Rechtenmedia.nl - Juridische Online Uitgeverij  Rechtennieuws.nl | Jure.nl | Maxius.nl | Parlis.nl | Rechtenforum.nl | JBmatch.nl | MijnWetten.nl | AdvocatenZoeken.nl | Rechtentotaal.nl
Circulaire particuliere beveiligingsorganisaties en recherchebureaus
Bwb-id:
Officiele titel:
Citeertitel:
Soort regeling:
Wetsfamilies:
Eerst verantwoordelijk ministerie:

Geldigheidsdatum:
Ingangsdatum:
Inhoudsopgave
1. Vergunningprocedure
1.1. Aanvraag eerste vergunning
1.2. Aanvraag verlenging vergunning
1.3. Kosten
2. Toestemming
2.1. Betrouwbaarheid
2.1.1. Hardheidsclausule
2.2. Bekwaamheid
2.2.1. Event Security Officer
2.2.2. Centralist Alarmcentrale
2.3. Bestuursorganen
2.4. Leidinggevend personeel
2.5. Geldigheidsduur toestemming
2.6. Verklaring van betrouwbaarheid
3. Legitimatiebewijzen
3.1. Uitvoering
3.2. Gegevens
3.3. Geldigheidsduur
3.4. Toezicht op naleving opleidingseisen
3.5. Inneming
3.6. Register
3.7. Bestelling
4. Uniform
4.1. Goedkeuring
4.2. Ontheffing
4.3. Uitlenen van personeel
5. Ontheffing opleidingseisen
6. Instructie van het personeel
7. Klachtenregeling
8. Handboeien
9. Wet bescherming persoonsgegevens
10. Particuliere alarmcentrales
12. Rol commandant Koninklijke Marechaussee
13. Beleidsregels bestuurlijke boete
Algemeen
Overtredingen
Toepassing
14. Particuliere beveiligingsorganisaties en recherchebureaus die geen vestiging hebben in Nederland
Vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature

Juridisch advies nodig?
Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag
Geschiedenis

Geschiedenis-overzicht
Jurisprudentie
Voorbeelden van het gebruik van deze artikel(en) in rechterlijke uitspraken
Let op. Deze wet is vervallen op 1 mei 2014. U leest nu de tekst die gold op 30 april 2014.

Circulaire particuliere beveiligingsorganisaties en recherchebureaus

Circulaire particuliere beveiligingsorganisaties en recherchebureaus
Voorliggende circulaire, die kan worden aangehaald als Circulaire particuliere beveiligingsorganisaties en recherchebureaus, vervangt mijn circulaire van 1 april 1994 (nr. 421621/594/DR). Deze circulaire bevat regels met betrekking tot de aanvraag voor (verlenging van) vergunningen voor particuliere beveiligingsorganisaties en recherchebureaus, goedkeuring van uniformen, legitimatiebewijzen, instructies, een klachtenregeling, de toestemming voor leidinggevenden om met de leiding van een beveiligingsorganisatie of een recherchebureau te worden belast en voor werknemers van particuliere beveiligingsorganisaties en recherchebureaus om werkzaamheden te mogen verrichten voor genoemde organisaties of bureaus en toestemming voor het dragen van handboeien.
1.1. Aanvraag eerste vergunning
Verzoeken om een vergunning van particuliere beveiligingsorganisaties of recherchebureaus worden rechtstreeks bij mij ingediend. Bij de aanvraag van de vergunning worden de in bijlage 1 bij deze circulaire genoemde gegevens en bescheiden overgelegd.
Na ontvangst van de vergunningaanvraag worden door mij inlichtingen en advies ingewonnen bij de korpschef in de regio waar de beveiligingsorganisatie of het recherchebureau zijn hoofdvestiging heeft. Ik verzoek de korpschef daarbij met name in te gaan op de vraag of, gelet op de voornemens en antecedenten van de aanvrager of van personen die het beleid van de aanvrager bepalen, naar redelijke verwachting zal worden voldaan aan de bij of krachtens artikel 6 tot en met 10 van de wet gestelde regels en ook overigens zal worden gehandeld in overeenstemming met hetgeen van een goede beveiligingsorganisatie of een goed recherchebureau in het maatschappelijk verkeer mag worden verwacht.
Bij een positieve beslissing op het verzoek zal een afschrift van de vergunning worden gezonden aan de desbetreffende korpschef. Een vergunning wordt verleend voor een periode van maximaal 5 jaar.
1.2. Aanvraag verlenging vergunning
Een eenmaal verleende vergunning kan telkens worden verlengd voor een periode van maximaal 5 jaar.
Bij het verzoek om verlenging van de vergunning kan gebruik worden gemaakt van het als bijlage 2 bij deze circulaire gevoegde formulier ’Aanvraag verlenging vergunning’.
a. De betrokken organisatie dient een verzoek om verlenging van de vergunning bij mij in. Vervolgens vraag ik de korpschef van het politiekorps in de regio waar de organisatie, of een onderdeel van de organisatie, is gevestigd, om inlichtingen en advies. Bij de aanvraag voor verlenging legt de particuliere beveiligingsorganisatie of het recherchebureau een lijst over met de namen van de gemeenten waar de beveiligingsorganisatie of het recherchebureau ten tijde van de aanvraag beveiligingswerkzaamheden of recherchewerkzaamheden verricht.
b. Aan de hand van de bij het verzoek overgelegde lijst van gemeenten waar de organisatie ten tijde van de aanvraag werkzaamheden verricht, kan de korpschef een onderzoek instellen naar de verrichtingen van de beveiligingsorganisatie of het recherchebureau in andere gemeenten.
Het zal in sommige gevallen ondoenlijk zijn om in alle op de lijst vermelde gemeenten een onderzoek in te stellen. In die gevallen kan worden volstaan met een onderzoek waarbij in enkele (op de lijst vermelde) gemeenten wordt nagegaan of de onderhavige organisatie of het onderhavige bureau zich heeft gehouden aan de geldende voorschriften.
Indien blijkt, dat een particuliere beveiligingsorganisatie of particulier recherchebureau zich niet houdt aan de gestelde voorschriften, verzoek ik de betrokken korpschef mij hiervan – ook tussentijds – schriftelijk in kennis te stellen.
c. De korpschef zendt zijn advies rechstreeks aan mij.
d. Bij een positieve beslissing op het verzoek, zal een afschrift van de vergunning worden gezonden aan de desbetreffende korpschef.
1.3. Kosten
De kosten voor het verlenen en het verlengen van een vergunning bedragen € 428,92. Dit bedrag moet op het moment dat afgifte van de vergunning of verlenging daarvan aan de orde is worden overgemaakt aan het ministerie van Justitie. Indien afgifte dan wel verlenging van de vergunning kan plaatsvinden wordt de aanvrager daarover door de minister van Justitie bericht, met het verzoek tot betaling over te gaan.
Hieronder treft u een overzicht van kosten voor vergunningaanvraag, verlenging van de vergunning, toestemming en legitimatiebewijs zoals deze op grond van de wet en regeling met ingang van 1 april 1999 gelden.
Verlenen en verlengen vergunning: € 428,92 (aan Minister van Justitie) o.g.v. art. 4, zevende lid van de wet jo. art. 24, eerste lid, van de regeling.
Legitimatiebewijs: € 14,52 (aan korpschef/Kmar) o.g.v. art. 6 onder e van de wet jo artikel 24, eerste lid, van de regeling.
Toestemming tewerkstelling personeel (geen leiding): € 52,18 (aan korpschef/ commandant Kmar) o.g.v. art. 7, zevende lid, van de wet jo art. 24, derde lid, van de regeling.
