Rechtenmedia.nl - Juridische Online Uitgeverij  Rechtennieuws.nl | Jure.nl | Maxius.nl | Parlis.nl | Rechtenforum.nl | JBmatch.nl | MijnWetten.nl | AdvocatenZoeken.nl | Rechtentotaal.nl
Inhoudsopgave
1. Inleiding
2. Wijzigingen ten opzichte van de vorige circulaire
3. Doelstelling
4. Juridisch kader voor de inzet
5. Bevoegd gezag
6. Dienst Speciale Interventies
7. Verlenen van toestemming tot inzet van een AOE
8. Verlenen toestemming tot meevoeren automatisch vuurwapen door AOE
9. Registratie toestemming inzet aanhoudings- en ondersteuningseenheid
Vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature

Juridisch advies nodig?
Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag
Geschiedenis

Geschiedenis-overzicht

Circulaire Aanhoudings- en ondersteuningseenheden (AOE 'en)

Circulaire Aanhoudings- en ondersteuningseenheden (AOE 'en)
1. Inleiding
Deze circulaire voorziet in een beleidsregel voor registratie van de inzet van aanhoudings- en ondersteuningseenheden (hierna: AOE’en), alsmede in het niveau waarop de toestemming voor de inzet binnen het Openbaar Ministerie dient te worden verleend. Hierbij is aangegeven welke hoofdofficier van justitie bevoegd is toestemming te verlenen wanneer één of meer aanhoudingen dienen plaats te vinden in een ander arrondissement dan dat waar het onderzoek verricht wordt.
Met de AOE’en wordt bedoeld de AOE’en van de regionale politiekorpsen als bedoeld in artikel 8 van het Bbrp, alsmede de AOE van de Brigade Speciale beveiligingsopdrachten van de Koninklijke marechaussee en de AOE van het KLPD. De AOE van het KLPD bestaat uit personeel van de DSI maar is juridisch een gescheiden organisatie. Voor beide organisaties zijn de bestaande toestemmingslijnen, inzetprocedures en de bewapeningsregelingen onverkort van kracht.
2. Wijzigingen ten opzichte van de vorige circulaire
De onderhavige circulaire is naar aanleiding van de adviezen van de commissie evaluatie herinrichting stelsel van speciale eenheden (de ‘commissie Dessens’) op het volgende punt gewijzigd:
Door de beheerder van het KLPD is bij besluit van 11 februari 2009 een AOE opgericht; de AOE-KLPD.
3. Doelstelling
De belangrijkste taak van de AOE’en is het verrichten van aanhoudingen in situaties waarbij redelijkerwijs mag worden aangenomen dat levensbedreigende omstandigheden tegen de politie of anderen dreigen. De inzet van een AOE is erop gericht om geweld te voorkomen of te beheersen. Door snel en verrassend op te treden wordt bij de aanhoudingen van gevaarlijke verdachten het gevaar voor de politie en voor derden tot een minimum beperkt.
4. Juridisch kader voor de inzet
In artikel 8, eerste lid, van het Besluit beheer regionale politiekorpsen (hierna: Bbrp) is aangegeven dat een AOE uitsluitend tot taak heeft op te treden indien redelijkerwijs mag worden aangenomen dat levensbedreigende omstandigheden tegen de politie of anderen dreigen. Hetzelfde artikel bepaalt vervolgens welke werkzaamheden de eenheid ter uitvoering van zijn taak mag uitvoeren. Dat betreft het verrichten van planmatige aanhoudingen, het bewaken en beveiligen van politie-infiltranten, het assisteren bij het bewaken en beveiligen van het transport van getuigen, verdachten of gedetineerden, het assisteren bij het bewaken en beveiligen van objecten en andere werkzaamheden waarvoor toestemming is verkregen van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en de Minister van Justitie. Voor de uitoefening van deze werkzaamheden is een AOE geoefend in het gebruik van bijzondere technieken en tactieken en kan deze worden uitgerust met bijzondere bewapening.
