Rechtenmedia.nl - Juridische Online Uitgeverij  Rechtennieuws.nl | Jure.nl | Maxius.nl | Parlis.nl | Rechtenforum.nl | JBmatch.nl | MijnWetten.nl | AdvocatenZoeken.nl | Rechtentotaal.nl
Overeenkomst ter uitvoering van het tussen de Regeringen van de Staten van de Benelux Economische Unie, de Bondsrepubliek Duitsland en de Franse Republiek op 14 juni 1985 te Schengen gesloten Akkoord betreffende de geleidelijke afschaffing van de controles aan de gemeenschappelijke grenzen, Schengen, 19-06-1990
Bwb-id:
Officiele titel:
Citeertitel:
Ook bekend als:
Soort regeling:
Wetsfamilies:
Eerst verantwoordelijk ministerie:

Geldigheidsdatum:
Ingangsdatum:
Inhoudsopgave
Overeenkomst ter uitvoering van het tussen de Regeringen van de Staten van de Benelux Economische Unie, de Bondsrepubliek Duitsland, en de Franse Republiek op 14 juni 1985 te Schengen gesloten akkoord betreffende de geleidelijke afschaffing van de controles aan de gemeenschappelijke grenzen
+ TITEL I. BEGRIPSOMSCHRIJVINGEN
+ TITEL II. AFSCHAFFING VAN DE CONTROLES AAN DE BINNENGRENZEN EN PERSONENVERKEER
+ TITEL III. POLITIE EN VEILIGHEID
+ TITEL IV. SCHENGEN-INFORMATIESYSTEEM
+ TITEL V. VERVOER EN GOEDERENVERKEER
+ TITEL VI. BESCHERMING VAN PERSOONSGEGEVENS
+ TITEL VII. UITVOEREND COMITÉ
+ TITEL VIII. SLOTBEPALINGEN
Vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature

Juridisch advies nodig?
Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag
Geschiedenis

Geschiedenis-overzicht

Overeenkomst ter uitvoering van het tussen de Regeringen van de Staten van de Benelux Economische Unie, de Bondsrepubliek Duitsland en de Franse Republiek op 14 juni 1985 te Schengen gesloten Akkoord betreffende de geleidelijke afschaffing van de controles aan de gemeenschappelijke grenzen, Schengen, 19-06-1990

Overeenkomst ter uitvoering van het tussen de Regeringen van de Staten van de Benelux Economische Unie, de Bondsrepubliek Duitsland en de Franse Republiek op 14 juni 1985 te Schengen gesloten Akkoord betreffende de geleidelijke afschaffing van de controles aan de gemeenschappelijke grenzen
(authentiek: nl)
Het Koninkrijk België, de Bondsrepubliek Duitsland, de Franse Republiek, het Groothertogdom Luxemburg en het Koninkrijk der Nederlanden, hierna te noemen de Overeenkomstsluitende Partijen,
voortbouwende op het op 14 juni 1985 te Schengen gesloten Akkoord betreffende de geleidelijke afschaffing van de controles aan de gemeenschappelijke grenzen,
besloten hebbende gestalte te geven aan het in dit Akkoord verankerde streven om de controles aan de gemeenschappelijke grenzen op het verkeer van personen af te schaffen, alsmede het vervoer en het goederenverkeer aan hun gemeenschappelijke grenzen te vereenvoudigen,
overwegende dat in het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschappen, zoals aangevuld door de Europese Akte, is bepaald dat de interne markt een ruimte zonder binnengrenzen omvat,
overwegende dat het door de Overeenkomstsluitende Partijen beoogde doel met deze communautaire doelstelling overeenstemt, onverminderd de maatregelen die ter uitvoering van de bepalingen van het Verdrag worden getroffen,
overwegende dat voor het verwezenlijken van dat streven een reeks passende maatregelen, alsmede een hechte samenwerking tussen de Overeenkomstsluitende Partijen zijn vereist,
zijn het volgende overeengekomen:
Artikel 1
In deze Overeenkomst wordt verstaan onder:
Binnengrenzen: de gemeenschappelijke landgrenzen van de Overeenkomstsluitende Partijen, alsmede hun luchthavens voor wat betreft de intra-vluchten en hun zeehavens voor wat betreft de regelmatige veerverbindingen uitsluitend van en naar andere havens op het grondgebied van de Overeenkomstsluitende Partijen, waarbij geen havens buiten dit gebied worden aansedaan:
Buitengrenzen: de land- en zeegrenzen alsmede de lucht- en zeehavens van de Overeenkomstsluitende Partijen, voor zover zij geen binnengrenzen zijn;
Intra-vlucht: een vlucht uitsluitend van en naar het grondgebied van de Overeenkomstsluitende Partijen, waarbij geen tussenlanding wordt gemaakt op het grondgebied van een derde Staat;
Derde Staat: een Staat die geen Overeenkomstsluitende Partij is;
Vreemdeling: een persoon die geen onderdaan is van één der Lid-Staten van de Europese Gemeenschappen;
Ter fine van weigering van toegang gesignaleerde vreemdeling: een vreemdeling die overeenkomstig het bepaalde in artikel 96 ter fine van weigering van toegang gesignaleerd staat in het Schengen-informatiesysteem;
Grensdoorlaatpost: een door de bevoegde autoriteiten voor grensoverschrijding aangewezen doorlaatpost aan de buitengrenzen;
Grenscontrole: de controle aan de grenzen welke, onafhankelijk van enige andere aanleiding, uitsluitend op grond van de beoogde grensoverschrijding, wordt uitgeoefend;
Vervoerder: een natuurlijke of rechtspersoon die het beroepsmatige vervoer van personen door de lucht, over zee of over land verricht;
Verblijfstitel: een door een Overeenkomstsluitende Partij afgegeven vergunning, ongeacht van welke aard, welke recht geeft op verblijf op het grondgebied van die Partij. Onder deze omschrijving valt niet de tijdelijke toelating tot het verblijf op het grondgebied van een Overeenkomstsluitende Partij met het oog op de behandeling van een asielverzoek of van een verzoek om een verblijfstitel;
Asielverzoek: een aan de buitengrens of op het grondgebied van een Overeenkomstsluitende Partij door een vreemdeling schriftelijk, mondeling of op enige andere wijze te kennen gegeven wens om in de zin van het Verdrag van Genève van 28 juli 1951 betreffende de status van vluchtelingen, zoals gewijzigd bij het Protocol van New York van 31 januari 1967, als vluchteling te worden erkend en als zodanig een verblijfstitel te verkrijgen;
Asielzoeker: een vreemdeling die een asielverzoek als bedoeld in deze Overeenkomst heeft ingediend waaromtrent nog geen onherroepelijke beslissing is genomen;
Behandeling van een asielverzoek: geheel van de beoordelings- en beslissingsprocedures terzake van een asielverzoek, alsmede van de ter uitvoering van onherroepelijke beslissingen getroffen maatregelen, met uitzondering van het vaststellen van de Overeenkomstsluitende Partij welke krachtens de bepalingen van deze Overeenkomst voor de behandeling van het asielverzoek verantwoordelijk is.
1.
De binnengrenzen mogen op iedere plaats, zonder dat personencontrole wordt uitgeoefend, worden overschreden.
2.
Wanneer evenwel de openbare orde of de nationale veiligheid daartoe noopt, kan een Overeenkomstsluitende Partij, na raadpleging van de overige Overeenkomstsluitende Partijen, besluiten dat gedurende een beperkte periode aan de binnengrenzen aan de situatie aangepaste nationale grenscontroles worden uitgeoefend. Vergen de openbare orde of de nationale veiligheid dat onverwijld wordt opgetreden, dan treft de betrokken Overeenkomstsluitende Partij de nodige maatregelen, en stelt zij de overige Overeenkomstsluitende Partijen hiervan zo spoedig mogelijk in kennis.
3.
De afschaffing van de personencontroles aan de binnengrenzen doet geen afbreuk aan het bepaalde in artikel 22, noch aan de uitoefening van politiebevoegdheden door de ingevolge de nationale wetgeving daartoe bevoegde autoriteiten van een Overeenkomstsluitende Partij binnen haar gehele grondgebied, noch aan krachtens de wetgeving van die Partij geldende verplichtingen houder te zijn van titels en documenten of om deze bij zich te hebben en te tonen.
4.
De goederencontroles worden verricht overeenkomstig de desbetreffende bepalingen van deze Overeenkomst.
1.
De buitengrenzen mogen in beginsel slechts via de grensdoorlaatposten en gedurende de vastgestelde openingstijden worden overschreden. Nadere regelingen alsmede de uitzonderingen en de voorwaarden met betrekking tot het kleine grensverkeer, alsook de regels die van toepassing zijn op bijzondere categorieën van zeeverkeer, zoals de pleziervaart en de kustvisvangst, worden door het Uitvoerend Comité bepaald.
2.
De Overeenkomstsluitende Partijen verbinden zich ertoe sancties te stellen op het onbevoegd overschrijden van de buitengrenzen buiten de grensdoorlaatposten en de vastgestelde openingstijden.
1.
De Overeenkomstsluitende Partijen waarborgen dat vanaf 1993 reizigers van vluchten uit derde Staten die op intra-vluchten overstappen vooraf, bij binnenkomst op de luchthaven van aankomst van de buitenvlucht, een personencontrole alsmede een controle op de door hen medegevoerde handbagage dienen te ondergaan. Reizigers van een intra-vlucht die op een vlucht naar derde Staten overstappen dienen vooraf op de luchthaven van vertrek van de buitenvlucht dezelfde controles te ondergaan.
2.
De Overeenkomstsluitende Partijen treffen de nodige maatregelen opdat de controles overeenkomstig het bepaalde in lid 1 kunnen worden uitgeoefend.
3.
Het bepaalde in de leden 1 en 2 heeft geen betrekking op de controle op de afgegeven ruimbagage; deze controle wordt op de luchthaven van eindbestemming dan wel op de luchthaven van oorspronkelijk vertrek uitgeoefend.
4.
Tot het in lid 1 genoemde tijdstip dienen de luchthavens, in afwijking van de omschrijving van binnengrenzen, voor intra-vluchten als buitengrenzen te worden aangemerkt.
1.
Aan een vreemdeling die aan onderstaande voorwaarden voldoet, kan toegang worden verleend tot het grondgebied van de Overeenkomstsluitende Partijen voor een verblijf van ten hoogste drie maanden:
a. in het bezit zijn van een geldig grensoverschrijdingsdocument of van de geldige grensoverschrijdingsdocumenten, aangewezen door het Uitvoerend Comité;
b. indien vereist, in het bezit zijn van een geldig visum;
c. het, zo nodig, overleggen van documenten ter staving van het doel van het voorgenomen verblijf en de verblijfsomstandigheden alsmede het beschikken over voldoende middelen van bestaan, zowel voor de duur van het voorgenomen verblijf als voor de terugreis naar het land van oorsprong of voor de doorreis naar een derde Staat, waar de toelating is gewaarborgd, dan wel in staat zijn deze middelen rechtmatig te verwerven;
d. niet ter fine van weigering van toegang gesignaleerd staan;
e. niet worden beschouwd als een gevaar voor de openbare orde, de nationale veiligheid of de internationale betrekkingen van één der Overeenkomstsluitende Partijen.
2.
Aan een vreemdeling die niet voldoet aan het geheel van deze voorwaarden, moet de toegang tot het grondgebied van de Overeenkomstsluitende Partijen worden geweigerd, tenzij een Overeenkomstsluitende Partij op grond van humanitaire overwegingen, om redenen van nationaal belang of wegens internationale verplichtingen een afwijking daarvan noodzakelijk acht. In dat geval dient de toegang te worden beperkt tot het grondgebied van de Overeenkomstsluitende Partij die de overige Overeenkomstsluitende Partijen daarvan in kennis moet stellen.
De bijzondere bepalingen inzake het asielrecht en het bepaalde in artikel 18 blijven onverlet.
3.
De vreemdeling die houder is van een door een Overeenkomstsluitende Partij afgegeven verblijfstitel of terugkeervisum, dan wel zo nodig van beide documenten, dient doorreis te worden verleend, tenzij hij gesignaleerd staat op de nationale signaleringslijst van de Overeenkomstsluitende Partij wier buitengrens hij beoogt te overschrijden.
1.
Het grensoverschrijdend verkeer aan de buitengrenzen is aan de controle van de bevoegde autoriteiten onderworpen. Deze controle wordt uitgeoefend volgens eenvormige beginselen, op grond van nationale bevoegdheden en overeenkomstig het nationale recht, met inachtneming van de belangen van alle Overeenkomstsluitende Partijen voor het grondgebied van de Overeenkomstsluitende Partijen.
2.
De eenvormige beginselen als bedoeld in lid 1 zijn de volgende:
a. de personencontrole behelst, naast de controle op de aanwezigheid en de geldigheid van grensoverschrijdingsdocumenten en de toetsing of aan de andere voorwaarden voor binnenkomst, verblijf, het verrichten van arbeid en uitreis is voldaan, tevens onderzoek naar en het voorkomen van gevaar voor de openbare orde en de nationale veiligheid van de Overeenkomstsluitende Partijen; deze controles hebben ook betrekking op de voertuigen en de in het bezit van de grenspassanten zijnde voorwerpen; zij worden door iedere Overeenkomstsluitende Partij verricht overeenkomstig de nationale wetgeving, in het bijzonder voor wat betreft de wijze van onderzoek;
b. alle personen dienen tenminste een zodanige controle te ondergaan, dat aan de hand van de overgelegde of getoonde reisdocumenten hun identiteit kan worden vastgesteld;
c. bij binnenkomst dienen vreemdelingen een grondige controle als bedoeld onder a. te ondergaan;
d. bij uitreis vinden de controles plaats die in het belang van alle Overeenkomstsluitende Partijen ingevolge het vreemdelingenrecht en ten behoeve van het onderzoek naar en het voorkomen van gevaar voor de openbare orde en de nationale veiligheid van de Overeenkomstsluitende Partijen noodzakelijk zijn; deze controle wordt ten aanzien van vreemdelingen in ieder geval verricht;
e. wanneer wegens bijzondere omstandigheden dergelijke controles niet kunnen worden uitgeoefend, dienen prioriteiten te worden gesteld; in dat geval dient in beginsel voorrang te worden gegeven aan de controle op het binnenkomend verkeer boven de controle op het uitgaand verkeer.
3.
De bevoegde autoriteiten bewaken de buitengrenzen buiten de grensdoorlaatposten door middel van patrouilles; hetzelfde geldt voor de grensdoorlaatposten buiten de vastgestelde openingstijden. Deze bewaking dient zodanig te worden uitgeoefend, dat er voor het zich onttrekken aan de controles aan de grensdoorlaatposten geen aansporing ontstaat. De wijze van inrichting van de bewaking wordt in voorkomend geval door het Uitvoerend Comité vastgesteld.
4.
De Overeenkomstsluitende Partijen verbinden zich ertoe voor de uitoefening van de grenscontroles en de grensbewaking voldoende, gekwalificeerd personeel ter beschikking te stellen.
5.
Aan de buitengrenzen wordt een gelijkwaardig niveau van controle in acht genomen.
Artikel 7
De Overeenkomstsluitende Partijen verlenen elkaar bijstand met het oog op een doelmatige uitvoering van de controle- en bewakingstaken en werken daartoe voortdurend nauw samen. Zij wisselen in het bijzonder alle relevante en belangrijke informatie uit, met uitzondering van persoonsgegevens, tenzij in deze Overeenkomst anders is bepaald, harmoniseren voor zover mogelijk de aan de uitvoerende diensten gerichte instructies en streven naar een uniforme opleiding en bijscholing van het met de controle belaste personeel. Deze samenwerking kan de uitwisseling van contactambtenaren inhouden.
Artikel 8
Het Uitvoerend Comité neemt de nodige beslissingen met betrekking tot de praktische details van de grenscontrole en de grensbewaking.
1.
De Overeenkomstsluitende Partijen verbinden zich ertoe een gemeenschappelijk beleid te voeren met betrekking tot het personenverkeer en in het bijzonder met betrekking tot de visumregeling. Zij verlenen elkaar daartoe wederzijdse bijstand. De Overeenkomstsluitende Partijen verbinden zich ertoe in onderling overleg hun visumbeleid verder te harmoniseren.
2.
Tegenover derde Staten voor wier onderdanen alle Overeenkomstsluitende Partijen op het tijdstip van ondertekening van deze Overeenkomst een gemeenschappelijke visumregeling hebben of op een later tijdstip in onderling overleg invoeren, kan deze visumregeling slechts in onderling overleg tussen alle Overeenkomstsluitende Partijen worden gewijzigd. Wanneer buitengewone nationale beleidsoverwegingen tot een dringende beslissing nopen, kan een Overeenkomstsluitende Partij, bij wijze van uitzondering, van de gemeenschappelijke visumregeling tegenover een derde Staat afwijken. Zij dient met de overige Overeenkomstsluitende Partijen vooraf in overleg te treden en bij haar beslissing en de daaruit voortvloeiende gevolgen rekening te houden met de belangen van de overige Overeenkomstsluitende Partijen.
1.
Er wordt een eenvormig visum ingesteld dat geldig is voor het grondgebied van alle Overeenkomstsluitende Partijen. Dit visum, waarvan de geldigheidsduur is geregeld in artikel 11, kan voor een periode van ten hoogste drie maanden worden verleend.
2.
Tot op het tijdstip van invoering van een dergelijk visum zullen de Overeenkomstsluitende Partijen elkaars nationaal visum erkennen, voor zover de afgifte daarvan geschiedt met inachtneming van de gemeenschappelijke voorwaarden en criteria, welke bij of krachtens de relevante bepalingen van dit Hoofdstuk zijn vastgesteld.
3.
In afwijking van het bepaalde in de leden 1 en 2 behoudt iedere Overeenkomstsluitende Partij zich het recht voor de geldigheid van het visum territoriaal te beperken met inachtneming van de nadere gemeenschappelijke regels, welke bij of krachtens de relevante bepalingen van dit Hoofdstuk zijn vastgesteld.
1.
Het ingevolge artikel 10 ingestelde visum kan zijn:
a. een voor één of meer binnenkomsten geldig reisvisum, waarbij, te rekenen vanaf de datum van eerste binnenkomst, noch de duur van een ononderbroken verblijf, noch de totale duur van de achtereenvolgende verblijven meer dan drie maanden per zes maanden mag bedragen;
b. een doorreisvisum opgrond waarvan de houder één, twee of bij wijze van uitzondering verscheidene keren door het grondgebied van de Overeenkomstsluitende Partijen mag reizen om zich naar het grondgebied van een derde Staat te begeven, zonder dat de duur van de doorreis meer dan vijf dagen mag bedragen.
2.
Het bepaalde in lid 1 laat onverlet dat een Overeenkomstsluitende Partij in voorkomend geval in de loop van de desbetreffende periode van zes maanden een ander visum verleent waarvan de geldigheid is beperkt tot haar grondgebied.
1.
Het ingevolge artikel 10, lid 1, ingestelde eenvormige visum wordt afgegeven door de diplomatieke en consulaire autoriteiten van de Overeenkomstsluitende Partijen en, in voorkomend geval, door de bij of krachtens het bepaalde in artikel 17 aangewezen autoriteiten van de Overeenkomstsluitende Partijen.
2.
De voor afgifte van dit visum bevoegde Overeenkomstsluitende Partij is in beginsel de Overeenkomstsluitende Partij op wier grondgebied het hoofdreisdoel is gelegen. Kan dit doel niet worden bepaald, dan is in beginsel de diplomatieke of consulaire post van de Overeenkomstsluitende Partij van eerste binnenkomst voor de visumafgifte bevoegd.
3.
Het Uitvoerend Comité stelt de wijze van toepassing en in het bijzonder de criteria ter bepaling van het hoofdreisdoel vast.
1.
Geen enkel visum mag worden aangebracht in een reisdocument waarvan de geldigheidsduur is verstreken.
2.
De geldigheidsduur van het reisdocument moet langer zijn dan die van het visum, rekening houdend met de gebruikstermijn daarvan. Op grond daarvan moet de vreemdeling naar zijn land van oorsprong kunnen terugkeren of zich naar een derde Staat kunnen begeven.
1.
Er mag geen visum worden aangebracht in een reisdocument indien dit voor geen der Overeenkomstsluitende Partijen geldig is. Is het reisdocument slechts voor één of meer Overeenkomstsluitende Partijen geldig, dan dient de geldigheid van het aan te brengen visum tot deze Overeenkomstsluitende Partij of Partijen te worden beperkt.
2.
Indien het reisdocument door één of meer Overeenkomstsluitende Partijen niet als „geldig reisdocument" is erkend, kan het visum worden afgegeven in de vorm van een visumverklaring.
Artikel 15
De visa als bedoeld in artikel 10 mogen in beginsel slechts worden afgegeven, voor zover de vreemdeling aan de in artikel 5, lid 1, onder a., c, d. en e., gestelde voorwaarden voor binnenkomst voldoet.
Artikel 16
Indien een Overeenkomstsluitende Partij het om één van de in artikel 5, lid 2, genoemde redenen noodzakelijk acht om af te wijken van het in artikel 15 neergelegde beginsel en aan een vreemdeling die niet aan alle in artikel 5, lid 1, genoemde voorwaarden voor binnenkomst voldoet, een visum te verlenen, wordt de geldigheid van dit visum territoriaal beperkt tot het grondgebied van deze Partij, die de overige Overeenkomstsluitende Partijen hiervan in kennis dient te stellen.
1.
Het Uitvoerend Comité stelt gemeenschappelijke regels vast voor de behandeling van visumaanvragen, ziet toe op een juiste toepassing van deze regels en past deze aan gewijzigde situaties en omstandigheden aan.
2.
Het Uitvoerend Comité bepaalt voorts de gevallen waarin de afgifte van een visum afhankelijk is van raadpleging van de centrale autoriteit van de betrokken Overeenkomstsluitende Partij en, in voorkomend geval, van de raadpleging van de centrale autoriteiten van de overige Overeenkomstsluitende Partijen.
3.
Het Uitvoerend Comité neemt daarenboven de nodige beslissingen betreffende onderstaande punten:
a. de reisdocumenten waarin een visum kan worden aangebracht;
b. de met de visumverlening belaste instanties;
c. de voorwaarden voor visumverlening aan de grens;
d. de vorm, de inhoud, de geldigheidsduur van de visa en de aan de verlening daarvan verbonden legeskosten;
e. de voorwaarden voor verlenging en weigering van de onder c. en d. bedoelde visa, met inachtneming van de belangen van alle Overeenkomstsluitende Partijen;
f. de wijzen waarop de geldigheid van de visa territoriaal wordt beperkt;
g. de beginselen, welke ten grondslag liggen aan de opstelling van een gemeenschappelijke lijst van ter fine van weigering van toegang gesignaleerde vreemdelingen, onverminderd het bepaalde in artikel 96.
