Rechtenmedia.nl - Juridische Online Uitgeverij  Rechtennieuws.nl | Jure.nl | Maxius.nl | Parlis.nl | Rechtenforum.nl | JBmatch.nl | MijnWetten.nl | AdvocatenZoeken.nl | Rechtentotaal.nl
Burgerlijk Wetboek BES Boek 4
Bwb-id:
Officiele titel:
Citeertitel:
Ook bekend als:
Soort regeling:
Wetsfamilies:
Eerst verantwoordelijk ministerie:

Geldigheidsdatum:
Ingangsdatum:
Inhoudsopgave
+ Boek 4. Erfrecht
Vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature

Juridisch advies nodig?
Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag
Geschiedenis

Geschiedenis-overzicht

Burgerlijk Wetboek BES Boek 4

Burgerlijk Wetboek BES Boek 4
Artikelen 551 t/m 857
[vervallen]
Artikel 858
Erfopvolging heeft alleen door de dood plaats.
Artikel 859
Indien verscheidene personen, van welke de een tot des anderen erfenis geroepen is, door een en hetzelfde ongeval, of op dezelfde dag, omkomen, zonder dat men weten kunne wie het eerst overleden zij, worden zij vermoed op hetzelfde ogenblik gestorven te zijn, en er heeft geen overgang van erfenis van de een ten behoeve van de ander plaats.
1.
Tot de erfenis worden door de wet geroepen zij die tot de overledene in familierechtelijke betrekkingen stonden, en de langstlevende echtgenoot, volgens de hierna vastgestelde regelen.
2.
Bij gebreke van zodanige personen als bedoeld in het vorige lid, vervallen de goederen aan de Staat, onder de last om de schulden te voldoen, voor zover de waarde dier goederen toereikend is.
1.
De erfgenamen treden van rechtswege in het bezit der goederen en rechtsvorderingen van de overledene.
2.
Indien er geschil ontstaat wie erfgenaam, en alzo tot dat bezit bevoegd is, kan de rechter bevelen, dat de goederen onder gerechtelijke bewaring zullen worden gesteld.
3.
De Staat moet zich door de rechter doen in het bezit stellen, en is, op straffe van schadevergoeding, gehouden de nalatenschap te laten verzegelen, en een boedelbeschrijving
te doen opmaken, in de vorm voor de aanvaarding van nalatenschappen onder het voorrecht van boedelbeschrijving vastgesteld.
1.
De erfgenaam heeft een rechtsvordering tot verkrijging der erfenis tegen al degenen, die, hetzij onder die titel, of zonder titel, in het bezit zijn van de gehele nalatenschap, of van een gedeelte daarvan, mitsgaders tegen degenen, die met arglist hebben opgehouden te bezitten.
2.
Hij kan deze rechtsvordering instellen voor het geheel, indien hij alleen erfgenaam is, en voor zijn aandeel, zo er meer erfgenamen zijn.
3.
Die rechtsvordering strekt tot afgifte van al hetgeen zich, onder welke titel ook, in de nalatenschap bevindt, met de vruchten, inkomsten en schadeloosstelling, volgens de regelen, welke ten aanzien van de opvordering van eigendom zijn voorgeschreven.
Artikel 863
[vervallen]
Artikel 864
Ten einde als erfgenamen te kunnen optreden, moet men bestaan op het ogenblik dat de erfenis is opengevallen.
Artikel 865
Als onwaardig om erfgenamen te zijn worden beschouwd, en als zodanig van de erfenis uitgesloten:
1°. hij, die veroordeeld is, ter zake dat hij de overledene heeft omgebracht of getracht heeft om te brengen;
2°. hij, die bij rechterlijke uitspraak overtuigd is tegen de erflater lasterlijk te hebben ingebracht een beschuldiging van een misdrijf, waartegen een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste vier jaren is bedreigd;
3°. hij, die de overledene door geweld of feitelijkheid belet heeft zijn uiterste wil te maken of te herroepen;
4°. hij, die de uiterste wil van de overledene heeft verduisterd, vernietigd of vervalst.
Artikel 866
De erfgenaam, die uit hoofde van onwaardigheid van de erfenis is uitgesloten, is gehouden tot de teruggave van alle vruchten en inkomsten, waarvan hij sedert het openvallen der erfenis genot heeft gehad.
Artikel 867
Kinderen van een onwaardig verklaarde persoon, uit eigen hoofde tot de erfenis komende, zijn niet uitgesloten door de schuld van hun ouders; doch dezen zijn in geen geval bevoegd om van de goederen dier nalatenschap het vruchtgenot te vorderen, hetwelk de wet aan ouders op de goederen van hun kinderen toekent.
Artikel 868
Plaatsvervulling geeft aan de vertegenwoordigende persoon het recht om te treden in de plaats, in de graad en in de rechten van degene, die vertegenwoordigd wordt.
1.
Plaatsvervulling heeft in de rechte nedergaande linie in het oneindige plaats.
2.
Dezelve wordt in alle gevallen toegelaten, hetzij de kinderen van de overledene tezamen tot de erfenis komen met de nakomelingen van een vooroverleden kind, hetzij, al de kinderen van de overledene vóór hem gestorven zijnde, de nakomelingen dier vooroverleden kinderen zich onderling in gelijke of ongelijke graden bestaan.
Artikel 870
Er bestaat geen plaatsvervulling ten opzichte van naastbestaanden in de opgaande linie. De naaste in ieder der beide liniën sluit te allen tijde degene uit, die in een verdere graad is.
Artikel 871
In de zijdlinie wordt de plaatsvervulling toegelaten ten voordele van kinderen en nakomelingen van des overledenen broeders en zusters, hetzij die gezamenlijk met hun ooms of moeien tot de nalatenschap komen, hetzij dat, na het vooroverlijden der broeders en zusters van de overledene, de erfenis overga tot derzelver nakomelingen, aan elkander in gelijke of in ongelijke graden bestaande.
Artikel 872
Plaatsvervulling wordt ook toegelaten in de erfopvolging van zijdmagen, wanneer nevens degene, die de erflater het naast in den bloede bestaat, er nog kinderen of afkomelingen aanwezig zijn van vooroverleden broeders of zusters van eerstgemelde.
Artikel 873
In al de gevallen, waarin plaatsvervulling wordt toegelaten, heeft de verdeling bij staken plaats; indien dezelfde staak verscheidene takken heeft voortgebracht, geschiedt de onderverdeling in iedere tak wederom bij staken, en onder de personen in dezelfde tak geschiedt de verdeling bij hoofden.
Artikel 874
Niemand kan voor een levende persoon bij plaatsvervulling optreden.
Artikel 875
Een kind ontleent niet van zijn ouders het recht om hen te vertegenwoordigen, en men kan zelfs degene vertegenwoordigen, wiens boedel men niet heeft willen aanvaarden.
Artikel 876
De wet slaat geen acht, noch op de aard, noch op de oorsprong der goederen, om de erfopvolging in dezelve te regelen.
1.
Alle erfenissen, welke, hetzij geheel, hetzij voor een gedeelte, aan bloedverwanten in de opgaande of zijdlinie te beurt vallen, worden in twee gelijke delen gekloofd, waarvan het ene aan de nabestaanden in de vaderlijke, en het andere aan die in de moederlijke linie te beurt valt, behoudens de bepalingen in de artikelen 881, 882 en 886 voorkomende.
2.
De erfenis kan nimmer van de ene linie tot de andere overgaan, dan wanneer er in een der beide liniën, noch bloedverwant in de opgaande linie, noch zijdmaag gevonden wordt.
Artikel 878
Deze eerste verdeling tussen de vaderlijke en de moederlijke liniën daargesteld zijnde, heeft er geen verdere kloving tussen de onderscheiden takken plaats; maar de helft, aan iedere linie te beurt gevallen, behoort aan de erfgenaam, of de erfgenamen, welke de overledene het naast in graad bestaan, behoudens het geval van plaatsvervulling.
1.
De kinderen of hun afstammelingen erven van hun ouders, grootouders, of verdere bloedverwanten in de opgaande linie, zonder onderscheid van kunne of eerstgeboorte, en zelfs wanneer zij uit verschillende huwelijken verwekt zijn.
2.
Zij erven voor gelijke delen bij hoofden, wanneer zij allen in de eerste graad zijn, en uit eigen hoofde geroepen worden; zij erven bij staken, wanneer zij allen, of een gedeelte hunner, bij plaatsvervulling opkomen.
Artikel 879a
Voor zoveel betreft de nalatenschap van de vooroverleden echtgenoot wordt de langstlevende echtgenoot voor de toepassing der bepalingen van deze titel met een kind van de overledene gelijkgesteld.
1.
De langstlevende echtgenoot mag de inboedel tot zich nemen, tenzij hij tezamen erft met nakomelingen van de erflater die niet zijn eigen nakomelingen zijn.
2.
Voor zover deze inboedel behoort tot de nalatenschap van de erflater, komt de waarde daarvan alsdan in mindering van het erfdeel van die echtgenoot.
3.
Overtreft die waarde die van het erfdeel, dan moet het verschil aan de medeërfgenamen vooraf worden vergoed.
4.
In dit artikel wordt onder inboedel verstaan: alle roerende zaken, met uitzondering van geld, geldswaardige papieren, schepen, luchtvaartuigen en zaken die in de uitoefening van een beroep of bedrijf worden gebruikt.
1.
Indien de overledene noch nakomelingen, noch echtgenoot, noch broeders of zusters achterlaten heeft,wordt de nalatenschap in twee gelijke delen tussen de bloedverwanten in de vaderlijke, en die in de moederlijke opgaande linie verdeeld, behoudens de bepaling van artikel 886.
2.
De naaste in graad in de opgaande linie bekomt de helft aan zijn linie behorende, met uitsluiting van alle anderen.
3.
Bloedverwanten in de opgaande linie, van dezelfde graad, erven bij hoofde.
1.
Wanneer de vader en de moeder van een persoon, welke overleden is zonder nakomelingen en zonder echtgenoot na te laten, hem overleven, bekomt ieder hunner een derde gedeelte der nalatenschap, indien de verstorvene slechts één broeder of één zuster heeft achtergelaten, welke het overige derde gedeelte bekomt.
2.
De vader en de moeder erven ieder voor een vierde gedeelte, indien de overledene meerdere broeders of zusters heeft achtergelaten, en in dat geval vallen aan deze laatstgemelden de twee overige vierde gedeelten te beurt.
Artikel 882
Wanneer de vader of de moeder van iemand, overleden zonder nakomelingen en zonder echtgenoot na te laten, vóór hem gestorven is, zal de langstlevende de helft der nalatenschap bekomen, indien de overledene slechts één broeder of één zuster achterlaat; een derde, indien hij er twee achtergelaten heeft; en een vierde gedeelte, indien er meerdere broeders of zusters achtergebleven zijn. De overige delen vallen aan de broeders en zusters te beurt.
Artikel 883
Indien vader en moeder van een persoon, welke gestorven is zonder nakomelingen en zonder echtgenoot na te laten, vooroverleden zijn, worden de broeders en zusters tot de gehele erfenis geroepen.
Artikel 884
De verdeling van al hetgeen, volgens de bepalingen der hierboven staande artikelen, aan de broeders en de zusters toekomt, geschiedt onder hen in gelijke delen, indien zij allen van hetzelfde bed zijn; indien dit niet het geval is, wordt hetgeen zij erven in twee gelijke delen tussen de vaderlijke en de moederlijke liniën des overledenen verdeeld; de volle broeders en zusters bekomen hun deel in beide de liniën, en die van halven bedde slechts in de linie, tot welke zij behoren. Indien er niet dan halve broeders of zusters, van één kant slechts, zijn achtergebleven, bekomen zij de gehele nalatenschap, met uitsluiting van alle andere bloedverwanten in de andere linie.
1.
Bij gebreke van broeders en zusters, en tevens van nabestaanden in een der beide opgaande liniën, komt de nalatenschap voor de ene helft aan de in leven zijnde bloedverwanten in de opgaande linie, en voor de wederhelft aan de zijdmagen in de andere linie, met uitzondering van het geval bij het volgende artikel vermeld.
2.
Bij gebreke van broeders en zusters en van nabestaanden in de beide opgaande liniën, worden in iedere zijdlinie de naaste bloedverwanten, ieder voor de helft, tot de erfenis geroepen.
3.
