Rechtenmedia.nl - Juridische Online Uitgeverij  Rechtennieuws.nl | Jure.nl | Maxius.nl | Parlis.nl | Rechtenforum.nl | JBmatch.nl | MijnWetten.nl | AdvocatenZoeken.nl | Rechtentotaal.nl
Eindexamenbesluit VO BES
Bwb-id:
Officiele titel:
Citeertitel:
Soort regeling:
Wetsfamilies:
Eerst verantwoordelijk ministerie:

Geldigheidsdatum:
Ingangsdatum:
Inhoudsopgave
+ Hoofdstuk I. Algemene bepalingen
+ Hoofdstuk II. Inhoud van het eindexamen
+ Hoofdstuk III. Regeling van het eindexamen
+ Hoofdstuk IV. Centraal examen
+ Hoofdstuk V. Uitslag, herkansing en diplomering
+ Hoofdstuk VI. Overige bepalingen
+ Hoofdstuk VII. Overgangsrecht en slotbepalingen
Vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature

Juridisch advies nodig?
Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag
Geschiedenis

Geschiedenis-overzicht

Eindexamenbesluit VO BES

Besluit van 28 april 2011, houdende bepalingen inzake de eindexamens aan de scholen voor vwo, havo, mavo en vbo BES (Eindexamenbesluit VO BES)
Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Op de voordracht van de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, van 21 september 2010, nr. WJZ/236451 (3844), directie Wetgeving en Juridische Zaken, gedaan mede namens de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties;
Gelet op de artikelen 72, 74, 75, 116 en 206, derde lid, van de Wet voortgezet onderwijs BES en de artikelen 7.3.3, tweede lid, en 7.4.13, derde en vijfde lid, van de Wet educatie en beroepsonderwijs BES;
De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 20 oktober 2010, no. W05.10.0454/I);
Gezien het nader rapport van Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, van 21 april 2011, nr. WJZ/260664 (3844), directie Wetgeving en Juridische Zaken, uitgebracht mede namens Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties;
Hebben goedgevonden en verstaan:
1.
In dit besluit wordt verstaan onder:
algemene vakken: vakken niet zijnde afdelingsvakken genoemd in artikel 25, eerste lid, respectievelijk bedoeld in artikel 26, eerste lid, van het Inrichtingsbesluit WVO BES, en niet zijnde intrasectorale of intersectorale programma’s als bedoeld in artikel 27, eerste lid, of artikel 28, eerste lid, van dat besluit;
bevoegd gezag: het bevoegd gezag, bedoeld in artikel 1 van de wet, indien het een school voor voortgezet onderwijs betreft, en het bevoegd gezag, bedoeld in artikel 1.1.1, onder 1 en 2, van de Wet educatie en beroepsonderwijs BES, indien het een instelling voor educatie en beroepsonderwijs betreft;
College voor examens: College voor examens, genoemd in artikel 2, eerste lid, van de Wet College voor examens;
cspe: centraal schriftelijk en praktisch examen in een beroepsgericht programma;
deeleindexamen: een examen in één of meer van de voor het eindexamen voorgeschreven vakken aan een opleiding voortgezet algemeen volwassenenonderwijs als bedoeld in artikel 7.3.1, eerste lid, onder a, van de Wet educatie en beroepsonderwijs;
directeur: de rector of directeur van een school voor voortgezet onderwijs;
eindexamen: een examen ten minste in het geheel van de voorgeschreven vakken;
eindexamen vmbo: een eindexamen dat leidt tot een diploma vmbo voor zover het betreft de theoretische leerweg, de basisberoepsgerichte leerweg, de kaderberoepsgerichte leerweg of de gemengde leerweg;
examencommissie vavo: de in artikel 7.4.13, tweede lid, juncto artikel 7.4.7 van de Wet educatie en beroepsonderwijs BES bedoelde examencommissie voor een opleiding vavo;
examenstof: de aan de kandidaat te stellen eisen;
examinator: degene die is belast met het afnemen van het examen in een vak;
gecommitteerde: een gecommitteerde als bedoeld in artikel 24 van dit besluit;
havo: hoger algemeen voortgezet onderwijs als bedoeld in artikel 14 van de wet;
herkansing: het opnieuw deelnemen aan een toets van het centraal examen of het schoolexamen;
inspectie: de inspectie, bedoeld in artikel 1 van de Wet op het onderwijstoezicht;
instelling voor educatie en beroepsonderwijs: een instelling als bedoeld in artikel 1.1.1, van de Wet educatie en beroepsonderwijs BES, voor zover het betreft door die instelling verzorgde opleidingen vavo;
kandidaat: ieder die door het bevoegd gezag tot het eindexamen of deeleindexamen wordt toegelaten;
kunstvakken: de vakken behorende tot de beeldende vorming, alsmede muziek, dans en drama;
leerling: een leerling aan een school voor voortgezet onderwijs of een deelnemer aan een opleiding vavo;
leerweg: de basisberoepsgerichte leerweg, bedoeld in artikel 18 van de wet, de kaderberoepsgerichte leerweg, bedoeld in artikel 18 van de wet, de gemengde leerweg, bedoeld in artikel 29 van de wet en de theoretische leerweg, bedoeld in artikel 16 van de wet;
mavo: middelbaar algemeen voortgezet onderwijs als bedoeld in artikel 15 van de wet;
Onze Minister: Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en, voor wat betreft het onderwijs op het gebied van landbouw, natuurlijke omgeving en voedsel, Onze Minister van Economische Zaken;
opleiding vavo: een opleiding voortgezet algemeen volwassenenonderwijs als bedoeld in artikel 7.3.1, eerste lid, onderdeel a, van de Wet educatie en beroepsonderwijs BES;
profielwerkstuk: het in artikel 4 bedoelde profielwerkstuk;
school: een school voor vwo, een school voor havo, een school voor mavo, een school voor vbo of een instelling voor educatie en beroepsonderwijs, tenzij anders blijkt;
schooljaar: het tijdvak dat aanvangt op 1 augustus en eindigt op 31 juli van het daaropvolgende jaar, daaronder mede begrepen het studiejaar, bedoeld in artikel 1.1.1, van de Wet educatie en beroepsonderwijs BES;
school voor voortgezet onderwijs: een school voor vwo, een school voor havo, een school voor mavo, een school voor vbo;
sectorwerkstuk: het in artikel 4 bedoelde sectorwerkstuk;
toets: een toets met schriftelijke of mondelinge vragen en opdrachten, of een praktische opdracht;
vakken: vakken, intrasectorale programma’s, intersectorale programma’s en andere programmaonderdelen;
vakken behorende tot de beeldende vorming: tekenen, handvaardigheid, textiele vormgeving, fotografie, film, audio-visuele vorming;
vbo: voorbereidend beroepsonderwijs als bedoeld in artikel 17 van de wet;
vmbo: voorbereidend middelbaar beroepsonderwijs als bedoeld in artikel 44 van de wet;
vwo: voorbereidend wetenschappelijk onderwijs als bedoeld in artikel 13 van de wet;
wet: Wet voortgezet onderwijs BES .
2.
Waar in dit besluit wordt gesproken van «directeur» en van «directeur en de secretaris», wordt daaronder wat instellingen voor educatie en beroepsonderwijs betreft verstaan, de examencommissie vavo, tenzij anders blijkt.
1.
Het bevoegd gezag stelt de leerlingen van een school en de leerlingen van een afdeling voor havo in de gelegenheid ter afsluiting van de opleiding een eindexamen af te leggen.
2.
Het bevoegd gezag stelt de leerlingen van een instelling voor educatie en beroepsonderwijs in de gelegenheid in plaats van een eindexamen een of meer deeleindexamens af te leggen.
3.
Het bevoegd gezag kan tot het eindexamen toelaten kandidaten die niet als leerling van de school zijn ingeschreven.
4.
Het bevoegd gezag van een instelling voor educatie en beroepsonderwijs kan kandidaten als bedoeld in het derde lid eveneens in de gelegenheid stellen een of meer deeleindexamens aan de desbetreffende school af te leggen.
5.
Kandidaten als bedoeld in het derde lid, die worden toegelaten tot het eindexamen van een school voor voortgezet onderwijs, zijn behoudens het bepaalde in het zesde lid aan het bevoegd gezag een bedrag verschuldigd van USD 45 voor een volledig eindexamen.
6.
In afwijking van het bepaalde in het vijfde lid is een toelatingsbedrag niet verschuldigd door kandidaten die zijn ingeschreven bij een andere uit de openbare kas bekostigde school – al dan niet in de zin van dit besluit –, afdeling of onderwijsinstelling en die aldaar geen eindexamen dan wel deeleindexamen afleggen.
7.
Het in het vijfde lid bedoelde bedrag kan bij regeling van Onze Minister worden gewijzigd voor zover de consumentenprijsindex daartoe aanleiding geeft.
1.
De directeur en de examinatoren van een school voor voortgezet onderwijs nemen onder verantwoordelijkheid van het bevoegd gezag het eindexamen af.
2.
De directeur van een school voor voortgezet onderwijs wijst een van de personeelsleden van de school aan tot secretaris van het eindexamen.
1.
Het eindexamen kan voor ieder vak bestaan uit een schoolexamen, uit een centraal examen dan wel uit beide.
2.
Het schoolexamen vwo en havo omvat mede een profielwerkstuk. Het profielwerkstuk is een werkstuk, een presentatie daaronder begrepen, waarin op geïntegreerde wijze kennis, inzicht en vaardigheden aan de orde komen die van betekenis zijn in het desbetreffende profiel.
3.
Het profielwerkstuk heeft betrekking op één of meer vakken van het eindexamen. Ten minste één van deze vakken heeft een omvang van 400 uur of meer voor vwo en 320 uur of meer voor havo.
4.
Het schoolexamen vmbo voor zover het betreft de theoretische leerweg, genoemd in artikel 16 van de wet, en de gemengde leerweg, genoemd in artikel 29 van de wet, omvat mede een sectorwerkstuk. De tweede volzin van het tweede lid is van overeenkomstige toepassing. Het sectorwerkstuk heeft betrekking op een thema uit de sector waarin de leerling het onderwijs volgt.
1.
Indien een kandidaat zich ten aanzien van enig deel van het eindexamen dan wel ten aanzien van een aanspraak op ontheffing aan enige onregelmatigheid schuldig maakt of heeft gemaakt, dan wel zonder geldige reden afwezig is, kan de directeur maatregelen nemen.
2.
De maatregelen, bedoeld in het eerste lid, die afhankelijk van de aard van de onregelmatigheid ook in combinatie met elkaar genomen kunnen worden, zijn:
a. het toekennen van het cijfer 1 voor een toets van het schoolexamen of het centraal examen,
b. het ontzeggen van de deelname of de verdere deelname aan een of meer toetsen van het schoolexamen of het centraal examen,
c. het ongeldig verklaren van een of meer toetsen van het reeds afgelegde deel van het schoolexamen of het centraal examen, en
d. het bepalen dat het diploma en de cijferlijst slechts kunnen worden uitgereikt na een hernieuwd examen in door de directeur aan te wijzen onderdelen.
