecht;
tien jaar na de inwerkingtreding van de Overeenkomst worden alle rechten en heffingen verlaagd tot 30% van het basisrecht;
elf jaar na de inwerkingtreding van de Overeenkomst worden alle rechten en heffingen verlaagd tot 20% van het basisrecht;
twaalf jaar na de inwerkingtreding van de Overeenkomst worden alle resterende rechten en heffingen afgeschaft.
5.
De ten aanzien van de producten in bijlage IV toe te passen regelingen worden vier jaar na de inwerkingtreding van de Overeenkomst door de Associatieraad onderzocht. Bij dit onderzoek stelt de Associatieraad voor de afschaffing van de tarieven voor de producten in bijlage IV een tijdschema op.
6.
Indien zich met betrekking tot een bepaald product ernstige problemen voordoen, kunnen de in de leden 2, 3 en 4 genoemde tijdschema's in overleg worden herzien door het Associatiecomité, met dien verstande dat het tijdschema waarvoor de herziening is aangevraagd voor het betrokken product niet verder verlengd kan worden dan de maximale overgangsperiode van twaalf jaar. Indien het Comité geen besluit heeft genomen binnen dertig dagen na de kennisgeving van het verzoek van Jordanië om herziening van het tijdschema, kan Jordanië het tijdschema voorlopig opschorten voor een periode van ten hoogste één jaar.
7.
Het basisrecht waarop de in de leden 2, 3 en 4 vastgestelde achtereenvolgende verlagingen worden toegepast is voor elk product het op 1 januari 1996 daadwerkelijk ten opzichte van de Gemeenschap toegepaste recht.
8.
Indien na 1 januari 1996 tariefverlagingen op erga omnes-grondslag worden toegepast, treden de verlaagde rechten in de plaats van de in lid 5 bedoelde basisrechten, met ingang van de datum waarop de verlagingen toepassing vinden.
9.
Jordanië deelt de Gemeenschap zijn basisrechten mede.
1.
De douanerechten die gelden voor de invoer in Jordanië van de in lijst C van bijlage III bedoelde verwerkte landbouwproducten van oorsprong uit de Gemeenschap worden afgeschaft met ingang van de datum van inwerkingtreding van de overeenkomst in de vorm van een briefwisseling tussen de Europese Gemeenschap en Jordanië betreffende liberaliseringsmaatregelen voor het onderlinge handelsverkeer en houdende wijziging van de associatieovereenkomst EG-Jordanië, alsmede de vervanging van de bijlagen I, II, III en IV en de protocollen nrs. 1 en 2 bij de overeenkomst.
2.
De douanerechten die gelden voor de invoer in Jordanië van de in lijst D van bijlage III bedoelde verwerkte landbouwproducten van oorsprong uit de Gemeenschap worden in vier gelijke jaarlijkse fasen, waarvan de eerste op 1 mei 2006 begint, afgebouwd en moeten met ingang van 1 mei 2009 volledig zijn afgeschaft.
3.
De douanerechten die gelden voor de invoer in Jordanië van de in lijst E van bijlage III bedoelde verwerkte landbouwproducten van oorsprong uit de Gemeenschap worden in acht gelijke jaarlijkse fasen, waarvan de eerste op 1 mei 2006 begint, afgebouwd en moeten met ingang van 1 mei 2013 volledig zijn afgeschaft.
4.
De douanerechten die gelden voor de invoer in Jordanië van de in lijst F van bijlage III bedoelde verwerkte landbouwproducten van oorsprong uit de Gemeenschap worden in vijf gelijke jaarlijkse fasen, waarvan de eerste op 1 mei 2006 begint, met 50 % verlaagd en moeten met ingang van 1 mei 2010 50 % van het basistarief bedragen.
5.
De douanerechten die gelden voor de invoer in Jordanië van de in lijst G van bijlage III bedoelde verwerkte landbouwproducten van oorsprong uit de Gemeenschap worden niet afgeschaft.
6.
Met het oog op de in de leden 1 tot en met 5 bedoelde afschaffing van douanerechten, is het basistarief waarop de opeenvolgende verlagingen worden toegepast, het recht dat erga omnes geldt op de dag die voorafgaat aan de datum van ondertekening van de overeenkomst in de vorm van een briefwisseling tussen de Europese Gemeenschap en Jordanië betreffende liberaliseringsmaatregelen voor het onderlinge handelsverkeer en houdende wijziging van de associatieovereenkomst EG-Jordanië, alsmede de vervanging van de bijlagen I, II, III en IV en de protocollen nrs. 1 en 2 bij de overeenkomst.
7.
Indien na de ondertekening van de overeenkomst in de vorm van een briefwisseling tussen de Europese Gemeenschap en Jordanië betreffende liberaliseringsmaatregelen voor het onderlinge handelsverkeer en houdende wijziging van de associatieovereenkomst EG-Jordanië, alsmede de vervanging van de bijlagen I, II, III en IV en de protocollen nrs. 1 en 2 bij de overeenkomst, tariefverlagingen op erga omnesgrondslag worden toegepast, in het bijzonder verlagingen die voortvloeien uit de tariefonderhandelingen in de WTO, komen deze verlaagde rechten vanaf de datum waarop de verlagingen toepassing vinden, in de plaats van de in lid 6 bedoelde basisrechten.
Artikel 12
De bepalingen betreffende de afschaffing van invoerrechten zijn eveneens van toepassing op douanerechten van fiscale aard.
1.
In afwijking van het bepaalde in artikel 11 mag Jordanië buitengewone maatregelen van beperkte duur nemen in de vorm van verhoging of wederinstelling van douanerechten.
Dergelijke maatregelen mogen uitsluitend worden genomen ten behoeve van jonge industrieën of van bepaalde sectoren waarin herstructureringen plaatsvinden of die met grote moeilijkheden te kampen hebben, vooral wanneer deze moeilijkheden ernstige sociale gevolgen hebben.
De invoerrechten die krachtens deze maatregelen door Jordanië worden toegepast ten aanzien van producten van oorsprong uit de Gemeenschap mogen niet meer dan 25% ad valorem bedragen en dienen een preferentie voor producten van oorsprong uit de Gemeenschap in te houden. De jaargemiddelde van de totale waarde van de ingevoerde producten waarop dergelijke maatregelen van toepassing zijn mag niet meer bedragen dan 20% van het jaargemiddelde van de totale invoer van industrieproducten uit de Gemeenschap gedurende de laatste drie jaren waarvoor statistische gegevens beschikbaar zijn.
Deze maatregelen gelden voor een periode van ten hoogste vijf jaar, tenzij het Associatiecomité de toepassing ervan over een langere periode toestaat. Zij treden uiterlijk bij het verstrijken van de maximale overgangsperiode van twaalf jaar buiten werking.
Deze maatregelen kunnen voor een bepaald product niet worden getroffen, indien meer dan vier jaren zijn verstreken sedert de afschaffing van alle rechten en kwantitatieve beperkingen of heffingen en maatregelen van gelijke werking die op het betrokken product van toepassing waren.
Jordanië stelt de Associatieraad in kennis van alle buitengewone maatregelen die het voornemens is te treffen. Op verzoek van de Gemeenschap vindt vooraf overleg plaats over deze maatregelen en de sectoren waarop zij betrekking hebben. Indien het dergelijke maatregelen neemt, legt Jordanië aan het Comité een tijdschema voor de afschaffing van de overeenkomstig dit artikel ingestelde douanerechten voor. Dit tijdschema dient te voorzien in geleidelijke afschaffing van deze rechten in gelijke jaarlijkse percentages, beginnende uiterlijk twee jaar nadat de rechten zijn ingesteld. Het Associatiecomité kan een ander tijdschema vaststellen.
2.
In afwijking van lid 1, vierde alinea, kan het Associatiecomité, in verband met problemen die het oprichten van een nieuwe industrie met zich meebrengt, en wanneer bepaalde sectoren worden geherstructureerd of met grote moeilijkheden te kampen hebben, Jordanië bij uitzondering toestaan de krachtens lid 1 genomen maatregelen te handhaven voor een periode van maximaal drie jaar na de overgangsperiode van twaalf jaar.
Artikel 14
De bepalingen van dit hoofdstuk zijn van toepassing op de in bijlage II bij het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap bedoelde producten van oorsprong uit de Gemeenschap en Jordanië.
Artikel 14 bis
Voor de handel in landbouwproducten tussen de Gemeenschap en Jordanië worden geen nieuwe douanerechten bij invoer, noch andere heffingen van gelijke werking ingesteld.
Artikel 15
De Gemeenschap en Jordanië stellen geleidelijk een grotere liberalisering in van het onderlinge handelsverkeer in landbouwproducten.
1.
Op landbouwproducten van oorsprong uit Jordanië zijn bij invoer in de Gemeenschap de bepalingen van Protocol 1 van toepassing.
2.
Op landbouwproducten van oorsprong uit de Gemeenschap zijn bij invoer in Jordanië de bepalingen van Protocol 2 van toepassing.
1.
Met ingang van 1 januari 2009 onderzoeken de Gemeenschap en het Hasjemitisch Koninkrijk Jordanië de situatie met het oog op de vaststelling van de door de Gemeenschap en Jordanië met ingang van 1 januari 2010 toe te passen liberaliseringsmaatregelen, in overeenstemming met de in artikel 15 opgenomen doelstelling.
2.
Onverminderd de in lid 1 opgenomen bepalingen en rekening houdend met de handelsstromen voor landbouwproducten tussen de partijen, en de bijzondere gevoeligheid van deze producten, onderzoeken de Gemeenschap en Jordanië binnen de Associatieraad per product en op basis van wederkerigheid de mogelijkheid om elkaar verdere concessies te verlenen.
1.
In het handelsverkeer tussen de Gemeenschap en Jordanië worden geen nieuwe kwantitatieve invoerbeperkingen of maatregelen van gelijke werking ingesteld.
2.
In het handelsverkeer tussen de Gemeenschap en Jordanië worden kwantitatieve invoerbeperkingen en maatregelen van gelijke werking bij de inwerkingtreding van de Overeenkomst afgeschaft.
