Rechtenmedia.nl - Juridische Online Uitgeverij  Rechtennieuws.nl | Jure.nl | Maxius.nl | Parlis.nl | Rechtenforum.nl | JBmatch.nl | MijnWetten.nl | AdvocatenZoeken.nl | Rechtentotaal.nl
Multilaterale Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, de Republiek Albanië, Bosnië en Herzegovina, de Republiek Bulgarije, de Republiek Kroatië, de Republiek IJsland, de Republiek Montenegro, de voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië, het Koninkrijk Noorwegen, de Republiek Servië, Roemenië en de Missie van de Verenigde Naties voor interimbestuur in Kosovo (UNMIK) betreffende de totstandbrenging van een Europese Gemeenschappelijke Luchtvaartruimte, Luxemburg, 09-06-2006
Bwb-id:
Officiele titel:
Citeertitel:
Ook bekend als:
Soort regeling:
Wetsfamilies:
Eerst verantwoordelijk ministerie:

Geldigheidsdatum:
Ingangsdatum:
Inhoudsopgave
+ Doel en beginselen
+ Non-discriminatie
+ Recht van vestiging
+ Veiligheid van de luchtvaart
+ Beveiliging van de luchtvaart
+ Luchtverkeersbeheer
+ Mededinging
+ Handhaving
+ Interpretatie
Artikel 17
+ Gemengd Comité
+ Regeling van geschillen
+ Vrijwaringsmaatregelen
+ Openbaarmaking van informatie
+ Derde landen en internationale organisaties
+ Overgangsbepalingen
+ Relatie met bilaterale luchtvervoerovereenkomsten en -regelingen
+ Inwerkingtreding, herziening, beëindiging en andere bepalingen
Vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature

Juridisch advies nodig?
Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag
Geschiedenis

Geschiedenis-overzicht

Multilaterale Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, de Republiek Albanië, Bosnië en Herzegovina, de Republiek Bulgarije, de Republiek Kroatië, de Republiek IJsland, de Republiek Montenegro, de voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië, het Koninkrijk Noorwegen, de Republiek Servië, Roemenië en de Missie van de Verenigde Naties voor interimbestuur in Kosovo (UNMIK) betreffende de totstandbrenging van een Europese Gemeenschappelijke Luchtvaartruimte, Luxemburg, 09-06-2006

Multilaterale Overeenkomst tussen de Republiek Albanië, Bosnië en Herzegovina, de Republiek Bulgarije, de Republiek Kroatië, de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, de Republiek IJsland, de Voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië, het Koninkrijk Noorwegen, Servië en Montenegro, Roemenië en de Missie van de Verenigde Naties voor interimbestuur in Kosovo (UNMIK) betreffende de totstandbrenging van een Europese Gemeenschappelijke Luchtvaartruimte
(authentiek: nl)
het Koninkrijk België,
de Tsjechische Republiek,
het Koninkrijk Denemarken,
de Bondsrepubliek Duitsland,
de Republiek Estland,
de Helleense Republiek,
het Koninkrijk Spanje,
de Franse Republiek,
Ierland,
de Italiaanse Republiek,
de Republiek Cyprus,
de Republiek Letland,
de Republiek Litouwen,
het Groothertogdom Luxemburg,
de Republiek Hongarije,
de Republiek Malta,
het Koninkrijk der Nederlanden,
de Republiek Oostenrijk,
de Republiek Polen,
de Portugese Republiek,
de Republiek Slovenië,
de Slowaakse Republiek,
de Republiek Finland,
het Koninkrijk Zweden,
het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland,
hierna „de lidstaten van de EG’’ genoemd, en
de Europese Gemeenschap, hierna „de Gemeenschap’’ of „de Europese Gemeenschap’’ genoemd, en
de Republiek Albanië,
Bosnië en Herzegovina,
de Republiek Bulgarije,
de Republiek Kroatië,
de Republiek IJsland,
de voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië,
het Koninkrijk Noorwegen,
Servië en Montenegro,
Roemenië, en
de missie van de Verenigde Naties voor interimbestuur in Kosovo,
hierna alle „de overeenkomstsluitende partijen’’ genoemd,
Erkennende het geïntegreerde karakter van de internationale burgerluchtvaart en wensende een Europese Gemeenschappelijke Luchtvaartruimte (ECAA) tot stand te brengen die gebaseerd is op wederzijdse toegang tot de luchtvervoermarkten van de overeenkomstsluitende partijen en de vrijheid van vestiging, onder gelijke mededingingsvoorwaarden en eerbiediging van dezelfde regels, in het bijzonder met betrekking tot veiligheid, beveiliging, luchtverkeersbeheer, sociale harmonisatie en milieu;
Overwegende dat de regels betreffende de ECAA op multilaterale basis binnen de ECAA van toepassing zullen zijn en dat in deze context derhalve specifieke regels moeten worden vastgelegd;
Ermee instemmende dat deze regels van de ECAA moeten worden gebaseerd op de relevante wetgeving die in de Europese Gemeenschap van kracht is, zoals vermeld in bijlage I, onverminderd de regels van het Verdrag tot oprichting van de Gemeenschap;
Erkennende dat volledige naleving van de regels van de ECAA de overeenkomstsluitende partijen het recht geeft de door de ECAA geboden voordelen, waaronder markttoegang, te genieten;
Ermee rekening houdende dat naleving van de regels van de ECAA, en de bijbehorende volledige markttoegang, niet in één stap kunnen worden gerealiseerd, maar dienen te worden bereikt via een overgangsproces dat wordt vergemakkelijkt door specifieke afspraken van beperkte duur;
Benadrukkende dat, behoudens eventueel noodzakelijke overgangsregelingen, de regels inzake markttoegang voor luchtvaartmaatschappijen beperkingen ten aanzien van frequenties, capaciteit, vliegroutes, vliegtuigtypes of vergelijkbare beperkingen krachtens bilaterale luchtvervoersovereenkomsten of -regelingen moeten uitsluiten, en dat niet van luchtvaartmaatschappijen mag worden geëist dat zij commerciële of vergelijkbare overeenkomsten aangaan als voorwaarde voor markttoegang;
Benadrukkende dat luchtvaartmaatschappijen een niet-discriminerende behandeling moeten krijgen bij het verwerven van toegang tot luchtvervoersinfrastructuur, met name wanneer deze infrastructuur beperkt is;