Indien er in dezelfde zijdlinie bloedverwanten van dezelfde graad gevonden worden, delen zij onder elkander bij hoofden, behoudens de bepaling van artikel 872.
Artikel 886
De langstlevende vader of moeder erft alleen de gehele nalatenschap van zijn kind, hetwelke zonder nakomelingen, echtgenoot, broeders of zusters na te laten overleden is.
Artikel 887
Onder de benaming van broeders en zusters, in deze afdeling voorkomende, worden steeds de afstammelingen van ieder hunner begrepen.
1.
Bloedverwanten, welke de overledene verder dan in de zesde graad in de zijdlinie bestaan, erven niet.
2.
Indien in de ene linie geen bloedverwanten van de graad, waarin men erven kan, gevonden worden, bekomen de bloedverwanten in de andere linie de gehele erfenis.
1.
De goederen, welke iemand bij zijn overlijden nalaat, behoren aan zijn wettelijke erfgenamen, voor zover hij daarover niet bij uiterste wil wettiglijk mocht hebben beschikt.
2.
Men kan geen afstand doen van een erfenis die nog niet opengevallen is, noch over een zodanige nalatenschap enig beding aangaan, zelfs niet met toestemming van degene over wiens nalatenschap gehandeld wordt, behoudens de bepalingen van artikel 146 van Boek 1.
Artikel 902
Een testament of uiterste wil is een akte, houdende de verklaring van hetgeen iemand wil dat na zijn dood zal geschieden, en welke akte door hem kan worden herroepen.
1.
Uiterste wilsbeschikkingen ten aanzien van goederen zijn, of algemeen, of onder een algemene titel, of onder een bijzondere titel.
2.
Elk dezer beschikkingen, hetzij dezelve gedaan zij onder de benaming van erfstelling, hetzij onder de benaming van legaat, of onder elke andere benaming, zal kracht hebben, volgens de regelen bij deze titel voorgeschreven.
Artikel 904
Een uiterste wilsbeschikking ten voordele van de naaste bloedverwanten, of het naaste bloed van de erflater, zonder verdere aanduiding, wordt geacht te zijn gemaakt ten voordele van zijn door de wet geroepen erfgenamen.
Artikel 905
De uiterste wilsbeschikking ten voordele van de armen, zonder andere aanduiding, wordt geacht gemaakt te zijn ten behoeve van al de noodlijdenden, zonder onderscheid van godsdienst, welke in de plaats, alwaar de erfenis is opengevallen, door armeninrichtingen bedeeld worden.
1.
De erfstellingen over de hand of fideï-commissaire substitutiën zijn verboden.
2.
Dienvolgens is, zelfs ten aanzien van de benoemde erfgenaam of legataris, nietig en van onwaarde elke beschikking, waarbij dezelve belast wordt de erfenis of het legaat te bewaren, en aan een derde, voor het geheel of voor een gedeelte, uit te keren.
Artikel 907
Van de bij het vorige artikel verboden erfstellingen over de hand zijn uitgezonderd die, welke bij de zevende en achtste afdeling van deze titel zijn toegelaten.
1.
De bepaling waarbij een derde, of, bij diens vooroverlijden, al deszelfs kinderen, reeds geboren of die nog zullen worden geboren, zijn geroepen tot het geheel of tot een gedeelte van hetgeen de erfgenaam of legataris, bij zijn overlijden, van de erfenis of van het legaat onvervreemd of onverteerd zal overlaten, is geen verboden erfstelling over de hand.
2.
Door zodanige erfstelling of legaat mag de erflater zijn erfgenamen, aan welke een wettelijk erfdeel toekomt, niet benadelen.
Artikel 909
De beschikking, waardoor een derde tot een erfenis of een legaat geroepen wordt, in het geval dat de geroepen erfgenaam of legataris dezelve niet geniet, is van waarde.
Artikel 910
Artikel 906 is niet van toepassing op een legaat van een vruchtgebruiker.
Artikel 911
Een voorwaarde of een last die de strekking heeft de bevoegdheid tot vervreemding of bezwaring van goederen uit te sluiten, wordt voor niet geschreven gehouden.
Artikel 912
Indien de bewoordingen ener uiterste wilsbeschikking duidelijk zijn, mag men daarvan door uitlegging niet afwijken.
Artikel 913
Indien daarentegen de bewoordingen ener uiterste wilsbeschikking voor onderscheiden opvattingen vatbaar zijn, moet men veeleer nagaan, welke de bedoeling des erflaters geweest zij, dan zich, tegen die bedoeling, aan de letterlijke zin der woorden houden.
Artikel 914
In zodanig geval moeten ook de bewoordingen worden opgevat in de zin, die met de aard der beschikking en derzelver onderwerp het meest overeenkomt, en bij voorkeur in dier voege, dat de beschikking enige uitwerking of gevolg hebbe.
Artikel 915
In alle uiterste wilsbeschikkingen worden de voorwaarden, die onverstaanbaar of onmogelijk zijn, of die met de wetten en goede zeden strijden, voor niet geschreven gehouden.
Artikel 916
De voorwaarde wordt gehouden voor vervuld, wanneer hij, die bij de niet-vervulling daarvan belang mocht hebben, de vervulling heeft belet.
Artikel 917
De vermelding van een valse beweegreden wordt voor niet geschreven gehouden, tenzij uit de uiterste wil blijken mocht, dat de erflater de beschikking niet zoude hebben gemaakt, indien hij van de valsheid der beweegreden kennis had gedragen.
Artikel 918
De vermelding van een, hetzij ware, hetzij valse beweegreden, die echter met de wetten of de goede zeden strijdt, maakt de erfstelling of het legaat nietig.
Artikel 919
Indien een ondeelbare last aan verscheidene erfgenamen of legatarissen is opgelegd geworden, en een of meer hunner van de erfenis of het legaat afzien, ofwel onbekwaam zijn om het gemaakte te beuren, zal hij, die zich voor het geheel van de last wil kwijten, het hem nagelaten gedeelte kunnen vorderen, en zijn verhaal hebben op de nalatenschap, voor hetgeen hij voor de anderen mocht hebben betaald.
Artikel 920
Uiterste willen, gemaakt tengevolge van dwang, bedrog of arglist, zijn nietig. Artikel 44 van Boek 3 is niet van toepassing.
Artikel 921
Indien door een en hetzelfde ongeval, of op dezelfde dag, mochten omkomen de erflater en de erfgenaam of de legataris, of degene, die bij een geoorloofde ondererfstelling in plaats van deze laatste zoude zijn opgetreden, zonder dat men weten kunne, wie van de alzo omgekomenen het eerst overleden zij, worden zij vermoed op hetzelfde ogenblik gestorven te zijn, en er heeft geen overgang van rechten tengevolge van de uiterste wil plaats.
Artikel 922
Tot het maken of herroepen van een uiterste wil moet men zijn verstandelijke vermogens bezitten.
Artikel 923
Alle personen kunnen bij uiterste wil beschikken, en daaruit voordeel genieten, uitgezonderd de zodanigen, die daartoe, volgens de bepalingen van deze afdeling, zijn onbekwaam verklaard.
1.
Behalve zij die handelingsbekwaam zijn, kunnen ook minderjarigen die de leeftijd van zestien jaren hebben bereikt uiterste wilsbeschikkingen maken.
2.
Hij die onder curatele staat, kan slechts met toestemming van de rechter in eerste aanleg uiterste wilsbeschikkingen maken. De rechter kan aan zijn toestemming voorwaarden verbinden.
3.
De bekwaamheid van de erflater wordt beoordeeld naar de staat waarin hij zich bevond op het ogenblik dat de beschikking werd gemaakt.
Artikel 925
De bekwaamheid van de erflater wordt beoordeeld naar de staat, waarin hij zich bevond op het ogenblik dat de uiterste wil gemaakt is.
1.
Om uit kracht van een uiterste wil iets te kunnen genieten, moet men bestaan op het ogenblik van de dood des erflaters. Rechten uit een uiterste wil ten voordele van een rechtspersoon die voor dat ogenblik is opgehouden te bestaan ten gevolge van een fusie of splitsing, komen toe aan de verkrijgende rechtspersoon, onderscheidenlijk de verkrijgende rechtspersoon waarvan de aan de akte van splitsing gehechte beschrijving dat bepaalt. Indien aan de hand van de aan de akte van splitsing gehechte beschrijving niet kan worden bepaald welke rechtspersoon in de plaats en de rechten treedt van de gesplitste rechtspersoon, is artikel 352 van Boek 2 van overeenkomstige toepassing.
2.
Deze bepaling is niet toepasselijk op personen, die geroepen zijn om uit stichtingen genot te trekken.
Artikel 927
[vervallen]
Artikel 928
Een echtgenoot kan geen voordeel genieten door de uiterste wilsbeschikkingen van zijn medeëchtgenoot, indien het huwelijk zonder behoorlijke toestemming mocht zijn aangegaan, en de erflater gestorven is op een tijdstip, waarop de wettigheid van dit huwelijk te dier oorzake nog in rechten kon worden betwist.
Artikel 929
[vervallen]
Artikel 929a
[Vervallen]
Artikel 929b
[vervallen]
Artikel 930
Echtgenoten kunnen, ten opzichte van de goederen welke in gemeenschap zijn, niet verder beschikken dan over het aandeel, dat ieder hunner in de gemeenschap heeft. Indien echter enig goed uit de gemeenschap is gemaakt, kan de legataris hetzelve niet in natura vorderen, indien dat goed niet aan de erfgenamen van de erflater is aanbedeeld. In dat geval wordt de legataris schadeloosgesteld uit het aandeel in de gemeenschap, aan de erfgenamen van de erflater aangekomen, en, bij ongenoegzaamheid, uit de goederen aan die erfgenamen persoonlijk toebehorende.
1.
Een minderjarige, ofschoon de ouderdom van achttien jaren bereikt hebbende, kan bij uiterste wil ten voordele van zijn voogd geen beschikking maken.
2.
Meerderjarig geworden zijnde, kan hij zijn gewezen voogd net bij uiterste wil bevoordelen, dan na het afleggen en sluiten der voogdijrekening.
3.
Van de twee hierboven vermelde gevallen zijn uitgezonderd bloedverwanten van de minderjarige in de opgaande linie, die zijn voogden zijn of geweest zijn.
1.
Minderjarigen kunnen niet bij uiterste wil beschikken ten voordele van hun leermeesters, gouverneurs of gouvernanten, welke met hen tezamen wonen, noch ten voordele van hun onderwijzers of onderwijzeressen, bij welke de minderjarigen in de kost besteed zijn.
2.
Hiervan zijn uitgezonderd de beschikkingen tot vergelding van gedane diensten, bij wijze van legaat gemaakt, met inachtneming echter zowel van de gegoedheid van de maker, als van de diensten die aan dezelve zijn bewezen.
1.
De geneesheren, heelmeesters, apothekers en andere personen de geneeskunde uitoefenende, welke iemand, gedurende de ziekte waaraan hij overleden is, bediend hebben, alsmede de bedienaars van de godsdienst, welke hem gedurende die ziekte hebben bijgestaan, kunnen geen voordeel trekken uit de uiterste wilsbeschikkingen, welke zodanige persoon, gedurende de loop dier ziekte, te hunnen behoeve mocht hebben gemaakt.
2.
Ook kan degene die een voor de verzorging of verpleging van bejaarden of geestelijk gestoorden bestemde instelling exploiteert of die daarvan de leiding heeft of daarin werkzaam is, geen voordeel trekken uit de uiterste wilsbeschikkingen, welke zodanig persoon gedurende zijn verblijf in die instelling te zijnen behoeve mocht hebben gemaakt.
3.
Hiervan zijn uitgezonderd:
1°. de beschikkingen tot vergelding van gedane diensten, bij wijze van legaat gemaakt, evenals bij het vorige artikel is vastgesteld;
2°. de beschikkingen ten voordele van de echtgenoot van de erflater;
3°. de beschikkingen, zelfs algemene, gemaakt ten voordele van bloedverwanten tot de vierde graad ingesloten, indien de overledene geen erfgenamen in de rechte linie mocht hebben nagelaten; tenware degene, te wiens voordele de beschikking gemaakt is, zelf onder het getal dier erfgenamen mocht behoren.