3.
De Gemeenschap en Jordanië stellen onderling geen douanerechten bij uitvoer of heffingen van gelijke werking, noch kwantitatieve beperkingen of maatregelen van gelijke werking in.
1.
Indien ten gevolge van de tenuitvoerlegging van het landbouwbeleid van een partij een specifieke regeling wordt ingesteld of indien de bestaande regelingen worden gewijzigd, of in geval van wijziging of uitbreiding van de bepalingen betreffende de tenuitvoerlegging van dit landbouwbeleid, kan de betrokken partij voor de betrokken producten de in deze Overeenkomst vervatte regeling wijzigen.
2.
De partij die tot een dergelijke wijziging overgaat stelt daarvan het Associatiecomité in kennis. Op verzoek van de andere partij komt het Associatiecomité bijeen om de belangen van genoemde partij op passende wijze in aanmerking te nemen.
3.
Ingeval de Gemeenschap of Jordanië op grond van lid 1 de in deze Overeenkomst vervatte regeling voor landbouwproducten wijzigen, kennen zij ten aanzien van de invoer van producten van oorsprong uit de andere partij een voordeel toe dat vergelijkbaar is met het voordeel waarin deze Overeenkomst voorziet.
4.
Over de toepassing van dit artikel kan in de Associatieraad overleg worden gepleegd.
1.
Voor producten van oorsprong uit Jordanië geldt bij invoer in de Gemeenschap geen gunstiger regeling dan die welke tussen de lidstaten onderling geldt.
2.
De bepalingen van deze Overeenkomst zijn van toepassing onverminderd het bepaalde in Verordening (EEG) nr. 1911/91 van de Raad van 26 juni 1991 betreffende de toepassing van de bepalingen van het Gemeenschapsrecht op de Canarische eilanden.
1.
De partijen onthouden zich van alle binnenlandse maatregelen of praktijken van fiscale aard die, rechtstreeks of onrechtstreeks, discrimineren tussen de producten van de ene partij en soortgelijke producten van oorsprong uit de andere partij.
2.
Voor producten die naar het grondgebied van een der partijen worden uitgevoerd mag geen terugbetaling van binnenlandse belastingen plaatsvinden die hoger is dan de indirecte belastingen die rechtstreeks of onrechtstreeks op deze producten worden geheven.
1.
Deze Overeenkomst vormt geen beletsel voor de handhaving of de oprichting van douane-unies, vrijhandelszones of regelingen voor grensverkeer, mits de in deze Overeenkomst neergelegde handelsregelingen daardoor niet worden gewijzigd.
2.
De Gemeenschap en Jordanië plegen in het Associatiecomité overleg over overeenkomsten tot oprichting van douane-unies of vrijhandelszones en desgewenst over andere belangrijke onderwerpen in verband met hun handelspolitiek ten aanzien van derde landen. Dergelijk overleg vindt met name plaats bij de toetreding van een derde land tot de Gemeenschap, teneinde rekening te kunnen houden met de wederzijdse belangen van de Gemeenschap en Jordanië.
Artikel 23
Indien een der partijen constateert dat in het handelsverkeer met de andere partij dumping in de zin van artikel VI van de GATT plaatsvindt, kan zij tegen deze praktijk passende maatregelen nemen overeenkomstig de Overeenkomst inzake de toepassing van artikel VI van de Algemene Overeenkomst inzake Tarieven en Handel en haar nationale wetgeving ter zake, en volgens de voorwaarden en procedures van artikel 26 van deze Overeenkomst.
Artikel 24
Indien een product wordt ingevoerd in hoeveelheden en onder omstandigheden die:
ernstige moeilijkheden veroorzaken of dreigen te veroorzaken voor binnenlandse producenten van soortgelijke of rechtstreeks concurrerende producten op het grondgebied van een der partijen, of
in enige sector van de economie ernstige verstoringen veroorzaken of dreigen te veroorzaken,
kan de betrokken partij passende maatregelen nemen overeenkomstig de bepalingen en procedures van artikel 26.
Artikel 25
Wanneer de naleving van artikel 18, lid 3:
i. ertoe leidt dat goederen wederuitgevoerd worden naar een derde land ten aanzien waarvan de exporterende partij voor het betrokken product kwantitatieve uitvoerbeperkingen, uitvoerrechten of maatregelen van gelijke werking toepast, of
ii. ernstige tekorten aan producten die van wezenlijk belang zijn voor de exporterende partij doet ontstaan of dreigt te doen ontstaan,
en de bovenbedoelde situaties aanleiding geven of vermoedelijk zullen geven tot ernstige moeilijkheden voor de exporterende partij, kan deze partij passende maatregelen nemen volgens de voorwaarden en procedures van artikel 26. Deze maatregelen mogen geen discriminerend karakter hebben en dienen te worden ingetrokken zodra zij niet langer gerechtvaardigd zijn.
1.
Indien de Gemeenschap of Jordanië de invoer van producten die de in artikel 24 bedoelde moeilijkheden zouden kunnen geven, aan een administratieve procedure onderwerpen die ten doel heeft snel informatie te verschaffen over de ontwikkeling van de handelsstromen, stelt de betrokken partij de andere partij hiervan in kennis.
2.
In de in de artikelen 23, 24 en 25 bedoelde gevallen verstrekt de betrokken partij, vóór zij de in de genoemde artikelen bedoelde maatregelen neemt of, in de gevallen waarop lid 3, onder d., van dit artikel van toepassing is, zo spoedig mogelijk, het Associatiecomité alle ter zake dienende informatie teneinde een voor beide partijen aanvaardbare oplossing te vinden.
Bij voorrang moeten die maatregelen worden gekozen die de werking van de Overeenkomst het minst verstoren.
De vrijwaringsmaatregelen worden onmiddellijk ter kennis gebracht van het Associatiecomité, die hierover periodiek overleg pleegt, met name met het oog op de vaststelling van een tijdschema voor de afschaffing van deze maatregelen zodra de omstandigheden dit toelaten.
3.
Voor de toepassing van lid 2 geldt het hierna volgende:
a. de exporterende partij wordt van de in artikel 23 bedoelde dumping in kennis gesteld zodra de autoriteiten van de importerende partij een onderzoek hebben geopend. Indien geen einde is gemaakt aan de dumping in de zin van artikel VI van de GATT, of geen andere bevredigende oplossing is gevonden binnen dertig dagen na de kennisgeving van deze zaak, kan de importerende partij passende maatregelen nemen;
b. de moeilijkheden welke voortvloeien uit de omstandigheden bedoeld in artikel 24 worden voorgelegd aan het Associatiecomité, dat alle noodzakelijke beslissingen kan nemen om een einde te maken aan deze moeilijkheden.
Indien het Associatiecomité of de exporterende partij geen beslissing heeft genomen die een einde maakt aan de moeilijkheden of geen andere bevredigende oplossing wordt gevonden binnen dertig dagen na kennisgeving van de zaak, kan de invoerende partij passende maatregelen nemen om het probleem op te lossen. Deze maatregelen mogen niet verder strekken dan hetgeen noodzakelijk is om een oplossing te vinden voor de gerezen moeilijkheden;
c. de moeilijkheden die voortvloeien uit de in artikel 25 bedoelde omstandigheden worden aan het Associatiecomité voorgelegd.
Het Associatiecomité kan elke beslissing nemen die nodig is om een einde te maken aan de moeilijkheden. Indien het geen beslissing heeft genomen binnen dertig dagen nadat de zaak hem is voorgelegd, kan de exporterende partij passende maatregelen nemen ten aanzien van de uitvoer van het betrokken product;
d. wanneer uitzonderlijke omstandigheden die tot onmiddellijk optreden nopen kennisgeving of onderzoek vooraf, al naar gelang van het geval, onmogelijk maken, kan de betrokken partij in de in de artikelen 23, 24 en 25 bedoelde omstandigheden onverwijld de vrijwaringsmaatregelen toepassen die strikt noodzakelijk zijn om het probleem op te lossen. De andere partij wordt hiervan onmiddellijk in kennis gesteld.
Artikel 27
Deze Overeenkomst vormt geen beletsel voor verboden of beperkingen op de invoer, uitvoer of doorvoer die gerechtvaardigd zijn uit hoofde van de bescherming van de openbare zedelijkheid, de openbare orde, de openbare veiligheid, de gezondheid en het leven van personen, dieren of planten, de bescherming van het nationaal artistiek, historisch en archeologisch erfgoed, de bescherming van de intellectuele, industriële en commerciële eigendom, noch voor voorschriften betreffende goud en zilver. Deze verboden of beperkingen mogen echter geen middel tot willekeurige discriminatie of een verkapte beperking van de handel tussen de partijen vormen.
Artikel 28
Het begrip „producten van oorsprong" voor de toepassing van deze titel en de desbetreffende methoden van administratieve samenwerking zijn gedefinieerd in Protocol 3.
Artikel 29
In het handelsverkeer tussen de twee partijen worden de goederen ingedeeld overeenkomstig de gecombineerde nomenclatuur.
1.
a. De Gemeenschap en haar lidstaten kennen voor de vestiging van Jordaanse ondernemingen geen minder gunstige behandeling toe dan die welke zij aan soortgelijke ondernemingen uit enig derde land toekennen.
b. Onverminderd de in bijlage V genoemde voorbehouden, kennen de Gemeenschap en haar lidstaten aan in een lidstaat gevestigde dochterondernemingen van Jordaanse bedrijven ten aanzien van hun transacties geen minder gunstige behandeling toe dan die welke zij aan enig bedrijf uit de Gemeenschap toekennen.
c. De Gemeenschap en haar lidstaten kennen aan in een lidstaat gevestigde filialen van Jordaanse bedrijven ten aanzien van hun transacties geen minder gunstige behandeling toe dan die welke zij aan filialen van bedrijven uit enig derde land toekennen.
