Rechtenmedia.nl - Juridische Online Uitgeverij  Rechtennieuws.nl | Jure.nl | Maxius.nl | Parlis.nl | Rechtenforum.nl | JBmatch.nl | MijnWetten.nl | AdvocatenZoeken.nl | Rechtentotaal.nl
Besluit toezicht luchtvaart BES
Bwb-id:
Officiele titel:
Citeertitel:
Soort regeling:
Wetsfamilies:
Eerst verantwoordelijk ministerie:

Geldigheidsdatum:
Ingangsdatum:
Inhoudsopgave
+ Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen
Hoofdstuk 2 t/m 5
+ Hoofdstuk 6. Samenwerkingsovereenkomsten met andere landen
+ Hoofdstuk 7. Luchtvaartterreinen
+ Hoofdstuk 8. Luchtvaartinlichtingen en kaarten
+ Hoofdstuk 9. Luchtvaartvertoningen en Luchtvaartwedstrijden
Hoofdstuk 10
+ Hoofdstuk 11. Strafbepalingen
+ Hoofdstuk 12. Slot- en overgangsbepalingen
Vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature

Juridisch advies nodig?
Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag
Geschiedenis

Geschiedenis-overzicht

Besluit toezicht luchtvaart BES

Besluit toezicht luchtvaart BES
1.
In dit landsbesluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
AIS (Aeronautical Information Services): vluchtvoorlichtingsdienst die is belast met het geven van luchtvaartinlichtingen, die nodig zijn voor een veilig, ordelijk en vlot verloop van het luchtverkeer vòòr de vlucht en het in ontvangst nemen daarvan na de vlucht;
baan: een al dan niet verhard gedeelte van het landingsterrein uitsluitend bestemd voor het opstijgen of landen van luchtvaartuigen;
bij nacht: op enig tussen zonsondergang en zonsopgang gelegen tijdstip;
clearway: een aangegeven hindernisvrij rechthoekig gedeelte boven grond of water in het verlengde van de baan, zodat het mogelijk is dat een vliegtuig in het beginstadium van de stijgvlucht tot een voorgeschreven hoogte komt;
drempel: het begin van het voor het landen bestemde gedeelte van een verharde baan;
houder: degene die recht van gebruik heeft van een luchtvaartuig, anders dan ingevolge een hem in dienstverband verstrekte opdracht;
instrumentenbaan: een baan, welke is uitgerust met elektronische hulpmiddelen ten dienste van het opstijgen of landen van luchtvaartuigen;
instrumentweersomstandigheden: weersomstandigheden, die uitgedrukt in termen van zicht, afstand tot wolken en wolkenbasis, minder zijn dan de voorgeschreven minimumwaarden voor zichtweersomstandigheden;
kunstvlucht: een vlucht, waarbij met opzet bewegingen worden uitgevoerd, welke een plotselinge verandering in de stand, een abnormale stand of een abnormale verandering in de snelheid van het luchtvaartuig medebrengen;
platform: een gedeelte van het luchtvaartterrein dat bestemd is voor het opstellen van luchtvaartuigen, met het doel passagiers te laten in- of uitstappen, post te laden of te lossen, brandstof in te nemen, te parkeren of eenvoudige onderhoudswerkzaamheden te verrichten;
rijbaan: een al dan niet verhard gedeelte van het landingsterrein, bestemd voor het zich op de grond voortbewegen van luchtvaartuigen;
stopway: een aangegeven rechthoekig gedeelte op de grond aan het einde van de baan, dat een zodanig draagvermogen heeft, dat het mogelijk is dat een vliegtuig kan stoppen in het geval dat vliegtuig afziet van de start;
strook: een gedeelte van het landingsterrein waarin een baan is gelegen;
2.
De definities, opgenomen in artikel 1 van het Besluit luchtverkeer BES, zijn van toepassing op dit besluit.
Artikel 2
De bepalingen van dit besluit gelden niet ten aanzien van militaire luchtvaartuigen, de leden van het boordpersoneel, passagiers en lading van deze luchtvaartuigen alsmede ten aanzien van militaire luchtvaartterreinen.
Artikel 2A
Door de minister worden regels gesteld betreffende meeteenheden met betrekking tot lucht- en grondoperaties waaromtrent bij of krachtens de Luchtvaartwet BES voorschriften zijn gesteld.

Hoofdstuk 2 t/m 5

[vervallen]
1.
Wanneer een of meer in het Nederlandse nationaliteitsregister ingeschreven luchtvaartuigen ingevolge een lease-, charter, of ruilovereenkomst of soortgelijke regeling wordt geëxploiteerd door een luchtvaartmaatschappij of een luchtvaartonderneming, welke haar hoofdkantoor of, bij afwezigheid daarvan, haar vaste woonplaats heeft in een buiten de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba gelegen Staat welke aangesloten is bij het Verdrag kunnen de functies en taken met betrekking tot de luchtverkeersregels, het bewijs van luchtwaardigheid annex radiovergunning behorende bij het betreffende luchtvaartuig, alsmede het bewijs van bevoegdheid en de bevoegdverklaringen van het stuurhutpersoneel geheel of ten dele worden overgedragen, teneinde de Staat van Operatie in staat te stellen toezicht hierop uit te oefenen.
2.
Het bepaalde in het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op buitenlandse luchtvaartuigen van een Staat welke aangesloten is bij het Verdrag, die ingevolge een lease-, charter, of ruilovereenkomst of soortgelijke regeling worden geëxploiteerd door een luchtvaartmaatschappij of luchtvaartonderneming, waarvan haar hoofdkantoor of, bij afwezigheid daarvan, haar vaste woonplaats in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba is gelegen.
3.
De overdracht van functies en taken aan de Staat van Operatie, bedoeld in het eerste lid, geschiedt op basis van een bilaterale overeenkomst.
4.
Overeenkomsten als bedoeld in het eerste lid kunnen tevens worden aangegaan met betrekking tot luchtvaartuigen, welke geëxploiteerd worden door op te richten organisaties voor de gezamenlijke exploitatie van luchtvervoer of internationale exploitatiebureaus, dan wel van het gemeenschappelijk uitoefenen van luchtdiensten op enige route of in enig gebied.
5.