Artikel 934
De notaris, die een uiterste wil bij openbare akte heeft verleden, en de getuigen, die daarbij zijn tegenwoordig geweest, kunnen niets genieten van hetgeen aan hen bij die uiterste wil mocht zijn gemaakt.
Artikel 935
[vervallen]
Artikel 936
[vervallen]
1.
Een uiterste wilsbeschikking, gemaakt ten voordele van iemand, die onbekwaam is om te erven, is nietig, zelfs wanneer de beschikking mocht zijn gemaakt op de naam van een tussenbeide komende persoon.
2.
Voor tussenbeide komende personen worden gehouden de vader en de moeder, de kinderen en afstammelingen, en de echtgenoot van degene, die onbekwaam is om te erven.
Artikel 938
Hij, die veroordeeld is omdat hij de erflater heeft omgebracht, hij, die de uiterste wil des erflaters heeft verdonkerd, vernietigd of vervalst, of die de erflater door geweld of dadelijkheden heeft belet zijn uiterste wil te herroepen of te veranderen, zal, evenmin als zijn medeëchtgenoot en zijn kinderen, uit de uiterste wil enig voordeel kunnen genieten.
Artikel 939
De legitieme portie of het wettelijk erfdeel is een gedeelte der goederen, hetwelk aan de bij de wet geroepen erfgenamen in de rechte linie wordt toegekend, en waarover de overledene, noch bij gift onder de levenden, noch bij uiterste wil, heeft mogen beschikken.
1.
In de nederdalende linie, indien de erflater slechts één kind nalaat, bestaat dat wettelijk erfdeel in de helft van de goederen, welke het kind bij versterf zoude hebben geërfd.
2.
Indien er twee kinderen overblijven, is het wettelijk erfdeel voor ieder kind twee derde gedeelten van hetgeen hetzelve bij versterf zoude erven.
3.
Ingeval de overledene drie of meer kinderen nalaat, zal het wettelijk erfdeel drie vierde gedeelten bedragen van hetgeen elk kind bij versterf zoude gehad hebben.
4.
Onder de naam van kinderen worden begrepen de afstammelingen, in welke graad zij ook zijn; echter worden dezen alleen gerekend in plaats van het kind, hetwelk zij in de nalatenschap van de erflater vertegenwoordigen.
Artikel 941
In de opgaande linie bedraagt het wettelijk erfdeel altijd de helft van hetgeen, volgens de wet, aan elke bloedverwant in die linie bij versterf toekomt.
Artikel 942
[vervallen]
1.
In de gevallen, waarin voor het berekenen der legitieme portie rekening moet worden gehouden met erfgenamen, die wel zijn erfgenamen bij versterf, doch niet zijn legitimarissen, zullen, wanneer aan anderen dan bedoelde erfgenamen, hetzij bij akte onder de levenden, hetzij bij uiterste wil, meer is geschonken dan het aandeel bedraagt, waarover men zou mogen beschikken, indien zodanige erfgenamen niet aanwezig waren, bedoelde giften of schenkingen kunnen worden verminderd tot genoemd bedrag, zulks op de vordering en ten bate van de legitimarissen en van derzelver erfgenamen of rechthebbenden.
2.
De artikelen 946–955 vinden overeenkomstige toepassing.
Artikel 943
Bij gebreke van legitimarissen mogen de giften, bij akte onder de levenden of bij uiterste wil gedaan, het gehele beloop der goederen van de nalatenschap bevatten.
Artikel 944
Wanneer de beschikking, bij akte onder de levenden of bij uiterste wil gedaan, bestaat in een vruchtgebruik of in een lijfrente, waarvan het beloop het wettelijk erfdeel benadeelt, hebben de erfgenamen, aan welke dat erfdeel is toegekend, de keus, of om deze beschikking uit te voeren, ofwel om aan de begiftigden of legatarissen de eigendom van het beschikbare gedeelte af te staan.
Artikel 945
Het aandeel, waarover men beschikken mag, kan, hetzij in het geheel of gedeeltelijk, bij akte onder de levenden of bij uiterste wil, aan vreemden, ofwel aan kinderen of andere personen, die tot een erfenis gerechtigd zijn, worden weggeschonken, behoudens de gevallen, waarin deze laatsten, naar aanleiding van de zestiende titel van dit boek, tot inbreng gehouden zijn.
1.
Legitimarissen en hun rechtverkrijgenden onder algemene titel kunnen makingen en giften die aan het wettelijk erfdeel tekort doen, door inkorting verminderen, indien voldaan is aan de vereisten, in deze afdeling daartoe gesteld.
Door inkorting wordt een making of gift vernietigd, voor zover zij aan het wettelijk erfdeel tekort doet. Artikel 52 van Boek 3 is niet van toepassing.
2.
Desniettegenstaande zullen de legitimarissen van die vermindering niets kunnen genieten ten nadele van de schuldeisers van de overledene.
Artikel 947
Om de hoegrootheid van het wettelijk erfdeel te bepalen, maakt men een opsomming van al de goederen, die op het tijdstip van het overlijden van de gever of erflater aanwezig waren; men voegt daarbij het beloop der goederen, waarover bij giften onder de levenden beschikt is, berekend naar de staat, waarin zij zich op het tijdstip der gift bevonden hebben, en hun waarde op het ogenblik van het overlijden van de gever; men berekent over al die goederen, na de schulden daarvan te hebben afgetrokken, hoeveel, naarmate van de betrekking der legitimarissen, het erfdeel is, hetwelk zij kunnen vorderen, en men trekt daarvan af hetgeen dezen, zelfs met vrijstelling van inbreng, van de overledene hebben ontvangen.
Artikel 948
Alle vervreemding van enig goed, hetzij onder de last ener lijfrente, hetzij met voorbehoud van vruchtgebruik, aan een der erfgenamen in de rechte linie gedaan, wordt beschouwd als een gift.
1.
Indien de gegeven zaak vóór het overlijden van de schenker, buiten schuld van de begiftigde, is verloren gegaan, zal zij niet worden begrepen onder de massa der goederen, over welke het wettelijk erfdeel moet worden berekend.
2.
De gegeven zaak zal onder de massa worden begrepen, indien zij ter oorzaak van het onvermogen van de begiftigde niet kan worden terugverkregen.
Artikel 950
De giften onder de levenden zullen nimmer mogen worden verminderd, dan nadat al de goederen, welke bij uiterste wil zijn weggemaakt, zullen bevonden worden niet genoegzaam te zijn om het wettelijk aandeel te verzekeren. Wanneer alsdan een vermindering van de giften onder de levenden moet plaatshebben, zal men dezelve aanvangen met de gift, welke het laatst gedaan is, en alzo verder van deze tot de vroegere opklimmen.
1.
De teruggave van de goederen, welke naar aanleiding van het voorgaande artikel moet plaatshebben, geschiedt in natura, niettegenstaande alle tegenstrijdige bepalingen.
2.
Indien echter de vermindering moet worden toegepast op een goed, hetwelk niet gevoeglijk kan worden verdeeld, zal de begiftigde, zelfs wanneer het een vreemde is, de bevoegdheid hebben om in gereed geld op te leggen, hetgeen de legitimaris toekomt.
Artikel 952
De vermindering der bij uiterste wil gedane makingen zal geschieden zonder onderscheid te maken tussen de erfstellingen en legaten, tenzij de erflater uitdrukkelijk mocht hebben bevolen, dat deze of gene erfstelling of legaat bij voorkeur moest worden voldaan; in welk geval zodanige erfstelling of legaat niet zal worden verminderd, dan ingeval de waarde van de andere makingen niet mocht toereikend zijn om het wettelijke erfdeel op te leveren.
Artikel 953
De begiftigde zal de vruchten van hetgeen de gift meer bedraagt dan het gedeelte, waarover beschikt kan worden, teruggeven, te rekenen van de dag dat de gever overleden is, indien de eis tot vermindering is gedaan binnen het jaar, en anderszins van de dag dat die eis gedaan is.
Artikel 954
De goederen, die uit kracht van vermindering in de boedel moeten terugkeren, worden daardoor vrij van beperkte rechten die daarop sinds de uitvoering van de gift zijn gevestigd.
1.
Tegenover derde-verkrijgers van vermaakte of gegeven goederen, aan wie niet een beroep op de artikelen 86 tot en met 88 van Boek 3 toekomt, moet worden ingekort volgens de volgorde dier vervreemdingen, te beginnen met die vervreemdingen welke het laatst gedaan is.
2.
Desniettemin zal de inkorting tegen derde verkrijgers geen plaatshebben, dan voor zover de begiftigde geen andere goederen mocht hebben overgehouden, welke in de gift begrepen waren, en deze niet genoegzaam zijn om het wettelijk erfdeel in zijn geheel te voldoen, en indien de waarde der vervreemde goederen niet op zijn persoonlijke goederen mocht kunnen worden verhaald.
3.
De rechtsvordering tot inkorting jegens derde-verkrijgers verjaart door het tijdsverloop van drie jaren, te rekenen van de dag waarop de legitimaris de erfenis heeft aanvaard.
Artikel 956
Geen uiterste wil kan bij dezelfde akte door twee of meer personen gemaakt worden, hetzij ten voordele van een derde, hetzij onder de titel van een wederkerige of onderlinge beschikking.
Artikel 957
Een uiterste wil kan alleen worden gemaakt, of bij een olografische of eigenhandig geschreven akte, of bij een openbare akte, of bij een geheime of gesloten beschikking.
1.
Een olografische uiterste wil moet met de hand des erflaters geheel geschreven en getekend zijn.
2.
Dezelve moet door de erflater bij een notaris in bewaring worden gesteld.
3.
De notaris, bijgestaan door twee getuigen, zal daarvan onmiddellijk een door hem met de erflater en de getuigen getekende akte van bewaargeving opmaken, hetzij aan de voet van de uiterste wil, indien dezelve open aan hem is ter hand gesteld, hetzij afzonderlijk, indien het stuk verzegeld aan hem mocht zijn aangeboden; in welk laatste geval de erflater, in tegenwoordigheid van de notaris en de getuigen, op de omslag moet aantekenen, en door zijn ondertekening bekrachtigen, dat hetzelve zijn uiterste wil bevat.
4.
Ingeval de erflater door enige verhindering, die na de ondertekening van de uiterste wil of van de omslag is opgekomen, de omslag of de akte van bewaargeving, ofwel beide, niet kan tekenen, moet de notaris daarvan, evenals van de oorzaak des beletsels, melding maken.
1.
Zodanige olografische uiterste wil, overeenkomstig het voorgaande artikel, door de notaris zijnde in bewaring genomen, heeft dezelfde kracht als een bij openbare akte gemaakte uiterste wil, en wordt gerekend gemaakt te zijn op de dag der akte van bewaargeving, zonder aanzien der dagtekening, welke zich in de uiterste wil zelf mocht bevinden.
2.
De als olografische uiterste wil door de notaris in bewaring genomen akte wordt, tot het bewijs van het tegendeel, vermoed met de hand van de erflater geheel geschreven en getekend te zijn.
1.
De erflater kan te allen tijde zijn olografische testament terugvorderen, mits hij, ter verantwoording van de notaris, van de teruggave bij een authentieke akte doe blijken.
2.
Door de teruggave wordt het olografische testament als herroepen beschouwd.
1.
Bij een enkel onderhands, door de erflater geheel geschreven, gedagtekend en ondertekend stuk, kunnen, zonder verdere formaliteiten, beschikkingen na dode worden gemaakt, doch alleen en bij uitsluiting ter aanstelling van executeren, ter bestelling van begrafenis, tot het maken van legaten van klederen, van lijfstoebehoren, van bepaalde lijfsieraden en van bijzondere meubelen.
2.
De herroeping van zodanig stuk kan op dezelfde wijze onder de hand geschieden.
Artikel 962
Indien zodanig stuk, als waarvan in het vorige artikel is gesproken, na het overlijden van de erflater gevonden wordt, moet hetzelve worden aangeboden aan de rechter van het kanton, alwaar de erfenis is opengevallen; deze zal, indien het stuk verzegeld is, hetzelve openen, en in alle geval een proces-verbaal van de aanbieding, alsmede van de staat waarin hetzelve zich bevindt, opmaken; hij zal eindelijk dat stuk aan een notaris ter hand stellen, ten einde hetzelve onder zijn minuten te bewaren.
