Rechtenmedia.nl - Juridische Online Uitgeverij  Rechtennieuws.nl | Jure.nl | Maxius.nl | Parlis.nl | Rechtenforum.nl | JBmatch.nl | MijnWetten.nl | AdvocatenZoeken.nl | Rechtentotaal.nl
Besluit toelating en uitzetting BES
Bwb-id:
Officiele titel:
Citeertitel:
Ook bekend als:
Soort regeling:
Wetsfamilies:
Eerst verantwoordelijk ministerie:

Geldigheidsdatum:
Ingangsdatum:
Inhoudsopgave
+ Hoofdstuk 1. Inleidende bepalingen
+ Hoofdstuk 2. Visa als instrumenten van het toelatingsbeleid
+ Hoofdstuk 3. Toegang
+ Hoofdstuk 4. Toelating van rechtswege
+ Hoofdstuk 5. Toelating tot verblijf bij vergunning verleend
+ Hoofdstuk 6. Grensbewaking, toezicht en uitvoering
+ Hoofdstuk 7. Vrijheidsbeperkende en vrijheidsontnemende maatregelen
+ Hoofdstuk 8. Vertrek, uitzetting en ongewenstverklaring
+ Hoofdstuk 9. Algemene bepalingen
+ Hoofdstuk 10. Overgangs- en slotbepalingen
Vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature

Juridisch advies nodig?
Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag
Geschiedenis

Geschiedenis-overzicht

Besluit toelating en uitzetting BES

Besluit toelating en uitzetting BES
Artikel 1.1
In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
a. luchtvaartuig: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1, eerste lid, onder b, van de Luchtvaartwet;
b. schip: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1, eerste lid, onder b, van de Scheepvaartverkeerswet;
c. vliegtuig: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1, eerste lid, onder c, van de Luchtvaartwet;
d. zeeschip: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1, tweede lid, onder c, van de Scheepvaartverkeerswet;
e. de Wet: de Wet toelating en uitzetting BES;
f. herhaalde aanvraag: een aanvraag die met toepassing van artikel 8 van de Wet kan worden afgewezen;
g. toerist: iedere vreemdeling die niet langer dan drie maanden in de openbare lichamen verblijft voor ontspanning, sport, gezondheidsredenen, familieaangelegenheden, studie, godsdienstige doeleinden of zakenbezoeken en die tijdens zijn verblijf in de openbare lichamen geen werkzaamheden tegen beloning verricht;
h. vertegenwoordiging: diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging van het Koninkrijk in het buitenland;
i. vermissing: ieder geval waarin de houder niet meer de feitelijke beschikking heeft over een op zijn naam gesteld reisdocument of verblijfsdocument, anders dan door of ten behoeve van handelingen van een daartoe bevoegde autoriteit;
j. minderjarigheid: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 233 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek BES.
1.
In dit besluit wordt verstaan onder reisvisum:
a. een visum, verleend door de bevoegde autoriteiten van het Koninkrijk en aangebracht in het reisdocument, met het oog op doorreis of beoogd verblijf in de openbare lichamen van ten hoogste drie maanden; en
b. voorzover bij of krachtens dit besluit niet anders is bepaald: een afzonderlijk verstrekt visum als bedoeld onder a.
2.
In dit besluit wordt verstaan onder doorreisvisum:
a. een visum, overeenkomstig het bepaalde onder «reisvisum» verleend voor een doorreis door internationale transitruimten, al dan niet met een oponthoud van ten hoogste vijf dagen in de openbare lichamen; en
b. voorzover bij of krachtens dit besluit niet anders is bepaald: een afzonderlijk verstrekt doorreisvisum als bedoeld onder a.
1.
Onze Minister kan van zijn bevoegdheden mandaat verlenen aan de korpschef en de Commandant van de Koninklijke marechaussee.
2.
De korpschef en de Commandant van de Koninklijke marechaussee kunnen ondermandaat verlenen aan de onder hen ressorterende ambtenaren voorzover dat in overeenstemming is met de taak en functie van de desbetreffende ambtenaar.
