Rechtenmedia.nl - Juridische Online Uitgeverij  Rechtennieuws.nl | Jure.nl | Maxius.nl | Parlis.nl | Rechtenforum.nl | JBmatch.nl | MijnWetten.nl | AdvocatenZoeken.nl | Rechtentotaal.nl
Circulaire aanpassing signaleringsprocedure Paspoortwet bij vermoeden van misbruik met reisdocumenten
Bwb-id:
Officiele titel:
Citeertitel:
Soort regeling:
Wetsfamilies:
Eerst verantwoordelijk ministerie:

Geldigheidsdatum:
Ingangsdatum:
Inhoudsopgave
1. Inleiding
2. Uitspraak Afdeling bestuursrechtspraak Raad van State van 9 december 2009
3. Aangepaste procedure: informatieverstrekking in plaats van formele signaleringsverzoeken
4. Keuze voor uitvoerende instanties om al dan niet zelf als signalerende autoriteit op te treden
5. Twee modelformulieren in verband met signalering
6. Criteria voor signalering
A. Meervoudige vermissing van reisdocumenten
B. Opzettelijke beschadiging van reisdocumenten
C. Opzettelijk anderen de gelegenheid geven voor onjuiste handelingen met reisdocumenten
D. Andere handelingen die op misbruik met reisdocumenten kunnen wijzen
7. Signalering van een persoon tussen aanvraag en uitreiking van een reisdocument
8. Opneming en handhaving van de signalering
9. Weigering, vervallenverklaring of verstrekking van een beperkt geldig reisdocument
10. Nadere informatie
Vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature

Juridisch advies nodig?
Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag
Geschiedenis

Geschiedenis-overzicht
Let op. Deze wet is vervallen op 6 september 2016. U leest nu de tekst die gold op 5 september 2016.

Circulaire aanpassing signaleringsprocedure Paspoortwet bij vermoeden van misbruik met reisdocumenten

Circulaire aanpassing signaleringsprocedure Paspoortwet bij vermoeden van misbruik met reisdocumenten
1. Inleiding
Bij circulaire van 28 juni 2007 (BPR2007/U55301) bent u op de hoogte gesteld van nieuwe procedures in verband met paspoortsignalering vanwege een gegrond vermoeden dat iemand zich schuldig maakt aan misbruik met reisdocumenten ( artikel 24, onder b, van de Paspoortwet). Naast uitbreiding van de mogelijkheden tot signalering, werden ook de met signalering verband houdende procedures gewijzigd. De reden daarvan was dat de voor 2007 bestaande procedures in de praktijk vrij bewerkelijk waren en veel vragen opriepen bij de uitvoerende instanties. Na overleg met onder meer de fraudespecialisten van de vier grootste gemeenten zijn in die circulaire de procedures aangepast. De kern van de wijziging hield in dat de minister van BZK niet alleen beoordeelt of een ingediend signaleringsverzoek voldoet aan de wettelijke criteria, maar dat hij de signalering in het bevestigende geval overneemt en daarmee zelf de signalerende autoriteit wordt. Het gevolg daarvan was dat de uitvoerende instantie niet meer iedere twee jaar een hernieuwd verzoek om signalering hoeft te doen om te voorkomen dat de bestaande signalering vervalt en de vervolgprocedures bij een eventuele weigering of vervallenverklaring van een reisdocument eenvoudiger zijn geworden.
Gebleken is dat de werkwijze rond signalering, zoals die in 2007 is ingevoerd, voldoet aan een duidelijke in de praktijk gevoelde behoefte. Het voornemen is dan ook om de nieuwe werkwijze in beginsel te continueren. Dit kan echter niet in de juridische vorm, die in de circulaire van 2007 is gekozen. Dat is het gevolg van een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 9 december 2009 (200903023/I/H3; LJN BK5829).
