Rechtenmedia.nl - Juridische Online Uitgeverij  Rechtennieuws.nl | Jure.nl | Maxius.nl | Parlis.nl | Rechtenforum.nl | JBmatch.nl | MijnWetten.nl | AdvocatenZoeken.nl | Rechtentotaal.nl
Enkelvoudig Verdrag inzake verdovende middelen, 1961, zoals gewijzigd door het Protocol tot wijziging van het Enkelvoudig Verdrag inzake verdovende middelen, 1961, New York, 30-03-1961
Bwb-id:
Officiele titel:
Citeertitel:
Ook bekend als:
Soort regeling:
Wetsfamilies:
Eerst verantwoordelijk ministerie:

Geldigheidsdatum:
Ingangsdatum:
Inhoudsopgave
Single Convention on Narcotic Drugs, 1961, as amended by the Protocol amending the Single Convention on Narcotic Drugs, 1961
Article 1. Definitions
Article 2. Substances under control
Article 3. Changes in the scope of control
Article 4. General obligations
Article 5. The international control organs
Article 6. Expenses of the international control organs
Article 7. Review of decisions and recommendations of the Commission
Article 8. Functions of the Commission
Article 9. Composition and functions of the Board
Article 10. Terms of office and remuneration of members of the Board
Article 11. Rules of procedure of the Board
Article 12. Administration of the estimate system
Article 13. Administration of the statistical returns system
Article 14. Measures by the Board to ensure the execution of provisions of the Convention
Article 14 bis. Technical and financial assistance
Article 15. Reports of the Board
Article 16. Secretariat
Article 17. Special administration
Article 18. Information to be furnished by Parties to the Secretary-General
Article 19. Estimates of drug requirements
Article 20. Statistical returns to be furnished to the Board
Article 21. Limitation of manufacture and importation
Article 21 bis. Limitation of production of opium
Article 22. Special provision applicable to cultivation
Article 23. National opium agencies
Article 24. Limitation on production of opium for international trade
Article 25. Control of poppy straw
Article 26. The coca bush and coca leaves
Article 27. Additional provisions relating to coca leaves
Article 28. Control of cannabis
Article 29. Manufacture
Article 30. Trade and distribution
Article 31. Special provisions relating to international trade
Article 32. Special provisions concerning the carriage of drugs in first-aid kits of ships or aircraft engaged in international traffic
Article 33. Possession of drugs
Article 34. Measures of supervision and inspection
Article 35. Action against the illicit traffic
Article 36. Penal provisions
Article 37. Seizure and confiscation
Article 38. Measures against the abuse of drugs
Article 38 bis. Agreements on regional centres
Article 39. Application of stricter national control measures than those required by this Convention
Article 40. Languages of the Convention and procedure for signature, ratification and accession
Article 41. Entry into force
Article 42. Territorial application
Article 43. Territories for the purposes of articles 19, 20, 21 and 31
Article 44. Termination of previous international treaties
Article 45. Transitional provisions
Article 46. Denunciation
Article 47. Amendments
Article 48. Disputes
Article 49. Transitional reservations
Article 50. Other Reservations
Article 51. Notifications
Schedules
Artikel 1. Definities
Artikel 2. Stoffen onder toezicht
Artikel 3. Wijzigingen in de omvang van het toezicht
Artikel 4. Algemene verplichtingen
Artikel 5. De internationale organen van toezicht
Artikel 6. De kosten van de internationale organen van toezicht
Artikel 7. Herziening van besluiten en aanbevelingen van de Commissie
Artikel 8. Werkzaamheden van de Commissie
Artikel 9. Samenstelling en werkzaamheden van het Comité
Artikel 10. Ambtstermijn en salariëring van de leden van het Comité
Artikel 11. Reglement van orde van het Comité
Artikel 12. Toepassing van het stelsel der ramingen
Artikel 13. Toepassing van het stelsel der statistieken
Artikel 14. Maatregelen van het Comité ter verzekering van de uitvoering der Verdragsbepalingen
Artikel 14 bis. Technische en financiële hulp
Artikel 15. Verslagen van het Comité
Artikel 16. Secretariaat
Artikel 17. Bijzondere administratie
Artikel 18. Door Partijen aan de Secretaris-Generaal te verstrekken gegevens
Artikel 19. Ramingen van de behoeften aan verdovende middelen
Artikel 20. Aan het Comité te verstrekken statistieken
Artikel 21. Beperking van vervaardiging en invoer
Artikel 21 bis. Beperking van de produktie van opium
Artikel 22. Bijzondere bepaling van toepassing op de verbouw
Artikel 23. Nationale opiumbureaus
Artikel 24. Beperking van de produktie van opium bestemd voor de internationale handel
Artikel 25. Toezicht op bolkaf
Artikel 26. De cocaplant en de cocabladeren
Artikel 27. Aanvullende bepalingen betreffende cocabladeren
Artikel 28. Het toezicht op de cannabis plant
Artikel 29. Vervaardiging
Artikel 30. Handel en afgifte
Artikel 31. Bijzondere bepalingen met betrekking tot de internationale handel
Artikel 32. Bijzondere bepalingen betreffende het vervoer van verdovende middelen in verbandkisten voor eerste hulp aan boord van schepen of luchtvaartuigen gebruikt voor het internationale verkeer
Artikel 33. Het bezit van verdovende middelen
Artikel 34. Maatregelen van toezicht en inspectie
Artikel 35. Strijd tegen de sluikhandel
Artikel 36. Strafbepalingen
Artikel 37. Inbeslagneming en verbeurdverklaring
Artikel 38. Maatregelen tegen het gebruik van verdovende middelen
Artikel 38 bis. Overeenkomsten inzake regionale centra
Artikel 39. De toepassing van strengere nationale maatregelen van toezicht dan die welke krachtens dit Verdrag vereist zijn
Artikel 40. Talen van het Verdrag en de procedure voor ondertekening, bekrachtiging en toetreding
Artikel 41. Inwerkingtreding
Artikel 42. Territoriale toepassing
Artikel 43. Gebieden als bedoeld in de artikelen 19, 20, 21 en 31
Artikel 44. Beëindiging van reeds bestaande internationale verdragen
Artikel 45. Overgangsbepalingen
Artikel 46. Opzegging
Artikel 47. Wijzigingen
Artikel 48. Geschillen
Artikel 49. Voorbehouden van tijdelijke aard
Artikel 50. Andere voorbehouden
Artikel 51. Kennisgevingen
Vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature

Juridisch advies nodig?
Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag
Geschiedenis

Geschiedenis-overzicht

Enkelvoudig Verdrag inzake verdovende middelen, 1961, zoals gewijzigd door het Protocol tot wijziging van het Enkelvoudig Verdrag inzake verdovende middelen, 1961, New York, 30-03-1961

Enkelvoudig Verdrag inzake verdovende middelen, 1961, zoals gewijzigd door het Protocol tot wijziging van het Enkelvoudig Verdrag inzake verdovende middelen, 1961
(authentiek: en)
The Parties,
Concerned with the health and welfare of mankind,
Recognizing that the medical use of narcotic drugs continues to be indispensable for the relief of pain and suffering and that adequate provision must be made to ensure the availability of narcotic drugs for such purposes,
Recognizing that addiction to narcotic drugs constitutes a serious evil for the individual and is fraught with social and economic danger to mankind,
Conscious of their duty to prevent and combat this evil,
Considering that effective measures against abuse of narcotic drugs require co-ordinated and universal action,
Understanding that such universal action calls for international co-operation guided by the same principles and aimed at common objectives,
Acknowledging the competence of the United Nations in the field of narcotics control and desirous that the international organs concerned should be within the framework of that Organization,
Desiring to conclude a generally acceptable international convention replacing existing treaties on narcotic drugs, limiting such drugs to medical and scientific use, and providing for continuous international co-operation and control for the achievement of such aims and objectives,
Hereby agree as follows :
1.
Except where otherwise expressly indicated or where the context otherwise requires, the following definitions shall apply throughout the Convention:
(a) “Board” means the International Narcotics Control Board.
(b) “Cannabis” meansthe flowering or fruiting tops of the cannabis plant (excluding the seeds and leaves when not accompanied by the tops) from which the resin has not been extracted, by whatever name they may be designated.
(c) “Cannabis plant” means any plant of the genus Cannabis.
(d) “Cannabis resin” means the separated resin, whether crude or purified, obtained from the cannabis plant.
(e) “Coca bush” means the plant of any species of the genus Erythroxylon.
(f) “Coca leaf” means the leaf of the coca bush except a leaf from which all ecgonine, cocaine and any other ecgonine alkaloids have been removed.
(g) “Commission” means the Commission on Narcotic Drugs of the Council.
(h) “Council” means the Economic and Social Council of the United Nations.
(i) “Cultivation” means the cultivation of the opium poppy, coca bush or cannabis plant.
(j) “Drug” means any of the substances in Schedules I and II, whether natural or synthetic.
(k) “General Assembly” means the General Assembly of the United Nations.
(l) “Illicit traffic” means cultivation or trafficking in drugs contrary to the provisions of this Convention.
(m) “Import” and “export” mean in their respective connotations the physical transfer of drugs from one State to another State, or from one territory to another territory of the same State.
(n) “Manufacture” means all processes, other than production, by which drugs may be obtained and includes refining as well as the formation of drugs into other drugs.
(o) “Medicinal opium” means opium which has undergone the processes necessary to adapt it for medicinal use.
(p) “Opium” means the coagulated juice of the opium poppy.
(q) “Opium poppy” means the plant of the species Papaver somniferum L.
(r) “Poppy straw” means all parts (except the seeds) of the opium poppy, after mowing.
(s) “Preparation” means a mixture, solid or liquid, containing a drug.
(t) “Production” means the separation of opium, coca leaves, cannabis and cannabis resin from the plants from which they are obtained.
(u) “Schedule I”, “Schedule II”, “Schedule III”and “Schedule IV” mean the correspondingly numbered list of drugs or preparations annexed to this Convention, as amended from time to time in accordance with article 3.
(v) “Secretary-General” means the Secretary-General of the United Nations.
(w) “Special stocks” means the amounts of drugs held in a country or territory by the Government of such country or territory for special government purposes and to meet exceptional circumstances; and the expression “special purposes" shall be construed accordingly.
(x) “Stocks” means the amounts of drugs held in a country or territory and intended for:
(i) Consumption in the country or territory for medical and scientific purposes,
(ii) Utilization in the country or territory for the manufacture of drugs and other substances, or
(iii) Export, but does not include the amounts of drugs held in the country or territory,
(iv) By retail pharmacists or other authorized retail distributors and by institutions or qualified persons in the duly authorized exercise of therapeutic or scientific functions, or
(v) As “special stocks”.
(y) “Territory” means any part of a State which is treated as a separate entity for the application of the system of import certificates and export authorizations provided for in article 31. This definition shall not apply to the term “territory” as used in articles 42 and 46.
2.
For the purposes of this Convention a drug shall be regarded as “consumed” when it has been supplied to any person or enterprise for retail distribution, medical use or scientific research; and “consumption” shall be construed accordingly.
1.
Except as to measures of control which are limited to specified drugs, the drugs in Schedule I are subject to all measures of control applicable to drugs under this Convention and in particular to those prescribed in articles 4 (c), 19, 20, 21, 29, 30, 31, 32, 33, 34 and 37.
2.
The drugs in Schedule II are subject to the same measures of control as drugs in Schedule I with the exception of the measures prescribed in article 30, paragraphs 2 and 5, in respect of the retail trade.
3.
Preparations other than those in Schedule III are subject to the same measures of control as the drugs which they contain, but estimates (article 19) and statistics (article 20) distinct from those dealing with these drugs shall not be required in the case of such preparations, and article 29, paragraph 2 (c), and article 30, paragraph 1 (b) (ii), need not apply.
4.
Preparations in Schedule III are subject to the same measures of control as preparations containing drugs in Schedule II except that article 31, paragraphs 1 (b) and 3 to 15 and, as regards their acquisition and retail distribution, article 34, paragraph (b), need not apply, and that for the purpose of estimates (article 19) and statistics (article 20) the information required shall be restricted to the quantities of drugs used in the manufacture of such preparations.
5.
The drugs in Schedule IV shall also be included in Schedule I and subject to all measures of control applicable to drugs in the latter Schedule, and in addition thereto:
(a) A Party shall adopt any special measures of control which in its opinion are necessary having regard to the particularly dangerous properties of a drug so included; and
(b) A Party shall, if in its opinion the prevailing conditions in its country render it the most appropriate means of protecting the public health and welfare, prohibit the production, manufacture, export and import of, trade in, possession or use of any such drug except for amounts which may be necessary for medical and scientific research only, including clinical trials therewith to be conducted under or subject to the direct supervision and control of the Party.
6.
In addition to the measures of control applicable to all drugs in Schedule I, opium is subject to the provisions of article 19, paragraph 1, subparagraph (f), and of articles 21 bis, 23 and 24, the coca leaf to those of articles 26 and 27 and cannabis to those of article 28.
7.
The opium poppy, the coca bush, the cannabis plant, poppy straw and cannabis leaves are subject to the control measures prescribed in article 19, paragraph 1, subparagraph (e), article 20, paragraph 1, subparagraph (g), article 21 bis and in articles 22 to 24; 22, 26 and 27; 22 and 28; 25; and 28, respectively.
8.
The Parties shall use their best endeavours to apply to substances which do not fall under this Convention, but which may be used in the illicit manufacture of drugs, such measures of supervision as may be practicable.
9.
Parties are not required to apply the provisions of this Convention to drugs which are commonly used in industry for other than medical or scientific purposes, provided that:
(a) They ensure by appropriate methods of denaturing or by other means that the drugs so used are not liable to be abused or have ill effects (article 3, paragraph 3) and that the harmful substances cannot in practice be recovered; and
(b) They include in the statistical information (article 20) furnished by them the amount of each drug so used.
1.
Where a Party or the World Health Organization has information which in its opinion may require an amendment to any of the Schedules, it shall notify the Secretary-General and furnish him with the information in support of the notification.
2.
The Secretary-General shall transmit such notification, and any information which he considers relevant, to the Parties, to the Commission, and, where the notification is made by a Party, to the World Health Organization.
3.
Where a notification relates to a substance not already in Schedule I or in Schedule II,
(i) The Parties shall examine in the light of the available information the possibility of the provisional application to the substance of all measures of control applicable to drugs in Schedule I;
(ii) Pending its decision as provided in subparagraph (iii) of this paragraph, the Commission may decide that the Parties apply provisionally to that substance all measures of control applicable to drugs in Schedule I. The Parties shall apply such measures provisionally to the substance in question;
(iii) If the World Health Organization finds that the substance is liable to similar abuse and productive of similar ill effects as the drugs in Schedule I or Schedule II or is convertible into a drug, it shall communicate that finding to the Commission which may, in accordance with the recommendation of the World Health Organization, decide that the substance shall be added to Schedule I or Schedule II.
4.
If the World Health Organization finds that a preparation because of the substances which it contains is not liable to abuse and cannot produce ill effects (paragraph 3) and that the drug therein is not readily recoverable, the Commission may, in accordance with the recommendation of the World Health Organization, add that preparation to Schedule III.
5.
If the World Health Organization finds that a drug in Schedule I is particularly liable to abuse and to produce ill effects (paragraph 3) and that such liability is not offset by substantial therapeutic advantages not possessed by substances other than drugs in Schedule IV, the Commission may, in accordance with the recommendation of the World Health Organization, place that drug in Schedule IV.
6.
Where a notification relates to a drug already in Schedule I or Schedule II or to a preparation in Schedule III, the Commission, apart from the measure provided for in paragraph 5, may, in accordance with the recommendation of the World Health Organization, amend any of the Schedules by:
(a) Transferring a drug from Schedule I to Schedule II or from Schedule II to Schedule I; or
(b) Deleting a drug or a preparation, as the case may be, from a Schedule.
7.
Any decision of the Commission taken pursuant to this article shall be communicated by the Secretary-General to all States Members of the United Nations, to non-member States Parties to this Convention, to the World Health Organization and to the Board. Such decision shall become effective with respect to each Party on the date of its receipt of such communication, and the Parties shall thereupon take such action as may be required under this Convention.
8.
(a) The decisions of the Commission amending any of the Schedules shall be subject to review by the Council upon the request of any Party filed within ninety days from receipt of notification of the decision. The request for review shall be sent to the Secretary-General together with all relevant information upon which the request for review is based.
(b) The Secretary-General shall transmit copies of the request for review and relevant information to the Commission, the World Health Organization and to all the Parties inviting them to submit comments within ninety days. All comments received shall be submitted to the Council for consideration.
(c) The Council may confirm, alter or reverse the decision of the Commission, and the decision of the Council shall be final. Notification of the Council's decision shall be transmitted to all States Members of the United Nations, to non-member States Parties to this Convention, to the Commission, to the World Health Organization, and to the Board.
(d) During pendency of the review the original decision of the Commission shall remain in effect.
9.
Decisions of the Commission taken in accordance with this article shall not be subject to the review procedure provided for in article 7.
1.
The Parties shall take such legislative and administrative measures as may be necessary:
(a) To give effect to and carry out the provisions of this Convention within their own territories;
(b) To co-operate with other States in the execution of the provisions of this Convention; and
(c) Subject to the provisions of this Convention, to limit exclusively to medical and scientific purposes the production, manufacture, export, import, distribution of, trade in, use and possession of drugs.
Article 5. The international control organs
The Parties, recognizing the competence of the United Nations with respect to the international control of drugs, agree to entrust to the Commission on Narcotic Drugs of the Economic and Social Council, and to the International Narcotics Control Board, the functions respectively assigned to them under this Convention.
Article 6. Expenses of the international control organs
The expenses of the Commission and the Board will be borne by the United Nations in such manner as shall be decided by the General Assembly. The Parties which are not Members of the United Nations shall contribute to these expenses such amounts as the General Assembly finds equitable and assess from time to time after consultation with the Governments of these Parties.
Article 7. Review of decisions and recommendations of the Commission
Except for decisions under article 3, each decision or recommendation adopted by the Commission pursuant to the provisions of this Convention shall be subject to approval or modification by the Council or the General Assembly in the same way as other decisions or recommendations of the Commission.
Article 8. Functions of the Commission
The Commission is authorized to consider all matters pertaining to the aims of this Convention, and in particular:
(a) To amend the Schedules in accordance with article 3;
(b) To call the attention of the Board to any matters which may be relevant to the functions of the Board;
(c) To make recommendations for the implementation of the aims and provisions of this Convention, including programmes of scientific research and the exchange of information of a scientific or technical nature; and
(d) To draw the attention of non-parties to decisions and recommendations which it adopts under this Convention, with a view to their considering taking action in accordance therewith.
1.
The Board shall consist of thirteen members to be elected by the Council as follows:
(a) Three members with medical, pharmacological or pharmaceutical experience from a list of at least five persons nominated by the World Health Organization; and
(b) Ten members from a list of persons nominated by the Members of the United Nations and by Parties which are not Members of the United Nations.
2.
Members of the Board shall be persons who, by their competence, impartiality and disinterestedness, will command general confidence. During their term of office they shall not hold any position or engage in any activity which would be liable to impair their impartiality in the exercise of their functions. The Council shall, in consultation with the Board, make all arrangements necessary to ensure the full technical independence of the Board in carrying out its functions.
3.
The Council, with due regard to the principle of equitable geographic representation, shall give consideration to the importance of including on the Board, in equitable proportion, persons possessing a knowledge of the drug situation in the producing, manufacturing, and consuming countries, and connected with such countries.
4.
The Board, in co-operation with Governments, and subject to the terms of this Convention, shall endeavour to limit the cultivation, production, manufacture and use of drugs to an adequate amount required for medical and scientific purposes, to ensure their availability for such purposes and to prevent illicit cultivation, production and manufacture of, and illicit trafficking in and use of, drugs.
5.
All measures taken by the Board under this Convention shall be those most consistent with the intent to further the co-operation of Governments with the Board and to provide the mechanism for a continuing dialogue between Governments and the Board which will lend assistance to and facilitate effective national action to attain the aims of this Convention.
1.
The members of the Board shall serve for a period of five years, and may be re-elected.
2.
The term of office of each member of the Board shall end on the eve of the first meeting of the Board which his successor shall be entitled to attend.
3.
A member of the Board who has failed to attend three consecutive sessions shall be deemed to have resigned.
4.
The Council, on the recommendation of the Board, may dismiss a member of the Board who has ceased to fulfil the conditions required for membership by paragraph 2 of article 9. Such recommendation shall be made by an affirmative vote of nine members of the Board.
5.
Where a vacancy occurs on the Board during the term of office of a member, the Council shall fill such vacancy as soon as possible and in accordance with the applicable provisions of article 9, by electing another member for the remainder of the term.
6.
The members of the Board shall receive an adequate remuneration as determined by the General Assembly.
1.
The Board shall elect its own President and such other officers as it may consider necessary and shall adopt its rules of procedure.
2.
The Board shall meet as often as, in its opinion, may be necessary for the proper discharge of its functions, but shall hold at least two sessions in each calendar year.
3.
The quorum necessary at meetings of the Board shall consist of eight members.
1.
The Board shall fix the date or dates by which, and the manner in which, the estimates as provided in article 19 shall be furnished and shall prescribe the forms therefor.
2.
The Board shall, in respect of countries and territories to which this Convention does not apply, request the Governments concerned to furnish estimates in accordance with the provisions of this Convention.
3.
If any State fails to furnish estimates in respect of any of its territories by the date specified, the Board shall, as far as possible, establish the estimates. The Board in establishing such estimates shall to the extent practicable do so in co-operation with the Government concerned.
4.
The Board shall examine the estimates, including supplementary estimates, and, except as regards requirements for special purposes, may require such information as it considers necessary in respect of any country or territory on behalf of which an estimate has been furnished, in order to complete the estimate or to explain any statement contained therein.