2.
a. Onverminderd de in bijlage VI genoemde voorbehouden kent Jordanië voor de vestiging van bedrijven uit de Gemeenschap op zijn grondgebied geen minder gunstige behandeling toe dan de meest voordelige behandeling die dit land aan zijn eigen ondernemingen of aan ondernemingen uit enig derde land toekent.
b. Jordanië kent de op zijn grondgebied gevestigde dochterondernemingen en filialen van bedrijven uit de Gemeenschap ten aanzien van hun transacties geen minder gunstige behandeling toe dan de meest voordelige behandeling die het aan zijn eigen ondernemingen en filialen of aan ondernemingen en filialen uit enig derde land toekent.
3.
De bepalingen van lid 1, onder b., en lid 2, onder b., mogen door de op het grondgebied van een partij gevestigde dochterondernemingen van ondernemingen uit de andere partij niet worden gebruikt om de wetgeving en de voorschriften van de eerstgenoemde partij in verband met de toegang tot specifieke sectoren of activiteiten te ontduiken.
Aan ondernemingen die op de datum van inwerkingtreding van deze Overeenkomst in de Gemeenschap of Jordanië gevestigd zijn, wordt de in lid 1, onder b. en c., en lid 2, onder b., bedoelde behandeling toegekend met ingang van de datum van inwerkingtreding van deze Overeenkomst en aan ondernemingen die zich na deze datum in de Gemeenschap of Jordanië vestigen, met ingang van de datum van vestiging.
1.
Het bepaalde in artikel 30 is niet van toepassing op het vervoer door de lucht, over de binnenwateren en over zee.
2.
Wat evenwel de activiteiten van scheepvaartondernemingen op het gebied van het internationale vervoer over zee betreft, met inbegrip van het intermodale vervoer dat ten dele over zee plaatsvindt, biedt elke partij aan ondernemingen van de andere partij de mogelijkheid op haar grondgebied een handelsvertegenwoordiging in de vorm van dochterondernemingen of filialen te vestigen, onder voorwaarden ten aanzien van vestiging en transacties die niet minder gunstig zijn dan de meest voordelige voorwaarden die zij aan haar eigen ondernemingen of aan dochterondernemingen of filialen van ondernemingen uit enig derde land toekent. De bedoelde activiteiten omvatten onder meer:
a. het op de markt brengen en de verkoop van maritieme vervoersdiensten en aanverwante diensten door rechtstreekse contacten met klanten, van prijsopgave tot facturering, ongeacht of deze diensten worden verricht of aangeboden door de dienstverlener zelf dan wel door dienstverleners waarmee de verkoper van de diensten een permanent handelsakkoord heeft;
b. aankoop en gebruik, voor eigen rekening of voor rekening van hun klanten (en de wederverkoop aan hun klanten) van alle vervoersdiensten en aanverwante diensten, met inbegrip van alle vormen van binnenlands vervoer, in het bijzonder over de binnenwateren, over de weg en per spoor, die voor een geïntegreerde dienstverlening vereist zijn;
c. het opstellen van documentatie betreffende vervoersdocumenten, douanedocumenten of andere documenten in verband met de oorsprong en de aard van de vervoerde goederen;
d. het verschaffen van handelsinformatie, op enigerlei wijze, onder meer door middel van geautomatiseerde informatiesystemen en systemen voor elektronische gegevensuitwisseling (onverminderd alle niet-discriminatoire beperkingen op het telecommunicatieverkeer);
e. het sluiten van enigerlei handelsovereenkomst, met inbegrip van participaties in ondernemingen en het in dienst nemen van plaatselijk aangeworven personeel (of, wanneer het buitenlands personeel betreft, met inachtneming van de desbetreffende bepalingen van deze Overeenkomst), met een in het betrokken land gevestigde scheepvaartonderneming;
f. het optreden namens ondernemingen, het organiseren van de afroep van aanvragen om scheepsruimte of, indien nodig, het overnemen van vracht.
Artikel 32
Voor de toepassing van deze Overeenkomst wordt verstaan onder:
a. „onderneming uit Gemeenschap" respectievelijk „Jordaanse onderneming": een overeenkomstig de wetgeving van respectievelijk een lidstaat of Jordanië opgerichte onderneming die haar statutaire zetel, centrale administratie of belangrijkste handelsactiviteit op het grondgebied van respectievelijk de Gemeenschap of Jordanië heeft.
Indien een overeenkomstig de wetgeving van respectievelijk een lidstaat of Jordanië opgerichte onderneming uitsluitend haar statutaire zetel op het grondgebied van respectievelijk de Gemeenschap of Jordanië heeft, wordt deze onderneming als een onderneming uit de Gemeenschap of als een Jordaanse onderneming beschouwd, indien uit haar transacties een werkelijke en permanente band met de economie van respectievelijk een der lidstaten of Jordanië naar voren treedt;
b. „dochteronderneming": een onderneming waarover een andere onderneming daadwerkelijk zeggenschap heeft;
c. „filiaal" van een onderneming: een handelszaak zonder rechtspersoonlijkheid die kennelijk een permanent karakter bezit, zoals een agentschap van een moedermaatschappij, een eigen management heeft en over de nodige materiële voorzieningen beschikt om zakelijk overleg te voeren met derden, in dier voege dat laatstgenoemden, hoewel zij ervan op de hoogte zijn dat indien nodig er een rechtsverhouding zal bestaan met de moedermaatschappij waarvan het hoofdkantoor zich in het buitenland bevindt, geen rechtstreeks contact behoeven te hebben met deze moedermaatschappij, doch hun transacties kunnen afhandelen met de genoemde handelszaak die het vorengenoemde agentschap vormt;
d. „vestiging": het recht van ondernemingen uit de Gemeenschap of Jordanië als bedoeld onder a. om economische activiteiten uit te oefenen door de oprichting van dochtermaatschappijen en filialen in respectievelijk Jordanië en de Gemeenschap;
e. „transacties": het verrichten van economische activiteiten;
f. „economische activiteiten": activiteiten met een industrieel of commercieel karakter of activiteiten van personen die een vrij beroep uitoefenen;
g. „onderdaan" van een lidstaat of van Jordanië: een natuurlijke persoon die een onderdaan is van een der lidstaten, respectievelijk van Jordanië;
h. wat het internationale vervoer over zee betreft, met inbegrip van het intermodale vervoer dat ten dele over zee plaatsvindt, zijn de bepalingen van dit hoofdstuk en van hoofdstuk 2 eveneens van toepassing op onderdanen van de lidstaten of van Jordanië die buiten het grondgebied van respectievelijk de Gemeenschap of Jordanië gevestigd zijn en op buiten de Gemeenschap of Jordanië gevestigde scheepvaartmaatschappijen waarin onderdanen van respectievelijk de Gemeenschap of Jordanië een meerderheidsbelang hebben, indien de vaartuigen van deze scheepvaartmaatschappijen respectievelijk in die lidstaat of in Jordanië geregistreerd zijn overeenkomstig de respectieve wettelijke voorschriften van de Gemeenschap en Jordanië.
1.
De partijen vermijden, voor zover het in hun vermogen ligt, het nemen van maatregelen of het ontplooien van activiteiten die de voorwaarden voor de vestiging en de activiteiten van ondernemingen uit de andere partij restrictiever maken dan op de dag voorafgaande aan de datum van ondertekening van de Overeenkomst het geval was.
2.
De bepalingen van dit artikel doen geen afbreuk aan die van artikel 44. De omstandigheden waarop artikel 44 van toepassing is, worden uitsluitend geregeld door de bepalingen van dat artikel, met uitsluiting van elk ander artikel.
1.
Een op het grondgebied van Jordanië of de Gemeenschap gevestigde onderneming uit respectievelijk de Gemeenschap of Jordanië heeft het recht, met inachtneming van de wetgeving van het gastland van vestiging, op het grondgebied van respectievelijk de Gemeenschap of Jordanië werknemers die onderdanen zijn van de lidstaten van de Gemeenschap of van Jordanië in dienst te nemen of deze door een van haar dochterondernemingen of filialen in dienst te laten nemen, mits dergelijke werknemers een sleutelpositie in de zin van lid 2 bekleden en zij uitsluitend door deze ondernemingen, dochterondernemingen of filialen tewerkgesteld worden. De geldigheidsduur van de verblijfs- en werkvergunningen van deze werknemers is beperkt tot de periode waarin zij als zodanig werkzaam zijn.
2.
Werknemers met een sleutelpositie die in dienst zijn van de eerder genoemde ondernemingen, hierna „organisaties" genoemd, zijn „binnen de onderneming overgeplaatste personen" als omschreven onder c. van de hierna volgende categorieën, met dien verstande dat de organisatie een rechtspersoon is en de betrokkenen gedurende ten minste het onmiddellijk aan de overplaatsing voorafgaande jaar in dienst waren van deze organisatie of daarin partners (doch geen aandeelhouders met een meerderheidsbelang) waren:
a. leden van het hogere kader van een organisatie die in de eerste plaats verantwoordelijk zijn voor het management van de organisatie, onder het algemene toezicht en de leiding van de raad van bestuur of de aandeelhouders of daarmee gelijkgestelde personen. Deze personeelsleden
geven leiding aan de organisatie of een afdeling of onderafdeling daarvan;
houden toezicht op en controleren de werkzaamheden van andere toezichthoudende, hooggespecialiseerde of leidinggevende werknemers;
zijn persoonlijk bevoegd werknemers in dienst te nemen en te ontslaan of de indienstneming of het ontslag van werknemers of andere maatregelen in het kader van het personeelsbeleid aan te bevelen.
b. binnen een organisatie werkzame personen die beschikken over buitengewone kennis die van wezenlijk belang is voor de dienstverlening van het bedrijf, de onderzoeksuitrusting, de technische werkzaamheden of het management. Afgezien van de voor het functioneren van de betrokken onderneming vereiste specifieke kennis, kan deze kennis bestaan in de bekwaamheid bepaalde werkzaamheden uit te voeren of een bepaald beroep uit te oefenen waarvoor specifieke technische vaardigheden vereist zijn, evenals, in voorkomend geval, het lidmaatschap van een erkende beroepsgroep;
c. een „binnen de onderneming overgeplaatste persoon" is een natuurlijke persoon die voor een organisatie op het grondgebied van een partij werkzaam is en die tijdelijk wordt overgeplaatst in het kader van economische activiteiten op het grondgebied van de andere partij. De belangrijkste handelsactiviteit van de betrokken organisatie dient op het grondgebied van een partij plaats te hebben en de overplaatsing dient te geschieden naar een dochteronderneming of filiaal van deze organisatie die op het grondgebied van de andere partij daadwerkelijk soortgelijke economische activiteiten verrichten.