Gelet op de situaties waarin wordt opgetreden en de wijze waarop een AOE opereert, zal veelal sprake zijn van een ernstige inbreuk op de persoonlijke levenssfeer. De inzet kan dan ook worden beschouwd als het toepassen van een zwaar geweldmiddel, waarvoor toestemming van het bevoegd gezag nodig is conform artikel 6, eerste lid, van de Ambtsinstructie voor de politie, de Koninklijke marechaussee en de buitengewoon opsporingsambtenaar (hierna: de Ambtsinstructie).
5. Bevoegd gezag
De officier van justitie zal ingevolge artikel 13 van de Politiewet 1993 toestemming moeten geven als het gaat om werkzaamheden die overwegend op het vlak van de strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde liggen. Hierbij kan worden gedacht aan de volgende – in artikel 8, eerste lid, onder a, b en c, van het Bbrp genoemde – werkzaamheden: het verrichten van planmatige aanhoudingen, het bewaken en beveiligen van politie-infiltranten en het assisteren bij het bewaken en beveiligen van het transport van getuigen, verdachten of gedetineerden. De burgemeester zal ingevolge artikel 12 van de Politiewet 1993 toestemming moeten geven als het gaat om werkzaamheden die overwegend op het vlak van de handhaving van de openbare orde liggen. Daarvan kan sprake zijn bij het assisteren bij het bewaken van objecten (artikel 8, eerste lid, onder d, van het Bbrp). Als er sprake is van inzet van een AOE ten behoeve van het beveiligen van objecten bij een concrete en ernstige dreiging, zal de AOE daarentegen in beginsel onder het gezag van het Openbaar Ministerie worden ingezet, gelet op de taak van het Openbaar Ministerie om in concrete gevallen ernstige strafbare feiten te voorkomen en te beëindigen.
6. Dienst Speciale Interventies
De DSI, bestaat uit personeel van Politie en Defensie en is op 1 juli 2006 opgericht. De DSI is beheersmatig ondergebracht bij het Korps landelijke politiediensten en heeft tot taak:
a. het bestrijden van alle vormen van ernstig geweld dan wel terrorisme over het gehele geweldsspectrum;
b. de beveiliging van personen en objecten in bijzondere situaties, waaronder het beveiligen van ambtenaren van de Algemene inlichtingen- en veiligheidsdienst bij operaties van die dienst;
c. het uitvoeren van andere door de Ministers van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, van Justitie en van Defensie opgedragen bijzondere onderdelen van de politietaak.
De DSI heeft bij de bestrijding van alle voorkomende vormen van ernstig geweld dan wel terrorisme en in bijzondere gevallen de algehele leiding over de inzet van speciale eenheden, met uitzondering van die gevallen waarin de AOE’en zelfstandig optreden. De inzet gebeurt onder het gezag van het Openbaar Ministerie. Het stelsel van speciale eenheden bestaat uit de AOE’en en de DSI. De DSI is een bijzondere bijstandseenheid, zoals bedoeld in artikel 60 van de Politiewet 1993, en bestaat uit de Unit Interventie (UI), de Unit Expertise & Operationele Ondersteuning (UE&OO) en de Unit Interventie Mariniers (UIM). Van deze laatstgenoemde unit ligt het beheer bij het ministerie van Defensie.
Inzet van de DSI komt in principe pas aan de orde op het moment dat zich een situatie voordoet die het geweldsniveau van de AOE’n overstijgt. Het geweldsniveau van de AOE’n kan worden geduid als het aanhouden van verdachten indien redelijkerwijs mag worden aangenomen dat levensbedreigende omstandigheden tegen de politie of anderen dreigen. Dit gezien in de context van het beëindigen van een reguliere criminele situatie, ongeacht eventuele verbanden met terroristische activiteiten, waarbij de kans op escalatie op aard en omvang naar het geweldsniveau van de DSI als verwaarloosbaar wordt ingeschat. Hierbij wordt opgemerkt dat de inzet van de DSI in plaats van de AOE’n, aangewezen kan zijn vanwege de te verwachten maatschappelijke impact van de dreiging, ondanks dat sprake is van een situatie die zich in principe beperkt tot het geweldsniveau van de AOE’en.