5.
The Board, with a view to limiting the use and distribution of drugs to an adequate amount required for medical and scientific purposes and to ensuring their availability for such purposes, shall as expeditiously as possible confirm the estimates, including supplementary estimates, or, with the consent of the Government concerned, may amend such estimates. In case of a disagreement between the Government and the Board, the latter shall have the right to establish, communicate and publish its own estimates, including supplementary estimates.
6.
In addition to the reports mentioned in article 15, the Board shall, at such times as it shall determine but at least annually, issue such information on the estimates as in its opinion will facilitate the carrying out of this Convention.
1.
The Board shall determine the manner and form in which statistical returns shall be furnished as provided in article 20 and shall prescribe the forms therefor.
2.
The Board shall examine the returns with a view to determining whether a Party or any other State has complied with the provisions of this Convention.
3.
The Board may require such further information as it considers necessary to complete or explain the information contained in such statistical returns.
4.
It shall not be within the competence of the Board to question or express an opinion on statistical information respecting drugs required for special purposes.
1.
(a) If, on the basis of its examination of information submitted by Governments to the Board under the provisions of this Convention, or of information communicated by United Nations organs or by specialized agencies or, provided that they are approved by the Commission on the Board's recommendation, by either other intergovernmental organizations or international non-governmental organizations which have direct competence in the subject matter and which are in consultative status with the Economic and Social Council under Article 71 of the Charter of the United Nations or which enjoy a similar status by special agreement with the Council, the Board has objective reasons to believe that the aims of this Convention are being seriously endangered by reason of the failure of any Party, country of territory to carry out the provisions of this Convention, the Board shall have the right to propose to the Government concerned the opening of consultations or to request it to furnish explanations. If, without any failure in implementing the provisions of the Convention, a Party or a country or territory has become, or if there exists evidence of a serious risk that it may become, an important centre of illicit cultivation, production or manufacture of, or traffic in or consumption of drugs, the Board has the right to propose to the Government concerned the opening of consultations. Subject to the right of the Board to call the attention of the Parties, the Council and the Commission to the matter referred to in subparagraph (d) below, the Board shall treat as confidential a request for information and an explanation by a Government or a proposal for consultations and the consultations held with a Government under this subparagraph.
(b) After taking action under subparagraph (a) above, the Board, if satisfied that it is necessary to do so, may call upon the Government concerned to adopt such remedial measures as shall seem under the circumstances to be necessary for the execution of the provisions of this Convention.
(c) The Board may, if it thinks such action necessary for the purpose of assessing a matter referred to in subparagraph (a) of this paragraph, propose to the Government concerned that a study of the matter be carried out in its territory by such means as the Government deems appropriate. If the Government concerned decides to undertake this study, it may request the Board to make available the expertise and the services of one or more persons with the requisite competence to assist the officials of the Government in the proposed study. The person or persons whom the Board intends to make available shall be subject to the approval of the Government. The modalities of this study and the time-limit within which the study has to be completed shall be determined by consultation between the Government and the Board. The Government shall communicate to the Board the results of the study and shall indicate the remedial measures that it considers necessary to take.
(d) If the Board finds that the Government concerned has failed to give satisfactory explanations when called upon to do so under subparagraph (a) above, or has failed to adopt any remedial measures which it has been called upon to take under subparagraph (b) above, or that there is a serious situation that needs co-operative action at the international level with a view to remedying it, it may call the attention of the Parties, the Council and the Commission to the matter. The Board shall so act if the aims of this Convention are being seriously endangered and it has not been possible to resolve the matter satisfactorily in any other way. It shall also so act if it finds that there is a serious situation that needs co-operative action at the international level with a view to remedying it and that bringing such a situation to the notice of the Parties, the Council and the Commission is the most appropriate method of facilitating such co-operative action; after considering the reports of the Board, and of the Commission if available on the matter, the Council may draw the attention of the General Assembly to the matter.
2.
The Board, when calling the attention of the Parties, the Council and the Commission to a matter in accordance with paragraph 1 (d) above, may, if it is satisfied that such a course is necessary, recommend to Parties that they stop the import of drugs, the export of drugs, or both, from or to the country or territory concerned, either for a designated period or until the Board shall be satisfied as to the situation in that country or territory. The State concerned may bring the matter before the Council.
3.
The Board shall have the right to publish a report on any matter dealt with under the provisions of this article, and communicate it to the Council, which shall forward it to all Parties. If the Board publishes in this report a decision taken under this article or any information relating thereto, it shall also publish therein the views of the Government concerned if the latter so requests.
4.
If in any case a decision of the Board which is published under this article is not unanimous, the views of the minority shall be stated.
5.
Any State shall be invited to be represented at a meeting of the Board at which a question directly interesting it is considered under this article.
6.
Decisions of the Board under this article shall be taken by a two-thirds majority of the whole number of the Board.
Article 14 bis. Technical and financial assistance
In cases which it considers appropiate and either in addition or as an alternative to measures set forth in article 14, paragraphs 1 and 2, the Board, with the agreement of the Government concerned, may recommend to the competent United Nations organs and to the specialized agencies that technical or financial assistance, or both, be provided to the Government in support of its efforts to carry out its obligations under this Convention, including those set out or referred to in articles 2, 35, 38 and 38 bis.
1.
The Board shall prepare an annual report on its work and such additional reports as it considers necessary containing also an analysis of the estimates and statistical information at its disposal, and, in appropriate cases, an account of the explanations, if any, given by or required of Governments, together with any observations and recommendations which the Board desires to make. These reports shall be submitted to the Council through the Commission, which may make such comments as it sees fit.
2.
The reports shall be communicated to the Parties and subsequently published by the Secretary-General. The Parties shall permit their unrestricted distribution.
Article 16. Secretariat
The secretariat services of the Commission and the Board shall be furnished by the Secretary-General. In particular, the Secretary of the Board shall be appointed by the Secretary-General in consultation with the Board.
Article 17. Special administration
The Parties shall maintain a special administration for the purpose of applying the provisions of the Convention.
1.
The Parties shall furnish to the Secretary-General such information as the Commission may request as being necessary for the performance of its functions, and in particular:
(a) An annual report on the working of the Convention within each of their territories;
(b) The text of all laws and regulations from time to time promulgated in order to give effect to this Convention;
(c) Such particulars as the Commission shall determine concerning cases of illicit traffic, including particulars of each case of illicit traffic discovered which may be of importance, because of the light thrown on the source from which drugs are obtained for the illicit traffic, or because of quantities involved or the method employed by illicit traffickers; and
(d) The names and addresses of the governmental authorities empowered to issue export and import authorizations or certificates.
2.
Parties shall furnish the information referred to in the preceding paragraph in such manner and by such dates and use such forms as the Commission may request.
1.
The Parties shall furnish to the Board each year for each of their territories, in the manner and form prescribed by the Board, estimates on forms supplied by it in respect of the following matters:
(a) Quantities of drugs to be consumed for medical and scientific purposes;
(b) Quantities of drugs to be utilized for the manufacture of other drugs, of preparations in Schedule III, and of substances not covered by this Convention;
(c) Stocks of drugs to be held as at 31 December of the year to which the estimates relate;
(d) Quantities of drugs necessary for addition to special stocks;
(e) The area (in hectares) and the geographical location of land to be used for the cultivation of the opium poppy;
(f) Approximate quantity of opium to be produced;
(g) The number of industrial establishments which will manufacture synthetic drugs; and
(h) The quantities of synthetic drugs to be manufactured by each e establishments referred to in the preceding subparagraph.
2.
(a) Subject to the deductions referred to in paragraph 3 of article 21, the total of the estimates for each territory and each drug except opium and synthetic drugs shall consist of the sum of the mounts specified under subparagraphs (a), (b) and (d) of paragraph 1 of this article, with the addition of any amount required to bring the actual stocks on hand at 31 December of the preceding year to the level estimated as provided in subparagraph (c) of paragraph 1.
(b) Subject to the deductions referred to in paragraph 3 of article 21 regarding imports and in paragraph 2 of article 21 bis, the total of the estimates for opium for each territory shall consist either of the sum of the amounts specified under subparagraphs (a), (b) and (d) of paragraph 1 of this article, with the addition on any amount required to bring the actual stocks on hand at 31 December of the preceding year to the level estimated as provided in subparagraph (c) of paragraph 1, or of the amount specified under subparagraph (f) of paragraph 1 of this article, wichever is higher.
(c) Subject to the deductions referred to in paragraph 3 of article 21, the total of the estimates for each territory for each synthetic drug shall consist either of the sum of the amounts specified under subparagraphs (a), (b) and (d) of paragraph 1 of this article, with the addition of any amount required to bring the actual stocks on hand at 31 December of the preceding year to the level estimated as provided in subparagraph (c) of paragraph 1, or of the sum of the amounts specified under subparagraph (h) of paragraph 1 of this article, whichever is higher.
(d) The estimates furnished under the preceding subparagraphs of this paragraph shall be appropriately modified to take into account any quantity seized and thereafter released for licit use as well as any quantity taken from special stocks for the requirements of the civilian population.
3.
Any State may during the year furnish supplementary estimates with an explanation of the circumstances necessitating such estimates.
4.
The Parties shall inform the Board of the method used for determining quantities shown in the estimates and of any changes in the said method.
5.
Subject to the deductions referred to in paragraph 3 of article 21, and account being taken where appropriate of the provisions of article 21 bis, the estimates shall not be exceeded.
1.
The Parties shall furnish to the Board for each of their territories, in the manner and form prescribed by the Board, statistical returns on forms supplied by it in respect of the following matters:
(a) Production or manufacture of drugs;
(b) Utilization of drugs for the manufacture of other drugs, of preparations in Schedule III and of substances not covered by this Convention, and utilization of poppy straw for the manufacture of drugs;
(c) Consumption of drugs;
(d) Imports and exports of drugs and poppy straw;
(e) Seizures of drugs and disposal thereof;
(f) Stocks of drugs as at 31 December of the year to which the returns relate; and
(g) Ascertainable area of cultivation of the opium poppy.
2.
(a) The statistical returns in respect of the matters referred to in paragraph 1, except subparagraph (d), shall be prepared annually and shall be furnished to the Board not later than 30 June following the year to which they relate.
(b) The statistical returns in respect to the matters referred to in paragraph (d) of paragraph 1 shall be prepared quarterly and shall be furnished to the Board within one month after the end of the quarter to which they relate.
3.
The Parties are not required to furnish statistical returns respecting special stocks, but shall furnish separately returns respecting drugs imported into or procured within the country or territory for special purposes, as well as quantities of drugs withdrawn from special stocks to meet the requirements of the civilian population.
1.
The total of the quantities of each drug manufactured and imported by any country or territory in any one year shall not exceed the sum of the following:
(a) The quantity consumed; within the limit of the relevant estimate, for medical and scientific purposes;
(b) The quantity used, within the limit of the relevant estimate, for the manufacture of other drugs, of preparations in Schedule III, and of substances not covered by this Convention;
(c) The quantity exported;
(d) The quantity added to the stock for the purpose of bringing that stock up to the level specified in the relevant estimate; and
(e) The quantity acquired within the limit of the relevant estimate for special purposes.
2.
From the sum of the quantities specified in paragraph 1 there shall be deducted any quantity that has been seized and released for licit use, as well as any quantity taken from special stocks for the requirements of the civilian population.
3.
If the Board finds that the quantity manufactured and imported in any one year exceeds the sum of the quantities specified in paragraph 1, less any deductions required under paragraph 2 of this article, any excess so established and remaining at the end of the year shall, in the following year, be deducted from the quantity to be manufactured or imported and from the total of the estimates as defined in paragraph 2 of article 19.
4.
(a) If it appears from the statistical returns on imports or exports (article 20) that the quantity exported to any country or territory exceeds the total of the estimates for that country or territory, as defined in paragraph 2 of article 19, with the addition of the amounts shown to have been exported, and after deduction of any excess as established in paragraph 3 of this article, the Board may notify this fact to States which, in the opinion of the Board, should be so informed.
(b) On receipt of such a notification, Parties shall not during the year in question authorize any further exports of the drug concerned to that country or territory, except:
(i) In the event of a supplementary estimate being furnished for that country or territory in respect both of any quantity overimported and of the additional quantity required, or
(ii) In exceptional cases where the export, in the opinion of the Government of the exporting country, is essential for the treatment of the sick.
1.
The production of opium by any country or territory shall be organized and controlled in such manner as to ensure that, as far as possible, the quantity produced in any one year shall not exceed the estimate of opium to be produced as established under paragraph 1 (f) of article 19.
2.
If the Board finds on the basis of information at its disposal in accordance with the provisions of this Convention that a Party which has submitted an estimate under paragraph 1 (f) of article 19 has not limited opium produced within its borders to licit purposes in accordance with relevant estimates and that a significant amount of opium produced, whether licitly or illicitly, within the borders of such a Party, has been introduced into the illicit traffic, it may, after studying the explanations of the Party concerned, which shall be submitted to it within one month after notification of the finding in question, decide to deduct all, or a portion, of such an amount from the quantity to be produced and from the total of the estimates as defined in paragraph 2 (b) of article 19 for the next year in which such a deduction can be technically accomplished, taking into account the season of the year and contractual commitments to export opium. This decision shall take effect ninety days after the Party concerned is notified thereof.
3.
After notifying the Party concerned of the decision it has taken under paragraph 2 above with regard to a deduction, the Board shall consult with that Party in order to resolve the situation satisfactorily.
4.
If the situation is not satisfactorily resolved, the Board may utilize the provisions of article 14 where appropriate.
5.
In taking its decision with regard to a deduction under paragraph 2 above, the Board shall take into account not only all relevant circumstances including those giving rise to the illicit traffic problem referred to in paragraph 2 above, but also any relevant new control measures which may have been adopted by the Party.
1.
Whenever the prevailing conditions in the country or a territory of a Party render the prohibition of the cultivation of the opium poppy, the coca bush or the cannabis plant the most suitable measure, in its opinion, for protecting the public health and welfare and preventing the diversion of drugs into the illicit traffic, the Party concerned shall prohibit cultivation.
2.
A Party prohibiting cultivation of the opium poppy or the cannabis plant shall take appropriate measures to seize any plants illicitly cultivated and to destroy them, except for small quantities required by the Party for scientific or research purposes.
1.
A Party that permits the cultivation of the opium poppy for the production of opium shall establish, if it has not already done so, and maintain, one or more government agencies (hereafter in this article referred to as the Agency) to carry out the functions required under this article.
2.
Each such Party shall apply the following provisions to the cultivation of the opium poppy for the production of opium and to opium:
(a) The Agency shall designate the areas in which, and the plots of land on which, cultivation of the opium poppy for the purpose of producing opium shall be permitted.
(b) Only cultivators licensed by the Agency shall be authorized to engage in such cultivation.
(c) Each licence shall specify the extent of the land on which the cultivation is permitted.
(d) All cultivators of the opium poppy shall be required to deliver their total crops of opium to the Agency. The Agency shall purchase and take physical possession of such crops as soon as possible, but not later than four months after the end of the harvest.
(e) The Agency shall, in respect of opium, have the exclusive right of importing, exporting, wholesale trading and maintaining stocks other than those held by manufacturers of opium alkaloids, medicinal opium or opium preparations. Parties need not extend this exclusive right to medicinal opium and opium preparations.
3.
The governmental functions referred to in paragraph 2 shall be discharged by a single government agency if the constitution of the Party concerned permits it.
1.
(a) If any Party intends to initiate the production of opium or to increase existing production, it shall take account of the prevailing world need for opium in accordance with the estimates thereof published by the Board so that the production of opium by such Party does not result in over-production of opium in the world.
(b) A Party shall not permit the production of opium or increase the existing production thereof if in its opinion such production or increased production in its territory may result in illicit traffic in opium.
2.
(a) Subject to paragraph 1, where a Party which as of 1 January 1961 was not producing opium for export desires to export opium which it produces, in amounts not exceeding five tons annually, it shall notify the Board, furnishing with such notification information regarding:
(i) The controls in force as required by this Convention respecting the opium to be produced and exported; and
(ii) The name of the country or countries to which it expects to export such opium;
and the Board may either approve such notification or may recommend to the Party that it not engage in the production of opium for export.
(b) Where a Party other than a Party referred to in paragraph 3 desires to produce opium for export in amounts exceeding five tons annually, it shall notify the Council, furnishing with such notification relevant information including:
(i) The estimated amounts to be produced for export;
(ii) The controls existing or proposed respecting the opium to be produced;
(iii) The name of the country or countries to which it expects to export such opium;
and the Council shall either approve the notification or may recommend to the Party that it not engage in the production of opium for export.
3.
Notwithstanding the provisions of subparagraphs (a) and (b) of paragraph 2, a Party that during ten years immediately prior to 1 January 1961 exported opium which such country produced may continue to export opium which it produces.
4.
(a) A Party shall not import opium from any country or territory except opium produced in the territory of:
(i) A Party referred to in paragraph 3;
(ii) A Party that has notified the Board as provided in subparagraph (a) of paragraph 2; or
(iii) A Party that has received the approval of the Council as provided in subparagraph (b) of paragraph 2.
(b) Notwithstanding subparagraph (a) of this paragraph, a Party may import opium produced by any country which produced and exported opium during the ten years prior to 1 January 1961 if such country has established and maintains a national control organ or agency for the purposes set out in article 23 and has in force an effective means of ensuring that the opium it produces is not diverted into the illicit traffic.
5.
The provisions of this article do not prevent a Party:
(a) From producing opium sufficient for its own requirements; or
(b) From exporting opium seized in the illicit traffic, to another Party in accordance with the requirements of this Convention.
1.
A Party that permits the cultivation of the opium poppy for purposes other than the production of opium shall take all measures necessary to ensure:
(a) That opium is not produced from such opium poppies; and
(b) That the manufacture of drugs from poppy straw is adequately controlled.
2.
The Parties shall apply to poppy straw the system of import certificates and export authorizations as provided in article 31, paragraphs 4 to 15.
3.
The Parties shall furnish statistical information on the import and export of poppy straw as required for drugs under article 20, paragraphs 1 (d) and 2 (b).
1.
If a Party permits the cultivation of the coca bush, it shall apply thereto and to coca leaves the system of controls as provided in article 23 respecting the control of the opium poppy, but as regards paragraph 2 (d) of that article, the requirements imposed on the Agency therein referred to shall be only to take physical possession of the crops as soon as possible after the end of the harvest.
2.
The Parties shall so far as possible enforce the uprooting of all coca bushes which grow wild. They shall destroy the coca bushes if illegally cultivated.
1.
The Parties may permit the use of coca leaves for the preparation of a flavouring agent, which shall not contain any alkaloids, and, to the extent necessary for such use, may permit the production, import, export, trade in and possession of such leaves.
2.
The Parties shall furnish separately estimates (article 19) and statistical information (article 20) in respect of coca leaves for preparation of the flavouring agent, except to the extent that the same coca leaves are used for the extraction of alkaloids and the flavouring agent, and so explained in the estimates and statistical information.
1.
If a Party permits the cultivation of the cannabis plant for the production of cannabis or cannabis resin, it shall apply thereto the system of controls as provided in article 23 respecting the control of the opium poppy.
2.
This Convention shall not apply to the cultivation of the cannabis plant exclusively for industrial purposes (fibre and seed) or horticultural purposes.
3.
The Parties shall adopt such measures as may be necessary to prevent the misuse of, and illicit traffic in, the leaves of the cannabis plant.
1.
The Parties shall require that the manufacture of drugs be under licence except where such manufacture is carried out by a State enterprise or State enterprises.
2.
The Parties shall:
(a) Control all persons and enterprises carrying on or engaged in the manufacture of drugs;
(b) Control under licence the establishments and premises in which such manufacture may take place; and
(c) Require that licensed manufacturers of drugs obtain periodical permits specifying the kinds and amounts of drugs which they shall be entitled to manufacture. A periodical permit, however, need not be required for preparations.
3.
The Parties shall prevent the accumulation, in the possession of drug manufacturers, of quantities of drugs and poppy straw in excess of those required for the normal conduct of business, having regard to the prevailing market conditions.
1.
(a) The Parties shall require that the trade in and distribution of drugs be under licence except where such trade or distribution is carried out by a State enterprise or State enterprises.
(b) The Parties shall:
(i) Control all persons and enterprises carrying on or engaged in the trade in or distribution of drugs;
(ii) Control under licence the establishments and premises in which such trade or distribution may take place. The requirement of licensing need not apply to preparations.
(c) The provisions of subparagraphs (a) and (b) relating to licensing need not apply to persons duly authorized to perform and while performing therapeutic or scientific functions.
2.
The Parties shall also:
(a) Prevent the accumulation in the possession of traders, distributors, State enterprises or duly authorized persons referred to above, of quantities of drugs and poppy straw in excess of those required for the normal conduct of business, having regard to the prevailing market conditions; and
(b)
(i) Require medical prescriptions for the supply or dispensation of drugs to individuals. The requirement need not apply to such drugs as individuals may lawfully obtain, use, dispense or administer in connexion with their duly authorized therapeutic functions; and
(ii) If the Parties deem these measures necessary or desirable, require that prescriptions for drugs in Schedule I should be written on official forms to be issued in the form of counterfoil books by the competent governmental authorities or by authorized professional associations.
3.
It is desirable that Parties require that written or printed offers of drugs, advertisements of every kind or descriptive literature relating to drugs and used for commercial purposes, interior wrappings of packages containing drugs, and labels under which drugs are offered for sale indicate the international non-proprietary name communicated by the World Health Organization.
4.
If a Party considers such measure necessary or desirable, it shall require that the inner package containing a drug or wrapping thereof shall bear a clearly visible double red band. The exterior wrapping of the package in which such drug is contained shall not bear a double red band.