Indien het hernieuwd examen, bedoeld in onderdeel d, betrekking heeft op een of meer onderdelen van het centraal examen legt de kandidaat dat examen af in een volgend tijdvak van het centraal examen.
3.
Het besluit waarbij een in het eerste lid bedoelde maatregel wordt genomen, wordt tegelijkertijd in afschrift toegezonden aan de inspectie en, indien de kandidaat minderjarig is, aan de wettelijke vertegenwoordigers van de kandidaat.
4.
De kandidaat kan tegen een beslissing van de directeur van een school voor voortgezet onderwijs in beroep gaan bij de door het bevoegd gezag van de school in te stellen commissie van beroep. Van de commissie van beroep mag de directeur geen deel uitmaken.
5.
In overeenstemming met artikel 75 van de wet wordt het beroep binnen vijf dagen nadat de beslissing aan de kandidaat is bekendgemaakt, schriftelijk ingesteld bij de commissie van beroep. De commissie stelt een onderzoek in en beslist binnen twee weken na ontvangst van het beroepsschrift, tenzij zij deze termijn gemotiveerd heeft verlengd met ten hoogste twee weken. De commissie stelt bij haar beslissing zo nodig vast op welke wijze de kandidaat alsnog in de gelegenheid zal worden gesteld het eindexamen geheel of gedeeltelijk af te leggen onverminderd het bepaalde in de laatste volzin van het tweede lid. De commissie deelt haar beslissing schriftelijk mede aan de kandidaat, aan de ouders, voogden of verzorgers van de kandidaat indien deze minderjarig is, aan de directeur en aan de inspectie.
1.
Onze Minister stelt, behalve voor door het bevoegd gezag vast te stellen vakken die onderdeel zijn van het eindexamen, voor elk van de onderwijssoorten examenprogramma’s vast, waarin zijn opgenomen:
a. een omschrijving van de examenstof voor ieder eindexamenvak, en
b. welk deel van de examenstof centraal zal worden geëxamineerd en over welke examenstof het schoolexamen zich uitstrekt.
2.
Een examenprogramma wordt vastgesteld per vak of per groep van vakken.
3.
De examenprogramma’s voor zover het betreft leerwegen in het vmbo kunnen voorzien in differentiaties waaruit de leerling een keuze maakt.
1.
De kandidaten kiezen, met inachtneming van dit hoofdstuk, in welke vakken zij examen willen afleggen. Voor leerlingen geldt deze keuze voorzover het bevoegd gezag, al dan niet in samenwerking met het bevoegd gezag van een of meer andere scholen, hen in de gelegenheid heeft gesteld zich op het examen in die vakken voor te bereiden. Indien sprake is van samenwerking tussen scholen, is artikel 2 van het Besluit samenwerking VO-BVE BES van toepassing.
2.
De kandidaten kunnen, voor zover het bevoegd gezag hun dat toestaat, in meer vakken examen afleggen dan in de vakken die ten minste tezamen een eindexamen vormen. Een examen als bedoeld in de eerste volzin heeft geen betrekking op vakken die overeenkomen met vakken die onderdeel zijn van dat eindexamen.
3.
Het bevoegd gezag beslist, welke in artikel 6, derde lid, bedoelde differentiaties worden aangeboden.
4.
Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op kandidaten die deeleindexamen afleggen.
Artikel 7a. Minimumeis overeenstemming eindexamenvakken met schoolsoort van inschrijving
Indien het eindexamen één of meer vakken omvat van een andere schoolsoort dan die waarvoor de kandidaat is ingeschreven, behoort ten minste één vak tot de voorgeschreven eindexamenvakken van de schoolsoort van inschrijving.
1.
Onverminderd vrijstellingen en ontheffingen als bedoeld in de artikelen 11, 12, 13 en 14 is de kandidaat die het eindexamen aflegt aan een instelling voor educatie en beroepsonderwijs:
a. vrijgesteld van het examen in een algemeen vak van de theoretische leerweg in het vmbo op grond van het examen vwo, havo of vmbo, indien voor het overeenkomstige vak een eindcijfer 6 of hoger of een daarmee overeenkomende waardering is behaald in de gemengde leerweg,
b. vrijgesteld van het examen in een vak in het havo op grond van een examen vwo of havo, indien voor het overeenkomstige vak een eindcijfer 6 of hoger of een daarmee overeenkomende waardering is behaald;
c. vrijgesteld van het examen in een vak in het vwo op grond van een examen vwo, indien voor het overeenkomstige vak een eindcijfer 6 of hoger of een daarmee overeenkomende waardering is behaald;
d. vrijgesteld van het examen in een vak van het vwo of havo op grond van het overeenkomstige examen, afgelegd op Curaçao, Sint Maarten, Aruba, Bonaire, Saba of Sint Eustatius, indien voor het overeenkomstige vak een eindcijfer 6 of hoger of een daarmee overeenkomende waardering is behaald;
e. vrijgesteld van het profielwerkstuk, indien reeds eerder een profielwerkstuk is gemaakt dat betrekking heeft op een of meer vakken van dezelfde schoolsoort, behorende tot het profiel van de kandidaat en waarvoor een eindcijfer 6 of hoger is behaald,
f. vrijgesteld van het sectorwerkstuk, indien reeds eerder een sectorwerkstuk is gemaakt dat betrekking heeft op een thema uit die sector, en dat is beoordeeld als «voldoende» of «goed».
2.
Het eerste lid is uitsluitend van toepassing indien na het jaar waarin het eindcijfer of de beoordeling is vastgesteld, nog geen 10 jaren zijn verstreken.
3.
In aanvulling op het eerste lid, onder a tot en met d, is de daar bedoelde kandidaat eveneens vrijgesteld indien het eindcijfer 5 of 4 is behaald, mits de kandidaat voldoet aan de voorwaarden van artikel 37 of artikel 37a om te slagen voor het eindexamen.
4.
Bij ministeriële regeling kunnen nadere voorschriften worden gegeven voor de toepassing van het eerste lid.
5.
Bij de toepassing van dit artikel wordt ten hoogste één cijferlijst, die is uitgereikt aan een school voor voortgezet onderwijs, betrokken.
1.
Onverminderd artikel 8 kan het College voor examens op verzoek van de kandidaat die het eindexamen aflegt aan een instelling voor educatie en beroepsonderwijs, ontheffing verlenen voor een examenvak, indien de kandidaat op grond van eerder gevolgd onderwijs aantoonbaar in het bezit is van voldoende kennis en vaardigheden ter zake van het desbetreffende vak. De ontheffing kan slechts worden verleend op basis van een diploma, getuigschrift, certificaat of ander bewijsstuk, al of niet behaald in Nederland, dat door het College voor examens wordt aanvaard als bewijs van voldoende kennis en vaardigheden. Indien het College voor examens dit nodig oordeelt, onderzoekt het college of de kandidaat in het bezit is van voldoende kennis en vaardigheden.
2.
Het eerste lid is uitsluitend van toepassing indien na het jaar waarin het in dat lid bedoelde diploma, getuigschrift, certificaat of ander bewijsstuk is vastgesteld, nog geen 10 jaren zijn verstreken.
3.
Tot de in het eerste lid bedoelde diploma’s, getuigschriften, certificaten en andere bewijsstukken behoren in elk geval die betreffende het Internationaal Baccalaureaat, het Europees Baccalaureaat en die betreffende het overeenkomstige onderwijs in een lidstaat van de Europese Unie.
4.
Indien het College voor examens de gevraagde ontheffing verleent, verstrekt het college de verzoeker een bewijs van ontheffing, en zendt het college aan Onze Minister een afschrift daarvan.
5.
Het bewijs van ontheffing vermeldt de gronden van de ontheffing, het tijdstip van het verrichten van de onderwijs- of examenprestatie waarop de ontheffing berust, en gaat in voorkomend geval vergezeld van een verklaring betreffende het in het eerste lid bedoelde onderzoek naar de kennis en vaardigheden van de examenkandidaat, of naar de in het eerste lid bedoelde bewijsstukken.
6.
Onze Minister stelt het model van het bewijs van ontheffing vast.
Artikel 10. Ontheffingsprocedure
Een verzoek om ontheffing als bedoeld in artikel 9 wordt schriftelijk ingediend bij het College voor examens, onder overlegging van een uittreksel uit het geboorte- of persoonsregister en een gewaarmerkte fotokopie van het diploma, getuigschrift, certificaat of andere bewijsstuk waarop het verzoek om ontheffing berust.
1.
Het eindexamen vwo (atheneum) omvat:
a. de vakken van het gemeenschappelijk deel van elk profiel, genoemd in artikel 20, eerste lid, van het Inrichtingsbesluit WVO BES, daaronder tevens begrepen een profielwerkstuk,
b. de vakken van het profieldeel van één van de profielen, genoemd in artikel 20, derde tot en met zesde lid, van het Inrichtingsbesluit WVO BES en voor zover nodig wegens de in onderdeel c genoemde normatieve studielast, vakken van het vrije deel genoemd in artikel 20, zevende lid, van het Inrichtingsbesluit WVO BES, en
c. ten minste één vak met een normatieve studielast van ten minste 440 uren van het vrije deel van elk profiel, genoemd in artikel 20, zevende lid, van het Inrichtingsbesluit WVO BES zoals geldend voor de scholen voor vwo, met dien verstande dat door het bevoegd gezag vast te stellen vakken onderdeel zijn van het eindexamen uitsluitend voor zover Onze Minister daarvoor goedkeuring heeft verleend.
2.
In afwijking van het eerste lid is de kandidaat die het eindexamen aflegt aan een school voor vwo, bij het eindexamen vrijgesteld van de vakken waarvoor vrijstelling of ontheffing is verleend van het volgen van onderwijs op grond van artikel 23, eerste tot en met vierde lid, van het Inrichtingsbesluit WVO BES. Bij een ontheffing op grond van artikel 23, vierde lid, van het Inrichtingsbesluit WVO BES wordt de taal vervangen door een ander vak als bedoeld in het vijfde lid van dat artikel.
3.
In afwijking van het eerste lid is de kandidaat die het eindexamen aflegt aan een instelling voor educatie en beroepsonderwijs, bij het eindexamen vrijgesteld van de vakken culturele en kunstzinnige vorming en lichamelijke opvoeding van het gemeenschappelijk deel.
4.
In afwijking van het eerste lid is de kandidaat die het eindexamen aflegt aan een instelling voor educatie en beroepsonderwijs, en in het bezit is van het diploma havo, bij het eindexamen vrijgesteld van het vak maatschappijleer van het gemeenschappelijk deel.
5.
In afwijking van het eerste lid is de kandidaat die het eindexamen aflegt aan een instelling voor educatie en beroepsonderwijs en in het bezit is van het diploma havo, en die in plaats van de vakken, genoemd in artikel 21 van het Inrichtingsbesluit WVO BES examen heeft afgelegd in een of meer overeenkomstige vakken van artikel 20 van het Inrichtingsbesluit WVO BES, bij het eindexamen vrijgesteld van dit vak of deze vakken.