Aan de sluiting van een overeenkomst als bedoeld in het derde en vierde lid gaat een evaluatie van de normen en voorschriften vooraf, zulks met inachtneming van de regels inzake gelijkstelling van buitenlandse bewijzen van luchtwaardigheid en buitenlandse bewijzen van bevoegdheid zoals bepaald bij of krachtens de Wet luchtvaart.
1.
De bepalingen in dit hoofdstuk en de bij dit besluit behorende bijlage CARNA Part 14 zijn van toepassing op alle burgerlijke luchtvaart-terreinen in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba.
2.
De zorg voor de uitvoering van de in dit hoofdstuk en de bij dit besluit behorende bijlage CARNA Part 14 genoemde bepalingen berust bij de exploitant van het luchtvaartterrein.
3.
Door de Minister kunnen nadere regels gesteld worden met betrekking tot de bepalingen in dit hoofdstuk.
1.
De aanleg van een luchtvaartterrein is ter beoordeling door de Minister zodanig, dat luchtvaartuigen daarvan een veilig gebruik kunnen maken. Hiertoe worden desgevraagd gegevens overgelegd.
2.
Er worden ten genoegen van de Minister voorzieningen getroffen, dat de aan- en uitvlieghoogtes zodanig zijn, dat luchtvaartuigen veilig kunnen landen op en opstijgen van het luchtvaartterrein.
1.
Door de Minister wordt de lengte van een baan op een luchtvaartterrein vastgesteld.
2.
De minimale breedte van een rijbaan wordt vastgesteld conform hoofdstuk 3, paragraaf 3.4 van de bij dit besluit behorende bijlage CARNA Part 14.
3.
Op verzoek van de exploitant kan door de Minister voor de baan of rijbaan een breedte worden toegestaan, welke kleiner is dan aangegeven in hoofdstuk 3 van de bij dit besluit behorende bijlage CARNA Part 14, mits:
a. de exploitant de afwijking met redenen omkleed heeft voorgelegd;
b. de exploitant een schatting van de veiligheid heeft gemaakt, die volgens de directie aan de minimale veiligheidsvereisten voldoet;
c. de exploitant, voorzover fysiek mogelijk, een actieplan heeft ingediend ter verbreding van de baan of rijbaan.
4.
Door de Minister kunnen regels gesteld worden met betrekking tot de minimale veiligheidsvereiste.
Artikel 133
Op verzoek van de exploitant kan door de Minister, indien het betreft een instrumentenbaan niet zijnde een precisiebaan met als codenummer 3 of 4 ontheffing worden verleend inzake de strookbreedte van 150 meter zoals vereist onder paragraaf 3.4.4 van de bij dit besluit behorende bijlage CARNA Part 14 mits de afstand tussen de lengteas van de baan en de lange zijde van de strook niet minder dan 75 meter bedraagt; en
a. de exploitant de afwijking met redenen omkleed heeft voorgelegd;
b. de exploitant een schatting van de veiligheid heeft gemaakt, die volgens de Minister aan de minimale veiligheidsvereiste voldoet;
c. de exploitant een actieplan heeft ingediend ter verbreding van de strook om tegemoet te komen aan het vereiste neergelegd onder paragraaf 3.4.4 van de bij dit besluit bijbehorende bijlage CARNA Part 14.
1.
Een gedeelte of gedeelten van een luchtvaartterrein kan worden bestemd tot platform.
2.
De inrichting en de regels voor het gebruik van platforms behoeven de goedkeuring van de Minister.
3.
De Minister onthoudt de goedkeuring, bedoeld in het tweede lid, indien de regels voor het gebruik van het platform de orde en veiligheid van het platform naar zijn oordeel onvoldoende waarborgen bevatten.
1.
De exploitant draagt er zorg voor dat op het luchtvaartterrein aan alle vereisten wordt voldaan zoals neergelegd in de bij dit besluit bijbehorende bijlage CARNA Part 14.
2.
Door de Minister kan op verzoek van de exploitant ontheffing worden verleend van de bepalingen neergelegd in hoofdstuk 6 «Visual Aids for denoting obstacles»; hoofdstuk 7 «Visual Aids for denoting restricted use areas»; hoofdstuk 8 «Electrical systems»; hoofdstuk 9 «aerodrome operational services equipment and installations» welke opgenomen zijn in de bij dit besluit behorende bijlage CARNA Part 14, mits:
a. de exploitant de afwijking met redenen omkleed heeft voorgelegd;
b. de exploitant schriftelijk heeft aangetoond een schatting van de veiligheid te hebben gemaakt en de gedetailleerde beoordeling hiervan door de Minister uitwijst dat het minimale veiligheidsniveau wordt bereikt.
3.
De exploitant draagt er zorg voor dat bij operaties van luchtvaartterreinen rekening wordt gehouden met de richtlijnen neergelegd in Doc 9137 AN/898 «Airport Services Manual».
De exploitant draagt er zorg voor dat bij het opstellen van systemen, visuele hulpmiddelen, uitrusting en faciliteiten rekening wordt gehouden met de aanwijzingen en/of richtlijnen neergelegd in Doc 9157 AN/901 «Aerodrome Design Manual».
1.
Een luchtvaartterreinreferentiecode (codenummer en letter), die wordt bepaald bij de planning van een luchtvaartterrein, wordt vastgesteld in overeenstemming met de kenmerken van de vliegtuigen waarvoor de luchtvaartterreinvoorzieningen zijn bestemd zulks conform tabel 1.1. «Aerodrome Reference code» van hoofdstuk 1 van de bij dit besluit behorende bijlage CARNA Part 14.
2.
Voor een luchtvaartterrein wordt een referentiepunt vastgesteld.
3.
De referentietemperatuur van een luchtvaartterrein wordt vastgesteld in graden Celsius.
Artikel 137
[vervallen]
Artikel 138
Luchtvaartdata, luchtvaartterrein referentie, luchtvaartterrein referentie temperatuur, luchtvaartterreindimensies en daaraan gerelateerde informatie alsmede de sterkte van de banen, rijbanen en het platform worden aangegeven conform hoofdstuk 2 «Aerodrome data» van de bij dit besluit behorende bijlage CARNA Part 14.
1.