Artikel 963
Een olografische uiterste wil, welke gesloten aan de notaris is ter hand gesteld, zal, na de dood des erflaters, aan de rechter in eerste aanleg worden aangeboden, welke zal handelen zoals bij artikel 968, ten aanzien van besloten uiterste willen is voorgeschreven.
Artikel 964
Een uiterste wil bij openbare akte moet ten overstaan van een notaris, en in tegenwoordigheid van twee getuigen, worden verleden.
1.
De notaris moet de wil des erflaters, zoals die zakelijk aan hem door de erflater is opgegeven, in duidelijke bewoordingen schrijven of doen schrijven.
2.
Indien de opgave buiten de tegenwoordigheid der getuigen is gedaan, en het opstel door de notaris is gereedgemaakt, moet de erflater, alvorens de voorlezing daarvan geschiede, zijn wil nader zakelijk, in tegenwoordigheid der getuigen, opgeven.
3.
Daarna zal, in tegenwoordigheid der getuigen, de uiterste wil door de notaris worden voorgelezen, en na die voorlezing door hem aan de erflater worden afgevraagd, of het voorgelezene zijn uiterste wil bevat.
4.
Indien de uiterste wil in tegenwoordigheid der getuigen is opgegeven, en terstond is in geschrift gebracht, zal gelijke voorlezing en afvraging in tegenwoordigheid der getuigen geschieden.
5.
De akte moet vervolgens door de erflater, de notaris en de getuigen worden ondertekend.
6.
Indien de erflater verklaart, dat hij niet kan ondertekenen, of indien hij daarin verhinderd wordt, moet ook die verklaring en de oorzaak der verhindering in de akte worden vermeld.
7.
Van de nakoming van al deze formaliteiten moet uitdrukkelijk worden melding gemaakt in de akte van uiterste wil.
1.
Wanneer de erflater een besloten of geheim testament wil maken, zal hij verplicht zijn zijn beschikkingen te ondertekenen, hetzij hij die zelf geschreven hebbe, hetzij hij die door een ander hebbe laten schrijven; het papier hetwelk zijn beschikkingen bevat, of het papier hetwelk tot een omslag dient, indien er een omslag gebruikt wordt, zal gesloten en verzegeld worden.
2.
De erflater zal hetzelve alzo gesloten en verzegeld aan de notaris, in tegenwoordigheid van vier getuigen, aanbieden, of hij zal het in hun tegenwoordigheid moeten doen sluiten en verzegelen, en moeten verklaren, dat in het gemelde papier zijn uiterste wil begrepen is, en dat die uiterste wil, hetzij door hem zelf geschreven en door hem getekend is, of door een ander geschreven en door hem getekend is. De notaris zal daarvan een akte van superscriptie opmaken, die op dat papier, of op het papier tot omslag dienende, zal geschreven worden; deze akte zal zowel door de erflater, als door de notaris, benevens de getuigen, ondertekend worden, en, ingeval de erflater door enige verhindering, die na de ondertekening van de uiterste wil is opgekomen, de akte van superscriptie niet kan ondertekenen, zal van de oorzaak van het beletsel melding gemaakt worden.
3.
Al de in tegenwoordigheid van de notaris en de getuigen in acht te nemen formaliteiten moeten worden vervuld, zonder intussen tot enige andere akte over te gaan.
4.
De besloten of geheime uiterste wil moet onder de minuten van de notaris blijven berusten, die dat stuk ontvangen heeft.
1.
Ingeval de erflater niet kan spreken, maar wel schrijven, zal hij een besloten uiterste wil kunnen maken, mits dezelve met zijn hand geheel geschreven, gedagtekend en ondertekend worde, hij dezelve aan de notaris en de getuigen aanbiede, en boven de akte van superscriptie in hun tegenwoordigheid schrijve en ondertekene, dat het papier hetwelk hij hun aanbiedt zijn uiterste wil is; waarna de notaris de akte van superscriptie zal schrijven, en daarin melding maken, dat de erflater die verklaring, in tegenwoordigheid van de notaris en de getuigen, geschreven heeft, en zal bovendien worden in acht genomen al hetgeen bij het voorgaande artikel is bepaald.
2.
De uiterste willen, in het voorgaande en in dit artikel bedoeld, worden, tot het bewijs van het tegendeel, vermoed door de erflater ondertekend, laatstgemelde uiterste willen daarenboven met zijn hand geheel geschreven en gedagtekend te zijn.
Artikel 968
Na de dood van de erflater moet de besloten of geheime uiterste wil worden aangeboden aan de rechter, binnen wiens rechtsgebied de erfenis is opengevallen; deze rechter zal die uiterste wil openen, en proces-verbaal opmaken van de aanbieding en de opening van de uiterste wil, alsmede van de staat waarin zich dezelve bevindt, en dit stuk daarna aan de notaris, die de aanbieding heeft gedaan, teruggeven.
Artikel 969
De notaris, die onder zijn minuten een uiterste wil, van welke aard ook, heeft, moet daarvan, na de dood van de erflater, aan de belanghebbende personen kennis geven.
1.
De getuigen, die bij het maken van uiterste willen tegenwoordig zijn, moeten zijn meerderjarig, en ingezetenen van Curaçao, Sint Maarten, of van de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba. Zij moeten de taal verstaan waarin de uiterste wil is opgesteld, of die waarin de akte van superscriptie of bewaargeving is geschreven.
2.
Tot getuigen van een uiterste wil, bij openbare akte op te maken, kunnen niet genomen worden de erfgenamen of de legatarissen, noch derzelver bloedverwanten of aangehuwden, tot in de vierde graad ingesloten, noch de kinderen of kleinkinderen, of bloedverwanten in dezelfde graad, noch de huisbedienden der notarissen, voor welke de uiterste wil verleden wordt.
1.
Een ingezetene van de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius of Saba, die zich in een vreemd land bevindt, zal geen andere uiterste wil kunnen maken dan bij authentieke akte, en met inachtneming van de formaliteiten, welke in het land, alwaar de akte verleden wordt, gebruikelijk zijn.
2.
Hij is echter bevoegd om bij een onderhands stuk te beschikken, op de voet en de wijze als bij artikel 961 is omschreven.
Artikel 972
In tijd van oorlog kunnen de krijgslieden en andere personen tot de legers behorende, en zich in het veld ofwel in een belegerde plaats bevindende, hun uiterste wil maken ten overstaan van een officier, of, zo er geen officier aanwezig is, van de persoon, die op de plaats het hoogste militaire gezag uitoefent, en in tegenwoordigheid van twee getuigen.
Artikel 973
De uiterste wil van personen, die zich, gedurende de loop ener reis, op zee bevinden, kan verleden worden ten overstaan van de kapitein of de stuurman van het vaartuig, of, bij gebreke van dezelve, voor degene, die hun plaats vervult, in tegenwoordigheid van twee getuigen.
Artikel 974
In plaatsen, met welke alle gemeenschap, uit hoofde van de pest of andere besmettelijke ziekte, verboden is, of waar geen mogelijkheid bestaat om zich van het ministerie van een notaris te bedienen, kunnen de uiterste willen gemaakt worden voor elk openbaar ambtenaar, in tegenwoordigheid van twee getuigen.
1.
De uiterste willen, in de drie voorgaande artikelen vermeld, zullen door de erflaters, alsmede door degenen voor wie zij verleden zijn, en ten minste door een der getuigen, ondertekend moeten worden.
2.
Indien de erflater of een der getuigen verklaart, dat hij niet schrijven kan of belet wordt te tekenen, zal van die verklaring, alsmede van de oorzaak van het beletsel, in de akte uitdrukkelijk worden melding gemaakt.
Artikel 976
Deze uiterste willen zullen krachteloos zijn, indien de erflater komt te sterven zes maanden nadat de oorzaak, waarom dezelve in die vorm zijn gemaakt, heeft opgehouden.
Artikel 977
In de gevallen, bij de artikelen 972, 973 en 974 voorzien, kunnen de daarbij vermelde personen beschikken bij een onderhands stuk, mits hetzelve geheel door de hand des erflaters zij geschreven, gedagtekend en ondertekend.
Artikel 978
Zodanige uiterste wil zal krachteloos zijn, indien de erflater is overleden drie maanden nadat de oorzaak, in voorzeide drie artikelen vermeld, heeft opgehouden, tenware dat stuk bij een notaris mocht zijn in bewaring gegeven, op de wijze als bij artikel 958 is voorgeschreven.
Artikel 979
De formaliteiten, waaraan de onderscheiden uiterste willen, volgens de bepalingen van deze afdeling, onderworpen zijn, moeten worden in acht genomen, op straffe van nietigheid.
Artikel 980
Erfstelling is een uiterste wilsbeschikking, waarbij de erflater aan een of meer personen de goederen geeft, welke hij bij zijn overlijden zal nalaten, hetzij in het geheel, hetzij voor een gedeelte, zoals de helft, een derde.
1.
Bij het overlijden van de erflater, treden van rechtswege in het bezit van de nagelaten goederen, zowel de bij uiterste wil benoemde erfgenamen, als degenen aan wie de wet een gedeelte in de nalatenschap toekent.
2.
Artikel 862 is op hen toepasselijk.
Artikel 982
[vervallen]
Artikel 983
Een legaat is een bijzondere beschikking, waarbij de erflater aan een of meer personen zekere bepaalde goederen geeft, ofwel al zijn goederen van een zekere soort of het vruchtgebruik van alle of van een gedeelte zijner goederen.
Artikel 984
Alle zuivere en onvoorwaardelijke legaten geven, van de dag van het overlijden van de erflater af, aan de legataris het recht op verkrijging van het gelegateerde, welk recht op zijn erfgenamen of rechtverkrijgenden overgaat.
1.
De legataris zal de afgifte van het gelegateerde aan de erfgenamen of legatarissen, die daarmede belast zijn, moeten vragen.
2.
Hij heeft recht op de vruchten of rente, van de dag van het overlijden van de erflater af, indien de eis tot afgifte binnen het jaar is gedaan, of indien die afgifte binnen hetzelfde tijdvak vrijwillig heeft plaatsgehad. Indien die eis later geschiedt, heeft hij slechts recht op de vruchten en de rente, te rekenen van de dag dat de eis gedaan is.
3.
Degenen op wie de schuld uit een legaat van een geldsom rust, komt niet in verzuim door het enkele verstrijken van een voor de voldoening bepaalde termijn.
Artikel 986
[vervallen]
Artikel 987
De belastingen, welke, onder welke benaming ook, op legaten ten behoeve van de Staat gelegd zijn, komen ten laste van de legataris, tenzij de erflater het tegendeel hebbe bevolen.
Artikel 988
Indien de erflater aan onderscheiden legatarissen de voldoening van een last heeft opgelegd, zijn zij daartoe gehouden, elk in evenredigheid van de hoegrootheid van zijn legaat, tenzij de erflater daaromtrent anders mocht hebben beschikt.
Artikel 989
Het gelegateerde zal worden uitgekeerd met al hetgeen daartoe behoort, en in de staat, waarin het zich op de dag van het overlijden van de erflater bevindt.
1.
Hetgeen echter de erflater, na het legateren van enige onroerende zaak of een beperkt recht waaraan deze is onderworpen, tot vergroting van die zaak heeft aangekocht of verkregen, is, al ware het ook daaraan grenzende, niet in het legaat begrepen, tenzij de erflater anders hadde bevolen.
2.
De verbeteringen, verfraaiingen of nieuwe opbouwingen, op de onroerende zaak door de erflater gemaakt, of de vergroting van de omtrek van een ingesloten grond, zullen zonder nieuwe beschikking gerekend worden een gedeelte van het legaat uit te maken.
Artikel 991
Indien, vóór of na het maken van de uiterste wil, de gelegateerde zaak voor een schuld van de nalatenschap, of ook voor de schuld van een derde, bij hypotheek verbonden of met een vruchtgebruik belast is, is degene, die het legaat moet uitkeren, niet gehouden om het goed van dat verband te ontheffen, tenware hij bij een uitdrukkelijke beschikking van de erflater belast zij zulks te doen.
Artikel 992
Wanneer de erflater enig bepaald goed van een ander gelegateerd heeft, zal dit legaat nietig zijn, hetzij de erflater al dan niet geweten hebbe, dat dit goed hem niet toebehoorde.
Artikel 993
De bepaling van het vorige artikel belet echter niet, dat aan de erfgenaam of legataris, als voorwaarde, de verplichting kan worden opgelegd, om aan derden zekere uitkeringen uit zijn eigen goederen te doen, of schulden kwijt te schelden.