5.
A Party shall require that the label under which a drug is offered for sale show the exact drug content by weight or percentage. This requirement of label information need not apply to a drug dispensed to an individual on medical prescription.
6.
The provisions of paragraphs 2 and 5 need not apply to the retail trade in or retail distribution of drugs in Schedule II.
1.
The Parties shall not knowingly permit the export of drugs to any country or territory except:
(a) In accordance with the laws and regulations of that country or territory; and
(b) Within the limits of the total of the estimates for that country or territory, as defined in paragraph 2 of article 19, with the addition of the amounts intended to be re-exported.
2.
The Parties shall exercise in free ports and zones the same supervision and control as in other parts of their territories, provided, however, that they may apply more drastic measures.
3.
The Parties shall:
(a) Control under licence the import and export of drugs except where such import or export is carried out by a State enterprise or enterprises;
(b) Control all persons and enterprises carrying on or engaged in such import or export.
4.
(a) Every Party permitting the import or export of drugs shall require a separate import or export authorization to be obtained for each such import or export whether it consists of one or more drugs.
(b) Such authorization shall state the name of the drug, the international non-proprietary name if any, the quantity to be imported or exported, and the name and address of the importer and exporter, and shall specify the period within which the importation or exportation must be effected.
(c) The export authorization shall also state the number and date of the import certificate (paragraph 5) and the authority by whom it has been issued.
(d) The import authorization may allow an importation in more than one consignment.
5.
Before issuing an export authorization the Parties shall require an import certificate, issued by the competent authorities of the importing country or territory and certifying that the importation of the drug or drugs referred to therein, is approved and such certificate shall be produced by the person or establishment applying for the export authorization. The Parties shall follow as closely as may be practicable the form of import certificate approved by the Commission.
6.
A copy of the export authorization shall accompany each consignment, and the Government issuing the export authorization shall send a copy to the Government of the importing country or territory.
7.
(a) The Government of the importing country or territory, when the importation has been effected or when the period fixed for the importation has expired, shall return the export authorization, with an endorsement to that effect, to the Government of the exporting country or territory.
(b) The endorsement shall specify the amount actually imported.
(c) If a lesser quantity than that specified in the export authorization is actually exported, the quantity actually exported shall be stated by the competent authorities on the export authorization and on any official copy thereof.
8.
Exports of consignments to a post office box, or to a bank to the account of a Party other than the Party named in the export authorization, shall be prohibited.
9.
Exports of consignments to a bonded warehouse are prohibited unless the Government of the importing country certifies on the import certificate, produced by the person or establishment applying for the export authorization, that it has approved the importation for the purpose of being placed in a bonded warehouse. In such case the export authorization shall specify that the consignment is exported for such purpose. Each withdrawal from the bonded warehouse shall require a permit from the authorities having jurisdiction over the warehouse and, in the case of a foreign destination shall be treated as if it were a new export within the meaning of the Convention.
10.
Consignments of drugs entering or leaving the territory of a Party not accompanied by an export authorization shall be detained by the competent authorities.
11.
A Party shall not permit any drugs consigned to another country to pass through its territory, whether or not the consignment is removed from the conveyance in which it is carried, unless a copy of the export authorization for such consignment is produced to the competent authorities of such Party.
12.
The competent authorities of any country or territory through which a consignment of drugs is permitted to pass shall take all due measures to prevent the diversion of the consignment to a destination other than that named in the accompanying copy of the export authorization unless the Government of that country or territory through which the consignment is passing authorizes the diversion. The Government of the country or territory of transit shall treat any requested diversion as if the diversion were an export from the country or territory of transit to the country or territory of new destination. If the diversion is authorized, the provisions of paragraph 7 (a) and (b) shall also apply between the country or territory of transit and the country or territory which originally exported the consignment.
13.
No consignment of drugs while in transit, or while being stored in a bonded warehouse, may be subjected to any process which would change the nature of the drugs in question. The packing may not be altered without the permission of the competent authorities.
14.
The provisions of paragraphs 11 to 13 relating to the passage of drugs through the territory of a Party do not apply where the consignment in question is transported by aircraft which does not land in the country or territory of transit. If the aircraft lands in any such country or territory, those provisions shall be applied so far as circumstances require.
15.
The provisions of this article are without prejudice to the provisions of any international agreements which limit the control which may be exercised by any of the Parties over drugs in transit.
16.
Nothing in this article other than paragraphs 1 (a) and 2 need apply in the case of preparations in Schedule III.
1.
The international carriage by ships or aircraft of such limited amounts of drugs as may be needed during their journey or voyage for first-aid purposes or emergency cases shall not be considered to be import, export or passage through a country within the meaning of this Convention.
2.
Appropriate safeguards shall be taken by the country of registry to prevent the improper use of the drugs referred to in paragraph 1 or their diversion for illicit purposes. The Commission, in consultation with the appropriate international organizations, shall recommend such safeguards.
3.
Drugs carried by ships or aircraft in accordance with paragraph 1 shall be subject to the laws, regulations, permits and licences of the country of registry, without prejudice to any rights of the competent local authorities to carry out checks, inspections and other control measures on board ships or aircraft. The administration of such drugs in the case of emergency shall not be considered a violation of the requirements of article 30, paragraph 2 (b).
Article 33. Possession of drugs
The Parties shall not permit the possession of drugs except under legal authority.
(a) That all persons who obtain licences as provided in accordance with this Convention, or who have managerial or supervisory positions in a State enterprise established in accordance with this Convention, shall have adequate qualifications for the effective and faithful execution of the provisions of such laws and regulations as are enacted in pursuance thereof; and
(b) That governmental authorities, manufacturers, traders, scientists, scientific institutions and hospitals keep such records as will show the quantities of each drug manufactured and of each individual acquisition and disposal of drugs. Such records shall respectively be preserved for a period of not less than two years. Where counterfoil books (article 30, paragraph 2 (b)) of official prescriptions are used, such books including the counterfoils shall also be kept for a period of not less than two years.
Article 35. Action against the illicit traffic
Having due regard to their constitutional, legal and administrative systems, the Parties shall:
(a) Make arrangements at the national level for co-ordination of preventive and repressive action against the illicit traffic; to this end they may usefully designate an appropriate agency responsible for such co-ordination;
(b) Assist each other in the campaign against the illicit traffic in narcotic drugs;
(c) Co-operate closely with each other and with the competent international organizations of which they are members with a view to maintaining a co-ordinated campaign against the illicit traffic;
(d) Ensure that international co-operation between the appropriate agencies be conducted in an expeditious manner; and
(e) Ensure that where legal papers are transmitted internationally for the purposes of a prosecution, the transmittal be effected in an expeditious manner to the bodies designated by the Parties; this requirement shall be without prejudice to the right of a Party to require that legal papers be sent to it through the diplomatic channel;
(f) Furnish, if they deem it appropriate, to the Board and the Commission through the Secretary-General, in addition to information required by article 18, information relating to illicit drug activity within their borders, including information on illicit cultivation, production, manufacture and use of, and on illicit trafficking in, drugs; and
(g) Furnish the information referred to in the preceding paragraph as far as possible in such manner and by such dates as the Board may request; if requested by a Party, the Board may offer its advice to it in furnishing the information and in endeavouring to reduce the illicit drug activity within the borders of that Party.
1.
(a) Subject to its constitutional limitations, each Party shall adopt such measures as will ensure that cultivation, production, manufacture, extraction, preparation, possession, offering, offering for sale, distribution, purchase, sale, delivery on any terms whatsoever, brokerage, dispatch, dispatch in transit, transport, importation and exportation of drugs contrary to the provisions of this Convention, and any other action which in the opinion of such Party may be contrary to the provisions of this Convention, shall be punishable offences when committed intentionally, and that serious offences shall be liable to adequate punishment particularly by imprisonment or other penalties of deprivation of liberty.
(b) Notwithstanding the preceding subparagraph, when abusers of drugs have committed such offences, the Parties may provide, either as an alternative to conviction or punishment or in addition to conviction or punishment, that such abusers shall undergo measures of treatment, education, after-care, rehabilitation and social reintegration in conformity with paragraph I of article 38.
2.
Subject to the constitutional limitations of a Party, its legal system and domestic law,
(a)
(i) Each of the offences enumerated in paragraph 1, if committed in different countries, shall be considered as a distinct offence;
(ii) Intentional participation in, conspiracy to commit and attempts to commit, any of such offences, and preparatory acts and financial operations in connexion with the offences referred to in this article, shall be punishable offences as provided in paragraph 1;
(iii) Foreign convictions for such offences shall be taken into account for the purpose of establishing recidivism; and
(iv) Serious offences heretofore referred to committed either by nationals or by foreigners shall be prosecuted by the Party in whose territory the offence was committed, or by the Party in whose territory the offender is found if extradition is not acceptable in conformity with the law of the Party to which application is made, and if such offender has not already been prosecuted and judgement given.
(b)
(i) Each of the offences enumerated in paragraphs 1 and 2 (a) (ii) of this article shall be deemed to be included as an extraditable offence in any extradition treaty existing between Parties. Parties undertake to include such offences as extraditable offences in every extradition treaty to be concluded between them;
(ii) If a Party which makes extradition conditional on the existence of a treaty receives a request for extradition from another Party with which it has no extradition treaty, it may at its option consider this Convention as the legal basis for extradition in respect of the offences enumerated in paragraphs 1 and 2 (a) of this article. Extradition shall be subject to the other conditions provided by the law of the requested Party;
(iii) Parties which do not make extradition conditional on the existence of a treaty shall recognize the offences enumerated in paragraphs 1 and 2 (a) (ii) of this article as extraditable offences between themselves, subject to the conditions provided by the law of the requested Party;
(iv) Extradition shall be granted in conformity with the law of the Party to which application is made, and, notwithstanding subparagraphs (b) (i), (ii) and (iii) of this paragraph, the Party shall have the right to refuse to grant the extradition in cases where the competent authorities consider that the offence is not sufficiently serious.
3.
The provisions of this article shall be subject to the provisions of the criminal law of the Party concerned on questions of jurisdiction.
4.
Nothing contained in this article shall affect the principle that the offences to which it refers shall be defined, prosecuted and punished in conformity with the domestic law of a Party.
Article 37. Seizure and confiscation
Any drugs, substances, and equipment used in or intended for the commission of any of the offences, referred to in article 36, shall be liable to seizure and confiscation.
1.
The Parties shall give special attention to and take all practicable measures for the prevention of abuse of drugs and for the early identification, treatment, education, after-care, rehabilitation and social reintegration of the persons involved and shall co-ordinate their efforts to these ends.
2.
The Parties shall as far as possible promote the training of personnel in the treatment, after-care, rehabilitation and social reintegration of abusers of drugs.
3.
The Parties shall take all practicable measures to assist persons whose work so requires to gain an understanding of the problems of abuse of drugs and of its prevention, and shall also promote such understanding among the general public if there is a risk that abuse of drugs will become widespread.
Article 38 bis. Agreements on regional centres
If a Party considers it desirable as part of its action against the illicit traffic in drugs, having due regard to its constitutional, legal and administrative systems, and, if it so desires, with the technical advice of the Board or the specialized agencies, it shall promote the establishment, in consultation with other interested Parties in the region, of agreements which contemplate the development of regional centres for scientific research and education to combat the problems resulting from the illicit use of and traffic in drugs.
Article 39. Application of stricter national control measures than those required by this Convention
Notwithstanding anything contained in this Convention, a Party shall not be, or be deemed to be, precluded from adopting measures of control more strict or severe than those provided by this Convention and in particular from requiring that Preparations in Schedule III or drugs in Schedule II be subject to all or such of the measures of control applicable to drugs in Schedule I as in its opinion is necessary or desirable for the protection of the public health or welfare.
1.
This Convention, of which the Chinese, English, French, Russian and Spanish texts are equally authentic, shall be open for signature until 1 August 1961 on behalf of any Member of the United Nations, of any non-member State which is a Party to the Statute of the International Court of Justice or member of a specialized agency of the United Nations, and also of any other State which the Council may invite to become a Party.
2.
This Convention is subject to ratification. The instruments of ratification shall be deposited with the Secretary-General.
3.
This Convention shall be open after 1 August 1961 for accession by the States referred to in paragraph 1. The instruments of accession shall be deposited with the Secretary-General.
1.
This Convention shall come into force on the thirtieth day following the date on which the fortieth instrument of ratification or accession is deposited in accordance with article 40.
2.
In respect of any other State depositing an instrument of ratification or accession after the date of deposit of the said fortieth instrument, this Convention shall come into force on the thirtieth day after the deposit by that State of its instrument of ratification or accession.
Article 42. Territorial application
This Convention shall apply to all non-metropolitan territories for the international relations of which any Party is responsible, except where the previous consent of such a territory is required by the Constitution of the Party or of the territory concerned, or required by custom. In such case the Party shall endeavour to secure the needed consent of the territory within the shortest period possible, and when that consent is obtained the Party shall notify the Secretary-General. This Convention shall apply to the territory or territories named in such notification from the date of its receipt by the Secretary-General. In those cases where the previous consent of the non-metropolitan territory is not required, the Party concerned shall, at the time of signature, ratification or accession, declare the non-metropolitan territory or territories to which this Convention applies.
1.
Any Party may notify the Secretary-General that, for the purposes of articles 19, 20, 21 and 31, one of its territories is divided into two or more territories, or that two or more of its territories are consolidated into a single territory.
2.
Two or more Parties may notify the Secretary-General that, as the result of the establishment of a customs union between them, those Parties constitute a single territory for the purposes of articles 19,20,21 and 31.
3.
Any notification under paragraph 1 or 2 above shall take effect on 1 January of the year following the year in which the notification was made.
1.
The provisions of this Convention, upon its coming into force, shall, as between Parties hereto, terminate and replace the provisions of the following treaties:
(a) International Opium Convention, signed at The Hague on 23 January 1912;
(b) Agreement concerning the Manufacture of, Internal Trade in and Use of Prepared Opium, signed at Geneva on 11 February 1925;
(c) International Opium Convention, signed at Geneva on 19 February 1925;
(d) Convention for Limiting the Manufacture and Regulating the Distribution of Narcotic Drugs, signed at Geneva on 13 July 1931;
(e) Agreement for the Control of Opium Smoking in the Far East, signed at Bangkok on 27 November 1931;
(f) Protocol signed at Lake Success on 11 December 1946, amending the Agreements, Conventions and Protocols on Narcotic Drugs concluded at The Hague on 23 January 1912, at Geneva on 11 February 1925 and 19 February 1925 and 13 July 1931, at Bangkok on 27 November 1931 and at Geneva on 26 June 1936, except as it effects the last-named Convention;
(g) The Conventions and Agreements referred to in subparagraphs (a) to (e) as amended by the Protocol of 1946 referred to in subparagraph (f);
(h) Protocol signed at Paris on 19 November 1948 bringing under international control drugs outside the scope of the Convention of 13 July 1931 for Limiting the Manufacture and Regulating the Distribution of Narcotic Drugs, as Amended by the Protocol signed at Lake Success on 11 December 1946;
(i) Protocol for Limiting and Regulating the Cultivation of the Poppy Plant, the Production of, International and Wholesale Trade in, and Use of Opium, signed at New York on 23 June 1953, should that Protocol have come into force.
2.
Upon the coming into force of this Convention, article 9 of the Convention for the Suppression of the Illicit Traffic in Dangerous Drugs, signed at Geneva on 26 June 1936, shall, between the Parties thereto which are also Parties to this Convention, be terminated, and shall be replaced by paragraph 2 (b) of article 36 of this Convention; provided that such a Party may by notification to the Secretary-General continue in force the said article 9.
1.
The functions of the Board provided for in article 9 shall, as from the date of the coming into force of this Convention (article 41, paragraph 1), be provisionally carries out by the Permanent Central Board constituted under chapter VI of the Convention referred to in article 44 (c) as amended, and by the Supervisory Body constituted under chapter II of the Convention referred to in article 44 (d) as amended, as such functions may respectively require.
2.
The Council shall fix the date on which the new Board referred to in article 9 shall enter upon its duties. As from that date that Board shall, with respect to the States Parties to the treaties enumerated in article 44 which are not Parties to this Convention, undertake the functions of the Permanent Central Board and of the Supervisory Body referred to in paragraph 1.
1.
After the expiry of two years from the date of the coming into force of this Convention (article 41, paragraph 1) any Party may, on its own behalf or on behalf of a territory for which it has international responsibility, and which has withdrawn its consent given in accordance with article 42, denounce this Convention by an instrument in writing deposited with the Secretary-General.
2.
The denunciation, if received by the Secretary-General on or before the first day of July in any year, shall take effect on the first day of January in the succeeding year, and, if received after the first day of July, shall take effect as if it had been received on or before the first day of July in the succeeding year.
3.
This Convention shall be terminated if, as a result of denunciations made in accordance with paragraph 1, the conditions for its coming into force as laid down in article 41, paragraph 1, cease to exist.
1.
Any Party may propose an amendment to this Convention. The text of any such amendment and the reasons therefor shall be communicated to the Secretary-General who shall communicate them to the Parties and to the Council. The Council may decide either:
(a) That a conference shall be called in accordance with article 62, paragraph 4 of the Charter of the United Nations to consider the proposed amendment; or
(b) That the Parties shall be asked whether they accept the proposed amendment and also asked to submit to the Council any comments on the proposal.
2.
If a proposed amendment circulated under paragraph 1 (b) of this article has not been rejected by any Party within eighteen months after it has been circulated, it shall thereupon enter into force. If, however, a proposed amendment is rejected by any Party, the Council may decide, in the light of comments received from Parties, whether a conference shall be called to consider such amendment.
1.
If there should arise between two or more Parties a dispute relating to the interpretation or application of this Convention, the said Parties shall consult together with a view to the settlement of the dispute by negotiation, investigation, mediation, conciliation, arbitration, recourse to regional bodies, judicial process or other peaceful means of their own choice.
2.
Any such dispute which cannot be settled in the manner prescribed shall be referred to the International Court of Justice for decision.
1.
A Party may at the time of signature, ratification or accession reserve the right to permit temporarily in any one of its territories:
(a) The quasi-medical use of opium;
(b) Opium smoking;
(c) Coca leaf chewing;
(d) The use of cannabis, cannabis resin, extracts and tinctures of cannabis for non-medical purposes; and
(e) The production and manufacture of and trade in the drugs referred to under (a) to (d) for the purposes mentioned therein.
2.
The reservations under paragraph 1 shall be subject to the following restrictions:
(a) The activities mentioned in paragraph 1 may be authorized only to the extent that they were traditional in the territories in respect of which the reservation is made, and were there permitted on 1 January 1961;
(b) No export of the drugs referred to in paragraph 1 for the purposes mentioned therein may be permitted to a non-party or to a territory to which this Convention does not apply under article 42;
(c) Only such persons may be permitted to smoke opium as were registered by the competent authorities to this effect on 1 January 1964;
(d) The quasi-medical use of opium must be abolished within 15 years from the coming into force of this Convention as provided in paragraph 1 of article 41;
(e) Coca leaf chewing must be abolished within twenty-five years from the coming into force of this Convention as provided in paragraph 1 of article 41;
(f) The use of cannabis for other than medical and scientific purposes must be discontinued as soon as possible but in any case within twenty-five years from the coming into force of this Convention as provided in paragraph 1 of article 41;
(g) The production and manufacture of and trade in the drugs referred to in paragraph 1 for any of the uses mentioned therein must be reduced and finally abolished simultaneously with the reduction and abolition of such uses.
3.
A Party making a reservation under paragraph 1 shall:
(a) Include in the annual report to be furnished to the Secretary-General, in accordance with article 18, paragraph 1 (a), an account of the progress made in the preceding year towards the abolition of the use, production, manufacture or trade referred to under paragraph 1; and
(b) Furnish to the Board separate estimates (article 19) and statistical returns (article 20) in respect of the reserved activities in the manner and form prescribed by the Board.
4.
(a) Party which makes a reservation under paragraph 1 fails to furnish:
(i) The report referred to in paragraph 3 (a) within six months after the end of the year to which the information relates;
(ii) The estimates reffered to in paragraph 3 (b) within three months after the date fixed for that purpose by the Board in accordance with article 12, paragraph 1:
(iii) The statistics referred to in paragraph 3 (b) within three months after the date on which they are due in accordance with article 20, paragraph 2,
the Board or the Secretary-General, as the case may be, shall send to the Party concerned a notification of the delay, and shall request such information within a period of three months after the receipt of that notification.
(b) If the Party fails to comply within this period with the request of the Board or the Secretary-General, the reservation in question made under paragraph 1 shall cease to be effective.
5.
A State which has made reservations may at any time by notification in writing withdraw all or part of its reservations.
1.
No reservations other than those made in accordance with article 49 or with the following paragraphs shall be permitted.
2.
Any State may at the time of signature, ratification or accession make reservations in respect of the following provisions of this Convention: Article 12, paragraphs 2 and 3; article 13, paragraph 2; article 14, paragraphs 1 and 2; article 31, paragraph 1 (b), and article 48.
3.
A State which desires to become a Party but wishes to be authorized to make reservations other than those made in accordance with paragraph 2 of this article or with article 49 may inform the Secretary-General of such intention. Unless by the end of twelve months after the date of the Secretary-General's communication of the reservation concerned, this reservation has been objected to by one third of the States that have ratified or acceded to this Convention before the end of that period, it shall be deemed to be permitted, it being understood, however, that States which have objected to the reservation need not assume towards the reserving State any legal obligation under this Convention which is affected by the reservation.
4.
A State which has made reservations may at any time by notification in writing withdraw all or part of its reservations.