3.
De toegang tot en het tijdelijke verblijf op het grondgebied van respectievelijk Jordanië en de Gemeenschap van onderdanen van respectievelijk de lidstaten en Jordanië zijn toegestaan, mits dit vertegenwoordigers van organisaties betreft die leden zijn van het hogere kader van een organisatie, in de zin van artikel 2, onder a., die verantwoordelijk zijn voor de vestiging van een organisatie uit Jordanië respectievelijk de Gemeenschap in de Gemeenschap respectievelijk Jordanië, mits:
deze vertegenwoordigers zich niet bezig houden met rechtstreekse verkoop of dienstverlening, en
de organisatie in een lidstaat van de Gemeenschap respectievelijk in Jordanië geen andere vertegenwoordiger, kantoor, filiaal of dochteronderneming heeft.
Artikel 35
Teneinde het voor onderdanen van de Gemeenschap en Jordanië eenvoudiger te maken zich in Jordanië respectievelijk de Gemeenschap in een vrij beroep te vestigen en als zodanig werkzaamheden te verrichten, onderzoekt de Associatieraad welke maatregelen vereist zijn met het oog op de wederzijdse erkenning van kwalificaties.
Artikel 36
Het bepaalde in artikel 30 vormt voor een partij geen beletsel om bijzondere voorschriften vast te stellen voor de vestiging en de activiteiten van filialen of dochterondernemingen van ondernemingen van de andere partij die niet op het grondgebied van de eerste partij rechtspersoonlijkheid bezitten, mits deze maatregelen gerechtvaardigd zijn op grond van juridische of technische verschillen tussen deze filialen en filialen van op het grondgebied van de eerste partij wel rechtspersoonlijkheid bezittende ondernemingen, of, waar het financiële diensten betreft, om prudentiële redenen. Het verschil in behandeling mag niet meer inhouden dan wat strikt noodzakelijk is op grond van deze juridische of technische verschillen of, waar het financiële diensten betreft, om deze prudentiële redenen.
1.
De partijen doen alles wat in hun vermogen ligt om geleidelijk het verlenen van diensten mogelijk te maken door ondernemingen uit de Gemeenschap of Jordanië die zijn gevestigd op het grondgebied van een andere partij dan die van de persoon voor wie de diensten worden verricht, met inachtneming van de ontwikkeling van de dienstverlenende sectoren op het grondgebied van de partijen.
2.
De Associatieraad doet aanbevelingen met betrekking tot de tenuitvoerlegging van lid 1.
Artikel 38
Met het oog op een gecoördineerde ontwikkeling van het vervoer tussen de partijen in overeenstemming met hun commerciële behoeften, kunnen de voorwaarden voor de wederzijdse toegang tot elkaars markten en het verlenen van diensten met betrekking tot het vervoer over de weg, per spoor en over de binnenwateren, en eventueel het luchtvervoer, worden vastgelegd in bijzondere overeenkomsten, waarover in voorkomend geval tussen de partijen na het in werking treden van deze Overeenkomst wordt onderhandeld.
1.
De partijen verbinden zich tot het daadwerkelijk toepassen van het beginsel van onbeperkte toegang tot de internationale maritieme markt en het internationaal maritiem vervoer op commerciële basis.
a. Bovenstaande bepaling doet geen afbreuk aan de rechten en verplichtingen die voortvloeien uit de gedragscode van de Verenigde Naties voor Lijnvaartconferences en voor een partij bij deze Overeenkomst van toepassing zijn. De niet bij conferences aangesloten lijnvaartmaatschappijen kunnen vrij met een conference concurreren zolang zij zich aan het beginsel van eerlijke concurrentie op commerciële basis houden.
b. De partijen bevestigen dat zij vrije concurrentie beschouwen als een essentiële vereiste voor het handelsverkeer in droge en vloeibare bulkgoederen.
2.
De partijen verbinden zich ertoe bij de toepassing van de beginselen van lid 1:
a. in toekomstige bilaterale overeenkomsten met derde landen geen vrachtverdelingsregelingen op te nemen met betrekking tot het vervoer van droge en vloeibare bulkladingen en het lijnvrachtverkeer. Dit sluit echter de mogelijkheid niet uit om dergelijke regelingen te treffen voor het lijnvrachtverkeer in die uitzonderlijke gevallen waarin de lijnvaartmaatschappijen van de ene of de andere partij bij deze Overeenkomst anders geen reële kans zouden krijgen om aan het handelsverkeer van en naar het betrokken derde land deel te nemen;
b. bij het in werking treden van deze Overeenkomst alle unilaterale maatregelen en administratieve, technische en andere belemmeringen op te heffen die een beperkende of discriminerende invloed kunnen hebben op het vrij verrichten van diensten in het internationaal maritiem vervoer.
Elke partij verleent aan door onderdanen en vennootschappen van de andere partij geëxploiteerde schepen die gebruikt worden voor het vervoer van goederen, passagiers of beide, onder meer geen minder gunstige behandeling dan die welke zij aan haar eigen schepen verleent, ten aanzien van de toegang tot havens, het gebruik van de infrastructuur en van de maritieme hulpdiensten van deze havens, alsmede de daarmee verband houdende vergoedingen en kosten, de douanefaciliteiten en de toewijzing van aanlegplaatsen en installaties voor het laden en lossen.
1.
De partijen verbinden zich ertoe te overwegen deze titel verder te ontwikkelen met het oog op de totstandkoming van een overeenkomst inzake economische integratie als bedoeld in artikel V van de Algemene Overeenkomst inzake de handel in diensten (GATS).
2.
De in lid 1 bedoelde doelstelling wordt uiterlijk vijf jaar na de inwerkingtreding van deze Overeenkomst door de Associatieraad aan een eerste onderzoek onderworpen.
3.
Bij dit onderzoek houdt de Associatieraad rekening met de vooruitgang die geboekt is bij de onderlinge aanpassing van de wetgeving van de partijen inzake de desbetreffende activiteiten.
1.
De bepalingen van deze titel worden toegepast behoudens beperkingen die gerechtvaardigd zijn uit hoofde van de openbare orde, de openbare veiligheid en de volksgezondheid.
2.
Zij zijn niet van toepassing op werkzaamheden die op het grondgebied van een partij verband houden met de uitoefening van het openbaar gezag, ook indien dit slechts incidenteel het geval is.
Artikel 42
Voor de toepassing van deze titel vormt geen der bepalingen van deze Overeenkomst voor de partijen een beletsel voor de toepassing van hun wetten en voorschriften betreffende toelating en verblijf, het verrichten van arbeid, arbeidsvoorwaarden, de vestiging van natuurlijke personen en het verrichten van diensten, op voorwaarde dat zulks niet op zodanige wijze geschiedt dat de toepassing de voor een partij uit een specifieke bepaling van de Overeenkomst voortvloeiende voordelen teniet doet of beperkt. Deze bepaling doet geen afbreuk aan de toepassing van artikel 41.
Artikel 43
Ondernemingen welke worden bestuurd door en de exclusieve eigendom zijn van ondernemingen uit Jordanië en de Gemeenschap gezamenlijk, komen eveneens in aanmerking voor de bepalingen van deze titel.
Artikel 44
De in het kader van deze Overeenkomst door een partij aan de andere toegekende behandeling is met ingang van de termijn van een maand vóór het in werking treden van de daarop betrekking hebbende voorschriften van de GATS , met betrekking tot de sectoren of maatregelen waarop de GATS betrekking heeft, in geen geval gunstiger dan die welke door bedoelde eerstgenoemde partij in het kader van de GATS en met betrekking tot ongeacht welke dienstensector, dienstensubsector en wijze van dienstverlening wordt toegekend.
Artikel 45
Voor de toepassing van deze titel wordt geen rekening gehouden met de behandeling welke door de Gemeenschap, haar lidstaten of Jordanië wordt toegekend op grond van verbintenissen welke in het kader van overeenkomsten inzake economische integratie overeenkomstig de beginselen van artikel V van de GATS zijn aangegaan.
1.
Geen der bepalingen van deze Overeenkomst vormt voor de partijen een beletsel om maatregelen om redenen van bedrijfseconomisch toezicht te nemen, onder meer ten behoeve van investeerders, depositogevers, verzekeringnemers of personen aan wie een financiële dienstverlener een fiduciair recht verschuldigd is, of teneinde de integriteit en de stabiliteit van het financiële systeem te waarborgen. Indien dergelijke maatregelen strijdig zijn met de bepalingen van de Overeenkomst, mogen zij niet worden gebruikt als middel om de uit de Overeenkomst voortvloeiende verplichtingen van een partij te ontduiken.
2.
Geen der bepalingen van deze Overeenkomst wordt op zodanige wijze geïnterpreteerd dat zij een partij verplicht tot het verstrekken van informatie betreffende de zaken en de boekhouding van individuele klanten, dan wel vertrouwelijke of geoctrooieerde informatie die in het bezit is van overheidsinstanties.
Artikel 47
De bepalingen van deze Overeenkomst vormen voor een partij geen beletsel de maatregelen te nemen die zij noodzakelijk acht om te voorkomen dat de door haar genomen maatregelen in verband met de toegang van derde landen tot haar markten door middel van deze Overeenkomst worden ontdoken.
Artikel 48
Behoudens het bepaalde in de artikelen 51 en 52 zijn betalingen in verband met het verkeer van goederen, personen, diensten en kapitaal in het kader van deze Overeenkomst vrij van beperkingen.
1.