Voor de toestemming voor leidinggevenden o.g.v. artikel 7, zevende lid van de regeling, bedragen de kosten € 52,18. Dit bedrag moet bij het indienen van het verzoek worden overgemaakt aan de Minister van Justitie. Deze verplichting en de overige wijzigingen van de vergoeding van de kosten genoemd in artikel 24 van de regeling gelden vanaf 1 januari 2008. Bepalend voor de berekening van de kosten is het moment waarop de aanvraag ontvangen wordt. De vergoeding van de kosten zal verder worden geïndexeerd. De telkens per 1 januari vastgestelde bedragen zullen worden gepubliceerd op www.justitie.nl, onderdeel opsporing en handhaving, subonderwerp particuliere beveiliging en recherche.
2. Toestemming
Relevante artikelen: artikelen 7 en 10 eerste en zesde lid, van de wet; artikelen 5, 7, 8, 9, 10, 24 derde lid en 26, van de regeling.
In artikel 7 van de wet is opgenomen dat een beveiligingsorganisatie of een recherchebureau geen personen te werk mag stellen voordat voor deze personen toestemming is verkregen van de korpschef of (als het om leidinggevenden gaat) van de minister. Toestemming is vereist voor al het personeel van een beveiligingsorganisatie of een recherchebureau en dus niet uitsluitend voor het personeel dat beveiligings- of recherchewerkzaamheden verricht.
De toestemming wordt onthouden als de desbetreffende persoon niet beschikt over de betrouwbaarheid en bekwaamheid die nodig zijn voor het te verrichten werk.
Hieronder wordt aangegeven welke criteria gelden voor het bepalen van betrouwbaarheid en bekwaamheid.
2.1. Betrouwbaarheid
De toestemming aan personen bedoeld in artikel 7, eerste en tweede lid, van de wet wordt onthouden indien:
a. de betrokkene binnen vier jaar voorafgaande aan het moment van toetsing bij onherroepelijk geworden rechterlijke uitspraak is veroordeeld wegens het plegen van een misdrijf waarbij een geldboete is opgelegd, of
b. de betrokkene binnen acht jaar voorafgaande aan het moment van toetsing bij onherroepelijk geworden rechterlijke uitspraak is veroordeeld wegens het plegen van een misdrijf waarbij een vrijheidsstraf is opgelegd, of
c. op grond van andere omtrent betrokkene bekende en relevante feiten kan worden aangenomen dat:
deze niet voldoende betrouwbaar of geschikt is voor een beveiligingsorganisatie of een recherchebureau werkzaamheden te verrichten of
deze niet voldoende betrouwbaar of geschikt is de belangen van de veiligheidszorg of de goede naam van de bedrijfstak niet te schaden.
Bij de toetsing van het hiervoor onder c bepaalde gaat het erom dat de tewerkstelling van de betrokkene de belangen van de veiligheidszorg of de goede naam van de bedrijfstak niet mag schaden. Daarvan zal in het algemeen slechts sprake zijn indien de betrokkene er blijk van heeft gegeven de rechtsregels naast zich neer te leggen waarvan de overtreding beschouwd kan worden als een tamelijk ernstige aantasting van de rechtsorde. Ook tegen betrokkene opgemaakte processen-verbaal of (dag)rapporten kunnen ertoe leiden dat betrokkene niet voldoende betrouwbaar of geschikt wordt geacht om voor een beveiligingsorganisatie of een recherchebureau te werken. Uiteraard is daarbij van belang dat tegen betrokkene nog altijd een serieuze verdenking bestaat. Indien het veroordelingen betreft wordt aansluiting gezocht bij de hiervoor genoemde criteria onder a en b. De periode die in acht moet worden genomen bij toepassing van het bepaalde onder c is afhankelijk van de omstandigheden van het geval.
De periode kan echter – behoudens zeer uitzonderlijke gevallen – nooit langer zijn dan de 4, respectievelijk 8 jaar die hiervoor onder a en b zijn genoemd.
2.1.1. Hardheidsclausule
De korpschef van de regio waar de organisatie of het recherchebureau dan wel een onderdeel daarvan is gevestigd kan van het hiervoor bepaalde afwijken indien, gelet op de aard van het strafbare feit, de omstandigheden waaronder het feit is gepleegd, de geringe kans op recidive en recente persoonlijke ontwikkelingen, toepassing daarvan een voor betrokkene onevenredig nadeel zou meebrengen ten opzichte van het daarmee te dienen belang.
In onderdeel 2.1. onder a en b wordt uitgegaan van de datum van een onherroepelijke rechterlijke uitspraak. Indien de betrokkene in eerste aanleg is veroordeeld en hoger beroep of cassatie instelt zou dat betekenen dat hem het plegen van een strafbaar feit langer wordt nagedragen dan wanneer hij zou hebben afgezien van het instellen van een rechtsmiddel. In dat geval zou – behoudens contra indicaties – het bepaalde onder c kunnen worden toegepast, in zoverre dat in die gevallen de datum van de niet onherroepelijke veroordeling in eerste aanleg als uitgangspunt wordt genomen.
2.2. Bekwaamheid
Toestemming wordt slechts verleend als is voldaan aan de eisen van betrouwbaarheid en aan de in de regeling gestelde vakbekwaamheidseisen ( artikelen 5, 7, 7a, 8, 9, 10 en 11a van de regeling). Betrokkenen moeten kunnen aantonen in het bezit te zijn van de vereiste diploma’s door het overleggen van (gewaarmerkte kopieën van) diploma’s. De vakbekwaamheidseisen gelden voor personen die beveiligingswerkzaamheden verrichten en voor personen die te werk worden gesteld door een recherchebureau.
In en aantal uitzonderingsgevallen is het toegestaan om tijdelijk of voor onbepaalde tijd zonder diploma beveiligingswerkzaamheden te verrichten.
Het betreft de volgende gevallen:
de persoon voor wie toestemming wordt gevraagd is nog in opleiding en voldoet aan het bepaalde in artikel 5, tweede lid of artikel 28a van de regeling. Wanneer betrokkene de vereiste verklaringen van Ecabo kan overleggen kan toestemming worden verleend voor de duur van de praktijkopleiding (tot 1 januari 2003 maximaal 12 of 2 maanden, na 1 januari 2003 maximaal 12 maanden);
de persoon voor wie toestemming wordt gevraagd is vrijgesteld van de opleidingseis op grond van het bepaalde in artikel 5, vijfde lid, van de regeling (leeftijd en ervaring);
de persoon voor wie toestemming wordt gevraagd valt onder de overgangsregeling zoals opgenomen in artikel 26 van de regeling en is op grond daarvan geheel of tijdelijk vrijgesteld van de opleidingseis;
aan de persoon voor wie toestemming wordt gevraagd is door de minister van Justitie ontheffing verleend van de opleidingseis. De ontheffing kan tijdelijk of voor onbepaalde tijd zijn verleend en is opgenomen in de vergunning (bijvoorbeeld bij horecaportiers) of in een aparte beslissing;
de persoon voor wie toestemming wordt gevraagd is nog in opleiding voor het SVPB/ECABO certificaat ‘Event Security Officer’ in de periode waarop de aanvraag betrekking heeft en gaat beveiligingswerkzaamheden verrichten bij een evenement. Wanneer betrokkene bewijs kan overleggen dat hij in opleiding is voor dit certificaat, kan toestemming worden verleend voor de duur van de praktijkopleiding (maximaal 12 maanden).
de persoon voor wie toestemming wordt gevraagd is nog in opleiding voor het certificaat Basisopleiding Centralist Alarmcentrale SVPB/ECABO in de periode waarop de aanvraag betrekking heeft en gaat beveiligingswerkzaamheden verrichten bij een particuliere alarmcentrale. Wanneer betrokkene een bewijs kan overleggen dat hij in opleiding is voor dit certificaat, kan toestemming worden verleend voor de duur van de praktijkopleiding (maximaal 12 maanden).
Wanneer betrokkene kan aantonen dat een van de hiervoor genoemde omstandigheden zich voordoet kan de korpschef – wanneer tevens is voldaan aan de betrouwbaarheidseisen – toestemming verlenen.