Ermee rekening houdende dat in associatieovereenkomsten tussen de Gemeenschappen en hun lidstaten enerzijds en bepaalde overeenkomstsluitende parijten anderzijds in principe wordt bepaald dat, met het oog op een gecoördineerde ontwikkeling en geleidelijke liberalisatie van het vervoer tussen de overeenkomstsluitende partijen die aangepast is aan de wederzijdse commerciële behoeften, de voorwaarden voor wederzijdse markttoegang via speciale overeenkomsten moeten worden geregeld;
Rekening houdende met de wens van elke geassocieerde partij om haar wetgeving inzake luchtvervoer en aanverwante onderwerpen verenigbaar te maken met die van de Europese Gemeenschap, met inbegrip van toekomstige wetgevingsinitiatieven binnen de Gemeenschap;
Erkennende het belang van technische assistentie in dit verband;
Erkennende dat de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte de betrekkingen tussen de Gemeenschap en de lidstaten van de Gemeenschap en Noorwegen en IJsland moet blijven beheersen;
In de wens latere uitbreiding van de Europese Gemeenschappelijke Luchtvaartruimte mogelijk te maken;
Herinnerende aan de onderhandelingen tussen de Europese Gemeenschap en de geassocieerde partijen met het oog op de sluiting van overeenkomsten inzake bepaalde aspecten van luchtdiensten waardoor bilaterale luchtdienstovereenkomsten tussen de lidstaten van de Europese Gemeenschap en de geassocieerde partijen in overeenstemming met het Europese Gemeenschapsrecht worden gebracht;
Zijn het volgende overeengekomen:
1.
Het doel van deze Overeenkomst is de totstandbrenging van een Europese Gemeenschappelijke Luchtvaartruimte, hierna „de ECAA’’ genoemd. De ECAA is gebaseerd op vrije markttoegang, vrijheid van vestiging, gelijke concurrentievoorwaarden en gemeenschappelijke regels, inclusief gemeenschappelijke regels op het gebied van veiligheid, beveiliging, luchtverkeersbeheer, sociale aspecten en milieu. Hiertoe worden in deze Overeenkomst de regels vastgesteld die tussen de overeenkomstsluitende partijen van toepassing zijn onder de hieronder vastgestelde voorwaarden. Deze regels omvatten de bepalingen die zijn opgenomen in de in bijlage I genoemde wetgeving.
2.
De bepalingen van deze Overeenkomst zijn van toepassing voor zover zij betrekking hebben op het luchtvervoer of een in bijlage I genoemd aanverwant onderwerp.
3.
De Overeenkomst bestaat uit een reeks artikelen waarin de algemene werking van de ECAA wordt uiteengezet (de hoofdovereenkomst), een reeks bijlagen, waarbij bijlage I een overzicht geeft van de wetgeving van de Europese Gemeenschap die in het kader van de hoofdovereenkomst tussen de overeenkomstsluitende partijen van toepassing is, en een reeks protocollen, waarbij ten minste een protocol voor elke geassocieerde partij de voor die partij geldende overgangsregelingen vaststelt.
1.
In deze Overeenkomst wordt verstaan onder:
a. „Overeenkomst’’: de hoofdovereenkomst met de bijbehorende protocollen en bijlagen alsmede de in bijlage I genoemde besluiten;
b. „geassocieerde partij’’: de Republiek Albanië, Bosnië en Herzegovina, de Republiek Bulgarije, de Republiek Kroatië, de Voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië, de Republiek Montenegro, Roemenië, Servië, of enige andere staat of entiteit die krachtens artikel 32 partij bij deze Overeenkomst is geworden;
c. „UNMIK’’: de krachtens Resolutie 1244 van de VN-Veiligheidsraad van 10 juni 1999 opgerichte Missie van de Verenigde Naties voor interimbestuur in Kosovo, eveneens een geassocieerde partij;
d. ’’overeenkomstsluitende partij’’: wat betreft de Gemeenschap en de EG-lidstaten, hetzij de Gemeenschap en de EG-lidstaten, hetzij de Gemeenschap, hetzij de EG-lidstaten. De betekenis die aan dit begrip per geval moet worden toegekend, moet worden afgeleid uit de desbetreffende bepalingen van deze Overeenkomst en uit de respectieve bevoegdheden van de Gemeenschap en de EG-lidstaten overeenkomstig het EG-Verdrag ;
e. „ECAA-partner’’: een geassocieerde partij, Noorwegen of IJsland;
f. EG-Verdrag ’’: het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap ;
g. EER-Overeenkomst ’’: de op 2 mei 1992 ondertekende Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte en bijbehorende protocollen en bijlagen, waarbij de Europese Gemeenschap, haar lidstaten, IJsland, Liechtenstein en Noorwegen partij zijn;
h. „associatieovereenkomst’’: elke overeenkomst waarbij een associatie tot stand wordt gebracht tussen de Europese Gemeenschap of de Europese Gemeenschap en haar lidstaten enerzijds, en de desbetreffende geassocieerde partij anderzijds;
i. „ECAA-luchtvaartmaatschappij’’: een luchtvaartmaatschappij die beschikt over een vergunning in de zin van deze Overeenkomst, overeenkomstig de bepalingen van de in bijlage I gespecificeerde toepasselijke besluiten;
j. „bevoegde burgerluchtvaartinstantie’’: een overheidsinstantie of -entiteit die een wettelijk recht uitoefent om het gebruik of de verkoop van producten of diensten of vergunningen binnen de jurisdictie van een overeenkomstsluitende partij op conformiteit te toetsen, te certificeren en te controleren, en handhavingsmaatregelen kan treffen om ervoor te zorgen dat binnen de jurisdictie van die partij verhandelde producten of diensten aan de wettelijke eisen voldoen;
k. „Verdrag’’: het Verdrag inzake de internationale burgerluchtvaart, dat op 7 december 1944 voor ondertekening is opengesteld in Chicago, en de wijzigingen en bijlagen daarvan;
l. „SESAR’’: de technische implementatie van het gemeenschappelijk Europees luchtruim, waarbij wordt voorzien in gecoördineerd en gesynchroniseerd onderzoek en de gecoördineerde en gesynchroniseerde ontwikkeling en invoering van de nieuwe generaties ATM-systemen;
m. „ATM-masterplan’’: (Air Traffic Master Plan) het startpunt voor SESAR;
n. „EG-lidstaat’’: een lidstaat van de Europese Gemeenschap.