Artikel 994
Legaten van onbepaalde zaken, doch van een zeker geslacht, zijn bestaanbaar, hetzij de erflater zodanige zaken hebbe nagelaten of niet.
Artikel 995
Wanneer het legaat in een onbepaalde zaak bestaat, is de erfgenaam niet verplicht de beste soort te geven, maar hij kan ook met het afgeven der slechtste niet volstaan.
Artikel 996
Indien blotelijk de vruchten of inkomsten zijn gelegateerd, zonder dat de erflater het woord «vruchtgebruik» of «gebruik» heeft gebezigd, blijft het goed onder het beheer van de erfgenaam, die verplicht is de vruchten en inkomsten aan de legataris uit te keren.
Artikel 997
Een legaat, aan een schuldeiser gemaakt, wordt niet gerekend tot afdoening der schuld te zijn nagelaten, zomin als een legaat, aan dienstboden gemaakt, kan geacht worden tot betaling van verdiend loon gegeven te zijn.
Artikel 998
Wanneer de nalatenschap niet voor het geheel of een gedeelte is aanvaard, of wanneer dezelve is aanvaard onder het voorrecht van boedelbeschrijving, en de nagelaten goederen niet voldoende zijn om de legaten in hun geheel te voldoen, zullen al de legaten, in evenredigheid van hun hoegrootheid, worden verminderd, tenware de erflater daaromtrent anders mocht hebben beschikt.
1.
De goederen, waarover ouders het recht van beschikking hebben, kunnen door hen, bij uiterste wil, geheel of gedeeltelijk, worden gegeven aan een of meer hunner kinderen, met last om die goederen uit te keren, zowel aan derzelver kinderen die reeds geboren zijn, als aan die welke nog geboren zullen worden.
2.
In geval van vooroverlijden van een kind, zal dezelfde beschikking kunnen worden gemaakt ten voordele van een of meer kleinkinderen, met last om de goederen aan hun kinderen, welke reeds geboren zullen worden, uit te keren.
1.
Insgelijks zal de uiterste wilsbeschikking bestaanbaar zijn ten voordele van een of meer broeders of zusters van de erflater, voor het geheel of een gedeelte der goederen, die bij de wet niet buiten beschikking gehouden zijn, onder de last om de goederen uit te keren, zowel aan de kinderen van zijn voorzeide broeders en zusters welke reeds geboren zijn, als aan die welke nog geboren zullen worden.
2.
Dezelfde beschikking kan worden gemaakt ten voordele van een of meer kinderen van vooroverleden broeders of zusters, onder de last om de goederen uit te keren, zowel aan derzelver kinderen die reeds geboren zijn, als aan die welke nog geboren zullen worden.
1.
Indien de bezwaarde erfgenaam sterft, met achterlating van kinderen in de eerste graad, en afkomelingen van een vooroverleden kind, zullen deze laatsten, bij plaatsvervulling, het aandeel van het vooroverleden kind genieten.
2.
Hetzelfde zal plaatshebben, indien, al de kinderen in de eerste graad vooroverleden zijnde, degene, die met de overgave belast is, niet dan kleinkinderen nalaat.
Artikel 1002
De beschikkingen, bij de artikelen 999 en 1000 toegelaten, zullen niet anders gelden dan voor zover de erfstelling over de hand slechts zal zijn gemaakt voor één graad, en ten voordele van al de kinderen van de bezwaarde persoon die reeds geboren zijn, en nog geboren zullen worden, zonder uitzondering of voorrang van ouderdom of kunne.
1.
De rechten van de bij erfstelling over de hand geroepen erfgenamen nemen aanvang op het tijdstip dat het genot van de bezwaarde ophoudt.
2.
De vrijwillige afstand van het genot, ten voordele van de verwachters gedaan, zal geen nadeel kunnen toebrengen aan de schuldeisers van de bezwaarde persoon, wiens schuldvorderingen ouder dan deze afstand zijn, noch aan de kinderen, die na die afstand mochten geboren worden.
1.
Hij, die de, volgens de voorgaande artikelen, geoorloofde beschikkingen maakt, mag bij uiterste wil, of bij een latere notariële akte, het goed zelf, gedurende de tijd van het bezwaar, onder het beheer stellen van een of meer bewindvoerders.
2.
Op het bewind zijn de bepalingen omtrent het bewind over een vruchtgebruik van toepassing.
Artikel 1005
Bij overlijden of bij gebreke van de gestelde bewindvoerder, benoemt de rechter in eerste aanleg, op verzoek van de bezwaarden of van andere belanghebbenden, of ook op vordering van het openbaar ministerie, een andere in de plaats van de ontbrekende.
1.
Binnen een maand na het overlijden van degene, die, onder de last van uitkering, over de goederen beschikt heeft, zal, op verzoek van de gestelde bewindvoerder, van de belanghebbende, of van het openbaar ministerie, een boedelbeschrijving worden gemaakt van al de goederen, die de nalatenschap uitmaken.
2.
Indien het gemaakte slechts in een legaat bestaat, zal er een bijzondere lijst worden gemaakt van al de daaronder begrepen voorwerpen.
3.
Deze boedelbeschrijving of lijst zal de begroting der goederen bevatten.
1.
De boedelbeschrijving of lijst zal gemaakt worden in tegenwoordigheid van de benoemde bewindvoerder en andere belanghebbenden, of dezen behoorlijk zijnde opgeroepen.
2.
Indien dezen bij de boedelbeschrijving tegenwoordig zijn, kan dezelve onder de hand geschieden; in welk geval dat stuk, binnen de tijd van veertien dagen na het voleindigen van de boedelbeschrijving, ter griffie van het gerecht in eerste aanleg moet worden overgebracht.
3.
De kosten, daarop vallende, komen ten laste der goederen, in de beschikking over de hand begrepen.
Artikel 1008
Indien de erflater geen bewindvoerder heeft benoemd, worden de goederen door de bezwaarde erfgenaam beheerd, en is deze verplicht zekerheid te stellen voor de bewaring, het behoorlijke gebruik en de wederoplevering der goederen, tenware de erflater hem uitdrukkelijk van alle verplichting tot het stellen van zekerheid hadde vrijgesteld.
Artikel 1009
De bezwaarde erfgenaam, die, in het geval van het vorige artikel, geen zekerheid kan stellen, moet gedogen, dat de goederen, op verzoek van belanghebbenden, of op de vordering van het openbaar ministerie, worden gesteld onder het beheer van een bewindvoerder, door de rechter in eerste aanleg te benoemen. Op het beheer zijn de bepalingen omtrent het bewind over een vruchtgebruik van toepassing.
Artikel 1010
De bezwaarde erfgenaam, die zelf het beheer heeft, moet het bezwaarde goed als een goed huisvader gebruiken, en staat daaromtrent, alsmede ten aanzien van het dragen van kosten en lasten, en het doen van reparatiën, gelijk met een vruchtgebruiker.
1.
De registergoederen, alsmede de renten en schuldvorderingen, mogen niet worden vervreemd of bezwaard dan op verlof van de rechter in eerste aanleg, na verhoor van de verwachter.
2.
Deze machtiging kan alleen verleend worden in geval van volstrekte noodzakelijkheid, of van blijkbaar voordeel, zowel van de verwachter als van de bezwaarde erfgenamen, en, in geval van vervreemding, tegen zekerheid van wederbelegging onder het fideï-commissair verband, indien de bezwaarde het goed zelf beheert.
3.
Indien de goederen onder bewind zijn gesteld, zijn de bewindvoerders verplicht de opbrengst te beleggen, op de voet als ten aanzien van voogden is voorgeschreven.
Artikel 1012
[vervallen]
Artikel 1013
[vervallen]
Artikel 1014
[vervallen]
Artikel 1015
In geval van erfstelling of van legaat, op de voet als bij artikel 908 is vermeld, is de bezwaarde erfgenaam of legataris bevoegd om het aan hem gemaakte te vervreemden en te verteren, en zelfs bij schenking onder de levenden daarover te beschikken, tenzij dit laatste door de erflater, voor het geheel of ten dele, mocht zijn verboden.
Artikel 1016
De verplichting tot het maken ener boedelbeschrijving of lijst, na het overlijden van de erflater, en tot het overbrengen van die stukken ter griffie van het gerecht in eerste aanleg, bij de artikelen 1006 en 1007 voorgeschreven, is ook toepasselijk op de bezwaarde erfgenaam of legataris, van welke bij deze afdeling wordt gehandeld; doch hij is niet gehouden om enige zekerheid te stellen.
1.
Na het overlijden van de bezwaarde erfgenaam of legataris heeft de verwachter het recht, om de dadelijke afgifte te vorderen van hetgeen van de erfenis of van het legaat in natura mocht zijn overgebleven.
2.
Ten aanzien van de gerede penningen of van de opbrengst der vervreemde goederen, kan uit aantekeningen van de bezwaarde erfgenaam of legataris, uit huiselijke papieren, of door alle andere bewijsmiddelen worden opgemaakt, of, en in hoeverre, er iets van de erfenis of van het legaat is overgebleven.
Artikel 1018
Een uiterste wil kan, noch in zijn geheel, noch ten dele, herroepen worden dan bij een latere uiterste wilsbeschikking, of bij een bijzondere notariële akte, waarbij de erflater de gehele of gedeeltelijke intrekking van zijn vroegere uiterste wil te kennen geeft, onverminderd de bepaling van artikel 960.
Artikel 1019
Indien een latere uiterste wil, welke de uitdrukkelijke herroeping van de vorige bevat, niet is voorzien van de formaliteiten, welke tot de deugdelijkheid van een uiterste wil worden vereist, maar wel van die, welke gevorderd worden tot de deugdelijkheid van een notariële akte, zullen de vroegere beschikkingen, welke in de latere akte mochten zijn herhaald, niet als herroepen worden beschouwd.
1.
Een latere uiterste wil, waarbij de voorgaande niet op een uitdrukkelijke wijze herroepen wordt, vernietigt alleen de beschikkingen, in die vroegere uiterste wil vervat, welke met de nieuwe beschikkingen niet zijn overeen te brengen, of daarmede strijden.
2.
De bepaling van dit artikel is niet toepasselijk, wanneer de latere uiterste wil nietig is uit hoofde van gebrek in de vorm, al ware dezelve ook geldig als notariële akte.
Artikel 1021
De herroeping, hetzij uitdrukkelijk, hetzij stilzwijgend, bij een latere uiterste wil gedaan, zal volkomen van kracht zijn, ofschoon die nieuwe akte buiten gevolg blijve door de onbevoegdheid van de gestelde erfgenaam of legataris, of door hun weigering om de erfenis te aanvaarden.
Artikel 1022
Alle vervreemding, zelfs bij verkoop met vermogen van wederinkoop, of bij verruiling, welke de erflater van het gelegateerde goed, geheel of gedeeltelijk, doet, zal de herroeping van het legaat, ten aanzien van al wat vervreemd of verruild is, met zich brengen, tenware het vervreemde goed in des erflaters boedel mocht zijn teruggekeerd.
Artikel 1023
Alle beschikking bij uiterste wil gedaan, onder een voorwaarde, van een onzekere gebeurtenis afhangende, en van zodanige aard, dat de erflater gerekend moet worden aan het al of niet voorvallen dier gebeurtenis de uitvoering zijner beschikking verbonden te hebben, zal vervallen, indien de gestelde erfgenaam of legataris vóór de vervulling der voorwaarde komt te overlijden.
Artikel 1024
Wanneer de voorwaarde, volgens de bedoeling van de erflater, alleen de uitvoering der beschikking opschort, belet zulks niet, dat de gestelde erfgenaam of legataris een verkregen recht hebbe, hetwelk hij aan zijn erfgenamen overdraagt.
1.
Een legaat vervalt, wanneer het gelegateerde goed, bij het leven van de erflater, geheel is tenietgegaan.
2.
Hetzelfde heeft ook plaats, indien het goed, na zijn dood, zonder toedoen of schuld van de erfgenaam of van andere personen, door welke het legaat verschuldigd is, teniet is gegaan, ofschoon dezen mochten hebben verzuimd dat goed op zijn tijd uit te keren, wanneer het, in handen van de legataris geweest zijnde, eveneens zoude zijn tenietgegaan.
