Rechtenmedia.nl - Juridische Online Uitgeverij  Rechtennieuws.nl | Jure.nl | Maxius.nl | Parlis.nl | Rechtenforum.nl | JBmatch.nl | MijnWetten.nl | AdvocatenZoeken.nl | Rechtentotaal.nl
Overeenkomst opgesteld op basis van Artikel K.3, lid 2, onder c), van het Verdrag betreffende de Europese Unie ter bestrijding van corruptie waarbij ambtenaren van de Europese Gemeenschappen of van de lidstaten van de Europese Unie betrokken zijn, Brussel, 26-05-1997
Bwb-id:
Officiele titel:
Citeertitel:
Ook bekend als:
Soort regeling:
Wetsfamilies:
Eerst verantwoordelijk ministerie:

Geldigheidsdatum:
Ingangsdatum:
Inhoudsopgave
Overeenkomst opgesteld op basis van Artikel K.3, lid 2, onder c), van het Verdrag betreffende de Europese Unie ter bestrijding van corruptie waarbij ambtenaren van de Europese Gemeenschappen of van de lidstaten van de Europese Unie betrokken zijn
Artikel 1. Definities
Artikel 2. Passieve corruptie
Artikel 3. Actieve corruptie
Artikel 4. Assimilatie
Artikel 5. Sancties
Artikel 6. Strafrechtelijke aansprakelijkheid van ondernemingshoofden
Artikel 7. Bevoegdheid
Artikel 8. Uitlevering en vervolging
Artikel 9. Samenwerking
Artikel 10. Ne bis in idem-beginsel
Artikel 11. Nationale bepalingen
Artikel 12. Hof van Justitie
Artikel 13. Inwerkingtreding
Artikel 14. Toetreding van nieuwe lidstaten
Artikel 15. Voorbehouden
Artikel 16. Depositaris
Vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature

Juridisch advies nodig?
Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag
Geschiedenis

Geschiedenis-overzicht

Overeenkomst opgesteld op basis van Artikel K.3, lid 2, onder c), van het Verdrag betreffende de Europese Unie ter bestrijding van corruptie waarbij ambtenaren van de Europese Gemeenschappen of van de lidstaten van de Europese Unie betrokken zijn, Brussel, 26-05-1997

Overeenkomst opgesteld op basis van Artikel K.3, lid 2, onder c), van het Verdrag betreffende de Europese Unie ter bestrijding van corruptie waarbij ambtenaren van de Europese Gemeenschappen of van de lidstaten van de Europese Unie betrokken zijn
(authentiek: nl)
De Hoge Verdragsluitende Partijen bij deze Overeenkomst, lidstaten van de Europese Unie,
Verwijzend naar de akte van de Raad van de Europese Unie van 26 mei 1997,
Overwegende dat de lidstaten de verbetering van de justitiële samenwerking bij de bestrijding van corruptie als een aangelegenheid van gemeenschappelijk belang beschouwen, die valt onder de bij titel VI van het Verdrag ingestelde samenwerking;
Overwegende dat de Raad bij de akte van 27 september 1996 een Protocol heeft opgesteld in het bijzonder ter bestrijding van daden van corruptie die de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen schaden of kunnen schaden en waarbij nationale ambtenaren of ambtenaren van de Europese Gemeenschappen betrokken zijn;
Overwegende dat, ter verbetering van de justitiële samenwerking in strafzaken tussen de lidstaten, verder moet worden gegaan dan het bovengenoemd Protocol door een Overeenkomst op te stellen betreffende daden van corruptie in het algemeen waarbij ambtenaren van de Europese Gemeenschappen of ambtenaren van de lidstaten betrokken zijn,
Strevend naar een samenhangende en doeltreffende toepassing van de onderhavige Overeenkomst op het gehele grondgebied van de Europese Unie,
Hebben overeenstemming bereikt omtrent de volgende bepalingen:
Artikel 1. Definities
Voor de toepassing van deze Overeenkomst
a. wordt onder „ambtenaar" verstaan, een ambtenaar van de Europese Gemeenschappen of een nationaal ambtenaar, met inbegrip van elke nationale ambtenaar van een andere lidstaat;
b. wordt onder „communautair ambtenaar" verstaan:
een ieder die bij overeenkomst is aangesteld in de hoedanigheid van ambtenaar of ander personeelslid in de zin van het Statuut van de ambtenaren van de Europese Gemeenschappen of van de Regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden van de Europese Gemeenschappen;
een ieder die door de lidstaten of door een overheids- of particuliere instelling ter beschikking van de Europese Gemeenschappen is gesteld om daar functies uit te oefenen die overeenstemmen met de functies die worden uitgeoefend door ambtenaren of andere personeelsleden van de Europese Gemeenschappen.