In deze circulaire zal eerst kort worden ingegaan op de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Vervolgens wordt de naar aanleiding van deze uitspraak aangepaste signaleringsprocedure uiteengezet. Die houdt kort gezegd in dat de met de uitvoering van de Paspoortwet belaste autoriteiten de minister van BZK, door middel van een formulier, informeren over een persoon die in aanmerking zou kunnen komen voor signalering. Vervolgens besluit de minister van BZK of hij betrokkene, op grond van zijn eigen wettelijke bevoegdheid tot signalering, opneemt in het register paspoortsignaleringen. U heeft de keuze om de nieuwe procedure te volgen dan wel zelf als signalerende autoriteit op te treden. De overige tekst van de circulaire komt grotendeels overeen met de inhoud van de circulaire uit 2007 en is gewijd aan de criteria voor signalering, enkele bijzondere signaleringsprocedures en aan de procedures die moeten worden gevolgd bij weigering of vervallenverklaring van een reisdocument op grond van artikel 24, onder b, van de Paspoortwet.
De circulaire van 28 juni 2007 komt met de inwerkingtreding van deze circulaire te vervallen.
2. Uitspraak Afdeling bestuursrechtspraak Raad van State van 9 december 2009
De Afdeling deed uitspraak in een zaak betreffende de weigering van een paspoort aan een inwoner van Den Haag. De betrokken persoon was eerder op verzoek van de burgemeester van Den Haag in het register paspoortsignaleringen opgenomen wegens meervoudige vermissing van reisdocumenten. In overeenstemming met de circulaire van 2007 stelde de burgemeester van Den Haag de aanvrager in de gelegenheid om zijn zienswijze kenbaar te maken bij de minister van BZK als de signalerende autoriteit. In tegenstelling tot de rechtbank van Den Haag, die de circulaire op dit punt volgde, sprak de Afdeling echter uit dat de burgemeester betrokkene niet naar de minister had mogen verwijzen. Betrokkene had naar de burgemeester moeten worden verwezen als degene die het oorspronkelijke signaleringsverzoek had gedaan. De minister komt slechts in beeld wanneer deze zelf een signaleringsverzoek doet. De circulaire van 2007 komt volgens de Afdeling op dit punt niet met de wet overeen en dient voor zover het dat onderdeel betreft buiten toepassing te blijven.
3. Aangepaste procedure: informatieverstrekking in plaats van formele signaleringsverzoeken
Naar aanleiding van de bovenvermelde rechterlijke uitspraak is besloten de procedure, zoals vermeld in de circulaire van 2007 , aan te passen. Daarbij blijven de voordelen van de huidige werkwijze gehandhaafd, echter zonder in strijd te komen met de bestaande wettelijke bepalingen. Er wordt inmiddels overwogen een wijziging van de Paspoortwet voor te bereiden, waarin de bevoegdheid tot het indienen van een signaleringsverzoek weer uitsluitend zal worden toebedeeld aan de minister die het aangaat. Daarmee zal in feite de wettelijke regeling zoals die vóór 1 april 2001 bestond, worden hersteld.
De aangepaste procedure houdt in dat de uitvoerende instanties hun werkzaamheden met betrekking tot de toepassing van artikel 24, onder b, van de Paspoortwet in beginsel blijven verrichten op de wijze die sinds de circulaire van 2007 gebruikelijk is. Er is echter één belangrijke uitzondering. Indien zij voldoende redenen hebben om aan te nemen dat een persoon in aanmerking komt voor opneming in het register paspoortsignaleringen, gaan zij niet zelf over tot de indiening van een formeel signaleringsverzoek, maar stellen zij de minister van BZK op de hoogte van alle feiten en documenten die op het concrete geval betrekking hebben. Vervolgens zal de minister van BZK, na bestudering van het dossier en eventueel aanvullend eigen onderzoek, een signaleringsverzoek doen en de betrokken persoon opnemen in het register paspoortsignaleringen.