In het kader van het bepaalde in deze Overeenkomst, behoudens het bepaalde in de artikelen 50 en 51 en onverminderd de in artikel 30, lid 2, onder a., bedoelde bijlage VI, gelden geen beperkingen op het verkeer van kapitaal van de Gemeenschap naar Jordanië en op het verkeer van kapitaal met betrekking tot directe investeringen van Jordanië naar de Gemeenschap.
2.
Het verkeer van Jordaans kapitaal naar de Gemeenschap, met uitzondering van directe investeringen, is onderworpen aan de geldende wetten van Jordanië.
3.
De partijen voeren overleg met het oog op volledige liberalisering van het kapitaalverkeer, zodra de voorwaarden daartoe zijn vervuld.
Artikel 50
Onverminderd andere bepalingen van deze Overeenkomst en andere internationale verplichtingen van de Gemeenschap en Jordanië, vormt artikel 49 geen beletsel voor de toepassing van eventuele beperkingen die op de datum van inwerkingtreding van deze Overeenkomst tussen de Gemeenschap en Jordanië van kracht zijn ten aanzien van het kapitaalverkeer tussen deze partijen in verband met directe investeringen, met inbegrip van investeringen in onroerend goed, en de vestiging van ondernemingen.
Er zijn evenwel geen beperkingen op de overdracht van kapitaal dat door ingezetenen van de Gemeenschap in Jordanië of door ingezetenen van Jordanië in de Gemeenschap werd geïnvesteerd, noch op de overdracht van alle daaruit voortvloeiende winsten.
Artikel 51
Wanneer in uitzonderlijke omstandigheden het kapitaalverkeer tussen de Gemeenschap en Jordanië ernstige moeilijkheden veroorzaakt of dreigt te veroorzaken voor het wisselkoersbeleid of het monetair beleid in de Gemeenschap of in Jordanië, dan kunnen de Gemeenschap of Jordanië, overeenkomstig het bepaalde in de GATS en in de artikelen VIII en XIV van de Overeenkomst betreffende het Internationaal Monetair Fonds , het kapitaalverkeer tussen de Gemeenschap en Jordanië gedurende een periode van ten hoogste zes maanden aan vrijwaringsmaatregelen onderwerpen, indien dergelijke maatregelen strikt noodzakelijk zijn.
Artikel 52
Indien zich met betrekking tot de betalingsbalans van een of meer lidstaten van de Gemeenschap of van Jordanië ernstige moeilijkheden voordoen of dreigen voor te doen, kan de Gemeenschap of Jordanië, al naar gelang van het geval, in overeenstemming met de in de GATT en met de artikelen VIII en XIV van de Overeenkomst betreffende het Internationaal Monetair Fonds bepaalde voorwaarden beperkende maatregelen treffen met betrekking tot lopende transacties, indien dergelijke maatregelen absoluut noodzakelijk zijn. De Gemeenschap of Jordanië, al naar gelang van het geval, brengt deze maatregelen onverwijld ter kennis van de andere partij, en verstrekt deze partij zo spoedig mogelijk een tijdschema voor de opheffing van deze maatregelen.
1.
Onverenigbaar met de goede werking van deze Overeenkomst voor zover de handel tussen de Gemeenschap en Jordanië daardoor ongunstig kan worden beïnvloed zijn:
a. alle overeenkomsten tussen ondernemingen, alle besluiten van ondernemersverenigingen en alle onderling afgestemde feitelijke gedragingen van ondernemingen welke ertoe strekken of die ten gevolge hebben dat de mededinging wordt verhinderd, beperkt of vervalst;
b. het misbruik maken van een machtspositie door een of meer ondernemingen op het gehele grondgebied van de Gemeenschap of van Jordanië, of op een wezenlijk deel daarvan;
c. alle steunmaatregelen van de Staten die de mededinging door begunstiging van bepaalde ondernemingen of bepaalde producties vervalsen of dreigen te vervalsen, met uitzondering van afwijkingen die zijn toegestaan krachtens het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal.
2.
Alle handelwijzen welke met dit artikel in strijd zijn, worden beoordeeld op grond van de criteria welke voortvloeien uit de toepassing van de regels van de artikelen 85, 86 en 92 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, en voor onder het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal vallende producten, die van de artikelen 65 en 66 van dat Verdrag, en de communautaire regels betreffende overheidssteun, met inbegrip van het afgeleide recht.
3.
De Associatieraad stelt bij besluit genomen binnen een termijn van vijf jaar na de inwerkingtreding van de Overeenkomst de nodige voorschriften vast voor de uitvoering van de leden 1 en 2.
In afwachting van de vaststelling van deze voorschriften worden de bepalingen van de Overeenkomst inzake de interpretatie en toepassing van de artikelen VI, XVI en XXIII van de GATT toegepast als regels voor de tenuitvoerlegging van lid 1, onder c), en het ermee verband houdende gedeelte van lid 2.
4.
a. Voor de toepassing van het bepaalde in lid 1, onder c., komen de partijen overeen dat gedurende de eerste vijf jaar na de inwerkingtreding van deze Overeenkomst alle door Jordanië aan ondernemingen toegekende overheidssteun wordt beoordeeld met inachtneming van het feit dat Jordanië wordt beschouwd als een regio gelijk aan de streken van de Gemeenschap waar de levensstandaard abnormaal laag is of waar een ernstig gebrek aan werkgelegenheid heerst, als bedoeld in artikel 92, lid 3, onder a., van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap.
De Associatieraad besluit met inachtneming van de economische situatie in Jordanië, of die periode met verdere termijnen van vijf jaar dient te worden verlengd.
b. Elke partij garandeert doorzichtigheid ten aanzien van de overheidssteun, onder meer door ieder jaar aan de andere partij mededeling te doen van het totale bedrag en de verdeling van de verstrekte steun en door op verzoek informatie over steunprogramma's te verstrekken. Op verzoek van de ene partij verstrekt de andere partij informatie over bepaalde afzonderlijke steunmaatregelen van de overheid.
5.
Met betrekking tot de producten vermeld in hoofdstuk 2 van titel II:
is het bepaalde in lid 1, onder c., niet van toepassing;
dienen alle praktijken die in strijd zijn met lid 1, onder a., te worden beoordeeld aan de hand van de criteria welke door de Gemeenschap zijn vastgesteld op grond van de artikelen 42 en 43 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap en in het bijzonder bij Verordening nr. 26/1962 van de Raad.
6.
Indien de Gemeenschap of Jordanië van mening is dat een bepaalde praktijk onverenigbaar is met lid 1 en:
deze met de in lid 3 bedoelde uitvoeringsmaatregelen niet afdoende kan worden tegengegaan, of dat
bij ontstentenis van dergelijke voorschriften, de praktijk de belangen van de andere partij ernstig schaadt of dreigt te schaden of aan haar nationale industrie, met inbegrip van de dienstverlenende sector, aanmerkelijke schade toebrengt of dreigt toe te brengen,
kan de desbetreffende partij passende maatregelen nemen na overleg in het kader van het Associatiecomité of na een termijn van dertig werkdagen volgende op het verzoek om dergelijk overleg.
Met betrekking tot praktijken die onverenigbaar zijn met lid 1, onder c., kunnen indien de GATT erop van toepassing is, deze passende maatregelen alleen worden vastgesteld in overeenstemming met de procedures en voorwaarden bepaald in de GATT of in andere in het kader daarvan tot stand gekomen akten die op beide partijen van toepassing zijn.
7.
Niettegenstaande eventueel daarmee strijdige bepalingen die overeenkomstig lid 3 zijn vastgesteld, wisselen de partijen informatie uit met inachtneming van de beperkingen welke voortvloeien uit het beroeps- of zakengeheim.
Artikel 54
De lidstaten en Jordanië passen, onverminderd de in het kader van de GATT aangegane verplichtingen, alle staatsmonopolies van commerciële aard geleidelijk aan, in dier voege dat uiterlijk vijf jaar na de inwerkingtreding van deze Overeenkomst tussen onderdanen van de lidstaten en van Jordanië geen discriminatie meer bestaan wat de voorwaarden voor de aankoop en de afzet van goederen betreft. Het Associatiecomité wordt in kennis gesteld van de maatregelen die daartoe worden genomen.
Artikel 55
Met betrekking tot overheidsondernemingen en ondernemingen waaraan speciale of exclusieve rechten zijn toegekend, ziet de Associatieraad erop toe dat vanaf het vijfde jaar na de datum van inwerkingtreding van deze Overeenkomst geen maatregelen die het handelsverkeer tussen de Gemeenschap en Jordanië verstoren of strijdig zijn met de belangen van de partijen worden vastgesteld of gehandhaafd. Deze bepaling vormt geen beletsel voor de uitvoering, de jure of de facto, van bijzondere taken die aan deze ondernemingen zijn opgedragen.
1.
Overeenkomstig het bepaalde in dit artikel en in bijlage VII waarborgen de partijen een adequate en effectieve bescherming van intellectuele-, industriële- en commerciële-eigendomsrechten overeenkomstig de hoogste internationale normen, alsmede effectieve middelen om deze rechten te doen gelden.
2.
De tenuitvoerlegging van dit artikel en van bijlage VII wordt regelmatig door de partijen onderzocht. In geval van problemen op het gebied van intellectuele-, industriële- en commerciële-eigendomsrechten die het handelsverkeer beïnvloeden wordt op verzoek van een partij spoedoverleg gevoerd, teneinde tot wederzijds bevredigende oplossingen te komen.
Artikel 57
De partijen streven ernaar de verschillen op het gebied van harmonisatie en conformiteitsbeoordeling verder te beperken. Daartoe sluiten zij specifieke overeenkomsten met betrekking tot wederzijdse erkenning op het gebied van de conformiteitsbeoordeling.
Artikel 58
De partijen stellen zich een wederzijdse en geleidelijke liberalisering van de overheidsopdrachten ten doel. De Associatieraad pleegt overleg over de tenuitvoerlegging van deze doelstelling.
1.
De partijen verbinden zich ertoe hun economische samenwerking te versterken, in hun wederzijds belang, en overeenkomstig de algemene doelstellingen van deze Overeenkomst.