2.2.1. Event Security Officer
In deze circulaire wordt verstaan onder een evenement:-
een publiek toegankelijke gebeurtenis,-
welke een tijdelijk en incidenteel karakter heeft,-
en plaats vindt op een vooraf bekende, afgebakende locatie,-
en waarvoor de betrokken gemeente op grond van de APV een evenementenvergunning heeft verleend,-
dan wel plaatsvindt in een inrichting, waarop een milieuvergunning rust, op grond van artikel 8:1 van de Wet milieubeheer, en deze vergunning het organiseren van evenementen toelaat.
Voorbeelden van een evenement in de zin van de circulaire kunnen zijn: een feest, kermis, braderie, vertoning, voorstelling, sportevenement, herdenking, concert met (on)versterkte muziek of een manifestatie.
Criterium voor de aanmelding voor theorie- en praktijkexamenonderdelen van de opleiding ‘Event Security Officer’, is of de kandidaat werkzaam is bij een beveiligingsbedrijf dat over een vergunning van het Ministerie van Justitie beschikt.
2.2.2. Centralist Alarmcentrale
Personen die beschikken over het SVPB/ECABO certificaat ‘Basisopleiding Centralist Alarmcentrale’ kan toestemming worden verleend voor het verrichten van werkzaamheden als centralist bij een particuliere alarmcentrale. De toestemming geldt alleen voor het verrichten van werkzaamheden als alarmcentralist.
2.3. Bestuursorganen
In artikel 6 van de regeling is opgenomen dat personeel dat in dienst van een bestuursorgaan beveiligingswerkzaamheden verricht moet voldoen aan de vakbekwaamheidseisen die in de regeling zijn opgenomen. Hoofdregel is dat ook dit personeel in het bezit is van het diploma Beveiliger of een daaraan gelijkwaardig diploma als bedoeld in artikel 5 van de regeling. Wanneer voor personeel dat beveiligingswerkzaamheden verricht in dienst van een bestuursorgaan reeds opleidingseisen gelden op grond van bijzondere wetgeving dan gaan deze eisen boven de eisen van de Wet particuliere beveiligingsorganisaties en recherchebureaus . Immers bijzondere wetgeving gaat vóór algemene wetgeving. Deze situatie kan zich bijvoorbeeld voor doen ten aanzien van militair en burgerpersoneel dat in dienst van het Ministerie van Defensie beveiligings- en bewakingstaken verricht. Voor dit personeel geldt de Rijkswet geweldgebruik krijgsmacht in de uitoefening van de bewakings- en beveiligingstaak, op grond waarvan het personeel aan specifieke opleidingseisen moet voldoen. In dat geval behoeft het personeel niet ook nog eens het diploma Beveiliger te halen.
2.4. Leidinggevend personeel
Voor leidinggevend personeel is een extra, ministeriële, controle gerechtvaardigd. Immers, de leidinggevende heeft de mogelijkheid het functioneren van het personeel en het bedrijf te beïnvloeden. Hij kan het personeel in het kader van de uitoefening van de functie aanwijzingen en opdrachten geven.
De toestemming voor leidinggevenden wordt door de minister van Justitie verleend. Bij vergunningaanvragen dient aangegeven te worden wie als leidinggevenden in het bedrijf zullen functioneren. Een vergunning zal pas verleend kunnen worden als ook toestemming voor de leidinggevende wordt verleend. Zonder leiding kan een beveiligingsorganisatie of recherchebureau niet functioneren. Bij de toets van de leidinggevende zullen de betrouwbaarheid, geschiktheid en bekwaamheid van de betrokken persoon worden beoordeeld.
De beoordeling vindt plaats binnen het hiervoor genoemde kader, waarbij in het bijzonder zal worden bezien of er omtrent betrokkene relevante feiten bekend zijn op grond waarvan kan worden aangenomen dat hij niet voldoende betrouwbaar of geschikt is om leiding te geven aan een beveiligingsorganisatie of recherchebureau. In de beoordeling van de vakbekwaamheid wordt het curriculum vitae van de leidinggevende(n) betrokken.
De toestemming voor leidinggevenden wordt verleend voor een periode van eveneens ten hoogste vijf jaren. Als de leidinggevende zelf ook beveiligingswerkzaamheden of recherchewerkzaamheden verricht is tevens toestemming van de korpschef dan wel de commandant van de Koninklijke Marechaussee vereist. Voor deze toestemming geldt het gestelde bij onderdeel 2.5.
2.5. Geldigheidsduur toestemming
De toestemming is beperkt geldig. De toestemming vervalt na verloop van de geldigheidsduur van het legitimatiebewijs. Voor zover het gaat om personeel dat op grond van de wet geen legitimatiebewijs bij zich hoeft te dragen (het personeel dat geen beveiligings- of recherchewerkzaamheden verricht) verloopt de toestemming drie jaar nadat deze is verleend.
Wanneer zich een van de hiervoor genoemde uitzonderingssituaties voordoet, waarin betrokkene tijdelijk zonder diploma beveiligings- of recherchewerkzaamheden mag verrichten, zal de toestemming niet langer kunnen duren dan de uitzonderingssituatie duurt. De geldigheidsduur van het legitimatiebewijs zal daarop moeten zijn afgestemd. Na het verstrijken van de tijdelijke situatie moet betrokkene wel aan de geldende vakbekwaamheidseisen voldoen. Pas wanneer betrokkene kan aantonen aan die eisen te voldoen kan hem wederom toestemming worden verleend. Vanzelfsprekend moet zowel in uitzonderingssituaties als daarbuiten dan ook aan de betrouwbaarheidseisen worden voldaan.
Voor het verlenen van toestemming – voor zover aangevraagd op of na 1 april 1999 – brengt de korpschef kosten in rekening (zie artikel 24, derde lid, van de regeling). Voor wat betreft de kosten wordt verwezen naar paragraaf 1.3 van de circulaire.
2.6. Verklaring van betrouwbaarheid
In artikel 10, eerste lid, van de wet is opgenomen dat particuliere alarmcentrales de alarmapparatuur die zij gebruiken alleen mogen laten installeren en onderhouden door gediplomeerde installateurs die ook in het bezit zijn van een verklaring van betrouwbaarheid. Alarminstallateurs die deze werkzaamheden voor een particuliere alarmcentrale willen verrichten moeten een verklaring van betrouwbaarheid hebben.
Deze verklaring van betrouwbaarheid wordt afgegeven door de korpschef van het politiekorps in de regio waar de desbetreffende installateur woont (zie artikel 10, vijfde lid, van de wet).
De criteria die gelden voor het verlenen van toestemming aan personeel van een beveiligingsorganisatie of een recherchebureau zijn van overeenkomstige toepassing op het afgeven van een verklaring van betrouwbaarheid. Dat betekent dat een verklaring van betrouwbaarheid wordt geweigerd in de gevallen die hiervoor ten aanzien van betrouwbaarheid van personeel van een beveiligingsorganisatie of een recherchebureau zijn genoemd en op grond van dezelfde omstandigheden wordt ingetrokken (zie artikel 9, zesde lid, van de wet).
De geldigheidsduur van de verklaring is – analoog aan die van personeel zonder legitimatiebewijs – drie jaren. De verklaring is – net als de toestemming – vormvrij.
Voor de afgifte van een verklaring van betrouwbaarheid kunnen geen kosten in rekening worden gebracht, aangezien hiervoor een wettelijke basis ontbreekt.
3.1. Uitvoering
Het legitimatiebewijs, bedoeld in artikel 13, eerste lid, van de regeling , waarvan het model is vastgelegd in bijlage 2 bij de regeling , is uitgevoerd in de kleuren grijs, blauw, groen (geldig tot 1 januari 2003) of geel. Daarnaast bestaat er een legitimatiebewijs voor buitengewoon opsporingsambtenaren. Deze opsporingsambtenaren dienen het legitimatiebewijs bij zich te dragen voor zover zij behoren tot een particuliere beveiligingsorganisatie die door de Minister van Justitie is aangewezen als een categorie of eenheid als bedoeld in artikel 142, eerste lid, onder b, van het Wetboek van Strafvordering.