Article 51. Notifications
The Secretary-General shall notify to all the States referred to in paragraph 1 of article 40:
(a) Signatures, ratifications and accessions in accordance with article 40;
(b) The date upon which this Convention enters into force in accordance with article 41;
(c) Denunciations in accordance with article 46; and
(d) Declarations and notifications under articles 42, 43, 47, 49 and 50.
Schedules
List of drugs included in Schedule I
ACETORPHINE
(3-0-acetyltetrahydro-7 a-( 1 -hydroxy-1 -methylbutyl)-6,
14-endoetheno-oripavine)
ACETYL-ALPHA-METHYLFENTANYL
(N-[l-(a-methylphenethyl)-4-piperidyI] acetanilide);
ACETYLMETHADOL
(3-acetoxy-6-dimethylamino-4,4-diphenylheptane)
ALLYLPRODINE
(3-allyl-1-methyl-4-phenyl-4-propionoxypiperidine)
ALPHACETYLMETHADOL
(alpha-3-acetoxy-6-dimethylamino-4, 4-diphenylheptane)
ALPHAMEPRODINE
(alpha-3-ethyl-1 -methyl-4-phenyl-4-propionoxypiperidine)
ALPHAMETHADOL
(aIpha-6-dimethylamino-4,4-diphenyl-3-heptanol)
ALPHA-METHYLFENTANYL
(N-[l-(a-methylphenethyl)-4-piperidyl] propionanilide);
ALPHAPRODINE
(alpha-1,3-dimethyI-4-phenyl-4-propionoxypiperidine)
ANILERIDINE
(1-para-aminophenethyl-4-phenylpiperidine-4-carboxylic acid ethyl ester)
BENZETHIDINE
(1-(2-benzyloxyethyl)-4-phenylpiperidine-4-carboxylic acid ethyl ester)
BENZYLMORPHINE
(3-benzylmorphine)
BETACETYLMETHADOL
(beta-3-acetoxy-6-dimethylamino-4,4-diphenylheptane)
BETAMEPRODINE
(beta-3-ethyl-1 -methyl-4-phenyl-4-propionoxypiperidine)
BETAMETHADOL
(beta-6-dimethylamino-4,4-diphenyl-3-heptanol)
BETAPRODINE
(beta-1,3-dimethyl-4-phenyl-4-propionoxypiperidine)
BEZITRAMIDE
(1 -(3-cyano-3,3-diphenylpropyl)-4-(2-oxo-3-propionyl-1 -benzimidazolinyl)- piperidine)
CANNABIS and CANNABIS RESIN and EXTRACTS and TINCTURES of CANNABIS
CLONITAZENE
(2-para-chlorbenzyl-1-diethylaminoethyl-5-nitrobenzimidazole)
COCA LEAF
COCAINE
(methyl ester of benzoylecgonine)
CODOXIME
(dihydrocodeinone-6-carboxymethyloxime)
CONCENTRATE OF POPPY STRAW (the material arising when poppy straw has entered into a process for the concentration of its alkaloids when such material is made available in trade)
DESOMORPHINE
(dihydrodeoxymorphine)
DEXTROMORAMIDE
((+)-4-[2-methyl-4-oxo-3,3-diphenyl-4-(1-pyrrolidinyl) butyl] morpholine)
DIAMPROMIDE
(N-[2-methylphenethyIamino propyl] propionanilide)
DIETHYLTHIAMBUTENE
(3-diethylamino-1,1 -di-(2'-thienyl)-1 -butene)
DIFENOXIN
(1-(3-cyano-3,3-diphenylpropyl)-4-phenylisonipecotic acid)
DIHYDROMORPHINE
DIMENOXADOL
(2-dimethylaminoethyl-1 -ethoxy-1,1 -diphenylacetate)
DIMEPHEPTANOL
(6-dimethylamino-4,4-diphenyl-3-heptanol)
DIMETHYLTHIAMBUTENE
(3-dimethylamino-1,1 -di-(2'-thienyl)-1-butene)
DIOXAPHETYL BUTYRATE
(ethyl-4-morpholino-2,2-diphenylbutyrate)
DIPHENOXYLATE
(1 -(3-cyano-3,3-diphenylpropyl)-4-phenylpiperidine-4-carboxylic acid ethyl ester)
DIPIPANONE
(4,4-diphenyl-6-piperidine-3-heptanone)
DROTEBANOL
(3,4-dimethoxy-17-methyImorphinan-6ß, 14-diol)
ECGONINE,
its esters and derivatives which are convertible to ecgonine and cocaine
ETHYLMETHYLTHIAMBUTENE
(3-ethylmethylamino-1,1 -di-(2'-thienyl)-1 -butene)
ETONITAZENE
(1-diethylaminoethyl-2-para-ethoxybenzyl-5-nitrobenzimidazole)
ETORPHINE
(tetrahydro-7a-(1-hydroxy-1-methylbutyl)-6,14-enrdoetheno-oripavine)
ETOXERIDINE
(1-[2-(2-hydroxyethoxy)-ethyl]-4-phenylpiperidine-4-carboxylic acid ethyl ester)
FENTANYL
(1-phenethyl-4-N-propionylanilinopiperidine)
FURETHIDINE
(1 -(2-tetrahydrofurfuryloxyethyl)-4-phenylpiperidine-4-carboxylic acid ethyl ester)
HEROIN
(diacetylmorphine)
HYDROCODONE
(dihydrocodeinone)
HYDROMORPHINOL
(14-hydroxydihydromorphine)
HYDROMORPHONE
(dihydromorphinone)
HYDROXYPETHIDINE
(4-me/a-hydroxyphenyl-l-methylpiperidine-4-carboxyIic acid ethyl ester)
ISOMETHADONE
(6-dimethylamino-5-methyl-4,4-diphenyl-3-hexanone)
KETOBEMIDONE
(4-meta-hydroxyphenyI-1-methyl-4-propionylpiperidine)
LEVOMETHORPHAN *)[1]
((-)-3-methoxy-N-methylmorphinan)
LEVOMORAMIDE
((-)-4-[2-methyl-4-oxo-3,3-diphenyl-4-( 1 -pyrrolidinyl) butyl] morpholine)
LEVOPHENACYLMORPHAN
((-)-3-hydroxy-N-phenacylmorphinan)
LEVORPHANOL *)[2]
((-)-3-hydroxy-N-methylmorphinan)
METAZOCINE
(2'-hydroxy-2,5,9-trimethyl-6,7-benzomorphan)
METHADONE
(6-dimethylamino-4,4-diphenyl-3-heptanone)
METHADONE INTERMEDIATE
(4-cyano-2-dimethylamino-4,4-diphenylbutane)
3-METHYLFENTANYL
(N-(3-methyl-l-phenethyI-4-piperidyl) propionanilide) in its two isomeric forms as-N-[3-methyl-1-(2-phenylethyl)-4-piperidyl] propionanilide and trans-N-[3-methyl-1-(2-phenylethyl)-4-piperidyl] propionanilide;
METHYLDESORPHINE
(6-methyl-deIta-6-deoxymorphine)
METHYLDIHYDROMORPHINE
(6-methyldihydromorphine)
METOPON
(5-methyldihydromorphinone)
MORAMIDE INTERMEDIATE
(2-methyl-3-morpholino-1,1-diphenylpropane carboxylic acid)
MORPHERIDINE
(1-(2-morpholinoethyl)-4-phenylpiperidine-4-carboxylic acid ethyl ester)
MORPHINE
MORPHINE METHOBROMIDE and other pentavalent nitrogen morphine derivatives
MORPHINE-N-OXIDE
MPPP
(l-methyl-4-phenyl-4-piperidinol propionate (ester)).
MYROPHINE
(myristylbenzylmorphine)
NICOMORPHINE
(3,6-dinicotinylmorphine)
NORACYMETHADOL
((± )-alpha-3-acetoxy-6-methylamino-4,4-diphenylheptane)
NORLEVORPHANOL
((-)-3-hydroxymorphinan)
NORMETHADONE
(6-dimethylamino-4,4-diphenyl-3-hexanone)
NORMORPHINE
(demethylmorphine)
NORPIPANONE
(4,4-diphenyl-6-piperidino-3-hexanone)
OPIUM
OXYCODONE
(14-hydroxydihydrocodeinone)
OXYMORPHONE
(14-hydroxydihydromorphinone)
PEPAP
(I-phenethyl-4-phenyl-4-piperidinol acetate (ester)); and
PETHIDINE
(1-methyl-4-phenylpiperidine-4-carboxylic acid ethyl ester)
PETHIDINE INTERMEDIATE A
(4-cyano-1-methyl-4-phenylpiperidine)
PETHIDINE INTERMEDIATE B
(4-phenylpiperidine-4-carboxylic acid ethyl ester)
PETHIDINE INTERMEDIATE C
(1 -methyl-4-phenylpiperidine-4-carboxylic acid)
PHENADOXONE
(6-morpholino-4,4-diphenyl-3-heptanone)
PHENAMPROMIDE
(N-( 1 -methyl-2-piperidinoethyl) propionanilide)
PHENAZOCINE
(2'-hydroxy-5,9-dimethyl-2-phenethyl-6,7-benzomorphan)
PHENOMORPHAN
(3-hydroxy-N-phenethylmorphinan)
PHENOPERIDINE
(1 -(3-hydroxy-3-phenylpropyl)-4-phenylpiperidine-4-carboxylic acid ethyl ester)
PIMINODINE
(4-phenyl-1-(3-phenylaminopropyl) piperidine-4-carboxylic acid ethyl ester)
PIRITRAMIDE
(1-(3-cyano-3,3-diphenylpropyl)-4-(1-piperidino)-piperidine-4-carboxylic acid amide)
PROPHEPTAZINE
(1,3-dimethyl-4-phenyl-4-propionoxyazacycloheptane)
PROPERIDINE
(1-methyl-4-phenylpiperidine-4-carboxylic acid isopropyl ester)
RACEMETHORPHAN
((± )-3-methoxy-N-methylmorphinan)
RACEMORAMIDE
((± )-4-[2-methyl-4-oxo-3,3-diphenyl-4-(1-pyrrolidinyl) butyl] morpholine)
RACEMORPHAN
((±)-3-hydroxy-N-methylmorphinan)
SUFENTANIL
(N-[4-(methoxymethyl)-1-[2-(2-thienyl)ethyl]-4-piperidyl] propionanilide)
THEBACON
(acetyldihydrocodeinone)
THEBAINE
TILIDINE
((±)-ethyl trans-2-(dimethylamino)-1 -phenyl-3-cyclohexene-1 -carboxylate)
TRIMEPERIDINE
(1,2,5-trimethyl-4-phenyl-4-propionoxypiperidine); and
The isomers, unless specifically excepted, of the drugs in this Schedule whenever the existence of such isomers is possible within the specific chemical designation;
The esters and ethers, unless appearing in another Schedule, of the drugs in this Schedule whenever the existence of such esters or ethers is possible;
The salts of the drugs listed in this Schedule, including the salts of esters, ethers and isomers as provided above whenever the existence of such salts is possible.List of drugs included in Schedule II
ACETYLDIHYDROCODEINE
CODEINE
(3-methylmorphine)
DEXTROPROPOXYPHENE
(a-( + )-4-dimethylamino-1,2-diphenyl-3-methyI-2-butanol propionate)
DIHYDROCODEINE
ETHYLMORPHINE
(3-ethylmorphine)
NICOCODINE
(6-nicotinylcodeine)
NICODICODINE
(6-nicotinyldihydrocodeine)
NORCODEINE
(N-demethylcodeine)
PHOLCODINE
(morpholinylethylmorphine)
PROPIRAM
(N-(1-methyl-2-piperidinoethyl)-N-2-pyridylpropionamide); and
The isomers, unless specifically excepted, of the drugs in this Schedule whenever the existence of such isomers is possible within the specific chemical designation;
The salts of the drugs listed in this Schedule, including the salts of the isomers as provided above whenever the existence of such salts is possible.
1. Preparations of Acetyldihydrocodeine,
Codeine,
Dihydrocodeine,
Ethylmorphine,
Nicocodine,
Nicodicodine,
Norcodeine and
Pholcodine
when compounded with one or more other ingredients and containing not more than 100 milligrams of the drug per dosage unit and with a concentration of not more than 2.5 per cent in undivided preparations.
2. Preparations of propiram containing not more than 100 milligrams of propiram per dosage unit and compounded with at least the same amount of methylcellulose.
3. Preparations of dextropropoxyphene for oral use containing not more than 135 milligrams of dextropropoxyphene base per dosage unit and with a concentration of not more than 2.5 per cent in undivided preparations, provided that such preparations do not contain any substance controlled under the 1971 Convention on Psychotropic Substances.
4. Preparations of cocaine containing not more than 0.1 per cent of cocaine calculated as cocaine base and preparations of opium or morphine containing not more than 0.2 per cent of morphine calculated as anhydrous morphine base and compounded with one or more other ingredients and in such a way that the drug cannot be recovered by readily applicable means or in a yield which would constitute a risk to public health.
5. Preparations of difenoxin containing, per dosage unit, not more than 0.5 milligram of difenoxin and a quantity of atropine sulphate equivalent to at least 5 per cent of the dose of difenoxin.
6. Preparations of diphenoxylate containing, per dosage unit, not more than 2.5 milligrams of diphenoxylate calculated as base and a quantity of atropine sulphate equivalent to at least one per cent of the dose of diphenoxylate.
7. Pulvus ipecacuanhae et opii compositus
10 per cent opium in powder,
10 per cent Ipecacuanha root, in powder
well mixed with
80 per cent of any other powdered ingredient containing no drug.
8. Preparations conforming to any of the formulae listed in this Schedule and mixtures of such preparations with any material which contains no drug.List of drugs included in Schedule IV
ACETYL-ALPHA-METHYLFENTANYL
(N-[l-(a-methylphenethyl)-4-piperidyI] acetanilide);
ALPHA-METHYLFENTANYL
(N-[l-(a-methylphenethyl)-4-piperidyl] propionanilide);
3-METHYLFENTANYL
(N-(3-methyl-1-phenethyI-4-piperidyl) propionanilide) in its two isomeric forms as-N-[3-methyl-1-(2-phenylethyl)-4-piperidyl] propionanilide and trans-N-[3-methyl-1-(2-phenylethyl)-4-piperidyl] propionanilide;
PEPAP
(I-phenethyl-4-phenyl-4-piperidinol acetate (ester)); and
MPPP
(l-methyl-4-phenyl-4-piperidinol propionate (ester)).
ACETORPHINE
(3-0-acetyltetrahydro-7a-(1-hydroxy-1-methylbutyl)-6,14-endoethenooripavine)
CANNABIS and CANNABIS RESIN
DESOMORPHINE
(dihydrodeoxymorphine)
ETORPHINE
(tetrahydro-7a-( 1 -hydroxy-1 -methylbutyl)-6,14-endoetheno-oripavine)
HEROIN
(diacetylmorphine)
KETOBEMIDONE
(4-meta-hydroxyphenyl-1-methyl-4-propionylpiperidine); and
The salts of the drugs listed in this Schedule whenever the formation of such salts is possible.
(vertaling: nl)
Preambule
De Partijen,
Bezorgd om de gezondheid en het welzijn der mensheid,
Erkennende, dat het geneeskundig gebruik van verdovende middelen onmisbaar blijft voor het verzachten van pijn en lijden en dat voldoende maatregelen moeten worden genomen om te verzekeren, dat verdovende middelen voor die doeleinden beschikbaar zijn,
Erkennende, dat verslaving aan verdovende middelen een ernstig kwaad vormt voor de mens persoonlijk en vele sociale en economische gevaren met zich medebrengt voor de mensheid,
Zich bewust van hun plicht om dit kwaad te voorkomen en te bestrijden,
Overwegende, dat doeltreffende maatregelen tegen het misbruik van verdovende middelen een gecoördineerd en wereldomspannend optreden vereisen,
Beseffende, dat een dergelijk wereldomspannend optreden internationale samenwerking nodig maakt, die geleid wordt door dezelfde beginselen en gericht is op gemeenschappelijke doelstellingen,
Erkennende, dat de Verenigde Naties bevoegd zijn op het gebied van het toezicht op verdovende middelen en verlangende te bewerkstelligen, dat de desbetreffende internationale organen binnen het kader van die Organisatie worden geplaatst,
Verlangende een algemeen aanvaardbaar internationaal verdrag te sluiten ter vervanging van de bestaande verdragen inzake verdovende middelen, waarbij het gebruik van die verdovende middelen beperkt wordt tot gebruik voor geneeskundige en wetenschappelijke doeleinden en waarbij maatregelen worden genomen ter verzekering van een voortdurende internationale samenwerking en een voortdurend internationaal toezicht voor het bereiken van die doelstellingen,
Komen overeen als volgt:
1.
Behalve voorzover uitdrukkelijk anders is bepaald of waar het zinsverband een andere uitleg vereist, gelden in het gehele Verdrag de volgende definities:
(a) „Comité” betekent het Internationale Comité van Toezicht op verdovende middelen.
(b) „Cannabis” betekent de bloeiende of vruchtdragende toppen van de cannabisplant (met uitzondering van de zaden en bladeren indien deze niet vergezeld gaan van de toppen) waaruit de hars niet is geëxtraheerd, met welke naam ook aangeduid.
(c) „Cannabisplant” betekent iedere plant van het geslacht Cannabis.
(d) „Cannabishars” betekent de afgescheiden hars, ruw of gezuiverd, verkregen uit de cannabisplant.
(e) „Cocaplant” tekent de plant van een der soorten van het geslacht Erythroxylon.
(f) „Cocablad” betekent het blad van de cocaplant met uitzondering van een blad waaruit alle ecgonine, cocaïne en alle andere ecgonine alkaloïden zijn verwijderd.
(g) „Commissie” betekent de Commissie voor verdovende middelen van de Raad.
(h) „Raad” betekent de Economische en Sociale Raad van de Verenigde Naties.
(i) „Verbouw” betekent de verbouw van papaver, cocaplant of cannabisplant.
(j) „Verdovend middel” betekent elk der stoffen genoemd in de Lijsten I en II, hetzij natuurlijk hetzij synthetisch.
(k) „Algemene Vergadering” betekent de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties.
(l) „Sluikhandel” betekent de verbouw van of de handel in verdovende middelen in strijd met de bepalingen van dit Verdrag.
(m) „Invoer” en „uitvoer” betekenen, al naar het zinsverband, de daadwerkelijke overbrenging van verdovende middelen van de ene Staat naar de andere of, binnen dezelfde Staat, van het ene gebied naar het andere.
(n) „Vervaardiging” betekent alle bewerkingen, met uitzondering van produktie, waarbij verdovende middelen kunnen worden verkregen, met inbegrip van zowel zuivering als omzetting van verdovende middelen in andere verdovende middelen.
(o) „Medicinaal opium” betekent opium dat de bewerkingen heeft ondergaan die nodig zijn om het geschikt te maken voor geneeskundig gebruik.
(p) „Opium” betekent het gestremde sap van de papaver.
(q) Papaver” betekent de plant van de soort Papaver somniferum L.
(r) „Bolkaf” betekent alle delen (met uitzondering van de zaden) van de papaver, na het maaien.
(s) „Preparaat” betekent een vast of vloeibaar mengsel dat een verdovend middel bevat.
(t) „Produktie” betekent de afscheiding van opium, cocabladeren, cannabis en cannabishars van de planten waaruit zij worden verkregen.
(u) „Lijst I”, „Lijst II”, „Lijst III” en „Lijst IV” betekenen de overeenkomstig genummerde lijsten van verdovende middelen of preparaten, die aan dit Verdrag zijn gehecht, zoals van tijd tot tijd overeenkomstig artikel 3 gewijzigd.
(v) „Secretaris-Generaal” betekent de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties.
(w) „Bijzondere voorraden” betekent de hoeveelheid verdovende middelen die in een land of gebied wordt aangehouden door de regering van dat land of gebied voor bijzondere regeringsdoeleinden en om het hoofd te bieden aan bijzondere omstandigheden; de uitdrukking „bijzondere doeleinden” wordt op overeenkomstige wijze uitgelegd.
(x) „Voorraden” betekent de in een land of gebied aangehouden hoeveelheden verdovende middelen die bestemd zijn voor:
(i) verbruik in het land of gebied voor geneeskundige en wetenschappelijke doeleinden,
(ii) gebruik in het land of gebied voor de vervaardiging van verdovende middelen en andere stoffen of
(iii) uitvoer; doch omvat niet de in het land of gebied aangehouden hoeveelheden verdovende middelen
(iv) door apothekers of andere daartoe gemachtigde kleinhandelaren en door instellingen of bevoegde personen die behoorlijk gemachtigd zijn tot de uitoefening van therapeutische of wetenschappelijke functies, of
(v) als „bijzondere voorraden”.
(y) „Gebied” betekent ieder deel van een Staat dat, wat het in artikel 31 vervatte systeem van invoercertificaten en uitvoervergunningen betreft, behandeld wordt als een afzonderlijke eenheid. Deze definitie geldt niet voor de uitdrukking „gebied” zoals deze wordt gebruikt in de artikelen 42 en 46.
2.
In dit Verdrag wordt een verdovend middel als „verbruikt” beschouwd, wanneer het is geleverd aan een persoon of onderneming voor afgifte in het klein, voor geneeskundig gebruik of voor wetenschappelijk onderzoek; de uitdrukking „verbruik” wordt op overeenkomstige wijze uitgelegd.
1.
Behalve wat betreft maatregelen van toezicht die beperkt zijn tot bepaalde verdovende middelen, zijn de verdovende middelen van Lijst I onderworpen aan alle maatregelen van toezicht die van toepassing zijn op verdovende middelen die onder dit Verdrag vallen en, in het bijzonder, aan die maatregelen die zijn vervat in de artikelen 4 (c ), 19, 20, 21, 29, 30, 31, 32, 33, 34 en 37.