2.
Het gebruik van de termen „land’’, „nationaal’’, „onderdanen’’ of „grondgebied’’ laat de status van elke overeenkomstsluitende partij krachtens het internationale recht onverlet.
Artikel 3 [Wordt voorlopig toegepast per 22-06-2011]
De toepasselijke bepalingen van de besluiten die worden bedoeld of zijn vervat in bijlage I , aangepast overeenkomstig bijlage II bij deze Overeenkomst, of in beschikkingen van het gemengd comité, zijn verbindend voor de overeenkomstsluitende partijen en maken deel uit van of worden opgenomen in hun interne rechtsorde, zulks op de volgende wijze:
a. een met een EG-verordening overeenstemmend besluit wordt opgenomen in de interne rechtsorde van de overeenkomstsluitende partijen;
b. een met een EG-richtlijn overeenstemmend besluit laat aan de instanties van de overeenkomstsluitende partijen de vrijheid om de vorm en wijze van toepassing te kiezen.
Artikel 4 [Wordt voorlopig toegepast per 22-06-2011]
De overeenkomstsluitende partijen treffen alle algemene of bijzondere maatregelen welke geschikt zijn om de nakoming van de uit deze Overeenkomst voortvloeiende verplichtingen te verzekeren en onthouden zich van alle maatregelen welke de verwezenlijking van de doelstellingen van deze Overeenkomst in gevaar kunnen brengen.
Artikel 5 [Wordt voorlopig toegepast per 22-06-2011]
De bepalingen van deze Overeenkomst zijn niet van invloed op de verhoudingen tussen de overeenkomstsluitende partijen bij de EER-Overeenkomst .
Artikel 6 [Wordt voorlopig toegepast per 22-06-2011]
Binnen de werkingssfeer van deze Overeenkomst en onverminderd de daarin vervatte bijzondere bepalingen, is elke discriminatie op grond van nationaliteit verboden.
Artikel 7 [Wordt voorlopig toegepast per 22-06-2011]
In het kader van deze Overeenkomst en onverminderd de bepalingen van de in bijlage I genoemde toepasselijke besluiten, zijn beperkingen van de vrijheid van vestiging voor onderdanen van een EG-lidstaat of een ECAA-partner op het grondgebied van een EG-lidstaat of ECAA-partner verboden. De vrijheid van vestiging omvat de toegang tot werkzaamheden anders dan in loondienst en de uitoefening daarvan alsmede de oprichting en het beheer van ondernemingen, en met name van vennootschappen, overeenkomstig de bepalingen welke door de wetgeving van het land van vestiging voor de eigen onderdanen zijn vastgesteld. Dit geldt eveneens voor de oprichting van agentschappen, filialen of dochterondernemingen door de onderdanen van een EG-lidstaat of een ECAA-partner die op het grondgebied van een EG-lidstaat of ECAA-partner zijn gevestigd.
1.
In het kader van deze Overeenkomst en onverminderd de bepalingen van de in bijlage I genoemde toepasselijke besluiten, worden vennootschappen welke in overeenstemming met de wetgeving van een EG-lidstaat of een ECAA-partner zijn opgericht of georganiseerd en welke hun hoofdvestiging binnen de ECAA hebben, gelijkgesteld met natuurlijke personen die onderdaan zijn van een EG-lidstaat of ECAA-partner.
2.
Onder vennootschappen worden verstaan maatschappen naar burgerlijk recht of handelsrecht, de coöperatieve verenigingen of vennootschappen daaronder begrepen, en overige rechtspersonen naar publiek- of privaatrecht, met uitzondering van vennootschappen welke geen winst beogen.
1.
De bepalingen van de artikelen 7 en  8 zijn niet van toepassing op werkzaamheden ter uitoefening van het openbaar gezag op het grondgebied van een overeenkomstsluitende partij, zelfs indien deze slechts voor een bepaalde gelegenheid geschieden.
2.
De bepalingen van de artikelen 7 en  8 en de maatregelen uit hoofde daarvan genomen doen niet af aan de toepasselijkheid van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de overeenkomstsluitende partijen inzake toelating, verblijf en arbeid, of waarbij een bijzondere regeling is vastgesteld voor vreemdelingen, welke bepalingen uit hoofde van de openbare orde, de openbare veiligheid en de volksgezondheid gerechtvaardigd zijn.
1.
Onverminderd gunstiger bepalingen in bestaande overeenkomsten en in het kader van deze Overeenkomst, schaffen de overeenkomstsluitende partijen kwantitatieve beperkingen en alle maatregelen van gelijke werking af welke van toepassing zijn op de overbrenging van uitrusting, benodigdheden, reserveonderdelen en ander materieel wanneer deze noodzakelijk zijn om een ECAA-luchtvaartmaatschappij in staat te stellen de uitvoering van luchtvervoerdiensten voort te zetten onder de in deze Overeenkomst vastgestelde voorwaarden.
2.
De in lid 1 bedoelde verplichting belet de overeenkomstsluitende partijen niet om dergelijke overbrengingen te verbieden of te beperken wanneer dit gerechtvaardigd is uit hoofde van bescherming van de openbare orde, de openbare veiligheid, de gezondheid en het leven van personen, dieren of planten, of uit hoofde van bescherming van de intellectuele, industriële en commerciële eigendom. Deze verboden of beperkingen mogen echter geen middel tot willekeurige discriminatie noch een verkapte beperking van de handel tussen de overeenkomstsluitende partijen vormen.