Artikel 18
De visa voor een verblijf van langer dan drie maanden zijn nationale visa welke door iedere Overeenkomstsluitende Partij overeenkomstig de eigen wetgeving worden afgegeven. Een dergelijk visum geeft de houder daarvan het recht over het grondgebied van de overige Overeenkomstsluitende Partijen door te reizen, ten einde zich te begeven naar het grondgebied van de Overeenkomstsluitende Partij die het visum heeft verleend, tenzij hij niet kan voldoen aan de in artikel 5, lid 1, onder a., d. en e. bedoelde voorwaarden voor binnenkomst, of gesignaleerd staat op de nationale signaleringslijst van de Overeenkomstsluitende Partij over wier grondgebied hij wenst door te reizen.
1.
Vreemdelingen die houder zijn van een eenvormig visum en die het grondgebied van één der Overeenkomstsluitende Partijen op regelmatige wijze zijn binnengekomen, mogen zich, zolang het visum geldig is en voor zover zij aan de in artikel 5, lid 1, onder a., c, d. en e., bedoelde voorwaarden voor binnenkomst voldoen, op het grondgebied van alle Overeenkomstsluitende Partijen vrij verplaatsen.
2.
Tot op het tijdstip van instelling van het eenvormige visum mogen vreemdelingen die houder zijn van een door één van deze Partijen verleend visum en die het grondgebied van één van deze Partijen op regelmatige wijze zijn binnengekomen, zolang het visumgeldig is en voor ten hoogste drie maanden te rekenen vanaf de datum van de eerste binnenkomst, zich op het grondgebied van alle Overeenkomstsluitende Partijen vrij verplaatsen, voor zover zij voldoen aan de in artikel 5, lid 1, onder a., c, d. en e., bedoelde voorwaarden voor binnenkomst.
3.
Het bepaalde in de leden 1 en 2 is niet van toepassing op visa waarvan de geldigheid territoriaal is beperkt overeenkomstig de bepalingen van Hoofdstuk 3 van deze Titel.
4.
Het bepaalde in dit artikel geldt onverminderd het bepaalde in artikel 22.
1.
Vreemdelingen die niet aan de visumplicht zijn onderworpen, mogen zich voor de duur van ten hoogste drie maanden binnen een periode van zes maanden, gerekend vanaf de datum van eerste binnenkomst, op het grondgebied van de Overeenkomstsluitende Partijen vrij verplaatsen, voor zover zij voldoen aan de in artikel 5, lid 1, onder a., c, d. en e., bedoelde voorwaarden voor binnenkomst.
2.
Het bepaalde in lid 1 doet geen afbreuk aan het recht van iedere Overeenkomstsluitende Partij om in bijzondere omstandigheden of krachtens de bepalingen van een vóór de inwerkingtreding van deze Overeenkomst gesloten bilaterale overeenkomst de verblijfstermijn van drie maanden van een vreemdeling op haar grondgebied te verlengen.
3.
Het bepaalde in dit artikel geldt onverminderd het bepaalde in artikel 22.
1.
Vreemdelingen die houder zijn van een geldige, door één der Overeenkomstsluitende Partijen afgegeven verblijfstitel, mogen zich gedurende een periode van ten hoogste drie maanden op grond van deze titel en van een geldig reisdocument vrij verplaatsen op het grondgebied van de overige Overeenkomstsluitende Partijen, voor zover zij voldoen aan de in artikel 5, lid 1, onder a., c. en e., bedoelde voorwaarden voor binnenkomst, en niet gesignaleerd staan op de nationale signaleringslijst van de betrokken Overeenkomstsluitende Partij.
2.
Het bepaalde in lid 1 is eveneens van toepassing op vreemdelingen die houder zijn van een door één der Overeenkomstsluitende Partijen afgegeven tijdelijke verblijfsinstemming en van een door die Partij afgegeven reisdocument.
3.
De Overeenkomstsluitende Partijen doen het Uitvoerend Comité mededeling van de lijst van documenten, welke zij als verblijfstitel of tijdelijke verblijfsinstemming, dan wel als reisdocument in de zin van dit artikel afgeven.
4.
Het bepaalde in dit artikel geldt onverminderd het bepaalde in artikel 22.
1.
Vreemdelingen die op regelmatige wijze op het grondgebied van een Overeenkomstsluitende Partij zijn binnengereisd, dienen zich onder de door ieder van de Overeenkomstsluitende Partijen vastgestelde voorwaarden aan te melden bij de bevoegde autoriteiten van de Overeenkomstsluitende Partij op wier grondgebied zij binnenkomen. Deze aanmelding kan naar keuze van elke Overeenkomstsluitende Partij hetzij bij binnenkomst, hetzij binnen drie werkdagen te rekenen vanaf de datum van binnenkomst, in het binnenland geschieden.
2.
Vreemdelingen die op het grondgebied van één der Overeenkomstsluitende Partijen verblijven en zich naar het grondgebied van één der overige Overeenkomstsluitende Partijen begeven, dienen aan de in lid 1 neergelegde verplichting te voldoen.
3.
Uitzonderingen op het bepaalde in de leden 1 en 2 worden door iedere Overeenkomstsluitende Partij vastgesteld en ter kennis gebracht van het Uitvoerend Comité.
1.
De vreemdeling die niet of niet meer voldoet aan de op het grondgebied van één der Overeenkomstsluitende Partijen geldende voorwaarden inzake kort verblijf, dient in beginsel het grondgebied van de Overeenkomstsluitende Partijen onverwijld te verlaten.
2.
Wanneer een vreemdeling over een geldige verblijfstitel of tijdelijke verblijfsinstemming van een andere Overeenkomstsluitende Partij beschikt, dient hij zich onverwijld naar het grondgebied van die Overeenkomstsluitende Partij te begeven.
3.
Indien het vrijwillige vertrek van de vreemdeling niet plaatsvindt of indien een vermoeden bestaat dat dit vertrek niet zal plaatsvinden of indien het onmiddellijke vertrek van de vreemdeling om redenen van openbare orde of nationale veiligheid geboden is, dient de vreemdeling overeenkomstig de in de nationale wetgeving van die Partij neergelegde voorwaarden te worden verwijderd van het grondgebied van de Overeenkomstsluitende Partij waar hij werd aangehouden. Indien verwijdering ingevolge de wet niet is toegestaan, kan die Partij de betrokken vreemdeling verblijf toestaan op haar grondgebied.
4.
Deze verwijdering kan geschieden naar het land van herkomst van de vreemdeling of naar enig ander land waar diens toelating mogelijk is, in het bijzonder ingevolge de relevante bepalingen van de door de Overeenkomstsluitende Partijen gesloten terugname-overeenkomsten.
5.
Het bepaalde in lid 4 doet geen afbreuk aan de nationale bepalingen inzake het asielrecht, de bepalingen van het Verdrag van Genève van 28 juli 1951 betreffende de status van vluchtelingen, zoals gewijzigd bij het Protocol van New York van 31 januari 1967, alsmede het bepaalde in lid 2 van dit artikel en in artikel 33, lid 1, van deze Overeenkomst.
Artikel 24
Onder voorbehoud van de door het Uitvoerend Comité te bepalen passende criteria en praktische regelingen, compenseren de Overeenkomstsluitende Partijen onderling het financiële onevenwicht dat uit de in artikel 23 bedoelde verplichte verwijdering voortvloeit, wanneer deze verwijdering niet op kosten van de vreemdeling kan geschieden.
1.
Wanneer een Overeenkomstsluitende Partij overweegt een verblijfstitel af te geven aan een ter fine van weigering gesignaleerde vreemdeling, treedt zij vooraf in overleg met de signalerende Overeenkomstsluitende Partij en houdt zij rekening met de belangen van deze Partij; de verblijfstitel wordt slechts om ernstige redenen, in het bijzonder uit humanitaire overwegingen of ingevolge internationale verplichtingen, afgegeven.
Wanneer de verblijfstitel wordt afgegeven, gaat de signalerende Overeenkomstsluitende Partij over tot intrekking van de signalering, doch kan zij de vreemdeling op haar nationale signaleringslijst opnemen.
2.
Wanneer blijkt dat een vreemdeling die houder is van een door één der Overeenkomstsluitende Partijen afgegeven geldige verblijfstitel, ter fine van weigering is gesignaleerd, treedt de signalerende Overeenkomstsluitende Partij in overleg met de Overeenkomstsluitende Partij die de verblijfstitel heeft afgegeven ten einde na te gaan of er voldoende grond is voor intrekking van de verblijfstitel.
Wanneer de verblijfstitel niet wordt ingetrokken, gaat de signalerende Overeenkomstsluitende Partij over tot intrekking van de signalering, doch kan zij de vreemdeling op haar nationale signaleringslijst opnemen.
1.
Onverminderd de verplichtingen ingevolge het Verdrag van Genève van 28 juli 1951 betreffende de status van vluchtelingen, zoals gewijzigd bij het Protocol van New York van 31 januari 1967, verbinden de Overeenkomstsluitende Partijen zich ertoe in hun nationale wetgeving onderstaande regelingen op te nemen:
a. wanneer een vreemdeling de toegang tot het grondgebied van één van de Overeenkomstsluitende Partijen wordt geweigerd, is de vervoerder die hem door de lucht, over zee of over land tot aan de buitengrens heeft gebracht, verplicht hem onverwijld terug te nemen; op verzoek van de grensbewakingsautoriteiten dient de vervoerder de vreemdeling terug te brengen naar de derde Staat van waaruit hij werd vervoerd, naar de derde Staat die het reisdocument waarmee de vreemdeling heeft gereisd, heeft afgegeven of naar iedere andere derde Staat waar zijn toelating is gewaarborgd;
b. de vervoerder is verplicht de nodige maatregelen te treffen om zich ervan te vergewissen dat de per luchtvaartuig of per schip vervoerde vreemdeling in het bezit is van de voor binnenkomst op het grondgebied van de Overeenkomstsluitende Partijen vereiste reisdocumenten.
2.
De Overeenkomstsluitende Partijen verbinden zich ertoe, onverminderd de verplichtingen ingevolge het Verdrag van Genève van 28 juli 1951 betreffende de status van vluchtelingen, zoals gewijzigd bij het Protocol van New York van 31 januari 1967, in overeenstemming met hun Grondwettelijk recht, ten aanzien van vervoerders die vreemdelingen uit derde Staten door de lucht of over zee naar hun grondgebied vervoeren, zonder dat dezen in het bezit zijn van de vereiste reisdocumenten, sancties in te voeren.
3.
Het bepaalde in lid 1, onder b., en in lid 2 is van toepassing op de vervoerders die internationaal vervoer van groepen van personen per autobus verrichten, met uitzondering van het grensverkeer.
1.
De Overeenkomstsluitende Partijen verbinden zich ertoe te voorzien in passende sancties jegens eenieder die een vreemdeling uit winstbejag helpt of poogt te helpen het grondgebied van één der Overeenkomstsluitende Partijen binnen te komen of aldaar te verblijven, zulks in strijd met de wetgeving van deze Partij betreffende de binnenkomst en het verblijf van vreemdelingen.
2.
Krijgt een Overeenkomstsluitende Partij kennis van feiten als bedoeld in lid 1 waardoor het recht van een andere Overeenkomstsluitende Partij wordt geschonden, dan informeert zij laatstgenoemde Partij daarover.
3.
De Overeenkomstsluitende Partij die om reden van een schending van haar recht een andere Overeenkomstsluitende Partij verzoekt feiten als bedoeld in lid 1 te vervolgen, dient door middel van een officiële aangifte of door een verklaring van de bevoegde autoriteiten te verklaren welke wettelijke bepalingen werden overtreden.
Artikel 28
De Overeenkomstsluitende Partijen bevestigen opnieuw hun verplichtingen uit hoofde van het Verdrag van Genève van 28 juli 1951 betreffende de status van vluchtelingen, zoals gewijzigd bij het Protocol van New York van 31 januari 1967, zonder enige geografische beperking van het toepassingsgebied van deze akten, en hun verbintenis om met de diensten van de Hoge Commissaris van de Verenigde Naties voor vluchtelingen samen te werken voor de toepassing van deze akten.
1.
De Overeenkomstsluitende Partijen verbinden zich ertoe elk door een vreemdeling op het grondgebied van één der Overeenkomstsluitende Partijen ingediend asielverzoek te behandelen.
2.
Deze verplichting leidt er niet toe dat in alle gevallen die Overeenkomstsluitende Partij de asielzoeker de binnenkomst of het verblijf op haar grondgebied moet toestaan.
Iedere Overeenkomstsluitende Partij behoudt het recht om asielzoekers, op grond van haar nationaal recht en met inachtneming van haar internationale verplichtingen, de toegang te weigeren of hen te verwijderen naar een derde Staat.
3.
Voor de behandeling van een asielverzoek is uitsluitend één Overeenkomstsluitende Partij verantwoordelijk, ongeacht de Overeenkomstsluitende Partij tot wie de vreemdeling zijn asielverzoekricht. De verantwoordelijke Overeenkomstsluitende Partij wordt op grond van de in artikel 30 neergelegde criteria bepaald.
4.
Onverminderd het bepaalde in lid 3 blijft iedere Overeenkomstsluitende Partij bevoegd om ingeval van bijzondere redenen, in het bijzonder die ontleend aan het nationale recht, een asielverzoek te behandelen, zelfs wanneer de verantwoordelijkheid, in de zin van deze Overeenkomst, op een andere Overeenkomstsluitende Partij rust.
1.
De voor de behandeling van een asielverzoek verantwoordelijke Overeenkomstsluitende Partij wordt als volgt vastgesteld:
a. wanneer een Overeenkomstsluitende Partij aan de asielzoeker een visum, ongeacht van welke aard, of een verblijfstitel heeft verleend, is zij verantwoordelijk voor de behandeling van het asielverzoek; wanneer het visum is afgegeven op grond van een machtiging van een andere Overeenkomstsluitende Partij is de Overeenkomstsluitende Partij die de machtiging heeft verleend, verantwoordelijk;
b. wanneer verscheidene Overeenkomstsluitende Partijen de asielzoeker een visum, ongeacht van welke aard, of een verblijfstitel hebben verleend, is de Overeenkomstsluitende Partij van wier visum of verblijfstitel de geldigheidsduur het laatst verstrijkt, verantwoordelijk;
c. zolang de asielzoeker het grondgebied van de Overeenkomstsluitende Partijen niet heeft verlaten, blijft de overeenkomstig a. en b., vastgestelde verantwoordelijkheid bestaan, ook wanneer de geldigheidsduur van het visum, ongeacht van welke aard, of van de verblijfstitel is verstreken ; wanneer de asielzoeker na verlening van het visum of de verblijfstitel het grondgebied van de Overeenkomstsluitende Partijen verlaat, blijft de hieruit overeenkomstig het bepaalde onder a. en b. voortvloeiende verantwoordelijkheid bestaan, tenzij het visum of de verblijfstitel inmiddels volgens de nationale wetgeving niet meer geldig zijn;
d. wanneer de asielzoeker door de Overeenkomstsluitende Partijen van de visumplicht is vrijgesteld, is de Overeenkomstsluitende Partij, via wier buitengrens de asielzoeker het grondgebied van de Overeenkomstsluitende Partijen is binnengekomen, verantwoordelijk;
zolang de harmonisatie van het visumbeleid niet volledig is verwezenlijkt en de asielzoeker slechts door bepaalde Overeenkomstsluitende Partijen van de visumplicht is vrijgesteld, is de Overeenkomstsluitende Partij via wier buitengrens de asielzoeker het grondgebied van de Overeenkomstsluitende Partijen op grond van visumvrijstelling is binnengekomen, onverminderd het bepaalde onder a., b. en c, verantwoordelijk;
wanneer het asielverzoek wordt ingediend bij een Overeenkomstsluitende Partij die de asielzoeker een doorreisvisum heeft verstrekt - daargelaten of de asielzoeker de paspoortcontrole gepasseerd heeft - en wanneer dit doorreisvisum is verstrekt nadat het land van doorreis zich bij de diplomatieke of consulaire autoriteiten van de Overeenkomstsluitende Partij van bestemming ervan heeft vergewist of de asielzoeker voldoet aan de voorwaarden voor binnenkomst op het grondgebied van de Overeenkomstsluitende Partij van bestemming, is de Overeenkomstsluitende Partij van bestemming verantwoordelijk voor de behandeling van het verzoek;
e. wanneer de asielzoeker het grondgebied van de Overeenkomstsluitende Partijen is binnengekomen zonder in het bezit te zijn van één of meer geldige, door het Uitvoerend Comité aangewezen grensoverschrijdingsdocumenten, is de Overeenkomstsluitende Partij via wier buitengrens de asielzoeker het grondgebied van de Overeenkomstsluitende Partijen is binnengekomen, verantwoordelijk;
f. wanneer een vreemdeling wiens asielverzoek reeds in behandeling is genomen door één der Overeenkomstsluitende Partijen, een nieuw verzoek indient, is de Overeenkomstsluitende Partij die het asielverzoek in behandeling heeft, verantwoordelijk;
g. wanneer een vreemdeling wiens eerder asielverzoek door één der Overeenkomstsluitende Partijen reeds is afgehandeld, een nieuw asielverzoek indient, is de Overeenkomstsluitende Partij waar het eerdere asielverzoek werd behandeld, verantwoordelijk, indien de asielzoeker het grondgebied van de Overeenkomstsluitende Partijen niet heeft verlaten.
2.
Wanneer een Overeenkomstsluitende Partij een asielverzoek op grond van artikel 29, lid 4, in behandeling heeft genomen, is de krachtens het bepaalde in lid 1 verantwoordelijke Overeenkomstsluitende Partij van haar verplichting ontheven.
3.
Wanneer de verantwoordelijke Overeenkomstsluitende Partij niet op grond van de in de leden 1 en 2 genoemde criteria kan worden bepaald, is de Overeenkomstsluitende Partij bij wie het asielverzoek werd ingediend, verantwoordelijk.
1.
De Overeenkomstsluitende Partijen streven ernaar zo spoedig mogelijk vast te stellen wie van hen verantwoordelijk is voor de behandeling van een asielverzoek.
2.
Wordt een asielverzoek gericht aan een Overeenkomstsluitende Partij die op grond van artikel 30 niet verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan, dan kan die Overeenkomstsluitende Partij, wanneer de vreemdeling zich op haar grondgebied bevindt, de verantwoordelijke Overeenkomstsluitende Partij verzoeken de asielzoeker, ter behandeling van diens asielverzoek, over te nemen.
3.
De verantwoordelijke Overeenkomstsluitende Partij is verplicht de in lid 2 bedoelde asielzoeker over te nemen, indien het verzoek is gedaan binnen een termijn van zes maanden, te rekenen vanaf de datum van indiening van het asielverzoek. Indien het verzoek niet binnen deze termijn is gediend, is de Overeenkomstsluitende Partij bij welke het asielverzoek is ingediend, verantwoordelijk voor de behandeling van het verzoek.
Artikel 32
De voor de behandeling van een asielverzoek verantwoordelijke Overeenkomstsluitende Partij behandelt dit overeenkomstig haar nationale recht.
1.
Wanneer de asielzoeker zich gedurende de asielprocedure op onregelmatige wijze op het grondgebied van een andere Overeenkomstsluitende Partij bevindt, is de verantwoordelijke Overeenkomstsluitende Partij verplicht hem terug te nemen.
2.
Het bepaalde in lid 1 is niet van toepassing wanneer de andere Overeenkomstsluitende Partij de asielzoeker een verblijfstitel met een geldigheidsduur van één jaar of meer heeft verleend. In dit geval gaat de verantwoordelijkheid voor de behandeling van het asielverzoek op de andere Overeenkomstsluitende Partij over.
1.
De verantwoordelijke Overeenkomstsluitende Partij is verplicht tot terugneming van de vreemdeling wiens asielverzoek definitief is afgewezen en die zich naar het grondgebied van een andere Overeenkomstsluitende Partij heeft begeven zonder tot verblijf aldaar gemachtigd te zijn.
2.
Het bepaalde in lid 1 vindt geen toepassing wanneer de verantwoordelijke Overeenkomstsluitende Partij de vreemdeling uit het grondgebied van de Overeenkomstsluitende Partijen had verwijderd.
1.
De Overeenkomstsluitende Partij die een vreemdeling de vluchtelingenstatus heeft verleend en hem verblijf heeft toegestaan, dient de verantwoordelijkheid voor de behandeling van een asielverzoek van een lid van diens gezin te dragen, voor zover betrokkenen daarmee instemmen.
2.
Het in lid 1 bedoelde gezinslid is de echtgenoot van de vluchteling, het ongehuwde kind van de vluchteling beneden de achttien jaar of, indien de vluchteling een ongehuwd kind beneden de achttien jaar is, diens vader of moeder.
Artikel 36
Iedere voor de behandeling van het asielverzoek verantwoordelijke Overeenkomstsluitende Partij kan in geval van redenen van humanitaire aard, met name op grond van familiebanden of op culturele gronden, een andere Overeenkomstsluitende Partij verzoeken de verantwoordelijkheid over te nemen, voor zover betrokkene zulks wenst. De aangezochte Overeenkomstsluitende Partij beoordeelt of aan dat verzoek gevolg kan worden gegeven.
1.
De bevoegde autoriteiten van de Overeenkomstsluitende Partijen lichten elkaar wederzijds zo spoedig mogelijk in omtrent:
a. nieuwe regelingen of maatregelen terzake van het asielrecht of de behandeling van asielzoekers, en wel uiterlijk op het tijdstip van inwerkingtreding daarvan;
b. de statistische gegevens aangaande het aantal binnenkomende asielzoekers per maand met opgave van de belangrijkste landen van herkomst en de beslissingen op asielverzoeken, voor zover deze beschikbaar zijn;
c. het ontstaan van nieuwe groepen asielzoekers of een aanzienlijke toeneming van bepaalde groepen asielzoekers, alsmede de dienaangaande beschikbare gegevens;
d. essentiële beslissingen op het gebied van het asielrecht.
2.