Artikel 1026
Een legaat van een rente, inschuld of andere schuldvordering op een derde, vervalt ten aanzien van hetgeen gedurende het leven van de erflater daarop mocht zijn betaald.
1.
Een beschikking, bij uiterste wil gedaan, vervalt, wanneer de gestelde erfgenaam of legataris de erfenis of het legaat verwerpt, of onbekwaam bevonden wordt om dezelve te genieten.
2.
Indien bij de beschikking voordelen aan derden waren gemaakt, zullen dezelve, in dat geval, niet vervallen, maar zal degene, aan wie de erfenis of het legaat opkomt, daarmede belast blijven, behoudens echter de bevoegdheid van deze, om van de erfenis of van het legaat gaaf en onvoorwaardelijk afstand te doen ten behoeve van degene, aan wie de voordelen waren besproken.
1.
Er zal aanwas plaatshebben ten voordele van de gestelde erfgenamen of legatarissen, ingeval de erfstelling of het legaat aan verscheidene personen gezamenlijk gemaakt is, en de beschikking ten opzichte van enigen der medeërfgenamen of medelegatarissen geen gevolg kan hebben.
2.
De erfstelling of het legaat zal geacht worden gezamenlijk gemaakt te zijn, wanneer het gemaakt is bij een en dezelfde beschikking, en de erflater niet aan elk der medeërfgenamen of medelegatarissen zijn bepaalde aandeel in het goed heeft aangewezen, zoals de helft, een derde deel, enz.
3.
De uitdrukking «voor gelijke aandelen» of «gedeelten» wordt niet geacht een aanwijzing te zijn van een zodanig bepaald aandeel, als waarvan in dit artikel gesproken wordt.
Artikel 1029
Voorts zal de erflater mede geacht worden gezamenlijk gelegateerd te hebben, wanneer een zaak, die zonder schade te lijden niet voor verdeling vatbaar is, bij dezelfde akte aan onderscheiden personen, al ware het ook afzonderlijk, is gemaakt geworden.
Artikel 1030
De vervallenverklaring van uiterste wilsbeschikkingen kan, na de dood des erflaters, worden gevraagd, ter zake van het niet ten uitvoer brengen der voorwaarden.
1.
Een erflater mag, hetzij bij uiterste wil, hetzij bij zodanige onderhandse akte als bij artikel 961 vermeld is, hetzij bij een bijzondere notariële akte, een of meer uitvoerders van zijn uiterste wilsbeschikking aanstellen.
2.
Hij kan ook verscheidene personen benoemen, ten einde bij ontstentenis elkander als uitvoerders op te volgen.
Artikel 1032
Handelingsonbekwamen, zij van wie een of meer goederen onder een bewind als bedoeld in titel 19 van Boek 1 zijn gesteld, en zij die in staat van faillissement verkeren, kunnen niet uitvoerder van uiterste wilsbeschikkingen zijn.
1.
Aan de uitvoerders van uiterste wilsbeschikkingen kan door de erflater de bezitneming van al de goederen der nalatenschap, of van een bepaald gedeelte daarvan, worden gegeven.
2.
Het bezit zal van rechtswege niet langer duren dan één jaar, te rekenen van de dag waarop de uitvoerders zich in het bezit hebben kunnen stellen.
Artikel 1034
Indien al de erfgenamen het daaromtrent eens zijn, kunnen zij het bezit doen ophouden, mits zij de uitvoerders der uiterste wilsbeschikking in staat stellen tot de betaling of afgifte der zuivere en onvoorwaardelijke legaten, of doen blijken dat die legaten reeds zijn voldaan.
Artikel 1035
De uitvoerders ener uiterste wilsbeschikking moeten de nalatenschap doen verzegelen, indien er minderjarige of onder curatele gestelde erfgenamen zijn, welke op het overlijden van de erflater van geen voogden of curators zijn voorzien, of zodanige erfgenamen, welke noch in persoon noch bij gemachtigde tegenwoordig zijn.
Artikel 1036
Zij moeten een boedelbeschrijving doen opmaken van de goederen der nalatenschap, in tegenwoordigheid, of na bij behoorlijk exploit gedane oproeping der erfgenamen, welke zich binnen het eiland, waarop de nalatenschap is opengevallen, bevinden.
Artikel 1037
Zij dragen zorg dat des overledenen uiterste wil worde ten uitvoer gelegd, en zij kunnen, in geval van geschil, in rechten optreden om de geldigheid van de uiterste wil staande te houden.
1.
Indien de vereiste penningen niet voorhanden zijn tot het uitkeren der legaten, hebben de uitvoerders de bevoegdheid om de goederen des boedels, in het openbaar, en volgens de gebruiken der plaats, te doen verkopen; alles tenware de erfgenamen mochten goedvinden om het nodige voorschot van penningen te doen. Voor de verkoop van registergoederen behoeven de uitvoerders de toestemming der erfgenamen of, bij gebreke daarvan, de machtiging van de rechter in eerste aanleg.
2.
Die verkoop zal ook onder de hand kunnen geschieden, indien al de erfgenamen het daaromtrent zijn eens geworden, behoudens de bepalingen ten opzichte van minderjarigen en onder curatele gestelde personen.
1.
De uitvoerders zijn bevoegd, in het openbaar en met inachtneming der plaatselijke gebruiken, zodanige roerende goederen te verkopen, die aan bederf onderhevig zijn, of uit anderen hoofde niet zonder schade voor de boedel kunnen worden aangehouden.
2.
De onderhandse verkoop dier goederen kan alleen geschieden in het geval bij het tweede lid van het vorige artikel omschreven.
Artikel 1040
De uitvoerders, die het bezit van de nalatenschap hebben, zijn bevoegd om, zelfs in rechten, de schulden in te vorderen, welke, gedurende dat bezit, vervallen en opeisbaar zijn.
Artikel 1041
Zij hebben geen bevoegdheid om de goederen der nalatenschap te verkopen, ten einde dezelve tot verdeling te brengen, maar zijn verplichten om, bij het eindigen van hun beheer, aan de belanghebbenden rekening en verantwoording te doen, met uitkering van al de goederen des boedels, benevens het slot der rekening, ten einde tussen de erfgenamen verdeeld te worden. In het maken der verdeling moeten zij de erfgenamen behulpzaam zijn, indien dezen zulks vorderen.
Artikel 1042
De macht van de uitvoerder eens uitersten wils gaat niet tot zijn erfgenamen over.
Artikel 1043
Indien er verscheidene uitvoerders van een uiterste wilsbeschikking zijn, die deze last aangenomen hebben, kan één hunner, bij gebreke van de andere, alleen werkzaam zijn, en zij zijn ieder voor het geheel ter zake van hun beheer aansprakelijk, tenware de erflater hun werkzaamheden mocht verdeeld hebben, en dat ieder hunner zich binnen de kring der hem opgedragen bemoeienissen hebbe gehouden.
Artikel 1044
De onkosten, door de uitvoerder ener uiterste wilsbeschikking gemaakt, voor de verzegeling, de boedelbeschrijving, de rekening en verantwoording, en de overige tot zijn werkzaamheden betrekkelijke zaken, komen ten laste der nalatenschap.
Artikel 1045
Elke bepaling, waarbij de erflater bevolen heeft, dat de uitvoerder zijns uitersten wils van het opmaken ener boedelbeschrijving, of van het afleggen van rekening en verantwoording zal zijn ontheven, is van rechtswege nietig.
1.
Onverminderd het reeds bepaalde voor het geval van vruchtgebruik, van erfstellingen over de hand, en van minderjarigen en onder curatele gestelden, mag de erflater bij uiterste wil, of bij een bijzondere notariële akte, een of meer bewindvoerders aanstellen, ten einde de goederen, aan zijn erfgenamen of legatarissen nagelaten, gedurende derzelver leven, of gedurende een bepaalde tijd, te beheren, mits hierdoor geen inbreuk worde gemaakt op de vrije uitkering van het wettelijk aandeel der erfgenamen.
2.
De bepalingen van artikel 1048 zijn op dit geval toepasselijk.
Artikel 1047
Indien de erflater geen personen heeft aangewezen, welke in de plaats van de ontbrekende bewindvoerders zullen optreden, wordt daarin door de rechter in eerste aanleg voorzien.
1.
Niemand is gehouden de last van uitvoerder ener uiterste wilsbeschikking, of van bewindvoerder ener erfenis of eens legaats, aan te nemen, doch hij, die zodanige last heeft aanvaard, is verplicht dezelve te voleindigen.
2.
Indien de erflater aan de uitvoerder voor de waarneming zijner werkzaamheden geen bepaalde beloning heeft toegekend, of geen bijzonder legaat daarvoor aan dezelve gemaakt heeft, is laatstgemelde voor zich, of, meer dan één uitvoerder benoemd zijnde, zijn zij bevoegd voor hen tezamen als loon in rekening te brengen twee en een half ten honderd der ontvangsten en anderhalf ten honderd der uitgaven.
Artikel 1049
De uitvoerders van uiterste wilsbeschikkingen, mitsgaders de bewindvoerders bij artikel 1046 vermeld, kunnen om dezelfde redenen als de voogden worden afgezet.
1.
Alle personen, aan welke een erfenis is opgekomen, en die verkiezen mochten om de gesteldheid der nalatenschap te onderzoeken, ten einde te kunne beoordelen, of het van hun belang is dezelve, hetzij zuiver, hetzij onder het voorrecht van boedelbeschrijving, te aanvaarden, ofwel te verwerpen, zullen het recht hebben om zich te beraden, en daarvan een verklaring moeten afleggen ter griffie van het gerecht in eerste aanleg, binnen welks rechtsgebied de erfenis is opengevallen; zullende die verklaring in het daartoe bestemde register worden ingeschreven.
2.
Een authentiek afschrift der opgemaakte akte wordt door de rechter in eerste aanleg, zodra mogelijk, opgezonden naar de griffie van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba.
1.
Aan de erfgenaam wordt, te rekenen van de dag der afgelegde verklaring, een tijdvak van vier maanden vergund, ten einde de boedel te doen beschrijven en zich te beraden.
2.
Niettemin is de rechter in eerste aanleg bevoegd om, wanneer de erfgenaam in rechten vervolgd wordt, uit hoofde van dringende redenen, de hierboven bepaalde termijn te verlengen.
1.
Gedurende de voorschreven termijn kan de erfgenaam, die zich beraadt, niet worden genoodzaakt de hoedanigheid van erfgenaam aan te nemen. Geen rechterlijke veroordeling kan tegen hem worden verkregen, en de uitvoering van de vonnissen, die ten laste van de overledene zijn uitgesproken, blijft opgeschort.
2.
Hij is verplicht, evenals een goed huisvader, voor het behoud der goederen van de nalatenschap zorg te dragen.
1.
De erfgenaam, die zich beraadt, is bevoegd om aan de rechter in eerste aanleg verlof te vragen, ten einde al zodanige voorwerpen te verkopen, welke niet behoeven of niet kunnen worden bewaard, mitsgaders om al zulke daden te verrichten, die geen uitstel dulden.
2.
De wijze van verkoop zal bij het rechterlijk verlof worden bepaald.
Artikel 1054
De rechter in eerste aanleg kan, op verzoek der belanghebbende partijen, al zodanige maatregelen voorschrijven, welke hij mocht nodig achten, zowel tot behoud van de goederen der nalatenschap, als van de belangen van derden.
1.
Na verloop van de termijn bij artikel 1051 bepaald, kan de erfgenaam worden genoodzaakt de nalatenschap te verwerpen of dezelve te aanvaarden, hetzij zuiver, hetzij onder het voorrecht van boedelbeschrijving. In het laatste geval moet daarvan een verklaring worden afgelegd, op dezelfde wijze als bij artikel 1050 is vastgesteld.
2.
Het bepaalde bij het tweede lid van artikel 1050 is in dit geval mede van toepassing.
Artikel 1056
Zelfs na verloop van de termijn, behoudt de erfgenaam het vermogen om de boedel te doen beschrijven, en dezelve onder het voorrecht van boedelbeschrijving te aanvaarden, tenzij hij zich als zuiver erfgenaam hebbe gedragen.
Artikel 1057
De erfgenaam verliest het voorrecht van boedelbeschrijving, en wordt als zuiver erfgenaam beschouwd:
1°. indien hij willens en wetens, en te kwader trouw, enige goederen, tot de nalatenschap behorende, niet op de boedelbeschrijving heeft gebracht;
2°. indien hij zich aan verduistering van goederen, tot de erfenis behorende, heeft schuldig gemaakt.