Op een baan bestemd voor internationale verkeersvluchten worden de afstanden berekend van:
a. de beschikbare baan (take-off runway available);
b. de beschikbare baan plus de lengte van de clearway, indien aanwezig (take-off distance available);
c. de beschikbare baan plus de lengte van de stopway indien aanwezig (accelerate stop distance available); en
d. de beschikbare baan die geschikt is voor het landen tot het tot stilstand komen van een luchtvaartuig (landing distance available).
2.
Voor de berekening van de afstanden bedoeld in het eerste lid wordt gebruik gemaakt van de richtlijnen neergelegd in attachment A section 3 van de bij dit besluit behorende bijlage CARNA Part 14.
1.
Informatie met betrekking tot de toestand waarin het landingsterrein, het platform en de daarbij behorende voorzieningen zich bevinden, wordt onverwijld aan de vluchtvoorlichtingsdienst (AIS) en voor wat betreft het landingsterrein tevens aan de luchtverkeersdienst doorgegeven, opdat de noodzakelijke inlichtingen verstrekt kunnen worden aan de luchtvaartuigen, die landen of vertrekken. De informatie moet bijgewerkt zijn en veranderingen moeten onverwijld gemeld worden.
2.
De toestand, waarin het landingsterrein, het platform en de daarbij behorende voorzieningen zich bevinden, worden voor wat betreft hun werking gecontroleerd en met betrekking tot zaken die van belang zijn voor vluchtvoorbereiding en vluchtuitvoering of die de prestaties van luchtvaartuigen betreffen, wordt in het bijzonder melding gemaakt van:
a. constructie- en onderhoudswerkzaamheden;
b. ruw of beschadigd oppervlak op een baan of rijbaan;
c. water op de baan;
d. andere gevaren van tijdelijke aard, daaronder begrepen geparkeerde luchtvaartuigen;
e. uitvallen of onregelmatige werking van een deel of van alle lichten van het luchtvaartterrein;
f. uitvallen van de normale of reserve energievoorziening.
3.
Ten aanzien van de informatie, controles en meldingen, bedoeld in het eerste en tweede lid, kunnen door de Minister nadere voorschriften worden vastgesteld en kunnen aanwijzingen worden gegeven.
4.
De exploitant van een luchtvaartterrein draagt er zorg voor dat een regeling tot stand komt met de AIS inzake de ontvangst en distributie van de informatie bedoeld in het eerste en tweede lid.
1.
Inzake het verplaatsen van onklaar geraakte luchtvaartuigen worden de aanwijzingen van paragraaf 9.3 van de bij dit besluit behorende bijlage CARNA Part 14 opgevolgd.
2.
Ten aanzien van het verplaatsen van onklaar geraakte luchtvaartuigen wordt door de exploitant van het luchtvaartterrein een plan opgemaakt ten aanzien van de wijze waarop het een en ander wordt uitgevoerd.
1.
Op een luchtvaartterrein is informatie beschikbaar met betrekking tot de mate van hulpverlening aan luchtvaartuigen en brandbestrijding.
2.
Indien belangrijke wijzigingen optreden in de voorzieningen, bedoeld in het eerste lid, worden deze medegedeeld aan de desbetreffende luchtverkeersdiensten en de vluchtvoorlichtingsdienst (AIS), opdat deze diensten in staat zijn de luchtvaartuigen, die vertrekken en landen, van de noodzakelijke informatie te voorzien.
1.
Elke luchtvaartterrein met een luchtvaartterreinreferentiecode 3 of 4, bedoeld in artikel 136, beschikt over een PAPI (Precision Approach Path Indicator)
2.
Elke luchtvaartterrein met een luchtvaartterreinreferentiecode 1 of 2, bedoeld in artikel 136, beschikt over een PAPI (Precision Approach Path Indicator) of APAPI (Abbreviated Precision Approach Path Indicator)
Artikel 144
[vervallen]
1.
Op het luchtvaartterrein wordt een plaats aangewezen of wordt aan de plaatselijke luchtverkeersleidingsdienst een plaats gemeld waar luchtvaartuigen kunnen parkeren, die vermoed worden betrokken te zijn bij een wederrechtelijk vergrijp of die anderszins afgezonderd moeten worden van normale werkzaamheden op het luchtvaartterrein.
2.
De exploitant houdt bij de keuze van de plaats bedoeld in het eerste lid rekening met de specificaties van paragraaf 3.14 van de bij dit besluit behorende bijlage CARNA Part 14.
Artikel 146
Hindernissen, welke gevaar voor luchtvaartuigen opleveren dan wel kunnen opleveren en welke zich bevinden op het luchtvaartterrein worden verwijderd, of indien dit niet mogelijk is, worden deze aangeduid door vlaggen, tekens of kleuren zoals aangegeven in hoofdstuk 6 «Visual Aids for denoting obstacles» van de bij dit besluit behorende bijlage CARNA Part 14.
Artikel 147
Een licht op de grond, dat geen verband houdt met de luchtvaart, wordt gedoofd of afgeschermd, indien het de vliegveiligheid in gevaar brengt.
1.
De exploitant van een luchtvaartterrein, dat gedurende de nacht of tijdens instrument-weersomstandigheden kan worden gebruikt, draagt zorg dat:
a. indien geen verharde banen op het luchtvaartterrein zijn aangelegd, lichten zijn geplaatst ter aanduiding van de grens van het landingsterrein of van en gedeelte hiervan; indien wel verharde banen op het luchtvaartterrein zijn aangelegd, lichten zijn geplaatst ter aanduiding van de verharde banen en de daarbij behorende verharde rijbanen;
b. een naderingsverlichting is aangebracht ter vergemakkelijking van het landen bij zowel goed als bij slecht zicht;
c. een krachtinstallatie aanwezig is voor elektrische energievoorziening in noodgevallen.
2.
Ten aanzien van de verlichting en lichten, bedoeld in het eerste lid, kunnen door de Minister nadere voorschriften worden vastgesteld en aanwijzingen worden gegeven.
Artikel 149
De exploitant plaatst lichten ter aanduiding van de hindernissen, bedoeld in artikel 146, overeenkomstig de voorschriften opgenomen in artikel 135, eerste lid, onderdeel g.
1.
Op een luchtvaartterrein dat gedurende de nacht of tijdens instrumentweersomstandigheden (IMC) wordt gebruikt, handelt de exploitant in geval van een gehele of gedeeltelijke sluiting van het luchtvaartterrein conform de voorschriften neergelegd in hoofdstuk 7 «Visual Aids for denoting restricted use areas» van de bij dit besluit behorende bijlage CARNA Part 14.