Met het oog op een gemeenschappelijke beoordeling werken de Overeenkomstsluitende Partijen bovendien nauw samen ten aanzien van het inwinnen van informatie omtrent de situatie in het land van herkomst van de asielzoekers.
3.
Aanwijzigingen van een Overeenkomstsluitende Partij om vertrouwelijke behandeling van de door haar verstrekte informatie dienen door de overige Overeenkomstsluitende Partijen te worden opgevolgd.
1.
Iedere Overeenkomstsluitende Partij verstrekt iedere andere Overeenkomstsluitende Partij desgevraagd beschikbare gegevens betreffende de individuele asielzoeker welke noodzakelijk zijn voor:
- het vaststellen van de voor de behandeling van het asielverzoek verantwoordelijke Overeenkomstsluitende Partij;
- de behandeling van het asielverzoek;
- de uitvoering van de uit dit Hoofdstuk voortvloeiende verplichtingen.
2.
Deze gegevens hebben uitsluitend betrekking op:
a. de identiteit (naam, voornaam, eventueel vroegere naam, bijnaam of alias, geboortedatum, geboorteplaats, huidige en vorige nationaliteit van de asielzoeker en, in voorkomend geval, diens familieleden);
b. de identiteitsbewijzen en reisdocumenten (nummer, geldigheidsduur, data van afgifte, afgevende autoriteit, plaats van afgifte, enz.);
c. andere voor identificatie dienstige gegevens;
d. de verblijfplaatsen en reisroutes;
e. de door een Overeenkomstsluitende Partij afgegeven verblijfstitels of visa;
f. de plaats waar het asielverzoek werd ingediend;
g. eventueel de datum waarop een eerder asielverzoek werd ingediend, de datum waarop het huidige asielverzoek is ingediend, de stand van de procedure, de strekking van de genomen beslissing.
3.
Bovendien kan een Overeenkomstsluitende Partij een andere Overeenkomstsluitende Partij verzoeken haar mededeling te doen van de door de asielzoeker opgegeven redenen ter staving van zijn verzoek en, in voorkomend geval, de redenen van de jegens hem genomen beslissing. De aangezochte Overeenkomstsluitende Partij beoordeelt of zij aan het tot haar gerichte verzoek gevolg kan geven. In ieder geval is voor het verstrekken van deze gegevens de toestemming van de asielzoeker vereist.
4.
De gegevensverstrekking vindt plaats op verzoek van een Overeenkomstsluitende Partij en mag slechts geschieden tussen de autoriteiten, wier aanwijzing door iedere Overeenkomstsluitende Partij ter kennis van het Uitvoerend Comité wordt gebracht.
5.
De verstrekte gegevens mogen slechts worden gebruikt voor de doeleinden als bedoeld in lid 1. Deze gegevens worden uitsluitend verstrekt aan de instanties en gerechtelijke autoriteiten die belast zijn met:
- het vaststellen van de voor de behandeling van het asielverzoek verantwoordelijke Overeenkomstsluitende Partij;
- de behandeling van het asielverzoek;
- de uitvoering van de uit dit Hoofdstuk voortvloeiende verplichtingen.
6.
De Overeenkomstsluitende Partij die de gegevens verstrekt, ziet erop toe dat deze juist en actueel zijn.
Wanneer blijkt dat deze Overeenkomstsluitende Partij gegevens heeft verstrekt die onjuist zijn of niet hadden mogen worden verstrekt, wordt dit de ontvangende Overeenkomstsluitende Partijen onverwijld medegedeeld. Zij zijn verplicht deze gegevens te verbeteren of te vernietigen.
7.
Een asielzoeker heeft het recht desgevraagd kennis te nemen van de op hem betrekking hebbende verstrekte gegevens, zolang deze beschikbaar zijn.
Indien hij vaststelt dat deze gegevens onjuist zijn of niet hadden mogen worden verstrekt, heeft hij het recht de verbetering of vernietiging daarvan te verlangen. Dit recht wordt uitgeoefend onder de voorwaarden als bedoeld in lid 6.
8.
In iedere Overeenkomstsluitende Partij wordt van de verstrekking en ontvangst van de verstrekte gegevens aantekening gehouden.
9.
De verstrekte gegevens worden niet langer bewaard dan noodzakelijk is voor de doeleinden waartoe de verstrekking heeft plaatsgevonden. De noodzaak tot bewaren van de verstrekte gegevens dient door de desbetreffende Overeenkomstsluitende Partij op het daartoe geschikte tijdstip te worden getoetst.
10.
Voor de verstrekte gegevens geldt tenminste dezelfde bescherming als die waarin het recht van de ontvangende Overeenkomstsluitende Partij voor soortgelijke gegevens voorziet.
11.
Wanneer de gegevens niet in een geautomatiseerde registratie, doch anderszins worden verwerkt, treffen de Overeenkomstsluitende Partijen passende maatregelen, opdat de naleving van dit artikel door middel van een doeltreffend toezicht wordt gewaarborgd. Wanneer een Overeenkomstsluitende Partij een controle-autoriteit als bedoeld in lid 12 heeft, kan zij deze met dit toezicht belasten.
12.
Wanneer één of meer Overeenkomstsluitende Partijen de verwerking van alle of van een gedeelte van de in de leden 2 en 3 bedoelde gegevens willen automatiseren, is dit slechts toegestaan indien de betrokken Overeenkomstsluitende Partijen wettelijke bepalingen betreffende deze verwerking hebben aangenomen waardoor uitvoering wordt gegeven aan de beginselen van het Verdrag van de Raad van Europa van 28 januari 1981 tot bescherming van het individu in verband met de geautomatiseerde registratie van persoonsgegevens en zij een passende controle-autoriteit hebben aangewezen die belast is met de onafhankelijke controle op de verwerking en het gebruik van de op grond van deze Overeenkomst verstrekte gegevens.
1.
De Overeenkomstsluitende Partijen verbinden zich ertoe dat hun politiediensten elkaar, met inachtneming van het nationale recht binnen de grenzen van hun bevoegdheden, wederzijds bijstand verlenen ten behoeve van de voorkoming en opsporing van strafbare feiten, voor zover het doen of behandelen van een verzoek naar nationaal recht niet aan de justitiële autoriteiten is voorbehouden en voor het inwilligen van het verzoek door de aangezochte Overeenkomstsluitende Partij geen dwangmiddelen behoeven te worden toegepast. Wanneer de aangezochte politie-autoriteiten tot de afdoening van een verzoek niet bevoegd zijn, zenden zij dit aan de bevoegde autoriteiten door.
2.
Schriftelijke informatie die krachtens het bepaalde in lid 1 door de aangezochte Overeenkomstsluitende Partij wordt verstrekt, kan door de verzoekende Overeenkomstsluitende Partij slechts met toestemming van de bevoegde justitiële autoriteiten van de aangezochte Overeenkomstsluitende Partij als bewijsmiddel voor het ten laste gelegde feit worden aangewend.
3.
De in lid 1 bedoelde verzoeken om bijstand en reacties daarop kunnen tussen de door de onderscheiden Overeenkomstsluitende Partijen met de internationale politiesamenwerking belaste centrale autoriteiten worden uitgewisseld. In gevallen waarin het verzoek langs bovengenoemde weg niet tijdig kan worden gedaan, kunnen verzoeken door de politie-autoriteiten van de verzoekende Overeenkomstsluitende Partij rechtstreeks aan de bevoegde politie-autoriteiten van de aangezochte Overeenkomstsluitende Partij worden toegezonden en door deze rechtstreeks worden beantwoord. In deze gevallen stelt de verzoekende politie-autoriteit zo spoedig mogelijk de in de aangezochte Overeenkomstsluitende Partij met de internationale politiesamenwerking belaste autoriteit van haar rechtstreekse verzoek in kennis.
4.
De samenwerking in grensgebieden kan nader worden geregeld in afspraken tussen de bevoegde Ministers van de Overeenkomstsluitende Partijen.
5.
De bepalingen van dit artikel doen geen afbreuk aan verdergaande, bestaande en toekomstige bilaterale akkoorden tussen aan elkaar grenzende Overeenkomstsluitende Partijen. De Overeenkomstsluitende Partijen doen elkaar mededeling van deze akkoorden.
1.
Ambtenaren van een van de lidstaten die in het kader van een opsporingsonderzoek in hun eigen land een persoon observeren die vermoedelijk heeft deelgenomen aan een strafbaar feit dat tot uitlevering aanleiding kan geven, of, als noodzakelijk onderdeel van een opsporingsonderzoek, een persoon observeren ten aanzien van wie een ernstig vermoeden bestaat dat hij kan bijdragen tot de identificatie of de opsporing van de eerstbedoelde persoon, mogen deze observatie op het grondgebied van een andere lidstaat voortzetten wanneer die staat toestemming heeft gegeven tot grensoverschrijdende observatie op basis van een van te voren ingediend met redenen omkleed rechtshulpverzoek. De toestemming kan onder bijzondere voorwaarden worden verleend.
Desgevraagd dient de observatie te worden overgedragen aan de ambtenaren van de Overeenkomstsluitende Partij op wier grondgebied de observatie plaatsvindt.
Het rechtshulpverzoek als bedoeld in de eerste alinea dient te worden gericht aan de door elk der Overeenkomstsluitende Partijen daartoe aangewezen autoriteit, die bevoegd is op het verzoek te beslissen of dit door te zenden.
2.
Wanneer wegens het bijzonder spoedeisende karakter van het optreden geen voorafgaande toestemming van de andere Overeenkomstsluitende Partij kan worden gevraagd, mogen de ambtenaren de observatie van een persoon te wiens aanzien er een redelijk vermoeden bestaat dat hij bij het plegen van een in lid 7 genoemd strafbaar feit is betrokken, onder de navolgende voorwaarden tot over het grondgebied van die Partij voortzetten:
a. de in lid 5 genoemde autoriteit van de Overeenkomstsluitende Partij op wier grondgebied de observatie wordt voortgezet, dient nog tijdens de observatie onverwijld van de grensoverschrijding in kennis te worden gesteld;
b. een rechtshulpverzoek als bedoeld in lid 1, waarin tevens de redenen zijn aangegeven waarom zonder voorafgaande toestemming tot grensoverschrijding is overgegaan, dient zo spoedig mogelijk alsnog te worden ingediend.
De observatie dient te worden afgebroken zodra de Overeenkomstsluitende Partij op wier grondgebied de observatie plaatsvindt, na ontvangst van de hierboven onder a. bedoelde kennisgeving of het onder b. bedoelde verzoek zulks te verstaan geeft, of indien de toestemming vijf uren na de grensoverschrijding nog niet is verleend.
3.
De observatie als bedoeld in de leden 1 en 2 mag slechts onder de volgende algemene voorwaarden worden uitgeoefend:
a. de observerende ambtenaren zijn gebonden aan het bepaalde in dit artikel en aan het recht van de Overeenkomstsluitende Partij op wier grondgebied zij optreden ; zij dienen de aanwijzingen van de plaatselijk bevoegde autoriteiten op te volgen;
b. behoudens in de gevallen als bedoeld in lid 2 dienen de ambtenaren tijdens de observatie te zijn voorzien van een document waaruit blijkt dat de toestemming is verleend;
c. de observerende ambtenaren dienen te allen tijde in staat te zijn hun officiële functie aan te tonen;
d. de observerende ambtenaren mogen tijdens de observatie hun dienstwapen meevoeren, tenzij de aangezochte Overeenkomstsluitende Partij daartegen uitdrukkelijk bezwaar heeftgemaakt; het gebruik ervan is uitsluitend in geval van noodweer toegestaan;
e. het binnentreden van woningen en het betreden van niet voor het publiek toegankelijke plaatsen is niet toegestaan;
f. de observerende ambtenaren zijn niet bevoegd de te observeren persoon staande te houden of aan te houden;
g. van elk optreden wordt verslag gedaan aan de autoriteiten van de Overeenkomstsluitende Partij op wier grondgebied de observatie plaatsvindt; de persoonlijke verschijning van de observerende ambtenaren kan worden verlangd;
h. de autoriteiten van de Overeenkomstsluitende Partij van wier grondgebied de observerende ambtenaren afkomstig zijn, verlenen desgevraagd medewerking aan nader onderzoek van de Overeenkomstsluitende Partij op wier grondgebied werd opgetreden, met inbegrip van gerechtelijke procedures.
4.
De in de leden 1 en 2 bedoelde ambtenaren zijn:
- voor het Koninkrijk België: de leden van de Gerechtelijke Politie bij de Parketten, de Rijkswacht en de Gemeentepolitie, alsmede, onder de voorwaarden die zijn vastgesteld bij passende bilaterale akkoorden als bedoeld in lid 6 voor wat betreft hun bevoegdheden aangaande de sluikhandel in verdovende middelen en psychotrope stoffen, de sluikhandel in wapens en explosieven, en het illegale vervoer van giftige en schadelijke afvalstoffen, de douane-ambtenaren;
- voor de Bondsrepubliek Duitsland: de ambtenaren van de „Polizeien des Bundes und der Länder", alsmede, voor het illegale verkeer van verdovende middelen en de illegale handel in wapens, de ambtenaren van de „Zollfahndungsdienst" als hulpambtenaren van het Openbaar Ministerie;
- voor de Franse Republiek: de ambtenaren en hulpambtenaren van de gerechtelijke afdelingen van de „Police nationale" en van de „Gendarmerie nationale", alsmede, onder de voorwaarden die zijn vastgesteld bij passende bilaterale akkoorden als bedoeld in lid 6, voor wat betreft hun bevoegdheden aangaande de sluikhandel in verdovende middelen en psychotrope stoffen, de sluikhandel in wapens en explosieven, en het illegale vervoer van giftige en schadelijke afvalstoffen, de douane-ambtenaren;
- voor het Groothertogdom Luxemburg: de ambtenaren „Police" en van de „Gendarmerie", alsmede, onder de voorwaarden die zijn vastgesteld bij passende bilaterale akkoorden als bedoeld in lid 6, voor wat betreft hun bevoegdheden aangaande de sluikhandel in verdovende middelen en psychotrope stoffen, de sluikhandel in wapens en explosieven, en het illegale vervoer van giftige en schadelijke afvalstoffen, de douane-ambtenaren;
- voor het Koninkrijk der Nederlanden: de ambtenaren van de Rijkspolitie en de Gemeentepolitie, alsmede, onder de voorwaarden die zijn vastgesteld bij passende bilaterale akkoorden als bedoeld in lid 6 voor wat betreft hun bevoegdheden aangaande het illegale verkeer in verdovende middelen en psychotrope stoffen, de sluikhandel in wapens en explosieven, en het illegale vervoer van giftige en schadelijke afvalstoffen, de ambtenaren van de fiscale inlichtingen- en opsporingsdienst bevoegd inzake de invoerrechten en de accijnzen.
5.
De in de leden 1 en 2 bedoelde autoriteit is:
- voor het Koninkrijk België: het Commissariaat-Generaal van de Gerechtelijke Politie ;
- voor de Bondsrepubliek Duitsland: het „Bundeskriminalamt";
- voor de Franse Republiek: de „Direction centrale de la Police judiciaire";
- voor het Groothertogdom Luxemburg: de „Procureur général d'Etat";
- voor het Koninkrijk der Nederlanden: de Landelijk Officier van Justitie voor grensoverschrijdende observatie.
6.
De Overeenkomstsluitende Partijen kunnen bilateraal het toepassingsbereik van het bepaalde in dit artikel uitbreiden en nadere regelingen ter uitvoering daarvan treffen.
7.
Observatie als bedoeld in lid 2 is slechts toegestaan wanneer één der onderstaande strafbare feiten daaraan ten grondslag ligt:
- moord,
- doodslag,
- een ernstig misdrijf van seksuele aard,
- opzettelijke brandstichting,
- namaak en vervalsing van betaalmiddelen,
- gekwalificeerde diefstal en heling,
- afpersing,
- ontvoering en gijzeling,
- mensenhandel,
- sluikhandel in verdovende middelen en psychotrope stoffen,
- vergrijpen tegen de voorschriften aangaande vuurwapens en explosieven,
- het teweegbrengen van een ontploffing,
- illegaal vervoer van giftige en schadelijke afvalstoffen.
ernstige oplichting,
vreemdelingensmokkel,
witwassen van geld,
illegale handel in nucleaire en radioactieve stoffen,
deelneming aan een criminele organisatie in de zin van Gemeenschappelijk Optreden 98/733/JBZ van de Raad van 21 december 1998 inzake de strafbaarstelling van deelneming aan een criminele organisatie in de lidstaten van de Europese Unie,
terroristische misdrijven en steun aan een terroristische organisatie, in de zin van Kaderbesluit 2002/475/JBZ van de Raad van 13 juni 2002 inzake terrorismebestrijding.
1.
Ambtenaren van een Overeenkomstsluitende Partij die in hun eigen land een persoon achtervolgen die op heterdaad is betrapt bij het plegen van of deelneming aan één der in lid 4 genoemde strafbare feiten, zijn bevoegd de achtervolging op het grondgebied van een andere Overeenkomstsluitende Partij zonder voorafgaande toestemming van laatstgenoemde Partij voort te zetten, wanneer de bevoegde autoriteiten van de andere Overeenkomstsluitende Partij wegens het spoedeisende karakter van het optreden niet vooraf door middel van één der in artikel 44 bedoelde communicatiemiddelen kunnen worden gewaarschuwd of deze niet tijdig ter plaatse kunnen zijn om de achtervolging over te nemen.
Hetzelfde geldt wanneer de achtervolgde persoon zich in voorlopige hechtenis bevond of een gevangenisstraf onderging en zich door ontvluchting aan de verdere tenuitvoerlegging daarvan heeft onttrokken.
De achtervolgende ambtenaren treden uiterlijk bij grensoverschrijding in contact met de bevoegde autoriteiten van de Overeenkomstsluitende Partij wier grondgebied zij hebben betreden. De achtervolging dient te worden afgebroken zodra de Overeenkomstsluitende Partij op wier grondgebied de achtervolging wordt voortgezet, zulks te verstaan geeft. De plaatselijk bevoegde autoriteiten houden op verzoek van de achtervolgende ambtenaren de achtervolgde persoon staande om zijn identiteit vast te stellen of zijn aanhouding te bewerkstelligen.
2.
Het achtervolgingsrecht wordt uitgeoefend volgens één van onderstaande vormen neergelegd in een verklaring als bedoeld in lid 9:
a. aan de achtervolgende ambtenaren komt geen staandehoudingsbevoegdheid toe;
b. indien niet te verstaan wordt gegeven, dat de achtervolging dient te worden afgebroken en de plaatselijke autoriteiten niet tijdig ter plaatse kunnen zijn, mogen de achtervolgende ambtenaren de achtervolgde persoon staande houden totdat de terstond te waarschuwen ambtenaren van de Overeenkomstsluitende Partij op wier grondgebied zij optreden, tot de vaststelling van de identiteit, dan wel tot aanhouding overgaan.
3.
Het achtervolgingsrecht als bedoeld in de leden 1 en 2 wordt uitgeoefend volgens één van onderstaande vormen neergelegd in een verklaring als bedoeld in lid 9:
a. binnen een in de verklaring vast te stellen zone of tijdsbestek te rekenen vanaf de plaats, respectievelijk het tijdstip van grensoverschrijding;
b. zonder enige in afstand, noch in tijd uitgedrukte beperking.
4.
In een verklaring als bedoeld in lid 9 duiden de Overeenkomstsluitende Partijen volgens één van onderstaande vormen de in lid 1 bedoelde strafbare feiten aan als:
a. de volgende strafbare feiten
- moord,
- doodslag,
- verkrachting,
- opzettelijke brandstichting,
- valsmunterij,
- gekwalificeerde diefstal en heling,
- afpersing,
- ontvoering en gijzeling,
- mensenhandel,
- sluikhandel in verdovende middelen en psychotrope stoffen,
- vergrijpen tegen de voorschriften aangaande vuurwapens en explosieven,
- het teweegbrengen van een ontploffing,
- illegaal vervoer van giftige en schadelijke afvalstoffen,
- doorrijden na ongeval, de dood of zwaar lichamelijk letsel tot gevolg hebbend;
b. de strafbare feiten die aanleiding kunnen geven tot uitlevering.
5.
Het achtervolgingsrecht mag alleen worden uitgeoefend onder de volgende algemene voorwaarden :
a. de achtervolgende ambtenaren zijn gebonden aan het bepaalde in dit artikel en aan het recht van de Overeenkomstsluitende Partij op wier grondgebied zij optreden; zij dienen de aanwijzingen van de plaatselijk bevoegde autoriteiten op te volgen;
b. de achtervolging vindt alleen over de landgrenzen plaats;
c. het binnentreden van woningen en het betreden van niet voor het publiek toegankelijke plaatsen is niet toegestaan;
d. de achtervolgende ambtenaren dienen als zodanig uiterlijk direct herkenbaar te zijn, hetzij door middel van het dragen van een uniform of een armband, hetzij door middel van aan het voertuig aangebrachte voorzieningen; het is hun niet toegestaan in burgerkleding met gebruikmaking van een niet als zodanig herkenbaar politievoertuig op te treden; de achtervolgende ambtenaren dienen te allen tijde in staat te zijn hun officiële functie aan te tonen;
e. de achtervolgende ambtenaren mogen hun dienstwapen meevoeren; het gebruik ervan is uitsluitend in geval van noodweer toegestaan;
f. na de aanhouding als bedoeld in lid 2, onder b., mag ten aanzien van de achtervolgde persoon ten behoeve van diens voorgeleiding aan de plaatselijk bevoegde autoriteiten uitsluitend een veiligheidsfouillering worden verricht en mogen tijdens diens overbrenging handboeien worden gebruikt; de door de achtervolgde persoon meegevoerde voorwerpen mogen in beslag worden genomen;
g. de achtervolgende ambtenaren dienen zich na elk optreden als bedoeld in de leden 1, 2 en 3 te melden bij de plaatselijk bevoegde autoriteiten van de Overeenkomstsluitende Partij op wier grondgebied zij zijn opgetreden, en doen verslag van hun handelen; op verzoek van deze autoriteiten zijn zij verplicht zich beschikbaar te houden totdat omtrent de toedracht van hun optreden duidelijkheid is verkregen; deze voorwaarde geldt ook in die gevallen waarin de achtervolging niet tot de aanhouding van de achtervolgde persoon heeft geleid;
h. de autoriteiten van de Overeenkomstsluitende Partij van wier grondgebied de achtervolgende ambtenaren afkomstig zijn, verlenen desgevraagd medewerking aan nader onderzoek van de Overeenkomstsluitende Partij op wier grondgebied werd opgetreden, met inbegrip van gerechtelijke procedures.