1.
De overeenkomstsluitende partijen zetten de nodige middelen in om ervoor te zorgen dat bij een overeenkomstsluitende partij geregistreerde vliegtuigen, wanneer zij landen op luchthavens op het grondgebied van een andere overeenkomstsluitende partij, aan de krachtens de Overeenkomst vastgestelde internationale veiligheidsnormen voldoen en door de gemachtigde vertegenwoordigers van die andere overeenkomstsluitende partij aan een platforminspectie in en rond het vliegtuig worden onderworpen waarbij de geldigheid van de vliegtuigdocumenten en de documenten van de bemanning, alsook de kennelijke conditie van het vliegtuig en de uitrusting daarvan worden gecontroleerd.
2.
Een overeenkomstsluitende partij kan te allen tijde verzoeken om overleg over de veiligheidsnormen die door een andere overeenkomstsluitende partij worden gehanteerd op andere gebieden dan die welke onder de toepassing van de in bijlage I genoemde besluiten vallen.
3.
Geen enkele bepaling van deze overeenkomst kan zo worden uitgelegd dat zij voor een bevoegde burgerluchtvaartinstantie een beletsel vormt om onverwijld de nodige maatregelen te nemen wanneer zij vaststelt dat een product of dienst mogelijkerwijze
i. niet voldoet aan de eventueel krachtens de Overeenkomst vastgestelde minimumnormen, of
ii. aanleiding geeft tot ernstige bezorgdheid – op basis van een inspectie als bedoeld in lid 1 – dat een vliegtuig of de wijze waarop het wordt gebruikt niet voldoet aan de krachtens de Overeenkomst vastgestelde minimumnormen, of
iii. aanleiding geeft tot ernstige bezorgdheid dat de krachtens de Overeenkomst vastgestelde minimumnormen niet effectief worden gehandhaafd en toegepast.
4.
Wanneer een bevoegde burgerluchtvaartinstantie op grond van lid 3 actie onderneemt, stelt zij de bevoegde burgerluchtvaartinstanties van de overige overeenkomstsluitende partijen daarvan in kennis met opgaaf van redenen.
5.
Wanneer op grond van lid 3 genomen maatregelen niet worden beëindigd nadat de aanleiding voor het nemen daarvan is weggenomen, kan elke overeenkomstsluitende partij de kwestie naar het gemengd comité doorverwijzen.
6.
Wijzigingen in de nationale wetgeving met betrekking tot de status van de bevoegde burgerluchtvaartinstantie worden door de betrokken overeenkomstsluitende partij ter kennis van de overige overeenkomstsluitende partijen gebracht.
1.
Om de burgerluchtvaart te beschermen tegen wederrechtelijke daden, zien de overeenkomstsluitende partijen erop toe dat de in bijlage I bij de Overeenkomt genoemde gemeenschappelijke basisnormen en mechanismen voor toezicht op de naleving inzake beveiliging van de luchtvaart op alle luchthavens op hun grondgebied worden toegepast, conform de in de bijlage vermelde toepasselijke bepalingen.
2.
Op verzoek verlenen de overeenkomstsluitende partijen elkaar alle nodige assistentie om de wederrechtelijke toe-eigening van burgervliegtuigen en andere wederrechtelijke daden die gericht zijn tegen de veiligheid van die vliegtuigen, hun passagiers en bemanning, luchthavens en luchtverkeersfaciliteiten, alsook enige andere veiligheidsdreiging voor de burgerluchtvaart te voorkomen.
3.
Wanneer wederrechtelijke toe-eigening van burgervliegtuigen of andere wederrechtelijke daden die gericht zijn tegen de veiligheid van die vliegtuigen, hun passagiers en bemanning, luchthavens of luchtverkeersfaciliteiten plaatsvinden of dreigen plaats te vinden, verlenen de overeenkomstsluitende partijen elkaar assistentie door communicatie en andere passende maatregelen voor een snelle beëindiging van dergelijke incidenten of de dreiging daarvan te faciliteren.
4.
Een geassocieerde partij kan aan een inspectie door de Europese Commissie worden onderworpen overeenkomstig de in bijlage I genoemde wetgeving van de Europese Gemeenschap, en van die partij kan worden verlangd dat zij deelneemt aan inspecties door de Europese Commissie bij andere overeenkomstsluitende partijen.
1.
De overeenkomstsluitende partijen werken samen op het gebied van het luchtverkeersbeheer met het doel het gemeenschappelijk Europees luchtruim uit te breiden tot de ECAA, teneinde de huidige veiligheidsnormen en de algehele efficiëntie van de algemene luchtverkeersnormen in Europa te verhogen, de capaciteit te optimaliseren en vertragingen tot een minimum te beperken.
2.
Om de toepassing van de wetgeving inzake het gemeenschappelijk Europees luchtruim op hun grondgebied te vergemakkelijken,
?nemen de geassocieerde partijen, binnen de grenzen van hun respectieve bevoegdheden, zo spoedig mogelijk de nodige maatregelen om hun institutionele structuren voor luchtverkeersbeheer aan te passen aan het gemeenschappelijk Europees luchtruim, met name door bevoegde nationale toezichthoudende instanties aan te wijzen of in te stellen die ten minste functioneel onafhankelijk zijn van de verleners van luchtvaartnavigatiediensten;
?betrekt de Europese Gemeenschap de geassocieerde partijen bij elk operationeel initiatief op het gebied van luchtvaartnavigatiediensten, luchtruim en interoperabiliteit in het kader van het gemeenschappelijk Europees luchtruim, met name door in een vroeg stadium de betrokken overeenkomstsluitende partijen te betrekken bij het creëren van functionele luchtruimblokken.
3.
De Europese Gemeenschap ziet erop toe dat de geassocieerde partijen volledig worden betrokken bij de ontwikkeling van een ATM-masterplan in het kader van het SESAR-programma van de Commissie.