Het grijze legitimatiebewijs wordt verstrekt aan de beveiligingsbeambten die in het bezit zijn van het diploma, als bedoeld in artikel 5, eerste lid, van genoemde regeling en aan beveiligingsbeambten in opleiding als bedoeld in artikel 5, tweede lid, waarbij aangetekend moet worden dat aan de laatste categorie voor maximaal 12 maanden een grijs legitimatiebewijs kan worden verstrekt en waarbij op dit legitimatiebewijs wordt vermeld dat de betreffende beveiligingsbeambte een praktijkopleiding als bedoeld in artikel 5, tweede lid, van de regeling volgt.
Het blauwe legitimatiebewijs is bestemd voor personen die op het legitimatiebewijs omschreven beveiligingswerkzaamheden mogen verrichten voor een organisatie met een beperkte vergunning, dan wel organisaties ten aanzien waarvan het gebruik van blauwe legitimatiebewijzen in de vergunning is voorgeschreven. Daarnaast wordt het blauwe legitimatiebewijs verstrekt aan Event Security Officers die in het bezit zijn van het SVPB/ ECABO certificaat. Op het legitimatiebewijs van een Event Security Officer moet de beperking voor wat betreft de uit te voeren werkzaamheden ( art. 13, derde lid, van de regeling) vermeld staan, door onder het kopje ‘Beperking ( art. 13, lid 3 Rpbor)’ de volgende tekst op te nemen: ‘Uitsluitend werkzaam als Event Security Officer”.
Het blauwe legitimatiebewijs kan eveneens verstrekt worden aan Event Security Officers in opleiding, als bedoeld in onderdeel 2.2 van de circulaire, waarbij aangetekend moet worden dat aan hen voor maximaal 12 maanden een blauw legitimatiebewijs kan worden verstrekt. Op dit legitimatiebewijs wordt onder het kopje ‘Beperking ( art. 13, lid 3 Rpbor)’ de volgende tekst opgenomen: ‘Uitsluitend werkzaam als Event Security Officer i.o.’
De bepaling met betrekking tot het groene legitimatiebewijs als bedoeld in artikel 5, derde lid, van de regeling blijft van kracht tot 1 januari 2003. Dit legitimatiebewijs is bestemd voor beveiligingsmedewerkers die nog in opleiding zijn en gedurende een periode van 2 of 12 maanden beveiligingswerkzaamheden mogen verrichten. Het gele legitimatiebewijs is bestemd voor personen die recherchewerkzaamheden mogen verrichten en in het bezit zijn van een diploma als bedoeld in artikel 10, eerste lid, van de regeling en voor personen die in opleiding zijn om recherchewerkzaamheden te mogen verrichten zoals bedoeld in artikel 10, tweede lid, van de regeling. Het legitimatiebewijs voor buitengewoon opsporingsambtenaren, zoals door mij vastgesteld op grond van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar, is bestemd voor een buitengewoon opsporingsambtenaar die behoort tot een particuliere beveiligingsorganisatie of onderdeel daarvan, door mij aangewezen als een categorie of eenheid als bedoeld in artikel 142, eerste lid, onder b, van het Wetboek van Strafvordering.
Het blauwe legitimatiebewijs kan voorts worden verstrekt aan alarmcentralisten in het bezit van het SVPB/ECABO certificaat ‘Basisopleiding Centralist Alarmcentrale’. Op het legitimatiebewijs moet de beperking voor wat betreft de uit te voeren werkzaamheden ( artikel 13, derde lid van de Rpbr) vermeld staan. Onder het kopje ‘Beperking ( art.13, derde lid van de Rpbr)’ moet de volgende tekst worden opgenomen: Uitsluitend werkzaam als alarmcentralist.
Het blauwe legitimatiebewijs kan eveneens worden verstrekt aan alarmcentralisten in opleiding, als bedoeld in onderdeel 2.2.2 van deze circulaire, waarbij aangetekend moet worden dat aan hen voor maximaal 12 maanden een blauw legitimatiebewijs kan worden verstrekt. Op dit legitimatiebewijs wordt onder het kopje ‘Beperking ( art. 13.3, derde lid van de Rpbr)’ de volgende tekst opgenomen: Uitsluitend werkzaam als alarmcentralist i.o.
3.2. Gegevens
Op het legitimatiebewijs moeten de volgende gegevens machinaal worden ingevuld:
naam, adres en telefoonnummer van de particuliere beveiligingsorganisatie of het recherchebureau;
het nummer van de vergunning;
naam, voornamen, geboortedatum en functie van de houder;
de datum waarop de geldigheid van het bewijs verstrijkt;
plaats en datum van afgifte aan de houder;
handtekening van degene die met de leiding van de beveiligingsorganisatie is belast;
eventuele beperkingen voor wat betreft de uit te voeren werkzaamheden ( art. 13, derde lid, van de regeling);
eventuele aanvullende opleidingen ( art. 9 van de regeling: winkelsurveillant of persoonsbeveiliger).
Wanneer betrokkene aanvullende opleidingen heeft gevolgd voor het beveiligen van personen of winkelbeveiliging, dient dit te worden aangegeven op het legitimatiebewijs.
Het vakje diploma persoonsbeveiliger kan worden aangekruist wanneer de betrokkene door het overleggen van het diploma of een kopie daarvan ten genoegen van de korpschef heeft aangetoond in het bezit te zijn van:
het diploma Beveiligingsmedewerker, differentiatie persoonsbeveiliger van de Stichting Vakexamens voor de Particuliere Beveiligingsorganisaties en de Stichting Ecabo of
het Vakdiploma Beveiliging van de Stichting Vakexamens voor de Particuliere Beveiligingsorganisaties.
Het vakje diploma winkelsurveillant kan worden aangekruist wanneer de betrokkene door het overleggen van het diploma of een gewaarmerkte kopie daarvan ten genoegen van de korpschef heeft aangetoond in het bezit te zijn van:
het diploma Beveiligingsmedewerker, differentiatie winkelsurveillant van de Stichting Vakexamens voor de Particuliere Beveiligingsorganisaties en de Stichting Ecabo of
het Certificaat Detailhandel van de Stichting Vakexamens voor de Particuliere Beveiligingsorganisaties.
Het legitimatiebewijs dient te allen tijde te zijn voorzien van een goed gelijkende foto van de houder. De foto moet op het bewijs zijn bevestigd, zodanig dat verwijdering niet kan plaatsvinden zonder beschadiging. Het legitimatiebewijs dient na bevestiging van de foto te worden voorzien van een stempel van de particuliere beveiligingsorganisatie of het particulier recherchebureau, gedeeltelijk op de foto en gedeeltelijk op het bewijs.
3.3. Geldigheidsduur
Alle soorten legitimatiebewijzen zijn na de datum van afgifte maximaal drie jaar geldig. Voor personen in opleiding is dat maximaal 1 jaar.
3.4. Toezicht op naleving opleidingseisen
De invoering van het grijze legitimatiebewijs met een maximale duur van 12 maanden voor die personen die de praktijkopleiding Beveiliger volgen is gekoppeld aan een aantal voorwaarden, die moeten voorkomen dat misbruik van deze regeling wordt gemaakt en die moeten garanderen dat de leerling conform de opleidingseisen in de praktijk wordt opgeleid. Daartoe is ECABO bevoegd en verantwoordelijk voor het uitvoeren van extern toezicht op deze praktijkopleiding. Dit betekent dat Ecabo via vooraf bepaalde procedures toezicht zal houden op naleving van de regels voor praktijkleren door individuele beveiligingsorganisaties.