2.
De verdovende middelen van Lijst II zijn onderworpen aan dezelfde maatregelen van toezicht als de verdovende middelen van Lijst I, met uitzondering van de maatregelen voorgeschreven in artikel 30, leden 2 en 5, ten aanzien van de kleinhandel.
3.
Andere preparaten dan die van Lijst III zijn onderworpen aan dezelfde maatregelen van toezicht als de verdovende middelen die zij bevatten, doch ramingen (artikel 19) en statistieken (artikel 20) die geen betrekking hebben op deze verdovende middelen zijn niet vereist, indien het dergelijke preparaten betreft; de bepalingen van artikel 29, lid 2 (c ), en artikel 30, lid 1 (b ) (ii), zijn dan niet van toepassing.
4.
De preparaten van Lijst III zijn onderworpen aan dezelfde maatregelen van toezicht als de preparaten die verdovende middelen van Lijst II bevatten, met dien verstande dat artikel 31, eerste lid, letter (b) en de leden 3 tot en met 15, en, wat betreft de aanschaffing en verkoop in de kleinhandel van deze preparaten, artikel 34, letter (b), niet van toepassing zijn en dat voor ramingen (artikel 19) en statistieken (artikel 20) de vereiste inlichtingen beperkt zijn tot de bij de vervaardiging van dergelijke preparaten gebruikte hoeveelheden verdovende middelen.
5.
De verdovende middelen van Lijst IV zijn tevens opgenomen in Lijst I en onderworpen aan alle maatregelen van toezicht die van toepassing zijn op de verdovende middelen van laatstgenoemde Lijst, terwijl bovendien:
(a) een Partij alle bijzondere maatregelen van toezicht neemt die naar haar mening noodzakelijk zijn in verband met de bijzonder gevaarlijke eigenschappen van een aldus opgenomen verdovend middel;
(b) een Partij, indien zulks naar haar mening, gelet op de in haar land heersende toestanden, de meest aangewezen wijze van bescherming van de volksgezondheid en het openbaar welzijn vormt, de produktie, de vervaardiging, de uit- en invoer van, de handel in en bezit of het gebruik van een dergelijk verdovend middel verbiedt behalve voorzover het hoeveelheden betreft die uitsluitend nodig zijn voor geneeskundig en wetenschappelijk onderzoek, daaronder begrepen klinische proeven met bedoelde verdovende middelen welke moeten worden uitgevoerd onder het rechtstreekse toezicht van de Partij of aan zodanig toezicht en zodanige controle zijn onderworpen.
6.
Behalve aan de maatregelen van toezicht die van toepassing zijn op alle verdovende middelen van Lijst I, is opium onderworpen aan de bepalingen van de artikelen 19, eerste lid, letter (f), 21 bis, 23 en 24, cocablad aan die van de artikelen 26 en 27 en cannabis aan die van artikel 28.
7.
De papaver, de cocaplant, de cannabisplant, bolkaf en cannabisbladeren zijn onderworpen aan de maatregelen van toezicht vervat in onderscheidenlijk de artikelen 19, eerste lid, letter (e), 20, eerste lid, letter (g), 21 bis, en 22 tot en met 24; 22, 26 en 27; 22 en 28; 25; en 28.
8.
Partijen zullen alles in het werk stellen om op stoffen die niet onder dit Verdrag vallen doch die gebruikt kunnen worden bij de klandestiene vervaardiging van verdovende middelen, alle uitvoerbare maatregelen van toezicht toe te passen.
9.
Partijen zijn niet verplicht de bepalingen van dit Verdrag toe te passen op verdovende middelen die gewoonlijk in de industrie worden gebruikt voor niet-geneeskundige of niet-wetenschappelijke doeleinden, op voorwaarde dat:
(a) zij door daartoe geëigende denatureringsmethoden of op andere wijze verhinderen, dat de aldus gebruikte verdovende middelen worden misbruikt of een nadelige uitwerking hebben (artikel 3, lid 3) en dat de schadelijke stoffen in de praktijk kunnen worden teruggewonnen; en
(b) zij in de door hen verstrekte statistische gegevens (artikel 20) de hoeveelheden van elk aldus gebruikt verdovend middel vermelden.
1.
Indien een Partij of de Wereldgezondheidsorganisatie over inlichtingen beschikt,die naar haar mening een wijziging van één der Lijsten noodzakelijk maken, doet zij daarvan mededeling aan de Secretaris-Generaal en verschaft hem alle inlichtingen ter ondersteuning van deze mededeling.
2.
De Secretaris-Generaal geeft een dergelijke mededeling, alsmede alle inlichtingen die naar zijn mening terzake dienende zijn, door aan Partijen, aan de Commissie en, indien de mededeling wordt gedaan door een Partij, aan de Wereldgezondheidsorganisatie.
3.
Indien een mededeling betrekking heeft op een stof die niet reeds is vermeld in Lijst I of Lijst II,
(i) onderzoeken Partijen in het licht van de beschikbare gegevens de mogelijkheid van een voorlopige toepassing op de desbetreffende stof van alle op de verdovende middelen van Lijst I toepasselijke maatregelen van toezicht;
(ii) kan de Commissie, in afwachting van haar beslissing als bedoeld in alinea (iii) van dit lid, beslissen, dat Partijen op de desbetreffende stof dienen toe te passen alle op de verdovende middelen van Lijst I toepasselijke maatregelen van toezicht. Partijen zullen die maatregelen dan voorlopig toepassen op de desbetreffende stof;
(iii) doet de Wereldgezondheidsorganisatie, indien zij van oordeel is, dat de stof aanleiding kan geven tot een soortgelijk misbruik en een soortgelijke nadelige uitwerking als de verdovende middelen van Lijst I of Lijst II of in een verdovend middel kan worden omgezet, daarvan mededeling aan de Commissie, die, overeenkomstig de aanbeveling van de Wereldgezondheidsorganisatie, kan besluiten, dat de stof zal worden toegevoegd aan Lijst I of Lijst II.
4.
Indien de Wereldgezondheidsorganisatie van oordeel is, dat een preparaat tengevolge van de stoffen die het bevat geen aanleiding kan geven tot misbruik en geen nadelige uitwerking kan hebben (lid 3) en dat het verdovende middel dat het bevat niet gemakkelijk kan worden teruggewonnen, kan de Commissie, in overeenstemming met de aanbeveling van de Wereldgezondheidsorganisatie, dat preparaat toevoegen aan Lijst III.
5.
Indien de Wereldgezondheidsorganisatie van oordeel is, dat een verdovend middel van Lijst I in bijzondere mate aanleiding kan geven tot misbruik en tot een nadelige uitwerking (lid 3) en dat daartegenover geen aanzienlijke therapeutische voordelen staan die niet behoren tot de eigenschappen van niet op Lijst IV voorkomende verdovende middelen, kan de Commissie, in overeenstemming met de aanbeveling van de Wereldgezondheidsorganisatie, dat verdovend middel in Lijst IV opnemen.
6.
Indien een mededeling betrekking heeft op een verdovend middel dat reeds is opgenomen in Lijst I of Lijst II of op een preparaat van Lijst III, kan de Commissie, behalve de in lid 5 bedoelde maatregelen, in overeenstemming met de aanbeveling van de Wereldgezondheidsorganisatie elk der Lijsten wijzigen door:
(a) een verdovend middel over te brengen van Lijst I naar Lijst II of van Lijst II naar Lijst I, of door
(b) een verdovend middel of een preparaat, al naar het geval zich voordoet, van een Lijst af te voeren.
7.
Elk door de Commissie ingevolge dit artikel genomen besluit wordt door de Secretaris-Generaal medegedeeld aan alle Lid-Staten van de Verenigde Naties, aan alle Staten die geen Partij bij dit Verdrag zijn, aan de Wereldgezondheidsorganisatie en aan het Comité. Een dergelijk besluit wordt ten aanzien van elke Partij van kracht op de datum van ontvangst van een dergelijke mededeling, waarna Partijen alle maatregelen nemen, die krachtens dit Verdrag vereist zijn.
8.
(a) De besluiten van de Commissie tot wijziging van de Lijsten kunnen op verzoek van een Partij door de Raad aan een hernieuwd onderzoek worden onderworpen, welk verzoek binnen negentig dagen na de ontvangst van de kennisgeving van het besluit moet worden ingediend. Het verzoek om een hernieuwd onderzoek wordt aan de Secretaris-Generaal toegezonden, vergezeld van alle terzake dienende gegevens waarop het verzoek om een hernieuwd onderzoek is gebaseerd;
(b) De Secretaris-Generaal zendt afschriften van het verzoek om een hernieuwd onderzoek en van de terzake dienende gegevens toe aan de Commissie, de Wereldgezondheidsorganisatie, alsmede aan alle Partijen, met het verzoek binnen negentig dagen commentaar te leveren. Alle ontvangen commentaren worden aan de Raad ter bestudering voorgelegd;
(c) De Raad kan het besluit van de Commissie bevestigen, wijzigen of herroepen; het besluit van de Raad is definitief. Kennisgeving van het besluit van de Raad wordt gezonden aan alle Lid-Staten van de Verenigde Naties, aan Staten die geen lid zijn van de Verenigde Naties doch Partij bij dit Verdrag, aan de Commissie, de Wereldgezondheidsorganisatie en aan het Comité;
(d) Gedurende de tijd dat het hernieuwd onderzoek plaats heeft, blijft het oorspronkelijke besluit van de Commissie van kracht.
9.
Door de Commissie overeenkomstig dit artikel genomen besluiten zijn niet onderworpen aan de in artikel 7 voorziene herzieningsprocedure.
Artikel 4. Algemene verplichtingen
Partijen nemen de wetgevende en administratieve maatregelen die nodig zijn om
(a) de bepalingen van dit Verdrag op hun gebied in werking te stellen en uit te voeren;
(b) met andere Staten samen te werken bij de uitvoering van de bepalingen van dit Verdrag; en
(c) met inachtneming van de bepalingen van dit Verdrag de produktie, de vervaardiging, de uit- en invoer, de afgifte van, de handel in, het gebruik en het bezit van verdovende middelen uitsluitend tot geneeskundige en wetenschappelijke doeleinden te beperken.
Artikel 5. De internationale organen van toezicht
Partijen, de bevoegdheid van de Verenigde Naties op het gebied van het internationale toezicht op verdovende middelen erkennende, komen overeen aan de Commissie voor verdovende middelen van de Economische en Sociale Raad en aan het Internationale Comité van Toezicht op verdovende middelen de werkzaamheden toe te vertrouwen, die ieder van hen krachtens dit Verdrag onderscheidenlijk zijn opgedragen.
Artikel 6. De kosten van de internationale organen van toezicht
De kosten van de Commissie en het Comité zullen door de Verenigde Naties worden gedragen op een door de Algemene Vergaring vast te stellen wijze. De Partijen die geen Lid zijn van de Verenigde Naties dragen aan deze kosten de sommen bij, die de Algemene Vergadering billijk acht en van tijd tot tijd na overleg met de regeringen van deze Partijen vaststelt.
Artikel 7. Herziening van besluiten en aanbevelingen van de Commissie
Behalve wat de krachtens artikel 3 genomen besluiten betreft, zijn alle door de Commissie overeenkomstig de bepalingen van dit Verdrag genomen besluiten of aangenomen aanbevelingen onderworpen aan goedkeuring of wijziging door de Raad of de Algemene Vergadering op dezelfde wijze als andere besluiten of aanbevelingen van de Commissie.
Artikel 8. Werkzaamheden van de Commissie
De Commissie is bevoegd alle vraagstukken die betrekking hebben op de doelstellingen van dit Verdrag in overweging te nemen; zij is in het bijzonder bevoegd om:
(a) de Lijsten overeenkomstig artikel 3 te wijzigen;
(b) de aandacht van het Comité te vestigen op alle vraagstukken die met de werkzaamheden van het Comité verband kunnen houden;
(c) aanbevelingen te doen ter uitvoering van de doelstellingen en bepalingen van dit Verdrag, met inbegrip van programma's voor wetenschappelijk onderzoek en de uitwisseling van wetenschappelijke of technische gegevens;
(d) de aandacht van Staten die geen Partij zijn bij dit Verdrag te vestigen op de door de Commissie krachtens dit Verdrag genomen besluiten of aangenomen aanbevelingen, teneinde te bereiken, dat deze Staten zullen overwegen maatregelen te nemen in overeenstemming met deze besluiten en aanbevelingen.
1.
Het Comité bestaat uit dertien leden, die door de Raad als volgt worden gekozen:
(a) drie leden met geneeskundige, farmacologische of farmaceutische ervaring uiteen door de Wereldgezondheidsorganisatie opgestelde voordracht van ten minste vijf personen;
(b) tien leden uit een door de Leden van de Verenigde Naties en door Partijen die geen Lid zijn van de Verenigde Naties opgestelde voordracht.
2.
De Leden van de Raad dienen personen te zijn die door hun kundigheid, onpartijdigheid en onbaatzuchtigheid algemeen vertrouwen genieten. Gedurende hun ambtstermijn mogen zij geen positie bekleden of werkzaamheden uitoefenen die bij de uitoefening van hun werkzaamheden afbreuk zouden kunnen doen aan hun onpartijdigheid. In overleg met het Comité treft de Raad alle maatregelen die nodig zijn om te verzekeren, dat het Comité in technisch opzicht volledig onafhankelijk zal zijn bij het verrichten van zijn werkzaamheden.
3.
Zich baserend op het beginsel van billijke aardrijkskundige vertegenwoordiging, houdt de Raad rekening met het belang om in het Comité, in billijke verhouding, personen op te nemen die bekend zijn met de situatie op het gebied van verdovende middelen in de producerende landen, de fabrieks- en verbruikslanden, en die met deze landen een binding hebben.
4.
In samenwerking met de Regeringen en onder voorbehoud van de voorwaarden van dit Verdrag, streeft het Comité naar beperking van de verbouw, de produktie, de vervaardiging en het gebruik van verdovende middelen tot een hoeveelheid die voldoende is voor geneeskundige en wetenschappelijke doeleinden, naar verzekering van de beschikbaarheid van verdovende middelen voor zodanige doeleinden en naar voorkoming van clandestiene verbouw, produktie en vervaardiging van, sluikhandel in en clandestien gebruik van verdovende middelen.
5.
De uit hoofde van dit Verdrag door het Comité genomen maatregelen dienen volldig in overeenstemming te zijn met het doel, de samenwerking van Regeringen met het Comité te bevorderen en een instrument te bieden voor een voortdurende dialoog tussen de Regeringen en het Comité, dat aan doeltreffend nationaal optreden hulp zal bieden en dit zal vergemakkelijken ten einde de doelstellingen van dit Verdrag te bereiken.
1.
De ambtstermijn van de leden van het Comité is vijf jaar; zij kunnen worden herkozen.
2.
De ambtstermijn van elk lid van het Comité loopt af op de vooravond van de eerste bijeenkomst van het Comité; de opvolger van dit lid kan die bijeenkomst rechtens bijwonen.
3.
Een lid van het Comité dat drie opeenvolgende zittingen niet heeft bijgewoond, wordt geacht zijn ontslag te hebben ingediend.
4.
Op aanbeveling van het Comité kan de Raad een lid van het Comité ontslaan, indien dit lid niet meer voldoet aan de in artikel 9, tweede lid, gestelde voorwaarden voor het lidmaatschap. Negen leden van het Comité moeten voor een dergelijke aanbeveling hebben gestemd.
5.
Indien zich gedurende de ambtstermijn van een lid een vacature in het Comité voordoet, vervult de Raad deze vacature zo spoedig mogelijk en in overeenstemming met de van toepassing zijnde bepalingen van artikel 9, door voor de resterende ambtstermijn een ander lid te kiezen.
6.
De leden van het Comité ontvangen een door de Algemene Vergadering vastgestelde passende vergoeding.
1.
Het Comité kiest zijn eigen President en de door het Comité noodzakelijk geachte andere functionarissen en stelt zijn eigen reglement van orde vast.
2.
Het Comité komt bijeen zo vaak als dit naar zijn mening voor de juiste uitoefening van zijn taak noodzakelijk is, doch ten minste twee maal per kalenderjaar.
3.
Het voor de bijeenkomsten van het Comité noodzakelijke quorum is acht leden.
1.
Het Comité stelt de datum of data vast waarop de in artikel 19 voorziene ramingen moeten worden ingediend, alsmede de wijze waarop dit dient te geschieden. Het schrijft de hiervoor te gebruiken formulieren voor.
2.
Het Comité verzoekt, met betrekking tot landen en gebieden waarop dit Verdrag niet van toepassing is, de desbetreffende regeringen ramingen in te dienen overeenkomstig de bepalingen van dit Verdrag.
3.
Indien een Staat met betrekking tot een of meer van zijn gebieden in gebreke blijft op de aangegeven datum de ramingen in te dienen, stelt het Comité deze ramingen zelf vast voor zover zulks mogelijk is. Bij het vaststellen van zulke ramingen werkt het Comité voor zover mogelijk met de betrokken regering samen.
4.
Het Comité bestudeert de ramingen, de aanvullende ramingen daaronder begrepen, en kan, behalve met betrekking tot behoeften voor bijzondere doeleinden, betreffende een bepaald land of gebied ten behoeve waarvan een raming is ingediend om de noodzakelijk geachte gegevens verzoeken teneinde de raming volledig te maken of een daarin vervatte opgave toe te lichten.
5.
Met het oog op de beperking van het gebruik en de verspreiding van verdovende middelen tot een hoeveelheid die voldoende is voor geneeskundige en wetenschappelijke doeleinden en met het oog op het verzekeren van de beschikbaarheid van verdovende middelen voor zodanige doeleinden bevestigt het Comité de ramingen, de aanvullende ramingen daaronder begrepen, zo spoedig mogelijk of kan het deze ramingen wijzigen met toestemming van de betrokken Regering. Bij verschil van mening tussen de Regering en het Comité heeft dit laatste het recht zijn eigen ramingen, aanvullende ramingen daaronder begrepen, op te stellen, mede te delen en te publiceren.
6.
Behalve de in artikel 15 bedoelde verslagen verstrekt het Comité, op door het Comité te bepalen tijdstippen, doch minstens eenmaal per jaar, die gegevens over de ramingen die naar zijn mening de uitvoering van dit Verdrag zullen vergemakkelijken.
1.
Het Comité bepaalt op welke wijze en in welke vorm statistieken worden ingediend als voorzien in artikel 20 en stelt de formulieren daarvoor vast.
2.
Het Comité bestudeert de statistieken met het doel vast te stellen, of een Partij of enige andere Staat zich aan de bepalingen van dit Verdrag heeft gehouden.
3.
Het Comité kan om de door hem noodzakelijk geachte nadere gegevens verzoeken teneinde de in die statistieken vervatte gegevens volledig te maken of toe te lichten.
4.
Het Comité is niet bevoegd vragen te stellen of een mening kenbaar te maken ten aanzien van statistieken betreffende verdovende middelen die voor bijzondere doeleinden nodig zijn.
1.
(a) Indien het Comité, op grond van de bestudering van door de Regeringen aan hem krachtens de bepalingen van dit Verdrag overgelegde gegevens, of op grond van gegevens verstrekt door organen van de Verenigde Naties of door gespecialiseerde organisaties of, mits zij op aanbeveling van het Comité door de Commissie zijn goedgekeurd, door andere intergouvernementele organisaties dan wel internationale niet-gouvernementele organisaties die ter zake rechtstreeks bevoegd zijn en die krachtens artikel 71 van het Handvest van de Verenigde Naties consultatieve status bezitten bij de Economische en Sociale Raad of die bij bijzondere overeenkomst met de Raad een soortgelijke status genieten, een objectieve aanleiding heeft te veronderstellen, dat de doelstellingen van dit Verdrag ernstig in gevaar worden gebracht doordat een bepaalde Partij, een bepaald land of gebied in gebreke blijft de bepalingen van dit Verdrag uit te voeren, heeft het Comité het recht de betrokken Regering voor te stellen overleg te openen of deze te verzoeken een verklaring te geven. Indien een Partij, een land of een gebied, zonder dat zij of het in gebreke blijft de bepalingen van dit Verdrag uit te voeren, een belangrijk centrum is geworden, of indien er aanwijzingen zijn dat een ernstig gevaar bestaat dat zij of het een belangrijk centrum kan worden van clandestiene verbouw, produktie of vervaardiging van, of van sluikhandel in of clandestien verbruik van verdovende middelen, heeft het Comité het recht de betrokken Regering voor te stellen overleg te openen. Onverminderd het recht van het Comité de aandacht van de Partijen, de Raad en de Commissie te vestigen op de in letter (d) hieronder bedoelde aangelegenheid, behandelt het Comité een aan een Regering krachtens deze letter gedaan verzoek om gegevens en om toelichting of een voorstel tot overleg en het met een Regering gevoerde overleg als vertrouwelijk.
(b) Nadat het Comité maatregelen heeft genomen krachtens letter (a) hierboven, kan het, indien het ervan overtuigd is dat zulks noodzakelijk is, de betrokken Regering verzoeken de corrigerende maatregelen ter verzekering van de uitvoering van de bepalingen van dit Verdrag te nemen, die onder de omstandigheden noodzakelijk kunnen blijken.
(c) Het Comité kan, indien het een zodanig optreden noodzakelijk acht ten einde een in letter (a) van dit lid bedoelde aangelegenheid te kunnen beoordelen, de betrokken Regering voorstellen dat op haar grondgebied een onderzoek van de aangelegenheid wordt verricht op de wijze die de Regering passend acht. Indien de betrokken Regering besluit tot dit onderzoek over te gaan, kan zij het Comité vragen de deskundigheid en de diensten ter beschikking te stellen van een of meer personen met de vereiste bevoegdheid om de functionarissen van de Regering bij te staan bij het voorgestelde onderzoek. De persoon of personen die het Comité voornemens is ter beschikking te stellen, is of zijn onderworpen aan de goedkeuring van de Regering. De modaliteiten van dit onderzoek en de termijn waarbinnen het onderzoek moet zijn voltooid, worden vastgesteld in overleg tussen de Regering en het Comité. De Regering deelt het Comité de resultaten van het onderzoek mede en geeft de corrigerende maatregelen aan welke zij nodig acht.