1.
Binnen de werkingssfeer van deze Overeenkomst is het bepaalde in bijlage III van toepassing. Wanneer in andere overeenkomsten tussen twee of meer overeenkomstsluitende partijen, bijvoorbeeld associatieovereenkomsten, regels inzake mededinging en staatssteun zijn opgenomen, gelden deze regels tussen die partijen.
2.
De artikelen 15, 16 en  17 zijn niet van toepassing op het bepaalde in bijlage III .
1.
Onverminderd de leden 2 en 3, zorgt iedere overeenkomstsluitende partij ervoor dat bij de nationale rechter een beroep kan worden gedaan op de uit deze Overeenkomst voortvloeiende rechten, met name die welke voortvloeien uit de in bijlage I vermelde besluiten.
2.
In gevallen die van invloed kunnen zijn op feitelijke of potentiële luchtdiensten waarvoor in het kader van deze Overeenkomst een vergunning moet worden verleend, bezitten de instellingen van de Europese Gemeenschap de bevoegdheden die hun specifiek zijn verleend bij de bepalingen van de besluiten waarnaar wordt verwezen of die zijn opgenomen in bijlage I .
3.
Alle vragen met betrekking tot de wettigheid van besluiten die door de instellingen van de Europese Gemeenschap worden genomen op grond van deze Overeenkomst, met name op grond van de in bijlage I genoemde besluiten, vallen onder de exclusieve bevoegdheid van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen (hierna: „het Hof van Justitie’’).
1.
Voorzover de bepalingen van deze Overeenkomst en de bepalingen van de in bijlage I genoemde besluiten inhoudelijk identiek zijn aan de overeenkomstige regels van het EG-Verdrag en krachtens het EG-Verdrag genomen besluiten, worden deze bepalingen, wat hun uitvoering en toepassing betreft, geïnterpreteerd overeenkomstig de toepasselijke uitspraken en besluiten van het Hof van Justitie en de Europese Commissie die dateren van vóór de datum van ondertekening van deze Overeenkomst. De uitspraken en besluiten die dateren van na de datum van ondertekening van deze Overeenkomst worden aan de andere overeenkomstsluitende partijen ter kennis gebracht. Op verzoek van een van de overeenkomstsluitende partijen worden de implicaties van dergelijke uitspraken en besluiten vastgesteld door het gemengd comité, met het oog op de goede werking van deze Overeenkomst. Bestaande interpretaties worden vóór de datum van ondertekening van deze Overeenkomst ter kennis gebracht van de ECAA-partners. De in het kader van deze procedure genomen besluiten van het gemengd comité dienen in overeenstemming te zijn met de jurisprudentie van het Hof van Justitie.
2.
Wanneer er bij de behandeling van een zaak door een rechterlijke instantie van een ECAA-partner een probleem ontstaat inzake de interpretatie van deze Overeenkomst, van de bepalingen van de in bijlage I genoemde besluiten of van besluiten die op grond daarvan zijn genomen, welke inhoudelijk identiek zijn aan overeenkomstige regels van het EG-Verdrag en krachtens het EG-Verdrag genomen besluiten, verzoekt die rechterlijke instantie, indien zij een beslissing op dit punt noodzakelijk acht voor het wijzen van haar vonnis, overeenkomstig bijlage IV het Hof van Justitie een uitspraak over het probleem te doen. Een ECAA-partner kan bij besluit en overeenkomstig bijlage IV vastleggen in hoeverre en onder welke voorwaarden zijn rechterlijke instanties deze bepaling toepassen. Dat besluit wordt ter kennis gebracht van de depositaris en van het Hof van Justitie. De depositaris deelt dit aan de andere overeenkomstsluitende partijen mede.
3.
Wanneer, overeenkomstig lid 1, een rechterlijke instantie van een overeenkomstsluitende partij waarvan de beslissingen volgens het nationale recht niet vatbaar zijn voor hoger beroep, geen zaken kan voorleggen aan het Hof van Justitie, wordt elke uitspraak van die rechterlijke instantie door de betrokken overeenkomstsluitende partij voorgelegd aan het gemengd comité, dat moet toezien op een homogene interpretatie van deze Overeenkomst. Indien het gemengd comité er binnen twee maanden nadat een discrepantie tussen de jurisprudentie van het Hof van Justitie en een uitspraak van een rechterlijke instantie van de betrokken overeenkomstsluitende partij onder zijn aandacht is gebracht, er niet in is geslaagd een homogene interpretatie van de Overeenkomst te handhaven, kunnen de procedures van artikel 20 worden toegepast.
1.
Deze Overeenkomst laat onverlet het recht van elke overeenkomstsluitende partij om, onverminderd het niet-discriminatiebeginsel en de bepalingen van dit artikel en van artikel 18, lid 4, eenzijdig nieuwe wetgeving op het gebied van het luchtvervoer of een in bijlage I genoemd daarmee samenhangend gebied aan te nemen of haar bestaande wetgeving ter zake te wijzigen. De geassocieerde partijen nemen dergelijke wetgeving alleen aan wanneer deze in overeenstemming is met deze Overeenkomst.
2.
Zodra een overeenkomstsluitende partij nieuwe wetgeving heeft aangenomen of een wijziging van zijn wetgeving heeft vastgesteld, stelt zij de andere overeenkomstsluitende partijen daarvan uiterlijk binnen een maand na vaststelling van de nieuwe wetgeving of wijziging via het gemengd comité in kennis. Op verzoek van een overeenkomstsluitende partij houdt het gemengd comité binnen de daaropvolgende twee maanden een gedachtewisseling over de implicaties van die nieuwe wetgeving of wijziging voor de goede werking van de Overeenkomst.
3.
Het gemengd comité:
a. neemt een besluit tot herziening van bijlage I van deze Overeenkomst, teneinde daarin, zo nodig op basis van wederkerigheid, de nieuwe wetgeving of wijziging in kwestie op te nemen, of
b. neemt een besluit waarbij wordt vastgesteld dat de nieuwe wetgeving of wijziging in kwestie wordt beschouwd als zijnde in overeenstemming met deze Overeenkomst, of
c. stelt alle andere maatregelen vast om de goede werking van deze Overeenkomst te waarborgen.