Dit extern toezicht kan de volgende elementen bevatten:
Informatie verstrekken en ontvangen over:
financiële regelingen ( Wet vermindering afdracht, kosten opleiding etc .)
doel en inhoud kwaliteitsbevorderende dienstverlening
beroepsbeschrijving Beveiliger 2
opleidingslocatie(s) en werkplekken
reglement en criteria leerbedrijven
status van de Erkenning leerbedrijf
taken en verantwoordelijkheden van de praktijkopleider/leerbedrijf
training praktijkopleiders
planning praktijkleerproces, rekening houden met de theoriecomponent
gebruik en omgang met het praktijkwerkboek
theorie-/praktijkexaminering en aanmeldingsprocedures
taken en verantwoordelijkheden onderwijsinstelling
taken en verantwoordelijkheden ECABO adviseur
planning vervolgbezoeken
toelichting op (ondersteunende) kwaliteitsinstrumenten QQS of EBIS
Controle punten
status erkenning leerbedrijf;
aanwezigheid praktijkovereenkomst;
aanwezigheid / aanvragen screening en legitimatiebewijs;
controle branche criteria:Ondersteuning
De voortgangsbewaking en kwaliteitsborging van de praktijkopleiding komen tijdens gesprekken met de praktijkopleider (en indien nodig de kandidaat) uitgebreid aan de orde. Aan de hand hiervan bespreken de ECABO-adviseur en de praktijkopleider of en op welke manier taken zijn uitgevoerd en beoordeeld. De ECABO-adviseur kan aanvullend vragen stellen of om aanvullende schriftelijke informatie verzoeken om nader inzicht te verkrijgen in de voortgang van het opleidingsproces.
Leidraad daarbij is het ingevulde praktijkwerkboek
o aanwezigheid geldig leerling legitimatiebewijs;
o training praktijkbegeleider;
o gebruik praktijkwerkboek Beveiliger.
o wettelijke uniformvoorschriften
variatie in werkzaamheden, zowel naar inhoud als complexiteit;
beroepshouding kandidaat;
extra aandacht voor rapportages en veiligheidsaspecten;
nagaan of en hoeverre tijdens een eerder bezoek of eerdere bezoeken gemaakte afspraken geëffectueerd zijn;
voorbereiding praktijkexaminering (procedure en vaststellen datum);
QQS/EBIS kwaliteitsinstrumenten;
optioneel: on site instructie voor de praktijkopleider.
Dit betekent dat ECABO via vooraf bepaalde procedures toezicht zal houden op naleving van de regels voor de BPV van de opleiding Beveiliger.
Leerbedrijven die zich niet houden aan de regels kunnen, wanneer controle door Ecabo gebreken aan het licht brengt, hun erkenning als leerbedrijf kwijtraken. Leerbedrijven zijn aan ECABO een bedrag verschuldigd voor de uitoefening van dit toezicht. De hoogte van dit bedrag wordt jaarlijks in overleg tussen ECABO en Stichting Opleidingsfonds Beveiligingsbranche (SOBB) vastgesteld.
De procedures voor extern toezicht worden periodiek afgestemd met het Ministerie van Justitie.
ECABO rapporteert aan het Ministerie van Justitie in de vorm van jaarrapportages en in de vorm van periodieke informatie over het verloop van het toezicht. Na drie jaar wordt het toezicht geëvalueerd.
3.5. Inneming
Wanneer de houder de dienst bij de particuliere beveiligingsorganisatie heeft verlaten of wanneer de geldigheidsduur van het bewijs is verstreken, dient het verstrekte bewijs te worden ingenomen door de beveiligingsorganisatie of het recherchebureau en ter vernietiging ter hand te worden gesteld aan de korpschef.
3.6. Register
De particuliere beveiligingsorganisatie of het recherchebureau houdt een voor de politie toegankelijk register of kaartsysteem bij, dat de volgende gegevens met betrekking tot de legitimatiebewijzen moet bevatten:
nummers van de bewijzen;
namen, voornamen, geboortedata en functies van de houders;
data waarop de geldigheid van de bewijzen verstrijkt;
data van inlevering van de bewijzen bij de politie.
De particuliere beveiligingsorganisatie of het recherchebureau is er voor verantwoordelijk dat met de legitimatiebewijzen niet lichtvaardig wordt gehandeld. Daarom is het wenselijk dat voorzieningen worden getroffen om zulks te voorkomen. De bewijzen mogen in geen geval in handen van onbevoegden komen.
3.7. Bestelling
De legitimatiebewijzen kunnen met gebruikmaking van het daarvoor bestemde bestelformulier naar behoefte in redelijke hoeveelheid worden besteld bij de Directie Bestuurszaken van het Ministerie van Justitie. De uiteindelijke levering wordt tegen vergoeding verzorgd door de SDU Uitgeverij.
4.1. Goedkeuring
Ingevolge artikel 9, eerste lid van de wet dragen personen, die belast zijn met het uitvoeren van beveiligingswerkzaamheden bij de uitoefening van hun dienst een uniform dat door mij is goedgekeurd. Deze goedkeuring kan worden verkregen door kleurenfoto’s over te leggen, waarop de uitvoering van het uniform en de gebezigde herkenningstekens duidelijk zichtbaar zijn.
Bij de uitvoering van het uniform dient er rekening mee te worden gehouden dat het uniform niet mag lijken op dat van de politie. Dit betekent dat een pantalon die is uitgevoerd in kleuren die een sterke gelijkenis vertonen met de kleuren die de politie gebruikt, niet mag zijn voorzien van een bies. Zo mag ook een eventueel gebruikte blouson geen sterke gelijkenis vertonen met de blouson die de politie gebruikt. Op het uniform mogen geen rangonderscheidingstekens zijn aangebracht. Ook de herkenningstekens (vignetten, emblemen of logo’s) mogen geen gelijkenis vertonen met de vignetten van de politie. Dit betekent dat uniformen die zijn voorzien van goud – geel of koperkleurige emblemen niet zullen worden goedgekeurd. Het in het politie-embleem tot uitdrukking komende symbool van het wetboek en de vlam, is als embleem voor een particuliere beveiligingsorganisatie niet noodzakelijk en zal slechts – onnodige – verwarring bij het publiek veroorzaken. Aan uniformen die van een dergelijk embleem of van een daarop gelijkend embleem zijn voorzien, zal daarom geen goedkeuring worden verleend.
Elk uniform dient te zijn voorzien van een herkenningsteken van de particuliere beveiligingsorganisatie, zodat het voor zowel het publiek als voor de politie duidelijk is, met welke particuliere beveiligingsorganisatie zij te maken hebben.
Alle uniformen moeten eveneens zijn voorzien van het door mij vastgestelde embleem. Dit is opgenomen in bijlage 1a bij de regeling .
4.2. Ontheffing
De korpschef van het politiekorps van de regio waar de beveiligingswerkzaamheden worden verricht, of de commandant van de koninklijke marechaussee indien de beveiligingswerkzaamheden worden verricht op een luchtvaartterrein kunnen op grond van artikel 12, tweede lid, van de regeling uitsluitend voor die regio of dat luchtvaartterrein ontheffing verlenen van de uniformdraagplicht. De ontheffing kan slechts worden verleend indien de beveiligingsbeambte in het bezit is van de vereiste diploma’s en het gestelde doel van de beveiliging niet in redelijkheid op andere wijze (derhalve geüniformeerd) kan worden bereikt. De ontheffing blijft achterwege indien zwaarwegende belangen zich tegen de verlening van de ontheffing verzetten. Onder zwaarwegende belangen wordt mede verstaan het ontbreken van het in artikel 9, eerste en derde lid, van de regeling bedoelde diploma.
In uitzonderlijke gevallen kan van de uniformdraagplicht tevens ontheffing worden verleend indien naar het oordeel van de korpschef geüniformeerd optreden provocerend of anderszins minder zinvol zou werken. Te denken valt hierbij aan popconcerten, recepties, tentoonstellingen en dergelijke.