6.
In afwijking van het eerste lid kan de kandidaat die het eindexamen aflegt aan een instelling voor educatie en beroepsonderwijs bij het eindexamen ontheffing worden verleend van de taal, genoemd in artikel 20, eerste lid onder c, van het Inrichtingsbesluit WVO BES, in de volgende gevallen:
a. de leerling heeft een stoornis die specifiek betrekking heeft op taal of een zintuiglijke stoornis die effect heeft op taal,
b. de leerling heeft een andere moedertaal dan de Nederlandse taal, of
c. de leerling volgt onderwijs in het profiel natuur en techniek of het profiel natuur en gezondheid en de taal verhindert naar verwachting een succesvolle afronding van de opleiding.
7.
Bij ontheffing op grond van het zesde lid wordt de taal vervangen door een van de vakken, genoemd in artikel 20, derde tot en met zesde lid, of in het zevende lid, onder c of d, van het Inrichtingsbesluit WVO BES met een normatieve studielast van ten minste 440 uren, naar keuze van de leerling, voor zover het bevoegd gezag deze als zodanig aanbiedt.
1.
Het eindexamen vwo (gymnasium) omvat:
a. de vakken van het gemeenschappelijk deel van elk profiel, genoemd in artikel 20, tweede lid, van het Inrichtingsbesluit WVO BES, daaronder tevens begrepen een profielwerkstuk,
b. de vakken van het profieldeel, genoemd in artikel 20, derde tot en met zesde lid, van het Inrichtingsbesluit WVO BES en voor zover nodig wegens de in onderdeel c genoemde normatieve studielast, vakken van het vrije deel genoemd in artikel 20, zevende lid, van het Inrichtingsbesluit WVO BES, en
c. ten minste één vak met een normatieve studielast van ten minste 440 uur van het vrije deel van elk profiel, genoemd in artikel 20, zevende lid, van het Inrichtingsbesluit WVO BES zoals geldend voor de scholen voor vwo, met dien verstande dat door het bevoegd gezag vast te stellen vakken onderdeel zijn van het eindexamen uitsluitend voor zover Onze Minister daarvoor goedkeuring heeft verleend.
2.
In afwijking van het eerste lid is de kandidaat die het eindexamen aflegt aan een school voor vwo, bij het eindexamen vrijgesteld van de vakken waarvoor vrijstelling of ontheffing is verleend van het volgen van onderwijs op grond van artikel 23, eerste tot en met derde lid, van het Inrichtingsbesluit WVO BES.
3.
In afwijking van het eerste lid is de kandidaat die het eindexamen aflegt aan een instelling voor educatie en beroepsonderwijs, bij het eindexamen vrijgesteld van het vak lichamelijke opvoeding van het gemeenschappelijk deel.
4.
In afwijking van het eerste lid is de kandidaat die het eindexamen aflegt aan een instelling voor educatie en beroepsonderwijs, en die in het bezit is van het diploma havo, bij het eindexamen vrijgesteld van het vak maatschappijleer van het gemeenschappelijk deel.
5.
In afwijking van het eerste lid is de kandidaat die het eindexamen aflegt aan een instelling voor educatie en beroepsonderwijs en in het bezit is van het diploma havo, en die in plaats van de vakken, genoemd in artikel 21 van het Inrichtingsbesluit WVO BES examen heeft afgelegd in een of meer overeenkomstige vakken van artikel 20 van het Inrichtingsbesluit WVO BES, bij het eindexamen vrijgesteld van dit vak of deze vakken.
1.
Het eindexamen havo omvat:
a. de vakken van het gemeenschappelijk deel van elk profiel, genoemd in artikel 21, eerste lid, van het Inrichtingsbesluit WVO BES, daaronder tevens begrepen een profielwerkstuk,
b. de vakken van het profieldeel, genoemd in artikel 21, tweede tot en met vijfde lid, van het Inrichtingsbesluit WVO BES en voor zover het nodig is wegens de in onderdeel c genoemde normatieve studielast, vakken van het vrije deel genoemd in artikel 20, zevende lid, van het Inrichtingsbesluit WVO BES, en
c. ten minste één vak met een normatieve studielast van ten minste 320 uur van het vrije deel van elk profiel, genoemd in artikel 21, zesde lid, van het Inrichtingsbesluit WVO BES, met dien verstande dat door het bevoegd gezag vast te stellen vakken onderdeel zijn van het eindexamen uitsluitend voor zover Onze Minister daarvoor goedkeuring heeft verleend.
2.
Ingeval van toepassing van artikel 40, achtste lid, van de wet is het eerste lid van overeenkomstige toepassing.
3.
In afwijking van het eerste lid is de kandidaat die het eindexamen aflegt aan een school voor havo bij het eindexamen vrijgesteld van de vakken waarvoor ontheffing of vrijstelling is verleend van het volgen van onderwijs op grond van artikel 23, eerste lid, respectievelijk zesde lid, van het Inrichtingsbesluit WVO BES.
4.
In afwijking van het eerste lid is de kandidaat die het eindexamen aflegt aan een instelling voor educatie en beroepsonderwijs, bij het eindexamen vrijgesteld van de vakken culturele en kunstzinnige vorming en lichamelijke opvoeding van het gemeenschappelijk deel.
1.
Het eindexamen vmbo voor zover het betreft de theoretische leerweg, genoemd in artikel 16 van de wet, omvat in elk geval:
a. de vakken die het gemeenschappelijk deel ingevolge artikel 16, vijfde lid, van de wet, omvat,
b. de twee vakken die het sectordeel ingevolge artikel 16, zesde lid, van de wet omvat, waaronder tevens begrepen een sectorwerkstuk, en
c. in het vrije deel twee nog niet in het sectordeel gekozen vakken, bedoeld onderscheidenlijk genoemd in artikel 16, zevende lid, onderdelen a en b, van de wet, met dien verstande dat het sectordeel en het vrije deel tezamen ten minste twee vakken omvatten die geen moderne taal zijn.
2.
In afwijking van het eerste lid is de kandidaat in de sector economie of leerwegondersteunend onderwijs ten aanzien van wie toepassing is gegeven aan artikel 29, tweede lid, van het Inrichtingsbesluit WVO BES, bij het eindexamen vrijgesteld van het vak Franse taal of het vak Spaanse taal, genoemd artikel 29, tweede lid. In plaats van het vak waarvoor vrijstelling is verleend, doet de kandidaat eindexamen in het vak Arabisch, het vak Turks, het vak Duitse taal, het vak Papiaments, het vak maatschappijleer II, het vak aardrijkskunde of het vak geschiedenis en staatsinrichting.
3.
Indien de kandidaat in het vrije deel twee kunstvakken kiest, wordt één kunstvak gekozen uit de vakken behorende tot de beeldende vorming en één kunstvak uit de vakken muziek, dans en drama.
4.
In geval van toepassing van artikel 16, negende lid, van de wet, zijn het eerste tot en met het derde lid van toepassing, met dien verstande dat het vervangen vak niet als extra vak als bedoeld in het zevende lid, gekozen kan worden.
5.
In afwijking van het eerste lid is de kandidaat die het eindexamen aflegt aan een instelling voor educatie en beroepsonderwijs vrijgesteld van de vakken lichamelijke opvoeding en de vakken behorende tot de beeldende vorming, muziek, dans of drama van het gemeenschappelijk deel.
6.
In afwijking van het eerste lid kan de kandidaat die het eindexamen aflegt aan een instelling voor educatie en beroepsonderwijs, op zijn verzoek bij het eindexamen ontheffing worden verleend van de vakken Franse taal of Spaanse taal van het sectordeel of van beide. Artikel 11, zesde en zevende lid, is van overeenkomstige toepassing.
7.
In aanvulling op de voorgeschreven vakken, bedoeld in het eerste lid, kan het eindexamen omvatten, voor zover nog niet gekozen:
b. een vak dat behoort tot het eindexamen van de gemengde leerweg als bedoeld in artikel 29 van de wet, of
c. een vak genoemd in, dan wel aangewezen op grond van, artikel 39 of 40 van de wet.
8.
In afwijking van het eerste lid is de kandidaat die het eindexamen aflegt aan een school voor vmbo, voor zover het betreft de theoretische leerweg, bij het eindexamen vrijgesteld van de vakken waarvoor vrijstelling is verleend van het volgen van onderwijs op grond van artikel 29, vierde lid, van het Inrichtingsbesluit WVO BES.
1.
Het eindexamen vmbo voor zover het betreft de basisberoepsgerichte leerweg, genoemd in artikel 18 van de wet, omvat in elk geval:
a. de vakken die het gemeenschappelijk deel ingevolge in artikel 18, vijfde lid, van de wet, omvat,
b. de twee vakken die het sectordeel ingevolge artikel 18, zesde lid, van de wet, omvat, en
c. in het vrije deel een tot de sector behorend afdelingsvak, genoemd in artikel 25, eerste lid, van het Inrichtingsbesluit WVO BES of een intrasectoraal of intersectoraal programma als bedoeld in artikel 27, eerste lid, van het Inrichtingsbesluit WVO BES.
2.
In afwijking van het eerste lid is de kandidaat in de sector economie ten aanzien van wie toepassing is gegeven aan artikel 29, tweede en derde lid, van het Inrichtingsbesluit WVO BES, bij het eindexamen vrijgesteld van het vak Franse taal of het vak Spaanse taal. In plaats hiervan omvat het eindexamen één van de vakken gekozen op grond van artikel 29, tweede en derde lid, van het Inrichtingsbesluit WVO BES
3.
Voor zover het betreft een leer-werktraject als bedoeld in artikel 19 van de wet, omvat het eindexamen voor de leerling die dat traject heeft gevolgd, het vak Nederlandse taal en het beroepsgerichte programma dat onderdeel is van het leerwerktraject. Bovendien kan de leerling eindexamen afleggen in de andere vakken van de basisberoepsgerichte leerweg, bedoeld in artikel 18 van de wet, waarvan het bevoegd gezag op grond van artikel 19, derde lid, van de wet in voorkomend geval heeft beslist dat zij behoren tot het leer-werktraject van de leerling.
4.
In geval van toepassing van artikel 18, negende lid, onderdelen a en c, van de wet, dan wel artikel 18, negende lid, onderdeel d, van de wet juncto artikel 25, tweede lid, van het Inrichtingsbesluit WVO BES, zijn het eerste tot en met het derde lid van toepassing, met dien verstande dat het vervangen vak niet als extra vak als bedoeld in het vijfde lid, kan dienen.
5.