4. Keuze voor uitvoerende instanties om al dan niet zelf als signalerende autoriteit op te treden
Als autoriteit belast met de uitvoering van de Paspoortwet heeft u de keuze om de hiervoor beschreven aangepaste signaleringsprocedure te volgen, inhoudende dat de minister van BZK vanaf het begin de om signalering verzoekende autoriteit is. Deze eerste mogelijkheid wordt sterk aanbevolen. U kunt er echter ook voor kiezen om zelf als signalerende autoriteit te blijven optreden.
Het is wellicht goed om te benadrukken wat het voor u betekent, indien u zelf als signalerende autoriteit optreedt. De minister van BZK zal zich dan beperken tot een beoordeling van het signaleringsverzoek aan de wettelijke criteria, zoals die zijn genoemd in artikel 24, onder b, van de Paspoortwet. Als aan die criteria is voldaan, gaat de minister over tot opneming van de betrokken persoon in het register paspoortsignaleringen. Daarvan krijgt u bericht.
U dient als signalerende autoriteit iedere twee jaar een gemotiveerd verzoek te doen aan de minister van BZK om hernieuwde signalering van de betrokken persoon, indien u wilt voorkomen dat de signalering van rechtswege vervalt.
Daarnaast dient bij een voorgenomen weigering of vervallenverklaring van een reisdocument de betrokken persoon eerst in de gelegenheid te worden gesteld zijn zienswijze kenbaar te maken ten overstaan van de autoriteit die voor de signalering verantwoordelijk is. Dat is dus de instantie die het signaleringsverzoek heeft ingediend. Dit kan dezelfde autoriteit zijn die moet beslissen over de weigering of vervallenverklaring, maar ook een andere autoriteit (bv. de burgemeester van de gemeente waar betrokkene vroeger woonde). In dat geval moet betrokkene naar die andere autoriteit worden verwezen. Dit betekent dat u als signalerende autoriteit gevraagd kan worden te adviseren over de uitreiking van een reisdocument aan een persoon die al geruime tijd uw gemeente heeft verlaten.
5. Twee modelformulieren in verband met signalering
Ten behoeve van de informatieverstrekking aan de minister van BZK zijn bij deze circulaire twee modelformulieren gevoegd. Het modelformulier ‘Informatieverstrekking in verband met artikel 24, onder b van de Paspoortwet’ is geheel nieuw, al vertoont het inhoudelijk grote overeenkomsten met het bestaande modelformulier ‘Verzoek tot signalering op grond van artikel 24, onder b van de Paspoortwet’ . Het modelformulier ‘Informatieverstrekking in verband met artikel 24, onder b van de Paspoortwet’ dient te worden gebruikt, indien u de aangepaste signaleringsprocedure volgt en daarmee het indienen van het signaleringsverzoek overlaat aan de minister van BZK. Het modelformulier ‘Verzoek tot signalering op grond van artikel 24, onder b van de Paspoortwet’ dient gebruikt te worden door de autoriteiten die er voor kiezen om toch zelf als signalerende autoriteit op te treden en een signaleringsverzoek te doen. Ook dit formulier is nieuw, omdat enige aanpassing nodig was in verband met de uitbreiding van de criteria voor signalering (zie hierna). Beide formulieren zijn, evenals deze circulaire, te downloaden via de website van het Agentschap BPR (www.bprbzk.nl).
Het is belangrijk dat het door u te gebruiken formulier volledig wordt ingevuld en daarin een uitgebreide onderbouwing wordt gegeven van uw vermoeden dat de betrokken persoon handelingen verricht als bedoeld in artikel 24, onder b, van de Paspoortwet. U dient alle bijlagen mee te sturen die van belang kunnen zijn voor de beoordeling of aan de wettelijke criteria voor signalering wordt voldaan. Bovendien is een uitvoerig gemotiveerd en gedocumenteerd dossier onontbeerlijk voor het verdere traject van signalering van betrokkene en de uiteindelijke beslissing om al dan niet tot weigering of vervallenverklaring van een reisdocument over te gaan.