6.
Een persoon die na een optreden als bedoeld in lid 2 werd aangehouden, kan ongeacht zijn nationaliteit door de plaatselijk bevoegde autoriteiten voor verhoor worden opgehouden. De terzake geldende regels van nationaal recht zijn van overeenkomstige toepassing.
Indien deze persoon niet de nationaliteit heeft van de Overeenkomstsluitende Partij op wier grondgebied hij is aangehouden, wordt hij uiterlijk zes uren na zijn aanhouding - de uren tussen middernacht en negen uur niet meegeteld - in vrijheid gesteld, tenzij de plaatselijk bevoegde autoriteiten voordien een verzoek tot voorlopige aanhouding ter fine van uitlevering hebben ontvangen, in ongeacht welke vorm.
7.
De in de leden 1 tot en met 6 genoemde ambtenaren zijn:
- voor het Koninkrijk België: de leden van de Gerechtelijke Politie bij de Parketten, de Rijkswacht en de Gemeentepolitie, alsmede, onder de voorwaarden die zijn vastgesteld bij passende bilaterale akkoorden als bedoeld in lid 10 voor wat betreft hun bevoegdheden aangaande de sluikhandel in verdovende middelen en psychotrope stoffen, de sluikhandel in wapens en explosieven, en het illegale vervoer van giftige en schadelijke afvalstoffen, de douane-ambtenaren;
- voor de Bondsrepubliek Duitsland: de ambtenaren van de „Polizeien des Bundes und der Länder", alsmede, voor het illegale verkeer van verdovende middelen en de illegale handel in wapens, de ambtenaren van de „Zollfahndungsdienst" als hulpambtenaren van het Openbaar Ministerie;
- voor de Franse Republiek: de ambtenaren en hulpambtenaren van de gerechtelijke afdelingen van de „Police nationale" en van de „Gendarmerie nationale", alsmede, onder de voorwaarden die zijn vastgesteld bij passende bilaterale akkoorden als bedoeld in lid 10 voor wat betreft hun bevoegdheden aangaande de sluikhandel in verdovende middelen en psychotrope stoffen, de sluikhandel in wapens en explosieven, en het illegale vervoer van giftige en schadelijke afvalstoffen, de douane-ambtenaren;
- voor het Groothertogdom Luxemburg: de ambtenaren van de „Police" en van de „Gendarmerie", alsmede, onder de voorwaarden die zijn vastgesteld bij passende bilaterale akkoorden als bedoeld in lid 10, voor wat betreft hun bevoegdheden aangaande de sluikhandel in verdovende middelen en psychotrope stoffen, de sluikhandel in wapens en explosieven, en het illegale vervoer van giftige en schadelijke afvalstoffen, de douane-ambtenaren;
- voor het Koninkrijk der Nederlanden: de ambtenaren van Rijkspolitie en van Gemeentepolitie, alsmede, onder de voorwaarden die zijn vastgesteld bij passende bilaterale akkoorden als bedoeld in lid 10 voor wat betreft hun bevoegdheden aangaande het illegale verkeer in verdovende middelen en psychtrope stoffen, de sluikhandel in wapens en explosieven, en het illegale vervoer van giftige en schadelijke afvalstoffen, de ambtenaren van de fiscale inlichtingen- en opsporingsdienst bevoegd inzake de invoerrechten en de accijnzen.
8.
Voor de betrokken Overeenkomstsluitende Partijen blijft artikel 27 van het Benelux-Verdrag van 27 juni 1962 aangaande de uitlevering en de rechtshulp in strafzaken, zoals gewijzigd bij het Protocol van 11 mei 1974, onverlet.
9.
Elk der Overeenkomstsluitende Partijen legt bij ondertekening van deze Overeenkomst een verklaring af waarin zij aan de hand van het bepaalde in de leden 2, 3 en 4 aangeeft, hoe aan uitoefening van het achtervolgingsrecht op haar grondgebied door elk der aangrenzende Overeenkomstsluitende Partijen toepassing dient te worden gegeven.
Elk der Overeenkomstsluitende Partijen kan haar verklaring op ieder tijdstip door een andere vervangen, mits de latere verklaring de strekking van de eerdere niet inperkt.
Het afleggen van verklaringen als bovenbedoeld geschiedt na overleg met elk der betrokken Overeenkomstsluitende Partijen in een streven naar gelijkwaardigheid van aan beide zijden van de binnengrenzen geldende regimes.
10.
De Overeenkomstsluitende Partijen kunnen bilateraal het toepassingsbereik van het bepaalde in lid 1 uitbreiden en nadere regelingen ter uitvoering van dit artikel treffen.
Artikel 42
Tijdens een optreden als bedoeld in de artikelen 40 en 41 worden de ambtenaren die op het grondgebied van een andere Overeenkomstsluitende Partij een taak vervullen, met ambtenaren van die Overeenkomstsluitende Partij gelijkgesteld, voor wat betreft de strafbare feiten die tegen of door hen mochten worden begaan.
1.
Wanneer ambtenaren van een Overeenkomstsluitende Partij overeenkomstig de artikelen 40 en 41 van deze Overeenkomst op het grondgebied van een andere Overeenkomstsluitende Partij optreden, is de eerstgenoemde Partij overeenkomstig het recht van de laatstgenoemde Partij aansprakelijk voor de schade die zij aldaar tijdens hun optreden veroorzaken.
2.
De Overeenkomstsluitende Partij op wier grondgebied de schade als bedoeld in lid 1 wordt veroorzaakt, neemt op zich deze schade te vergoeden op de wijze waarop zij daartoe gehouden zou zijn, indien de schade door haar eigen ambtenaren zou zijn toegebracht.
3.
De Overeenkomstsluitende Partij wier ambtenaren op het grondgebied van een andere Overeenkomstsluitende Partij enige schade hebben veroorzaakt, betaalt laatstgenoemde Partij het volledige bedrag terug dat deze aan de slachtoffers of hun rechthebbenden heeft uitgekeerd.
4.
Onder voorbehoud van de uitoefening van haar rechten tegenover derden en met uitzondering van het bepaalde in lid 3 ziet elk der Overeenkomstsluitende Partijen, in het geval als bedoeld in lid 1 ervan af het bedrag van de door haar geleden schade op een andere Overeenkomstsluitende Partij te verhalen.
1.
De Overeenkomstsluitende Partijen brengen, met inachtneming van de desbetreffende internationale overeenkomsten en rekening houdende met de plaatselijke omstandigheden en de technische mogelijkheden, in het bijzonder in de grensgebieden, rechtstreekse telefoon-, radio-, telex- en andere verbindingen tot stand teneinde de politie- en douanesamenwerking te vergemakkelijken, in het bijzonder met het oog op het tijdig doorgeleiden van informatie ter zake van de grensoverschrijdende observatie en achtervolging.
2.
Afgezien van de bovenstaande, op korte termijn te treffen maatregelen zullen zij met name de volgende mogelijkheden onderzoeken:
a. uitwisseling van materiaal of detachering van contactambtenaren die zijn uitgerust met passende radio-apparatuur;
b. uitbreiding van de in de grensgebieden gebruikte frequentiebandbreedten;
c. de inwerkingstelling van één gemeenschappelijke verbinding voor de in deze gebieden optredende politie- en douanediensten;
d. coördinatie van hun aankoopprogramma's voor communicatieapparatuur teneinde tot genormaliseerde en compatibele systemen te komen.
1.
De Overeenkomstsluitende Partijen verbinden zich ertoe de nodige maatregelen te nemen om te verzekeren dat:
a. de hoofden van logiesverstrekkende bedrijven of hun gemachtigden erop toe zien dat vreemdelingen, met inbegrip van onderdanen van andere Overeenkomstsluitende Partijen en van andere Lid-Staten van de Europese Gemeenschappen, aan wie zij logies verstrekken - afgezien van meereizende echtgenoten en minderjarige kinderen en van leden van reisgezelschappen eigenhandig de hotelfiches invullen en ondertekenen en daarbij voldoen aan de verplichting zich jegens hen te identificeren door overlegging van een geldig identiteitsdocument;
b. de aldus ingevulde hotelfiches de bevoegde autoriteiten ter beschikking worden gehouden of worden toegezonden, voor zover deze autoriteiten dit ter voorkoming van gevaar, ten behoeve van opsporingsonderzoek, dan wel ter opheldering van het lot van vermiste personen of slachtoffers van ongevallen noodzakelijk achten, voor zover door het nationale recht niet anders is bepaald.
2.
Het bepaalde in lid 1 is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van personen die overnachten op plaatsen die beroeps- of bedrijfsmatig ter beschikking worden gesteld, in het bijzonder in tenten, in caravans en op schepen.
1.
Iedere Overeenkomstsluitende Partij kan met inachtneming van haar nationale recht in individuele gevallen, zonder een daartoe strekkend verzoek, de betrokken Overeenkomstsluitende Partij informatie mededelen die voor de ontvangende Overeenkomstsluitende Partij ter verlening van bijstand bij de bestrijding van toekomstige strafbare feiten, ter voorkoming van strafbare feiten of ter afwending van gevaar voor de openbare orde en veiligheid van belang kunnen zijn.
2.
Onverminderd de samenwerking in de grensgebieden als bedoeld in artikel 39, lid 4, geschiedt de informatie-uitwisseling door de tussenkomst van een aan te wijzen centrale instantie. In bijzonder spoedeisende gevallen kan, onder voorbehoud van afwijkende bepalingen van het nationale recht, de informatie-uitwisseling in de zin van dit artikel rechtstreeks tussen de betrokken politiediensten geschieden. De centrale instantie wordt zo spoedig mogelijk hiervan in kennis gesteld.
1.
De Overeenkomstsluitende Partijen kunnen bilateraal tot afspraken komen omtrent detachering voor bepaalde of onbepaalde duur van contactambtenaren van de ene Overeenkomstsluitende Partij bij politiediensten van de andere Overeenkomstsluitende Partij.
2.
Detachering voor bepaalde of onbepaalde duur van contactambtenaren heeft ten doel de samenwerking tussen de Overeenkomstsluitende Partijen te bevorderen en te bespoedigen, in het bijzonder door het verlenen van bijstand:
a. in de vorm van informatie-uitwisseling met het oog op zowel preventieve als repressieve misdaadbestrijding;
b. bij de uitvoering van verzoeken om politiële en justitiële rechtshulp in strafzaken;
c. ten behoeve van de taakuitoefening van de autoriteiten belast met de grensbewaking aan de buitengrenzen.
3.
De contactambtenaren hebben een adviserende en assisterende taak. Zij zijn niet bevoegd tot het zelfstandig uitvoeren van politiële maatregelen. Zij verstrekken inlichtingen en voeren hun opdrachten uit in het kader van de instructies die aan hen zijn gegeven door de Overeenkomstsluitende Partij waarvandaan zij afkomstig zijn en door de Overeenkomstsluitende Partij waar zij zijn gedetacheerd. Zij rapporteren regelmatig aan het hoofd van de politiedienst waarbij zij zijn gedetacheerd.
4.
De Overeenkomstsluitende Partijen kunnen bilateraal of multilateraal overeenkomen dat de in derde Staten gedetacheerde contactambtenaren van een Overeenkomstsluitende Partij tevens de belangen behartigen van één of meer andere Overeenkomstsluitende Partijen. Ingevolge dergelijke afspraken verstrekken de in derde Staten gedetacheerde contactambtenaren desgevraagd of uit eigen beweging gegevens aan de andere Overeenkomstsluitende Partijen en vervullen zij, binnen de grenzen van hun bevoegdheden, opdrachten ten behoeve van deze Partijen.
De Overeenkomstsluitende Partijen informeren elkaar omtrent hun voornemens tot detachering van contactambtenaren in derde Staten.
1.
De bepalingen van dit Hoofdstuk strekken ter aanvulling en vergemakkelijking van de toepassing van het Europees Verdrag van 20 april 1959 aangaande de wederzijdse rechtshulp in strafzaken, onderscheidenlijk - in de relaties tussen de Overeenkomstsluitende Partijen die behoren tot de Benelux Economische Unie Hoofdstuk II van het Benelux-Verdrag van 27 juni 1962 aangaande de uitlevering en de rechtshulp in strafzaken, zoals gewijzigd bij het Protocol van 11 mei 1974.
2.
Het bepaalde in lid 1 doet niet af aan de toepasselijkheid van verdergaande bepalingen van bestaande bilaterale Verdragen, van kracht tussen de Overeenkomstsluitende Partijen.
Artikel 49
Wederzijdse rechtshulp wordt ook verleend ten behoeve van:
a. procedures wegens feiten die volgens het nationale recht van één van beide of beide Overeenkomstsluitende Partijen als vergrijpen tegen voorschriften betreffende de orde door bestuurlijke autoriteiten worden bestraft, mits van hun beslissingen beroep openstaat op een ook in strafzaken bevoegde rechter;
b. procedures inzake aanspraken op schadevergoeding wegens maatregelen die verband houden met een strafvervolging en wegens ongerechtvaardigde veroordelingen;
c. de behandeling van gratieverzoeken;
d. burgerlijke rechtsvorderingen welke in een strafrechtelijke procedure zijn ingesteld, zolang de strafrechter nog niet onherroepelijk in de strafzaak heeft beslist;
e. de betekening van gerechtelijke mededelingen inzake de tenuitvoerlegging van een straf of maatregel, de inning van een geldboete of de betaling van proceskosten;
f. de opschorting van de uitspraak of de tenuitvoerlegging van een straf of maatregel, de voorwaardelijke invrijheidstelling, het uitstel van de tenuitvoerlegging of de schorsing van de tenuitvoerlegging van een straf of maatregel.
1.
De Overeenkomstsluitende Partijen verbinden zich ertoe, overeenkomstig de in artikel 48 genoemde Verdragen, elkaar wederzijds rechtshulp te verlenen bij overtredingen van wettelijke en bestuursrechtelijke voorschriften betreffende de accijnzen, de belasting over de toegevoegde waarde en de douane. Als douanevoorschriften geldt het bepaalde in artikel 2 van de Overeenkomst van 7 september 1967 tussen België, de Bondsrepubliek Duitsland, Frankrijk, Italië, Luxemburg en Nederland inzake de wederzijdse bijstand tussen de onderscheiden douane-administraties, alsmede het bepaalde in artikel 2 van Verordening nr.(EEG) 1468/81 van de Raad van Ministers van 19 mei 1981.
2.
Verzoeken om rechtshulp in wegens ontduiking van accijnzen ingestelde procedures kunnen niet worden afgewezen op grond van het feit, dat in de aangezochte Overeenkomstsluitende Partij geen accijnzen op de in het rechtshulpverzoek genoemde goederen worden geheven.
3.
De verzoekende Overeenkomstsluitende Partij mag de van de aangezochte Overeenkomstsluitende Partij verkregen informatie of bewijsmiddelen slechts ten behoeve van andere dan in de rogatoire commissie vermelde onderzoeken, strafvervolging of procedures mededelen of gebruiken, voor zover de aangezochte Overeenkomstsluitende Partij daartoe voorafgaande toestemming heeft gegeven.
4.
Rechtshulp als bedoeld in dit artikel kan worden geweigerd wanneer het vermoedelijke verminderde of ontdoken bedrag een lagere waarde vertegenwoordigt dan 25.000 ECU, of de vermoedelijke waarde van de op onregelmatige wijze in- of uitgevoerde goederen minder bedraagt dan 100.000 ECU, tenzij de feiten wegens hun aard of de persoon van de dader door de verzoekende Overeenkomstsluitende Partij als zeer ernstig wordt beschouwd.
5.
Het bepaalde in dit artikel is eveneens van toepassing wanneer de gevraagde rechtshulp betrekking heeft op feiten die met een administratieve boete ("Ordnungswidrigkeiten") worden bedreigd, en het verzoek door een justitiële autoriteit wordt gedaan.
Artikel 51
De Overeenkomstsluitende Partijen onderwerpen de inwilligbaarheid van rogatoire commissies strekkende tot huiszoeking en inbeslagneming niet aan verdergaande voorwaarden dan dat:
a. het aan de rogatoire commissie ten grondslag liggende feit naar het recht van beide Overeenkomstsluitende Partijen strafbaar is gesteld met een vrijheidsstraf of een tot vrijheidsbeneming strekkende maatregel met een maximum van tenminste zes maanden, dan wel naar het recht van één van beide Overeenkomstsluitende Partijen strafbaar gesteld met een sanctie met een zelfde maximum en naar het recht van de andere Overeenkomstsluitende Partij als een vergrijp tegen voorschriften betreffende de orde door de bestuurlijke autoriteiten wordt bestraft, mits van hun beslissingen beroep openstaat op een ook in strafzaken bevoegde rechter;
b. de uitvoering van de rogatoire commissie overigens verenigbaar is met het recht van de aangezochte Overeenkomstsluitende Partij.
1.
Iedere Overeenkomstsluitende Partij kan personen die zich op het grondgebied van een andere Overeenkomstsluitende Partij bevinden, gerechtelijke stukken rechtstreeks over de post toezenden. De Overeenkomstsluitende Partijen doen het Uitvoerend Comité mededeling van de lijst van gerechtelijke stukken die aldus kunnen worden verzonden.
2.
Wanneer aannemelijk is dat de geadresseerde niet de taal beheerst waarin het desbetreffende stuk is gesteld, dient dit - althans de essentie daarvan - te worden vertaald in de taal of één der talen van de Overeenkomstsluitende Partij op wier grondgebied de geadresseerde verblijft. Indien de toezendende autoriteit weet dat de geadresseerde slechts een andere taal machtig is, dient het stuk althans de essentie daarvan - te worden vertaald in die andere taal.
3.
De getuige of deskundige die geen gevolg heeft gegeven aan een over de post betekende dagvaarding of oproeping, kan aan geen enkele sanctie of dwangmaatregel worden onderworpen, zelfs niet indien in de dagvaarding of oproeping een verplichting om te verschijnen is vermeld, tenzij de betrokkene zich daarna uit vrije wil op het grondgebied van de verzoekende Overeenkomstsluitende Partij begeeft en hij daar op wettige wijze opnieuw wordt gedagvaard of opgeroepen. Onverminderd het bepaalde in artikel 34 van het Benelux-Verdrag van 27 juni 1962 aangaande de uitlevering en de rechtshulp in strafzaken, zoals gewijzigd bij het Protocol van 11 mei 1974, ziet de toezendende autoriteit erop toe dat in de over de post verzonden dagvaardingen of oproepingen geen verplichting om te verschijnen is vermeld.
4.
Wanneer aan het rechtshulpverzoek een feit ten grondslag ligt dat zowel naar het recht van de aangezochte Overeenkomstsluitende Partij als naar het recht van de verzoekende Overeenkomstsluitende Partij als een vergrijp tegen voorschriften betreffende de orde door de bestuurlijke autoriteiten wordt bestraft, mits van hun beslissingen beroep openstaat op een ook in strafzaken bevoegde rechter, dient bij toezending van gerechtelijke stukken in beginsel overeenkomstig het bepaalde in lid 1 te worden gehandeld.
5.
Onverminderd het bepaalde in lid 1 kan toezending van gerechtelijke stukken door bemiddeling van de justitiële autoriteiten van de aangezochte Overeenkomstsluitende Partij plaatsvinden, wanneer het adres van de persoon voor wie het bestemd is, onbekend is of de verzoekende Overeenkomstsluitende Partij een betekening in persoon verlangt.
1.
Verzoeken om rechtshulp kunnen rechtstreeks tussen de rechterlijke autoriteiten worden gedaan en beantwoord.
2.
Het bepaalde in lid 1 sluit niet uit dat verzoeken tussen de Ministeries van Justitie dan wel door tussenkomst van de nationale centrale bureaus van de Internationale Politie-organisatie (Interpol) worden gedaan en beantwoord.
3.
Verzoeken om tijdelijke overbrenging of doortocht van personen die zich in voorlopige hechtenis bevinden of een vrijheidsstraf ondergaan, dan wel onderworpen zijn aan een tot vrijheidsbeneming strekkende maatregel, alsmede de periodieke of incidentele uitwisseling van gegevens uit de justitiële documentatie, behoeven de tussenkomst van de Ministeries van Justitie.
4.
Voor de Bondsrepubliek Duitsland wordt overeenkomstig het Europees Verdrag van 20 april 1959 aangaande de wederzijdse rechtshulp in strafzaken onder Ministerie van Justitie de Bondsminister van Justitie en de Ministers of Senatoren van Justitie van de deelstaten verstaan.
5.
Aangiften tot het uitlokken van strafvervolging overeenkomstig het bepaalde in artikel 21 van het Europees Verdrag van 20 april 1959 aangaande de wederzijdse rechtshulp in strafzaken, onderscheidenlijk het bepaalde in artikel 42 van het Benelux-Verdrag van 27 juni 1962 aangaande de uitlevering en de rechtshulp in strafzaken, zoals gewijzigd bij het Protocol van 11 mei 1974, wegens overtredingen van de rijtijdenwetgeving kunnen door de justitiële autoriteiten van de verzoekende Overeenkomstsluitende Partij rechtstreeks tot de justitiële autoriteiten van de aangezochte Overeenkomstsluitende Partij worden gericht.
Artikel 54
Een persoon die bij onherroepelijk vonnis door een Overeenkomstsluitende Partij is berecht, kan door een andere Overeenkomstsluitende Partij niet worden vervolgd ter zake van dezelfde feiten, op voorwaarde dat ingeval een straf of maatregel is opgelegd, deze reeds is ondergaan of daadwerkelijk ten uitvoer wordt gelegd, dan wel op grond van de wetten van de veroordelende Overeenkomstsluitende Partij niet meer ten uitvoer gelegd kan worden.
1.
Een Overeenkomstsluitende Partij kan op het tijdstip van bekrachtiging, aanvaarding of goedkeuring van deze Overeenkomst verklaren dat zij in één of meer van de volgende gevallen niet door artikel 54 is gebonden:
a. indien de feiten op grond waarvan in het buitenland vonnis werd gewezen zich geheel of gedeeltelijk op haar eigen grondgebied hebben afgespeeld; in het laatste geval is deze uitzondering niet van toepassing indien de feiten zich gedeeltelijk hebben afgespeeld op het grondgebied van de Overeenkomstsluitende Partij waarin het vonnis werd gewezen;
b. indien de feiten op grond waarvan in het buitenland vonnis werd gewezen een inbreuk vormen op de veiligheid van de Staat of andere even wezenlijke belangen van deze Overeenkomstsluitende Partij;
c. indien de feiten op grond waarvan in het buitenland vonnis werd gewezen, zijn begaan door een ambtenaar van deze Overeenkomstsluitende Partij in strijd met zijn ambtsplichten.