In aanvulling op de voorgeschreven vakken, bedoeld in het eerste lid, kan het eindexamen omvatten, voor zover nog niet gekozen:
a. een vak als bedoeld in artikel 18, zesde lid, van de wet,
b. een vak dat op grond van het tweede lid onderdeel kan zijn van de basisberoepsgerichte leerweg,
c. een algemeen vak dat behoort tot het eindexamen van de theoretische leerweg, de kaderberoepsgerichte leerweg of de gemengde leerweg, genoemd in respectievelijk de artikelen 16, 18 of 29 van de wet, of
d. een vak als bedoeld in de artikelen 39 of 40 van de wet.
6.
Artikel 14, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing.
7.
In afwijking van het eerste lid is de kandidaat die het eindexamen aflegt aan een school voor vmbo, voor zover het betreft de basisberoepsgerichte leerweg, bij het eindexamen vrijgesteld van de vakken waarvoor vrijstelling is verleend voor het volgen van onderwijs op grond van artikel 29, vijfde lid, van het Inrichtingsbesluit WVO BES.
1.
Het eindexamen vmbo voor zover het betreft de kaderberoepsgerichte leerweg, genoemd in artikel 18 van de wet, omvat in elk geval:
a. de vakken die het gemeenschappelijk deel ingevolge in artikel 18, vijfde lid, van de wet, omvat,
b. de twee vakken die het sectordeel ingevolge artikel 18, zesde lid, van de wet, omvat, en
c. in het vrije deel een tot de sector behorend afdelingsvak, genoemd in artikel 25, eerste lid, van het Inrichtingsbesluit WVO BES of een intrasectoraal of intersectoraal programma als bedoeld in artikel 27, eerste lid, van het Inrichtingsbesluit WVO BES.
2.
Artikel 14, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing.
3.
In geval van toepassing van artikel 18, negende lid, onderdeel b, van de wet dan wel artikel 18, negende lid, onderdeel d, van de wet juncto artikel 25, tweede lid, van het Inrichtingsbesluit WVO BES, zijn het eerste en tweede lid van toepassing, met dien verstande dat het vervangen vak niet als extra vak als bedoeld in het vierde lid, kan dienen.
4.
In aanvulling op de voorgeschreven vakken, bedoeld in het eerste lid, kan het eindexamen omvatten, voor zover nog niet gekozen:
a. een vak als bedoeld in artikel 18, zesde lid, van de wet,
b. een vak dat op grond van het tweede lid onderdeel kan zijn van de kaderberoepsgerichte leerweg,
c. een algemeen vak dat behoort tot het eindexamen van de theoretische leerweg of de gemengde leerweg, genoemd in respectievelijk artikel 16 of artikel 29 van de wet, of
d. een vak als bedoeld in de artikelen 39 of 40 van de wet.
5.
In afwijking van het eerste lid is de kandidaat die het eindexamen aflegt aan een school voor vmbo, voor zover het betreft de kaderberoepsgerichte leerweg, bij het eindexamen vrijgesteld van de vakken waarvoor vrijstelling is verleend voor het volgen van onderwijs op grond van artikel 29, zesde lid, van het Inrichtingsbesluit WVO BES.
1.
Het eindexamen vmbo voor zover het betreft de gemengde leerweg, genoemd in artikel 29 van de wet, omvat in elk geval:
a. de vakken die het gemeenschappelijk deel ingevolge artikel 29, vijfde lid, van de wet, omvat,
b. de twee vakken die het sectordeel ingevolge artikel 29, zesde lid, van de wet, omvat waaronder tevens begrepen een sectorwerkstuk,
c. in het vrije deel een nog niet in het sectordeel gekozen algemeen vak, bedoeld onderscheidenlijk genoemd in artikel 29, zevende lid, onderdelen a en c, van de wet, en
d. een tot de sector behorend afdelingsvak, genoemd in artikel 25, eerste lid, van het Inrichtingsbesluit WVO BES of een intrasectoraal of intersectoraal programma als bedoeld in artikel 27, eerste lid, van het Inrichtingsbesluit WVO BES
2.
Artikel 14, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing.
3.
In geval van toepassing van artikel 29, negende lid, van de wet, zijn het eerste en tweede lid van toepassing, met dien verstande dat het vervangen vak niet als extra vak als bedoeld in het vierde lid, kan dienen.
4.
In aanvulling op de voorgeschreven vakken, bedoeld in het eerste lid, kan het eindexamen omvatten, voor zover nog niet gekozen, een vak als bedoeld in artikel 29, zevende lid, onderdelen a, b en c, van de wet, of als bedoeld in artikel 39 of 40 van de wet.
5.
In afwijking van het eerste lid is de kandidaat die het eindexamen aflegt aan een school voor vmbo, voor zover het betreft de gemengde leerweg, bij het eindexamen vrijgesteld van de vakken waarvoor vrijstelling is verleend voor het volgen van onderwijs op grond van artikel 29, zevende lid, van het Inrichtingsbesluit WVO BES.
1.
Het bevoegd gezag van een school voor voortgezet onderwijs, respectievelijk de examencommissie vavo, stelt een examenreglement vast. Het examenreglement bevat in elk geval informatie over de maatregelen, bedoeld in artikel 5, en de toepassing daarvan, alsmede regels met betrekking tot de organisatie van het eindexamen en de gang van zaken tijdens het eindexamen, de herkansingsmogelijkheden van het schoolexamen, en wat scholen voor voortgezet onderwijs betreft, de samenstelling en het adres van de in artikel 5 bedoelde commissie van beroep. Ten aanzien van de herkansing wordt in elk geval bepaald, in welke gevallen een herkansing mogelijk is. Ook kan worden bepaald dat tot die gevallen kunnen behoren gevallen dat de kandidaat door ziekte of ten gevolge van een bijzondere van zijn wil onafhankelijke omstandigheid, niet in staat is geweest, aan de desbetreffende toets deel te nemen.
2.
Het bevoegd gezag van een school voor voortgezet onderwijs, respectievelijk de examencommissie vavo, stelt jaarlijks voor 1 oktober een programma van toetsing en afsluiting vast, dat in elke geval betrekking heeft op het desbetreffende schooljaar. Het programma vermeldt in elk geval:
a. welke onderdelen van het examenprogramma in het schoolexamen worden getoetst,
b. de inhoud van de onderdelen van het schoolexamen,
c. de wijze waarop en de tijdvakken waarbinnen de toetsen van het schoolexamen plaatsvinden, de herkansing daaronder mede begrepen,
d. de wijze van herkansing van het schoolexamen, alsmede
e. de regels voor de wijze waarop het cijfer voor het schoolexamen voor een kandidaat tot stand komt.
3.
Het examenreglement en het programma van toetsing en afsluiting worden door de directeur voor 1 oktober toegezonden aan de inspectie en verstrekt aan de kandidaten.
1.
Het bevoegd gezag bepaalt het tijdstip waarop het schoolexamen aanvangt.
2.
Het schoolexamen wordt afgesloten voor de aanvang van het eerste tijdvak, bedoeld in artikel 25.
3.
Het bevoegd gezag kan in afwijking van het tweede lid een kandidaat die ten gevolge van ziekte of een andere van zijn wil onafhankelijke omstandigheid het schoolexamen in één of meer vakken niet heeft kunnen afsluiten voor de aanvang van het eerste tijdvak, in de gelegenheid stellen het schoolexamen in dat vak of in die vakken af te sluiten vóór het centraal examen in dat vak of in die vakken, doch na de aanvang van het eerste tijdvak.
4.
Indien het bevoegd gezag gebruikmaakt van de afwijkingsbevoegdheid in het derde lid, zendt het de resultaten die zijn behaald met het schoolexamen en het sectorwerkstuk zo spoedig mogelijk aan de inspectie, tenzij het bevoegd gezag op grond van artikel 179, tweede lid, van de wet examengegevens samen met het persoonsgebonden nummer verstrekt aan Onze Minister.
Artikel 20. Mededeling beoordeling schoolexamen
Voor de aanvang van het centraal examen maakt de directeur aan de kandidaat bekend, voorzover van toepassing:
a. welk cijfer of welke cijfers hij heeft behaald voor het schoolexamen,
b. de beoordeling van de vakken waarvoor geen cijfer wordt vastgesteld, en
c. de beoordeling van het sectorwerkstuk.
1.
Het cijfer van het schoolexamen wordt uitgedrukt in een cijfer uit een schaal van cijfers lopende van 1 tot en met 10.
2.
Indien in een vak tevens centraal examen wordt afgelegd, worden de in het eerste lid genoemde cijfers gebruikt met de daartussen liggende cijfers met 1 decimaal.
3.
In afwijking van het eerste lid, worden het vak culturele en kunstzinnige vorming en het vak lichamelijke opvoeding uit het gemeenschappelijk deel van elk profiel, beoordeeld met «voldoende» of «goed». Deze beoordeling gaat uit van de mogelijkheden van de leerling en geschiedt op de grondslag van het genoegzaam afsluiten van de desbetreffende vakken, zoals blijkend uit het examendossier. De eerste en tweede volzin zijn van overeenkomstige toepassing op de kunstvakken en het vak lichamelijke opvoeding uit het gemeenschappelijk deel van elke leerweg.
4.
In afwijking van het eerste lid wordt het sectorwerkstuk beoordeeld met «voldoende» of «goed». Deze beoordeling geschiedt op de grondslag van het genoegzaam voltooien van het sectorwerkstuk, zoals blijkend uit het examendossier. Het sectorwerkstuk wordt beoordeeld door ten minste twee examinatoren.
1.
Het bevoegd gezag kan bepalen dat de kandidaat die eindexamen of deeleindexamen aflegt, voor één of meer vakken het schoolexamen waarin geen centraal examen wordt afgenomen, opnieuw kan afleggen, met dien verstande dat het bevoegd gezag dit recht in elk geval verleent voor het vak maatschappijleer behorend tot het gemeenschappelijk deel van de leerwegen, indien de kandidaat voor dat vak een eindcijfer heeft behaald lager dan 6. Het herexamen omvat door het bevoegd gezag aangegeven onderdelen van het examenprogramma.
2.
Het bevoegd gezag stelt vast hoe het cijfer van het in het eerste lid bedoelde herexamen wordt bepaald. Het hoogste van de cijfers behaald bij het herexamen in een vak en bij het eerder afgelegde schoolexamen in dat vak geldt als het definitieve cijfer van het schoolexamen in dat vak.
Artikel 23. Examendossier
Het schoolexamen bestaat uit een examendossier. Het examendossier is het geheel van de onderdelen van het schoolexamen zoals gedocumenteerd in een door het bevoegd gezag gekozen vorm. Het examendossier voor het vmbo omvat tevens de resultaten die de leerling heeft behaald voor de vakken, bedoeld in artikel 24, eerste lid, of artikel 26, tweede lid, van het Inrichtingsbesluit WVO BES, voor zover in die vakken geen eindexamen is afgelegd.
1.
Onze Minister wijst voor elke school een of meer gecommitteerden aan en maakt deze aanwijzing bekend aan de scholen waarvoor zij de tweede correctie verrichten.
2.
In afwijking van het eerste lid worden voor het praktisch gedeelte van het centraal examen vmbo geen gecommitteerden aangewezen.