6. Criteria voor signalering
Er dient volgens artikel 24, onder b van de Paspoortwet sprake te zijn van een gegrond vermoeden dat een persoon handelingen verricht die het vertrouwen in reisdocumenten schaden. Om nader te kunnen bepalen wanneer van een dergelijk gegrond vermoeden sprake is, wordt hieronder een aantal gedragingen genoemd die daarop kunnen wijzen.
In dit verband is van belang om op te merken dat de hieronder genoemde gedragingen in lijn zijn met recente jurisprudentie van de bestuursrechter, in het bijzonder met de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 6 juni 2007 (zaaknummer 200606713/1). In deze uitspraak overweegt de Afdeling onder meer dat bij de beoordeling van de vraag of op grond van artikel 24, onder b, van de Paspoortwet een reisdocument kan worden geweigerd, het volgende mag worden meegewogen:
bij het vaststellen van het aantal vermissingen van reisdocumenten telt de vermissing van Nederlandse identiteitskaarten net zo goed als de vermissing van paspoorten of andere Nederlandse reisdocumenten;
het is mogelijk dat meerdere vermissingen in combinatie met andere handelingen het gegronde vermoeden als bedoeld in artikel 24, onder b, van de Paspoortwet kunnen opleveren. Deze andere handelingen kunnen bestaan uit het opzettelijk beschadigen of anderszins onbruikbaar maken van (delen van) het reisdocument door het verwassen daarvan;
het gegronde vermoeden kan ook ontstaan doordat een persoon opzettelijk anderen in de gelegenheid heeft gesteld handelingen te verrichten als bedoeld in artikel 24, onder b, van de Paspoortwet. Daaronder moet ook worden begrepen het op een zodanige manier achterlaten van reisdocumenten dat anderen hiervan zonder noemenswaardige moeite misbruik kunnen maken, zodat willens en wetens het risico is genomen dat zij dit ook zullen doen.
In deze circulaire worden de gedragingen die een onderbouwing kunnen zijn van een gegrond vermoeden als bedoeld in artikel 24, onder b, van de Paspoortwet, ingedeeld in de volgende categorieën:
A. Meervoudige vermissing van reisdocumenten
B. Opzettelijke beschadiging van reisdocumenten
C. Opzettelijk anderen de gelegenheid geven voor onjuiste handelingen met reisdocumenten
D. Andere handelingen die op misbruik met reisdocumenten kunnen wijzen
De beoordeling van de toegezonden informatie dan wel het ingediende signaleringsverzoek zal (mede) aan de hand van deze criteria plaatsvinden. De criteria kunnen ieder op zich of in combinatie leiden tot het gegronde vermoeden als bedoeld in artikel 24, onder b, van de Paspoortwet.
A. Meervoudige vermissing van reisdocumenten
Er is reden voor signalering van een persoon in de volgende gevallen:
1. De houder heeft 3 keer binnen 5 jaar een reisdocument als vermist opgegeven, terwijl daarvoor geen plausibele reden bestaat. Een plausibele reden kan bijv. beroving, diefstal of dementie van de betrokken persoon zijn. Indien de houder echter zonder dergelijke reden zijn reisdocument is kwijtgeraakt, wordt dit aangemerkt als een vermissing zonder plausibele reden.
2. De houder heeft weliswaar minder dan 3 keer binnen 5 jaar een reisdocument als vermist opgegeven, maar spreekt zichzelf tegen bij doorvragen op door hem afgelegde eerdere verklaringen van vermissing bij de paspoortuitgevende autoriteiten of in de processen-verbaal van de politie. Ook kan de inhoud van een proces-verbaal of een verklaring van vermissing aanleiding geven tot een gegrond vermoeden van misbruik met reisdocumenten (bijv. de redenen van vermissing zijn ongeloofwaardig, vertonen een terugkerend patroon of lijken te zijn verzonnen om misbruik van het document te verhullen).
3. De houder heeft weliswaar minder dan 3 keer binnen 5 jaar een reisdocument als vermist opgegeven, maar in combinatie met een of meer andere handelingen, hierna genoemd onder B C en D, ontstaat toch een gegrond vermoeden van misbruik met reisdocumenten.