2.
Ten aanzien van het gebruik van lichten kunnen door de Minister voorschriften gegeven worden.
Artikel 151
Indien een gedeelte van het landingsterrein of van het platform van een luchtvaartterrein dat gedurende de nacht of tijdens instrumentweersomstandigheden (IMC) wordt gebruikt, niet geschikt is voor het gebruik door luchtvaartuigen, wordt dit tevens door lichten aangegeven.
Artikel 152 en 153
[vervallen]
1.
Op het luchtvaartterrein zijn voldoende middelen aanwezig voor het op verantwoorde wijze verlenen van eerste hulp bij ongevallen.
2.
Op het luchtvaartterrein is tenminste één persoon aanwezig, die in staat is tot het verlenen van eerste hulp bij ongevallen en die in het bezit is van een bewijs waaruit blijkt, dat hij met het verlenen van eerste hulp vertrouwd is. Door de Minister kan worden vastgesteld welke bewijzen hiervoor in aanmerking komen.
3.
Voor zover een voor het openbaar luchtverkeer aangewezen luchtvaartterrein ingevolge de beschikking tot aanwijzing mede voor het internationale luchtverkeer is bestemd, draagt de exploitant zorg dat op het luchtvaartterrein een gezondheidsorganisatie functioneert, welke doorlopend beantwoord aan hetgeen nodig is om ziekten te voorkomen en welke in elk geval de medewerking van een geneesheer verzekert, zo dikwijls diens aanwezigheid nodig kan zijn voor een ingevolge een internationale overeenkomst of een wettelijk voorschrift te verrichten geneeskundig onderzoek.
1.
Op het luchtvaartterrein zijn voldoende materieel en middelen alsmede voldoende deskundig en bedreven personeel aanwezig voor het redden van mensenlevens en tot het voorkomen, beperken en bestrijden van brand ten gevolge van ongevallen met luchtvaartuigen op of in de onmiddellijke omgeving van het luchtvaartterrein.
2.
Het bepaalde in het eerste lid geschiedt met inachtneming van de voorschriften van Hoofdstuk 9 «Aerodrome operational services equipment and installation» van de bij dit besluit behorende bijlage CARNA Part 14.
3.
Het materieel verkeert te allen tijde in bedrijfszekere toestand en het personeel wordt regelmatig geoefend.
4.
Er worden maatregelen genomen opdat het personeel met het materieel te allen tijde kan uitrukken bij ongevallen met luchtvaartuigen op of in de onmiddellijke omgeving van het luchtvaartterrein dan wel bij brand of gevaar voor brand op het luchtvaartterrein.
5.
Er wordt door de Minister een regeling vastgesteld waarin het geheel van de te nemen maatregelen is opgenomen voor een doelmatige bestrijding van ongevallen als bedoeld in eerste en vierde lid, alsmede van rampen welke zich op het luchtvaartterrein kunnen voordoen.
1.
De exploitant draagt zorg dat van het luchtvaartterrein een veilig gebruik kan worden gemaakt.
2.
De exploitant draagt zorg dat:
a. de in artikel 135 bedoelde grondtekens, cijfers, dagkenmerken, en het seinvierkant, alsmede de in artikel 146 bedoelde aanduiding van hindernissen in goede staat worden gehouden;
b. de lichten, inrichting en verlichting, bedoeld in de artikelen 147 tot en met 151, in goede staat worden gehouden;
3.
Door de Minister kunnen aanwijzingen worden gegeven aan de exploitant in verband met de in de vorige leden gestelde bepalingen.
1.
De exploitant draagt zorg dat aan het Bestuurscollege en aan de Minister halfjaarlijks een verslag over de toestand van het luchtvaartterrein wordt aangeboden.
2.
De Minister kan voorschriften geven ten aanzien van de orde en veiligheid op het luchtvaartterrein.
3.
De Minister kan de exploitant opdragen op basis van en ter aanvulling van de in het eerste lid gegeven voorschriften nadere maatregelen vast te stellen. Deze behoeven de goedkeuring van het Bestuurscollege.
1.
De exploitant neemt maatregelen voor een behoorlijk toezicht op de veiligheid en de goede orde op het luchtvaartterrein.
2.
Terzake de uitvoering van het toezicht, bedoeld in het eerste lid, kunnen door de Minister nadere voorschriften worden gegeven.
Artikel 159
Met betrekking tot het luchtvaartterreinverkeer op het landingsterrein, uitgezonderd luchtvaartuigen, en met betrekking tot het verkeer van luchtvaartuigen naar, van en op het platform wordt coördinatie gevoerd tussen de exploitant en de plaatselijke luchtverkeersleidingsdienst.
Artikel 160
De exploitant staat toe dat op het luchtvaartterrein elektronische, meteorologische en eventueel andere hulpmiddelen aanwezig zijn vanwege de aan de relevante luchtverkeersdienstverleners en verleners van meteorologische diensten opgedragen taken met betrekking tot de luchtverkeersbeveiliging en de luchtvaartmeteorologische dienstverlening.
1.
De luchthavenmeester wordt door de exploitant van het luchtvaartterrein benoemd.
2.
De luchthavenmeester verricht zijn taak onverminderd de verantwoordelijkheid van de exploitant.
3.
De functie van luchthavenmeester mag verenigd worden met die van exploitant.
Artikel 162
De luchthavenmeester is belast met de dagelijkse uitvoering van het toezicht op het luchtvaartterrein en in het bijzonder met het toezicht op de veiligheid en de goede orde daarop.
1.
De luchthavenmeester van een gecontroleerd luchtvaartterrein deelt de luchtverkeersleidingsdienst steeds tijdig mede welk gedeelte van het landingsterrein gebruikt kan worden voor het verkeer met luchtvaartuigen.
2.
Dit gedeelte van het landingsterrein wordt aangeduid als het in gebruik zijnde deel van het landingsterrein.
3.
De luchtverkeersleidingsdienst bepaalt op grond van verkeerstechnische overwegingen welk gedeelte van het in gebruik zijnde deel van het landingsterrein daadwerkelijk wordt bestemd voor het landen en opstijgen van luchtvaartuigen en daarmede verband houdende bewegingen.