3.
De gecommitteerde voegt bij het gecorrigeerde werk een verklaring betreffende de verrichte correctie.
1.
Het centraal examen voor de scholen voor voortgezet onderwijs kent een eerste, tweede en derde tijdvak.
2.
Het eerste en tweede tijdvak worden afgenomen in het laatste leerjaar.
3.
Het derde tijdvak wordt aansluitend aan het laatste leerjaar afgenomen door het College voor examens.
4.
Het College voor examens kan vakken aanwijzen waarin wegens het zeer geringe aantal kandidaten, het centraal examen in het tweede tijdvak wordt afgenomen door het College voor examens.
5.
Bij toepassing van het derde of vierde lid, gelden de volgende regels:
a. de directeur deelt aan Onze Minister mee welke kandidaten het centraal examen zullen afleggen en in welke vakken;
b. de kandidaten leveren de opgaven, de door hen gemaakte aantekeningen alsmede andere door hen gemaakte stukken in bij een van degenen die toezicht houden. Het College voor examens bepaalt, in welke gevallen wordt afgeweken van de eerste volzin alsmede in welke gevallen en op welk tijdstip de opgaven, de aantekeningen en de andere stukken, bedoeld in die volzin aan de kandidaten worden teruggegeven;
c. het College voor examens deelt het door de kandidaat behaalde cijfer voor het centraal examen aan de directeur mee.
6.
Het College voor examens kan bepalen dat een toets wordt afgenomen op een tijdstip dat is gelegen voor de aanvang van het eerste tijdvak.
1.
In afwijking van artikel 25, tweede lid, kan het bevoegd gezag een leerling uit het voorlaatste of direct daaraan voorafgaande leerjaar toelaten tot het centraal examen in één of meer vakken, niet zijnde alle vakken van het eindexamen.
2.
Indien toepassing wordt gegeven aan het eerste lid, wordt het schoolexamen in dat vak of die vakken afgesloten voor aanvang van het eerste tijdvak in dat leerjaar.
3.
Artikel 37, vierde lid, en artikel 37a, vijfde lid, zijn van overeenkomstige toepassing.
4.
Indien toepassing wordt gegeven aan het eerste lid, wordt het derde tijdvak aansluitend aan het voorlaatste of direct daaraan voorafgaande leerjaar afgenomen door het College voor examens.
5.
Indien de leerling in één of meer vakken centraal examen heeft afgelegd in het voorlaatste of direct daaraan voorafgaande leerjaar, en niet is bevorderd tot het volgende leerjaar, vervallen de met dit centraal examen of deze centrale examens behaalde resultaten.
1.
De directeur deelt jaarlijks voor 1 november aan Onze Minister mede hoeveel kandidaten in elk vak aan het centraal examen in het eerste tijdvak zullen deelnemen.
2.
De directeur zendt jaarlijks ten minste drie dagen voor de aanvang van de centrale examens in het eerste tijdvak aan Onze Minister een lijst waarop voor iedere kandidaat vermeld staat in welke vakken hij centraal examen zal afleggen en waarop is aangegeven welke cijfers de kandidaat voor het schoolexamen heeft gehaald. Voor aanvang van het tweede tijdvak zendt de directeur een lijst met de kandidaten, de in het eerste tijdvak door die kandidaten behaalde cijfers, de voor zover van toepassing, alsnog behaalde cijfers voor het schoolexamen, alsmede een overzicht van het vak of de vakken waarin elke kandidaat centraal examen zal afleggen, aan Onze Minister.
3.
Het tweede lid is niet van toepassing op een bevoegd gezag dat op grond van artikel 179, tweede lid, van de wet examengegevens samen met het persoonsgebonden nummer verstrekt aan Onze Minister.
4.
Indien een examenprogramma differentiaties kent als bedoeld in artikel 6, derde lid, kan een kandidaat per tijdvak in niet meer differentiaties centraal examen afleggen dan volgens het desbetreffende programma is vereist.
1.
Onze Minister zorgt ervoor dat de opgaven, bedoeld in artikel 2, onderdeel c, van de Wet College voor examens tijdig beschikbaar worden gesteld aan de directeur van de school.
2.
De directeur zorgt ervoor, dat de opgaven voor het centraal examen geheim blijven tot de aanvang van de toets waarbij deze opgaven aan de kandidaten worden voorgelegd. Het College voor examens kan opgaven aanwijzen waarop de eerste volzin niet van toepassing is.
3.
Tijdens een toets van het centraal examen worden aan de kandidaten geen mededelingen van welke aard ook, aangaande de opgaven gedaan, uitgezonderd mededelingen van het College voor examens.
4.
De directeur draagt er zorg voor dat het nodige toezicht bij het centraal examen wordt uitgeoefend.
5.
Zij die toezicht hebben gehouden, maken een proces-verbaal op. Zij leveren dit in bij de directeur samen met het gemaakte examenwerk.
6.
Een kandidaat die te laat komt, mag tot uiterlijk een half uur na de aanvang van de toets tot die toets worden toegelaten.
7.
De aan de kandidaten voorgelegde opgaven voor een toets van het centraal examen blijven in het examenlokaal tot het einde van die toets.
1.
De directeur doet het gemaakte werk van het centraal examen met een exemplaar van de opgaven, de beoordelingsnormen en met het proces-verbaal van het examen toekomen aan de examinator in het desbetreffende vak. De examinator beoordeelt het werk zo spoedig mogelijk en past daarbij de beoordelingsnormen, bedoeld in artikel 2, tweede lid, onderdeel d, van de Wet College voor examens toe. De examinator drukt zijn beoordeling uit in de score, bedoeld in artikel 2, tweede lid, onderdeel d, van de Wet College voor examens. De examinator zendt de score en het beoordeelde werk aan de directeur.
2.
De directeur doet de van de examinator ontvangen stukken met een exemplaar van de opgaven, de beoordelingsnormen, het proces-verbaal en de regels voor het bepalen van de score, bedoeld in het eerste lid, onverwijld aan de directeur van de school, bedoeld in artikel 24, tweede lid, toekomen. Deze stelt het ter hand aan de gecommitteerde.
3.
De gecommitteerde beoordeelt het werk zo spoedig mogelijk en past daarbij toe de beoordelingsnormen en de daarbij behorende scores, bedoeld in artikel 2, tweede lid, onderdeel d, van de Wet College voor examens. Daarnaast voegt de gecommitteerde bij het gecorrigeerde werk, de in artikel 24, derde lid, bedoelde verklaring.
4.
Bij ministeriële regeling kunnen nadere voorschriften worden gegeven voor de toepassing van het eerste tot en met derde lid.
1.
De directeur draagt er zorg voor dat bij het maken van het cspe van een eindexamen vmbo, de examinator in het desbetreffende vak of programma aanwezig is. De examinator beoordeelt de prestaties tijdens het maken van de opgaven en legt zijn bevindingen van de verrichtingen van de kandidaat schriftelijk vast, volgens daartoe door het College voor examens gegeven richtlijnen. De examinator beoordeelt het werk zo spoedig mogelijk en past daarbij toe de beoordelingsnormen, bedoeld in artikel 2, tweede lid, onderdeel d, van de Wet College voor examens. De examinator drukt zijn beoordeling uit in de score, bedoeld in artikel 2, tweede lid, onderdeel d, van de Wet College voor examens. De examinator zendt de score en voor zover mogelijk het beoordeelde werk aan de directeur.
2.
Voor het cspe vmbo vindt de beoordeling tevens plaats door een tweede examinator. De tweede examinator kan een deskundige als bedoeld in artikel 72, tweede lid, van de wet of een andere examinator van de school zijn. De tweede examinator beoordeelt het resultaat van de opgaven, alsmede de verrichtingen van de kandidaat zoals blijkend uit de in het eerste lid bedoelde schriftelijke vastlegging daarvan. De directeur overhandigt de tweede examinator daartoe een exemplaar van de opgaven, de beoordelingsnormen, het proces-verbaal, alsmede de regels voor het bepalen van de score, bedoeld in het eerste lid. Artikel 29, vierde lid, is van overeenkomstige toepassing.
1.
De examinator en de gecommitteerde stellen in onderling overleg de score voor het centraal examen vast. Indien de examinator en de gecommitteerde daarbij niet tot overeenstemming komen, wordt het geschil voorgelegd aan het bevoegd gezag van de gecommitteerde. Dit bevoegd gezag kan hierover in overleg treden met het bevoegd gezag van de examinator. Indien het geschil niet kan worden beslecht, wordt hiervan melding gemaakt aan de inspectie. De inspectie kan een onafhankelijke corrector aanwijzen. De beoordeling van deze corrector komt in de plaats van de eerdere beoordelingen.
2.
De directeur stelt het cijfer voor het centraal examen in een vak vast op grond van de score, bedoeld in het eerste lid, en met inachtneming van de regels, bedoeld in artikel 2, tweede lid, onderdeel e, van de Wet College voor examens.
1.
Indien het centraal examen naar het oordeel van de inspectie niet op regelmatige wijze heeft plaatsgehad kan zij besluiten dat het geheel of gedeeltelijk voor een of meer kandidaten opnieuw wordt afgenomen.
2.
De inspectie verzoekt het College voor examens nieuwe opgaven vast te stellen en bepaalt op welke wijze en door wie het examen zal worden afgenomen.
Artikel 33. Onvoorziene omstandigheden centraal examen
Indien door onvoorziene omstandigheden het centraal examen in één of meer vakken aan één of meer scholen niet op de voorgeschreven wijze kan worden afgenomen, beslist Onze Minister hoe alsdan moet worden gehandeld.
1.
Indien een kandidaat om een geldige reden, ter beoordeling van de directeur, is verhinderd bij één of meer toetsen in het eerste tijdvak tegenwoordig te zijn, wordt hem in het tweede tijdvak de gelegenheid gegeven het centraal examen voor ten hoogste twee toetsen per dag alsnog te voltooien.
2.
Indien een kandidaat in het tweede tijdvak evenzeer verhinderd is, of wanneer hij het centraal examen in het tweede tijdvak niet kan voltooien, wordt hij in de gelegenheid gesteld in het derde tijdvak ten overstaan van het College voor examens zijn eindexamen te voltooien.
3.
De kandidaat meldt zich zo spoedig mogelijk door tussenkomst van de directeur aan bij het College voor examens. In dat geval deelt de directeur aan het College voor examens mede, wanneer dat zich voordoet, dat ten behoeve van de kandidaat toepassing is gegeven aan artikel 43, eerste, tweede dan wel derde lid, en waaruit deze toepassing bestaat.
4.
Na afloop van het derde tijdvak deelt het College voor examens het resultaat mede aan de directeur.
1.
Het eindcijfer voor alle vakken van het eindexamen wordt uitgedrukt in een geheel cijfer uit de reeks 1 tot en met 10.
2.