De leden van organen die overeenkomstig de Verdragen tot oprichting van de Europese Gemeenschappen zijn ingesteld en het personeel van dergelijke organen worden behandeld als ambtenaren van de Europese Gemeenschappen, voorzover het Statuut van de ambtenaren van de Europese Gemeenschappen of de Regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden van de Europese Gemeenschappen niet op hen van toepassing zijn;
c. wordt de term „nationaal ambtenaar" uitgelegd overeenkomstig de definitie van „ambtenaar" of „overheidspersoon" in de zin van het nationaal recht van de lidstaat waar de betrokkene die hoedanigheid heeft voor de toepassing van zijn strafrecht.
Wanneer evenwel door een lidstaat strafvervolging wordt ingesteld waarbij een ambtenaar van een andere lidstaat is betrokken, is eerstgenoemde lidstaat slechts gehouden de definitie van „nationaal ambtenaar" toe te passen voorzover die verenigbaar is met zijn nationaal recht.
1.
Voor de toepassing van deze Overeenkomst bestaat passieve corruptie in het feit dat een ambtenaar opzettelijk, onmiddellijk of middellijk, voordelen, ongeacht de aard daarvan, voor zichzelf of voor een ander vraagt of aanneemt, dan wel ingaat op een desbetreffende toezegging teneinde in strijd met zijn ambtsplicht, een ambtshandeling of een handeling in de uitoefening van zijn ambt te verrichten of na te laten.
2.
Elke lidstaat treft de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat de in lid 1 bedoelde gedragingen strafbaar worden gesteld.
1.
Voor de toepassing van deze Overeenkomst bestaat actieve corruptie in het feit dat iemand opzettelijk een ambtenaar onmiddellijk of middellijk een voordeel, ongeacht de aard daarvan, voor hemzelf of voor een ander belooft of verstrekt, om in strijd met zijn ambtsplicht een ambtshandeling of een handeling in de uitoefening van zijn ambt te verrichten of na te laten.
2.
Elke lidstaat treft de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat de in lid 1 bedoelde gedragingen strafbaar worden gesteld.
1.
Elke lidstaat treft de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat in zijn strafrecht de in de artikelen 2 en 3 bedoelde omschrijvingen van overtredingen die door of tegen ministers van de Regering, verkozen leden van het Parlement, leden van de hoogste rechterlijke instanties of leden van de Rekenkamer in de uitoefening van hun ambt worden gepleegd, krachtens het strafrecht van dat land ook van toepassing zijn in gevallen waarin de feiten worden gepleegd door of jegens leden van de Commissie van de Europese Gemeenschappen, het Europees Parlement, het Hof van Justitie en de Rekenkamer van de Europese Gemeenschappen in de uitoefening van hun ambt.
2.
Wanneer een lidstaat speciale wetgeving heeft uitgevaardigd met betrekking tot handelen of nalaten waarvoor ministers van de Regering zich moeten verantwoorden op grond van hun bijzondere politieke positie in die lidstaat, is lid 1 niet noodzakelijk van toepassing op die wetgeving, op voorwaarde dat de lidstaat ervoor zorgt dat leden van de Commissie van de Europese Gemeenschappen ook vallen onder de strafwetgeving ter uitvoering van de artikelen 2 en 3.
3.
De leden 1 en 2 zijn van toepassing onverminderd de bepalingen betreffende de strafvordering en de vaststelling van de rechterlijke bevoegdheid die van toepassing zijn in de afzonderlijke lidstaten.
4.
Deze Overeenkomst is van toepassing onverminderd de bepalingen van de Verdragen tot oprichting van de Europese Gemeenschappen, het Protocol betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Gemeenschappen, het Statuut van het Hof van Justitie, alsmede de uitvoeringsbesluiten betreffende de opheffing van de immuniteiten.
1.
Elke lidstaat treft de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat de in de artikelen 2 en 3 bedoelde gedragingen, alsmede medeplichtigheid aan en uitdeling van die gedragingen, worden gestraft met doeltreffende, evenredige en afschrikkende sancties waaronder, tenminste in ernstige gevallen, vrijheidsstraffen die aanleiding kunnen geven tot uitlevering.
2.