De korpschef en de commandant van de Koninklijke marechaussee kunnen voorschriften aan de ontheffing ver-binden. Deze voorschriften hebben betrekking op de instructie van het personeel.
4.3. Uitlenen van personeel
Het is in het belang van de veiligheidszorg dat voor de burger en voor de politie duidelijk is welke particuliere beveiligingsorganisatie verantwoordelijk is voor de (uitgevoerde) werkzaamheden. Deze duidelijkheid kan worden bereikt wanneer ook het ingeleende personeel een uniform en een legitimatiebewijs draagt van de inlenende organisatie. Wanneer dat gelet op de omstandigheden van het geval geen reële optie is, dient de beveiligingsorganisatie de politie te informeren over het feit dat personeel van een ander beveiligingsbedrijf wordt ingeleend, hoeveel personeelsleden het betreft, alsmede de manier waarop de verantwoordelijkheden tussen de inlenende en de ingeleende beveiligingsorganisatie zijn georganiseerd. Daaromtrent zou verwarring kunnen ontstaan wanneer het personeel van het ingeleende bedrijf een ander uniform en legitimatiebewijs draagt dan het personeel van het inlenende bedrijf.
Deze faciliteit geldt alleen indien het een beveiligingsorganisatie betreft van dezelfde categorie beveiligingsorganisatie (zie artikel 3 onder a tot en met e van de Wet). Dit betekent dat indien bijvoorbeeld het inlenende bedrijf een beveiligingsbedrijf is en het uitlenende bedrijf een bedrijfsbeveiligingsdienst de hiervoorgenoemde faciliteit niet geldt.
5. Ontheffing opleidingseisen
Relevante artikelen; artikel 8 van de wet.
Op grond van artikel 8, tweede lid, van de wet kan de minister ontheffing verlenen van de geldende opleidingseisen die worden gesteld aan personen die door een beveiligingsorganisatie of een recherchebureau belast worden met werkzaamheden. De ontheffingsmogelijkheid ziet op de opleidingseisen gesteld in de artikelen 5, 7, 8, 9 en 10 van de regeling. Ontheffing zal slechts bij hoge uitzondering en in individuele gevallen worden verleend. Wanneer de ontheffing wordt verleend zal in ieder geval moeten zijn aangetoond dat de betrokkene al het redelijkerwijs mogelijke heeft gedaan om het diploma te behalen en er gelet op de door betrokkene opgedane kennis en ervaring en de aard van de te verrichten werkzaamheden geen bedenkingen tegen bestaan dat deze niet in het bezit is van het diploma. In het algemeen zal de ontheffing meebrengen dat de soort beveiligings – of recherchewerkzaamheden die door betrokkene mogen worden verricht, wordt beperkt. Daarvan wordt, overeenkomstig het bepaalde in artikel 13, derde lid, van de regeling, op het legitimatiebewijs aantekening gedaan.
6. Instructie van het personeel
Relevante artikelen: artikel 9, negende lid, van de wet; artikel 14 van de regeling.
Beveiligingsorganisaties en recherchebureaus zijn verplicht een instructie voor het personeel vast te stellen. Deze instructie moet bij de vergunningaanvraag overgelegd worden. In de instructie dient minimaal opgenomen te zijn:
doel van de instructie
doel van de beveiliging
gebruik van wapens/handboeien
gezagsverhoudingen
geheimhouding
uniform
legitimatiebewijs
Voor een standaardinstructie wordt hier verwezen naar bijlage 3 bij de circulaire.
Om afstemming van de werkzaamheden tussen de politie en de Koninklijke Marechaussee te bewerkstelligen moet een kopie van de instructie worden verstuurd naar de korpschef en de commandant van de Koninklijke Marechaussee, indien de beveiligingsorganisatie of het recherchebureau dan wel een onderdeel daarvan is gevestigd op een luchtvaartterrein.
7. Klachtenregeling
Relevante artikelen: artikel 18 van de regeling.
Beveiligingsorganisaties en recherchebureaus zijn verplicht een klachtenregeling op te stellen. Deze klachtenregeling dient minimaal gegevens te bevatten die betrekking hebben op:
bij wie de klachten kunnen worden ingediend,
de eisen waaraan een klaagschrift moet voldoen,
de termijn waarbinnen een klacht moet worden ingediend,
de behandelingsprocedure van de klacht en
de termijn waarbinnen de klacht wordt afgehandeld. De beveiligingsorganisatie of het recherchebureau dient de klachtenregeling ter kennis te brengen bij de korpschef van de regio waar de beveiligingsorganisatie of het recherchebureau dan wel een onderdeel daarvan is gevestigd of, indien de beveiligingsorganisatie of het recherchebureau dan wel een onderdeel daarvan is gevestigd op een luchtvaartterrein bij de commandant van de Koninklijke Marechaussee.
De klachtenregeling dient zodanig te zijn opgesteld dat voor burgers opdrachtgever(s) van een particuliere beveiligingsorganisatie of recherchebureau duidelijk is hoe en bij wie zij hun klachten kunnen uiten. Een kopie van elke klacht dient verzonden te worden aan de Minister van Justitie.
Als bijlage 4 bij deze circulaire is een standaard klachtenregeling opgenomen.
8. Handboeien
Relevante artikelen: artikel 9, derde, vierde, vijfde en zesde lid, van de wet.
Beveiligingsorganisaties en recherchebureaus moeten er zorg voor dragen dat hun personeel tijdens de beveiligings- of recherchewerkzaamheden geen handboeien draagt. Op deze hoofdregel is slechts uitzondering mogelijk wanneer de Minister van Justitie, na overleg met de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijkrelaties, toestemming heeft verleend voor het dragen van handboeien.
Met het verlenen van toestemming zal grote terughoudendheid worden betracht.
Toestemming kan slechts worden verleend wanneer van de noodzaak tot het dragen van handboeien en van de bekwaamheid in het aanleggen ervan is gebleken.
Bij de beantwoording van de vraag of de noodzaak in een bepaald geval aanwezig en het dragen van handboeien geïndiceerd is, wordt een restrictief beleid gehanteerd. Dit beleid laat zich verwoorden als een ’nee, tenzij’ standpunt. Elk verzoek zal opnieuw aan de hand van alle criteria afzonderlijk beoordeeld moeten worden. Naar aanleiding van een verzoek zal het advies van de korpschef in de regio waar de beveiligingsorganisatie of het recherchebureau is gevestigd worden ingewonnen.
De noodzaak tot het beschikken van de bevoegdheid handboeien te dragen en van de bekwaamheid in het aanleggen van handboeien moet door de aanvrager worden aangetoond.
Bij de beoordeling van individuele aanvragen zullen in ieder geval de volgende vragen worden gehanteerd:
is het mogelijk dat de beveiligingsmedewerker of particulier rechercheur bij de uitvoering van zijn werkzaamheden in de omstandigheid komt als bedoeld in artikel 9, vierde lid, van de wet?;
in welke frequentie en mate hebben zich in het verleden situaties voorgedaan waarbij het dragen en gebruiken van handboeien wenselijk was geweest ?;
is het in de hiervoor bedoelde gevallen bezwaarlijk of onmogelijk een beroep te doen op de reguliere politie ?;
is het bezwaarlijk of onmogelijk op een andere wijze dan door het verlenen van toestemming voor het dragen van handboeien te voorzien in de veiligheid van de desbetreffende medewerker of de derden.