2.
De economische samenwerking heeft als doel Jordanië te steunen in zijn activiteiten ter bevordering van duurzame economische en sociale ontwikkeling.
1.
De samenwerking richt zich in de eerste plaats op terreinen waar zich interne problemen voordoen, of die de gevolgen ondergaan van het liberaliseringsproces van de gehele Jordaanse economie, met name de liberalisering van het handelsverkeer tussen Jordanië en de Gemeenschap.
2.
Voorts wordt bij de samenwerking prioriteit gegeven aan de sectoren die de economieën van Jordanië en de Gemeenschap dichter bij elkaar brengen, met name sectoren die groei en werkgelegenheid scheppen.
3.
De partijen bevorderen de economische samenwerking tussen Jordanië en andere landen in de regio.
4.
Bescherming van het milieu en het ecologische evenwicht is een factor die bij de tenuitvoerlegging van de verschillende terreinen van de economische samenwerking waarvoor dit relevant is in aanmerking wordt genomen.
5.
De partijen kunnen overeenkomen de economische samenwerking uit te breiden tot sectoren die niet onder het bepaalde in deze titel vallen.
Artikel 61. Middelen en modaliteiten
De economische samenwerking wordt met name verwezenlijkt door middel van:
a. een regelmatige economische dialoog tussen de twee partijen die alle terreinen van het macro-economisch beleid bestrijkt;
b. regelmatige uitwisseling van informatie en ideeën in alle sectoren van samenwerking, onder meer door middel van bijeenkomsten van ambtenaren en deskundigen;
c. activiteiten op het gebied van adviesverlening, expertise en opleiding;
d. gezamenlijke activiteiten als seminars en workshops;
e. technische en administratieve bijstand en bijstand op het gebied van de regelgeving;
f. bevordering van joint ventures.
Artikel 62. Regionale samenwerking
Ter bevordering van de regionale samenwerking bevorderen de partijen activiteiten met een regionaal effect of waarbij andere landen in de regio betrokken zijn. Deze activiteiten kunnen onder meer inhouden:
intra-regionale handel;
milieu;
ontwikkeling van de economische infrastructuur;
wetenschappelijk en technologisch onderzoek;
cultuur;
douanezaken.
Artikel 63. Onderwijs en opleiding
De samenwerking tussen de partijen richt zich op het vaststellen en benutten van de meest effectieve methoden om de situatie in het onderwijs en de beroepseducatie aanzienlijk te verbeteren, met name ten aanzien van overheidsondernemingen en het particuliere bedrijfsleven, commerciële dienstverlening, de overheid en openbare instellingen, technische instanties, instanties voor normalisatie en certificatie en andere relevante organisaties. Beroepsopleidingen in verband met de herstructurering van de industrie krijgen hierbij speciale aandacht.
De samenwerking bevordert tevens de totstandkoming van contacten tussen gespecialiseerde instanties in de Gemeenschap en Jordanië en de uitwisseling van informatie en ervaringen, alsmede het gezamenlijke gebruik van technische middelen.
a. het bevorderen van permanente banden tussen de wetenschapsgemeenschappen van de partijen, met name door middel van:
de toegang van Jordanië tot communautaire programma's voor onderzoek en technologische ontwikkeling, overeenkomstig de geldende bepalingen inzake de deelname van derde landen aan deze programma's;
de deelname van Jordanië aan gedecentraliseerde samenwerkingsnetwerken;
bevordering van synergie tussen opleiding en onderzoek;
b. het versterken van de onderzoekscapaciteit van Jordanië;
c. het stimuleren van technologische innovatie, het uitwisselen van nieuwe technologieën en het verspreiden van kennis, met name om de aanpassing van de industriële capaciteit van Jordanië te versnellen.
1.
De samenwerking is gericht op het voorkomen van de afbraak van het milieu, het intomen van de vervuiling en het rationele gebruik van natuurlijke hulpbronnen, teneinde duurzame ontwikkeling tot stand te brengen en regionale samenwerkingsprojecten te bevorderen.
2.
De samenwerking wordt met name geconcentreerd op:
woestijnvorming;
de kwaliteit van het zeewater en controle op en preventie van vervuiling van de zee;
beheer van de watervoorraden;
passend gebruik van energie;
afvalbeheer;
de gevolgen van de industriële ontwikkeling voor het milieu in het algemeen; de veiligheid van industriële installaties in het bijzonder;
de gevolgen van de landbouw voor de kwaliteit van bodem en water;
milieu-educatie en voorlichting;
het gebruik van geavanceerde methoden voor milieubeheer, meet- en controlemethoden, en in het bijzonder het gebruik van het Environmental Information System (EIS) en technieken voor milieu-effectbeoordeling;
verzilting.
Artikel 66. Industriële samenwerking
De samenwerking is met name gericht op het bevorderen van:
industriële samenwerking tussen ondernemingen in de Gemeenschap en in Jordanië, onder meer inhoudende toegang tot communautaire netwerken voor samenwerking tussen bedrijven en netwerken die in het kader van gedecentraliseerde samenwerking zijn opgezet;
modernisering en herstructurering van de Jordaanse industrie;
totstandbrenging en bevordering van een voor de ontwikkeling van het particuliere bedrijfsleven gunstig klimaat, teneinde groei en diversifiëring van de industriële productie te stimuleren;
samenwerking tussen het midden- en kleinbedrijf in de Gemeenschap en in Jordanië;
overdracht van technologie, innovatie en onderzoek en ontwikkeling;
diversifiëring van de industriële productie in Jordanië;
ontwikkeling van het menselijk potentieel;
verbetering van de toegang tot investeringskredieten;
stimulering van innovatie;
verbetering van ondersteunende informatiediensten.
Artikel 67. Investeringen en stimulering van investeringen
De samenwerking is gericht op het scheppen van een gunstig en stabiel investeringsklimaat in Jordanië. Dit houdt in ontwikkeling van:
geharmoniseerde en vereenvoudigde administratieve procedures; mechanismen voor gezamenlijke investeringen, met name in het midden- en kleinbedrijf, en identificatie van en informatie over investeringsmogelijkheden;
een juridisch klimaat dat bevorderlijk is voor de onderlinge investeringen, eventueel door de sluiting tussen Jordanië en de lidstaten van overeenkomsten ter bescherming van investeringen en overeenkomsten ter vermijding van dubbele belasting;
toegang tot de kapitaalmarkt ten behoeve van de financiering van productieve investeringen;
joint ventures van ondernemingen uit Jordanië en de Gemeenschap.
Artikel 68. Normalisatie en conformiteitsbeoordeling
De samenwerking op dit gebied richt zich met name op:
a. het bevorderen van de toepassing van communautaire voorschriften op het gebied van normalisatie, metrologie, kwaliteitsnormen en erkenning van conformiteit;
b. modernisering van de Jordaanse instanties voor conformiteitsbeoordeling, teneinde te zijner tijd en voor zover mogelijk overeenkomsten inzake wederzijdse erkenning van conformiteitsbeoordeling te sluiten;
c. het ontwikkelen van structuren en organen voor de bescherming van intellectuele, industriële en commerciële eigendom, normalisatie en kwaliteitsnormen.
Artikel 69. Aanpassing van wetgeving
De partijen doen alles wat in hun vermogen ligt om hun wetgeving onderling aan te passen, teneinde de implementatie van deze Overeenkomst te vereenvoudigen.
Artikel 70. Financiële diensten
De partijen werken samen om hun normen en voorschriften te harmoniseren, onder andere met het oog op:
a. versterking en herstructurering van de financiële sector in Jordanië;
b. verbetering van de boekhoudings- en boekhoudcontrolesystemen, alsmede het toezicht op en de reglementering van het bankwezen, het verzekeringswezen en andere financiële sectoren in Jordanië.
Artikel 71. Landbouw
De partijen concentreren zich bij de samenwerking in het bijzonder op:
steun voor hun beleid ter diversifiëring van de productie;
bevordering van milieuvriendelijke landbouwmethoden;
totstandbrenging van nauwere banden tussen ondernemingen, groeperingen en organisaties die beroepsgroepen vertegenwoordigen in Jordanië en in de Gemeenschap, een en ander op vrijwillige basis;
technische bijstand en scholing;
harmonisatie van fytosanitaire en veterinaire normen;
geïntegreerde ontwikkeling van het platteland, mede inhoudende verbetering van basisdienstverlening en de ontwikkeling van aanverwante economische activiteiten;
samenwerking tussen plattelandsregio's, uitwisseling van ervaringen en kennis inzake plattelandsontwikkeling.
Artikel 72. Vervoer
De samenwerking is gericht op:
herstructurering en modernisering van weg-, spoorweg-, haven- en luchthaveninfrastructuur die verbonden is met de belangrijkste trans-Europese verbindingen van gemeenschappelijk belang;
definitie en toepassing van exploitatienormen die vergelijkbaar zijn met die welke in de Gemeenschap gangbaar zijn;
vernieuwing van technische installaties volgens de communautaire normen voor multimodaal vervoer, containervervoer en overslag;
geleidelijke versoepelingen van de transitovoorschriften;
verbetering van het beheer van luchthavens, de luchtverkeersleiding en de spoorwegen, mede inhoudende samenwerking tussen de verantwoordelijke nationale instanties.
Artikel 73. Informatie-infrastructuur en telecommunicatie
De samenwerking is met name gericht op:
a. de telecommunicatie in het algemeen;
b. normalisatie, conformiteitsbeproeving en certificatie op het gebied van informatietechnologie en telecommunicatie;
c. verbreiding van nieuwe informatietechnologieën, met name op het gebied van netwerken en de onderlinge koppeling van netwerken (ISDN – digitaal netwerk voor geïntegreerde diensten – en EDI – elektronische gegevensuitwisseling);
d. stimulering van onderzoek naar en ontwikkeling van nieuwe faciliteiten voor communicatie en informatietechnologieën, gericht op het ontwikkelen van de markt voor uitrusting, diensten en toepassingen in verband met informatietechnologieën en communicatie, diensten en installaties.