Artikel 1058
Het voorrecht van boedelbeschrijving heeft ten gevolge:
1°. dat de erfgenaam niet verder tot de betaling der schulden en lasten der nalatenschap gehouden is, dan ten belope der waarde van de goederen, welke dezelve bevat, en zelfs, dat hij zich van die betaling kan ontslaan, door al de goederen, tot de nalatenschap behorende, aan de beschikking der schuldeisers en legatarissen over te laten;
2°. dat de eigen goederen van de erfgenaam niet met die der nalatenschap worden vermengd, en dat hij het recht behoudt om zijn eigen inschulden tegen de nalatenschap te doen gelden;
3°. dat de erfgenaam die een schuld der nalatenschap uit zijn overig vermogen heeft voldaan, optreedt als schuldeiser van de nalatenschap voor het bedrag van die schuld in de rang die zij had.
Artikel 1059
De erfgenaam, die de nalatenschap onder het voorrecht van boedelbeschrijving heeft aanvaard, is verplicht de daartoe behorende goederen als een goed huisvader te besturen, en de nalatenschap zodra mogelijk, tot effenheid te brengen; hij is aan de schuldeisers en legatarissen verantwoording verschuldigd.
1.
Hij vermag de goederen der nalatenschap op geen andere wijze te verkopen dan in het openbaar, en volgens de gebruiken der plaats.
2.
De artikelen 57 tot en met 59 van het Faillissementsbesluit 1931 zijn van overeenkomstige toepassing; tegen de gegeven beschikkingen staat geen rechtsmiddel open.
1.
Op verzoek van een belanghebbende kan de rechter in eerste aanleg een of meer erfgenamen van een nalatenschap die beneficiair is aanvaard, gelasten zekerheid te stellen voor hun beheer en de nakoming van hun overige verplichtingen. De rechter in eerste aanleg stelt het bedrag en de aard van de zekerheid vast.
2.
Komt de erfgenaam zijn verplichting tot het stellen van zekerheid niet na, dan kan de rechter in eerste aanleg op verzoek van een belanghebbende een of meer vereffenaars benoemen. De bepalingen van de dertiende titel betreffende de uitvoerders van uiterste wilsbeschikkingen zijn op de vereffenaars zoveel mogelijk van overeenkomstige toepassing.
Artikel 1062
Binnen de tijd van drie maanden, te rekenen van het verloop des termijns bij artikel 1051 bepaald, zal de erfgenaam verplicht zijn om, door middel van een aankondiging in een der in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius of Saba verschijnende nieuwsbladen, alsmede door aanplakking aan het gebouw van het gerecht in eerste aanleg, de onbekende schuldeisers op te roepen, ten einde zowel aan dezen, als aan degenen die bekend zijn, en aan de legatarissen, dadelijk rekening en verantwoording van zijn beheer af te leggen, en hun schuldvorderingen en legaten te voldoen, voor zover het bedrag der nalatenschap toereikend zal zijn.
1.
Na het aanzuiveren der rekening en verantwoording, zal de erfgenaam aan de schuldeisers, welke op dat tijdstip mochten bekend zijn, hun vorderingen, hetzij in het geheel, hetzij in evenredigheid van het beloop der nalatenschap, moeten voldoen.
2.
De schuldeisers, die na de uitdeling opkomen, zullen, naarmate dat zij zich aanmelden, alleen uit de onverkochte goederen en het overschot worden betaald.
Artikel 1064
Indien er enig verzet plaatsheeft, kunnen de schuldeisers niet worden voldaan, dan tengevolge ener rangschikking door de rechter te regelen.
1.
De legatarissen kunnen de voldoening van hun legaten niet eisen, dan na verloop van de bij artikel 1062 bepaalde termijn, en na de uitbetaling waarvan bij artikel 1063 gesproken wordt.
2.
De schuldeisers, die na de voldoening der legaten opkomen, hebben alleen hun verhaal tegen de legatarissen.
3.
Dat verhaal verjaart door een verloop van drie jaren na de dag, op welke de uitbetaling aan de legataris heeft plaatsgehad.
1.
De erfgenaam, die de nalatenschap onder het voorrecht van boedelbeschrijving heeft aanvaard, kan niet vroeger in zijn eigen goederen worden aangesproken, dan nadat hij, tot het afleggen zijner rekening zijnde aangemaand, mocht zijn in gebreke gebleven aan die verplichting te voldoen.
2.
Na het aanzuiveren der rekening zijn zijn eigen goederen alleen aansprakelijk voor de voldoening der geldsommen, welke, van de nalatenschap afkomstig, in zijn handen zijn gekomen.
Artikel 1067
De kosten van verzegeling, van boedelbeschrijving, van het opmaken der rekening, mitsgaders alle andere, die op een wettige wijze gemaakt zijn, komen ten laste der nalatenschap.
Artikel 1068
De bepalingen van de artikelen 1051, 1057 en volgende zijn insgelijks toepasselijk op erfgenamen, die, zonder zich van het recht van beraad bediend te hebben, een erfenis onder het voorrecht van boedelbeschrijving aanvaard hebben, door de verklaring af te leggen bij het slot van artikel 1055 vermeld.
Artikel 1069
Een bepaling, waarbij de erflater zoude hebben verboden om van het recht van beraad en van het voorrecht van boedelbeschrijving gebruik te maken, is nietig en van onwaarde.
Artikel 1070
Een erfenis kan of zuiver, of onder het voorrecht van boedelbeschrijving worden aanvaard.
Artikel 1071
Niemand is gehouden een hem opgekomen erfenis te aanvaarden.
Artikel 1072
Erfenissen, aan minderjarige en onder curatele gestelde personen opgekomen, kunnen niet wettiglijk worden aanvaard, dan met inachtneming der wetsbepalingen, welke die personen betreffen.
Artikel 1073
Het aanvaarding ener erfenis heeft een terugwerkende kracht tot op de dag, waarop dezelve is opengevallen.
Artikel 1074
De aanvaarding ener erfenis geschiedt uitdrukkelijk of stilzwijgend; dezelve geschiedt uitdrukkelijk, wanneer men in een authentiek of onderhands geschrift de titel of de hoedanigheid van erfgenaam aanneemt; de aanvaarding geschiedt stilzwijgend, wanneer de erfgenaam een daad verricht, welke zijn mening om de erfenis te aanvaarden noodzakelijk aan den dag legt, en waartoe hij slechts in zijn hoedanigheid als erfgenaam zoude zijn bevoegd geweest.
Artikel 1075
Al hetgeen tot de begrafenis betrekking heeft, de daden dienende alleen tot bewaring, alsook die, welke strekken om op de nalatenschap toezicht te hebben, of dezelve bij voorraad te beheren, worden niet gerekend daden te zijn, welke de stilzwijgende aanvaarding ener erfenis kenschetsen.
1.
Indien erfgenamen verschillen omtrent het al of niet aanvaarden ener erfenis, kan de ene dezelve aanvaarden, en de andere die verwerpen.
2.
Indien erfgenamen verschillen omtrent de wijze van aanvaarding ener erfenis, wordt dezelve onder voorrecht van boedelbeschrijving aanvaard.
Artikel 1077
Wanneer iemand, aan wie een erfenis is opgekomen, overleden is zonder die verworpen of aanvaard te hebben, zijn deszelfs erfgenamen bevoegd de erfenis in zijn plaats te aanvaarden of te verwerpen, en de bepaling van het voorgaande artikel is op hen toepasselijk.
Artikel 1078
Hij, die voor zijn erfdeel een erfenis heeft aanvaard, vermag het aandeel niet te verwerpen, hetwelk hem door recht van aanwas is opgekomen, behalve in het geval bij artikel 1080 voorzien.
Artikel 1079
Een aanvaarding is vatbaar voor vernietiging op grond van dwaling, indien de erfenis meer dan de helft is verminderd ten gevolge der ontdekking van een op het ogenblik der aanvaarding onbekende uiterste wilsbeschikking.
Artikel 1080
Het aandeel van een erfgenaam behoort na de vernietiging van zijn aanvaarding niet door aanwas aan zijn mede-erfgenamen, dan voor zover zij het aanvaarden.
Artikel 1081
De bevoegdheid om een erfenis te aanvaarden verjaart door het verloop van dertig jaren, te rekenen van de dag waarop dezelve is opengevallen, mits vóór of na het verloop van dat tijdvak de nalatenschap aanvaard zij door een van degenen, die door de wet, of door een uiterste wil, daartoe geroepen zijn, onverminderd echter de rechten van derden op de nalatenschap, door enige wettige titel verkregen.
Artikel 1082
De erfgenaam, die de erfenis verworpen heeft, kan dezelve nog aanvaarden, zolang zij nog niet door degenen, welke door de wet of door een uiterste wil geroepen worden, aanvaard is, behoudens de rechten van derden, zoals bij het voorgaande artikel gezegd is.
1.
Het verwerpen ener erfenis moet uitdrukkelijk geschieden, en moet plaatshebben door middels ener verklaring, afgelegd ter griffie van het gerecht in eerste aanleg, onder welks ressort de erfenis opengevallen is.
2.
Het bepaalde bij het tweede lid van artikel 1050 is hier van toepassing.
Artikel 1084
De erfgenaam, die de erfenis verwerpt, wordt geacht nooit erfgenaam geweest te zijn.
Artikel 1085
Het erfdeel van degene, die de erfenis verwerpt, vervalt aan degenen, die tot hetzelve zouden zijn geroepen, indien degene, die verwerpt, bij het overlijden des erflaters niet in leven ware geweest.
Artikel 1086
Hij, die een erfenis verworpen heeft, kan nimmer bij plaatsvervulling vertegenwoordigd worden; indien hij de enige erfgenaam in zijn graad is, of indien al de erfgenamen de erfenis verwerpen, komen de kinderen uit eigen hoofde, en erven bij gelijke delen.
1.
De schuldeisers van degene, die ten nadele hunner rechten een erfenis heeft verworpen, kunnen zich door de rechter in eerste aanleg doen machtigen om de nalatenschap in naam van hun schuldenaar, in zijn plaats en voor hem te aanvaarden.
2.
In dat geval wordt de verwerping der erfenis niet verder dan ten voordele der schuldeisers, en ten belope van hun schuldvorderingen, vernietigd; dezelve is geenszins nietig ten voordele van de erfgenaam, die de erfenis heeft verworpen.
Artikel 1088
De bevoegdheid om een erfenis te verwerpen kan door geen verjaring verloren gaan.
Artikel 1089
Men kan, zelfs bij huwelijkse voorwaarden, geen afstand doen van de erfenis van iemand, die nog in leven is, noch de rechten vervreemden, welke men bij vervolg van tijd op zodanige erfenis mocht kunnen verkrijgen.
Artikel 1090
Erfgenamen, welke goederen, tot een nalatenschap behorende, hebben te zoek gemaakt of verborgen gehouden, verliezen de bevoegdheid om de erfenis te verwerpen; zij blijven zuivere erfgenamen, niettegenstaande hun verwerping, zonder dat zij enig deel in het te zoek gemaakte of verborgene mogen vorderen.
Artikel 1091
[Vervallen]
Artikel 1092
[vervallen]
Artikel 1093
[vervallen]
Artikel 1094
[vervallen]
Artikel 1095
[vervallen]
Artikel 1096
[vervallen]
Artikel 1097
[vervallen]
Artikel 1098
[vervallen]
Artikel 1099
[vervallen]
Artikel 1100
[vervallen]
Artikel 1101
[vervallen]
Artikel 1102
[vervallen]
Artikel 1103
[vervallen]
Artikel 1104
[vervallen]
Artikel 1105
[vervallen]
Artikel 1106
[vervallen]
Artikel 1107
[vervallen]
Artikel 1108
[vervallen]
Artikel 1109
[vervallen]
Artikel 1110
[vervallen]
Artikel 1111
[vervallen]
Artikel 1112
De erfgenamen moeten alle schenkingen onder de levenden, welke zij van de erflater hebben genoten, inbrengen en wel als volgt:
door de erfgenamen in de nederdalende linie, hetzij dezelve de nalatenschap zuiver, of onder het voorrecht van boedelbeschrijving hebben aanvaard, en hetzij dezelve slechts tot het wettelijk erfdeel of tot meer zijn geroepen; tenware de giften met uitdrukkelijke vrijstelling van inbreng zijn gedaan, of de begiftigden bij een authentieke akte, of bij uiterste wil, van de verplichting tot inbreng zijn ontheven;
door alle andere erfgenamen, hetzij bij versterf, hetzij bij uiterste wil, doch alleen in het geval dat de erflater of schenker de inbreng uitdrukkelijk heeft bevolen of bedongen.