Artikel 2.1
Bij een besluit betreffende de machtiging tot voorlopig verblijf is het belang van de internationale betrekkingen in ieder geval betrokken, indien de aanvraag tot het verlenen van de machtiging tot voorlopig verblijf is ingediend door of ten behoeve van een persoon:
a. aan wie krachtens verdrag of bindend besluit van een volkenrechtelijke organisatie reisbeperkingen zijn opgelegd;
b. die op een signaleringslijst van een van de landen of van de staten die Partij zijn bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte staat ter fine van weigering van de toegang;
c. ter deelname aan in Nederland te voeren vredesbesprekingen;
d. die behoort tot de hoge bestuursfunctionarissen van een vreemde mogendheid;
e. met het oog op het functioneren van een in Nederland zetelende internationale instantie.
Artikel 2.2
De hoofden van de vertegenwoordigingen verstrekken periodiek ten minste de volgende gegevens aan Onze Minister:
a. de wijze van behandeling van aanvragen omtrent een machtiging tot voorlopig verblijf;
b. het aantal aanvragen, bedoeld onder a, alsmede de naar aanleiding daarvan genomen besluiten en de verblijfsdoelen waarop de aanvragen betrekking hebben;
c. het aantal en soort klachten betreffende de afdoening van de aanvragen, bedoeld onder a, alsmede de wijze van afdoening van de klachten;
d. de gerealiseerde behandeltermijnen en de werkvoorraden.
1.
De aanvraag, bedoeld in artikel 2d van de Wet, wordt gedaan door het indienen van een formulier, waarvan het model door Onze Minister wordt vastgesteld.
2.
De aanvraag tot het verlenen of wijzigen van een terugkeervisum, bedoeld in artikel 2d van de Wet, wordt in persoon ingediend bij Onze Minister.
Artikel 2.4
Indien de vreemdeling, hangende de besluitvorming op een eerdere aanvraag tot het verlenen van een machtiging tot voorlopig verblijf als bedoeld in artikel 2d van de Wet, wijziging van het gevraagde verblijfsdoel wenst, dient hij een nieuwe aanvraag in.
1.
De vreemdeling legt bij de in persoon ingediende aanvraag tot het verlenen van een machtiging tot voorlopig verblijf, bedoeld in artikel 2f, eerste lid, onder a, van de Wet, in ieder geval over een geldig document voor grensoverschrijding, alsmede, voor zover redelijkerwijs mogelijk, de gegevens en bescheiden op basis waarvan kan worden vastgesteld dat wordt voldaan aan de voorwaarden voor verlening of wijziging.
2.
Bij de door een referent ingediende aanvraag, bedoeld in artikel 2f, eerste lid, onder b, van de Wet, legt de referent afschriften over van de in het eerste lid bedoelde gegevens en bescheiden en legt hij op verzoek van Onze Minister de originelen over.
3.
In afwijking van het eerste lid legt de vreemdeling die niet beschikt over een geldig document voor grensoverschrijding, voor zover redelijkerwijs mogelijk, gegevens en bescheiden over waarmee naar het oordeel van Onze Minister wordt aangetoond dat hij vanwege de regering van het land waarvan hij onderdaan is, niet of niet meer in het bezit van een geldig document voor grensoverschrijding kan worden gesteld. In dat geval legt hij tevens aanvullende gegevens of bescheiden over omtrent zijn identiteit en nationaliteit.
Artikel 2.6
De aanvraag, bedoeld in artikel 2d van de Wet, wordt getoetst aan het recht dat gold op het tijdstip waarop de aanvraag is ontvangen, tenzij uit de Wet anders voortvloeit of het recht dat geldt op het tijdstip waarop de beschikking wordt gegeven, voor de vreemdeling gunstiger is.
Artikel 2.7
Een terugkeervisum wordt niet geweigerd op de in artikel 2i, eerste lid, onder a, van de Wet bedoelde grond aan:
a. de vreemdeling die naar het oordeel van Onze Minister heeft aangetoond dat hij voor zakelijke doeleinden moet reizen;
b. de hier te lande geboren vreemdeling, bedoeld in artikel 5.19, eerste lid, ten behoeve van wie een aanvraag is gedaan tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 6 van de Wet, in geval beide ouders van rechtswege of bij vergunning zijn toegelaten of als Nederlander in de openbare lichamen verblijven;
c. de vreemdeling die een positieve beslissing op zijn aanvraag tot het verlenen, het verlengen van de geldigheidsduur of het wijzigen van een verblijfsvergunning voor bepaalde of onbepaalde tijd heeft ontvangen, maar nog in afwachting is van afgifte van het bijbehorende verblijfsdocument;
d. de vreemdeling die in afwachting is van de beslissing op een aanvraag tot het wijzigen of het verlengen van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in artikel 6 van de Wet, en de aanvraag tijdig of naar het oordeel van Onze Minister binnen een redelijke termijn als bedoeld in artikel 5.38, eerste lid, is ontvangen.