Wet bescherming persoonsgegevens van Circulaire particuliere beveiligingsorganisaties en recherchebureaus">
9. Wet bescherming persoonsgegevens
relevante artikelen: artikelen 27 en 31 Wet bescherming persoonsgegevens (Wbp)
Voor het in behandeling nemen van een aanvraag voor een vergunning voor het instandhouden van een recherchebureau is vereist dat de aanvrager aantoont dat de voorgenomen verwerking van persoonsgegevens in het kader van de recherchewerkzaamheden, waarvoor de vergunning wordt aangevraagd, is gemeld bij het College Bescherming Persoonsgegevens (CBP). Deze melding vindt plaats op grond van artikel 27 Wbp. Het CBP bevestigt een melding van een verwerking van persoonsgegevens in het kader van het verrichten van recherchewerkzaamheden, als bedoeld in artikel 2 Wpbr, schriftelijk aan de melder. Uit deze bevestiging blijkt of het CBP een voorafgaand onderzoek instelt. Indien de aanvrager geen ontvangstbevestiging van het CBP overlegt aan de Minister van Justitie, wordt de aanvraag niet in behandeling genomen.
Indien het CBP na het beëindigen van een voorafgaand onderzoek verklaart dat een voorgenomen verwerking van persoonsgegevens in het kader van het verrichten van recherchewerkzaamheden onrechtmatig is, adviseert het CBP de melder de verwerking aan te passen en een nieuwe dan wel gewijzigde melding te doen bij het CBP. Indien het CBP verklaart dat een voorgenomen verwerking van persoonsgegevens in het kader van het verrichten van recherchewerkzaamheden onrechtmatig is en de verantwoordelijke geen gebruik maakt van de geboden mogelijkheden om een nieuwe dan wel gewijzigde melding te doen, bericht het CBP aan de Minister van Justitie omtrent de uitkomst van het voorafgaand onderzoek en de geboden hersteltermijn die is verlopen zonder dat de verantwoordelijke gebruik gemaakt heeft van die hersteltermijn. De Minister van Justitie zal in deze situatie overgaan tot weigering of intrekking van de gevraagde of verleende vergunning, waarbij aan een door het betrokken recherchebureau eventueel ingesteld bezwaar of beroep geen schorsende werking zal worden toegekend.
10. Particuliere alarmcentrales
Relevante artikelen: artikel 20 van de regeling.
Particuliere alarmcentrales moeten op grond van artikel 20 van de regeling zijn gecertificeerd door een door de Raad voor Accreditatie erkende certificeringsinstelling, die de toestemming heeft van de minister. De Stichting Kwaliteitsborging Preventie heeft de als enige toestemming van de Minister van Justitie. Particuliere alarmcentrales dienen met de Stichting Kwaliteitsborging Preventie een certificeringsovereenkomst aan te gaan. Uit deze overeenkomst blijkt dat de particuliere alarmcentrale is gecertificeerd. Een dergelijke overeenkomst is één jaar geldig. Ieder jaar dient een kopie van de geldende certificeringsovereenkomst te worden overgelegd aan de Minister van Justitie. Op die manier kan worden nagegaan of de particuliere alarmcentrale nog steeds voldoet aan de verplichting dat zij gecertificeerd zijn.
Adres: Stichting Kwaliteitsborging Preventie, Postbus 61, 3720 AB Bilthoven.
12. Rol commandant Koninklijke Marechaussee
Relevante artikelen: artikel 7, tweede lid, artikel 9, zevende lid, artikel 10, vijfde lid en artikel 12 van de wet; artikelen 12, tweede lid, 13, tweede en derde lid, 14, 17, vijfde lid, 18, tweede lid, 19, eerste lid, 22, 24, tweede en derde lid van de regeling.
Hetgeen in de circulaire ten aanzien van de korpschef van een politiekorps is bepaald, geldt tevens voor de commandant van de Koninklijke Marechaussee voor zover deze bevoegdheden heeft ten aanzien van beveiligingsorganisaties of recherchebureaus die zijn gevestigd op luchtvaartterreinen.
Ik verzoek u aan de uitvoering van de Wet particuliere beveiligingsorganisaties en recherchebureaus , alsmede aan de Regeling particuliere beveiligingsorganisaties en recherchebureaus en de onderhavige circulaire de nodige medewerking te verlenen.
Algemeen
Artikel 15 van de Wet Particuliere Beveiligingsorganisaties en Recherchebureaus (Wpbr) geeft de minister van Justitie in bepaalde gevallen de mogelijkheid om aan een vergunninghouder een bestuurlijke boete op te leggen. Deze gevallen worden genoemd in artikel 15 lid 1 van deze wet.
Er zijn, in het geval dat particuliere beveiligingsorganisaties (PBO’s) vergunningsvoorschriften niet naleven, drie sancties uitvoerbaar, namelijk een waarschuwing, het intrekken van de vergunning en het opleggen van een bestuurlijke boete.
De waarschuwing is als sanctie slechts bij zeer lichte overtredingen een effectief en proportioneel middel. Het intrekken van een vergunning kan zeer vergaande gevolgen hebben, vanwege het feit dat een bedrijf in zijn geheel de beveiligingswerkzaamheden zou dienen te staken. Derhalve is deze sanctie slechts geschikt voor zware veronachtzaming van de vergunningsvoorschriften.
De bestuurlijke boete vult de sanctiemogelijkheden aan tot een compleet arsenaal. Dit is van belang voor overtredingen van de vergunningsvoorschriften, waarbij een waarschuwing als een ineffectieve sanctie moet worden beschouwd, maar waar intrekken van de vergunning eveneens niet proportioneel is.
Dit besluit stelt beleidsregels vast voor de toepassing van de mogelijkheid tot het opleggen van een bestuurlijke boete.
Overtredingen
De Minister van Justitie kan een bestuurlijke boete van maximaal € 11.250 opleggen aan de vergunninghouder indien wordt gehandeld in strijd met een aantal artikelen uit de Wpbr .
De minister stelt onderhavige beleidsregels vast voor het opleggen van een boete in geval van het handelen in strijd met een aantal specifieke artikelen.
De overtredingen zijn te onderscheiden in drie categorieën:
1. Overtreding van regels betreffende kwaliteit en betrouwbaarheid van personeel, organisatie en materieel;
2. Overtreding van regels betreffende een goede afstemming met vergunningverlener en toezichthouder;
3. Overtredingen van regels betreffende administratieve vereisten.
In de gevallen onder categorie 1 gaat het om voorwaarden die dusdanig fundamenteel zijn voor het bestaan van een beveiligingsorganisatie of recherchebureau dat overtreding ervan ten zeerste in strijd zou zijn met de strekking van de wet .
Hieronder valt het vereiste van toestemming van de Minister of Korpschef voor nieuwe leidinggevenden respectievelijk werknemers. Verder bevat categorie 1 fundamentele vereisten voor de specifieke vormen van beveiligings- dan wel recherchewerkzaamheden, zoals regels betreffende vertrouwelijkheid van gegevens (recherchebureaus) en certificeringsvoorschriften voor Particuliere Alarmcentrales (PAC). In deze categorie bevinden zich de meest zware overtredingen. Derhalve kan bij overtreding van de in deze categorie genoemde artikelen de maximale boete van € 11.250 worden opgelegd.
De gevallen onder categorie 2 betreffen voorwaarden die betrekking hebben op een goede afstemming met de Minister van Justitie als vergunningverlener en de politie als toezichthouder. Deze afstemming is noodzakelijk om de vereiste controle op particuliere beveiligingsorganisaties en recherchebureaus te kunnen uitoefenen. Hieronder valt het opvolgen van aanwijzingen van de Korpschef, het informeren van de Korpschef of Commandant van de Koninklijke Marechaussee bij aanvang van beveiligings- of recherchewerkzaamheden in een nieuw gebied en het desgevraagd verstrekken van inlichtingen aan opsporingsambtenaren.
Bij overtreding van artikelen uit categorie 2 kan een boete van maximaal € 7.000 worden opgelegd.
In categorie 3 gaat het om de gevallen waarvoor de Minister een boete kan opleggen, maar waarvan de overtreding niet van dien aard is dat ze onder categorie 1 of 2 vallen. Het gaat om overtredingen die te classificeren zijn als administratieve nalatigheid.
Er kan worden volstaan met een boete van maximaal € 1.000.