4.
Bij wetgeving die is vastgesteld tussen de ondertekening van deze Overeenkomst en haar inwerkingtreding en waarvan de andere overeenkomstsluitende partijen in kennis zijn gesteld, wordt de datum waarop de informatie is ontvangen, beschouwd als de datum van voorlegging. Het gemengd comité mag niet eerder dan zestig dagen na inwerkingtreding van deze Overeenkomst een besluit nemen.
1.
Er wordt een gemengd comité ingesteld dat verantwoordelijk is voor het beheer van deze Overeenkomst en zorgt voor de goede uitvoering daarvan, onverminderd artikel 15, lid 2 en lid 3, artikel 21 en artikel 22. Hiertoe doet het aanbevelingen en neemt het besluiten in de gevallen waarin deze Overeenkomst voorziet. De besluiten van het gemengd comité worden door de overeenkomstsluitende partijen overeenkomstig hun eigen regels ten uitvoer gebracht.
2.
Het gemengd comité bestaat uit vertegenwoordigers van de overeenkomstsluitende partijen.
3.
Het gemengd comité neemt besluiten met eenparigheid van stemmen. Het gemengd comité kan echter besluiten in een meerderheidsstemming te voorzien voor specifieke onderwerpen.
4.
Voor een goede handhaving van deze Overeenkomst wisselen de overeenkomstsluitende partijen informatie uit, onder andere over nieuwe wetgeving of genomen besluiten die relevant zijn voor deze Overeenkomst, en plegen zij op verzoek van een partij overleg in het gemengd comité, ook over maatschappelijke kwesties.
5.
Het gemengd comité stelt zijn reglement van orde vast.
6.
Het voorzitterschap van het gemengd comité wordt beurtelings door ofwel een ECAA-partner, ofwel de Europese Gemeenschap en de lidstaten waargenomen, overeenkomstig de regelingen die het comité vastlegt in zijn reglement van orde.
7.
De voorzitter van het gemengd comité roept het comité ten minste eenmaal per jaar bijeen om de algemene werking van deze Overeenkomst te onderzoeken, en roept het comité op verzoek van een overeenkomstsluitende partij bijeen wanneer dat in verband met bijzondere omstandigheden noodzakelijk is. Het gemengd comité volgt voortdurend de ontwikkeling van de jurisprudentie van het Hof van Justitie. Daartoe stelt de Europese Commissie de ECAA-partners in kennis van alle uitspraken van het Hof van Justitie die relevant zijn voor de werking van de Overeenkomst. Het gemengd comité neemt binnen drie maanden maatregelen om een homogene interpretatie van deze Overeenkomst te handhaven.
8.
Het gemengd comité kan besluiten werkgroepen in te stellen die het bij de uitoefening van zijn taken kunnen bijstaan.
1.
Een besluit van het gemengd comité is bindend voor de overeenkomstsluitende partijen. Wanneer een besluit van het gemengd comité een overeenkomstsluitende partij tot het nemen van maatregelen verplicht, neemt deze partij de nodige maatregelen en stelt zij het gemengd comité daarvan in kennis.
2.
De besluiten van het gemengd comité worden bekendgemaakt in de staatsbladen van de Europese Unie en de ECAA-partners. In elk besluit wordt de datum van uitvoering door de overeenkomstsluitende partijen vermeld, alsmede alle andere informatie die van belang kan zijn voor de economische actoren.
1.
Geschillen betreffende de toepassing of interpretatie van deze Overeenkomst kunnen door de Gemeenschap, samen met de EG-lidstaten handelend, of door een ECAA-partner aan het gemengd comité worden voorgelegd, behoudens in gevallen waarvoor in deze Overeenkomst specifieke procedures zijn vastgesteld.
2.
Wanneer een geschil overeenkomstig lid 1 aan het gemengd comité is voorgelegd, vindt onverwijld overleg plaats tussen de partijen in het geschil. Wanneer de Europese Gemeenschap geen partij is in het geschil, kan een vertegenwoordiger van de Europese Gemeenschap door een van de partijen in het geschil bij het overleg worden uitgenodigd. De partijen in het geschil kunnen een voorstel voor een oplossing opstellen, dat onverwijld aan het gemengd comité wordt voorgelegd. De door het gemengd comité in het kader van deze procedure genomen besluiten laten de jurisprudentie van het Hof van Justitie onverlet.
3.
Indien het gemengd comité er niet in slaagt het geschil op te lossen binnen vier maanden vanaf het tijdstip waarop de zaak aan het comité is voorgelegd, kunnen de partijen in het geschil de zaak voorleggen aan het Hof van Justitie, dat er een definitieve en bindende uitspraak over doet. De nadere voorwaarden waaronder een zaak kan worden voorgelegd aan het Hof van Justitie zijn opgenomen in bijlage IV .
4.
Indien het gemengd comité geen besluit over een zaak neemt binnen vier maanden nadat deze aan het comité is voorgelegd, kunnen de overeenkomstsluitende partijen passende vrijwaringsmaatregelen nemen overeenkomstig de artikelen 21 en  22, voor een periode van ten hoogste zes maanden. Na deze periode kan elke overeenkomstsluitende partij de Overeenkomst met onmiddellijke ingang opzeggen. Een overeenkomstsluitende partij neemt geen vrijwaringsmaatregelen met betrekking tot een zaak die krachtens deze Overeenkomst naar het Hof van Justitie is verwezen, behoudens de in artikel 11, lid 3, genoemde gevallen of in overeenstemming met mechanismen waarin is voorzien in de afzonderlijke, in bijlage I genoemde besluiten.
Artikel 21 [Wordt voorlopig toegepast per 22-06-2011]
Onverminderd artikel 11, lid 3, en de in de protocollen bij deze Overeenkomst vermelde veiligheids- en beveiligingsbeoordelingen, worden vrijwaringsmaatregelen naar reikwijdte en duur beperkt tot hetgeen strikt noodzakelijk is om de situatie te verhelpen. Voorrang wordt gegeven aan maatregelen die de werking van deze Overeenkomst zo weinig mogelijk verstoren.