4. De houder heeft weliswaar steeds plausibele redenen opgegeven als beroving of diefstal, maar het aantal vermissingen is zodanig hoog dat toch twijfel gaat rijzen. Het is bijvoorbeeld mogelijk dat door de houder valse aangiften zijn gedaan. U wordt geadviseerd in dergelijke gevallen eerst contact met de politie op te nemen.
Om meervoudige vermissing van reisdocumenten te kunnen vaststellen, neemt u de volgende punten in acht:
a. U controleert te allen tijde of de houder al eerder reisdocumenten als vermist heeft gemeld. Gemeenten kunnen dit doen aan de hand van de GBA, de andere autoriteiten kunnen gebruik maken van het Basisregister Reisdocumenten bij het Agentschap BPR. Het is raadzaam dat ook gemeenten het Basisregister Reisdocumenten raadplegen, indien het een burger betreft die recent vanuit het buitenland weer in Nederland is teruggekeerd. Het is dan immers mogelijk dat in dit register vermiste reisdocumenten van deze persoon voorkomen die (nog) niet in de GBA zijn vermeld. De raadpleging van het register kan desgewenst telefonisch geschieden op het hieronder vermelde telefoonnummer.
b. Voor het vaststellen van het aantal meervoudige vermissingen tellen de vermissingen van Nederlandse identiteitskaarten net zo goed als de vermissingen van paspoorten of andere Nederlandse reisdocumenten. Het 3 keer binnen 5 jaar als vermist opgeven van een Nederlandse identiteitskaart dan wel een combinatie van vermissingen van Nederlandse identiteitskaarten en paspoorten of andere Nederlandse reisdocumenten kunnen derhalve ook een gegrond vermoeden opleveren. Het feit dat Nederlandse identiteitskaarten niet kunnen worden geweigerd of vervallen verklaard, doet in dit verband niet ter zake.
c. Indien sprake is van een gelijktijdige vermissing van reisdocumenten (bijv. paspoort en Nederlandse identiteitskaart of gewoon paspoort en tweede paspoort) geldt dit voor de berekening van het aantal vermissingen als één vermissing.
d. Bij de vaststelling of aan het criterium van 3 vermissingen binnen 5 jaar is voldaan, dient telkens, gerekend vanaf de datum van de verklaring omtrent de vermissing die door de uitgevende instantie is opgemaakt, te worden nagegaan hoe vaak de betrokken persoon in de daaraan voorafgaande vijf jaar een reisdocument als vermist heeft gemeld zonder dat daarvoor een plausibele reden kon worden opgegeven.
B. Opzettelijke beschadiging van reisdocumenten
Het blijkt steeds meer voor te komen, dat reisdocumenten worden ingeleverd die blijkbaar opzettelijk zijn beschadigd. Het gaat dan om documenten, waarin visumbladzijden ontbreken of die duidelijk zijn gewassen. Daardoor worden visa en in- of uitreisstempels onleesbaar. Zeker indien dit vaker voorkomt, kan dit er op wijzen dat de houder kennelijk doelbewust zijn reisgedrag wil verhullen (bijv. om te verbergen dat hij regelmatig reist naar bepaalde landen om drugs te smokkelen of dat hij ondanks een sollicitatieplicht toch langere tijd naar het buitenland gaat).
Omdat het gegronde vermoeden van misbruik hier minder eenvoudig is aan te tonen dan bij meervoudige vermissing, is het belangrijk dat u in dit geval zoveel mogelijk omstandigheden aanvoert, waaruit blijkt dat de betrokken persoon er belang bij heeft om zijn reisdocumenten opzettelijk te beschadigen. Met name valt hier te denken aan het veelvuldig inleveren van beschadigde reisdocumenten, vooral wanneer dat gebeurt in combinatie met de aangifte van een of meer vermissingen. Ook is het denkbaar dat een technisch onderzoek wordt ingesteld naar de beschadiging. Mocht daarbij worden aangetoond dat de beschadiging opzettelijk is aangebracht, dan moet het onderzoeksrapport worden meegezonden.