Artikel 2.8
De vreemdeling of referent die, hangende de besluitvorming op de aanvraag, bedoeld in artikel 2d van de Wet, verandert van adres, woon- of verblijfplaats, meldt de verandering onmiddellijk bij de instantie waar de aanvraag is ingediend.
1.
De vreemdeling die na binnenkomst in de openbare lichamen niet langer voldoet aan de beperking waaronder de machtiging tot voorlopig verblijf is verleend of een voorschrift dat aan de machtiging is verbonden, deelt dit onmiddellijk mee aan de korpschef.
2.
De vreemdeling wiens geldig document voor grensoverschrijding of machtiging tot voorlopig verblijf na binnenkomst in de openbare lichamen vermist wordt, verloren is gegaan of ondeugdelijk is geworden voor identificatie, doet daarvan onmiddellijk in persoon aangifte bij de korpschef.
3.
De in het eerste en tweede lid en artikel 2.5 omschreven verplichtingen rusten ten aanzien van kinderen beneden de leeftijd van twaalf jaren op de wettelijk vertegenwoordiger. Voor kinderen van twaalf jaren en ouder kan aan deze verplichtingen ook worden voldaan door de wettelijk vertegenwoordiger.
Artikel 2.10
De gegevens, bedoeld in artikel 22h, eerste lid, onder b, van de Wet, worden op verzoek dan wel uit eigen beweging verstrekt aan Onze Minister indien dit noodzakelijk is met het oog op:
a. het vaststellen van de identiteit van de vreemdeling voor wie de machtiging tot voorlopig verblijf of het terugkeervisum is bestemd;
b. verificatie van de door de vreemdeling voor wie de machtiging tot voorlopig verblijf of het terugkeervisum is bestemd verstrekte gegevens en documenten, bedoeld in artikel 2g, eerste lid, dan wel 2i, eerste lid, onder a, van de Wet;
c. verificatie van naderhand gebleken feiten of omstandigheden die tot de conclusie kunnen leiden dat verlening van de machtiging tot voorlopig verblijf of het terugkeervisum onjuist was; of
d. de beoordeling of aan de voorwaarden en beperkingen waaronder de machtiging tot voorlopig verblijf of het terugkeervisum is verleend, wordt voldaan.
Artikel 2.11
De medewerking, bedoeld in artikel 22h, eerste lid, onder c, van de Wet bestaat voor de toepassing van dit hoofdstuk uit:
a. het op vordering van Onze Minister beschikbaar stellen van een goedgelijkende pasfoto;
b. het zich laten fotograferen en het laten afnemen van vingerafdrukken, indien daartoe naar het oordeel van Onze Minister gegronde reden bestaat.
Artikel 2.12
Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld omtrent de wijze van indiening en de behandeling van een aanvraag tot verlening of wijziging van een machtiging tot voorlopig verblijf dan wel een terugkeervisum, daaronder begrepen de wijze waarop beschikkingen, kennisgevingen, mededelingen of berichten ingevolge dit hoofdstuk aan de vreemdeling of de referent bekend worden gemaakt.
1.
De weigering van de toegang geschiedt schriftelijk.
2.
De toegang wordt geweigerd op grond van artikel 2r van de Wet, indien de vreemdeling het doel van het voorgenomen verblijf of de verblijfsomstandigheden onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt, dan wel ter staving daarvan onvoldoende documenten over heeft gelegd.
1.
De vervoerder, bedoeld in artikel 2q van de Wet, neemt afschrift van het op de vreemdeling betrekking hebbende document voor grensoverschrijding, indien hij de vreemdeling rechtstreeks dan wel na transfer of transit naar de openbare lichamen vervoert vanaf een luchthaven die is aangewezen bij ministeriële regeling.
2.