Lid 1 geldt onverminderd de uitoefening van disciplinaire bevoegdheden tegen nationale ambtenaren of communautaire ambtenaren door de bevoegde instanties. De nationale rechterlijke instanties kunnen bij de straftoemeting op grond van de beginselen van hun nationale recht rekening houden met eventuele disciplinaire straffen die dezelfde persoon voor dezelfde gedragingen reeds zijn opgelegd.
Artikel 6. Strafrechtelijke aansprakelijkheid van ondernemingshoofden
Elke lidstaat treft de nodige maatregelen opdat ondernemingshoofden of personen die beslissings- of controlebevoegdheid binnen een onderneming hebben, overeenkomstig de beginselen van zijn nationaal recht, strafrechtelijk aansprakelijk kunnen worden gesteld in geval van corruptie als bedoeld in artikel 3 die voor rekening van de onderneming door een aan hen ondergeschikte persoon zijn begaan.
1.
Elke lidstaat neemt de nodige maatregelen om zijn rechtsmacht te vestigen ten aanzien van de overeenkomstig de artikelen 2, 3 en 4 strafbaar gestelde feiten, in de volgende gevallen:
a. het strafbare feit wordt geheel of gedeeltelijk op zijn grondgebied gepleegd,
b. de dader van het strafbare feit is een onderdaan of een ambtenaar van de betrokken lidstaat,
c. het strafbare feit is gepleegd tegen een in artikel 1 bedoelde persoon of tegen een van de leden van de in artikel 4, lid 1, bedoelde instellingen van de Europese Gemeenschappen, die tevens onderdaan is (zijn) van de betrokken lidstaat,
d. de dader van het strafbare feit is communautair ambtenaar in dienst van een instelling van de Europese Gemeenschappen of van een overeenkomstig de verdragen tot oprichting van de Europese Gemeenschappen ingesteld orgaan dat zijn zetel in de betrokken lidstaat heeft.
2.
Elke lidstaat kan bij de in artikel 13, lid 2, bedoelde kennisgeving verklaren dat hij een of meer van de in lid 1, onder b), c) en d), genoemde regels ten aanzien van de bevoegdheid niet of slechts in bepaalde gevallen of onder bepaalde voorwaarden toepast.
1.
Elke lidstaat die ingevolge zijn nationale recht geen eigen onderdanen uitlevert, treft de nodige maatregelen om zijn rechtsmacht te vestigen ten aanzien van de overeenkomstig de artikelen 2, 3 en 4 strafbaar gestelde feiten die door deze onderdanen buiten zijn grondgebied worden begaan.
2.
Wanneer een onderdaan van een lidstaat ervan wordt verdacht zich in een andere lidstaat schuldig te hebben gemaakt aan een krachtens de verplichtingen die voortvloeien uit de artikelen 2, 3 of 4 strafbaar gesteld feit, en de lidstaat de betrokkene louter op grond van zijn of haar nationaliteit niet aan die andere lidstaat uitlevert, legt deze lidstaat de zaak aan zijn bevoegde autoriteiten voor opdat, indien daartoe aanleiding bestaat, een strafvervolging wordt ingesteld. Met het oog op de strafvervolging worden de dossiers, inlichtingen en voorwerpen die op het strafbaar feit betrekking hebben, overeenkomstig artikel 6 van het Europees Verdrag betreffende uitlevering van 13 december 1957 toegezonden. De verzoekende lidstaat wordt in kennis gesteld van de vervolging en de afloop daarvan.
3.
Voor de toepassing van dit artikel worden onder „onderdanen van een lidstaat" de personen verstaan als omschreven in de verklaringen die de betrokken lidstaat heeft afgelegd uit hoofde van artikel 6, lid 1, onder b), van het Europees Verdrag betreffende uitlevering, alsmede de personen bedoeld in lid 1, onder c), van dat artikel.
1.
Wanneer twee of meer lidstaten betrokken zijn bij een procedure met betrekking tot een overeenkomstig de artikelen 2, 3 en 4 strafbaar gesteld feit, werken deze lidstaten doeltreffend samen bij het onderzoek, de vervolging en de bestraffing van het strafbaar feit, bijvoorbeeld door middel van wederzijdse rechtshulp, uitlevering, overdracht van strafvervolging of tenuitvoerlegging van in een andere lidstaat gewezen rechterlijke beslissingen.
2.
Wanneer ten aanzien van een strafbaar feit meer dan één lidstaat bevoegd is en elk van hen ter zake van dezelfde feiten een vervolging kan instellen, bepalen de betrokken lidstaten in onderling overleg wie van hen de dader of daders zal vervolgen, met het doel de vervolging zo mogelijk in één lidstaat te centraliseren.
1.