De directeur bepaalt het eindcijfer op het rekenkundig gemiddelde van het cijfer voor het schoolexamen en het cijfer voor het centraal examen. Indien de uitkomst van de berekening niet een geheel getal is, wordt dat getal indien het eerste cijfer achter de komma een 4 of lager is, naar beneden afgerond en indien dat cijfer een 5 of hoger is, naar boven afgerond.
3.
Indien in een vak alleen een schoolexamen is afgenomen en niet tevens een centraal examen is het cijfer voor het schoolexamen tevens het eindcijfer.
1.
De directeur en de secretaris van het eindexamen stellen in geval van een eindexamen de uitslag vast met inachtneming van artikel 37 of artikel 37a, en voor zover van toepassing artikel 40.
2.
De uitslag luidt «geslaagd» of «afgewezen».
3.
Indien dat nodig is om de kandidaat te laten slagen betrekken de directeur en de secretaris van het eindexamen een of meer eindcijfers van de vakken niet bij de bepaling van de definitieve uitslag. De overgebleven vakken dienen een eindexamen te vormen.
4.
Indien de kandidaat aan een instelling voor educatie en beroepsonderwijs examen aflegt in één vak of in een aantal vakken die samen geen eindexamen vormen, kan de kandidaat daaraan voorafgaand aan de examencommissie vavo kenbaar maken, het volledig eindexamen te willen afleggen door voor de ontbrekende vakken in aanvulling op de cijferlijst voor die vakken aan deze examencommissie één of meer van de volgende bewijsstukken te overleggen:
a. een of meer in artikel 39, eerste lid, of artikel 40, bedoelde cijferlijsten van een school voor voortgezet onderwijs, uitgereikt in een eerder jaar;
b. een of meer door een andere instelling voor educatie en beroepsonderwijs afgegeven cijferlijsten als bedoeld in artikel 39, eerste lid, of 41, eerste lid;
d. een of meer bewijzen van ontheffing als bedoeld in artikel 9, vierde lid, van dit besluit, of als bedoeld in artikel 10, vierde lid, van het Staatsexamenbesluit VO BES.
5.
Cijferlijsten worden uitsluitend bij de vaststelling van de uitslag betrokken, indien na het jaar waarin zij zijn vastgesteld, nog geen 10 jaren zijn verstreken. Bewijzen van ontheffing worden uitsluitend bij de vaststelling van de uitslag betrokken indien na het jaar waarin het onderliggende diploma, getuigschrift of ander bewijsstuk is vastgesteld, nog geen 10 jaren zijn verstreken.
6.
De kandidaat toont in voorkomend geval ten genoegen van de directeur aan dat hij recht heeft op een vrijstelling of ontheffing ingevolge de artikelen 11, 12, 13, 14, 15, 16 of 17, of ingevolge artikel 8, van dit besluit, dan wel als bedoeld in artikel 9 van het Staatsexamenbesluit VO BES.
7.
De directeur vergewist zich ervan dat het eindexamen de in de artikelen 11, 12, 13, 14, 15, 16 of 17 voorgeschreven vakken omvat.
8.
Indien de kandidaat eindexamen heeft afgelegd en in datzelfde jaar deelstaatsexamen heeft afgelegd of deeleindexamen aan een instelling voor educatie en beroepsonderwijs, worden de met het deelstaatsexamen respectievelijk deeleindexamen behaalde cijfers, indien de kandidaat daarom tijdig en schriftelijk heeft verzocht, betrokken bij de uitslagbepaling.
1.
De kandidaat die het eindexamen van een leerweg in het vmbo heeft afgelegd, is geslaagd indien:
a. het rekenkundig gemiddelde van zijn bij het centraal examen behaalde cijfers ten minste 5,5 is;
b. hij:
1°. voor één van zijn vakken waarvoor een eindcijfer is vastgesteld, als eindcijfer 5 of meer en voor de overige vakken waarvoor een eindcijfer is vastgesteld, als eindcijfer 6 of meer heeft behaald;
2°. voor één van zijn vakken waarvoor een eindcijfer is vastgesteld, als eindcijfer 4 en voor de overige vakken waarvoor een eindcijfer is vastgesteld, als eindcijfer 6 of meer waarvan ten minste één 7 of meer heeft behaald; of
3°. voor twee van zijn vakken waarvoor een eindcijfer is vastgesteld, als eindcijfer 5 heeft behaald en voor de overige vakken waarvoor een eindcijfer is vastgesteld, als eindcijfer 6 of meer waarvan ten minste één 7 of meer heeft behaald;
c. hij voor de vakken lichamelijke opvoeding en het kunstvak uit het gemeenschappelijk deel de kwalificatie «voldoende» of «goed» heeft behaald; en
d. als het een eindexamen gemengde of theoretische leerweg betreft: hij voor het sectorwerkstuk de kwalificatie «voldoende» of «goed» heeft behaald.
2.
Voor de toepassing van het eerste lid, onderdeel b, wordt het eindcijfer van het afdelingsvak of het intrasectorale of intersectorale programma in de basisberoepsgerichte en de kaderberoepsgerichte leerweg meegerekend als twee eindcijfers.
3.
In afwijking van het eerste lid, is de kandidaat die eindexamen van een leerweg in het vmbo heeft afgelegd ter afsluiting van een leerwerktraject als bedoeld in artikel 19 van de wet geslaagd indien hij voor het beroepsgerichte programma ten minste het eindcijfer 6 en voor het vak Nederlandse taal ten minste het eindcijfer 5 heeft behaald. Indien de vakken waarin examen is afgelegd, tezamen een eindexamen vormen van de basisberoepsgerichte leerweg, bedoeld in artikel 18 van de wet, zijn het eerste en tweede lid van overeenkomstige toepassing.
4.
Zodra de eindcijfers en indien mogelijk de uitslag zijn vastgesteld, maakt de directeur deze schriftelijk aan de kandidaat bekend, onder mededeling van het in artikel 38 bepaalde. De uitslag is de definitieve uitslag indien artikel 38, eerste lid, geen toepassing vindt.
1.
De kandidaat die eindexamen vwo of havo heeft afgelegd, is geslaagd indien:
a. het rekenkundig gemiddelde van zijn bij het centraal examen behaalde cijfers ten minste 5,5 is;
b. hij voor één van de vakken Nederlandse taal en literatuur, Engelse taal en literatuur en voor zover van toepassing wiskunde A, wiskunde B of wiskunde C als eindcijfer 5 of meer heeft behaald en hij voor het andere vak dan wel vakken, genoemd in dit subonderdeel als eindcijfer 6 of meer heeft behaald;
c. hij onverminderd onderdeel b:
1°. voor één van zijn vakken waarvoor een eindcijfer is vastgesteld, als eindcijfer 5 of meer en voor de overige vakken waarvoor een eindcijfer is vastgesteld, als eindcijfer 6 of meer heeft behaald;
2°. voor één van zijn vakken waarvoor een eindcijfer is vastgesteld, als eindcijfer 4 en voor de overige vakken waarvoor een eindcijfer is vastgesteld, als eindcijfer 6 of meer heeft behaald, en het gemiddelde van de eindcijfers ten minste 6,0 bedraagt;
3°. voor twee van zijn vakken waarvoor een eindcijfer is vastgesteld, als eindcijfer 5 heeft behaald en voor de overige vakken waarvoor een eindcijfer is vastgesteld, als eindcijfer 6 of meer heeft behaald, en het gemiddelde van de eindcijfers ten minste 6,0 bedraagt; of
4°. voor één van de vakken waarvoor een eindcijfer is vastgesteld als eindcijfer 4 en voor één van deze vakken als eindcijfer 5 heeft behaald en voor de overige vakken waarvoor een eindcijfer is vastgesteld, als eindcijfer 6 of meer heeft behaald, en het gemiddelde van de eindcijfers ten minste 6,0 bedraagt;
d. hij voor geen van de onderdelen, genoemd in het tweede lid, lager dan het eindcijfer 4 heeft behaald; en
e. hij voor de vakken culturele en kunstzinnige vorming en lichamelijke opvoeding van het gemeenschappelijk deel van elk profiel de kwalificatie «voldoende» of «goed» heeft behaald.
2.
Bij de uitslagbepaling volgens het eerste lid, wordt het gemiddelde van de eindcijfers van ten minste de volgende onderdelen aangemerkt als het eindcijfer van één vak, voor zover voor deze onderdelen een eindcijfer is bepaald: maatschappijleer en het profielwerkstuk. Het bevoegd gezag kan daaraan toevoegen:
a. literatuur, als onderdeel van alle afzonderlijke moderne talen, met dien verstande dat indien het bevoegd gezag daartoe niet besluit, literatuur voor de bepaling van de eindcijfers een onderdeel is van het schoolexamen van de desbetreffende taal en literatuur;
b. algemene natuurwetenschappen in het havo en vwo;
c. bij bijzondere scholen: godsdienst of levensbeschouwelijk vormingsonderwijs, met dien verstande dat indien het bevoegd gezag daartoe niet besluit, godsdienst of levensbeschouwelijk vormingsonderwijs geen onderdeel is van het eindexamen, tenzij Onze Minister daarvoor goedkeuring heeft verleend met toepassing van artikel 11, eerste lid, onder c, artikel 12, eerste lid, onder c, of artikel 13, eerste lid, onder c.
3.
Indien het bevoegd gezag toepassing geeft aan de tweede volzin van het tweede lid, wordt in het examenreglement, bedoeld in artikel 18, vermeld welk onderdeel of welke onderdelen worden toegevoegd.
4.
De directeur bepaalt het eindcijfer, bedoeld in het tweede lid, als het rekenkundig gemiddelde van de eindcijfers van de samenstellende onderdelen. Indien de uitkomst van deze berekening niet een geheel getal is, wordt dat getal indien het eerste cijfer achter de komma een 4 of lager is, naar beneden afgerond en indien dat cijfer een 5 of hoger is, naar boven afgerond.
5.
Zodra de eindcijfers en indien mogelijk de uitslag zijn vastgesteld, maakt de directeur deze schriftelijk aan de kandidaat bekend, onder mededeling van het in artikel 38 bepaalde. De uitslag is de definitieve uitslag indien artikel 38, eerste lid, geen toepassing vindt.
1.
De kandidaat heeft voor één vak van het eindexamen waarin hij reeds centraal examen heeft afgelegd, nadat ingevolge artikel 37, vierde lid, of artikel 37a, vijfde lid, de eindcijfers zijn bekendgemaakt, het recht om in het tweede tijdvak of, indien artikel 34, eerste lid, van toepassing is, in het derde tijdvak, opnieuw deel te nemen aan het centraal examen of aan het cspe, met dien verstande dat indien het betreft het eindexamen van de basis- of kaderberoepsgerichte leerweg in het vmbo, dit recht eveneens bestaat voor het cspe af te nemen door het bevoegd gezag aansluitend aan het eerste tijdvak of in het tweede tijdvak. De herkansing van het cspe bestaat uit het opnieuw afleggen van deze toets of van één of meer onderdelen daarvan.
2.