C. Opzettelijk anderen de gelegenheid geven voor onjuiste handelingen met reisdocumenten
Een gegrond vermoeden als bedoeld in artikel 24, onder b, van de Paspoortwet kan voorts ontstaan doordat een persoon opzettelijk anderen in de gelegenheid heeft gesteld handelingen te verrichten als bedoeld in artikel 24, onder b, van de Paspoortwet . Daaronder moet niet alleen worden begrepen het verkopen, verhuren, in onderpand geven of uitlenen van het reisdocument, maar ook de situatie dat betrokkene het document door grove onachtzaamheid of nalatigheid heeft verloren, het document in een openbare gelegenheid of een andere plaats heeft laten liggen, in een jas of een tas heeft laten zitten dan wel anderszins op een zodanige manier heeft achtergelaten dat anderen hiervan zonder noemenswaardige moeite misbruik kunnen maken, zodat willens en wetens het risico is genomen dat zij dit ook zullen doen.
het vervalsen van een of meer reisdocumenten of daarin aangebrachte bijschrijvingen, dan wel pogingen daartoe;
het eigenmachtig aanbrengen van bijschrijvingen of andere aantekeningen in een reisdocument;
het zich op valse identiteit laten verstrekken van een reisdocument;
het kopen, huren, in onderpand nemen of lenen van een reisdocument van een ander;
het gebruiken van een reisdocument bij frauduleuze handelingen (bijv. lening afsluiten op naam van een ander, werken onder valse naam, fraude met het BSN/SoFinummer) of gebruik van het reisdocument bij andere criminele zaken;
het doen van valse aangifte c.q. het afleggen van valse verklaringen bij vermissing van een reisdocument;
het eerder als vermist opgegeven reisdocument wordt doelbewust door de houder zelf gebruikt;
andere redenen.
7. Signalering van een persoon tussen aanvraag en uitreiking van een reisdocument
Het zal regelmatig voorkomen dat een persoon die een aanvraag indient voor een reisdocument en zijn eerdere document(en) als vermist opgeeft, pas op dat moment aan de criteria gaat voldoen om te worden vermeld in het register paspoortsignaleringen. In het bijzonder valt te denken aan de situatie dat het de derde vermissing zonder plausibele reden in vijf jaar is. In dat geval dient u direct een over te gaan tot het verstrekken van informatie (of het indienen van een signaleringsverzoek, indien daarvoor wordt gekozen) met behulp van het voorgeschreven formulier. In de tussentijd houdt u de beslissing op de aanvraag aan. De wettelijke termijn om op een aanvraag te beslissen bedraagt vier weken. Zodra de betrokken persoon in het register is opgenomen, ontvangt u daarvan bericht.
8. Opneming en handhaving van de signalering
De minister van BZK beslist (mede) op basis van de door u verstrekte informatie of hij een signaleringsverzoek zal doen en de betrokken persoon in het register paspoortsignaleringen zal vermelden.
Indien de minister van BZK het signaleringsverzoek doet, bepaalt hij zelf hoe lang betrokkene in het register paspoortsignaleringen blijft opgenomen. U hoeft dan niet iedere twee jaar een gemotiveerd verzoek te doen om de signalering van de betrokken persoon te handhaven. Indien u er voor kiest om toch zelf als signalerende instantie op te treden, moet u telkens binnen twee jaar een nieuw signaleringsverzoek indienen om de signalering van betrokkene in het register te handhaven.
Overigens worden alle paspoortuitgevende instanties en andere autoriteiten belast met de uitvoering van de Paspoortwet nadrukkelijk verzocht om, ook nadat een persoon in het register paspoortsignaleringen is vermeld, uit eigen beweging of op verzoek van de minister van BZK, alle feiten en omstandigheden te melden die van invloed kunnen zijn op de beoordeling of die vermelding nog steeds gerechtvaardigd is. Dat geldt ook voor het toesturen van uitspraken en andere stukken in bezwaar- en beroepsprocedures, die naar aanleiding van een weigering of vervallenverklaring van een reisdocument hebben plaatsgevonden.