De vervoerder neemt afschrift door het maken van een duidelijke en goed leesbare afbeelding van de pagina’s met de relevante gegevens van het document voor grensoverschrijding van de vreemdeling die hij vervoert. De vervoerder overhandigt het afschrift desgevraagd aan een ambtenaar belast met de grensbewaking, indien bij inreis in de openbare lichamen geen geldig document voor grensoverschrijding door de vreemdeling kan worden overgelegd.
3.
Onder de relevante gegevens wordt in ieder geval verstaan:
a. naam en voornaam of voornamen van de vreemdeling;
b. geboortedatum van de vreemdeling;
c. geboorteplaats van de vreemdeling;
d. nationaliteit van de vreemdeling;
e. plaats en datum van afgifte van het document voor grensoverschrijding van de vreemdeling, alsmede het nummer daarvan;
f. geldigheidsduur van het document voor grensoverschrijding van de vreemdeling;
g. plaats en datum van afgifte van het in het document voor grensoverschrijding van de vreemdeling aangebrachte visum voor de openbare lichamen dan wel het verblijfsdocument, alsmede de nummers daarvan;
h. geldigheidsduur van de in het document voor grensoverschrijding aangebrachte visa of verblijfsdocumenten, ook indien een visumverklaring is afgegeven, dan wel gebruik wordt gemaakt van niet in het document voor grensoverschrijding aangebrachte verblijfsdocumenten;
i. plaats en datum van afgifte van de in het document voor grensoverschrijding aangebrachte visa of verblijfsdocumenten voor derde landen, welke noodzakelijk zijn voor de reis naar de openbare lichamen, dan wel voor het uiteindelijke land van bestemming, ook indien die visa dan wel verblijfsdocumenten niet in het document voor grensoverschrijding zijn aangebracht, maar afzonderlijk aan de vreemdeling zijn verstrekt;
j. het meest recente uitreisstempel voorzover dit is aangebracht door de grensbewakingautoriteiten van het land waarin de luchthaven van vertrek gelegen is, en
k. de in het document voor grensoverschrijding aangebrachte foto.
4.
De gegevens, bedoeld in het derde lid, onder g, worden ook vastgelegd indien een visumverklaring is afgegeven of het verblijfsdocument als afzonderlijk document is verstrekt.
5.
De afbeelding van de in het document voor grensoverschrijding aangebrachte foto, bedoeld in het derde lid, onder k, dient van zodanige kwaliteit te zijn, dat deze goed tot de houder van het geldige document voor grensoverschrijding herleidbaar is.
6.
De ambtenaar belast met de grensbewaking maakt de afbeelding definitief onbruikbaar, zodra de grensbewakingsbelangen dit toestaan.
1.
De vervoerder, bedoeld in artikel 2q van de Wet, dan wel de gezagvoerder, bedoeld in artikel 20, onder c, van de Wet, die passagiers vervoert door de lucht, verzamelt op vordering van een ambtenaar belast met de grensbewaking de in het tweede lid bedoelde passagiersgegevens en overhandigt deze voor het eind van de instapcontroles aan een ambtenaar belast met de grensbewaking.
2.
De in het eerste lid bedoelde passagiersgegevens omvatten:
a. het nummer en de aard van het gebruikte reisdocument;
b. de nationaliteit;
c. de volledige naam;
d. de geboortedatum;
e. de grensdoorlaatpost van binnenkomst;
f. het vervoermiddel;
g. het tijdstip van vertrek en van aankomst van het vervoermiddel;
h. het totale aantal met dat vervoermiddel vervoerde passagiers, en
i. het eerste instappunt.
3.
Bij ministeriële regeling kunnen gevallen worden aangewezen waarin vervoerders dan wel gezagvoerders verplicht zijn de in het tweede lid bedoelde passagiersgegevens te verzamelen en te verstrekken zonder vordering daartoe.
4.
De vervoerder dan wel gezagvoerder vernietigt de krachtens het eerste lid verzamelde gegevens binnen 24 uur na aankomst in de openbare lichamen.
5.
De vervoerder dan wel de gezagvoerder verstrekt de passagier informatie betreffende:
a. zijn identiteit;
b. de doeleinden waarvoor de gegevens worden verzameld;
c. de gegevens die worden verzameld;
d. de ontvangers van de gegevens; en
e. het bestaan van het recht om kennis te nemen van zijn gegevens en het recht om correctie van onjuiste gegevens te verzoeken.