Tot slot kan worden opgemerkt dat bij calamiteiten van terrorisme, buitensporig en/of grootschalig geweld, of in bijzondere gevallen de AOE’en ter ondersteuning van de DSI kunnen worden ingezet. De AOE’en die in gezamenlijkheid met de overige eenheden van de DSI kunnen worden ingezet vallen in dat geval onder de algemene leiding van het hoofd DSI. Het hoofd DSI wijst hierbij een operationeel commandant aan. In geval van een inzet van de DSI bestaande uit de UE&OO, tezamen met een AOE, kan ook een AOE chef door het hoofd DSI worden aangewezen als operationeel commandant in plaats van het hoofd van de UE&OO. Dit zal bijvoorbeeld kunnen voorkomen wanneer een beperkt aantal lange afstand precisieschutters ondersteuning verlenen aan een AOE en het zwaartepunt van de inzet bij het optreden van de AOE ligt. De beslissing hierover ligt uitsluitend bij het hoofd van de DSI, die de algehele leiding houdt tijdens de inzet.
Op 11 februari 2009 is bij de DSI de AOE-KLPD ingesteld. Deze eenheid bestaat uit personeel van de DSI maar betreft een zelfstandige juridische entiteit, wat feitelijk meebrengt dat hetzelfde personeel op een verschillende rechtsgrond en met een andere bewapening en uitrusting optreedt. Op uitvoeringsniveau zijn de benodigde afspraken gemaakt, inhoudende dat het AOE-KLPD, via het uitvoeren van inzetten voor het landelijk parket en het verlenen van assistentie aan andere AOE’n een gelimiteerd aantal inzetten op jaarbasis uitvoert.
7. Verlenen van toestemming tot inzet van een AOE
Inzet van een AOE zal – gelet op de aard en ernst van het middel – in de regel plaatsvinden ten behoeve van de strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde.
Aangezien de toestemming tot inzet van een AOE een zwaarwegende beslissing is, die verstrekkende gevolgen kan hebben, dient in beginsel de hoofdofficier van justitie, onder wiens gezag het opsporingsonderzoek plaatsvindt deze toestemming te verlenen. Over de inzet van de AOE-KLPD beslist de (landelijk) hoofdofficier van justitie. De hoofdofficier van justitie draagt zorg voor vervanging voor het geval dat hij zelf niet in staat is op een verzoek tot inzet te beslissen. Hij kan daartoe de plaatsvervangend of fungerend hoofdofficier van justitie aanwijzen of een officier van justitie in de rang van officier eerste klasse van zijn parket. Wie de toestemming heeft verleend, zal tot uitdrukking dienen te komen in de registratie die door het parket wordt gevoerd.
De verantwoordelijkheid van de hoofdofficier van justitie, onder wiens gezag het opsporingsonderzoek plaatsvindt, brengt mee dat, in het geval een AOE moet worden ingezet in een ander arrondissement, hij – alvorens toestemming daartoe te verlenen – overleg pleegt met zijn ambtgenoot of diens plaatsvervanger. Dit overleg betreft de veiligheid ter plaatse waar de AOE moet optreden, niet de noodzaak van de inzet van de AOE. Daarbij zijn de navolgende aspecten van belang:
is de politie ter plaatse waar de AOE zal optreden afdoende geïnformeerd over dit optreden en;
zijn openbare orde en veiligheid ter plaatse waar de AOE moet optreden afdoende gewaarborgd (zulks gelet op de juiste verhouding met de betrokken burgemeester die de ambtgenoot in acht zal dienen te nemen).