Artikel 74. Energie
Bij de samenwerking genieten prioriteit:
bevordering van duurzame energiebronnen en binnenlandse energiebronnen;
bevordering van energiebesparing en efficiënt energiegebruik;
toegepast onderzoek naar datanetwerken in de economische en sociale sector, met name ten behoeve van de verbinding tussen ondernemingen in de Gemeenschap en in Jordanië;
ondersteuning van de inspanningen voor modernisering en ontwikkeling van energienetwerken en koppeling daarvan aan de netwerken van de Gemeenschap.
De samenwerking richt zich tevens op vereenvoudiging van de doorvoer van gas, olie en elektriciteit.
Artikel 75. Toerisme
Prioriteit genieten bij de samenwerking op dit gebied:
verbetering van de kennis van de toeristenindustrie en versterking van de consistentie van beleid dat op het toerisme van invloed is;
betere seizoensspreiding van het toerisme;
bevordering van de samenwerking met regio's en steden in buurlanden;
betere informatievoorziening voor toeristen en bescherming van hun belangen;
benadrukking van het belang van het culturele erfgoed voor het toerisme;
zorgen voor een passende wisselwerking tussen toerisme en het milieu;
bevordering van de concurrentie in het toerisme door stimulering van professionalisme, met name ten aanzien van het hotelwezen;
uitwisseling van informatie inzake geplande projecten voor ontwikkeling en marketing van het toerisme, toeristische beurzen, tentoonstellingen, congressen en publicaties.
1.
De partijen verbinden zich ertoe de samenwerking op douanegebied te ontwikkelen, teneinde erop toe te zien dat de handelsbepalingen worden nageleefd. Bij de samenwerking hebben prioriteit:
a. vereenvoudiging van controles en procedures voor in- en uitklaring van goederen;
b. toepassing van het „enig administratief document" en een systeem om de transitregelingen van de Gemeenschap en Jordanië te koppelen.
2.
Onverminderd het bepaalde in de Overeenkomst inzake verdere samenwerking, in het bijzonder wat de bestrijding van drugs en het witwassen van geld betreft, verlenen de douaneadministraties van de partijen elkaar administratieve bijstand overeenkomstig Protocol 4.
Artikel 77. Statistiek
De samenwerking is met name gericht op harmonisatie van de door de partijen gebruikte methoden, zodat betrouwbare statistieken kunnen worden opgesteld voor handel, bevolking, migratie en in het algemeen alle gebieden die onder deze Overeenkomst vallen en voor statistische verwerking in aanmerking komen.
1.
De partijen werken samen om te voorkomen dat hun financiële systemen worden gebruikt voor het witwassen van de opbrengst van criminele activiteiten in het algemeen en drugsmisdrijven in het bijzonder.
2.
De samenwerking op dit gebied omvat administratieve en technische bijstand teneinde normen op te stellen voor de bestrijding van het witwassen van geld die gelijkwaardig zijn met die van de Gemeenschap en andere relevante internationale instellingen, met name de Financial Action Task Force (FATF).
1.
De samenwerking is met name gericht op:
verbetering van de effectiviteit van beleid en maatregelen ter voorkoming en bestrijding van het aanbod van en de illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen, almede op bestrijding van het misbruik van deze producten;
bevordering van een gezamenlijke aanpak voor het terugdringen van het illegale gebruik van deze producten.
2.
De partijen bepalen gezamenlijk, in overeenstemming met hun respectieve wetgeving, welke strategieën en samenwerkingsmethoden geboden zijn om deze doelstellingen te bereiken. Hun optreden, voor zover niet gemeenschappelijk, wordt gebaseerd op overleg en nauwe coördinatie.
Aan dit optreden kunnen bevoegde openbare en particuliere instellingen en internationale organisaties deelnemen, in samenwerking met de bevoegde instanties van Jordanië, de Gemeenschap en haar lidstaten.
3.
De samenwerking wordt verwezenlijkt door middel van uitwisseling van informatie en waar nodig gezamenlijke activiteiten met betrekking tot:
oprichting of uitbreiding van instellingen voor sociale dienstverlening en gezondheidszorg en informatiecentra voor de behandeling en sociale reïntegratie van drugsverslaafden;
uitvoering van projecten op het gebied van preventie, voorlichting, opleiding, en epidemiologisch onderzoek;
het opstellen van normen voor de preventie van het misbruik van precursoren en andere essentiële stoffen die worden gebruikt voor de illegale vervaardiging van verdovende middelen of psychotrope stoffen, overeenkomend met de normen van de Gemeenschap en de betrokken internationale organen, met name de Chemical Action Task Force (CATF).
1.
Tussen de partijen wordt een regelmatige dialoog ingesteld over elk onderwerp op sociaal gebied dat voor hen van belang is.
2.
De dialoog is een instrument voor onderzoek naar wijzen om vooruitgang te bewerkstelligen wat betreft het verkeer van werknemers, de gelijke behandeling en de sociale integratie van onderdanen van Jordanië en van de Gemeenschap die legaal op het grondgebied van gastlanden verblijven.
3.
De dialoog heeft met name betrekking op alle problemen betreffende:
a. leef- en werkomstandigheden van migrantengemeenschappen;
b. migratie;
c. illegale immigratie en de voorwaarden voor terugzending van personen die niet voldoen aan de bepalingen van de wetgeving inzake verblijf en vestiging die in het gastland van toepassing is;
d. activiteiten en programma's ter bevordering van de gelijke behandeling van onderdanen van Jordanië en van de Gemeenschap, wederzijdse kennis van cultuur en beschaving, bevordering van tolerantie en bestrijding van discriminatie.
Artikel 81
De dialoog op sociaal gebied wordt gehouden op dezelfde niveaus en volgens dezelfde procedures als die van titel I van deze Overeenkomst, die tevens als kader ervoor kan dienen.
1.
De partijen erkennen het belang van sociale ontwikkeling, een essentiële component van alle economische ontwikkeling. Bijzondere prioriteit wordt toegekend aan de eerbiediging van fundamentele sociale rechten.
2.
Teneinde de samenwerking op sociaal gebied tussen de partijen te consolideren worden activiteiten en programma's op elk gebied dat voor hen van belang is uitgevoerd.
Hierbij hebben de volgende onderwerpen prioriteit:
a. vermindering van de migratiedruk door het scheppen van werkgelegenheid en het ontwikkelen van het onderwijs in de emigratiegebieden;
b. reïntegratie van teruggestuurde illegale immigranten;
c. bevordering van de participatie van vrouwen in het sociale en economische ontwikkelingsproces, met name door middel van onderwijs en de media, overeenkomstig het Jordaanse beleid op dit gebied;
d. ontwikkeling en versterking van Jordaanse programma's voor gezinsplanning en bescherming van moeder en kind;
e. verbetering van het stelsel voor sociale zekerheid;
f. verbetering van de gezondheidszorg;
g. verbetering van levensomstandigheden in achtergestelde, dichtbevolkte gebieden;
h. uitvoering en financiering van uitwisselings- en vrijetijdsprogramma's voor gemengde groepen Europese en Jordaanse jongeren die in de lidstaten verblijven ter bevordering van de kennis van elkaars cultuur en van de tolerantie.
Artikel 83
Samenwerkingsprojecten kunnen worden gecoördineerd met de lidstaten en de relevante internationale organisaties.
Artikel 84
De Associatieraad richt voor het einde van het eerste jaar na de datum van inwerkingtreding van deze Overeenkomst een werkgroep op. Deze is belast met permanente evaluatie van de tenuitvoerlegging van de bepalingen van de hoofdstukken 1 en 2.
1.
Met het oog op de vergroting van wederzijdse kennis en begrip en rekening houdend met reeds ondernomen activiteiten, verbinden de partijen zich ertoe, met respect voor elkaars cultuur, een vaste basis te leggen voor een duurzame culturele dialoog en een permanente culturele samenwerking te bevorderen op alle daarvoor geschikte terreinen.
2.
Bij de vaststelling van samenwerkingsactiviteiten en -programma's en gezamenlijke activiteiten besteden de partijen bijzondere aandacht aan jongeren, aan zelfexpressie en communicatievaardigheden met gebruikmaking van schriftelijke en audiovisuele media, en aan monumentenzorg en verbreiding van cultuur.
3.
De partijen komen overeen dat de bestaande programma's voor culturele samenwerking in de Gemeenschap en de lidstaten tot Jordanië kunnen worden uitgebreid.
4.
De partijen stimuleren activiteiten van wederzijds belang op het gebied van informatie en communicatie.
Artikel 86
Ter verwezenlijking van de doelstellingen van deze Overeenkomst wordt een financieel samenwerkingspakket aan Jordanië ter beschikking gesteld overeenkomstig de passende procedures en financiële middelen.
Deze procedures worden na de inwerkingtreding van de Overeenkomst in overleg tussen de partijen vastgesteld met behulp van de meest geschikte instrumenten.
Naast de in titel V en titel VI van deze Overeenkomst genoemde terreinen heeft deze samenwerking vooral betrekking op:
het bevorderen van hervormingen die gericht zijn op de modernisering van de economie;
het op peil brengen van de economische infrastructuur;
het bevorderen van particuliere investeringen en activiteiten die werkgelegenheid scheppen;
het opvangen van de gevolgen voor de Jordaanse economie van de geleidelijke instelling van een vrijhandelszone, met name door het op peil brengen en herstructureren van de industrie;
het begeleiden van het beleid in de sociale sectoren.
Artikel 87
In het kader van de communautaire financiële instrumenten ter ondersteuning van de programma's voor structurele aanpassing in de landen van het Middellandse-Zeegebied, en in nauwe samenwerking met de Jordaanse autoriteiten en met andere donoren, in het bijzonder andere internationale financiële instellingen, onderzoekt de Gemeenschap op welke wijze ondersteuning kan worden geboden voor de structuurmaatregelen die Jordanië neemt om een algemeen financieel evenwicht te herstellen en een economisch klimaat te scheppen dat een versnelde groei bevordert en tegelijkertijd het sociale welzijn van de bevolking verbetert.