1.
Een overeenkomstsluitende partij die overweegt vrijwaringsmaatregelen te treffen, stelt de overige overeenkomstsluitende partijen hiervan via het gemengd comité in kennis en verstrekt alle relevante inlichtingen.
2.
De overeenkomstsluitende partijen plegen onmiddellijk overleg in het gemengd comité om een voor elke partij aanvaardbare oplossing te vinden.
3.
Behoudens artikel 11, lid 3, mag de betrokken overeenkomstsluitende partij geen vrijwaringsmaatregelen nemen binnen een maand na de datum van kennisgeving overeenkomstig lid 1, tenzij de overlegprocedure overeenkomstig lid 2 vóór het verstrijken van de gestelde termijn is beëindigd.
4.
De betrokken overeenkomstsluitende partij stelt het gemengd comité onverwijld in kennis van de getroffen maatregelen en verstrekt alle relevante inlichtingen.
Artikel 23 [Wordt voorlopig toegepast per 22-06-2011]
De vertegenwoordigers, afgevaardigden en deskundigen van de overeenkomstsluitende partijen, alsmede de in het kader van deze Overeenkomst handelende ambtenaren en andere functionarissen, mogen, zelfs na beëindiging van hun activiteiten, geen onder de geheimhoudingsplicht vallende informatie openbaar maken, met name over ondernemingen, hun handelsbetrekkingen of de elementen van hun kostprijs.
1.
De overeenkomstsluitende partijen plegen in het kader van het gemengd comité op verzoek van een der partijen overleg, overeenkomstig de procedure van de artikelen 25 en  26:
a. over luchtvervoervraagstukken die tot het werkterrein behoren van internationale organisaties, en
b. over de verschillende aspecten van de mogelijke ontwikkelingen in de betrekkingen tussen de overeenkomstsluitende partijen en derde landen op het gebied van het luchtvervoer, alsmede over de werking van de voornaamste onderdelen van op dit gebied gesloten bilaterale of multilaterale overeenkomsten.
2.
Het in lid 1 bedoelde overleg vindt plaats binnen een maand na indiening van het verzoek of, in dringende gevallen, zo spoedig mogelijk.
1.
Het voornaamste doel van het in artikel 24, lid 1, onder a), bedoelde overleg is:
a. gezamenlijk vast te stellen of de betrokken vraagstukken problemen van gemeenschappelijk belang doen ontstaan, alsmede
b. afhankelijk van de aard van deze problemen:
–?gezamenlijk vast te stellen of de activiteiten van de overeenkomstsluitende partijen in de betrokken internationale organisaties gecoördineerd moeten worden, of
–?gezamenlijk vast te stellen welke eventuele andere aanpak passend is.
2.
De overeenkomstsluitende partijen wisselen zo spoedig mogelijk alle informatie uit die van belang is met het oog op de in lid 1 genoemde doelstellingen.
Artikel 26 [Wordt voorlopig toegepast per 22-06-2011]
Het voornaamste doel van het in artikel 24, lid 1, onder b), bedoelde overleg is relevante vraagstukken te onderzoeken en na te gaan welke aanpak eventueel wenselijk is.
1.
In de protocollen I tot en met IX zijn de overgangsregelingen en bijbehorende termijnen opgenomen die tussen de Europese Gemeenschap en de EG-lidstaten enerzijds, en de betrokken geassocieerde partij anderzijds, van toepassing zijn. In de betrekkingen tussen Noorwegen of IJsland en een geassocieerde partij zijn dezelfde voorwaarden van toepassing als tussen de Europese Gemeenschap en de EG-lidstaten, enerzijds, en die geassocieerde partij, anderzijds.
2.
Gedurende de in lid 1 bedoelde overgangsperiodes worden de relevante elementen van de luchtvervoerregeling tussen twee geassocieerde partijen vastgesteld op basis van het meest restrictieve van de twee protocollen die betrekking hebben op de geassocieerde partijen in kwestie.
3.
Voor de geleidelijke overgang van elke geassocieerde partij naar volledige toepassing van de ECAA worden beoordelingen uitgevoerd. Deze beoordelingen worden verricht door de Europese Gemeenschap in samenwerking met de betrokken geassocieerde partij. Wanneer een geassocieerde partij van oordeel is dat de in het desbetreffende protocol vermelde voorwaarden voor afronding van een overgangsperiode zijn vervuld, stelt zij de Europese Gemeenschap ervan in kennis dat een beoordeling dient te worden uitgevoerd.
4.
Indien de Europese Gemeenschap vaststelt dat aan de voorwaarden is voldaan, stelt zij het gemengd comité daarvan in kennis en besluit zij vervolgens dat de geassocieerde partij kan overgaan naar de volgende overgangsperiode of in voorkomend geval volledig kan worden opgenomen in de Europese Gemeenschappelijke Luchtvaartruimte.
5.
Indien de Europese Gemeenschap vaststelt dat niet aan de voorwaarden is voldaan, deelt zij dit mee aan het gemengd comité. De Europese Gemeenschap doet aan de betrokken geassocieerde partij aanbevelingen voor specifieke verbeteringen en stelt een uitvoeringstermijn vast waarin deze verbeteringen redelijkerwijs kunnen worden gerealiseerd. Vóór het einde van de uitvoeringstermijn wordt een tweede en zo nodig een derde beoordeling verricht om na te gaan of de aanbevolen verbeteringen daadwerkelijk en op adequate wijze zijn gerealiseerd.
1.
De bepalingen van deze Overeenkomst hebben voorrang boven de toepasselijke bepalingen van de geldende bilaterale luchtvervoerovereenkomsten en/of -regelingen tussen de geassocieerde partijen, enerzijds, en de Europese Gemeenschap, een EG-lidstaat, Noorwegen of IJsland, anderzijds, alsmede tussen geassocieerde partijen.