Er kunnen omstandigheden zijn die overleg vooraf met de ambtgenoot niet mogelijk maken omdat er geen indicatie te geven is waar de AOE zal moeten gaan optreden. In deze gevallen dient de hoofdofficier van justitie, die toestemming tot de inzet van de AOE geeft, ervoor te zorgen dat in ieder geval op operationeel niveau de lokale politie geïnformeerd wordt zodra de AOE zal gaan optreden. Tevens dient hij zijn ambtgenoot achteraf zo spoedig mogelijk in kennis te stellen van zijn toestemming tot de inzet van de AOE.
In geval één of meer aanhoudingen verricht moeten worden in een ander arrondissement dan dat waar het onderzoek plaatsvindt, zal in de registratie tot uitdrukking dienen te komen dat er ter zake (vooraf of spoedshalve achteraf) contact is opgenomen met de desbetreffende ambtgeno(o)t(en).
8. Verlenen toestemming tot meevoeren automatisch vuurwapen door AOE
Artikel 9, van de Bewapeningsregeling politie bepaalt dat de bewapening van een ambtenaar die behoort tot een AOE mede bestaat uit een automatisch vuurwapen. Het gebruik en meevoeren van dit wapen is vervolgens geregeld in artikel 8 van de Ambtsinstructie.
Artikel 8, van de Ambtsinstructie regelt het gebruik en meevoeren van een vuurwapen waarmee automatisch vuur kan worden afgegeven. Het gebruik van een vuurwapen waarmee automatisch vuur kan worden afgegeven, is ingevolge het eerste lid van dit artikel slechts geoorloofd tegen personen en tegen vervoermiddelen waarin of waarop zich personen bevinden, in een situatie waarin sprake is van een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding van eigen of eens anders lijf. Ingevolge het tweede lid, onder a, van dit artikel mag een automatisch vuurwapen worden meegevoerd bij het verrichten van een aanhouding van een persoon van wie redelijkerwijs mag worden aangenomen dat hij een voor onmiddellijk gebruik gereed zijnd vuurwapen bij zich heeft en dit tegen personen zal gebruiken. Ingevolge het bepaalde in de Bewapeningsregeling politie , kunnen bij een dergelijke aanhouding alleen ambtenaren die behoren tot een AOE beschikken over een automatisch vuurwapen. Artikel 8, derde lid, van de Ambtsinstructie bepaalt vervolgens dat in het hierboven genoemde geval een automatisch vuurwapen slechts mag worden meegevoerd na toestemming van de officier van justitie.
Artikel 8, tweede lid, onder b, van de Ambtsinstructie voorziet in de mogelijkheid dat bij het bewaken en beveiligen van personen en objecten een automatisch vuurwapen mag worden meegevoerd. De werkzaamheden van de AOE’s, zoals genoemd in artikel 8, eerste lid, onder b, c en d, van het Bbrp vallen hieronder. Artikel 8, vierde lid, van de Ambtsinstructie bepaalt vervolgens dat bij het bewaken en beveiligen van personen en objecten slechts een automatisch vuurwapen mag worden meegevoerd na toestemming van het bevoegd gezag. In paragraaf 5 is uiteen gezet wie in voorkomende gevallen optreedt als bevoegd gezag. Dit betekent dat de persoon die bevoegd is te beslissen over de inzet van een AOE ook bevoegd is te beslissen over de toestemming tot het meevoeren van het automatisch vuurwapen
9. Registratie toestemming inzet aanhoudings- en ondersteuningseenheid
Zoals hiervoor al is aangegeven, dient de inzet van een AOE te worden beschouwd als een zwaar geweldmiddel, dat veelal een ernstige inbreuk kan maken op de persoonlijke levenssfeer. De toestemming tot inzet van deze eenheid is derhalve een beslissing met een vergaand karakter. Teneinde controle op de correctheid van deze ambtshandeling te vergemakkelijken, is een adequate registratie noodzakelijk. Ik acht het niet noodzakelijk om een standaard registratieformulier voor te schrijven. Niettemin is een voorbeeld registratieformulier ontwikkeld voor de arrondissementsparketten. Dit registratieformulier is als bijlage bijgevoegd.
De
Minister
de directeur-generaal Rechtspleging en Rechtshandhaving