Artikel 164
De luchthavenmeester draagt zorg dat bij nacht of tijdens instrumentweersomstandigheden (IMC) de verlichting en de lichten, bedoeld in de artikel 148, tijdig en voor zover nodig worden ontstoken en blijven branden zolang dit voor de veiligheid van het luchtvaartterrein nodig wordt geacht.
Artikel 165
De luchthavenmeester draagt zorg dat:
a. in het seinvierkant steeds de benodigde tekens worden geplaatst;
b. in geval van windstilte de op het luchtvaartterrrein aanwezige landings-T wordt vastgezet in de richting waarin moet worden geland en opgestegen, waarbij onder windstilte wordt verstaan wind met een snelheid van ten hoogste 2,5 m per seconde.
1.
De luchthavenmeester draagt zorg dat het in gebruik zijnde deel van het landingsterrein niet onveilig wordt gemaakt door enig roerend goed.
2.
Indien zich op het landingsterrein roerend goed bevindt, hetwelk gevaar voor luchtvaartuigen kan opleveren, wordt dit roerend goed door de zorg van de luchthavenmeester verwijderd dan wel aangeduid overeenkomstig het bepaalde in de artikel 150.
3.
Indien een gedeelte van het landingsterrein geheel of gedeeltelijk gesloten is verklaard of niet geschikt is voor het gebruik door luchtvaartuigen, wordt dat gedeelte door de zorg van de luchthavenmeester aangeduid overeenkomstig hoofdstuk 7 «Visual Aids for denoting restricted use areas» van de bij dit besluit behorende bijlage CARNA Part 14.
4.
Indien een gedeelte van het landingsterrein op een luchtvaartterrein, dat gedurende de nacht of tijdens instrumentweersomstandigheden (IMC) wordt gebruikt, geheel of gedeeltelijk gesloten is verklaard of niet geschikt is voor het gebruik door luchtvaartuigen, wordt dat gedeelte door de zorg van de luchthavenmeester aangeduid door lichten overeenkomstig het bepaalde in de artikel 148 en 150.
1.
De luchthavenmeester draagt zorg dat een platform niet onveilig wordt gemaakt door enig roerend goed.
2.
Indien op een platform zich roerend goed bevindt, hetwelk naar het oordeel van of vanwege de Minister gevaar voor luchtvaartuigen kan opleveren, wordt dit roerend goed door de zorg van de luchthavenmeester verwijderd dan wel aangeduid overeenkomstig de in artikel 146 voor hindernissen vastgestelde voorschriften.
3.
Indien een gedeelte van het platform geheel of gedeeltelijk gesloten is verklaard of niet geschikt voor het gebruik door luchtvaartuigen, wordt dat gedeelte door de zorg van de luchthavenmeester aangeduid overeenkomstig het bepaalde in hoofdstuk 7 «Visual Aids for denoting restricted use areas» van de bij dit besluit behorende bijlage CARNA Part 14.
4.
Indien een gedeelte van het platform op een luchtvaartterrein, dat gedurende de nacht of tijdens instrumentweersomstandigheden (IMC) wordt gebruik, geheel of gedeeltelijk gesloten is verklaard of niet geschikt is voor het gebruik door luchtvaartuigen, wordt dat gedeelte door de zorg van de luchthavenmeester aangeduid door lichten overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 150 en 151.
1.
De luchthavenmeester stelt, indien het landingsterrein door enigerlei omstandigheid gevaarlijk is geworden of kan worden voor luchtvaartuigen, de Minister daarvan zo spoedig mogelijk in kennis onder vermelding van de bijzonderheden dienaangaande.
2.
Gelijke mededeling als bedoeld in het eerste lid wordt gegeven indien door enigerlei omstandigheid één of meer van de in artikelen 135, 146, 148, 150 en 151 bedoelde tekens, cijfers, dagkenmerken, kleuren, lichten, verlichting en inrichting niet meer aan de ter zake geldende voorschriften voldoen of indien daarin wijziging wordt gebracht.
3.
Wanneer de omstandigheid welke aanleiding heeft gegeven tot de mededeling, bedoeld in het eerste of tweede lid, ophoudt te bestaan, stelt de luchthavenmeester de Minister daarvan eveneens zo spoedig mogelijk in kennis.
1.
De luchthavenmeester legt een register aan, waarin gegevens worden opgenomen omtrent elk luchtvaartuig dat op het luchtvaartterrein landt of daarvan opstijgt.
2.
De aantekeningen in dit register zijn duidelijk en houdbaar, terwijl zij niet uitgewist, verwijderd of onleesbaar mogen worden gemaakt. De aantekeningen worden ten minste twee jaar bewaard.
3.
De luchthavenmeester houdt van niet-verkeersvluchten de volgende gegevens bij:
a. het nationaliteits- en inschrijvingskenmerk alsmede het type luchtvaartuig, tevens inhoudende de inrichting van het vliegtuig en de naam van de eigenaar of houder;
b. de naam van de gezagvoerder van het luchtvaartuig;
c. het luchtvaartterrein, waarvan het luchtvaartuig het laatst is vertrokken, alsmede het tijdstip van aankomst;
d. het luchtvaartterrein van bestemming, alsmede het tijdstip van vertrek;
e. de aard van de vlucht, alsmede het aantal inzittenden;
f. de baan- en circuitrichting.
4.
De luchthavenmeester houdt van verkeersvluchten dezelfde gegevens bij als van niet-verkeersvluchten, met uitzondering van het onder het derde lid, onderdelen b en e, gestelde, doch houdt daarentegen van verkeersvluchten de volgende additionele gegevens bij:
a. het vluchtnummer;
b. de herkomst of bestemming van de vervoerde passagiers, zowel voor passagiers met bestemming respectievelijk herkomst Bonaire, Sint Eustatius of Saba als voor overstappende passagiers en doorgaande passagiers;
c. de herkomst of bestemming van de vervoerde vracht en post, zowel voor vracht en post met bestemming respectievelijk herkomst Bonaire, Sint Eustatius of Saba als voor vracht en post met overslag.
5.
Vanwege het karakter van de gegevens, bedoeld in het vierde lid, worden deze gegevens vertrouwelijk behandeld.
6.
De luchthavenmeester verleent desgewenst aan de Minister inzage van het register, bedoeld in het eerste lid.