De kandidaat stelt de directeur voor een door deze laatste te bepalen dag en tijdstip schriftelijk in kennis van gebruikmaking van het in het eerste lid bedoelde recht.
3.
Het hoogste van de cijfers behaald bij de herkansing en bij het eerder afgelegde centraal examen geldt als definitief cijfer voor het centraal examen.
4.
Na afloop van de herkansing in het laatste leerjaar wordt de uitslag definitief vastgesteld met overeenkomstige toepassing van artikel 36 en wordt deze schriftelijk aan de kandidaat bekendgemaakt.
5.
Na afloop van een herkansing in het voorlaatste of direct daaraan voorafgaande leerjaar wordt het eindcijfer schriftelijk aan de kandidaat bekendgemaakt.
6.
Het eerste tot en met vierde lid zijn van overeenkomstige toepassing op de vakken waarin in een examenjaar deeleindexamen is afgelegd. De kandidaat die in een examenjaar zowel eindexamen als een of meer deeleindexamens aflegt, oefent het in het eerste lid bedoelde recht per examenjaar ten hoogste eenmaal uit.
1.
De directeur reikt op grond van de definitieve uitslag aan elke kandidaat die eindexamen heeft afgelegd, een cijferlijst uit waarop voor zover van toepassing zijn vermeld:
a. de cijfers voor het schoolexamen en de cijfers voor het centraal examen,
b. voor vwo en havo het vak of de vakken en het onderwerp of de titel van het profielwerkstuk,
c. voor vmbo het thema van het sectorwerkstuk, alsmede de beoordeling van het sectorwerkstuk,
d. de beoordeling van de vakken culturele en kunstzinnige vorming en lichamelijke opvoeding in vwo en havo,
e. de beoordeling van het kunstvak en het vak lichamelijke opvoeding uit het gemeenschappelijk deel van de leerweg in mavo en vbo,
f. volgens welke differentiatie, bedoeld in artikel 6, derde lid, is geëxamineerd,
g. de eindcijfers voor de examenvakken met inbegrip van het cijfer bepaald op grond van artikel 37a, tweede lid, en
h. de uitslag van het eindexamen.
2.
De directeur reikt op grond van de definitieve uitslag aan elke voor het eindexamen geslaagde kandidaat, daaronder mede begrepen de kandidaat die zijn eindexamen met gunstig gevolg heeft voltooid ten overstaan van het College voor examens, een diploma uit, waarop het profiel of de profielen zijn vermeld die bij de uitslag zijn betrokken. Op het diploma vmbo is in elk geval de leerweg vermeld die bij de uitslag is betrokken.
3.
Indien een kandidaat in meer vakken examen heeft afgelegd dan in de vakken die ten minste samen een eindexamen vormen, worden de vakken die niet bij de bepaling van de uitslag zijn betrokken, op de cijferlijst vermeld, tenzij de kandidaat daartegen bedenkingen heeft geuit.
4.
Onze Minister stelt het model van de cijferlijst vast.
5.
Voor de vermelding op de cijferlijst van vakken waarvoor de kandidaat vrijstelling of ontheffing is verleend bij het eindexamen geldt het volgende:
a. indien het betreft het eindexamen vwo of het eindexamen havo:
1°. de vakken culturele en kunstzinnige vorming en lichamelijke opvoeding van het gemeenschappelijk deel worden niet vermeld op de cijferlijst indien de kandidaat het eindexamen aflegt aan een instelling voor educatie en beroepsonderwijs;
2°. het vak maatschappijleer waarvoor de kandidaat bij het eindexamen vwo is vrijgesteld op grond van het bezit van een diploma havo, wordt niet vermeld op de cijferlijst;
3°. vakken waarvoor de kandidaat is vrijgesteld op grond van artikel 8 van dit besluit of artikel 9 van het Staatsexamenbesluit VO BES, worden vermeld op de cijferlijst, met vermelding van het eerder behaalde cijfer;
4°. vakken waarvoor de kandidaat bij het eindexamen vwo is vrijgesteld op grond van een eerder afgelegd eindexamen havo of eindexamen vmbo waarvan deze vwo-vakken deel uitmaakten, worden vermeld op de cijferlijst, met vermelding van het eerder behaalde cijfer;
5°. vakken waarvoor de kandidaat bij het eindexamen havo is vrijgesteld op grond van een eerder afgelegd eindexamen vmbo waarvan deze vakken dan wel de overeenkomstige vakken, bedoeld in artikel 40, achtste lid, van de wet, deel uitmaakten, worden vermeld op de cijferlijst, met vermelding van het eerder behaalde cijfer;
6°. andere vakken waarvoor de kandidaat vrijstelling of ontheffing is verleend, worden vermeld op de cijferlijst, zonder vermelding van een cijfer;
b. indien het betreft het eindexamen vmbo:
1°. de vakken behorende tot de beeldende vorming, muziek, dans, drama en lichamelijke opvoeding van het gemeenschappelijk deel worden niet vermeld op de cijferlijst indien de kandidaat het eindexamen aflegt aan een instelling voor educatie en beroepsonderwijs;
2°. vakken waarvoor de kandidaat is vrijgesteld op grond van artikel 8 van dit besluit of artikel 9 van het Staatsexamenbesluit VO BES, worden vermeld op de cijferlijst, met vermelding van het eerder behaalde cijfer;
3°. vakken waarvoor de kandidaat bij het eindexamen vmbo voor zover het betreft de theoretische leerweg, is vrijgesteld op grond van een eerder afgelegd eindexamen vmbo voor zover het betreft de kaderberoepsgerichte leerweg of de basisberoepsgerichte leerweg waarvan deze vakken dan wel de overeenkomstige vakken, bedoeld in artikel 16, negende lid, van de wet, deel uitmaakten, worden vermeld op de cijferlijst, met vermelding van het eerder behaalde cijfer;
4°. vakken waarvoor de kandidaat op grond van artikel 15, zevende lid, artikel 16, vijfde lid, of artikel 17, vijfde lid, bij het eindexamen vmbo zijn vrijgesteld, worden vermeld op de cijferlijst, met vermelding van het eerder behaalde cijfer;
5°. vakken die op grond van artikel 14, zevende lid, zijn gekozen in aanvulling op de daar bedoelde voorgeschreven vakken, worden vermeld op de cijferlijst, met vermelding van het daarvoor behaalde cijfer;
6°. andere vakken waarvoor de kandidaat vrijstelling of ontheffing is verleend, worden vermeld op de cijferlijst, zonder vermelding van een cijfer.
6.
De directeur en de secretaris van het eindexamen ondertekenen de diploma’s en de cijferlijsten.
7.
Indien de kandidaat in een bepaald jaar is geslaagd voor het eindexamen, draagt de directeur er op verzoek van de kandidaat zorg voor dat de behaalde cijfers voor de vakken waarin in datzelfde jaar deeleindexamen of deelstaatsexamen is afgelegd, worden vermeld op de cijferlijst.
8.
De directeur van een scholengemeenschap die in elk geval een school voor mavo omvat, reikt op verzoek van de kandidaat die met goed gevolg het examen vmbo in de gemengde leerweg aan die school heeft afgelegd en bovendien examen heeft afgelegd in een extra algemeen vak en met het meetellen van dat vak voldoet aan artikel 37 voor zover het betreft de uitslag van het eindexamen vmbo in de theoretische leerweg, het diploma vmbo van de theoretische leerweg uit.
1.
Een kandidaat is geslaagd voor het eindexamen vwo met toekenning van het judicium cum laude indien zijn examen voldoet aan de volgende voorschriften:
a. ten minste het gemiddelde eindcijfer 8,0, berekend op basis van de eindcijfers voor:
1°. de vakken in het gemeenschappelijke deel van het profiel, het eindcijfer berekend op grond van artikel 37a, tweede lid, en de vakken van het profieldeel, en
2°. het vak uit het vrije deel waarvoor het hoogste eindcijfer is vastgesteld, en
b. ten minste het eindcijfer 7 of ten minste de kwalificatie «voldoende» voor alle vakken die meetellen bij de uitslagbepaling op grond van artikel 37a.
2.
Een kandidaat is geslaagd voor het eindexamen havo met toekenning van het judicium cum laude indien zijn examen voldoet aan de volgende voorschriften:
a. ten minste het gemiddelde eindcijfer 8,0, berekend op basis van de eindcijfers voor:
1°. de vakken in het gemeenschappelijke deel van het profiel, het eindcijfer berekend op grond van artikel 37a, tweede lid, en de vakken van het profieldeel, en
2°. het vak uit het vrije deel waarvoor het hoogste eindcijfer is vastgesteld, en
b. ten minste het eindcijfer 6 of ten minste de kwalificatie «voldoende» voor alle vakken die meetellen bij de uitslagbepaling op grond van artikel 37a.
3.
Een kandidaat is geslaagd voor het eindexamen vmbo theoretische leerweg of gemengde leerweg met toekenning van het judicium cum laude indien zijn examen voldoet aan de volgende voorschriften:
a. ten minste het gemiddelde eindcijfer 8,0, berekend op basis van de eindcijfers voor:
1°. de vakken Nederlandse taal, Engelse taal en maatschappijleer, en de vakken van het sectordeel, en
2°. het vak uit het vrije deel, waarvoor het hoogste eindcijfer is vastgesteld, en
b. ten minste het eindcijfer 6 of ten minste de kwalificatie «voldoende» voor het sectorwerkstuk en alle vakken die meetellen bij de uitslagbepaling op grond van artikel 37.
4.
Een kandidaat is geslaagd voor het eindexamen vmbo basisberoepsgerichte leerweg of kaderberoepsgerichte leerweg met toekenning van het judicium cum laude indien zijn examen voldoet aan de volgende voorschriften:
a. ten minste het gemiddelde eindcijfer 8,0, berekend op basis van:
1°. de eindcijfers voor de twee algemene vakken uit het sectordeel, en
2°. twee maal het eindcijfer voor het afdelingsvak, intrasectorale programma of intersectorale programma uit het vrije deel, en
b. ten minste het eindcijfer 6 of ten minste de kwalificatie «voldoende» voor alle vakken die meetellen bij de uitslagbepaling op grond van artikel 37.
Artikel 39b. Atheneumdiploma aan een gymnasium
De directeur van een scholengemeenschap of school voor vwo die gymnasium verzorgt, kan in plaats van een diploma gymnasium een diploma atheneum uitreiken aan een kandidaat indien:
a. de scholengemeenschap of school voor vwo atheneum onderwijs verzorgt;
b. de scholengemeenschap of school voor vwo overeenkomstig artikel 44 van de wet kenbaar heeft gemaakt dat het behalen van een diploma atheneum en het volgen van atheneumonderwijs mogelijk is; en
c. de kandidaat staat ingeschreven voor atheneum onderwijs.
1.
Indien de kandidaat een centraal examen of een afsluitend schoolexamen in één of meer vakken heeft afgelegd in het voorlaatste of direct daaraan voorafgaande leerjaar en vervolgens de school verlaat zonder het eindexamen te voltooien, verstrekt de directeur hem een voorlopige cijferlijst.