9. Weigering, vervallenverklaring of verstrekking van een beperkt geldig reisdocument
Bij iedere aanvraag voor een nieuw reisdocument (dan wel nadat een ingehouden reisdocument is ontvangen) dient u volgens de geldende voorschriften na te gaan of de betrokken persoon is vermeld in het register paspoortsignaleringen. Indien de aanvrager zijn reisdocument als vermist opgeeft, gaat u tevens na of er alsnog reden is voor signalering van de betrokken persoon (door de minister van BZK of, als u dit wenst, door u zelf).
Wanneer de betrokken persoon in het register paspoortsignaleringen is vermeld, vraagt u bij het Agentschap BPR altijd de nadere gegevens op met betrekking tot de signalering. In dit verband wordt er nadrukkelijk op gewezen dat, in tegenstelling tot hetgeen eerder wel is aangenomen, de betrokken burger geen bezwaar of beroep kan instellen tegen de signalering als zodanig. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft eerder uitgesproken dat de vermelding in het Register paspoortsignaleringen niet gericht is op enig rechtsgevolg en er derhalve geen sprake is van een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht.
Alvorens u een definitieve beslissing neemt, dient de betrokken persoon in de gelegenheid te worden gesteld zijn zienswijze kenbaar te maken bij de autoriteit die voor de signalering verantwoordelijk is. Dit zal naar verwachting in de meeste gevallen de minister van BZK zijn. Indien een andere autoriteit, belast met de uitvoering van de Paspoortwet , het signaleringsverzoek heeft gedaan (in voorkomende gevallen kunt u dat ook zelf zijn), dan wordt de betrokkene naar die andere autoriteit verwezen.
Het overleg tussen de betrokken persoon en de signalerende autoriteit kan leiden tot intrekking van de signalering, omdat daarvoor geen gronden (meer) blijken te bestaan. Het is ook mogelijk dat de gronden weliswaar gehandhaafd blijven, maar met de betrokken persoon wordt overeengekomen dat deze een reisdocument krijgt waarvan de geldigheidsduur of de territoriale geldigheid is beperkt. Indien in het overleg overeenstemming is bereikt, wordt dit door de signalerende autoriteit aan u medegedeeld. U dient vervolgens conform die mededeling hetzij het aangevraagde reisdocument te verstrekken, hetzij het ingehouden reisdocument terug te geven, hetzij een beperkt geldig reisdocument te verstrekken.
Wordt in het overleg geen overeenstemming bereikt of wenst de betrokken persoon van deze overlegmogelijkheid geen gebruik te maken dan gaat u tot weigering of vervallenverklaring over, tenzij u van mening bent dat betrokkene daardoor onevenredig zou worden benadeeld. In dat geval wint u eerst het advies in van de signalerende autoriteit. Vervolgens beslist u, gehoord dit advies, of u tot weigering of vervallenverklaring overgaat, dan wel alsnog hetzij het aangevraagde reisdocument verstrekt, hetzij het ingehouden reisdocument teruggeeft, hetzij een beperkt geldig reisdocument verstrekt. Van uw beslissing doet u onverwijld mededeling aan de minister, die zorgt voor opneming van die mededeling in het register paspoortsignaleringen.
Bij het nemen van de beslissing tot weigering of vervallenverklaring van een reisdocument kunt u op grond van artikel 20 van het Besluit justitiële gegevens, desgewenst eventuele justitiële gegevens van de betrokken persoon opvragen.
10. Nadere informatie
Voor alle vragen over de Paspoortwet , het Register paspoortsignaleringen of het Basisregister reisdocumenten kunt u bellen met de Servicedesk van het Agentschap BPR, telefoonnummer 088 - 9001000.
De
minister
Directeur-generaal Bestuur en Koninkrijksrelaties.