De lidstaten passen in hun nationale strafrecht het „ne bis in idem"-beginsel toe, volgens hetwelk een persoon die bij onherroepelijk vonnis in een lidstaat is berecht, in een andere lidstaat niet kan worden vervolgd ter zake van dezelfde feiten, op voorwaarde dat ingeval een straf of maatregel is opgelegd, deze reeds is ondergaan of feitelijk ten uitvoer wordt gelegd, dan wel op grond van de wetten van de veroordelende staat niet meer ten uitvoer gelegd kan worden.
2.
Bij de kennisgeving als bedoeld in artikel 13, lid 2, kan een lidstaat verklaren dat hij in een of meer van de volgende gevallen niet door lid 1 van dit artikel is gebonden:
a. indien de feiten op grond waarvan in het buitenland vonnis werd gewezen, zich geheel of gedeeltelijk op zijn eigen grondgebied hebben afgespeeld. In het laatste geval is deze uitzondering echter niet van toepassing indien de feiten zich gedeeltelijk hebben afgespeeld op het grondgebied van de lidstaat waarin het vonnis werd gewezen;
b. indien de feiten op grond waarvan in het buitenland vonnis werd gewezen, een inbreuk vormen op de veiligheid of andere even wezenlijke belangen van deze lidstaat;
c. indien de feiten op grond waarvan in het buitenland vonnis werd gewezen, zijn begaan door een ambtenaar van deze lidstaat in strijd met zijn ambtsplichten.
3.
Indien in een lidstaat een nieuwe vervolging wordt ingesteld tegen een persoon die ter zake van dezelfde feiten bij onherroepelijk vonnis in een andere lidstaat is berecht, dient iedere periode van vrijheidsbeneming die wegens deze feiten in laatstgenoemde lidstaat werd ondergaan, op de eventueel opgelegde straf of maatregel in mindering te worden gebracht. Voorzover de nationale wetgeving dit toelaat, wordt tevens rekening gehouden met andere straffen of maatregelen dan vrijheidsbeneming, voorzover deze ten uitvoer zijn gelegd.
4.
Uitzonderingen ten aanzien waarvan een verklaring uit hoofde van lid 2 is afgelegd, zijn niet van toepassing wanneer de betrokken lidstaat ter zake van dezelfde feiten de andere lidstaat om vervolging heeft verzocht of heeft ingestemd met de uitlevering van de betrokken persoon.
5.
Dit artikel laat de relevante bilaterale of multilaterale overeenkomsten tussen lidstaten, alsmede de met betrekking daartoe afgelegde verklaringen, onverlet.
Artikel 11. Nationale bepalingen
Niets in deze Overeenkomst belet de lidstaten nationale bepalingen aan te nemen die verder gaan dan de verplichtingen uit hoofde van deze Overeenkomst.
1.
Geschillen tussen de lidstaten over de uitlegging of de toepassing van deze Overeenkomst waarvoor onderling geen oplossing kon worden gevonden, worden met het oog op een oplossing, in een eerste fase in de Raad besproken volgens de procedure van titel VI van het Verdrag betreffende de Europese Unie. Indien binnen zes maanden geen oplossing is gevonden, kan de zaak door een bij het geschil betrokken partij aan het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen worden voorgelegd.
2.
Ieder geschil tussen een of meer lidstaten en de Commissie van de Europese Gemeenschappen betreffende artikel 1, met uitzondering van punt c), en betreffende de artikelen 2, 3 en 4, dat niet door onderhandelingen kon worden opgelost, kan, voorzover het een vraag met betrekking tot communautair recht of de financiële belangen van de Gemeenschappen betreft, dan wel leden of ambtenaren van communautaire instellingen of van uit hoofde van de Verdragen tot oprichting van de Europese Gemeenschappen opgerichte organen daarbij zijn betrokken, door een bij het geschil betrokken partij aan het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen worden voorgelegd.
3.
Iedere gerechtelijke instantie van een lidstaat kan aan het Hof van Justitie een prejudiciële beslissing vragen over een vraag betreffende de uitlegging van de artikelen 1 tot en met 4 en 12 tot en met 16, als die vraag is gesteld in een zaak die bij die instantie aanhangig is en leden of ambtenaren van de communautaire instellingen of uit hoofde van de Verdragen tot oprichting van de Europese Gemeenschappen opgerichte organen daarbij zijn betrokken in de uitoefening van hun functies, en zij een beslissing op dit punt noodzakelijk acht voor het wijzen van haar vonnis.
4.