2.
Op de voorlopige cijferlijst worden het vak of de vakken waarin de kandidaat centraal examen heeft afgelegd vermeld, alsmede het cijfer van het schoolexamen, het cijfer van het centraal examen en het eindcijfer, met de aantekening of gebruik is gemaakt van de herkansingsmogelijkheid.
3.
Indien de kandidaat een afsluitend schoolexamen heeft afgelegd wordt de beoordeling of het cijfer daarvan vermeld op de voorlopige cijferlijst.
4.
Onze Minister stelt het model van de voorlopige cijferlijst vast.
1.
De examencommissie vavo reikt aan de kandidaat die deeleindexamen heeft afgelegd aan een instelling voor educatie en beroepsonderwijs, een cijferlijst uit waarop zijn vermeld, voor zover van toepassing:
a. de cijfers voor het schoolexamen en het centraal examen,
b. voor het vwo en havo het vak of de vakken en het onderwerp of de titel van het profielwerkstuk,
c. voor het vmbo het thema alsmede de beoordeling van het sectorwerkstuk, en
d. de eindcijfers voor de examenvakken met inbegrip van het cijfer, bepaald op grond van artikel 37a, tweede lid.
2.
De examencommissie vavo reikt aan de in het eerste lid bedoelde kandidaat, alsmede aan de kandidaat aan wie op grond van de definitieve uitslag niet op grond van 39, tweede lid, een diploma kan worden uitgereikt, een certificaat uit, waarop zijn vermeld, voor zover van toepassing:
a. het vak of de vakken waarvoor de kandidaat een eindcijfer 6 of meer heeft behaald,
b. voor het vwo en havo het vak of de vakken en het onderwerp of de titel van het profielwerkstuk, en
c. voor het vmbo het thema van het sectorwerkstuk, voor zover beoordeeld met «goed» of «voldoende».
3.
De directeur reikt aan de definitief voor het eindexamen vmbo afgewezen kandidaat die de school verlaat en die voor een of meer vakken van dat eindexamen een eindcijfer 6 of meer heeft behaald, een certificaat uit, waarop zijn vermeld, voor zover van toepassing:
a. het vak of de vakken waarvoor de kandidaat een eindcijfer 6 of meer heeft behaald, en
b. het thema van het sectorwerkstuk, voor zover beoordeeld met «goed» of voldoende».
4.
Onze Minister stelt het model van het certificaat en de cijferlijst vast.
1.
Duplicaten van afgegeven diploma’s, certificaten, bewijzen van ontheffing en cijferlijsten worden niet verstrekt.
2.
Een schriftelijke verklaring dat een in het eerste lid bedoeld document is afgegeven, welke verklaring dezelfde waarde heeft als dat document zelf, kan uitsluitend door Onze Minister worden verstrekt.
1.
De directeur kan toestaan dat een gehandicapte kandidaat het examen geheel of gedeeltelijk aflegt op een wijze die is aangepast aan de mogelijkheden van die kandidaat. In dat geval bepaalt de directeur de wijze waarop het examen zal worden afgelegd, met dien verstande dat aan de overige bepalingen in dit besluit wordt voldaan. Hij doet hiervan zo spoedig mogelijk mededeling aan de inspectie.
2.
Tenzij sprake is van een objectief waarneembare lichamelijke handicap, geldt ten aanzien van de in het eerste lid bedoelde aangepaste wijze van examineren dat:
a. er een deskundigenverklaring is die door een ter zake deskundige psycholoog of orthopedagoog is opgesteld,
b. de aanpassing voor zover betrekking hebbend op het centraal examen in ieder geval kan bestaan uit een verlenging van de duur van de desbetreffende toets van het centraal examen met ten hoogste 30 minuten, en
c. een andere aanpassing slechts kan worden toegestaan voor zover daartoe in de onder a genoemde deskundigenverklaring ten aanzien van betrokkene een voorstel wordt gedaan dan wel indien de aanpassing aantoonbaar aansluit bij de begeleidingsadviezen, vermeld in die deskundigenverklaring.
3.
Het bevoegd gezag kan in verband met onvoldoende beheersing van de Nederlandse taal afwijken van de voorschriften gegeven bij of krachtens dit besluit, ten aanzien van een kandidaat die met inbegrip van het schooljaar waarin hij eindexamen aflegt, ten hoogste zes jaren Nederlandstalig onderwijs heeft gevolgd en voor wie het Nederlands niet de moedertaal is. De in de eerste volzin bedoelde afwijking kan betrekking hebben op:
a. het vak Nederlandse taal en literatuur;
b. het vak Nederlandse taal;
c. enig ander vak waarbij het gebruik van de Nederlandse taal van overwegende betekenis is.
4.
De in het derde lid bedoelde afwijking bestaat voor zover betrekking hebbend op het centraal examen slechts uit een verlenging van de duur van de desbetreffende toets van het centraal examen met ten hoogste 30 minuten en het verlenen van toestemming tot het gebruik van een verklarend woordenboek der Nederlandse taal.
5.
Van elke afwijking op grond van het derde lid wordt mededeling gedaan aan de inspectie.
1.
Zo spoedig mogelijk na de vaststelling van de eindcijfers in het voorlaatste of direct daaraan voorafgaande leerjaar, voor zover van toepassing, en na de vaststelling van de definitieve uitslag stuurt het bevoegd gezag aan Onze Minister en aan de inspectie een opgave waarop voor de kandidaten voor zover van toepassing zijn vermeld:
a. het profiel of de profielen danwel de leerweg waarop het examen betrekking heeft;
b. de vakken waarin examen is afgelegd;
c. de cijfers van het schoolexamen alsmede in voorkomend geval, het vak of de vakken waarop het profielwerkstuk betrekking heeft en de beoordeling en het thema van het sectorwerkstuk;
d. de cijfers van het centraal examen;
e. de eindcijfers;
f. de uitslag van het eindexamen.
2.
Het eerste lid is niet van toepassing op een bevoegd gezag dat op grond van artikel 179, tweede lid, van de wet of op grond van artikel 2.3.4, tweede lid van de Wet educatie en beroepsonderwijs BES examengegevens samen met het persoonsgebonden nummer verstrekt aan Onze Minister.
1.
Het werk van het centraal examen der kandidaten wordt gedurende ten minste zes maanden na de vaststelling van de uitslag bewaard door de directeur, ter inzage voor belanghebbenden.
2.
Een door de directeur en de secretaris van het eindexamen ondertekend exemplaar van de opgave, bedoeld in artikel 44 wordt gedurende ten minste zes maanden na de vaststelling van de uitslag in het archief van de school bewaard.
3.
De directeur draagt er zorg voor dat een volledig stel van de bij de centrale examens gebruikte opgaven gedurende ten minste zes maanden na de vaststelling van de uitslag bewaard blijft in het archief van de school.
4.
Een kandidaat die voor een vak ten overstaan van het College voor examens centraal examen aflegt met geheime opgaven, kan omtrent zijn werk gedurende genoemde periode van zes maanden inlichtingen inwinnen bij het College voor examens.
Artikel 46. Afwijkende inrichting examen
Ten behoeve van experimenten met een andere inrichting van het eindexamen kan Onze Minister toestaan dat van dit besluit wordt afgeweken.
1.
Het bevoegd gezag kan, de inspectie gehoord, toestaan dat een kandidaat die in het laatste leerjaar langdurig ziek is, en een kandidaat die lange tijd ten gevolge van een bijzondere, van de wil van de kandidaat onafhankelijke omstandigheid niet in staat is geweest het onderwijs in alle betrokken eindexamenvakken gedurende het laatste leerjaar te volgen, het centraal examen en in voorkomend geval het schoolexamen, voor een deel van de vakken in het ene schooljaar en voor het andere deel in het daarop volgende schooljaar aflegt. In dat geval wordt het eindexamen in een vak in het eerste of in het tweede van deze schooljaren afgesloten.
2.
Het bevoegd gezag geeft zijn in het eerste lid bedoelde toestemming uiterlijk voor de aanvang van het eerste tijdvak van het centraal examen. In bijzondere gevallen kan het bevoegd gezag afwijken van de eerste volzin ten behoeve van een kandidaat die nog niet in alle betrokken eindexamenvakken centraal examen heeft afgelegd.
3.
Artikel 38, eerste tot en met vierde lid, is ten aanzien van de kandidaat van toepassing in het eerste en in het tweede schooljaar van het gespreid centraal examen, met dien verstande dat het in dat artikel bedoelde recht in het eerste schooljaar ontstaat nadat de eindcijfers van de vakken waarvoor in het eerste schooljaar het centraal examen is afgesloten, voor de eerste maal zijn vastgesteld.
4.
Zo spoedig mogelijk na de vaststelling van de eindcijfers, behaald tot en met het eerste schooljaar van het gespreid centraal examen, zendt het bevoegd gezag aan Onze Minister een opgave waarop voor die kandidaat zijn vermeld de gegevens, genoemd in artikel 44, onderdelen a tot en met e.
5.
De directeur en de secretaris stellen op verzoek van de kandidaat de uitslag van het eindexamen reeds vast aan het einde van het eerste schooljaar van het gespreid centraal examen of het gespreid schoolexamen, met overeenkomstige toepassing van artikel 37 of artikel 37a.
Artikel 47a. Hardheidsclausule
Onze Minister kan bij of krachtens dit besluit vastgestelde voorschriften buiten toepassing laten of daarvan afwijken voor zover onverkorte toepassing zal leiden tot onbillijkheden van overwegende aard.
Artikel 48. Gelegenheid afleggen examens oude stijl
De eindexamens, bedoeld in artikel 32 van de Landsverordening voortgezet onderwijs, zoals deze luidde op 9 oktober 2010, worden voor de laatste maal afgenomen aan het einde van het schooljaar:
a. 2014–2015 voor de eindexamens voorbereidend secundair beroepsonderwijs als bedoeld in artikel 9 van voornoemde landsverordening;
b. 2015–2016 voor de eindexamens hoger algemeen voortgezet onderwijs als bedoeld in artikel 8 van voornoemde landsverordening;
c. 2016–2017 voor de eindexamens voorbereidend wetenschappelijk onderwijs als bedoeld in artikel 7 van voornoemde landsverordening.
1.
Dit besluit treedt, met uitzondering van de artikelen 9, zesde lid, 39, vierde lid, 40, vierde lid en 41, vierde lid in werking met ingang van 1 augustus 2011 in Bonaire, Sint Eustatius en Saba.
2.
De artikelen 9, zesde lid, 39, vierde lid, 40, vierde lid en 41, vierde lid treden in werking met ingang van 1 januari 2012 in Bonaire, Sint Eustatius en Saba.
Artikel 50. Citeertitel
Dit besluit wordt aangehaald als: Eindexamenbesluit VO BES.
Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.
’s-Gravenhage, 28 april 2011
De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,
De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,
Uitgegeven de twintigste mei 2011
De Minister van Veiligheid en Justitie,