Artikel 88
Met het oog op een gecoördineerde benadering van bijzondere macro-economische en financiële problemen die uit de tenuitvoerlegging van deze Overeenkomst zouden kunnen voortvloeien, besteden de partijen bijzondere aandacht aan de ontwikkelingen in het handelsverkeer en de financiële betrekkingen tussen de Gemeenschap en Jordanië in het kader van de krachtens titel V ingestelde regelmatige economische dialoog.
Artikel 89
Er wordt een Associatieraad opgericht, die één maal per jaar, of telkens wanneer de omstandigheden zulks vereisen, op ministerieel niveau bijeenkomt op initiatief van zijn voorzitter, overeenkomstig het reglement van orde.
De Associatieraad behandelt alle belangrijke vraagstukken die zich in het kader van de Overeenkomst voordoen, alsmede alle andere bilaterale of internationale vraagstukken van gemeenschappelijk belang.
1.
De Associatieraad bestaat uit enerzijds leden van de Raad van de Europese Unie en leden van de Commissie van de Europese Gemeenschappen en anderzijds leden van de regering van Jordanië.
2.
De leden van de Associatieraad kunnen regelingen treffen om zich te doen vertegenwoordigen, overeenkomstig de daartoe in het reglement van orde van deze Associatieraad vast te stellen voorwaarden.
3.
De Associatieraad stelt zijn reglement van orde vast.
4.
De Associatieraad wordt beurtelings voorgezeten door een lid van de Raad van de Europese Unie en een lid van de regering van Jordanië, zulks overeenkomstig het bepaalde in het reglement van orde van de Associatieraad.
Artikel 91
De Associatieraad heeft, voor de verwezenlijking van de doelstellingen van de Overeenkomst, in de in de Overeenkomst genoemde gevallen beslissingsbevoegdheid.
De besluiten van de Associatieraad zijn bindend voor de partijen, die de nodige maatregelen treffen voor de uitvoering ervan. De Associatieraad kan tevens alle nuttige aanbevelingen doen.
De besluiten en aanbevelingen van de Associatieraad worden vastgesteld in onderlinge overeenstemming tussen de partijen.
1.
Er wordt een Associatiecomité opgericht, dat toezicht houdt op het beheer van deze Overeenkomst, onder voorbehoud van de aan de Raad toegekende bevoegdheden.
2.
De Associatieraad kan alle of een deel van zijn bevoegdheden aan het Associatiecomité delegeren.
1.
Het Associatiecomité vergadert op het niveau van ambtenaren en bestaat uit enerzijds vertegenwoordigers van de leden van de Raad van de Europese Unie en van leden van de Commissie van de Europese Gemeenschappen, en anderzijds vertegenwoordigers van de regering van Jordanië.
2.
Het Associatiecomité stelt zijn reglement van orde vast.
3.
Het voorzitterschap van het Associatiecomité wordt bij toerbeurt bekleed door een vertegenwoordiger van de Commissie van de Europese Gemeenschappen en een vertegenwoordiger van de regering van Jordanië.
1.
Het Associatiecomité heeft beslissingsbevoegdheid inzake het beheer van deze Overeenkomst en op de terreinen waarop de Raad het comité bevoegdheden heeft toegekend.
2.
Besluiten worden in overleg tussen de partijen genomen en zijn bindend voor de partijen, die gehouden zijn de maatregelen te nemen die voor de uitvoering ervan nodig zijn.
Artikel 95
De Associatieraad kan besluiten werkgroepen of lichamen in te stellen die voor de uitvoering van de Overeenkomst nodig zijn.
Artikel 96
De Associatieraad neemt alle nuttige maatregelen ter bevordering van de samenwerking en de contacten tussen het Europees Parlement en het parlement van Jordanië.
1.
Elk der partijen kan ieder geschil dat verband houdt met de toepassing of de interpretatie van deze Overeenkomst aan de Associatieraad voorleggen.
2.
De Associatieraad kan het geschil bij besluit beslechten.
3.
Elke partij is verplicht de voor de uitvoering van het in lid 2 bedoelde besluit vereiste maatregelen te treffen.
4.
Indien het geschil niet overeenkomstig lid 2 kan worden beslecht, kan elk der partijen de andere partij ervan in kennis stellen dat zij een scheidsrechter heeft aangewezen, waarop de andere partij binnen twee maanden een tweede scheidsrechter dient aan te wijzen. Voor de toepassing van deze procedure worden de Gemeenschap en de lidstaten geacht één partij bij het geschil te zijn.
De Associatieraad wijst een derde scheidsrechter aan.
De scheidsrechters beslissen bij meerderheid van stemmen.
Elke partij bij het geschil dient de maatregelen te treffen die voor de tenuitvoerlegging van de beslissing van de scheidsrechters noodzakelijk zijn.
Artikel 98
Niets in de Overeenkomst belet een overeenkomstsluitende partij maatregelen te nemen:
a. die zij nodig acht om de onthulling van informatie die tegen haar vitale veiligheidsbelangen indruist te beletten;
b. die verband houden met de productie van of de handel in wapens, munitie of oorlogsmateriaal of met onderzoek, ontwikkeling of productie die absoluut vereist zijn voor defensiedoeleinden, mits deze maatregelen geen afbreuk doen aan de concurrentievoorwaarden voor producten die niet voor specifiek militaire doeleinden bestemd zijn;
c. die zij van vitaal belang voor haar eigen veiligheid acht, in geval van ernstige binnenlandse problemen die de openbare orde bedreigen, in tijden van oorlog of ernstige internationale spanningen die een oorlogsdreiging inhouden, of om verplichtingen na te komen die zij voor de bewaring van de vrede en de internationale veiligheid is aangegaan.
Artikel 99
Op de door deze Overeenkomst bestreken terreinen en onverminderd eventueel daarin neergelegde bijzondere bepalingen, geldt het volgende:
de regelingen die Jordanië ten opzichte van de Gemeenschap toepast mogen geen aanleiding geven tot discriminatie tussen de lidstaten, hun onderdanen of hun vennootschappen;
de regelingen die de Gemeenschap ten opzichte van Jordanië toepast mogen geen aanleiding geven tot discriminatie tussen Jordaanse onderdanen of vennootschappen.
Artikel 100
Ten aanzien van directe belastingen heeft geen der bepalingen van de Overeenkomst tot gevolg dat:
de door een partij toegekende voordelen op fiscaal gebied in enige internationale overeenkomst of regeling waardoor deze partij gebonden is worden uitgebreid;
vaststelling of toepassing door een partij van enige maatregel die gericht is op het voorkomen van fraude of belastingontduiking wordt verhinderd;
afbreuk wordt gedaan aan het recht van een partij de ter zake doende bepalingen van haar fiscale wetgeving toe te passen op belastingplichtigen die zich niet in dezelfde situatie bevinden, met name ten aanzien van hun woonplaats.
1.
De partijen treffen alle algemene en bijzondere maatregelen die vereist zijn om aan hun verplichtingen krachtens deze Overeenkomst te voldoen. Zij zien erop toe dat de in de Overeenkomst aangegeven doelstellingen worden bereikt.
2.
Indien een der partijen van mening is dat de andere partij een verplichting die uit de Overeenkomst voortvloeit niet is nagekomen, kan zij passende maatregelen treffen. Alvorens dit te doen, behalve in bijzonder spoedeisende gevallen, verstrekt zij de Associatieraad alle ter zake doende informatie die nodig is voor een grondig onderzoek van de situatie, teneinde een voor beide partijen aanvaardbare oplossing te vinden.
Bij voorrang moeten die maatregelen worden gekozen die de goede werking van de Overeenkomst het minst verstoren. Deze maatregelen worden onmiddellijk ter kennis van de Associatieraad gebracht en op verzoek van de andere partij in de Associatieraad besproken.
Artikel 102
De protocollen 1 tot en met 4 en de bijlagen I tot en met VII vormen een integrerend onderdeel van de Overeenkomst. De verklaringen en de briefwisselingen zijn opgenomen in de Slotakte, die een integrerend onderdeel vormt van de Overeenkomst.
Artikel 103
Voor de toepassing van deze Overeenkomst wordt onder „partijen" verstaan: enerzijds de Gemeenschap, of de lidstaten, of de Gemeenschap en de lidstaten, overeenkomstig hun respectieve bevoegdheden, en anderzijds, Jordanië.
Artikel 104
De Overeenkomst wordt voor onbepaalde tijd gesloten.
Elk der partijen kan de Overeenkomst door kennisgeving aan de andere partij opzeggen. Zes maanden na de datum van die kennisgeving houdt de Overeenkomst op van toepassing te zijn.
Artikel 105
Deze Overeenkomst is van toepassing op enerzijds het grondgebied waar het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap en het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal van toepassing zijn, overeenkomstig het bepaalde in die verdragen, en anderzijds op het grondgebied van Jordanië.
Artikel 106
Deze Overeenkomst, die is opgesteld in tweevoud in de Deense, de Duitse, de Engelse, de Finse, de Franse, de Griekse, de Italiaanse, de Nederlandse, de Portugese, de Spaanse, de Zweedse en de Arabische taal, zijnde alle teksten gelijkelijk authentiek, wordt neergelegd bij het Secretariaat-generaal van de Raad van de Europese Unie.
1.
Deze Overeenkomst wordt door de partijen volgens hun eigen procedures goedgekeurd.
Deze Overeenkomst treedt in werking op de eerste dag van de tweede maand na de datum waarop de partijen elkaar ervan kennisgeving doen dat de in de eerste alinea bedoelde procedures zijn voltooid.
2.
Bij inwerkingtreding vervangt deze Overeenkomst de op 18 januari 1977 te Brussel ondertekende Samenwerkingsovereenkomst tussen de Europese Economische Gemeenschap en het Hasjemitische Koninkrijk Jordanië en de Overeenkomst tussen de lidstaten van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal en Jordanië.
GEDAAN te Brussel, de vierentwintigste november negentienhonderd zevenennegentig.