Het Hof van Justitie bezit de in lid 3 bedoelde bevoegdheid alleen als de betrokken lidstaat daarmee instemt door middel van een verklaring in die zin die wordt afgelegd bij de in artikel 13, lid 2, bedoelde kennisgeving dan wel op een later tijdstip.
5.
Een lidstaat die de in lid 4 bedoelde verklaring aflegt, kan de mogelijkheid om een prejudiciële beslissing aan het Hof van Justitie te vragen, beperken tot zijn gerechtelijke instanties waarvan de beslissingen volgens het nationaal recht niet vatbaar zijn voor hoger beroep.
6.
Het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschap en het Reglement voor de procesvoering van het Hof zijn van toepassing. Overeenkomstig dit statuut heeft elke lidstaat, ongeacht of hij de in lid 4 bedoelde verklaring heeft afgelegd, alsmede de Commissie het recht een memorie of schriftelijke opmerkingen aan het Hof voor te leggen in zaken die uit hoofde van lid 3 aanhangig gemaakt worden.
1.
Deze Overeenkomst wordt de lidstaten ter aanneming volgens hun onderscheiden grondwettelijke bepalingen voorgelegd.
2.
De lidstaten stellen de Secretaris-Generaal van de Raad van de Europese Unie in kennis van de voltooiing van de overeenkomstig hun grondwettelijke bepalingen voor de aanneming van deze Overeenkomst vereiste procedures.
3.
Deze Overeenkomst treedt in werking negentig dagen na de in lid 2 bedoelde kennisgeving door de lidstaat die als laatste daartoe overgaat.
4.
Tot de inwerkingtreding van deze Overeenkomst kan elke lidstaat bij de in lid 2 bedoelde kennisgeving, dan wel op een later tijdstip, verklaren dat deze Overeenkomst, met uitzondering van artikel 12, te zijnen aanzien van toepassing zal zijn op zijn betrekkingen met andere lidstaten die dezelfde verklaring hebben afgelegd. De Overeenkomst wordt ten aanzien van de lidstaat die een dergelijke verklaring heeft afgelegd, van toepassing op de eerste dag van de maand die volgt op een periode van negentig dagen na de datum van nederlegging van die verklaring.
5.
Een lidstaat die geen verklaring overeenkomstig lid 4 heeft afgelegd, kan de Overeenkomst ten aanzien van andere overeenkomstsluitende lidstaten toepassen op basis van bilaterale overeenkomsten.
1.
Elke staat die lid wordt van de Europese Unie, kan tot deze Overeenkomst toetreden.
2.
De door de Raad van de Europese Unie vastgestelde tekst van deze Overeenkomst in de taal van de toetredende staat is authentiek.
3.
De akten van toetreding worden nedergelegd bij de depositaris.
4.
Deze Overeenkomst treedt ten aanzien van elke toetredende staat in werking negentig dagen nadat diens akte van toetreding is nedergelegd, of op de datum van haar inwerkingtreding indien deze Overeenkomst bij het verstrijken van de genoemde periode van negentig dagen nog niet in werking is getreden.
5.
Indien deze Overeenkomst nog niet in werking is getreden bij de nederlegging van de akte van toetreding, is artikel 13, lid 4, van toepassing op de toetredende staten.
1.
Behoudens in de in artikel 7, lid 2, en artikel 10, lid 2, genoemde gevallen, kunnen er geen voorbehouden worden gemaakt.
2.
Lidstaten die een voorbehoud hebben gemaakt, kunnen dat te allen tijde geheel of gedeeltelijk intrekken door middel van een kennisgeving aan de depositaris. De intrekking wordt van kracht op de datum waarop de depositaris de kennisgeving ontvangt.
1.
De Secretaris-Generaal van de Raad van de Europese Unie is depositaris van deze Overeenkomst.
2.
De depositaris maakt in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen de stand van de aannemingen en toetredingen, alsmede de verklaringen, voorbehouden en andere kennisgevingen met betrekking tot deze Overeenkomst bekend.
TEN BLIJKE WAARVAN de ondergetekende gevolmachtigden hun handtekening onder deze Overeenkomst hebben gesteld.
GEDAAN te Brussel, de zesentwintigste mei negentienhonderd zevenennegentig, opgesteld in één exemplaar in de Deense, de Duitse, de Engelse, de Finse, de Franse, de Griekse, de Ierse, de Italiaanse, de Nederlandse, de Portugese, de Spaanse en de Zweedse taal, zijnde alle teksten gelijkelijk authentiek, dat wordt nedergelegd in het archief van het Secretariaat-Generaal van de Raad van de Europese Unie.