Artikel 170
De luchthavenmeester draagt zorg dat op de daarvoor geëigende en duidelijk waarneembare plaats ter inzage aanwezig zijn:
a. de vastgestelde tarieven voor het gebruik dat door luchtvaartuigen wordt gemaakt van het betreffende luchtvaartterrein en van de zich daarop bevindende opstallen;
b. een lijst betreffende eventueel te heffen vergoedingen voor het gebruik van de verschillende inlichtingen, de herstellingen aan luchtvaartuigen en al hetgeen daarmee samenhangt.
Artikel 170a
De Minister kan ontheffing verlening van het bij of krachtens de artikelen 134, 146, 148, 150, 154, derde lid, 155 en 165, onderdeel b, bepaalde. De ontheffing kan onder beperkingen worden verleend. Aan de ontheffing kunnen voorschriften worden verbonden.
1.
Een voor het openbaar luchtverkeer aangewezen luchtvaartterrein wordt, met inachtneming van de bepalingen in de voorgaande paragrafen, gecertificeerd conform de in deze paragraaf vastgelegde regels en procedures.
2.
Voor de toepassing van deze paragraaf wordt verstaan onder:
a. certificaat luchtvaartterrein: een certificaat verleend door de Minister conform vastgestelde regels inzake de veilige operatie van een luchtvaartterrein binnen de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba;
b. faciliteiten en uitrusting luchtvaartterrein: faciliteiten en uitrusting, binnen of buiten de grenzen van een luchtvaartterrein, welke worden gebouwd of aangelegd en in stand gehouden voor de aankomst, het vertrek en de grondbewegingen van luchtvaartuigen;
c. handboek luchtvaartterrein: de handleiding deel uitmakende van de aanvraag voor een certificaat luchtvaartterrein, met inbegrip van wijzigingen hierop, zoals goedgekeurd;
d. exploitant van een luchtvaartterrein: de exploitant van een luchtvaartterrein aan wie een certificaat luchtvaartterrein is afgegeven;
e. gecertificeerd luchtvaartterrein: een luchtvaartterrein aan de exploitant waarvan een certificaat luchtvaartterrein is afgegeven.
1.
De exploitant van een gecertificeerd luchtvaartterrein heeft ten behoeve van de operatie hiervan de beschikking over een handboek luchtvaartterrein.
2.
Het handboek, bedoeld in het eerste lid, heeft ten doel aan te tonen dat het luchtvaartterrein voldoet aan de certificatievoorschriften genoemd in artikel 173, tweede lid en dat er geen tekortkomingen zijn die de veiligheid van operaties met luchtvaartuigen nadelig beïnvloeden.
3.
Het handboek bevat in ieder geval de bijzonderheden genoemd in «Appendix 1» van «ICAO Manual on Certification of Aerodromes»
4.
Indien een bijzonderheid als bedoeld in het derde lid niet van toepassing is op het luchtvaartterrein, wordt door de exploitant van het luchtvaartterrein de reden hiervan vermeld.
5.
Het handboek:
a. wordt in gedrukte vorm opgesteld en ondertekend door de exploitant van het luchtvaartterrein;
b. is van zodanig formaat dat dit gemakkelijk kan worden herzien;
c. is voorzien van een systeem om de geldigheid der pagina’s en wijzigingen hierop bij te houden, met inbegrip van een pagina om revisies te noteren;
d. is zodanig samengesteld en ingedeeld dat het proces van voorbereiding, de inspectie en de goedkeuring ervan wordt vergemakkelijkt;
e. wordt door de exploitant van het luchtvaartterrein waar nodig gewijzigd, ten einde de nauwkeurigheid van de inlichtingen te handhaven, terwijl de exploitant de Minister in kennis dient te stellen van aanvullingen in het handboek
6.
Het handboek en de wijzigingen hierop worden, met inachtneming van het bepaalde in dit artikel, goedgekeurd door de Minister.
7.
De exploitant van een luchtvaartterrein stelt een volledig en geldig exemplaar van het handboek ter beschikking van de directeur van de Minister.
1.
De afgifte, verlenging van de geldigheidstermijn, vernieuwing, schorsing en intrekking van een certificaat luchtvaartterrein geschieden door de Minister.
2.
Een certificaat luchtvaartterrein, waarvan het model door de Minister is goedgekeurd, kan worden verleend voor een termijn van ten hoogste drie jaar, indien en ten genoegen van de Minister is aangetoond dat:
a. zowel de exploitant van een luchtvaartterrein als het onder hem dienende staf de vereiste bekwaamheid en ervaring bezitten om het luchtvaartterrein te opereren en in stand te houden in overeenstemming met het handboek luchtvaartterrein zoals goedgekeurd;
b. alle faciliteiten, de dienstverlening en uitrusting op of van het luchtvaartterrein in overeenstemming zijn met de bepalingen van dit hoofdstuk, alsmede dat de faciliteiten op behoorlijke en efficiënte wijze in stand worden gehouden;
c. de operationele procedures van het luchtvaartterrein in voldoende mate voorzien in de veiligheid van luchtvaartuigen;
d. er een acceptabel veiligheidssysteem is ingesteld door de exploitant van een luchtvaartterrein en voorhanden is op het luchtvaartterrein, in welk systeem tevens de organisatiestructuur, de verplichtingen, bevoegdheden en verantwoordelijkheden van de stafleden is omschreven, ten einde te verzekeren dat de operaties correct worden uitgevoerd.
3.
Aan een certificaat luchtvaartterrein kunnen voorschriften worden verbonden.
4.
Een certificaat luchtvaartterrein kan onder beperkingen worden verleend
5.
De tarieven voor de behandeling van een aanvraag voor de eerste afgifte en de instand houding van een certificaat luchtvaartterrein worden door de Minister vastgesteld.
1.
De exploitant van een luchtvaartterrein draagt zorg voor:
a. indienstneming van voldoende personeelsleden, die bekwaam en deskundig zijn om de taken verbonden aan operaties op het luchtvaartterrein en de instandhouding hiervan, te vervullen;
b. de instelling van een programma tot bijscholing van het personeel, genoemd onderdeel a.
2.
De exploitant van een luchtvaartterrein draagt zorg voor de beoordeling van het veiligheidssysteem, met inbegrip van de inspectie der faciliteiten en uitrusting van het luchtvaartterrein.
3.
De exploitant van een luchtvaartterrein voert tenminste eenmaal per jaar een interne beoordeling uit van het veiligheidssysteem.