Artikel 1113
De erfgenaam, die de erfenis verwerpt, is niet gehouden in te brengen hetgeen aan hem geschonken is, dan ter aanvulling van zodanig gedeelte als waardoor het wettelijk erfdeel zijner medeërfgenamen mocht verkort zijn.
Artikel 1114
Indien de inbreng meer bedraagt dan het erfdeel, behoeft dat meerdere niet te worden ingebracht, onverminderd het bepaalde bij het vorige artikel.
1.
De ouders behoeven de giften niet in te brengen, die aan hun kind door deszelfs grootouders gedaan zijn.
2.
Op gelijke wijze behoeft een kind, dat uit eigen hoofde de erfenis zijner grootouders beurt, niet in te brengen de door dezen aan zijn ouders gedane gift.
3.
Daarentegen moet het kind, dat slechts bij plaatsvervulling die erfenis beurt, de giften inbrengen, welke aan zijn ouders gedaan zijn, zelfs indien het kind de nalatenschap zijner ouders mocht hebben verworpen.
4.
Het kind is echter, in geval van zodanige verwerping, niet jegens zijn medeërfgenamen in de grootouderlijke nalatenschap aansprakelijk voor de schulden zijner ouders.
1.
Giften, welke aan de ene echtgenoot door een der ouders van de andere echtgenoot gedaan zijn, zijn zelfs voor de helft niet aan inbreng onderworpen, al ware het ook, dat de geschonken voorwerpen in de gemeenschap vielen.
2.
Indien de giften gezamenlijk aan de beide echtgenoten door de vader of de moeder van een hunner gedaan zijn, moet de inbreng voor de helft plaatshebben.
3.
Wanneer de giften aan de echtgenoot door zijn eigen vader of zijn eigen moeder gedaan zijn, moet hij dezelve voor het geheel inbrengen.
1.
De inbreng geschiedt alleen in de nalatenschap des schenkers; dezelve is slechts door de ene erfgenaam ten behoeve van de andere verschuldigd.
2.
Ten behoeve van legatarissen of van schuldeisers van de boedel heeft geen inbreng plaats.
Artikel 1118
Inbreng geschiedt, hetzij door het genotene in natura in de boedel terug te brengen, hetzij door zoveel minder dan de andere deelgenoten te ontvangen.
1.
De inbreng van goederen kan geschieden ter keuze des inbrengers, hetzij door dezelve in natura terug te geven, zoals zij zich op het ogenblik van de inbreng bevonden, hetzij door het inbrengen der waarde, welke zij ten tijde der gift hadden.
2.
In het eerste geval is de inbrenger verantwoordelijk voor de vermindering, welke de goederen door zijn schuld hebben ondergaan, en verplicht om dezelve te zuiveren van de beperkte rechten die hij daarop heeft gevestigd.
3.
De inbrenger heeft recht op vergoeding van de door hem gemaakte kosten die hij niet zou hebben gedragen, indien hij vruchtgebruiker was geweest.
Artikel 1120
De inbreng van gereed geld geschiedt ter keuze des inbrengers door de betaling van deszelfs bedrag, of door zich dat bedrag in mindering van zijn erfdeel te doen aanbedelen.
Artikel 1121
[vervallen]
Artikel 1122
Behalve de schenkingen, in artikel 1112 aan inbreng onderworpen, moet ook worden ingebracht al hetgeen is verstrekt om aan de erfgenaam een stand, een beroep of bedrijf te verschaffen, of ter betaling van deszelfs schulden, en al hetgeen ten huwelijk is gegeven.
Artikel 1123
Aan inbreng zijn niet onderworpen:
de kosten van verzorging en opvoeding;
de uitkeringen tot noodzakelijk levensonderhoud;
de uitgaven tot het aanleren van enige tak van koophandel, kunst, handwerk of bedrijf;
de kosten van studie;
de kosten tot plaatsvervanging of nummerverwisseling in ‘s de krijgsmacht van het Koninkrijk;
de bruiloftskosten, klederen en kleinoden tot huwelijksuitzet gegeven.
Artikel 1124
De rente en vruchten van hetgeen aan inbreng is onderworpen worden eerst verschuldigd van de dag, dat een erfenis is opengevallen.
Artikel 1125
Al hetgeen door toeval en zonder schuld van de begiftigde is verloren gegaan, behoeft niet te worden ingebracht.
Artikel 1126
De erfgenamen, die een erfenis hebben aanvaard, moeten in de betaling der schulden, legaten en andere lasten zoveel dragen, als in evenredigheid staat met hetgeen ieder uit de nalatenschap ontvangt.
Artikel 1127
Zij zijn tot die betaling persoonlijk, en ieder naarmate van de hoegrootheid van zijn erfdeel, gehouden, onverminderd de rechten der schuldeisers op de gehele nalatenschap, zolang die nog is onverdeeld, mitsgaders die der hypothecaire schuldeisers.
1.
Indien tot de nalatenschap behorende goederen met pand of hypotheek bezwaard zijn, heeft ieder der medeërfgenamen het recht om te vorderen, dat die lasten uit de boedel worden gekweten, en de goederen van het verband bevrijd, alvorens er tot het vormen der kavelingen worde overgegaan.
2.
Wanneer de erfgenamen de nalatenschap verdelen in de staat waarin zij zich bevindt, moet het bezwaarde goed worden geschat op dezelfde voet als de overige goederen; alsdan wordt de hoofdsom der lasten van de gehele prijs des goeds afgetrokken, en de erfgenaam, aan wie het goed te beurt is gevallen, blijft alsdan alleen ten aanzien zijner medeërfgenamen met de voldoening der schuld belast, en moet hen daarvoor vrijwaren.
3.
Indien de lasten alleen op het goed gevestigd zijn, zonder dat daarbij een personeel verband bestaat, kan geen der medeërfgenamen vorderen, dat de last worde afbetaald, en alsdan wordt het goed onder de verdeling begrepen, onder aftrek van de hoofdsom dier lasten.
Artikel 1129
[vervallen]
Artikel 1130
[vervallen]
Artikel 1131
Een legataris is niet voor de schulden en lasten der nalatenschap verbonden.
Artikel 1132
[vervallen]
Artikel 1133
De schuldeisers en de legatarissen van de overledene mogen van de schuldeisers van de erfgenaam vorderen, dat de boedel van de overledene worde afgescheiden van die des erfgenaams.
Artikel 1134
Indien tot de nalatenschap een registergoed behoort en de schuldeisers of legatarissen hun rechtsvordering tot afscheiding binnen zes maanden nadat de nalatenschap is opengevallen hebben aangevangen, zijn zij bevoegd om het instellen daarvan te doen inschrijven in de openbare registers, bedoeld in titel 1, afdeling 2, van Boek 3, waartoe aan de bewaarder mede een authentiek afschrift van de akte van overlijden van de erflater of een ander bewijs dat de rechtsvordering binnen de voormelde termijn is ingesteld, wordt aangeboden. Na de inschrijving kan de erfgenaam het goed niet vervreemden of bezwaren ten nadele van de rechten van de eisers ten laste der nalatenschap
Artikel 1135
Dat recht kan echter niet meer worden uitgeoefend, zodra er schuldvernieuwing in de schuldvordering tegen de overledene plaatsheeft, door de erfgenaam als schuldenaar aan te nemen.
Artikel 1136
Hetzelve recht verjaart door het tijdsverloop van drie jaren.
Artikel 1137
De schuldeisers van de erfgenaam hebben geen bevoegdheid, om die afscheiding des boedels tegen de schuldeisers der nalatenschap te vorderen.
Artikel 1138
[vervallen]
Artikel 1139
[vervallen]
Artikel 1140
[vervallen]
Artikel 1141
[vervallen]
Artikel 1142
[vervallen]
Artikel 1143
[vervallen]
Artikel 1144
[vervallen]
Artikel 1145
[vervallen]
Artikel 1146
[vervallen]
Artikel 1147
De bloedverwanten in de opgaande linie mogen bij uiterste wilsbeschikking, of bij notariële akte, tussen hun afkomelingen onderling of tussen dezen en hun langstlevende echtgenoot de verdeling hunner goederen maken. Op deze verdeling is artikel 186, eerste lid, van Boek 3 niet van toepassing.
Artikel 1148
Indien al de goederen, welke de bloedverwant in de opgaande linie op de dag van zijn overlijden nalaat, niet in de verdeling begrepen zijn geweest, zullen die niet verdeelde goederen volgens de wet worden verdeeld.
Artikel 1149
Indien de verdeling niet gemaakt is tussen al de kinderen, die ten tijde van het overlijden in leven zijn, en de afkomelingen der vooroverledene, zal de verdeling geheel en al nietig zijn. Er kan een nieuwe verdeling in de wettelijke vorm worden gevorderd, hetzij door de kinderen of afkomelingen, die daarbij geen aandeel gekregen hebben, hetzij zelfs door degenen, tussen welke de verdeling gemaakt is.
Artikel 1150
De verdeling overeenkomstig artikel 1147 gemaakt, kan worden vernietigd uit hoofde van benadeling, meer dan een vierde bedragende. Zij kan alsmede worden vernietigd, indien de verdeling, en hetgeen met vrijstelling van inbreng is vooruit gemaakt, het wettelijk erfdeel van de een of ander der afkomelingen mocht hebben verkort. De benadeelde kan de grond tot vernietiging inroepen.
Artikel 1151
De erfgenamen, die een beroep doen op een der in het vorige artikel bedoelde gronden tot vernietiging, zullen de kosten, tot de schatting der goederen vereist, moeten voorschieten, en die kosten zullen te hunnen laste blijven, indien hun vordering ongegrond bevonden wordt.
Artikel 1152
Wanneer, bij het openvallen ener nalatenschap, zich niemand opdoet, die daarop aanspraak maakt, of wanneer de bekende erfgenamen dezelve verwerpen, wordt de nalatenschap als onbeheerd beschouwd.
1.
De rechter in eerste aanleg, onder wiens ressort de nalatenschap opengevallen is, moet, op verzoek der belanghebbende personen, of op de voordracht van het openbaar ministerie, een curator benoemen. Van elke benoeming geeft de griffier van het gerecht in eerste aanleg onverwijld kennis aan de Procureur-Generaal.
2.
Indien de curatele verleend wordt ter zake dat zich niemand opdoet, die als erfgenaam aanspraak op de nalatenschap maakt, benoemt de rechter bij voorkeur tot curator de gestelde uitvoerder van de uiterste wil, tenware deze mocht verlangen door een ander vervangen te worden.
1.
De curator is gehouden de nalatenschap te doen verzegelen, en door een notaris een boedelbeschrijving te doen opmaken, mitsgaders de nalatenschap te beheren en tot effenheid te brengen.
2.
Hij is verplicht, door oproepingen in de openbare nieuwspapieren of andere doelmatige middelen, de erfgenamen op te sporen.
3.
Hij moet in rechten optreden ten aanzien der rechtsvorderingen, die tegen de nalatenschap zijn aangevangen, en alle rechten, die de overledene toebehoorden, uitoefenen en voortzetten. Hij is verplicht het gerede geld, hetwelk zich in de nalatenschap bevindt, mitsgaders de opbrengst der verkochte goederen, in de kas der gerechtelijke consignatiën te storten, ten einde te strekken tot behoud der rechten van de belanghebbende partijen, en daarvan, aan wie zulks zal behoren, rekening te doen.
Artikel 1155
Indien zich, na verloop van drie jaren, te rekenen van het openvallen der nalatenschap, geen erfgenaam opdoet, zal de slotrekening moeten worden gedaan aan de Staat, hetwelk bevoegd zal zijn om zich bij voorraad in het bezit der nagelaten goederen te doen stellen.
Artikel 1156
De artikelen 1062 tot en met 1065 en 1067 zijn ook op de curators van onbeheerde nalatenschappen toepasselijk. Zij kunnen als loon in rekening brengen twee en een half ten honderd der ontvangsten en anderhalf ten honderd der uitgaven.