6.
Bij ministeriële regeling worden regels gesteld over de wijze waarop de gegevens door de vervoerder dan wel de gezagvoerder worden verstrekt.
Artikel 3.4
De ambtenaar belast met de grensbewaking vernietigt de op grond van artikel 3.3 verkregen passagiersgegevens binnen 24 uur na binnenkomst van de passagiers in de openbare lichamen, tenzij deze later nodig zijn voor de uitoefening van diens taken.
1.
Onverminderd de overige terzake bij of krachtens de Wet gestelde vereisten, wordt toegang tot de openbare lichamen niet geweigerd op grond van artikel 2r, eerste lid, onder b, van de Wet, indien de vreemdeling in het bezit is van:
a. een geldig document voor grensoverschrijding dat is voorzien van een geldige machtiging tot voorlopig verblijf, indien hij zich naar de openbare lichamen begeeft voor een verblijf aldaar van langer dan drie maanden, of
b. een door Onze Minister afgegeven geldig terugkeervisum.
2.
Een afzonderlijke geldige machtiging tot voorlopig verblijf wordt gelijkgesteld met een geldig document voor grensoverschrijding, indien de vreemdeling tevens in het bezit is van het in deze machtiging vermelde document.
3.
In afwijking van het eerste lid wordt toegang niet geweigerd indien de vreemdeling zich naar de openbare lichamen begeeft voor een verblijf van langer dan drie maanden en hij in het bezit is van een geldig document voor grensoverschrijding waarin de benodigde machtiging tot voorlopig verblijf ontbreekt, mits de vreemdeling:
a. de nationaliteit bezit van één van bij ministeriële regeling aan te wijzen staten, of
b. behoort tot een bij ministeriële regeling aan te wijzen categorie.
4.
Bij ministeriële regeling kan, ter uitvoering van een verdrag, dan wel een voor Nederland bindend besluit van een volkenrechtelijke organisatie, van het eerste lid worden afgeweken ten gunste van vreemdelingen ten aanzien van het bezit van een document voor grensoverschrijding.
Artikel 3.6
Onverminderd de overige terzake bij of krachtens de Wet gestelde vereisten, wordt de toegang tot de openbare lichamen niet geweigerd op grond van artikel 2r, eerste lid, onder a, van de Wet, aan de Nederlander die niet beschikt over een geldig document voor grensoverschrijding in geval die Nederlander houder is van een geldige sédula. In dat geval vindt de minimale controle, bedoeld in artikel 2s, van de Wet plaats op basis van de sédula en wordt de toegang niet geweigerd op grond van artikel 2r, eerste lid, onder c of d, van de Wet.
1.
Toegang tot de openbare lichamen wordt in ieder geval geweigerd, op grond van het feit dat de vreemdeling een gevaar oplevert voor de openbare orde of de nationale veiligheid, bedoeld in artikel 2r, eerste lid, onder e, van de Wet, indien:
a. er ten aanzien van de vreemdeling concrete aanwijzingen zijn dat deze een inbreuk op de openbare orde of nationale veiligheid heeft gepleegd of zal plegen, of
b. de vreemdeling in het opsporingsregister of ter fine van weigering van de toegang gesignaleerd staat als bedoeld in artikel 2r, derde lid, van de Wet.
2.
Het eerste lid blijft buiten toepassing, indien Onze Minister op grond van humanitaire overwegingen, om redenen van nationaal belang of wegens internationale verplichtingen een afwijking noodzakelijk acht.
1.
Bij de vaststelling of de vreemdeling beschikt over de in artikel 2r, eerste lid, onder d, van de Wet bedoelde middelen om te voorzien zowel in de kosten van verblijf in de openbare lichamen als in die van zijn reis naar een plaats buiten de openbare lichamen waar zijn toegang is gewaarborgd, kunnen middelen waarover de vreemdeling reeds beschikt en middelen waarover de vreemdeling kan beschikken uit wettelijk toegestane arbeid worden betrokken.
2.
Onder middelen worden in ieder geval verstaan geldelijke middelen alsmede vervoersbewijzen.
1.