2.
Een Overeenkomstsluitende Partij die een dergelijke verklaring aflegt met betrekking tot één van de in lid 1, onder b., genoemde uitzonderingen, dient de soort van inbreuken aan te geven waarop dergelijke uitzonderingen van toepassing kunnen zijn.
3.
Een Overeenkomstsluitende Partij kan te allen tijde een dergelijke verklaring met betrekking tot één of meer van de in lid 1 genoemde uitzonderingen intrekken.
4.
Uitzonderingen ten aanzien waarvan een verklaring uit hoofde van lid 1 is afgelegd, zijn niet van toepassing wanneer de betrokken Overeenkomstsluitende Partij ter zake van dezelfde feiten de andere Overeenkomstsluitende Partij om vervolging heeft verzocht of heeft ingestemd met de uitlevering van de betrokken persoon.
Artikel 56
Indien door een Overeenkomstsluitende Partij een nieuwe vervolging wordt ingesteld tegen een persoon die ter zake van dezelfde feiten bij onherroepelijk vonnis door een andere Overeenkomstsluitende Partij is berecht, dient iedere periode van vrijheidsbeneming die wegens deze feiten op het grondgebied van laatstgenoemde Partij werd ondergaan op de eventueel op te leggen straf of maatregel in mindering te worden gebracht. Voor zover de nationale wetgeving dit toelaat, wordt tevens rekening gehouden met andere reeds ondergane straffen of maatregelen dan vrijheidsbeneming.
1.
Indien door een Overeenkomstsluitende Partij iemand een strafbaar feit ten laste wordt gelegd en de bevoegde autoriteiten van deze Overeenkomstsluitende Partij redenen hebben om aan te nemen dat de tenlastelegging dezelfde feiten betreft als die ter zake waarvan deze persoon reeds bij onherroepelijk vonnis is berecht door een andere Overeenkomstsluitende Partij, verzoeken deze autoriteiten, indien zij zulks nodig achten, de bevoegde autoriteiten van de Overeenkomstsluitende Partij op wier grondgebied reeds vonnis werd gewezen om de nodige inlichtingen in dezen.
2.
De aldus gevraagde inlichtingen worden zo spoedig mogelijk verstrekt en worden in overweging genomen bij de beslissing of de vervolging dient te worden voortgezet.
3.
Iedere Overeenkomstsluitende Partij wijst op het tijdstip van bekrachtiging, aanvaarding of goedkeuring van deze Overeenkomst de autoriteiten aan die bevoegd zijn de in dit artikel bedoelde inlichtingen te vragen en te ontvangen.
Artikel 58
Bovenstaande bepalingen vormen geen beletsel voor de toepassing van verdergaande nationale bepalingen inzake de regel ne bis in idem in geval van buitenlandse rechterlijke beslissingen.
1.
De bepalingen van dit Hoofdstuk strekken ter aanvulling en vergemakkelijking van de toepassing van het Europees Verdrag van 13 december 1957 betreffende uitlevering, onderscheidenlijk - in de relaties tussen de Overeenkomstsluitende Partijen die behoren tot de Benelux Economische Unie - Hoofdstuk I van het Benelux-Verdrag van 27 juni 1962 aangaande de uitlevering en de rechtshulp in strafzaken, zoals gewijzigd bij het Protocol van 11 mei 1974.
2.
Het bepaalde in lid 1 doet niet af aan de toepasselijkheid van verdergaande bepalingen van bilaterale Verdragen, van kracht tussen de Overeenkomstsluitende Partijen.
Artikel 60
In de verhouding tussen twee Overeenkomstsluitende Partijen, waarvan er één geen Partij is bij het Europees Verdrag van 13 september 1957 betreffende uitlevering, zijn de bepalingen van dat Verdrag toepasselijk, rekening houdend met voorbehouden en verklaringen die zijn afgelegd, hetzij bij de bekrachtiging van dat Verdrag, hetzij - voor Overeenkomstsluitende Partijen die geen Partij zijn bij dat Verdrag - bij de bekrachtiging, aanvaarding of goedkeuring van deze Overeenkomst.
Artikel 61
De Franse Republiek verbindt zich ertoe op verzoek van één der Overeenkomstsluitende Partijen ter fine van strafvervolging uitlevering toe te staan voor feiten die volgens de Franse wetgeving met een vrijheidsstraf of een tot vrijheidsbeneming strekkende maatregel met een maximum van tenminste twee jaren en naar het recht van de verzoekende Overeenkomstsluitende Partij met een vrijheidsstraf of een tot vrijheidsbeneming strekkende maatregel met een maximum van tenminste één jaar zijn strafbaar gesteld.
1.
Op stuiting van de verjaring zijn uitsluitend de voorschriften van de verzoekende Overeenkomstsluitende Partij van toepassing.
2.
Een door de aangezochte Overeenkomstsluitende Partij verleende amnestie vormt geen beletsel voor uitlevering, tenzij het strafbare feit onder de rechtsmacht van deze Partij valt.
3.
Het ontbreken van een klacht of een machtiging tot instelling van strafvordering, welke uitsluitend naar het recht van de aangezochte Overeenkomstsluitende Partij vereist is, laat de verplichting tot uitlevering onverlet.
Artikel 63
De Overeenkomstsluitende Partijen verbinden zich ertoe, overeenkomstig de in artikel 59 genoemde Verdragen, elkaar de personen uit te leveren die door de rechterlijke autoriteiten van de verzoekende Overeenkomstsluitende Partij vervolgd worden wegens de in artikel 50, lid 1, bedoelde feiten, of worden gezocht ter fine van tenuitvoerlegging van een ter zake opgelegde straf of maatregel.
Artikel 64
Een signalering in het Schengen-informatiesysteem als bedoeld in artikel 95 heeft dezelfde kracht als een verzoek tot voorlopige aanhouding als bedoeld in artikel 16 van het Europees Verdrag van 13 september 1957 betreffende de uitlevering, onderscheidenlijk artikel 15 van het Benelux-Verdrag van 27 juni 1962 aangaande de uitlevering en de rechtshulp in strafzaken, zoals gewijzigd bij het Protocol van 11 mei 1974.
1.
Onverminderd de mogelijkheid tot gebruik van de diplomatieke weg worden verzoeken om uitlevering en om doortocht door het bevoegde Ministerie van de verzoekende Overeenkomstsluitende Partij gericht tot het bevoegde Ministerie van de aangezochte Overeenkomstsluitende Partij.
2.
De bevoegde Ministeries zijn:
- voor het Koninkrijk België: het Ministerie van Justitie;
- voor de Bondsrepubliek Duitsland: de Bondsminister van Justitie en de Ministers of Senatoren van Justitie van de deelstaten;
- voor de Franse Republiek: het Ministerie van Buitenlandse Zaken;
- voor het Groothertogdom Luxemburg: het Ministerie van Justitie;
- voor het Koninkrijk der Nederlanden: het Ministerie van Justitie.
1.
Indien de uitlevering van een opgeëiste persoon niet kennelijk naar het recht van de aangezochte Overeenkomstsluitende Partij is uitgesloten, kan deze Partij de uitlevering toestaan zonder dat een formele uitleveringsprocedure plaatsvindt, mits de opgeëiste persoon met zijn uitlevering instemt blijkens een door een lid van de rechterlijke macht opgemaakt proces-verbaal en na een verhoor door deze, waarin hij is voorgelicht over zijn recht op een formele uitleveringsprocedure en waarin hij zich heeft kunnen doen bijstaan door een advocaat.
2.
In geval van uitlevering ingevolge lid 1 kan de opgeëiste persoon die uitdrukkelijk heeft verklaard af te zien van bescherming op grond van het specialiteitsbeginsel, op die verklaring niet terugkomen.
Artikel 67
Tussen de Overeenkomstsluitende Partijen die Partij zijn bij het Verdrag van de Raad van Europa van 21 maart 1983 inzake de overbrenging van gevonniste personen geldt, ter aanvulling van dat Verdrag, de navolgende regeling.
1.
Een Overeenkomstsluitende Partij binnen wier grondgebied bij onherroepelijke uitspraak een vrijheidsstraf of tot vrijheidsbeneming strekkende maatregel is opgelegd aan een onderdaan van een andere Overeenkomstsluitende Partij, die zich door ontvluchting naar zijn eigen land aan de tenuitvoerlegging of verdere tenuitvoerlegging van die straf of maatregel heeftonttrokken, kan aan laatstgenoemde Partij verzoeken om, vvanneer de voortvluchtige op haar grondgebied is of wordt aangetroffen, de tenuitvoerlegging van de straf of maatregel of het restant daarvan over te nemen.
2.
De aangezochte Overeenkomstsluitende Partij kan op verzoek van de verzoekende Overeenkomstsluitende Partij, in afwachting va? de stukken die het verzoek om overname van de tenuitvoerlegging van de straf of maatregel of het restant daarvan ondersteunen en van de daarop te nemen beslissing, de veroordeelde in bewaring nemen of andere maatregelen treffen ter verzekeri?g van zijn aanwezigheid binnen het grondgebied van de aangezochte Overeenkomstsluitende Partij.
Artikel 69
Overdracht van de tenuitvoerlegging op grond van artikel 68 is niet afhankelijk van de instemming van degene aan wie de straf of maatregel is opgelegd. De overige bepalingen van het Verdrag van de Raad van Europa van 21 maart 1983 inzake de overbrenging van gevonniste personen zijn van overeenkomstige toepassing.
1.
De Overeenkomstsluitende Partijen stellen een permanente werkgroep in die tot taak heeft gemeenschappelijke vraagstukken met betrekking tot de bestrijding van de verdovende-middelencriminaliteit te bestuderen en in voorkomend geval voorstellen te doen met het oog op noodzakelijke verbetering van de praktische en technische aspecten van de samenwerking tussen de Overeenkomstsluitende Partijen. Deze werkgroep legt haar voorstellen aan het Uitvoerend Comité voor.
2.
De werkgroep als bedoeld in lid 1 waarvan de leden door de bevoegde nationale instanties worden aangewezen, is in hoofdzaak samengesteld uit vertegenwoordigers van autoriteiten die voor de uitoefening van politie- en douanetaken bevoegd zijn.
1.
De Overeenkomstsluitende Par?ijen verbinden zich ertoe met betrekking tot de onmiddellijke en middellijke aflevering van verdovende middelen en psychotrope stoffen van enige aard, cannabis inbegrepen, alsmede met betrekking tot het bezit van deze middelen of stoffen ter fine van aflevering of uitvoer, met inachtneming van de bestaande Verdragen van de Verenigde Naties *)[1] , alle maatregelen te treffen welke met het oog op het tegengaan van de sluikhandel in verdovende middelen en psychotrope stoffen vereist zijn.
2.
De Overeenkomstsluitende Partijen verbinden zich ertoe de illegale uitvoer van verdovende middelen en psychotrope stoffen van enige aard, cannabis inbegrepen, alsmede de verkoop, verstrekking en aflevering van die middelen en stoffen, bestuurlijk en strafrechtelijk tegen te gaan, onverminderd het bepaalde in de artikelen 74, 75 en 76.
3.
Ter bestrijding van de illegale invoer van verdovende middelen en psychotrope stoffen van enige aard, cannabis inbegrepen, verscherpen de Overeenkomstsluitende Partijen de buitengrenscontroles op het personen- en goederenverkeer en op vervoermiddelen. De nadere uitwerking hiervan geschiedt door de in artikel 70 genoemde werkgroep. Hierbij dient deze in het bijzonder de overplaatsing van een deel van het aan de binnengrenzen vrijkomende politie- en douanepersoneel, alsmede het gebruik van moderne drugsopsporingsmethoden en narcotica-honden in overweging te nemen.
4.
De Overeenkomstsluitende Partijen zullen ter naleving van het bepaalde in dit artikel toezicht houden op in het bijzonder die plaatsen, waarvan algemeen bekend is dat aldaar verdovende middelen worden verhandeld.
5.
Ter beteugeling van de illegale vraag naar verdovende middelen en psychotrope stoffen van enige aard, cannabis inbegrepen, zullen de Overeenkomstsluitende Partijen al het mogelijke doen om de nadelige effecten van de illegale vraag te voorkomen en tegen te gaan. De maatregelen daartoe ressorteren onder de eigen verantwoordelijkheid van elk der Overeenkomstsluitende Partijen.
Artikel 72
Overeenkomstig hun Grondwet en hun nationale rechtsorde dragen de Overeenkomstsluitende Partijen ervoor zorg nationale wettelijke voorzieningen te treffen die inbeslagneming en ontneming van uit illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen verkregen vermogenswinsten mogelijk maken.
1.
Overeenkomstig hun Grondwet en hun nationale rechtsorde verbinden de Overeenkomstsluitende Partijen zich ertoe, dat de gecontroleerde aflevering bij illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen kan worden toegepast.
2.
De beslissing om gecontroleerde aflevering te doen plaatsvinden wordt voor ieder geval afzonderlijk genomen op grond van voorafgaande toestemming van elk der betrokken Overeenkomstsluitende Partijen.
3.
De leiding en de bevoegdheid tot ingrijpen berust bij de autoriteiten van de Overeenkomstsluitende Partij op wier grondgebied de actie plaatsvindt.
Artikel 74
De Overeenkomstsluitende Partijen komen overeen de controles op het legale verkeer van verdovende middelen en psychotrope stoffen op grond van de verplichtingen neergelegd in de Verdragen van de Verenigde Naties, opgesomd in artikel 71, die aan de binnengrenzen worden uitgevoerd, zoveel mogelijk naar het binnenland te verleggen.
1.
In het reizigersverkeer naar of binnen het grondgebied van de Overeenkomstsluitende Partijen mogen personen de ten behoeve van een medische behandeling benodigde verdovende middelen en psychotrope stoffen met zich meevoeren, indien zij bij controle een door een bevoegde autoriteit van de Staat van hun ingezetenschap afgegeven of gewaarmerkte verklaring overleggen.
2.
Vorm en inhoud van de in lid 1 bedoelde verklaring, voor zover afgegeven door één der Overeenkomstsluitende Partijen, en in het bijzonder de gegevens aangaande de aard, hoeveelheid en reisduur, worden door het Uitvoerend Comité vastgesteld.
3.
De Overeenkomstsluitende Partijen stellen elkaar in kennis van de autoriteiten die tot afgifte of waarmerking van de in lid 2 bedoelde verklaring bevoegd zijn.
1.
De Overeenkomstsluitende Partijen treffen in voorkomend geval, met inachtneming van hun medisch, ethisch en praktisch gebruikelijk handelen, passende maatregelen met betrekking tot de controle op verdovende middelen en psychotrope stoffen, welke op het grondgebied van één of meer Overeenkomstsluitende Partijen aan strengere controles dan op het eigen grondgebied zijn onderworpen, opdat aan de doelmatigheid van deze strengere controles geen afbreuk wordt gedaan.
2.
Het bepaalde in lid 1 geldt eveneens voor stoffen welke veelvuldig bij de vervaardiging van verdovende middelen of psychotrope stoffen worden gebruikt.
3.
De Overeenkomstsluitende Partijen wisselen wederzijds informatie uit omtrent de maatregelen welke zij ter uitvoering van het toezicht op het legale verkeer van de in de leden 1 en 2 genoemde middelen en stoffen treffen.
4.
Het Uitvoerend Comité pleegt regelmatig overleg omtrent de zich hierbij voordoende problemen.
1.
De Overeenkomstsluitende Partijen verbinden zich ertoe de nationale wettelijke en bestuurlijke bepalingen aangaande het verwerven, het voorhanden hebben, de verkoop en de overdracht van vuurwapens en munitie aan de bepalingen van dit Hoofdstuk aan te passen.
2.
Dit Hoofdstuk geldt voor het verwerven, het voorhanden hebben, de verkoop en de overdracht van vuurwapens en munitie door natuurlijke en rechtspersonen; het geldt niet voor de levering aan, de verwerving en het voorhanden hebben door de centrale en territoriale overheden, de strijdkrachten en de politie en evenmin voor de fabricage van vuurwapens en munitie door overheidsbedrijven.
1.
De vuurwapens worden voor de toepassing van dit Hoofdstuk als volgt onderverdeeld:
a. verboden wapens;
b. vergunningplichtige wapens;
c. aangifteplichtige wapens.
2.
Ten aanzien van het afsluitmechanisme, het magazijn en de loop van de vuurwapens vinden de voorschriften die gelden voor het voorwerp waarvan zij een bestanddeel vormen of zullen vormen, op overeenkomstige wijze toepassing.
3.
In de zin van dit Hoofdstuk worden onder korte wapens verstaan de vuurwapens waarvan de loop niet langer is dan dertig centimeter of waarvan de totale lengte niet meer dan zestig centimeter bedraagt. Onder lange wapens worden alle andere vuurwapens verstaan.
1.
De lijst van verboden vuurwapens en munitie omvat onderstaande voorwerpen:
a. de gewoonlijk als oorlogswapens gebruikte vuurwapens ;
b. automatische vuurwapens, ook indien het geen oorlogsvuurwapens zijn;
c. camouflage-vuurwapens;
d. munitie waarmee een pantserplaat kan worden doorboord, munitie met springlading of brandsas, alsmede de kogels voor deze munitie;
e. munitie voor pistolen en revolvers met dumdumkogels of hollepuntkogels, alsmede de kogels voor deze munitie.
2.
De bevoegde autoriteiten kunnen in individuele gevallen vergunning verlenen voor de in lid 1 genoemde vuurwapens en munitie voor zover zulks niet in strijd is met overwegingen van openbare orde en veiligheid.
1.
De lijst van vuurwapens voor het verwerven en voorhanden hebben waarvan een vergunning vereist is, omvat ten minste onderstaande vuurwapens, voor zover deze niet verboden zijn:
a. korte semi-automatische of korte repeteervuurwapens;
b. korte enkelschotsvuurwapens met centrale ontsteking;
c. korte enkelschotsvuurwapens met randvuurontsteking met een totale lengte van minder dan achtentwintig centimeter;
d. lange semi-automatische vuurwapens waarvan het magazijn en de kamer meer dan drie patronen kunnen bevatten;
e. lange repeteer- en semi-automatische vuurwapens met een gladde loop, welke ten hoogste zestig centimeter lang is;
f. civiele semi-automatische vuurwapens die het uiterlijk hebben van automatische oorlogsvuurwapens.
2.
Onderstaande vuurwapens behoren niet tot de lijst van vergunningplichtige vuurwapens:
a. alarm-, gas- en signaalwapens voor zover hierbij door middel van technische voorzieningen gegarandeerd is dat zij met algemeen gangbare werktuigen niet kunnen worden omgebouwd tot wapens waarmee scherpe munitie kan worden verschoten en het verschieten van een prikkelende stof geen blijvend lichamelijk letsel kan veroorzaken;
b. lange semi-automatische vuurwapens waarvan het magazijn en de kamer niet meer dan drie patronen kunnen bevatten zonder dat zij opnieuw geladen worden, voor zover het magazijn niet verwisselbaar is of kan worden gegarandeerd dat zij met algemeen gangbare werktuigen niet kunnen worden omgebouwd tot wapens waarvan het magazijn en de kamer meer dan drie patronen kunnen bevatten.
Artikel 81
De lijst van aangifteplichtige vuurwapens omvat onderstaande wapens, voor zover deze niet verboden, noch onderworpen aan een vergunning zijn:
a. lange repeteervuurwapens;
b. lange enkelschotsvuurwapens met getrokken loop of lopen;
c. korte enkelschotsvuurwapens met randvuurontsteking met een totale lengte van meer dan achtentwintig centimeter;
d. de in artikel 80, lid 2, onder b., genoemde wapens.
Artikel 82
De lijsten van de in de artikelen 79, 80 en 81 genoemde wapens omvatten niet:
a. de vuurwapens waarvan het model of het fabricagejaar, behoudens uitzondering, van vóór 1 januari 1870 dateren, op voorwaarde dat zij niet geschikt zijn voor het verschieten van munitie, welke bestemd is voor verboden of vergunningplichtige vuurwapens;
b. de reprodukties van de onder a. genoemde vuurwapens, op voorwaarde dat hiermee geen patronen met een metalen huls kunnen worden verschoten;
c. de vuurwapens die voor het verschieten van ongeacht welke munitie ongeschikt zijn gemaakt door toepassing van technische voorzieningen die door middel van het kenmerk van een officiële instantie zijn gegarandeerd, dan wel door een dergelijke instantie zijn erkend.
Artikel 83
Een vergunning voor het verwerven en voorhanden hebben van een in artikel 80 bedoeld vuurwapen mag slechts worden verleend op voorwaarde dat:
a. betrokkene ten minste achttien jaar oud is, behoudens uitzonderingen voor jacht- of sportdoeleinden;
b. betrokkene niet wegens geestesziekte of wegens andere mentale of lichamelijke stoornissen ongeschikt is een vuurwapen te verwerven of voorhanden te hebben;
c. betrokkene niet wegens een strafbaar feit werd veroordeeld of geacht kan worden op grond van andere aanwijzingen een gevaar voor de openbare orde of veiligheid op te leveren;
d. door betrokkene opgegeven reden voor het verwerven of voorhanden hebben van vuurwapens als gegrond aangemerkt kan worden.
1.
Aangifte van de in artikel 81 bedoelde vuurwapens wordt ingeschreven in een register, dat door de in artikel 85 bedoelde personen wordt bijgehouden.
2.
Wanneer een wapen door een niet in artikel 85 bedoelde persoon wordt overgedragen, dient volgens door iedere Overeenkomstsluitende Partij vast te stellen regels hiervan aangifte te worden gedaan.
3.
De in dit artikel bedoelde aangifte dient de gegevens te behelzen die voor identificatie van de betrokken personen en wapens noodzakelijk zijn.
1.
De Overeenkomstsluitende Partijen verbinden zich ertoe de fabrikanten en handelaars van vergunningplichtige vuurwapens en de fabrikanten en handelaars van aangifteplichtige vuurwapens aan een vergunningplicht, onderscheidenlijk aangifteplicht te onderwerpen. De vergunning voor de vergunningplichtige vuurwapens is eveneens geldig voor de aangifteplichtige vuurwapens. De Overeenkomstsluitende Partijen onderwerpen de wapenfabrikanten en wapenhandelaars aan een zodanig toezicht dat een afdoende controle is gewaarborgd.