(d) Indien het Comité constateert dat de betrokken Regering in gebreke is gebleven een bevredigende verklaring te geven op het tijdstip waarop haar dit krachtens letter (a) hierboven werd verzocht, of in gebreke is gebleven de corrigerende maatregelen te nemen waarom haar werd verzocht krachtens letter (b) hierboven, of dat er een ernstige situatie is die gezamenlijk optreden op internationaal niveau vereist ten einde deze te corrigeren, kan het de aandacht van de Partijen, de Raad en de Commissie op deze aangelegenheid vestigen. Het Comité treedt zo op, indien de doelstellingen van dit Verdrag ernstig in gevaar worden gebracht en het niet mogelijk is geweest de aangelegenheid op een andere wijze bevredigend op te lossen. Het treedt eveneens zo op, indien het constateert dat er een ernstige situatie is die gezamenlijk optreden op internationaal niveau vereist ten einde deze te corrigeren en dat het aan de Partijen, de Raad en de Commissie ter kennis brengen van een zodanige situatie de meest passende methode is om zulk een optreden te vergemakkelijken; na bestudering van de verslagen ter zake van het Comité en, indien beschikbaar, van de Commissie, kan de Raad de aandacht van de Algemene Vergadering op de aangelegenheid vestigen.
2.
Wanneer het Comité overeenkomstig het eerste lid, letter (d), hierboven de aandacht van Partijen, de Raad en de Commissie vestigt op een zodanige aangelegenheid, kan het, indien het ervan overtuigd is dat zulk een gedragslijn noodzakelijk is, Partijen aanbevelen de invoer van verdovende middelen, de uitvoer van verdovende middelen of beide van of naar het betrokken land of gebied te staken, hetzij voor een bepaald tijdvak, hetzij totdat het Comité gunstig oordeelt over de toestand in dat land of gebied. De betrokken Staat kan de zaak aan de Raad voorleggen.
3.
Het Comité heeft het recht over alle krachtens de bepalingen van dit artikel behandelde aangelegenheden een verslag te publiceren en dit over te leggen aan de Raad, die het aan alle Partijen doet toekomen. Indien het Comité in dit verslag een krachtens dit artikel genomen besluit of enigerlei hierop betrekking hebbende gegevens bekend maakt, maakt het daarin eveneens de inzichten van de betrokken regering bekend, indien deze dit verzoekt.
4.
In alle gevallen waarin een krachtens dit artikel door het Comité genomen besluit dat niet eenstemmig is genomen, wordt gepubliceerd, wordt de mening van de minderheid gepubliceerd.
5.
Iedere Staat wordt uitgenodigd zich te doen vertegenwoordigen op een bijeenkomst van het Comité waarop een aangelegenheid wordt besproken die deze Staat krachtens dit artikel rechtstreeks raakt.
6.
De besluiten van het Comité krachtens dit artikel worden genomen met een meerderheid van twee-derde van het totaal aantal leden van het Comité.
Artikel 14 bis. Technische en financiële hulp
In gevallen waarin het Comité zulks passend acht en als aanvulling op dan wel in plaats van de maatregelen vervat in artikel 14, eerste en tweede lid, kan het, met toestemming van de betrokken Regering, aan de bevoegde organen van de Verenigde Naties en de gespecialiseerde organisaties aanbevelen, dat technische of financiële hulp, of beide, worden verschaft aan de Regering ter ondersteuning van haar pogingen tot nakoming van haar verplichtingen krachtens dit Verdrag, met inbegrip van die vervat of bedoeld in de artikelen 2, 35, 38 en 38 bis.
1.
Het Comité stelt een jaarverslag over zijn werkzaamheden op, alsmede de door hem nodig geachte aanvullende verslagen, die tevens een uiteenzetting bevatten van de hem ter beschikking staande ramingen en statistieken en, in daarvoor in aanmerking komende gevallen, een uiteenzetting van de eventuele door de regeringen gegeven of van hen gevraagde toelichtingen, alsmede alle door het Comité gemaakte opmerkingen en gedane aanbevelingen. Deze verslagen worden door tussenkomst van de Commissie aan de Raad overgelegd, die over de inhoud daarvan de opmerkingen kan maken die hem nuttig voorkomen.
2.
De verslagen worden aan Partijen toegezonden en vervolgens door de Secretaris-Generaal gepubliceerd. Partijen keuren goed, dat deze verslagen onbeperkt worden verspreid.
Artikel 16. Secretariaat
De Secretaris-Generaal zorgt voor de secretariaatsdiensten van de Commissie en het Comité. Met name wordt de Secretaris van het Comité door de Secretaris-Generaal benoemd in overleg met het Comité.
Artikel 17. Bijzondere administratie
Partijen dienen te beschikken over een bijzondere administratie belast met de toepassing van de bepalingen van dit Verdrag.
1.
Partijen verstrekken de Secretaris-Generaal die gegevens waarom de Commissie kan vragen voorzover deze noodzakelijk zijn voor de uitoefening van haar werkzaamheden, en in het bijzonder:
(a) een jaarverslag over de werking van het Verdrag binnen elk van hun gebieden;
(b) de tekst van alle wetten en regelingen die van tijd tot tijd worden uitgevaardigd ter uitvoering van dit Verdrag;
(c) door de Commissie vast te stellen bijzonderheden aangaande gevallen van sluikhandel, daarbij inbegrepen de bijzonderheden van elk ontdekt geval van sluikhandel die van belang kunnen zijn wegens de inlichtingen die daarbij zijn verkregen over de oorsprong van verdovende middelen voor de sluikhandel, wegens de hoeveelheden die erbij waren betrokken of wegens de wijze waarop de sluikhandelaren te werk zijn gegaan;
(d) de namen en adressen van de regeringsinstanties die bevoegd zijn uitvoervergunningen en invoercertificaten af te geven.
2.
Partijen verstrekken de in het voorgaande lid bedoelde gegevens op de door de Commissie aangegeven wijze en data en met gebruikmaking van de formulieren als door de Commissie verzocht.
1.
Partijen verstrekken het Comité met betrekking tot elk van hun gebieden jaarlijks op de wijze en in de vorm door het comité voorgeschreven en op door het Comité verstrekte formulieren de volgende ramingen:
(a) de hoeveelheden verdovende middelen te verbruiken voor geneeskundige en wetenschappelijke doeleinden;
(b) de hoeveelheden verdovende middelen te gebruiken voor de vervaardiging van andere verdovende middelen, van de preparaten van Lijst III en van niet onder dit Verdrag vallende stoffen;
(c) de voorraden verdovende middelen op 31 december van het jaar waarop de ramingen betrekking hebben;
(d) de hoeveelheden verdovende middelen die moeten worden toegevoegd aan bijzondere voorraden;
(e) de oppervlakte (in hectaren) en de geografische ligging van de voor de verbouw van de papaver te gebruiken grond;
(f) bij benadering, de te produceren hoeveelheid opium;
(g) het aantal industriële inrichtingen dat synthetische verdovende middelen vervaardigt; en
(h) de door elk van de in de voorgaande letter bedoelde inrichtingen te vervaardigen hoeveelheden synthetische verdovende middelen.
2.
(a) Niet medegerekend de in artikel 21, derde lid, bedoelde afgetrokken hoeveelheden, bestaat het totaal der ramingen voor elk gebied en elk verdovend middel, met uitzondering van opium en synthetische verdovende middelen, uit het totaal van de krachtens de letters (a), (b) en (d) van het eerste lid van dit artikel aangeduide hoeveelheden, onder toevoeging van elke hoeveelheid die nodig is om de voorraden die op 31 december van het voorafgaande jaar daadwerkelijk aanwezig waren op het overeenkomstig letter (c) van het eerste lid geraamde peil te brengen.
(b) Niet medegerekend de in artikel 21, derde lid, bedoelde afgetrokken hoeveelheden met betrekking tot de invoer en de in artikel 21 bis, tweede lid, bedoelde afgetrokken hoeveelheden, bestaat het totaal der ramingen voor opium voor elk gebied uit hetzij het totaal van de krachtens de letters (a), (b) en (d) van het eerste lid van dit artikel aangeduide hoeveelheden, onder toevoeging van elke hoeveelheid die nodig is om de voorraden die op 31 december van het voorafgaande jaar daadwerkelijk aanwezig waren op het overeenkomstig letter (c) van het eerste lid geraamde peil te brengen, hetzij uit de hoeveelheid aangegeven krachtens letter (f) van het eerste lid van dit artikel, met dien verstande dat de grootste hoeveelheid van beide wordt aangehouden.
(c) Niet medegerekend de in artikel 21, derde lid, bedoelde afgetrokken hoeveelheden, bestaat het totaal der ramingen voor elk gebied voor elk synthetisch verdovend middel uit hetzij het totaal van de krachtens de letters (a), (b) en (d) van het eerste lid van dit artikel aangeduide hoeveelheden, onder toevoeging van elke hoeveelheid die nodig is om de voorraden die op 31 december van het voorafgaande jaar daadwerkelijk aanwezig waren op het overeenkomstig letter (c) van het eerste lid geraamde peil te brengen, hetzij uit het totaal van de hoeveelheden aangegeven krachtens letter (h) van het eerste lid van dit artikel.
(d) De krachtens de voorgaande letters van dit lid verstrekte ramingen worden waar nodig aangepast om rekening te houden met eventuele in beslag genomen en daarna voor wettig gebruik vrijgegeven hoeveelheden, alsmede met hoeveelheden onttrokken aan bijzondere voorraden ter voldoening aan de behoeften van de burgerbevolking.
3.
Elke Staat kan in de loop van het jaar aanvullende ramingen indienen, vergezeld van een toelichting op de omstandigheden die deze ramingen noodzakelijk maken.
4.
Partijen stellen het Comité in kennis van de werkwijze die is gebruikt voor het vaststellen van de in de ramingen voorkomende hoeveelheden, alsmede van alle wijzigingen die eventueel in deze werkwijze worden aangebracht.
5.
De in artikel 21, derde lid, bedoelde afgetrokken hoeveelheden niet medegerekend, en zo nodig met inachtneming van de bepalingen van artikel 21 bis, mogen de ramingen niet worden overschreden.
1.
Partijen verstrekken het Comité met betrekking tot elk van hun gebieden op de wijze en in de vorm door het Comité voorgeschreven en op door het Comité verstrekte formulieren de volgende statistieken:
(a) de produktie of de vervaardiging van verdovende middelen;
(b) het gebruik van verdovende middelen voor de vervaardiging van andere verdovende middelen, van preparaten van Lijst III en van niet onder dit Verdrag vallende stoffen, alsmede het gebruik van bolkaf voor de vervaardiging van verdovende middelen;
(c) het verbruik van verdovende middelen;
(d) de hoeveelheden in- en uitgevoerde verdovende middelen en bolkaf;
(e) in beslag genomen verdovende middelen en de daaraan gegeven bestemming;
(f) de voorraden verdovende middelen aanwezig op 31 december van het jaar waarop de statistieken betrekking hebben; en
(g) de vast te stellen oppervlakte van de grond waarop de papaver wordt verbouwd.
2.
(a) De Statistieken die betrekking hebben op de in het eerste lid bedoelde onderwerpen, met uitzondering van letter (d), worden jaarlijks opgemaakt en worden niet later dan 30 juni volgende op het jaar waarop zij betrekking hebben, aan het Comité verstrekt.
(b) de statistieken die betrekking hebben op de in letter (d) van het eerste lid bedoelde onderwerpen worden elk kwartaal opgemaakt en worden aan het Comité verstrekt binnen een maand na afloop van het kwartaal waarop zij betrekking hebben.
3.
Partijen behoeven geen statistieken te verstrekken met betrekking tot bijzondere voorraden, doch verstrekken afzonderlijke statistieken betreffende in hun land of gebied voor bijzondere doeleinden ingevoerde of verkregen verdovende middelen, alsmede met betrekking tot hoeveelheden verdovende middelen, onttrokken aan bijzondere voorraden ter voldoening aan de behoeften van de burgerbevolking.
4.
Partijen behoeven geen statistieken te verstrekken met betrekking tot bijzondere voorraden, doch verstrekken afzonderlijk statistieken betreffende in hun land of gebied voor bijzondere doeleinden ingevoerde of verkregen verdovende middelen, alsmede met betrekking tot hoeveelheden verdovende middelen, onttrokken aan bijzondere voorraden ter voldoening aan de behoeften van de burgerbevolking.
1.
Het totaal van de hoeveelheden van elk verdovend middel dat door welk land of gebied dan ook in enig jaar wordt vervaardigd en ingevoerd, mag het totaal der volgende hoeveelheden niet overtreffen:
(a) de binnen de grens van de desbetreffende raming voor geneeskundige en wetenschappelijke doeleinden verbruikte hoeveelheid;
(b) de hoeveelheid gebruikt binnen de grens van de desbetreffende raming voor de vervaardiging van andere verdovende middelen, van preparaten van Lijst III en van niet onder dit Verdrag vallende stoffen;
(c) de uitgevoerde hoeveelheid;
(d) de hoeveelheid toegevoegd aan de voorraad teneinde die voorraad op het in de desbetreffende raming aangegeven peil te brengen; en
(e) de hoeveelheid, binnen de grens van de desbetreffende raming voor bijzondere doeleinden verkregen.
2.
Van het totaal der in lid 1 aangegeven hoeveelheden wordt eventueel afgetrokken elke hoeveelheid die in beslag is genomen en voor legaal gebruik is vrijgegeven, alsmede elke hoeveelheid onttrokken aan bijzondere voorraden om aan de behoeften van de burgerbevolking te voldoen.
3.
Indien het Comité constateert, dat de in enig jaar vervaardigde en ingevoerde hoeveelheid het totaal van de in lid 1 aangeduide hoeveelheden overschrijdt, rekening houdende met de hoeveelheden die krachtens lid 2 van dit artikel moeten worden afgetrokken, wordt elk zodanig geconstateerd overschot dat aan het eind van het jaar nog over is, in het daarop volgende jaar afgetrokken van de te vervaardigen of in te voeren hoeveelheden en van het totaal van de ramingen omschreven in lid 2 van artikel 19.
4.
(a) Indien uit de statistieken betreffende in- of uitvoer (artikel 20) blijkt, dat de naar een bepaald land of gebied uitgevoerde hoeveelheid het totaal van de ramingen voor dat land of gebied als omschreven in lid 2 van artikel 19 overschrijdt, vermeerderd met de als uitgevoerd aangegeven hoeveelheden en na aftrekking van enig overschot als bedoeld in lid 3 van dit artikel, kan het Comité dit feit mededelen aan de Staten die naar zijn mening een dergelijke mededeling dienen te ontvangen.
(b) Na ontvangst van zulk een mededeling zullen Partijen in de loop van het desbetreffende jaar geen verdere uitvoer van het betreffende verdovende middel naar dat land of gebied toestaan, behalve:
(i) ingeval een aanvullende raming voor dat land of gebied is ingediend met betrekking tot zowel de te veel ingevoerde hoeveelheid als tot de aanvullende hoeveelheid die benodigd is, of
(ii) in uitzonderlijke gevallen waarin de uitvoer naar de mening van de regering van het uitvoerende land noodzakelijk is voor de behandeling van zieken.
1.
De produktie van opium door een land of gebied dient op dusdanige wijze te worden georganiseerd en gecontroleerd, dat voor zover mogelijk de in een jaar geproduceerde hoeveelheid niet de raming van de te produceren opium zoals vastgesteld ingevolge artikel 19, eerste lid, letter (f), overschrijdt.
2.
Indien het Comité op grond van overeenkomstig de bepalingen van dit Verdrag te zijner beschikking staande gegevens constateert dat een Partij die ingevolge artikel 19, eerste lid, letter (f), een raming heeft verstrekt, de binnen haar grenzen geproduceerde opium niet heeft beperkt tot wettige doeleinden overeenkomstig de desbetreffende ramingen en dat een aanzienlijke hoeveelheid van de al dan niet wettig binnen de grenzen van een zodanige Partij geproduceerde opium naar de sluikhandel is afgevloeid, kan het Comité, na bestudering van de verklaringen van de betrokken Partij, die aan het Comité dienen te worden gegeven binnen een maand na kennisgeving van de desbetreffende constatering, besluiten het geheel of een gedeelte van een zodanige hoeveelheid af te trekken van de te produceren hoeveelheid en van het totaal van de ramingen zoals omschreven in artikel 19, tweede lid, letter (b), voor het eerstvolgende jaar waarin een zodanige aftrek technisch kan worden verwezenlijkt, zulks met inachtneming van het jaargetijde en de contractuele verbintenissen tot uitvoer van opium. Dit besluit wordt van kracht negentig dagen nadat de betrokken Partij daarvan in kennis is gesteld.
3.
Het Comité pleegt, na kennisgeving aan de betrokken Partij van het besluit dat het ingevolge het tweede lid hierboven heeft genomen met betrekking tot een aftrek, met die Partij overleg ten einde de situatie bevredigend op te lossen.
4.
Indien de situatie niet bevredigend wordt opgelost, kan het Comité indien nodig het bepaalde in artikel 14 toepassen.
5.
Het Comité houdt, wanneer het ingevolge het tweede lid hierboven een besluit ten aanzien van een aftrek neemt, niet alleen rekening met alle van belang zijnde omstandigheden, met inbegrip van die waaruit het sluikhandelprobleem bedoeld in het tweede lid hierboven voortvloeit, maar ook met alle van belang zijnde nieuwe maatregelen van toezicht die de Partij heeft genomen.
1.
In alle gevallen waarin, gezien de in het land of het gebied van een Partij heersende omstandigheden, het verbod van de verbouw van de papaver, de cocaplant of de cannabisplant naar de mening van die Partij de meest geschikte maatregel is om de volksgezondheid en het openbaar welzijn te beschermen en om te verhinderen dat verdovende middelen een weg vinden naar de sluikhandel, verbiedt de betrokken Partij de verbouw.
2.
Een Partij die de verbouw van de papaver of de cannabisplant verbiedt, neemt passende maatregelen tot inbeslagneming en vernietiging van clandestien verbouwde planten, met uitzondering van kleine hoeveelheden die de Partij nodig heeft voor wetenschappelijke doeleinden of voor onderzoek.
1.
Een Partij die de verbouw van papaver voor de produktie van opium toelaat, richt, indien zij dit niet reeds heeft gedaan, een of meer regeringsbureaus (hierna in dit artikel te noemen Bureau) op en houdt deze in stand om de in dit artikel vereiste werkzaamheden uit te voeren.
2.
Elke zodanige Partij past de volgende bepalingen toe op de verbouw van de papaver voor de produktie van opium en op opium:
(a) het Bureau geeft de gebieden aan waarin, en de stukken land waarop, de verbouw van de papaver voor de produktie van opium is toegelaten;
(b) alleen verbouwers die een desbetreffende vergunning van het Bureau hebben ontvangen zijn gerechtigd de verbouw uit te oefenen;
(c) in elke vergunning wordt de oppervlakte van het land waarop de verbouw is toegelaten vermeld;
(d) alle verbouwers van papaver zijn verplicht hun gehele opiumoogst aan het Bureau af te leveren. Het Bureau dient deze oogst zo spoedig mogelijk aan te kopen en in daadwerkelijk bezit te nemen, doch niet later dan vier maanden na beëindiging van de oogstwerkzaamheden;
(e) met betrekking tot opium heeft het Bureau het alleenrecht van invoer, uitvoer, groothandel en het aanhouden van andere voorraden dan die welke beheerd worden door fabrikanten van opiumalkaloïden, medicinale opium of opiumpreparaten. Partijen behoeven dit alleenrecht niet uit te breiden tot medicinale opium en opiumpreparaten.
3.
De in lid 2 bedoelde overheidstaken worden uitgeoefend door een enkel regeringsbureau, indien de grondwet van de betrokken Partij dit toelaat.
1.
(a) Indien een Partij met de produktie van opium wenst te beginnen of de bestaande opiumproduktie wenst te vergroten, houdt zij rekening met de op dat ogenblik bestaande wereldbehoefte aan opium zoals die blijkt uit de door het Comité gepubliceerde ramingen, opdat de produktie van opium door die Partij geen overproduktie van opium in de wereld ten gevolge heeft.
(b) Een Partij laat de produktie van opium niet toe of vergroot de bestaande produktie daarvan niet, indien zij van mening is, dat deze produktie of vergrote produktie op haar gebied tot sluikhandel in opium kan leiden.
2.
(a) Indien, met inachtneming van lid 1, een Partij die op 1 januari 1961 geen opium voor de uitvoer produceerde door haar geproduceerde opium wenst uit te voeren in hoeveelheden die jaarlijks niet meer dan vijf ton bedragen, stelt zij het Comité hiervan in kennis en verstrekt hierbij gegevens betreffende:
(i) het krachtens dit Verdrag van kracht zijnde toezicht betreffende de te produceren en uit te voeren opium; en
(ii) de naam van het land of van de landen waarnaar zij opium denkt uit te voeren;
het Comité kan een dergelijke mededeling goedkeuren of de Partij aanbevelen geen opium voor uitvoer te produceren.