2.
In afwijking van lid 1 blijven de bepalingen betreffende eigendom, verkeersrechten, capaciteit, frequenties, vliegtuigtype of verandering van vliegtuig, gedeelde vluchtcodes en prijsstelling van een geldende bilaterale overeenkomst of regeling tussen een geassocieerde partij en de Europese Gemeenschap, een EG-lidstaat, Noorwegen of IJsland, dan wel tussen twee geassocieerde partijen, gedurende de in artikel 27 bedoelde overgangsperiodes van toepassing tussen de partijen bij die overeenkomst of regeling, indien die bilaterale overeenkomst en/of regeling wat betreft de vrijheid van de betrokken luchtvaartmaatschappijen flexibeler is dan de bepalingen van het toepasselijke protocol ten aanzien van de betrokken geassocieerde partij.
3.
Een geschil tussen een geassocieerde partij en een andere overeenkomstsluitende partij over de vraag of, in het licht van de volledige toepassing van de ECAA, de bepalingen van het protocol betreffende de betrokken geassocieerde partij al dan niet flexibeler zijn dan die van de bilaterale overeenkomsten en/of regelingen, wordt beslecht in het kader van het mechanisme voor geschillenregeling van artikel 20. Geschillen over de wijze waarop de verhouding tussen met elkaar in strijd zijnde protocollen moet worden bepaald, worden langs dezelfde weg beslecht.
1.
Deze Overeenkomst dient door de ondertekenaars te worden bekrachtigd of goedgekeurd overeenkomstig hun onderscheiden procedures. De akten van bekrachtiging of goedkeuring worden neergelegd bij het Secretariaat-generaal van de Raad van de Europese Unie (depositaris), die alle andere ondertekenaars, alsmede de Internationale Burgerluchtvaartorganisatie daarvan in kennis stelt.
2.
Deze Overeenkomst treedt in werking op de eerste dag van de tweede maand volgende op de dag waarop de Europese Gemeenschap en de EG-lidstaten en ten minste één geassocieerde partij hun akten van bekrachtiging of goedkeuring hebben neergelegd. Voor elke andere ondertekenaar die deze Overeenkomst na die datum bekrachtigt of goedkeurt, treedt zij in werking op de eerste dag van de tweede maand volgende op de dag waarop die ondertekenaar zijn akte van bekrachtiging of goedkeuring heeft neergelegd.
3.
In afwijking van lid 1 en lid 2 kunnen de Europese Gemeenschap en haar lidstaten en ten minste één geassocieerde partij, besluiten deze Overeenkomst vanaf de datum van ondertekening voorlopig onderling toe te passen, in overeenstemming met de toepassing van de nationale wetgeving, mits kennisgeving aan de depositaris, die de andere overeenkomstsluitende partijen van dat besluit in kennis stelt.
Artikel 30. Herziening [Wordt voorlopig toegepast per 22-06-2011]
Deze Overeenkomst wordt herzien op verzoek van een overeenkomstsluitende partij en in ieder geval vijf jaar na de inwerkingtreding ervan.
1.
Elke overeenkomstsluitende partij kan de Overeenkomst opzeggen door kennisgeving aan de depositaris, die de andere overeenkomstsluitende partijen alsmede de Internationale Burgerluchtvaartorganisatie van de opzegging in kennis stelt. Indien de Overeenkomst door de Europese Gemeenschap en de EG-lidstaten wordt opgezegd, treedt zij één jaar na de datum van kennisgeving buiten werking. Indien de Overeenkomst door een overeenkomstsluitende partij wordt opgezegd, treedt zij één jaar na de datum van kennisgeving uitsluitend voor deze overeenkomstsluitende partij buiten werking. Luchtdiensten die op de vervaldatum van deze Overeenkomst worden geëxploiteerd, mogen worden voortgezet tot het einde van het luchtvaartseizoen van de Internationale vereniging voor de burgerluchtvaart (IATA) waarin de vervaldatum valt.
2.
Wanneer een geassocieerde partij toetreedt tot de Europese Unie, wordt zij in het kader van de overeenkomst automatisch niet langer als een geassocieerde partij, maar als een EG-lidstaat behandeld.
3.
Deze Overeenkomst treedt met betrekking tot een geassocieerde partij buiten werking of wordt opgeschort indien de overeenkomstige associatieovereenkomst buiten werking treedt of wordt opgeschort.
Artikel 32. Uitbreiding van de ECAA [Wordt voorlopig toegepast per 22-06-2011]
Elke staat of entiteit die bereid is zijn/haar wetgeving inzake luchtvervoer en aanverwante onderwerpen verenigbaar te maken met die van de Europese Gemeenschap, en waarmee de Europese Gemeenschap een kader voor nauwe economische samenwerking tot stand brengt of heeft gebracht, zoals een associatieovereenkomst, kan door de Europese Gemeenschap worden gevraagd aan de ECAA deel te nemen. Hiertoe wijzigen de overeenkomstsluitende partijen de Overeenkomst dienovereenkomstig.
1.
De toepassing van deze verordening op de luchthaven van Gibraltar laat de respectieve rechtsopvattingen van het Koninkrijk Spanje en het Verenigd Koninkrijk betreffende het geschil inzake de soevereiniteit over het grondgebied waarop de luchthaven is gelegen, onverlet.
2.
De toepassing van deze Overeenkomst op de luchthaven van Gibraltar wordt opgeschort totdat de regelingen van de gezamenlijke verklaring van de ministers van Buitenlandse Zaken van het Koninkrijk Spanje en het Verenigd Koninkrijk van 2 december 1987 van toepassing worden.
Artikel 34. Talen [Wordt voorlopig toegepast per 22-06-2011]
Deze Overeenkomst is opgesteld in één exemplaar in de officiële talen van de Europese Unie en van de overige overeenkomstsluitende partijen, zijnde alle teksten gelijkelijk authentiek.
TEN BLIJKE WAARVAN de ondergetekende gevolmachtigden, daartoe naar behoren gemachtigd, deze Overeenkomst hebben ondertekend.