2.
De Overeenkomstsluitende Partijen verbinden zich ertoe voorschriften vast te stellen op grond waarvan alle vuurwapens duurzaam van ten minste een identificerend serienummer, alsmede van het merk van de fabrikant moeten zijn voorzien.
3.
De Overeenkomstsluitende Partijen verplichten de fabrikanten en handelaars tot registratie van alle vergunning- en aangifteplichtige vuurwapens. Aan de hand van deze registers moeten de aard, de herkomst en de kopers van de vuurwapens snel kunnen worden getraceerd.
4.
De Overeenkomstsluitende Partijen verbinden zich ertoe met betrekking tot de in de artikelen 79 en 80 bedoelde vergunningen voor te schrijven dat het identificerend nummer en het merk van het vuurwapen in de aan de houder verleende vergunning worden vermeld.
1.
De Overeenkomstsluitende Partijen verbinden zich ertoe bepalingen vast te stellen op grond waarvan het de rechtmatige bezitters van aan vergunning- of aangifteplicht onderworpen vuurwapens verboden is deze over te dragen aan personen die niet tot het verwerven gemachtigd zijn of niet over een aangiftebewijs beschikken.
2.
De Overeenkomstsluitende Partijen kunnen het tijdelijk ter hand stellen van deze vuurwapens volgens door hen vast te stellen regels toestaan.
1.
De Overeenkomstsluitende Partijen voeren in hun nationale wetgeving een regeling in op grond waarvan de vergunningen kunnen worden ingetrokken voor personen die niet meer aan de in artikel 83 bedoelde voorwaarden voor het verlenen van een vergunning voldoen.
2.
De Overeenkomstsluitende Partijen verbinden zich ertoe passende maatregelen, met inbegrip van inbeslagneming van het vuurwapen en de intrekking van de vergunning, te treffen, alsmede de overtreding van de wettelijke en andere bepalingen aangaande vuurwapens op passende wijze strafbaar te stellen. Verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer van de vuurwapens kan hierbij als sanctie in aanmerking worden genomen.
1.
De personen die houder zijn van een vergunning voor het verwerven van een vuurwapen, behoeven geen houder te zijn van een vergunning voor het verwerven van de voor deze wapens bestemde munitie.
2.
Voor het verwerven van munitie door personen die geen houder zijn van een vergunning voor het verwerven van wapens, geldt een overeenkomstige regeling als voor het wapen waarvoor deze munitie is bestemd. De vergunning kan worden verleend voor één enkele soort of voor alle soorten munitie.
Artikel 89
De lijsten van verboden, vergunningplichtige en aangifteplichtige vuurwapens kunnen door het Uitvoerend Comité worden gewijzigd of aangevuld, ten einde met de technische en de economische ontwikkelingen, alsmede met die op het gebied van de veiligheid van de Staat rekening te houden.
Artikel 90
De Overeenkomstsluitende Partijen hebben het recht strengere wetten of voorschriften betreffende vuurwapens en munitie vast te stellen.
1.
De Overeenkomstsluitende Partijen verbinden zich ertoe, op de grondslag van de Europese Overeenkomst van 28 juni 1978 betreffende de controle aangaande het verwerven en voorhanden hebben van vuurwapens door particulieren, om, met inachtneming van de nationale wetgeving, een informatie-uitwisseling tot stand te brengen omtrent het verwerven van vuurwapens door personen - particulieren of detailwapenhandelaren - die hun normale verblijfplaats of zetel op het grondgebied van een andere Overeenkomstsluitende Partij hebben. Onder detailwapenhandelaar wordt verstaan iedere persoon wiens beroepswerkzaamheden geheel of ten dele bestaan uit de detailhandel van vuurwapens.
2.
De informatie-uitwisseling omvat:
a. tussen twee Overeenkomstsluitende Partijen die de in lid 1 genoemde Overeenkomst hebben bekrachtigd, de vuurwapens die opgenomen zijn in bijlage 1, onderdeel A nr. 1, letters a tot en met h van de bedoelde Overeenkomst;
b. tussen twee Overeenkomstsluitende Partijen waarvan tenminste één de in lid 1 genoemde Overeenkomst niet heeft bekrachtigd, de wapens die in elk der Overeenkomstsluitende Partijen zijn onderworpen aan een vergunning- of aangifteplicht.
3.
De informatie omtrent het verwerven van vuurwapens zal zo spoedig mogelijk worden doorgegeven en de navolgende gegevens omvatten:
a. de datum van verwerving en de identiteit van de persoon die het vuurwapen verwerft, en wel:
- wanneer het een natuurlijke persoon betreft: naam, voornamen, geboorteplaats en -datum, adres, nummer van zijn paspoort of identiteitskaart, alsmede datum van afgifte en aanduiding van de autoriteit die deze heeft afgegeven, wapenhandelaar of niet;
- wanneer het een rechtspersoon betreft: de naam of handelsnaam en de zetel alsmede de naam, voornamen, geboorteplaats en -datum, adres en nummer van het paspoort of de identiteitskaart van de persoon die bevoegd is de rechtspersoon te vertegenwoordigen.
b. model, fabricagenummer, kaliber en andere identificerende kenmerken van het desbetreffende vuurwapen, alsmede het identificatienummer.
4.
Iedere Overeenkomstsluitende Partij wijst een nationale autoriteit aan die de in de leden 2 en 3 bedoelde informatie verzendt en ontvangt, en stelt onverwijld de overige Overeenkomstsluitende Partijen in kennis van iedere wijziging terzake van de aangewezen autoriteit.
5.
De door iedere Overeenkomstsluitende Partij aangewezen autoriteit is bevoegd de aan haar toegezonden informatie door te geleiden aan de bevoegde plaatselijke politie-autoriteiten en grensbewakingsautoriteiten met het oog op het voorkomen of vervolgen van strafbare feiten en administratieve delicten.
1.
De Overeenkomstsluitende Partijen richten in en onderhouden een gemeenschappelijk informatiesysteem, hierna te noemen Schengen-informatiesysteem, dat bestaat uit een nationaal deel bij elk der Overeenkomstsluitende Partijen en een technisch ondersteunende functie. Door middel van het Schengen-informatiesysteem staan signaleringen van personen en voorwerpen via geautomatiseerde bevraging ter beschikking van de door de Overeenkomstsluitende Partijen aangewezen autoriteiten bij de uitoefening, naar nationaal recht, van grenscontroles aan de buitengrens en andere politie- en douanecontroles in het binnenland, alsmede, voor zover het uitsluitend de in artikel 96 bedoelde categorie van signaleringen betreft, ten behoeve van de visumverleningsprocedure, de afgifte van verblijfstitels en de toepassing van het vreemdelingenrecht uit hoofde van de bepalingen van deze Overeenkomst inzake het personenverkeer.
2.
Elk der Overeenkomstsluitende Partijen richt in en onderhoudt, voor haar rekening en risico, haar nationale deel van het Schengeninformatiesysteem waarvan het gegevensbestand door gebruikmaking van de technisch ondersteunende functie inhoudelijk identiek is aan het gegevensbestand van het nationale deel van elke andere Overeenkomstsluitende Partij. Ten einde de in lid 3 van dit artikel bedoelde overdracht van informatie op snelle en efficiënte wijze te doen plaatsvinden, conformeert elke Overeenkomstsluitende Partij zich bij de inrichting van haar nationale deel aan de door de Overeenkomstsluitende Partijen gemeenschappelijk vastgestelde protocollen en procedures ten aanzien van de technisch ondersteunende functie. Het gegevensbestand van elk nationaal deel strekt, binnen het grondgebied van de onderscheiden Overeenkomstsluitende Partijen, tot geautomatiseerde bevraging. Bevraging van het gegevensbestand van het nationale deel van andere Overeenkomstsluitende Partijen wordt uitgesloten.
3.
De Overeenkomstsluitende Partijen richten in en onderhouden, voor gemeenschappelijke rekening en risico, de technisch ondersteunende functie van het Schengen-informatiesysteem. De Franse Republiek is verantwoordelijk voor de technisch ondersteunende functie; deze wordt ingericht in Straatsburg. De technisch ondersteunende functie omvat een gegevensbestand waarmee de gegevensbestanden van de nationale delen door de on-line overdracht van informatie identiek gehouden worden. In het gegevensbestand van de technisch ondersteunende functie worden signaleringen van personen en voorwerpen opgenomen, voor zover deze tot alle Overeenkomstsluitende Partijen zijn gericht. Het bestand van de technisch ondersteunende functie bevat, afgezien van het bepaalde in dit artikel en het bepaalde in artikel 113, lid 2, geen verdere gegevens.
Artikel 93
Het Schengen-informatiesysteem heeft tot doel, in overeenstemming met het bepaalde in deze Overeenkomst, binnen het grondgebied van de Overeenkomstsluitende Partijen met behulp van de via dit systeem verstrekte informatie de openbare orde en veiligheid, met inbegrip van de veiligheid van de Staat en de toepassing van de bepalingen inzake het personenverkeer van deze Overeenkomst, te doen handhaven.
1.
Het Schengen-informatiesysteem bevat uitsluitend de door elk der Overeenkomstsluitende Partijen aangeleverde categorieën van gegevens die voor de in de artikelen 95 tot en met 100 genoemde doeleinden noodzakelijk zijn. De signalerende Overeenkomstsluitende Partij gaat na, of het belang van de zaak opneming van de signalering in het Schengen-informatiesysteem rechtvaardigt.
2.
De categorieën van gegevens zijn:
a. de gesignaleerde personen;
b. de in artikel 100 genoemde voorwerpen en de in artikel 99 genoemde voertuigen.
3.
Voor personen worden hooguit onderstaande gegevens opgenomen:
a. naam en voornaam, in voorkomend geval een alias afzonderlijk;
b. bijzondere onveranderlijke en objectieve fysieke kenmerken;
c. voorletter van de tweede voornaam;
d. geboorteplaats en-datum;
e. geslacht;
f. nationaliteit;
g. bejegeningsgegevens „gewapend";
h. bejegeningsgegevens „gewelddadig";
i. reden van signalering;
j. de te nemen actie.
Andere gegevens, in het bijzonder de gegevens die zijn genoemd in artikel 6, eerste volzin, van het Verdrag van de Raad van Europa van 28 januari 1981 tot bescherming van het individu in verband met de geautomatiseerde registratie van persoonsgegevens, mogen niet worden opgenomen.
4.
Wanneer een Overeenkomstsluitende Partij een signalering overeenkomstig de artikelen 95, 97 of 99 in strijd acht met haar nationale recht, internationale verplichtingen of wezenlijke nationale belangen, kan zij alsnog de signalering in het bestand van haar nationale deel van het Schengen-informatiesysteem doen markeren, zodat de gevraagde actie op haar grondgebied niet wordt uitgevoerd op grond van signalering. Met de overige Overeenkomstsluitende Partijen dient hierover overleg te worden gepleegd. Indien de signalerende Overeenkomstsluitende Partij de signalering niet intrekt, blijft voor de overige Overeenkomstsluitende Partijen de signalering onverminderd van kracht.
1.
Gegevens over personen om wier aanhouding ter fine van uitlevering wordt verzocht, worden op verzoek van de justitiële autoriteiten van de verzoekende Overeenkomstsluitende Partij opgenomen.
2.
Vóór de signalering gaat de signalerende Overeenkomstsluitende Partij na of aanhouding op grond van het nationale recht van de aangezochte Overeenkomstsluitende Partijen is toegestaan. Wanneer de signalerende Overeenkomstsluitende Partij twijfel heeft, is zij verplicht de betrokken Overeenkomstsluitende Partijen vooraf te raadplegen. Gelijktijdig met de signalering doet de signalerende Overeenkomstsluitende Partij de aangezochte Overeenkomstsluitende Partijen zo spoedig mogelijk mededeling van onderstaande informatie, welke voor de ten grondslag liggende feiten van wezenlijk belang is:
a. de om aanhouding verzoekende autoriteit;
b. het bestaan van een bevel tot aanhouding of van een akte die dezelfde kracht heeft, of van een voor tenuitvoerlegging vatbaar vonnis;
c. de aard en de wettelijke omschrijving van het strafbaar feit;
d. een omschrijving van de omstandigheden waaronder het strafbaar feit is begaan, met inbegrip van tijd, plaats en de mate van betrokkenheid van de gesignaleerde persoon bij het strafbaar feit;
e. voor zover mogelijk de gevolgen van het strafbaar feit.
3.
Een aangezochte Overeenkomstsluitende Partij kan de signalering in het bestand van haar nationale deel van het Schengen-informatiesysteem doen markeren, zodat tot op het tijdstip van verwijdering van de markering niet op grond van de signalering tot aanhouding wordt overgegaan. De markering dient uiterlijk vierentwintig uren na opneming van de signalering te worden verwijderd, tenzij de desbetreffende Partij de gevraagde aanhouding om juridische of bijzondere opportuniteitsredenen afwijst. Bij hoge uitzondering kan wegens het complexe karakter van de aan de signalering ten grondslag liggende feiten deze termijn tot een week worden uitgebreid. Ongeacht een markering of afwijzende beslissing blijven de overige Overeenkomstsluitende Partijen bevoegd de door middel van de signalering gevraagde aanhouding te verrichten.
4.
Wanneer een Overeenkomstsluitende Partij wegens bijzondere spoed om onmiddellijke opsporing verzoekt, gaat de aangezochte Overeenkomstsluitende Partij na of zij van markering kan afzien. De aangezochte Overeenkomstsluitende Partij treft de nodige voorzieningen, opdat in geval van instemming met de signalering aan de gevraagde aanhouding onverwijld uitvoering kan worden gegeven.
5.
Wanneer aanhouding wegens een nog niet-beëindigde toetsing of wegens een afwijzende beslissing door een aangezochte Overeenkomstsluitende Partij niet mogelijk is, dient deze de signalering als een signalering ter fine van mededeling van de verblijfplaats te behandelen.
6.
De aangezochte Overeenkomstsluitende Partijen geven uitvoering aan de op grond van de signalering gevraagde actie overeenkomstig de geldende uitleveringsverdragen en met inachtneming van het nationale recht. Zij zijn niet tot uitvoering van de gevraagde actie verplicht wanneer de gesignaleerde persoon een eigen onderdaan is, daargelaten de mogelijkheid om naar nationaal recht zelf tot aanhouding over te gaan.
1.
Gegevens over vreemdelingen die ter fine van weigering van toegang worden gesignaleerd, worden opgenomen op grond van een nationale signalering ingevolge een door de bevoegde administratieve of strafrechtelijke autoriteiten met inachtneming van de nationale wettelijke procedurevoorschriften genomen beslissing.
2.
De beslissingen kunnen zijn gegrond op het gevaar voor de openbare orde en veiligheid of de nationale veiligheid dat de aanwezigheid van een vreemdeling op het nationale grondgebied kan opleveren.
Dit kan in het bijzonder het geval zijn bij:
a. een vreemdeling die is veroordeeld wegens een strafbaar feit dat met een vrijheidsstraf van ten minste één jaar is strafbaar gesteld;
b. een vreemdeling te wiens aanzien er een ernstig vermoeden bestaat dat hij zware misdrijven, waaronder die bedoeld in artikel 71 heeft gepleegd, of te wiens aanzien er concrete aanwijzingen zijn dat hij voornemens is dergelijke misdrijven of feiten op het grondgebied van een Overeenkomstsluitende Partij te plegen.
3.
De beslissingen kunnen eveneens zijn gegrond op het feit dat ten aanzien van de vreemdeling een niet-opgeschorte of niet-ingetrokken maatregel tot verwijdering, terugwijzing of uitwijzing is genomen die een verbod op binnenkomst, of in voorkomend geval, een verbod op verblijf behelst of daarvan vergezeld gaat, om reden van overtreding van de nationale bepalingen inzake de binnenkomst en het verblijf van vreemdelingen.
Artikel 97
Gegevens over vermiste personen of personen die ter bescherming van zichzelf of ter voorkoming van gevaar op last van de bevoegde autoriteit of van de bevoegde rechter van de signalerende Overeenkomstsluitende Partij voorlopig in bewaring moeten worden gesteld, worden opgenomen, opdat de politie-autoriteiten aan de signalerende Overeenkomstsluitende Partij de verblijfplaats mededelen, dan wel de persoon in bewaring kunnen stellen, ten einde verdere doorreis te beletten, voor zover dit op grond van het nationale recht is toegestaan. Dit geldt in het bijzonder voor minderjarigen en voor personen die op last van een bevoegde autoriteit tegen hun wil in een inrichting moeten worden opgenomen. Bij vermiste meerderjarigen is voor mededeling de instemming van de betrokken persoon vereist.
1.
Gegevens over getuigen, alsmede over personen die door de justitiële autoriteiten in het kader van een strafprocedure zijn opgeroepen wegens feiten waarvoor zij worden vervolgd, dan wel personen aan wie een vonnis of een oproep tot het ondergaan van een vrijheidsstraf dient te worden betekend, worden op verzoek van de bevoegde justitiële autoriteiten opgenomen ter fine van mededeling van de woon- of verblijfplaats.
2.
De verzochte informatie wordt aan de verzoekende Overeenkomstsluitende Partij volgens het nationale recht en de geldende verdragen inzake rechtshulp in strafzaken medegedeeld.
1.
Gegevens over personen of voertuigen worden met inachtneming van het nationale recht van de signalerende Overeenkomstsluitende Partij hetzij ter fine van onopvallende, hetzij ter fine van gerichte controle overeenkomstig het bepaalde in lid 5 opgenomen.
2.
Een dergelijke signalering is toegestaan met het oog op het beletten van strafbare feiten en ter voorkoming van gevaar voor de openbare veiligheid, indien
a. er concrete aanwijzingen zijn, op grond waarvan kan worden aangenomen dat de betrokken persoon in aanzienlijke mate bijzonder ernstige misdrijven beraamt of pleegt, dan wel
b. de algemene beoordeling van de betrokken persoon, vooral op grond van de door hem gepleegde strafbare feiten, doet verwachten dat hij bijzonder ernstige misdrijven zal blijven plegen.
3.
Voorts is signalering, voor zover dat krachtens het nationale recht is toegestaan, op verzoek van de voor de veiligheid van de Staat bevoegde diensten mogelijk, indien er concrete aanwijzingen voor bestaan dat de in lid 4 genoemde gegevens met het oog op de voorkoming van een ernstige, van de desbetreffende persoon uitgaande bedreiging, dan wel van andere ernstige gevaren voor de interne of externe veiligheid van de Staat noodzakelijk zijn. De signalerende Overeenkomstsluitende Partij is verplicht de overige Overeenkomstsluitende Partijen vooraf te raadplegen.
4.
Op basis van de onopvallende controle kunnen bij grenscontroles of andere politie- en douanecontroles in het binnenland de onderstaande gegevens of een deel daarvan worden verzameld en aan de signalerende autoriteit worden medegedeeld:
a. aantreffen van de gesignaleerde persoon of van het gesignaleerde voertuig;
b. plaats, tijd van of aanleiding voor de controle;
c. reisroute en bestemming;
d. begeleidende personen of inzittenden;
e. gebruikt voertuig;
f. meegenomen voorwerpen;
g. omstandigheden waaronder de persoon of het voertuig zijn aangetroffen.
Bij het verzamelen van deze gegevens dient er op te worden toegezien dat het onopvallende karakter van de controle niet in het gedrang komt.
5.
Bij de in lid 1 genoemde gerichte controle kunnen met inachtneming van de nationale wetgeving voor het bereiken van de in de leden 2 en 3 genoemde doelstellingen de personen, voertuigen of meegenomen voorwerpen worden onderzocht. Voor zover gerichte controle naar het recht van een Overeenkomstsluitende Partij niet is toegestaan, wordt deze vorm van controle door deze Partij automatisch in een verzoek tot onopvallende controle omgezet.
6.
Een aangezochte Overeenkomstsluitende Partij kan de signalering in het bestand van haar nationale deel van het Schengen-informatiesysteem doen markeren, zodat tot op het tijdstip van verwijdering van de markering niet op grond van de signalering ter fine van onopvallende of gerichte controle tot actie wordt overgegaan. De markering dient uiterlijk vierentwintig uren na opneming van de signalering te worden verwijderd, tenzij de desbetreffende Partij de gevraagde actie om juridische of bijzondere opportuniteitsredenen afwijst. Ongeacht een markering of afwijzende beslissing blijven de overige Overeenkomstsluitende Partijen bevoegd om de door middel van de signalering gevraagde actie te verrichten.
1.
Gegevens over voorwerpen die met het oog op inbeslagneming of als bewijsmiddel in een strafprocedure worden gezocht, worden in het Schengen-informatiesysteem opgenomen.
2.
Blijkt uit een bevraging dat er met betrekking tot een aangetroffen voorwerp een signalering bestaat, dan neemt de autoriteit die zulks heeft geconstateerd, contact op met de signalerende autoriteit, ten einde de nodige maatregelen overeen te komen. Daartoe mogen overeenkomstig deze Overeenkomst eveneens persoonsgegevens worden verstrekt. De Overeenkomstsluitende Partij op wier grondgebied het voorwerp is aangetroffen, neemt de nodige maatregelen overeenkomstig het nationaal recht.
3.
Onderstaande categorieën van voorwerpen worden opgenomen:
a. gestolen, verduisterde of anderszins vermiste motorvoertuigen met een cylinderinhoud van meer dan 50 cc;
b. gestolen, verduisterde of anderszins vermiste aanhangers en caravans met een ledig gewicht van meer dan 750 kg;
c. gestolen, verduisterde of anderszins vermiste vuurwapens;
d. gestolen, verduisterde of anderszins vermiste blanco documenten;
e. gestolen, verduisterde of anderszins vermiste op naam gestelde identiteitsdocumenten (paspoorten, identiteitskaarten, rijbewijzen);
f. identificeerbare bankbiljetten.
1.
Uitsluitend de autoriteiten die verantwoordelijk zijn voor
a. grenscontroles,
b. andere politie- en douanecontroles in het binnenland, en de uitoefening van coördinerende functies terzake,
verkrijgen toegang tot de in het Schengen-informatiesysteem opgenomen gegevens en zijn tot directe bevraging bevoegd.
2.