(b) Indien een andere Partij dan die bedoeld in lid 3, opium voor uitvoer wenst te produceren in hoeveelheden die meer bedragen dan vijf ton per jaar, stelt zij de Raad hiervan in kennis en verstrekt hierbij de terzake dienende gegevens, waaronder begrepen:
(i) de raming der hoeveelheden die voor uitvoer geproduceerd moeten worden;
(ii) het bestaande toezicht of het alsnog in te stellen toezicht betreffende de te produceren opium;
(iii) de naam van het land of van de landen waarnaar zij deze opium denkt uit te voeren;
de Raad kan een dergelijke mededeling goedkeuren of de Partij aanbevelen geen opium voor uitvoer te produceren.
3.
Ondanks het bepaalde in de alinea's (a ) en (b ) van lid 2 mag een Partij die gedurende tien jaar onmiddellijk voorafgaande aan 1 januari 1961 door haar geproduceerde opium uitvoerde, voortgaan met de uitvoer van door haar geproduceerde opium.
4.
(a) Een Partij voert geen opium van enigerlei land of gebied in, met uitzondering van opium die wordt geproduceerd op het grondgebied van:
(i) een in lid 3 bedoelde Partij;
(ii) een Partij die mededeling heeft gedaan aan het Comité zoals bepaald in alinea (a ) van lid 2; of
(iii) een Partij die de goedkeuring van de Raad heeft verkregen zoals bepaald in alinea (b) van lid 2.
(b) Ondanks het bepaalde in alinea (a) van dit lid, mag een Partij opium invoeren, die geproduceerd werd door een land dat opium produceerde en uitvoerde gedurende een periode van tien jaar voorafgaande aan 1 januari 1961, indien zulk een land een nationaal orgaan of bureau van toezicht als bedoeld in artikel 23 heeft opgericht en onderhoudt en over doeltreffende middelen beschikt om ervoor te zorgen, dat de door haar geproduceerde opium niet zijn weg in de sluikhandel vindt.
5.
De bepalingen van dit Verdrag beletten een Partij niet:
(a) opium in voldoende hoeveelheden te produceren voor haar eigen behoeften, of
(b) in de sluikhandel in beslag genomen opium naar een andere Partij uit te voeren in overeenstemming met de bepalingen van dit Verdrag.
1.
Een Partij die de verbouw van de papaver toelaat voor andere doeleinden dan de produktie van opium, neemt alle maatregelen die nodig zijn om te verzekeren,
(a) dat uit die papaver geen opium wordt bereid;
(b) dat op de vervaardiging van verdovende middelen uit bolkaf in voldoende mate toezicht wordt uitgeoefend.
2.
Partijen passen op bolkaf het stelsel van invoercertificaten en uitvoervergunningen toe als bepaald in artikel 31, leden 4 t/m 15.
3.
Partijen verstrekken statistieken over de in- en uitvoer van bolkaf zoals dit voor verdovende middelen krachtens artikel 20, leden 1(d ) en 2(b ), is vereist.
1.
Indien een Partij de verbouw van de cocaplant toelaat past zij, zowel op de cocaplant als op de cocabladeren, de bepalingen van toezicht van artikel 23 met betrekking tot het toezicht op de papaver toe, maar, wat lid 2(d) van dat artikel betreft, gaan de daarin aan het Bureau opgelegde verplichtingen niet verder dan het daadwerkelijk in bezit nemen van de oogst zodra dit na het binnenhalen daarvan mogelijk is.
2.
Partijen dienen in het wild groeiende cocaplanten zoveel mogelijk te doen ontwortelen. Zij vernietigen illegaal verbouwde cocaplanten.
1.
Partijen kunnen het gebruik van cocabladeren voor de bereiding van een aromaticum dat geen alkaloïden bevat, toelaten en kunnen, voor zover dit gebruik dit eist, de produktie, de in- en uitvoer van, de handel in en het bezit van deze bladeren toestaan.
2.
Partijen dienen afzonderlijk ramingen (artikel 19) en statistieken (artikel 20) in met betrekking tot cocabladeren voor de bereiding van zulk een aromaticum, behalve voor zover dezelfde cocabladeren worden gebruikt voor de extractie van zowel alkaloïden als aromatica, en derhalve in de ramingen en statistieken worden verantwoord.
1.
Indien een Partij de verbouw van de cannabisplant toelaat voor de produktie van cannabis of cannabishars, past zij daarop toe de bepalingen van toezicht van artikel 23 met betrekking tot het toezicht op de papaver.
2.
Dit Verdrag is niet van toepassing op de verbouw van de cannabisplant uitsluitend voor industriële doeleinden (vezel en zaad) of voor tuinbouw-doeleinden.
3.
Partijen nemen de maatregelen die noodzakelijk zijn om het misbruik van en de sluikhandel in de bladeren van de cannabisplant te verhinderen.
1.
Partijen stellen de vervaardiging van verdovende middelen afhankelijk van een verlof, tenzij die vervaardiging plaatsvindt door een staatsonderneming of staatsondernemingen.
2.
Partijen dienen:
(a) toezicht te houden op alle personen en ondernemingen die zich bezighouden met en deelnemen aan de vervaardiging van verdovende middelen;
(b) de inrichtingen en gebouwen waarin deze vervaardiging kan plaatsvinden aan een vergunningenstelsel te onderwerpen; en
(c) ervoor te zorgen, dat de fabrikanten die verlof hebben verdovende middelen te vervaardigen, zich in het bezit stellen van periodieke vergunningen waarin de soorten en de hoeveelheden verdovende middelen die zij rechtens mogen vervaardigen nauwkeurig zijn omschreven. Een periodieke vergunning is echter niet vereist voor preparaten.
3.
Partijen verhinderen, dat zich bij de fabrikanten van verdovende middelen hoeveelheden verdovende middelen en bolkaf ophopen die de voorraden die voor het normale functioneren van het bedrijf noodzakelijk zijn, overschrijden; een en ander met inachtneming van de bestaande afzetmogelijkheden.
1.
(a) Partijen stellen de handel in en de afgifte van verdovende middelen afhankelijk van een verlof, tenzij die handel of afgifte plaatsvindt door een staatsonderneming of staatsondernemingen.
(b) Partijen dienen:
(i) toezicht te houden op alle personen en ondernemingen die zich bezighouden met of deelnemen aan de handel in of de afgifte van verdovende middelen;
(ii) de inrichtingen en gebouwen waarin deze handel of afgifte plaatsvindt aan een vergunningenstelsel te onderwerpen. Dit vergunningenstelsel behoeft echter niet te gelden voor preparaten.
(c) De bepalingen van de alinea's (a ) en (b ) die betrekking hebben op het vergunningenstelsel, behoeven niet te gelden voor personen die gerechtigd zijn therapeutische of wetenschappelijke functies uit te oefenen en deze functies daadwerkelijk uitoefenen.
2.
Partijen dienen eveneens:
(a) te verhinderen, dat zich bij de handelaren, de personen die zich met de afgifte bezighouden, de staatsondernemingen of de hierboven bedoelde gerechtigde personen hoeveelheden verdovende middelen en bolkaf ophopen die de voorraden die voor het normale functioneren van het bedrijf noodzakelijk zijn, overschrijden; een en ander met inachtneming van de bestaande afzetmogelijkheden en
(b)
(i) te eisen, dat verdovende middelen slechts op geneeskundig voorschrift worden verstrekt of afgeleverd aan particuliere personen. Dit behoeft niet te gelden voor verdovende middelen die particuliere personen rechtmatig kunnen verkrijgen, gebruiken, afleveren of toedienen in verband met de geneeskundige handelingen waartoe zij gerechtigd zijn; en
(ii) indien Partijen zulke maatregelen nodig of gewenst achten, te eisen, dat voor geneeskundige voorschriften voor verdovende middelen van Lijst I officiële formulieren worden gebruikt, die door de bevoegde regeringsinstanties of door daartoe gerechtigde beroepsverenigingen in de vorm van boekjes met souches worden afgegeven.
3.
Het is wenselijk, dat Partijen eisen, dat in geschreven of gedrukte offertes van verdovende middelen, advertenties van welke aard ook, of brochures die betrekking hebben op verdovende middelen en voor handelsdoeleinden worden gebruikt, op de binnenverpakking van pakjes verdovende middelen, alsmede op de etiketten waaronder de verdovende middelen te koop worden aangeboden, de door de Wereldgezondheidsorganisatie medegedeelde niet-beschermde internationale benaming staat aangegeven.
4.
Indien een Partij dit noodzakelijk of wenselijk acht, eist zij, dat de binnenverpakking van het verdovende middel van een duidelijk zichtbare dubbele rode band is voorzien. De buiten verpakking van zulk een verdovend middel mag niet van een dubbele rode band zijn voorzien.
5.
Partijen eisen, dat het etiket waaronder een geneesmiddel te koop wordt aangeboden, het verdovende bestanddeel of de verdovende bestanddelen die dit bevat met name aanduidt evenals het gewicht en het percentage. Deze eis is niet van toepassing op een aan een particulier persoon op geneeskundig voorschrift afgeleverd verdovend middel.
6.
De bepalingen van de leden 2 en 5 zijn niet noodzakelijkerwijze van toepassing op de kleinhandel in of de afgifte in het klein van de verdovende middelen van Lijst II.
1.
Partijen laten met hun medeweten de uitvoer van verdovende middelen naar enigerlei land of gebied niet toe dan:
(a) overeenkomstig de wetten en regelingen van dat land of gebied; en
(b) binnen de grenzen van het totaal der ramingen voor dat land of gebied zoals omschreven in lid 2 van artikel 19, vermeerderd met de hoeveelheden die voor wederuitvoer bestemd zijn.
2.
Partijen oefenen in vrijhavens en vrije douanezones hetzelfde toezicht en dezelfde controle uit als in andere delen van hun gebieden; met dien verstande echter, dat zij ingrijpender maatregelen mogen nemen.
3.
Partijen dienen:
(a) de in- en uitvoer van verdovende middelen, behalve waar deze door een staatsonderneming of staatsondernemingen plaatsvindt, aan een vergunningenstelsel te onderwerpen;
(b) toezicht uit te oefenen op alle personen en ondernemingen die zich met deze in- of uitvoer bezighouden of er aan deelnemen.
4.
(a) Iedere Partij die de in- of uitvoer van verdovende middelen toelaat eist, dat voor elke in- of uitvoer, onafhankelijk of deze betrekking heeft op een of meer verdovende middelen, een afzonderlijke in- of uitvoervergunning wordt verkregen.
(b) Deze vergunning geeft aan de naam van het verdovende middel, de eventuele niet-beschermde internationale benaming, de in- of uit te voeren hoeveelheid, de naam en het adres van de importeur en van de exporteur, alsmede een nauwkeurige aanduiding van de termijn waarbinnen de in- of uitvoer dient plaats te vinden.
(c) De uitvoervergunning geeft eveneens aan het nummer en de dagtekening van het invoercertificaat (lid 5), alsmede de instantie die het heeft afgegeven.
(d) De invoervergunning kan invoer in meer dan een zending toestaan.
5.
Alvorens een uitvoervergunning af te geven eisen Partijen het overleggen van een invoercertificaat, afgegeven door de bevoegde instanties van het invoerende land of gebied, waarin wordt verklaard, dat de invoer van het daarin bedoelde verdovende middel of de daarin bedoelde verdovende middelen is goedgekeurd; dit certificaat moet worden overgelegd door de persoon of instelling die de uitvoervergunning aanvraagt. Partijen houden zich zoveel mogelijk aan de door de Commissie goedgekeurde vorm der invoer certificaten.
6.
Een afschrift van de uitvoervergunning begeleidt de zending en de regering die de uitvoervergunning afgeeft, zendt hiervan een afschrift aan de regering van het invoerende land of gebied.
7.
(a) Wanneer de invoer heeft plaatsgevonden of wanneer de voor de invoer vastgestelde termijn is verstreken, zendt de regering van het invoerende land of gebied de uitvoervergunning met een desbetreffende aantekening aan de regering van het uitvoerende land of gebied terug.
(b) De voornoemde aantekening geeft de daadwerkelijk ingevoerde hoeveelheid nauwkeurig aan.
(c) Indien de in werkelijkheid uitgevoerde hoeveelheid kleiner is dan die welke is aangegeven in de uitvoervergunning, vermelden de bevoegde instanties de daadwerkelijk uitgevoerde hoeveelheid op de uitvoervergunning, alsmede op elk officieel afschrift daarvan.
8.
Uitvoer van zendingen gericht aan een postbusadres of aan een bank ter rekening van een andere persoon dan die genoemd in de uitvoervergunning is verboden.
9.
Uitvoer van zendingen naar een entrepot is verboden tenzij de regering van het invoerende land op het invoercertificaat dat wordt overgelegd door de persoon of instelling die om de uitvoervergunning heeft verzocht, verklaart, dat zij de invoer van de goederen in entrepot heeft goedgekeurd. In zodanig geval dient in de uitvoervergunning duidelijk te zijn aangegeven, dat de zending voor dit doel wordt uitgevoerd. Voor de uitslag van de goederen uit het entrepot is de toestemming nodig van de autoriteiten waaronder het entrepot ressorteert en, indien de goederen voor het buitenland bestemd zijn, dienen zij te worden behandeld alsof het een nieuwe uitvoer betrof in de zin van dit Verdrag.
10.
Zendingen van verdovende middelen die het gebied van een Partij binnenkomen of dit verlaten zonder begeleidende uitvoervergunning, worden door de bevoegde autoriteiten vastgehouden.
11.
Een Partij laat niet toe, dat aan een ander land gezonden verdovende middelen door haar gebied worden vervoerd, om het even of de zending uit het desbetreffende vervoermiddel wordt verwijderd of niet, tenzij een afschrift van de uitvoervergunning voor een dergelijke zending aan de bevoegde autoriteiten van die Partij wordt overgelegd.
12.
De bevoegde autoriteiten van een land of gebied waardoor een zending verdovende middelen mag worden vervoerd nemen alle noodzakelijke maatregelen om afwijking van de bestemming van deze zending van die welke is aangegeven op het afschrift van de uitvoervergunning dat de zending begeleidt, te beletten, tenzij de regering van dat land of gebied waardoor de zending wordt vervoerd hiertoe machtiging heeft gegeven. De regering van het land of het gebied waardoor doorvoer plaatsvindt behandelt elk verzoek tot wijziging van bestemming alsof deze gewijzigde bestemming een uitvoer betrof van het land of gebied van doorvoer naar het land of gebied van de nieuwe bestemming. Indien voor de wijziging van bestemming machtiging is verleend, zijn de bepalingen van lid 7 (a ) en (b ) eveneens van toepassing tussen het land of gebied waardoor doorvoer plaatsvindt en het land of gebied dat de zending oorspronkelijk heeft uitgevoerd.
13.
Geen zending van verdovende middelen mag, gedurende de doorvoer of de opslag in douane-entrepôt worden onderworpen aan enigerlei bewerking die verandering zou kunnen brengen in de aard van de desbetreffende verdovende middelen. De verpakking mag niet worden gewijzigd zonder vergunning van de bevoegde autoriteiten.
14.
De bepalingen van de leden 11 t/m 13 met betrekking tot het vervoer van verdovende middelen door het gebied van een Partij zijn niet van toepassing indien de desbetreffende zending wordt vervoerd door een luchtvaartuig dat niet landt in het land of het gebied van doorvoer. Indien het luchtvaartuig in dit land of op dit gebied landt, worden deze bepalingen, voorzover de omstandigheden dit noodzakelijk maken, toegepast.
15.
De bepalingen van dit Verdrag laten onaangetast de bepalingen van internationale overeenkomsten die het toezicht beperken dat door enige Partij op verdovende middelen in doorvoer wordt uitgeoefend.
16.
De bepalingen van dit artikel, met uitzondering van de leden 1(a ) en 2, behoeven niet van toepassing te zijn op de preparaten van Lijst III.
1.
Het internationale vervoer door schepen of luchtvaartuigen van beperkte hoeveelheden verdovende middelen die gedurende de reis voor eerste hulp of noodgevallen nodig zijn, wordt niet beschouwd als in-, uit- of doorvoer in de zin van dit Verdrag.
2.
Het land waar de schepen of luchtvaartuigen zijn geregistreerd neemt passende maatregelen om te verhinderen, dat de in lid 1 bedoelde verdovende middelen op ongeoorloofde wijze worden gebruikt of hun weg vinden in de sluikhandel. In overleg met de bevoegde internationale organisaties beveelt de Commissie deze maatregelen aan.
3.
De verdovende middelen, door schepen of luchtvaartuigen overeenkomstig lid 1 vervoerd, zijn onderworpen aan de wetten, regelingen, machtigingen en vergunningen van het land waar zij zijn geregistreerd, en wel zonder aantasting van het eventuele recht van de bevoegde plaatselijke autoriteiten om controles, inspecties en andere maatregelen van toezicht aan boord van de schepen of luchtvaartuigen uit te voeren. De toediening van dergelijke verdovende middelen in geval van nood wordt niet beschouwd als schending van de bepalingen van artikel 30, lid 2(b ).
Artikel 33. Het bezit van verdovende middelen
Partijen laten het bezit van verdovende middelen niet toe zonder wettige toestemming.
(a) dat alle personen die krachtens de bepalingen van dit Verdrag vergunning hebben verkregen of die leidinggevende of toezichthoudende functies bekleden in een overeenkomstig de bepalingen van dit Verdrag opgerichte staatsonderneming voldoende bekwaamheden bezitten voor de doelmatige en stipte uitvoering van de krachtens dit Verdrag tot stand gekomen wetten en regelingen; en
(b) dat regeringsinstanties, fabrikanten, handelaren, wetenschapsmensen, wetenschappelijke instellingen en ziekenhuizen registers bijhouden, waarin de hoeveelheden van elk vervaardigd verdovend middel, elke afzonderlijke aanschaffing van verdovende middelen, alsmede elke afzonderlijke bestemming gegeven aan verdovende middelen, worden ingeschreven. De registers worden gedurende een tijdvak van ten minste twee jaar bewaard. Waar boekjes met souches (artikel 30, lid 2(b )) voor officiële geneeskundige voorschriften worden gebruikt, worden deze boekjes en souches eveneens gedurende een tijdvak van ten minste twee jaar bewaard.
Artikel 35. Strijd tegen de sluikhandel
Met inachtneming van hun grondwettelijk stelsel, rechtsstelsel en administratief stelsel, dienen Partijen:
(a) regelingen te treffen op nationaal niveau voor de coördinatie van preventieve en repressieve maatregelen tegen de sluikhandel; te dien einde kunnen zij een daarvoor in aanmerking komende instantie aanwijzen, die zich met deze coördinatie zal belasten;
(b) elkaar bij te staan bij de bestrijding van de sluikhandel in verdovende middelen;
(c) nauw met elkaar en met de bevoegde internationale organisaties waarvan zij lid zijn, samen te werken ten einde een gecoördineerde strijd tegen de sluikhandel te voeren;
(d) ervoor zorg te dragen, dat de samenwerking tussen de desbetreffende instanties op vlotte wijze verloopt;
(e) ervoor te zorgen, dat indien rechtsbescheiden naar het buitenland worden gezonden ten behoeve van een strafvervolging, dit op vlotte wijze geschiedt aan de door de Partijen daartoe aangewezen instanties. Deze bepaling tast het recht van een Partij niet aan te eisen, dat de rechtsbescheiden haar langs diplomatieke weg worden toegezonden;
(f) wanneer zij zulks passend achten, het Comité en via de Secretaris-Generaal de Commissie, behalve de in artikel 18 vereiste gegevens, tevens gegevens te verstrekken inzake clandestiene activiteiten met betrekking tot verdovende middelen binnen hun grenzen, met inbegrip van gegevens inzake clandestiene verbouw, produktie, vervaardiging en gebruik van, en sluikhandel in verdovende middelen; en
(g) de in de voorgaande letter bedoelde gegevens voor zover mogelijk te verstrekken op de wijze en op de tijdstippen die het Comité verzoekt; op verzoek van een Partij, kan het Comité adviseren bij het verstrekken van de gegevens en bij het streven naar beperking van de clandestiene activiteiten met betrekking tot verdovende middelen binnen de grenzen van die Partij.
1.
(a) Met inachtneming van de beperkingen door haar grondwet opgelegd, neemt elke Partij maatregelen ten einde ervoor te zorgen, dat de verbouw, produktie, vervaardiging, extractie, bereiding, het bezit, aanbod, aanbod ten verkoop, de distributie, aankoop, verkoop, levering op welke voorwaarde ook, makelaardij, verzending, verzending in doorvoer, het vervoer en de in- en uitvoer van verdovende middelen in strijd met de bepalingen van dit Verdrag, alsmede elke andere handeling die naar de mening van die Partij in strijd is met de bepalingen van dit Verdrag, als strafbare feiten worden beschouwd indien zij opzettelijk worden begaan en dat het begaan van ernstige strafbare feiten op passende wijze wordt gestraft, in het bijzonder met gevangenisstraf of andere vrijheidsstraffen.
(b) Niettegenstaande het bepaalde in de voorgaande letter kunnen Partijen bepalen dat wanneer personen, die misbruik maken van verdovende middelen, deze strafbare feiten hebben begaan, zij in plaats van te worden veroordeeld of bestraft dan wel naast hun veroordeling of bestraffing moeten worden onderworpen aan maatregelen voor behandeling, opvoeding, nazorg, wederaanpassing aan en wederopneming in de maatschappij overeenkomstig artikel 38, eerste lid.
2.