1.
De afgifte van een certificaat luchtvaartterrein wordt aangevraagd door de exploitant van een luchtvaartterrein door middel van indiening van een behoorlijk ingevuld en ondertekend formulier, waarvan het model door de Minister is vastgesteld en waarvan exemplaren kosteloos verkrijgbaar zijn bij de Minister.
2.
Bij de aanvraag van een certificaat luchtvaartterrein wordt het handboek luchtvaartterrein overgelegd door de exploitant van het luchtvaartterrein.
3.
Voor de behandeling van een aanvraag voor wijziging van een certificaat luchtvaartterrein zijn de door de Minister vastgestelde tarieven verschuldigd.
4.
Het certificaat luchtvaartterrein kan door de Minister worden gewijzigd:
a. op verzoek van de exploitant van het luchtvaartterrein;
b. bij wijziging van de eigendom van het luchtvaartterrein of in het bestuur van de exploitant van het luchtvaartterrein;
c. bij wijziging in het gebruik of van de operatie van het luchtvaartterrein;
d. bij wijziging van de grenzen van het luchtvaartterrein.
5.
De geldigheid van een certificaat luchtvaartterrein kan worden geschorst indien blijkt dat:
a. het veiligheidssysteem van de exploitant van een luchtvaartterrein ontoereikend is;
b. de schorsing in het belang is van de operationele veiligheid;
c. alle overige maatregelen voor de tijdige correctie van de onveilige toestand of voor het veilig stellen van operaties met luchtvaartuigen niet de gewenste resultaten hebben opgeleverd;
d. de exploitant van een luchtvaartterrein onvoldoende technisch bekwaam of geschikt is om de veiligheidstaken te vervullen voortvloeiende uit de bepalingen van deze paragraaf;
e. de exploitant van een luchtvaartterrein zich verzet tegen het nemen van maatregelen of niet bereid is maatregelen te nemen om verbetering te brengen in de bestaande onveilige situatie op het luchtvaartterrein;
f. de exploitant van een luchtvaartterrein met opzet te kort schiet in het nemen van een reeds overeengekomen correctieve actie en de schorsing van het certificaat luchtvaartterrein als laatste redmiddel kan worden aangewend om onveilige operaties op het platform en het manoeuvreergebied te vermijden.
6.
Een certificaat luchtvaartterrein wordt ingetrokken indien de exploitant van een luchtvaartterrein:
a. ongeschikt of niet bereid is om correctieve acties te nemen of ernstige inbreuken heeft gepleegd op de bepalingen van deze paragraaf danwel zich herhaaldelijk hieraan heeft schuldig gemaakt;
b. getoond heeft geen verantwoordelijkheid te dragen, zoals het met opzet niet voldoen aan en handelen in strijd met de bepalingen van deze paragraaf of zich schuldig maakt aan vervalsing van documenten, waardoor de veiligheid van de luchtvaart in gevaar wordt gebracht.
c. op overtuigende wijze duidelijk heeft gemaakt dat het voortzetten van operaties op het luchtvaartterrein schadelijk zal zijn voor het algemeen belang.
Artikel 176
Het certificatieproces verloopt met inachtneming van de procedurele voorschriften neergelegd in de paragrafen 4.1. t/m 4.4 van hoofdstuk 4 «Aerodrome certification procedures» van de ICAO-Manual on Aerodrome Certification DOC 9774 AN/969.
1.
Indien het luchtvaartterrein of de faciliteiten, de dienstverlening en de uitrusting op of van het luchtvaartterrein geen voldoende waarborgen bieden om de luchtvaart op veilige wijze uit te oefenen, wordt door de Minister afwijzend beschikt op de aanvraag.
2.
Binnen veertien dagen na de datum van de beslissing van de Minister wordt de afwijzing bekend gemaakt aan de aanvrager in een aangetekend schrijven, onder vermelding van de gronden waarop de afwijzing berust.
1.
Ten behoeve van de veiligheid, de regelmaat en de doelmatigheid van de luchtvaart worden ten behoeve van de delen van het Vluchtinformatiegebied Curaçao en het Vluchtinformatiegebied San Juan waarvoor de Minister de verantwoordelijkheid voor het verzorgen van luchtverkeersdiensten heeft aanvaard de volgende publicaties uitgegeven:
a. Aeronautical Information Publication (AIP), zijnde een luchtvaartgids, inhoudende inlichtingen van blijvende aard, welke van belang zijn voor de uitoefening van de luchtvaart;
b. Notices to Airmen (NOTAM), zijnde een kennisgeving, gedistribueerd door middel van telecommunicatie, bevattende inlichtingen met betrekking tot de instelling, toestand of verandering van luchtvaartfaciliteiten, -dienstverlening, -procedures of -gevaar, waarvan de tijdige inkennisstelling van essentieel belang is voor de uitoefening van de luchtvaart;
c. Aeronautical Information Regulation (AIRAC), zijnde een systeem om omstandigheden die een belangrijke wijziging of implementatie op operationeel gebied inhouden, vooraf bekend te maken op de in de ICAO Aeronautical Information Services Manual (DOC 8126 AN/872) vastgestelde data.
d. Luchtvaartkaart, een afbeelding van een deel van de aarde, de beloning en verhevenheid, specifiek bestemd om aan de eisen van de luchtvaartnavigatie te voldoen.;
e. Aeronautical Information Circular (AIC), een circulaire voor de luchtvaart met inlichtingen die niet in aanmerking komen voor publicatie in een NOTAM of de AIP, maar wel in verband staan met de vliegveiligheid, vluchtuitvoering of technische, administratieve of wetgevende aangelegenheden;
f. Publicaties, bevattende de inlichtingen van algemeen en technisch belang en inlichtingen met betrekking tot administratieve zaken, ongeschikt voor publicatie in AIP of NOTAM;
2.
Indien de veiligheid, de regelmaat en de doelmatigheid van de luchtvaart dit vereist kunnen, extra luchtvaartinlichtingen van blijvende aard worden verstrekt.
Permanente aanpassingen van de luchtvaartgids worden verstrekt middels een amendement, overeenkomstig Bijlagen 4 en 15 van het Verdrag.
Tijdelijke aanpassingen van de luchtvaartgids worden verstrekt middels een supplement, overeenkomstig Bijlagen 4 en 15 van het Verdrag.