Toepassing
Bij het opleggen van een bestuurlijke boete aan een vergunninghouder bij constatering van een beboetbare overtreding van een vergunningsvoorschrift wordt rekening gehouden met de ernst van de overtreding en de omstandigheden van het geval. Wanneer de vergunninghouder aannemelijk maakt dat hem van de overtreding geen verwijt kan worden gemaakt, zal de Minister geen boete opleggen.
Bij constatering van meer dan één beboetbare overtreding van vergunningsvoorschriften zal voor elke overtreding apart een boete worden opgelegd. Bij samenloop van overtredingen, dat wil zeggen wanneer eenzelfde feit een overtreding van meer dan één artikel uit de beleidsregels inhoudt, wordt er slechts één boete opgelegd. Zo valt overtreding van het verbod personeel te werk te stellen zonder voorafgaande toestemming van de Korpschef ( artikel 7 lid 2 Wpbr) immers altijd samen met het niet bij zich dragen van het verstrekte legitimatiebewijs ( artikel 9 lid 8 Wpbr) en het niet bij zich dragen van een juist legitimatiebewijs ( artikel 13 Rpbr). In dit geval volgen de laatste twee overtredingen rechtstreeks uit de eerstgenoemde overtreding. De boete wordt dan gebaseerd op het overtreden van artikel 7 lid 2 Wpbr.
Bij overtredingen waarbij de Minister een boete kan opleggen, wordt deze volgens onderhavige beleidsregels opgelegd. Het recht van de Minister om conform artikel 14 Wpbr de vergunning in te trekken, zal echter onverminderd worden toegepast in voorkomende gevallen. In de gevallen, genoemd in artikel 14 onder a, b en e Wpbr zal de Minister een afweging maken, waarbij beoordeeld zal worden of de situatie dermate ernstig is dat de vergunning dient te worden ingetrokken. Dit is het geval wanneer:
1. in redelijkheid niet (meer) kan worden verwacht dat een boete het gewenste correctionele effect heeft of
2. wanneer de boete niet proportioneel kan worden geacht, gezien de ernst van de overtreding.
Een voorbeeld van de als eerst genoemde optie is het herhaaldelijk begaan van overtredingen, ondanks dat er eerder een boete is opgelegd. Onder punt 2 valt de constatering van zeer ernstige overtredingen zoals het kopen van informatie van politieambtenaren door beveiligingsorganisaties en recherchebureaus en de constatering van een dusdanig groot aantal overtredingen binnen één organisatie, dat naar redelijke verwachting niet op korte termijn zal worden voldaan aan de in de vergunning opgenomen voorwaarden en de in de weten regelgeving gestelde eisen.Categorie I
Kwaliteit/betrouwbaarheid personeel, organisatie en materieel-
Artikel 7 lid 1 Wpbr
(Verbod leidinggevenden te werk te stellen zonder voorafgaande toestemming van de Minister)-
Artikel 7 lid 2 Wpbr
Verbod personeel te werk te stellen zonder voorafgaande toestemming van de Korpschef of de commandant van de KMAR)-
Artikel 8, lid 2 Wpbr i.v.m. artikel 5, 7, 8, 9 en 10 RPBR
(Verbod beveiligers in te zetten die niet voldoen aan opleidingseisen)-
Artikel 9, lid 1 Wpbr
(Plicht tot dragen van een goedgekeurd uniform)-
Artikel 9, lid 3 Wpbr
(Verbod tot dragen van handboeien)-
Artikel 9, lid 9 Wpbr
(Plicht tot vaststellen instructie voor het personeel)-
Artikel 10, lid 1 Wpbr i.v.m. artikel 11 RPBR
(Plicht gebruik te maken van vakbekwame en betrouwbare installateurs)-
Artikel 10, lid 3 Wpbr i.v.m. artikel 21 RPBR
(Plicht gebruik te maken van gecertificeerde apparatuur)-
Artikel 17 RPBR i.v.m. artikel 6 sub h Wpbr
(Plicht gebruik te maken van gecertificeerde honden)-
Artikel 2 RPBR i.v.m. artikel 6 sub j Wpbr
(Verbod om te handelen in strijd met de belangen van de veiligheidszorg of de goede naam van de bedrijfstak)-
Artikel 18 RPBR i.v.m. artikel 6 sub i Wpbr
(Plicht een klachtenregeling vast te stellen)-
Artikel 20 RPBR i.v.m. artikel 6 sub b Wpbr
(Certificeringsplicht voor Particuliere Alarmcentrales)-
Artikel 23 RPBR i.v.m. artikel 6 sub j Wpbr
(Plicht gebruik te maken van juiste materieel bij geld- en waardetransport)Categorie II
Goede afstemming met Minister en Politie-
Artikel 9, lid 8 Wpbr
(Plicht het verstrekte legitimatiebewijs bij zich te dragen)-
Artikel 10, lid 3 Wpbr
(Plicht om bewijsstukken betreffende installateurs/apparatuur voorhanden te hebben)-
Artikel 11 lid 2 Wpbr
(Plicht inlichtingen te verstrekken aan ambtenaren, bedoeld in artikel 141 onder b en c, Wetboek van Strafvordering)-
Artikel 12 lid 1 Wpbr
(Plicht gevolg te geven aan aanwijzingen van de Korpschef dan wel de commandant van de KMAR)-
Artikel 12 lid 2 Wpbr
Plicht de Korpschef van de regio dan wel de commandant van de KMAR bij een luchtvaartterrein te informeren wanneer een begin wordt gemaakt met nieuwe beveiligingswerkzaamheden)-
Artikel 12, lid 1 RPBR i.v.m. artikel 6, sub d Wpbr
Plicht tot dragen van het vastgestelde embleem op het uniform)-
Artikel 13 RPBR i.v.m. artikel 6 sub e Wpbr
(Plicht om het juist(e) (ingevulde) legitimatiebewijs te gebruiken)-
Artikel 22 RPBR i.v.m. artikel 6 sub j Wpbr
(Plicht voor PAC nieuwe werkzaamheden aan te melden bij de korpschef)Categorie III
administratieve nalatigheid-
Artikel 9, lid 9 Wpbr
(Plicht wijzigingen in de instructie voor het personeel door te geven)-
Artikel 19 lid 2 RPBR i.v.m. artikel 6, sub j Wpbr
(Plicht nieuwe werkzaamheden op correcte wijze via het vastgestelde aanmeldingsformulier aan te melden bij korpschef)-
Artikel 14 RPBR i.v.m. artikel 6 sub f Wpbr
(plicht om een goedgekeurde personeelsinstructie aan de Korpschef dan wel de commandant van de KMAR bekend te maken)-
Artikel 18, lid 2 en 3 RPBR i.v.m. artikel 6 sub i Wpbr
(Plicht om klachtenregeling ter kennis te brengen van de korpschef / plicht om klachten ter kennis te brengen van de minister)
Categorie I: maximum boete € 11.250
Categorie II: maximum boete € 7.000
Categorie III: maximum boete € 1.000.
a. Bij verzoeken van particuliere beveiligingsorganisaties en recherchebureaus gevestigd in een andere lidstaat van de Europese Unie dan wel een staat, niet zijnde een lidstaat van de Europese Unie, die partij is bij een daartoe strekkend of mede daartoestrekkend Verdrag dat Nederland bindt, wordt rekening gehouden met de verplichtingen waaraan in het land van vestiging reeds moet worden voldaan welke een beroepsniveau waarborgen dat ten minste gelijkwaardig is aan het niveau dat met de nationale eisen wordt nagestreefd.
b. Bij de hiervoor vermelde regels wordt met het hierboven onder a. gestelde rekening gehouden. Indien zich buitenlandse beveiligingsorganisaties of buitenlandse beveiligers bij een politieregio melden, dient contact te worden opgenomen met het Ministerie van Justitie, Dienst Justis, Afdeling Productie, Team Bevoegdheden, Toezicht en Registers (BTR).