Met inachtneming van de beperkingen, een Partij door haar grondwet, haar rechtsstelsel en nationale wetgeving opgelegd, worden:
(a)
(i) de in het eerste lid opgesomde strafbare feiten, indien deze in verschillende landen zijn begaan, als afzonderlijke strafbare feiten beschouwd;
(ii) opzettelijke deelneming aan, samenspanning tot het plegen van en pogingen tot het plegen van elk dezer strafbare feiten, alsmede opzettelijk gepleegde voorbereidende handelingen en financiële verrichtingen in verband met de in dit artikel bedoelde feiten, als strafbare feiten krachtens het eerste lid beschouwd;
(iii) buitenlandse veroordelingen ter zake van zulke strafbare feiten mede in aanmerking genomen bij de beoordeling van de vraag of sprake is van recidive; en
(iv) ernstige door eigen onderdanen of door vreemdelingen begane strafbare feiten als hierboven bedoeld, vervolgd door de Partij op wier gebied het strafbare feit werd begaan of door de Partij op wier gebied de dader wordt aangetroffen, indien uitlevering niet toelaatbaar is overeenkomstig de wet van de Partij waaraan een desbetreffend verzoek is gericht en indien zulk een dader niet reeds is vervolgd en onherroepelijk is berecht.
(b)
(i) Elk van de strafbare feiten opgesomd in het eerste lid en het tweede lid, letter (a), onder (ii), van dit artikel wordt geacht in elk tussen Partijen bestaand uitleveringsverdrag te zijn begrepen als een uitleveringsdelict. Partijen verplichten zich ertoe dergelijke strafbare feiten op te nemen als uitleveringsdelicten in ieder uitleveringsverdrag dat tussen hen wordt gesloten.
(ii) Indien een Partij welke uitlevering afhankelijk stelt van het bestaan van een verdrag, een verzoek om uitlevering ontvangt van een andere Partij waarmee zij geen uitleveringsverdrag heeft gesloten, kan zij, indien zij dat verkiest, dit Verdrag beschouwen als de wettelijke basis voor uitlevering wegens de strafbare feiten opgesomd in het eerste lid en het tweede lid, letter (a), onder (ii) van dit artikel. De uitlevering is onderworpen aan de overige voorwaarden waarin het recht van de aangezochte Partij voorziet.
(iii) Partijen welke uitlevering niet afhankelijk stellen van het bestaan van een verdrag, erkennen de strafbare feiten opgesomd in het eerste lid en het tweede lid, letter (a), onder (ii) van dit artikel, onderling als uitleveringsdelicten, onderworpen aan de voorwaarden waarin het recht van de aangezochte Partij voorziet.
(iv) Uitlevering wordt toegestaan overeenkomstig de wetgeving van de aangezochte Partij en niettegenstaande het bepaalde in letter (b), onder (i), (ii) en (iii) van dit lid heeft de Partij het recht uitlevering te weigeren in gevallen waarin de bevoegde autoriteiten van oordeel zijn dat het strafbare feit niet voldoende ernstig is.
3.
De bepalingen van dit artikel laten de bepalingen van het strafrecht van de betrokken Partij met betrekking tot kwesties van rechtsbevoegdheid onverlet.
4.
Geen enkele bepaling van dit artikel tast het beginsel aan, dat de strafbare feiten waarop het betrekking heeft worden omschreven, vervolgd en gestraft overeenkomstig de nationale wetgeving van een Partij.
Artikel 37. Inbeslagneming en verbeurdverklaring
Alle verdovende middelen, stoffen en benodigdheden die worden gebruikt of zijn bestemd om te worden gebruikt voor het plegen van de in artikel 36 bedoelde strafbare feiten, kunnen in beslag worden genomen en verbeurd verklaard.
1.
De Partijen besteden bijzondere aandacht aan en nemen alle doenlijke maatregelen voor het voorkomen van het misbruik van verdovende middelen en voor de tijdige onderkenning, behandeling, opvoeding, nazorg, wederaanpassing aan en wederopneming in de maatschappij van de betrokkenen en coördineren daartoe hun inspanningen.
2.
De Partijen bevorderen zo veel mogelijk de opleiding van personeel ten behoeve van de behandeling, de nazorg, de wederaanpassing aan en de wederopneming in de maatschappij van degenen die misbruik maken van verdovende middelen.
3.
De Partijen nemen alle doenlijke maatregelen om degenen wier werk zulks vereist, te helpen inzicht te verwerven in de vraagstukken van het misbruik van verdovende middelen en van het voorkomen daarvan en bevorderen dit inzicht eveneens bij het publiek indien er gevaar bestaat dat het misbruik van verdovende middelen zich sterk zal uitbreiden.
Artikel 38 bis. Overeenkomsten inzake regionale centra
Indien een Partij, met inachtneming van haar grondwettelijke stelsel, rechtsstelsel en administratief stelsel, zulks wenselijk acht als onderdeel van haar optreden tegen de sluikhandel in verdovende middelen, en, desgewenst met het technisch advies van het Comité of van de gespecialiseerde organisaties, bevordert zij de totstandkoming, in overleg met andere belanghebbende Partijen in de regio, van overeenkomsten waarbij de ontwikkeling wordt overwogen van regionale centra voor wetenschappelijk onderzoek en onderwijs, ter bestrijding van de problemen die voortvloeien uit het clandestien gebruik van en de sluikhandel in verdovende middelen.
Artikel 39. De toepassing van strengere nationale maatregelen van toezicht dan die welke krachtens dit Verdrag vereist zijn
De bepalingen van dit Verdrag verhinderen niet, dat een Partij eventueel maatregelen van toezicht neemt die strenger zijn dan die voorzien in dit Verdrag en, in het bijzonder, eist, dat de preparaten van Lijst III of de verdovende middelen van Lijst II worden onderworpen aan alle of aan die maatregelen van toezicht die van toepassing zijn op verdovende middelen van Lijst I, indien dit naar haar oordeel noodzakelijk of wenselijk is ter bescherming van de volksgezondheid of het algemeen welzijn.
1.
Dit Verdrag, waarvan de Chinese, de Engelse, de Franse, de Russische en de Spaanse tekst gelijkelijk authentiek zijn, staat tot 1 augustus 1961 voor ondertekening open voor alle leden van de Verenigde Naties, elke Staat die geen lid is van de Verenigde Naties maar die Partij is bij het Statuut van het Internationale Gerechtshof of lid is van een gespecialiseerde organisatie van de Verenigde Naties, alsmede voor elke andere Staat die door de Raad wordt uitgenodigd Partij te worden.
2.
Dit Verdrag dient te worden bekrachtigd. De akten van bekrachtiging worden bij de Secretaris-Generaal nedergelegd.
3.
Dit Verdrag staat na 1 augustus 1961 open voor toetreding door de in lid 1 bedoelde Staten. De akten van toetreding worden bij de Secretaris-Generaal nedergelegd.
1.
Dit Verdrag treedt in werking op de dertigste dag na de datum waarop de veertigste akte van bekrachtiging of toetreding overeenkomstig artikel 40 wordt nedergelegd.
2.
Ten aanzien van elke andere Staat die een akte van bekrachtiging of toetreding nederlegt na de datum van nederlegging van bovengenoemde veertigste akte, treedt dit Verdrag in werking op de dertigste dag na de nederlegging door die Staat van zijn akte van bekrachtiging of toetreding.
Artikel 42. Territoriale toepassing
Dit Verdrag is van toepassing op alle buiten het moederland gelegen gebieden voor welker buitenlandse betrekkingen een Partij verantwoordelijk is, tenzij de voorafgaande toestemming van zulk een gebied door de grondwet van de Partij of het betrokken gebied of krachtens gewoonterecht vereist is. In zulk een geval dient de Partij het noodzakelijke te doen, opdat de vereiste toestemming van het gebied binnen de kortst mogelijke tijd wordt verkregen; wanneer deze toestemming is verkregen, stelt de Partij de Secretaris-Generaal hiervan in kennis. Dit Verdrag is van toepassing op het gebied of de gebieden vermeld in deze kennisgeving van de datum van haar ontvangst door de Secretaris-Generaal af. In die gevallen waarin de voorafgaande toestemming van het buiten het moederland gelegen gebied niet is vereist, verklaart de betrokken Partij ten tijde van de ondertekening, bekrachtiging of toetreding op welk buiten het moederland gelegen gebied of op welke buiten het moederland gelegen gebieden dit Verdrag van toepassing is.
1.
Elke Partij kan de Secretaris-Generaal ervan in kennis stellen, dat, wat betreft de artikelen 19, 20, 21 en 31, een van haar gebieden in twee of meer gebieden is verdeeld of dat twee of meer van haar gebieden tot een enkel gebied zijn samengevoegd.
2.
Twee of meer Partijen kunnen de Secretaris-Generaal ervan in kennis stellen, dat, als gevolg van een tussen hen opgerichte douaneünie, deze Partijen, wat betreft de artikelen 19, 20, 21 en 31, een enkel gebied vormen.
3.
Elke kennisgeving krachtens het hierboven genoemde lid 1 of 2 wordt van kracht op 1 januari van het jaar volgend op het jaar waarin de kennisgeving werd gedaan.
1.
De bepalingen van dit Verdrag beëindigen en vervangen, bij de inwerkingtreding daarvan tussen de Partijen daarbij, de bepalingen van de volgende verdragen:
(a) het Internationaal Opiumverdrag, ondertekend te 's-Gravenhage op 23 januari 1912;
(b) de Overeenkomst nopens de vervaardiging van, de binnenlandse handel in en het gebruik van bereid opium, ondertekend te Genève op 11 februari 1925;
(c) het Internationaal Opiumverdrag, ondertekend te Genève op 19 februari 1925;
(d) het Verdrag tot beperking van de vervaardiging en tot regeling van de distributie van verdovende middelen, ondertekend te Genève op 13 juli 1931;
(e) de Overeenkomst nopens het toezicht op het opiumschuiven in het Verre-Oosten, ondertekend te Bangkok op 27 november 1931;
(f) het op 11 december 1946 te Lake Success ondertekende Protocol tot wijziging van de Overeenkomsten, Verdragen en Protocollen inzake verdovende middelen, gesloten te 's-Gravenhage op 23 januari 1912, te Genève op 11 februari 1925, 19 februari 1925 en 13 juli 1931, te Bangkok op 27 november 1931 en te Genève op 26 juni 1936, behalve voor zover dit op laatstgenoemd Verdrag betrekking heeft;
(g) de in de alinea's (a) tot en met (e) bedoelde Verdragen en Overeenkomsten zoals deze zijn gewijzigd bij het in alinea (f) genoemde Protocol van 1946;
(h) het op 19 november 1948 te Parijs ondertekende Protocol tot het onder internationaal toezicht brengen van verdovende middelen welke buiten de werking vallen van het Verdrag van 13 juli 1931 tot beperking van de vervaardiging en tot regeling van de distributie van verdovende middelen, zoals gewijzigd bij het op 11 december 1946 te Lake Success ondertekende Protocol;
(i) het Protocol tot beperking en regeling van de verbouw van de papaver, alsmede van de produktie van, de internationale handel en groothandel in, en het gebruik van opium, ondertekend te New York op 23 juni 1953, indien dit Protocol in werking mocht zijn getreden.
2.
Bij de inwerkingtreding van dit Verdrag wordt artikel 9 van het Verdrag tot onderdrukking van de sluikhandel in verdovende middelen, ondertekend te Genève op 26 juni 1936, tussen Partijen daarbij die eveneens Partij bij dit Verdrag zijn, beëindigd en vervangen door lid 2(b) van artikel 36 van dit Verdrag, met dien verstande dat zulk een Partij door middel van een kennisgeving aan de Secretaris-Generaal kan bepalen, dat bovenbedoeld artikel 9 van kracht blijft.
1.
De werkzaamheden van het in artikel 9 voorziene Comité worden van de datum van inwerkingtreding van dit Verdrag af (artikel 41, lid 1) voorlopig uitgevoerd door het Permanente Centrale Comité, ingesteld krachtens Hoofdstuk VI van het in artikel 44 (c) bedoelde Verdrag zoals gewijzigd, en door het Orgaan van Toezicht, ingesteld krachtens Hoofdstuk II van het in artikel 44(d ) bedoelde Verdrag zoals gewijzigd, al naar gelang de aard der werkzaamheden.
2.
De Raad stelt de datum vast waarop het nieuwe in artikel 9 bedoelde Comité zijn werkzaamheden zal aanvangen. Met ingang van die datum belast dat Comité zich, wat betreft de Staten die Partij zijn bij de in artikel 44 opgesomde verdragen maar geen partij bij dit Verdrag, met de werkzaamheden van het in lid 1 bedoelde Permanente Centrale Comité en Orgaan van Toezicht.
1.
Na het verstrijken van twee jaar na de datum van inwerkingtreding van dit Verdrag (artikel 41, lid 1) kan elke Partij dit Verdrag ten aanzien van zichzelf of ten aanzien van een gebied waarvoor zij internationale verantwoordelijkheid heeft en dat zijn overeenkomstig artikel 42 gegeven toestemming heeft ingetrokken, opzeggen door middel van nederlegging van een schriftelijke akte bij de Secretaris-Generaal.
2.
De opzegging wordt, indien zij door de Secretaris-Generaal op of voor 1 juli van enig jaar wordt ontvangen, van kracht op 1 januari van het navolgende jaar; indien zij na 1 juli wordt ontvangen wordt zij van kracht als ware zij ontvangen op of voor 1 juli van het navolgende jaar.
3.
Dit Verdrag wordt beëindigd indien, als gevolg van overeenkomstig lid 1 gedane opzeggingen, de voorwaarden voor de inwerkingtreding ervan als vervat in artikel 41, lid 1, hebben opgehouden te bestaan.
1.
Elke Partij kan een voorstel doen tot wijziging van dit Verdrag. De tekst van een dergelijke wijziging, alsmede de redenen voor de wijziging, worden aan de Secretaris-Generaal medegedeeld, die deze aan Partijen en aan de Raad doet toekomen. De Raad kan besluiten:
(a) dat een conferentie wordt bijeengeroepen overeenkomstig artikel 62, lid 4, van het Handvest der Verenigde Naties om de voorgestelde wijziging te bestuderen; of
(b) dat Partijen wordt gevraagd of zij de voorgestelde wijziging aanvaarden, terwijl hun tevens wordt gevraagd aan de Raad hun opmerkingen over het voorstel over te leggen.
2.
Indien een voorgestelde wijziging die krachtens lid 1(b ) van dit artikel is rondgestuurd door geen Partij binnen achttien maanden nadat zij is rondgestuurd, is verworpen, treedt zij onmiddellijk daarna in werking. Indien echter een voorgestelde wijziging door een Partij wordt verworpen, kan de Raad naar aanleiding van de van Partijen ontvangen opmerkingen besluiten of er een conferentie dient te worden bijeengeroepen om zulk een wijziging te bestuderen.
1.
Indien tussen twee of meer Partijen een geschil mocht ontstaan met betrekking tot de uitlegging of toepassing van dit Verdrag, plegen de betrokken Partijen met elkaar overleg teneinde het geschil te beslechten door middel van onderhandelingen, onderzoek, bemiddeling, verzoening, scheidsrechterlijke uitspraak, beroep op regionale lichamen, rechterlijke uitspraak of andere door hen te kiezen vreedzame middelen.
2.
Elk geschil dat niet op de hierboven omschreven wijze kan worden beslecht, wordt onderworpen aan de uitspraak van het Internationale Gerechtshof.
1.
Een Partij kan zich ten tijde van de ondertekening, bekrachtiging of toetreding het recht voorbehouden tijdelijk op elk van haar gebieden het volgende toe te laten:
(a) het gebruik van opium voor quasi-geneeskundige doeleinden;
(b) opiumschuiven;
(c) het kauwen van cocabladeren;
(d) het gebruik van cannabis, cannabishars, extracten en tincturen van cannabis voor niet-geneeskundige doeleinden; en
(e) produktie en vervaardiging van en de handel in de onder (a) t/m (d) bedoelde verdovende middelen voor de daarin vermelde doeleinden.
2.
De voorbehouden krachtens lid 1 zijn onderworpen aan de volgende beperkingen:
(a) de in lid 1 vermelde handelingen zijn slechts toegestaan voor zover zij in de gebieden ten aanzien waarvan het voorbehoud is gemaakt van oudsher gebruikelijk en op 1 januari 1961 geoorloofd waren;
(b) uitvoer van de in lid 1 bedoelde verdovende middelen voor de daarin vermelde doeleinden is niet toegelaten voor een Staat die geen Partij is bij dit Verdrag of aan een gebied waarop dit Verdrag niet van toepassing is krachtens artikel 42;
(c) slechts die personen mogen opium schuiven die als zodanig door de bevoegde autoriteiten op 1 januari 1964 waren geregistreerd;
(d) het gebruik van opium voor quasi-geneeskundige doeleinden moet zijn afgeschaft binnen vijftien jaar na de inwerkingtreding van dit Verdrag als voorzien in lid 1 van artikel 41;
(e) het kauwen van cocabladeren moet zijn afgeschaft binnen vijfentwintig jaar na de inwerkingtreding van dit Verdrag als voorzien in lid 1 van artikel 41;
(f) het gebruik van cannabis voor andere dan geneeskundige en wetenschappelijke doeleinden moet zo spoedig mogelijk worden beeindigd maar in elk geval binnen vijfentwintig jaar na de inwerkingtreding van dit Verdrag als voorzien in lid 1 van artikel 41;
(g) de produktie en de vervaardiging van en de handel in de in lid 1 bedoelde verdovende middelen voor elk der daarin genoemde handelingen moeten worden verminderd en tenslotte afgeschaft gelijktijdig met de vermindering en afschaffing van die handelingen.
3.
Een Partij die een voorbehoud maakt krachtens lid 1 dient:
(a) in het jaarverslag aan de Secretaris-Generaal overeenkomstig artikel 18, lid 1(a), een uiteenzetting te geven van de in het voorafgaande jaar gemaakte vorderingen ten aanzien van de afschaffing van het gebruik, de produktie, vervaardiging of handel als bedoeld in lid 1; en
(b) het Comité afzonderlijke ramingen (artikel 19) en statistieken (artikel 20) te doen toekomen op de wijze en in de vorm door het Comité voorgeschreven met betrekking tot de handelingen ten aanzien waarvan een voorbehoud werd gemaakt.
4.
(a) Indien een Partij die een voorbehoud maakt krachtens lid 1 de volgende gegevens niet verstrekt:
(i) het in lid 3 (a) bedoelde verslag, en wel binnen zes maanden na het verstrijken van het jaar waarop de gegevens betrekking hebben;
(ii) de in lid 3 (b) bedoelde ramingen, en wel binnen drie maanden na de door het Comité voor dat doel overeenkomstig artikel 12, lid 1, vastgestelde datum;
(iii) de in lid 3 (b) bedoelde statistieken, en wel binnen drie maanden na de datum waarop zij overeenkomstig artikel 20, lid 2, dienen te worden verstrekt,
geeft het Comité of de Secretaris-Generaal, al naar de omstandigheden, aan de betrokken Partij kennis van de vertraging en verzoekt daarbij toezending van die gegevens binnen een termijn van drie maanden na ontvangst van die kennisgeving.
(b) Indien de Partij nalaat binnen deze termijn te voldoen aan het verzoek van het Comité of de Secretaris-Generaal, houdt het desbetreffende krachtens lid 1 gemaakte voorbehoud op van kracht te zijn.
5.
Een Staat die voorbehouden heeft gemaakt kan deze voorbehouden te allen tijde door middel van een schriftelijke kennisgeving geheel of gedeeltelijk intrekken.
1.
Behalve de voorbehouden gemaakt overeenkomstig artikel 49 of de volgende leden zijn geen voorbehouden toegelaten.
2.
Elke Staat kan ten tijde van de ondertekening, bekrachtiging of toetreding voorbehouden maken ten aanzien van de volgende bepalingen van dit Verdrag: artikel 12, leden 2 en 3, artikel 13, lid 2, artikel 14, leden 1 en 2, artikel 31, lid 1(b ), en artikel 48.
3.
Een Staat die Partij wenst te worden, doch die het recht wenst te verkrijgen andere voorbehouden te maken dan die overeenkomstig lid 2 van dit artikel of artikel 49, kan de Secretaris-Generaal van dit voornemen in kennis stellen. Tenzij aan het eind van twaalf maanden na de datum waarop de Secretaris-Generaal van het desbetreffende voorbehoud mededeling heeft gedaan, een-derde van de Staten die dit Verdrag hebben bekrachtigd of tot dit Verdrag zijn toegetreden voor het einde van dat tijdvak tegen dit voorbehoud bezwaar hebben gemaakt, wordt dit geacht te zijn aanvaard, met dien verstande echter dat de Staten die tegen het voorbehoud bezwaar hebben gemaakt, ten aanzien van de Staat die het voorbehoud heeft gemaakt geen rechtsverplichting krachtens dit Verdrag op zich behoeven te nemen die door dit voorbehoud wordt aangetast.
4.
Een Staat die voorbehouden heeft gemaakt kan deze voorbehouden te allen tijde door middel van een schriftelijke kennisgeving geheel of gedeeltelijk intrekken.
Artikel 51. Kennisgevingen
De Secretaris-Generaal geeft aan alle in lid 1 van artikel 40 bedoelde Staten kennis van:
(a) ondertekeningen, bekrachtigingen en toetredingen overeenkomstig artikel 40;
(b) de datum waarop dit Verdrag overeenkomstig artikel 41 in werking treedt;
(c) opzeggingen overeenkomstig artikel 46; en
(d) verklaringen en kennisgevingen krachtens de artikelen 42, 43, 47, 49 en 50.
TEN BLIJKE WAARVAN de ondergetekenden, daartoe behoorlijk gemachtigd, dit Verdrag namens hun onderscheidene Regeringen hebben ondertekend.
GEDAAN te New York, de dertigste maart negentienhonderd eenenzestig, in een enkel exemplaar, dat zal worden nedergelegd in het archief van de Verenigde Naties en waarvan voor eensluidend gewaarmerkte afschriften worden toegezonden aan alle Leden van de Verenigde Naties, alsmede aan de andere in artikel 40, lid 1, bedoelde Staten.