Bovendien komt de toegang tot directe bevraging van de gegevens bedoeld in artikel 96 toe aan de voor de visumverlening bevoegde autoriteiten, de voor de behandeling van de visumaanvragen verantwoordelijke centrale autoriteiten, de voor afgifte van verblijfstitels bevoegde autoriteiten, alsmede aan de vreemdelingendiensten ten behoeve van de toepassing van de bepalingen van deze Overeenkomst inzake het personenverkeer. De toegang tot de gegevens wordt overeenkomstig het nationaal recht van iedere Overeenkomstsluitende Partij geregeld.
3.
De gebruikers mogen slechts de gegevens bevragen die voor het vervullen van hun taak noodzakelijk zijn.
4.
Iedere Overeenkomstsluitende Partij doet het Uitvoerend Comité mededeling van de lijst van bevoegde autoriteiten die tot directe bevraging van de in het Schengen-informatiesysteem opgenomen gegevens gemachtigd zijn; hierbij worden voor elk der autoriteiten de gegevens vermeld welke voor de uitoefening van haar taak voor bevraging toegankelijk zijn.
1.
De Overeenkomstsluitende Partijen mogen de in de artikelen 95 tot en met 100 voorziene gegevens slechts gebruiken voor het doel waarvoor de daarin bedoelde signaleringen zijn gedaan.
2.
De gegevens mogen slechts voor technische doeleinden worden verveelvoudigd, voor zover dit voor directe bevraging door de autoriteiten als bedoeld in artikel 101 noodzakelijk is. Signaleringen van andere Overeenkomstsluitende Partijen mogen niet uit het bestand van het nationale deel van het Schengen-informatiesysteem in andere nationale gegevensbestanden worden overgenomen.
3.
Afwijking van het bepaalde in lid 1 is slechts toegestaan, voor zover de door middel van een bepaalde signalering verstrekte gegevens worden gebruikt voor doelstellingen welke met signalering uit hoofde van één der artikelen 95 tot en met 100 kunnen worden beoogd en indien dit voor het voorkomen van een ernstig en onmiddellijk dreigend gevaar voor de openbare orde en veiligheid of om ernstige redenen verband houdende met de veiligheid van de Staat, dan wel ter voorkoming van een ernstig strafbaar feit noodzakelijk is. Daartoe dient vooraf de toestemming van de signalerende Overeenkomstsluitende Partij te worden verkregen.
4.
De gegevens mogen in geen geval voor administratieve doeleinden worden gebruikt. In afwijking daarvan mogen de overeenkomstig artikel 96 opgenomen gegevens naar het nationale recht van iedere Overeenkomstsluitende Partij slechts voor de uit artikel 101, lid 2, voortvloeiende doeleinden worden gebruikt.
5.
Gebruik dat in strijd is met het bepaalde in de leden 1 tot en met 4 wordt naar nationaal recht aangemerkt als afwijking van doelbinding.
1.
Niettegenstaande artikel 92, lid 1, artikel 100, lid 1, artikel 101, leden 1 en 2, en artikel 102, leden 1, 4 en 5, hebben de diensten die in de lidstaten belast zijn met de afgifte van kentekenbewijzen voor motorvoertuigen zoals bedoeld in Richtlijn 1999/37/EG van de Raad van 29 april 1999 inzake de kentekenbewijzen van motorvoertuigen [2] , recht op toegang tot de volgende gegevens in het Schengeninformatiesysteem enkel en alleen om na te gaan of voertuigen die ter registratie worden aangemeld, niet gestolen, verduisterd of anderszins vermist zijn:
a. gegevens over gestolen, verduisterde of anderszins vermiste motorvoertuigen met een cilinderinhoud van meer dan 50 cc;
b. gegevens over gestolen, verduisterde of anderszins vermiste aanhangers en caravans met een ledig gewicht van meer dan 750 kg;
c. gegevens over gestolen, verduisterde, anderszins vermiste of ongeldig gemaakte voertuigregistratiebewijzen en voertuigkentekenplaten;
Onverminderd lid 2 wordt de toegang tot deze gegevens voor deze diensten geregeld bij nationaal recht.
2.
Als in lid 1 bedoelde diensten overheidsdiensten zijn, hebben zij het recht de in dat lid genoemde gegevens in het Schengeninformatiesysteem rechtstreeks te bevragen.
Als in lid 1 bedoelde diensten geen overheidsdiensten zijn, hebben zij alleen toegang tot de in dat lid genoemde gegevens in het Schengeninformatiesysteem via een autoriteit in de zin van artikel 101, lid 1. Die autoriteit heeft het recht de gegevens rechtstreeks te bevragen en ze aan die diensten door te geven.
De betrokken lidstaat ziet erop toe dat die diensten en de werknemers daarvan verplicht zijn eventuele beperkingen ten aanzien van het gebruik van de gegevens die door de openbare autoriteit worden verstrekt, in acht te nemen.
3.
Artikel 100, lid 2, is niet van toepassing op de bevraging van gegevens overeenkomstig de bepalingen van dit artikel. Op de melding aan de politiële of justitiële autoriteiten van informatie die bij bevraging van het Schengeninformatiesysteem aan het licht is gekomen en op grond waarvan een strafbaar feit wordt vermoed door de in lid 1 bedoelde diensten, is het nationale recht van toepassing.
4.
Na de bij artikel 115 van deze overeenkomst opgerichte gemeenschappelijke controleautoriteit te hebben geraadpleegd over de regels inzake gegevensbescherming, brengt de Raad jaarlijks verslag uit aan het Europees Parlement over de toepassing van dit artikel. Dit verslag bevat informatie en statistische gegevens betreffende het gebruik en de resultaten van de toepassing van dit artikel en geeft aan hoe de regels voor de gegevensbescherming zijn toegepast.
Artikel 103
Elk der Overeenkomstsluitende Partijen waarborgt, dat gemiddeld iedere tiende verstrekking van persoonsgegevens door de bewerker in het nationale deel van het Schengen-informatiesysteem wordt vastgelegd met het oog op controle op de toelaatbaarheid van de bevraging. Vastlegging mag alleen voor dit doel geschieden en wordt na zes maanden verwijderd.
1.
Het nationale recht van de signalerende Overeenkomstsluitende Partij is op de bevoegdheid tot signalering van toepassing, tenzij in deze Overeenkomst beperkender voorwaarden daaraan zijn gesteld.
2.
Voorzover in deze Overeenkomst niet in een bijzondere regeling is voorzien, is het recht van de onderscheiden Overeenkomstsluitende Partijen op de in hun nationale deel van het Schengen-informatiesysteem opgenomen gegevens van toepassing.
3.
Voor zover in deze Overeenkomst niet in een bijzondere regeling voor de uitvoering van de in de signalering gevraagde actie is voorzien, is het recht van de aangezochte Overeenkomstsluitende Partij die de actie uitvoert, van toepassing. Voor zover in deze Overeenkomst in bijzondere regelingen voor de uitvoering van de in de signalering gevraagde actie is voorzien, worden de desbetreffende bevoegdheden door het nationale recht van de aangezochte Overeenkomstsluitende Partij afgebakend. Wanneer de gevraagde actie niet kan worden uitgevoerd, doet de aangezochte Overeenkomstsluitende Partij onverwijld daarvan mededeling aan de signalerende Overeenkomstsluitende Partij.
Artikel 105
De signalerende Overeenkomstsluitende Partij is verantwoordelijk voor de juistheid en actualiteit van de gegevens, alsmede voor de rechtmatige opneming van de gegevens in het Schengen-informatiesysteem.
1.
Alleen de signalerende Overeenkomstsluitende Partij is bevoegd de door haar ingevoerde gegevens te wijzigen, aan te vullen, te verbeteren of te verwijderen.
2.
Wanneer één der Overeenkomstsluitende Partijen die niet de signalering heeft aangeleverd, aanwijzingen heeft dat gegevens onjuist zijn of onrechtmatig werden opgenomen, doet zij daarvan zo spoedig mogelijk mededeling aan de signalerende Overeenkomstsluitende Partij, die verplicht is de mededeling onverwijld te toetsen en, zo nodig, de gegevens onverwijld te verbeteren of te verwijderen.
3.
Indien de Overeenkomstsluitende Partijen geen overeenstemming kunnen bereiken, wordt het geval door de Overeenkomstsluitende Partij die niet de signalering heeft aangeleverd, voor advies aan de gemeenschappelijke controle-autoriteit als bedoeld in artikel 115, lid 1, voorgelegd.
Artikel 107
Wanneer van een persoon reeds een signalering in het Schengen-informatiesysteem is opgenomen, treft de Overeenkomstsluitende Partij die een nieuwe signalering opneemt, met de Overeenkomstsluitende Partij die de eerste signalering heeft opgenomen, een regeling omtrent de opneming van de signaleringen. De Overeen-komstsluitende Partijen kunnen hieromtrent ook algemene regelingen treffen.
1.
Elk der Overeenkomstsluitende Partijen wijst een instantie aan die voor het nationale deel van het Schengen-informatiesysteem centraal verantwoordelijk is.
2.
Elk der Overeenkomstsluitende Partijen verricht haar signaleringen door tussenkomst van deze instantie.
3.
Deze instantie is verantwoordelijk voor de goede werking van het nationale deel van het Schengen-informatiesysteem en treft de nodige maatregelen ten behoeve van de naleving van de bepalingen van deze Overeenkomst.
4.
De Overeenkomstsluitende Partijen doen elkaar door tussenkomst van de depositaris mededeling van de in lid 1 bedoelde instantie.
1.
Het recht van eenieder om van de hem betreffende in het Schengen-informatiesysteem opgenomen gegevens kennis te nemen, wordt uitgeoefend overeenkomstig het recht van de Overeenkomstsluitende Partij bij welke de kennisneming wordt verlangd. Voorzover het nationale recht daarin voorziet, beslist de nationale controle-autoriteit als bedoeld in artikel 114, lid 1, of en op welke wijze kennisneming kan worden verleend. Een Overeenkomstsluitende Partij die de signalering niet zelf heeft aangeleverd, mag slechts kennisneming van gegevens toestaan, voor zover zij de signalerende Overeenkomstsluitende Partij vooraf de gelegenheid heeft geboden dienaangaande een standpunt te bepalen.
2.
De kennisneming wordt de betrokkene geweigerd, wanneer dit voor een rechtmatige, uit de signalering voortvloeiende taakuitoefening of ter bescherming van de rechten en vrijheden van derden onontbeerlijk is. Zij wordt steeds geweigerd hangende een signalering ter fine van onopvallende controle.
Artikel 110
Eenieder heeft het recht hem betreffende onjuiste gegevens te doen verbeteren of onrechtmatig opgenomen gegevens te doen verwijderen.
1.
Eenieder heeft het recht op het grondgebied van elk der Overeenkomstsluitende Partijen bij de naar nationaal recht bevoegde rechter of instantie een beroep in te stellen wegens een hem betreffende signalering, in het bijzonder met het oog op verbetering, verwijdering, kennisneming of schadevergoeding.
2.
De Overeenkomstsluitende Partijen verbinden zich ertoe wederzijds de onherroepelijke beslissingen van de in lid 1 bedoelde rechters of instanties ten uitvoer te leggen. Het bepaalde in artikel 116 blijft onverlet.
1.
De in het Schengen-informatiesysteem voor de signalering van personen opgenomen persoonsgegevens worden niet langer bewaard dan nodig is voor het nagestreefde doel. Uiterlijk drie jaren na het tijdstip van opneming dient de signalerende Overeenkomstsluitende Partij de noodzaak van verdere bewaring te toetsen. Voor de in artikel 99 bedoelde signaleringen beloopt deze termijn één jaar.
2.
Elk der signalerende Overeenkomstsluitende Partijen kan kortere toetsingstermijnen naar nationaal recht vaststellen.
3.
Vanuit de technisch ondersteunende functie van het Schengeninformatiesysteem wordt de signalerende Overeenkomstsluitende Partij één maand op voorhand automatisch mededeling gedaan van de in het systeem geprogrammeerde verwijdering.
4.
De signalerende Overeenkomstsluitende Partij kan vóór het verstrijken van de toetsingstermijn tot handhaving van de signalering besluiten, indien dit voor het met de signalering nagestreefde doel vereist is. Verlenging van de signalering dient met behulp van de technisch ondersteunende functie te geschieden. Het bepaalde in lid 1 is van overeenkomstige toepassing.
1.
Andere gegevens dan die bedoeld in artikel 112 worden niet langer dan tien jaren bewaard. Gegevens over afgegeven identiteitsdocumenten en identificeerbare bankbiljetten worden niet langer dan vijf jaren bewaard. Gegevens over motorvoertuigen, aanhangers en caravans worden niet langer dan drie jaren bewaard.
2.
De uit het bestand van de technisch ondersteunende functie verwijderde gegevens worden nog één jaar bewaard. Zij kunnen tijdens deze periode slechts voor controle achteraf op de juistheid daarvan of de rechtmatigheid van de opneming worden gebruikt. Na deze periode dienen de gegevens te worden vernietigd.
1.
Elk der Overeenkomstsluitende Partijen voorziet in een controle-autoriteit, die tot taak heeft overeenkomstig het nationale recht op onafhankelijke wijze toezicht te houden op het bestand van het nationale deel van het Schengen-informatiesysteem en na te gaan of door registratie en gebruik van de in het Schengen-informatiesysteem opgenomen gegevens de rechten van de geregistreerde personen niet worden geschaad. De controle-autoriteit heeft hiertoe toegang tot het bestand van het nationale deel van het Schengen-informatiesysteem.
2.
Eenieder heeft het recht bij de controle-autoriteiten een verzoek in te dienen ter toetsing van de hem betreffende in het Schengen-informatiesysteem opgenomen gegevens, alsmede van het gebruik daarvan. Dit recht wordt uitgeoefend overeenkomstig het nationale recht van de Overeenkomstsluitende Partij bij welke het verzoek is ingediend. Wanneer de gegevens door een andere Overeenkomstsluitende Partij zijn aangeleverd, geschiedt de controle in nauw overleg met de controle-autoriteit van die Overeenkomstsluitende Partij.
1.
Voor het toezicht op de technisch ondersteunende functie van het Schengen-informatiesysteem is er een gemeenschappelijke controle-autoriteit, waarin de onderscheiden nationale controle-autoriteiten ieder door twee personen zijn vertegenwoordigd. Iedere Overeenkomstsluitende Partij heeft bij stemming één stem. De controle geschiedt overeenkomstig de bepalingen van deze Overeenkomst, van het Verdrag van de Raad van Europa van 28 januari 1981 tot bescherming van het individu in verband met de geautomatiseerde registratie van persoonsgegevens en met inachtneming van Aanbeveling R (87) 15 van het Comité van Ministers van de Raad van Europa van 17 september 1987 tot regeling van het gebruik van persoonsgegevens op politieel gebied en met inachtneming van het nationale recht van de voor de technisch ondersteunende functie verantwoordelijke Overeenkomstsluitende Partij.
2.
Met betrekking tot de technisch ondersteunende functie heeft de gemeenschappelijke controle-autoriteit tot taak de juiste toepassing van de bepalingen van deze Overeenkomst te toetsen. Zij heeft hiertoe toegang tot het gegevensbestand van de technisch ondersteunende functie.
3.
De gemeenschappelijke controle-autoriteit is tevens bevoegd een onderzoek in te stellen naar toepassings- of interpretatiemoeilijkheden die bij de werking van het Schengen-informatiesysteem kunnen rijzen, naar problemen verband houdende met het door de nationale controle-autoriteiten op onafhankelijke wijze uitgeoefende toezicht of verleende kennisneming, alsmede geharmoniseerde voorstellen uit te werken, teneinde aan bestaande problemen gemeenschappelijke oplossingen te geven.
4.
De gemeenschappelijke controle-autoriteit rapporteert aan de instanties waaraan de nationale controle-autoriteiten rapporteren.
1.
Indien een persoon door de werking van een nationaal bestand van het Schengen-informatiesysteem schade lijdt, is iedere Overeenkomstsluitende Partij te zijnen aanzien naar nationaal recht hiervoor aansprakelijk. Dit is eveneens het geval wanneer de schade door de signalerende Overeenkomstsluitende Partij is veroorzaakt, doordat deze onjuiste gegevens heeft aangeleverd of omdat de opneming onrechtmatig was.
2.
Wanneer de gedaagde Overeenkomstsluitende Partij niet de signalerende Overeenkomstsluitende Partij is, dient laatstgenoemde desgevraagd de toegekende schadevergoeding terug te betalen, tenzij de gegevens door de aangezochte Overeenkomstsluitende Partij in strijd met deze Overeenkomst werden gebruikt.
1.
Iedere Overeenkomstsluitende Partij treft uiterlijk op het tijdstip van inwerkingtreding van deze Overeenkomst in haar nationale wetgeving, met betrekking tot de geautomatiseerde verwerking van persoonsgegevens in het kader van de toepassing van deze Titel, de nodige maatregelen ter verwezenlijking van een niveau van bescherming van persoonsgegevens dat tenminste gelijk is aan het niveau, dat uit de verwezenlijking van de beginselen die zijn neergelegd in het Verdrag van de Raad van Europa van 28 januari 1981 tot bescherming van het individu in verband met de geautomatiseerde registratie van persoonsgegevens voortvloeit en met inachtneming van Aanbeveling R (87) 15 van het Comité van Ministers van de Raad van Europa van 17 september 1987 tot regeling van het gebruik van persoonsgegevens op politieel gebied.
2.
Tot verstrekking van persoonsgegevens als bedoeld in deze Titel mag niet worden overgegaan dan nadat op het grondgebied van de bij de verstrekking betrokken Overeenkomstsluitende Partijen de noodzakelijke bepalingen inzake bescherming van persoonsgegevens als bedoeld in lid 1 in werking zijn getreden.
1.
Elk der Overeenkomstsluitende Partijen verbindt zich ertoe om voor haar nationale deel van het Schengen-informatiesysteem passende maatregelen te treffen, opdat:
a. onbevoegden de toegang tot de voor de persoonsregistraties gebezigde automatiseringsapparatuur wordt ontzegd (controle op de toegang);
b. wordt voorkomen, dat gegevensdragers door onbevoegden kunnen worden gelezen, gekopieerd, veranderd of verwijderd (controle op de gegevensdragers);
c. onbevoegde opslag in het geheugen, alsmede onbevoegde kennisneming, wijziging of verwijdering van opgeslagen persoonsgegevens wordt voorkomen (controle op de opslag);
d. wordt voorkomen, dat geautomatiseerde registratiesystemen door middel van datatransmissie-apparatuur door onbevoegden kunnen worden gebruikt (controle op de gebruikers);
e. wordt gewaarborgd, dat de personen die tot gebruik van een geautomatiseerd registratiesysteem gemachtigd zijn, uitsluitend toegang hebben tot gegevens waarop hun machtiging betrekking heeft (controle op de toegang);
f. wordt gewaarborgd, dat kan worden nagegaan en vastgesteld aan welke instanties persoonsgegevens door middel van datatransmissie-apparatuur kunnen worden overgedragen (controle op de overdracht);
g. wordt gewaarborgd, dat naderhand kan worden nagegaan en vastgesteld welke persoonsgegevens wanneer en door wie in een geautomatiseerd registratiesysteem zijn opgenomen (controle op de opneming);
h. wordt voorkomen, dat bij de overdracht van persoonsgegevens, alsmede bij transport van gegevensdragers de gegevens op onbevoegde wijze worden gelezen, gekopieerd, gewijzigd of verwijderd (controle op het transport).
2.
Iedere Overeenkomstsluitende Partij dient bij overdracht van gegevens aan buiten het grondgebied van de Overeenkomstsluitende Partijen gevestigde instanties bijzondere voorzieningen inzake gegevensbeveiliging te treffen. Hiervan dient aan de gemeenschappelijke controle-autoriteit mededeling te worden gedaan.
3.
Iedere Overeenkomstsluitende Partij wijst ten behoeve van de gegevensverwerking in het nationale deel van het Schengen-informatiesysteem slechts personen aan die een passende opleiding hebben genoten en een veiligheidsonderzoek hebben ondergaan.
4.
De voor de technisch ondersteunende functie verantwoordelijke Overeenkomstsluitende Partij treft voor deze functie de in de leden 1 tot en met 3 genoemde maatregelen.
1.
De kosten verbonden aan de inrichting en werking van de technisch ondersteunende functie als bedoeld in artikel 92, lid 3, met inbegrip van de kosten voor de communicatie tussen de nationale delen van het Schengen-informatiesysteem en de technisch ondersteunende functie, worden door de Overeenkomstsluitende Partijen gemeenschappelijk gedragen. Het aandeel van iedere Overeenkomstsluitende Partij in de kosten wordt bepaald aan de hand van het aandeel van ieder van hen in de eenvormige grondslag voor de belasting over de toegevoegde waarde in de zin van artikel 2, lid 1, onder c., van het Besluit van de Raad van Ministers van de Europese Gemeenschappen aangaande het systeem van eigen middelen van de Gemeenschappen van 24 juni 1988.
2.
Elk der Overeenkomstsluitende Partijen draagt de kosten verbonden aan de inrichting en werking van haar nationale deel van het Schengen-informatiesysteem.
1.
De Overeenkomstsluitende Partijen zien erop toe dat het goederenverkeer over de binnengrenzen niet door hun wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen op ongerechtvaardigde wijze wordt belemmerd.
2.
De Overeenkomstsluitende Partijen vereenvoudigen het goederenverkeer over de binnengrenzen door de vervulling van de met verboden en beperkingen verband houdende formaliteiten te doen samenvallen met het vrijmaken van de goederen tot binnenlands verbruik. De belanghebbende kan deze vrijmaking naar keuze hetzij in het binnenland hetzij aan de binnengrens verrichten. De Overeenkomstsluitende Partijen beijveren zich om deze vrijmaking in het binnenland te doen afhandelen.
3.
Voor zover de in lid 2 bedoelde vereenvoudigingen op bepaalde gebieden geheel of ten dele nog niet kunnen worden verwezenlijkt, streven de Overeenkomstsluitende Partijen onderling of in het kader van de Europese Gemeenschappen ernaar de daartoe noodzakelijke voorwaarden te scheppen.
Het bepaalde in dit lid geldt in het bijzonder voor de controle op de vergunningen inzake beroepsgoederenvervoer en de verkeerstechnische bepalingen, de veterinairrechtelijke en welzijnscontroles, de controles inzake gezondheidsvoorschriften met betrekking tot vers vlees, de fytosanitaire controles en de controles inzake het vervoer van gevaarlijke goederen en afvalstoffen.
4.