3.
De publicaties kunnen tevens worden uitgegeven in de Engelse taal.
Artikel 179
De AIP, NOTAM, AIC en de Luchtvaartkaarten, waaronder naderings-, landings- en hinderniskaarten worden samengesteld overeenkomstig de richtlijnen vervat in Bijlage 15 van het Verdrag.
1.
De abonnementsgelden voor de publicaties, bedoeld in artikel 178, worden door de Minister vastgesteld.
2.
De betaling van de abonnementsgelden, bedoeld in het eerste lid, geschiedt volgens door de Minister vastgestelde regels.
1.
Op de luchtvaartterreinen binnen de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba worden inlichtingen gegeven voor het uitvoeren van vluchten.
2.
Deze inlichtingen betreffen onderwerpen, welke zijn opgenomen in de relevante AIP’s en NOTAM, alsmede gegevens van luchtvaartkaarten, welke verband houden met de te vliegen route.
3.
Indien nodig wordt ten behoeve van de leden van het stuurhutpersoneel van een luchtvaartuig een uittreksel van de van kracht zijnde NOTAM en andere inlichtingen van dringende aard, welke voor de vluchtuitvoering van belang zijn, beschikbaar gesteld.
1.
Voor het verkrijgen van ontheffing tot het houden van een luchtvaartvertoning of luchtvaartwedstrijd als bedoeld in artikel 28, derde lid, van de Luchtvaartwet BES , wordt ten minste 21 dagen voor de dag van de vertoning of van de wedstrijd een daartoe strekkend verzoekschrift bij de Minister ingediend.
2.
Bij het verzoekschrift worden overgelegd:
a. een omschrijving van de vertoning of wedstrijd met aanduiding van het (de) te gebruiken terrein(en) en van de te volgen route, alsmede met vermelding in hoeverre kunstvluchten zullen plaatshebben;
b. een verzoek om ontheffing van de verbodsbepaling van artikel 26, eerste lid, van de Luchtvaartwet BES, indien een terrein niet zijnde luchtvaartterrein zal worden gebruikt, met vermelding van het openbare lichaam, waarop het terrein is gelegen en met een duidelijke tekening van het terrein en van de onmiddellijke omgeving daarvan, waaruit de afmetingen blijken;
c. een schriftelijke verklaring, dat tegen de te houden vertoning of wedstrijd geen bezwaar bestaat, welke wordt afgegeven door de Gezaghebber van het openbare lichaam waar deze zal worden gehouden.
3.
Een verzoekschrift als bedoeld in dit artikel wordt eerst in behandeling genomen, indien alle benodigde gegevens en de verklaring zijn overgelegd.
1.
Voor het aanvragen van een ontheffing van het in artikel 26, eerste lid, van de Luchtvaartwet BES vervatte verbod, wordt tenminste 21 dagen voor de eerste dag waarop het terrein zal worden gebruikt een daartoe strekkend verzoekschrift bij de Minister ingediend.
2.
Bij het verzoekschrift worden overgelegd:
a. fabrikaat en type van het te gebruiken luchtvaartuig;
b. datum waarop het terrein zal worden gebruikt;
c. de reden(en) waarom dit terrein zal worden gebruikt;
d. het eiland en de plaats waarin het betrokken terrein is gelegen;
e. de afmetingen van het terrein;
f. een duidelijke kaart waaruit de geografische ligging en de aard van de omgeving van het betrokken terrein duidelijk blijkt;
g. een verklaring van geen bezwaar afgegeven door de Gezaghebber van het openbare lichaam waarin het betrokken terrein is gelegen;
h. een verklaring van geen bezwaar van de eigenaar dan wel de zakelijk gerechtigde van het betrokken terrein;
i. een schriftelijke verklaring van de aanvrager dat het beoogde terrein aan de gestelde criteria voor een veilig gebruik voldoet.
3.
Indien de ontheffing voor drie dagen of minder wordt aangevraagd, is het gestelde in het tweede lid van dit artikel van toepassing met dien verstande dat de verklaringen als bedoeld in onderdelen h en i tijdens het daadwerkelijke gebruik van het terrein ter inzage aanwezig moeten zijn.
4.
Voor het aanvragen van en ontheffing van het in artikel 26, eerste lid, van de Luchtvaartwet BES vervatte verbod ten behoeve van het opstijgen met een vrije bemande ballon geldt in afwijking van het gestelde in het eerste lid, een termijn van 14 dagen.
5.
Voor het aanvragen van een ontheffing van het in artikel 37, eerste lid, onderdelen a en b, van de Luchtvaartwet BES vervatte verbod, wordt tenminste 21 dagen voor het begin van de periode waarvoor de aanvrage geldt een daartoe strekkend verzoekschrift bij de Minister ingediend.
6.
Voor het aanvragen van een ontheffing van het in artikel 39, eerste lid, onderdelen a, b en c, van de Luchtvaartwet BES vervatte verbod, wordt tenminste 21 dagen voor het begin van de periode waarvoor de aanvrage geldt, een daartoe strekkend verzoekschrift bij de Minister ingediend.

Hoofdstuk 10

[vervallen]
2.
Overtreding van een aanwijzing, regel of voorschrift gegeven krachtens de 135, tweede lid, 146, 147, 148, tweede lid, 149, 151, tweede lid, 152, derde lid, 153, tweede lid, 155, vierde lid, 156, derde lid, 157, tweede lid, 158, eerste lid, is, voor zover die overtreding uitdrukkelijk als strafbaar feit is aangemerkt, een strafbaar feit als bedoeld in artikel 50, vierde lid, van de Luchtvaartwet BES.
Artikel 186
De vóór de inwerkingtreding van dit besluit door de Minister afgegeven bewijzen van inschrijving, van luchtwaardigheid, van gelijkstelling treden in de plaats van de overeenkomstige in dit besluit vermelde bewijzen. Voor bewijzen, waarvan het model afwijkt van de bedoelde overeenkomstige bewijzen geschiedt dit slechts voor de duur van ten hoogste zes maanden. In deze periode worden de bewijzen van afwijkend model door de Minister vervangen door overeenkomstige in dit besluit vermelde bewijzen zonder dat daarbij enige kosten in rekening worden gebracht.
Artikel 188
Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit toezicht luchtvaart BES.