De Overeenkomstsluitende Partijen streven er voorts naar de formaliteiten inzake het buitengrensoverschrijdende goederenverkeer onderling af te stemmen en de naleving daarvan overeenkomstig eenvormige beginselen te controleren. Daartoe werken zij nauw samen in het Uitvoerend Comité, in het kader van de Europese Gemeenschappen, alsmede in andere internationale fora.
1.
De Overeenkomstsluitende Partijen zien overeenkomstig het Gemeenschapsrecht voor bepaalde planten en plantaardige produkten af van de door het Gemeenschapsrecht voorgeschreven fytosanitaire controles en certificaten.
Het Uitvoerend Comité stelt de lijst vast van planten en plantaardige produkten waarop de in de eerste volzin bedoelde vereenvoudigingen van toepassing zijn. Het Uitvoerend Comité kan deze lijst wijzigen en bepaalt het tijdstip waarop de wijziging in werking dient te treden. De Overeenkomstsluitende Partijen geven elkaar kennis van de getroffen maatregelen.
2.
Een Overeenkomstsluitende Partij kan bij gevaar van het binnenbrengen of de uitbreiding van schadelijke organismen om tijdelijke wederinvoering van de door het Gemeenschapsrecht voorgeschreven controlemaatregelen verzoeken en zelf daartoe overgaan. Zij geeft daarvan onverwijld, schriftelijk en met redenen omkleed, aan de overige Overeenkomstsluitende Partijen kennis.
3.
Voor de op grond van de wettelijke bepalingen inzake soortbescherming vereiste verklaringen kan het fytosanitaire getuigschrift blijven gebruikt worden.
4.
Desgevraagd geeft de bevoegde autoriteit een fytosanitair getuigschrift af, wanneer de partij geheel, dan wel gedeeltelijk voor de wederuitvoer is bestemd, voor zover voor de desbetreffende planten of plantaardige produkten aan de fytosanitaire voorwaarden is voldaan.
1.
De Overeenkomstsluitende Partijen versterken hun onderlinge samenwerking met het oog op de veiligheid van het vervoer van gevaarlijke goederen, en zij verbinden zich ertoe de nationale bepalingen ter uitvoering van de geldende internationale overeenkomsten te harmoniseren. Bovendien verbinden zij zich in het bijzonder, ter handhaving van het huidige veiligheidsniveau, tot:
a. de harmonisatie van de vakbekwaamheidsvereisten die worden gehanteerd ten aanzien van voertuigenbestuurders;
b. de harmonisatie van de modaliteiten en de intensiteit van de controles tijdens het vervoer en in de ondernemingen;
c. de harmonisatie van de wettelijke delictsomschrijving en de wettelijke bepalingen inzake de strafmaat;
d. de permanente uitwisseling van gegevens, alsmede van de met de getroffen maatregelen en uitgeoefende controles opgedane ervaringen.
2.
De Overeenkomstsluitende Partijen versterken de onderlinge samenwerking met het oog op de controle op de binnengrensoverschrijdende overbrenging van gevaarlijke en niet-gevaarlijke afvalstoffen.
Daartoe streven zij ernaar een gemeenschappelijk standpunt in te nemen, zowel ten aanzien van de wijziging van de communautaire richtlijnen inzake de controle op en het beheer van overbrenging van gevaarlijke afvalstoffen als ten aanzien van de opstelling van communautaire besluiten inzake niet-gevaarlijke afvalstoffen, ten einde een toereikende afvalverwijderingsinfrastructuur tot stand te brengen, alsmede afvalverwijderingsnormen op een hoog niveau te harmoniseren.
In afwachting van een communautaire regeling voor niet-gevaarlijke afvalstoffen worden de controles op de overbrenging daarvan verricht door het volgen van een bijzondere procedure, waardoor de overbrenging tijdens de afhandeling ter bestemming kan worden gecontroleerd.
Het bepaalde in lid 1, tweede alinea, is van toepassing.
1.
De Overeenkomstsluitende Partijen verbinden zich ertoe besprekingen te voeren, ten einde de huidige vergunningplicht voor uitvoer van strategische industriegoederen en technologieën onderling af te schaffen en, zo nodig, door een soepele procedure te vervangen, voor zover het land van bestemming en eindverbruik een Overeenkomstsluitende Partij is.
Onverminderd deze besprekingen streven de Overeenkomstsluitende Partijen ernaar ter naleving van de noodzakelijke controles nauw samen te werken, met inachtneming van de nationale wetgeving onderling informatie uit te wisselen en de daartoe noodzakelijke coördinatie, de inrichting van een coördinatiemechanisme daaronder begrepen, tot stand te brengen.
2.
De Overeenkomstsluitende Partijen beijveren zich om met betrekking tot de andere dan de in lid 1 bedoelde strategische industriegoederen en technologieën de uitvoerformaliteiten in het binnenland te doen afhandelen, enerzijds, en hun controleprocedures te harmoniseren, anderzijds.
3.
In het kader van de doelstellingen als bedoeld in de leden 1 en 2 treden de Overeenkomstsluitende Partijen in overleg met de overige belanghebbende Partnerstaten.
Artikel 124
Het aantal en de intensiteit van de controles aan de binnengrenzen op de door reizigers medegevoerde goederen worden tot een zo laag mogelijk niveau beperkt. De verdere beperking en uiteindelijke afschaffing daarvan is afhankelijk van de geleidelijke optrekking van de aan reizigers verleende vrijstellingen, alsmede van de verdere ontwikkelingen inzake de overige op het grensoverschrijdende reizigersverkeer van toepassing zijnde bepalingen.
1.
De Overeenkomstsluitende Partijen maken afspraken welke ertoe strekken onderling contactambtenaren van hun douane-administraties te detacheren.
2.
Detachering van contactambtenaren heeft ten doel de samenwerking tussen de Overeenkomstsluitende Partijen in het algemeen en in het kader van de bestaande overeenkomsten en van de besluiten van de Europese Gemeenschappen betreffende de wederzijdse bijstand in het bijzonder, te bevorderen en te bespoedigen.
3.
De contactambtenaren hebben een adviserende en ondersteunende taak. Zij zijn niet bevoegd tot het zelfstandig uitvoeren van op douanegebied genomen maatregelen. Zij verstrekken informatie en voeren hun opdrachten uit in het kader van de aan hen door de Overeenkomstsluitende Partij waarvan zij afkomstig zijn gegeven instructies.
1.
Iedere Overeenkomstsluitende Partij treft uiterlijk op het tijdstip van inwerkingtreding van deze Overeenkomst in haar nationale wetgeving, met betrekking tot de geautomatiseerde verwerking van persoonsgegevens die ingevolge deze Overeenkomst worden verstrekt, de nodige maatregelen ter verwezenlijking van een niveau van bescherming van persoonsgegevens dat tenminste gelijk is aan het niveau, dat uit de verwezenlijking van de beginselen die zijn neergelegd in het Verdrag van de Raad van Europa van 28 januari 1981 tot bescherming van het individu in verband met de geautomatiseerde registratie van persoonsgegevens voortvloeit.
2.
Tot verstrekking van persoonsgegevens als bedoeld in deze Overeenkomst mag niet worden overgegaan dan nadat op het grondgebied van de bij de verstrekking betrokken Overeenkomstsluitende Partijen de noodzakelijke bepalingen inzake bescherming van persoonsgegevens als bedoeld in lid 1 in werking zijn getreden.
3.
Met betrekking tot de geautomatiseerde verwerking van persoonsgegevens die ingevolge deze Overeenkomst worden verstrekt, zijn voorts onderstaande bepalingen van toepassing:
a. de verstrekte persoonsgegevens worden door de ontvangende Overeenkomstsluitende Partij niet gebruikt voor andere doeleinden dan waarvoor deze overeenkomst in het verstrekken van dergelijke gegevens voorziet; gebruik voor andere doeleinden is slechts mogelijk na voorafgaande toestemming door de verstrekkende Overeenkomstsluitende Partij en overeenkomstig het recht van de ontvangende Overeenkomstsluitende Partij; de toestemming kan worden verleend voor zover zulks op grond van het nationale recht van de verstrekkende Overeenkomstsluitende Partij is toegestaan;
b. de verstrekte persoonsgegevens mogen alleen worden gebruikt door diensten, instanties en gerechtelijke autoriteiten die in het kader van de voor de verstrekking onder a. bedoelde doeleinden een taak of functie hebben;
c. de Overeenkomstsluitende Partij die persoonsgegevens verstrekt ziet erop toe dat deze juist zijn; wanneer, hetzij op eigen initiatief, hetzij naar aanleiding van een verzoek van de geregistreerde blijkt, dat gegevens zijn verstrekt die onjuist zijn of niet hadden mogen worden verstrekt, wordt dit de ontvangende Overeenkomstsluitende Partij of Partijen onmiddellijk meegedeeld, welke alsdan overgaan tot verbetering of vernietiging van de betrokken persoonsgegevens, dan wel tot vermelding dat deze persoonsgegevens onjuist zijn of onrechtmatig zijn verstrekt;
d. een Overeenkomstsluitende Partij kan zich jegens een benadeelde persoon niet ontlasten van haar aansprakelijkheid naar nationaal recht met een beroep op het feit dat een andere Overeenkomstsluitende Partij onjuiste gegevens heeft verstrekt; wordt tegen de ontvangende Overeenkomstsluitende Partij schadevergoeding toegekend terzake van het gebruik van door het toedoen van de verstrekkende Overeenkomstsluitende Partij verstrekte onjuiste gegevens, dan betaalt deze het volledige door de eerstbedoelde betaalde bedrag;
e. van de verstrekking en ontvangst van persoonsgegevens dient in de registratie waaruit zij worden verstrekt en waarin zij worden opgenomen aantekening te worden gehouden;
f. de gemeenschappelijke controle-autoriteit als bedoeld in artikel 115 is bevoegd op verzoek van een Overeenkomstsluitende Partij een advies uit te brengen met betrekking tot toepassings- en interpretatiemoeilijkheden van dit artikel.
4.
Het bepaalde in dit artikel is niet van toepassing op de verstrekking van persoonsgegevens voorzien in Titel II, Hoofdstuk 7, en in Titel IV. Het bepaalde in lid 3 is niet van toepassing op de verstrekking van persoonsgegevens voorzien in Titel III, Hoofdstukken 2, 3, 4 en 5.
1.
Wanneer op grond van deze Overeenkomst persoonsgegevens worden verstrekt aan een andere Overeenkomstsluitende Partij is het bepaalde in artikel 126 van overeenkomstige toepassing op het verstrekken uit en het opnemen in een niet-geautomatiseerde persoonsregistratie.
2.
Wanneer in andere gevallen als bedoeld in artikel 126, lid 1, of in lid 1 van het onderhavige artikel op grond van deze Overeenkomst persoonsgegevens worden verstrekt aan een andere Overeenkomstsluitende Partij, is het bepaalde in artikel 126, lid 3, met uitzondering van het bepaalde onder e. van toepassing. Bovendien zijn onderstaande bepalingen van toepassing:
a. van de verstrekking en de ontvangst van persoonsgegevens wordt bij die gegevens aantekening gehouden; deze verplichting geldt niet indien, gelet op hun gebruik, aantekening niet nodig is, in het bijzonder wanneer de gegevens niet of slechts kortstondig worden gebruikt;
b. het gebruik van verstrekte gegevens krijgt bij de ontvangende Overeenkomstsluitende Partij tenminste de bescherming welke op grond van het recht van de ontvangende Overeenkomstsluitende Partij voor gebruik van gegevens van gelijke aard geldt;
c. de beslissing of en onder welke voorwaarden aan een verzoek van belanghebbende om kennisneming wordt voldaan, wordt door de Overeenkomstsluitende Partij bij welke het verzoek is ingediend, genomen in overeenstemming met haar nationale wetgeving.
3.
Het bepaalde in dit artikel is niet van toepassing op de verstrekking van persoonsgegevens voorzien in Titel II, Hoofdstuk 7, in Titel III, Hoofdstukken 2, 3, 4 en 5, en in Titel IV.
1.
Tot verstrekking van persoonsgegevens als bedoeld in deze Overeenkomst mag niet worden overgegaan dan nadat de betrokken Overeenkomstsluitende Partijen een nationale controle-autoriteit hebben belast met het op onafhankelijke wijze toezicht houden op de naleving van de ingevolge het bepaalde in de artikelen 126 en 127 gestelde voorschriften met betrekking tot de verwerking van persoonsgegevens in persoonsregistraties.
2.
Voor zover een Overeenkomstsluitende Partij overeenkomstig haar nationale recht een controle-autoriteit heeft belast met de taak om op één of meer terreinen op onafhankelijke wijze toezicht te houden op de naleving van bepalingen inzake de bescherming van persoonsgegevens met betrekking tot niet in registraties opgeslagen gegevens, belast deze Overeenkomstsluitende Partij bedoelde controle-autoriteit eveneens met het toezicht op de naleving van de bepalingen van deze Titel met betrekking tot deze terreinen.
3.
Het bepaalde in dit artikel is niet van toepassing op de verstrekking voorzien in Titel II, Hoofdstuk 7, en in Titel III, Hoofdstukken 2, 3, 4 en 5.
Artikel 129
Met betrekking tot de verstrekking van persoonsgegevens op grond van Titel III, Hoofdstuk 1, verplichten de Overeenkomstsluitende Partijen zich, onverminderd het bepaalde in de artikelen 126 en 127, een niveau van bescherming van persoonsgegevens te verwezenlijken, waarbij de beginselen van de aanbeveling R (87) 15 van het Comité van Ministers van de Raad van Europa van 17 september 1987 tot regeling van het gebruik van persoonsgegevens op politieel gebied in acht worden genomen. Voorts zijn op de verstrekking op grond van artikel 46 de volgende bepalingen van toepassing:
a. de ontvangende Overeenkomstsluitende Partij mag de verstrekte gegevens uitsluitend voor de door de verstrekkende Overeenkomstsluitende Partij bepaalde doeleinden, met inachtneming van de door de verstrekkende Overeenkomstsluitende Partij gestelde voorwaarden, gebruiken;
b. de gegevens mogen uitsluitend aan politiediensten en -autoriteiten worden verstrekt; doorgeleiding van de verstrekte gegevens aan andere diensten vindt niet plaats dan na voorafgaande toestemming van de verstrekkende Overeenkomstsluitende Partij;
c. de ontvangende Overeenkomstsluitende Partij informeert de verstrekkende Overeenkomstsluitende Partij desgevraagd over het gebruik van de verstrekte gegevens en het op grond daarvan bereikte resultaat.
Artikel 130
Vindt verstrekking van persoonsgegevens plaats door tussenkomst van een contactambtenaar bedoeld in artikel 47 of in artikel 125, dan zijn de bepalingen van deze Titel slechts van toepassing wanneer de contactambtenaar de gegevens doorgeeft aan de Overeenkomstsluitende Partij door welke hij naar het grondgebied van de andere Overeenkomstsluitende Partij is gedetacheerd.
1.
Voor de toepassing van deze Overeenkomst stellen de Overeenkomstsluitende Partijen een Uitvoerend Comité in.
2.
Onverminderd de bijzondere bevoegdheden die het krachtens deze Overeenkomst worden toegekend, heeft het Uitvoerend Comité algemeen tot taak toe te zien op de juiste toepassing van deze Overeenkomst.
1.
Iedere Overeenkomstsluitende Partij heeft één zetel in het Uitvoerend Comité. De Overeenkomstsluitende Partijen worden in het Uitvoerend Comité vertegenwoordigd door een voor de uitvoering van deze Overeenkomst verantwoordelijke Minister; zij kunnen zich zo nodig doen bijstaan door deskundigen die aan de beraadslagingen kunnen deelnemen.
2.
Het Uitvoerend Comité beslist bij eenparigheid van stemmen. Het regelt zijn werkwijze; daarin kan worden voorzien in een schriftelijke procedure voor de besluitvorming.
3.
Op verzoek van de vertegenwoordiger van een Overeenkomstsluitende Partij kan de definitieve besluitvorming over een ontwerpbesluit worden uitgesteld tot uiterlijk twee maanden na overlegging van het ontwerp-besluit.
4.
Het Uitvoerend Comité kan ten behoeve van de voorbereiding van de besluitvorming of andere werkzaamheden werkgroepen instellen, samengesteld uit ambtelijke vertegenwoordigers van de Overeenkomstsluitende Partijen.
Artikel 133
Het Uitvoerend Comité vergadert bij toerbeurt op het grondgebied van elk der Overeenkomstsluitende Partijen. Het vergadert zo vaak als dit nodig is voor de goede uitvoering van zijn taken.
Artikel 134
De bepalingen van deze Overeenkomst zijn slechts van toepassing voor zover zij verenigbaar zijn met het Gemeenschapsrecht.
Artikel 135
Het bepaalde in deze Overeenkomst is van toepassing onder voorbehoud van de bepalingen van het Verdrag van Genève van 28 juli 1951 betreffende de status van vluchtelingen, zoals gewijzigd bij het Protocol van New York van 31 januari 1967.
1.
Een Overeenkomstsluitende Partij die het voornemen heeft met een derde Staat met betrekking tot de grenscontroles onderhandelingen te voeren, brengt de overige Overeenkomstsluitende Partijen daarvan tijdig in kennis.
2.
Een Overeenkomstsluitende Partij mag met één of meer derde Staten geen overeenkomsten sluiten strekkende tot vereenvoudiging of afschaffing van de grenscontroles zonder voorafgaande toestemming van de overige Overeenkomstsluitende Partijen, onder voorbehoud van het recht van de Lid-Staten van de Europese Gemeenschappen gemeenschappelijk dergelijke overeenkomsten te sluiten.
3.
Het bepaalde in lid 2 is niet van toepassing op de overeenkomsten betreffende het kleine grensverkeer, voor zover in deze overeenkomsten de op grond van artikel 3, lid 1, vastgestelde uitzonderingen en nadere bepalingen in acht worden genomen.
Artikel 137
Voorbehouden bij deze Overeenkomst zijn niet toegestaan, met uitzondering van die bedoeld in artikel 60.
Artikel 138
De bepalingen van deze Overeenkomst zijn voor wat betreft de Franse Republiek slechts van toepassing op het Europese grondgebied van de Franse Republiek.
De bepalingen van deze Overeenkomst zijn voor wat betreft het Koninkrijk der Nederlanden slechts van toepassing op het grondgebied van het Rijk in Europa.
1.
Deze Overeenkomst dient te worden bekrachtigd, aanvaard of goedgekeurd. De akten van bekrachtiging, aanvaarding of goedkeuring worden bij de Regering van het Groothertogdom Luxemburg nedergelegd; deze geeft aan alle Overeenkomstsluitende Partijen kennis van de nederlegging.
2.
Deze Overeenkomst treedt in werking op de eerste dag van de tweede maand volgend op de datum van nederlegging van de laatste akte van bekrachtiging, aanvaarding of goedkeuring. De bepalingen inzake de instelling, werkzaamheden en bevoegdheden van het Uitvoerend Comité zijn vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van toepassing. De overige bepalingen zijn van toepassing vanaf de eerste dag van de derde maand volgend op het tijdstip van inwerkingtreding.
3.
De Regering van het Groothertogdom Luxemburg geeft alle Overeenkomstsluitende Partijen kennis van de datum van de inwerkingtreding.
1.
Iedere Lid-Staat van de Europese Gemeenschappen kan Partij worden bij deze Overeenkomst. De toetreding wordt geregeld bij een overeenkomst tussen de desbetreffende Staat en de Overeenkomstsluitende Partijen.
2.
Deze overeenkomst wordt door de toetredende Staat en ieder der Overeenkomstsluitende Partijen bekrachtigd, aanvaard of goedgekeurd. Zij treedt in werking op de eerste dag van de tweede maand volgende op de nederlegging van de laatste akte van bekrachtiging, aanvaarding of goedkeuring.
1.
Elk der Overeenkomstsluitende Partijen kan de depositaris een voorstel tot wijziging van deze Overeenkomst doen toekomen. De depositaris doet de overige Overeenkomstsluitende Partijen mededeling van dit voorstel. Op verzoek van één der Overeenkomstsluitende Partijen toetsen de Overeenkomstsluitende Partijen de bepalingen van deze Overeenkomst, wanneer naar hun oordeel een fundamentele wijziging in de op het tijdstip van de inwerkingtreding van deze Overeenkomst bestaande omstandigheden is opgetreden.
2.
De Overeenkomstsluitende Partijen stellen in onderlinge overeenstemming de in deze Overeenkomst aan te brengen wijzigingen vast.
3.
De wijzigingen treden in werking op de eerste dag van de tweede maand volgende op de datum van nederlegging van de laatste akte van bekrachtiging, aanvaarding of goedkeuring.
1.
Indien tussen de Lid-Staten van de Europese Gemeenschappen overeenkomsten worden gesloten met het oog op het creëren van een ruimte zonder binnengrenzen, komen de Overeenkomstsluitende Partijen overeen onder welke voorwaarden de bepalingen van de onderhavige Overeenkomst, in het licht van de daarmee corresponderende bepalingen van bedoelde overeenkomsten, worden vervangen of aangepast.
De Overeenkomstsluitende Partijen houden daartoe rekening met het feit, dat de bepalingen van de onderhavige Overeenkomst een verdergaande samenwerking dan die ingevolge de bepalingen van bedoelde overeenkomsten kunnen behelzen.
De bepalingen die in strijd zijn met de tussen de Lid-Staten van de Europese Gemeenschappen overeengekomen bepalingen worden in elk geval aangepast.
2.
De wijzigingen van de onderhavige Overeenkomst waarvan de Overeenkomstsluitende Partijen vaststellen dat zij nodig zijn, dienen door de Overeenkomstsluitende Partijen te worden bekrachtigd, aanvaard of goedgekeurd. Het bepaalde in artikel 141, lid 3, is van toepassing met dien verstande dat de wijzigingen niet eerder in werking treden dan op het tijdstip van inwerkingtreding van de desbetreffende overeenkomst tussen de Lid-Staten van de Europese Gemeenschappen.
TEN BLIJKE WAARVAN de ondergetekenden, daartoe naar behoren gemachtigd, deze Overeenkomst hebben ondertekend.
GEDAAN te Schengen, op negentien juni negentienhonderdnegentig, in de Duitse, de Franse en de Nederlandse taal, zijnde de teksten in elk van deze talen gelijkelijk authentiek, in een origineel dat zal worden nedergelegd bij de Regering van het Groothertogdom Luxemburg, die een voor eensluidend gewaarmerkt afschrift daarvan aan alle Overeenkomstsluitende Partijen toezendt.