De toegang wordt geweigerd op grond van artikel 2r, eerste lid, onder d, van de Wet, indien de vreemdeling niet voldoet aan de door de ambtenaar belast met grensbewaking gestelde voorwaarde om zekerheid te stellen voor de kosten van verblijf in de openbare lichamen en voor de kosten van zijn reis naar een plaats buiten de openbare lichamen waar zijn toegang gewaarborgd is.
2.
De zekerheid, bedoeld in het eerste lid, kan bestaan uit:
a. het deponeren van een retour-passagebiljet;
b. het deponeren van een garantiesom, of
c. een verklaring van een solvabele derde die zich voor de kosten garant stelt.
3.
Het model van de garantverklaring wordt vastgesteld door Onze Minister.
1.
Bij regeling van Onze Minister kunnen specifieke voorschriften worden vastgesteld voor de verschillende soorten grenzen en vervoermiddelen, alsmede bijzondere regels voor bepaalde categorieën van personen.
2.
Bij regeling van Onze Minister kunnen categorieën van personen worden aangewezen die uit hoofde van de Wet niet aan grenscontroles zijn onderworpen.
Artikel 4.1
Voor de toepassing van artikel 5a van de Wet zijn de artikelen 3.7, 3.8 en 3.9 van overeenkomstige toepassing.
1.
Toeristen mogen zonder toelating bij vergunning verleend in de openbare lichamen binnenkomen en er verblijven gedurende een periode van maximaal drie maanden binnen een tijdvak van zes maanden.
2.
Toeristen zijn onderworpen aan de bepalingen die gelden voor vreemdelingen die tot verblijf bij vergunning verleend zijn toegelaten.
3.
Nederlanders mogen zonder toelating van rechtswege toegekend als toerist in de openbare lichamen verblijven gedurende een periode van maximaal zes maanden binnen een tijdvak van een jaar.
Artikel 4.3
Artikel 4.2, eerste lid, is mede van toepassing op bemanningsleden van schepen en luchtvaartuigen met dien verstande dat hun toelating tot verblijf vervalt op het tijdstip van vertrek van het schip of luchtvaartuig.
1.
Onverminderd de artikelen 4.2 en 4.3 is de termijn gedurende welke het aan vreemdelingen krachtens artikel 5a van de Wet is toegestaan in de openbare lichamen te verblijven:
a. voor houders van een doorreisvisum en voor vreemdelingen aan wie uitsluitend voor doorreis een bijzonder doorlaatbewijs is afgegeven: de tijd welke voor de voortzetting van hun reis noodzakelijk is;
b. voor houders van een doorreisvisum met bevoegdheid tot oponthoud of van een reisvisum: de duur waarvoor het visum is afgegeven of verlengd dan wel, voorzover het een visum voor meer reizen betreft, de in het visum aangegeven duur waarvoor ononderbroken verblijf is toegestaan;
c. voor vreemdelingen die voor een verblijf van niet langer dan drie maanden naar de openbare lichamen zijn gekomen: drie maanden of, in geval van verlenging door Onze Minister van de termijn wegens bijzondere omstandigheden, zes maanden;
d. voor andere vreemdelingen: acht dagen.
2.
De in het eerste lid, onder b en c, bedoelde termijn verstrijkt in geen geval later dan op de achtste dag nadat zich omstandigheden hebben voorgedaan, waaruit kan worden afgeleid dat de vreemdeling het voornemen heeft langer dan drie maanden binnen een tijdvak van zes maanden in de openbare lichamen te verblijven.
3.
In afwijking van het tweede lid verstrijkt de termijn, bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, in geval van verlenging wegens bijzondere omstandigheden, niet later dan op de achtste dag nadat zich feiten of omstandigheden hebben voorgedaan, waaruit kan worden afgeleid dat de vreemdeling het voornemen heeft langer dan zes maanden in de openbare lichamen te verblijven.
1.
Het indienen van een aanvraag tot het verlenen, wijzigen of verlengen van een verblijfsvergunning voor bepaalde of onbepaalde tijd heeft tot gevolg dat de uitzetting achterwege blijft, tenzij de aanvraag naar het voorlopig oordeel van Onze Minister een herhaalde aanvraag betreft.
2.
Uitzetting blijft niet achterwege, indien de aanvraag tot het verlenen van de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd naar het voorlopig oordeel van Onze Minister, op grond van de Wet kan worden afgewezen op de grond dat de vreemdeling een gevaar vormt voor de openbare orde of nationale veiligheid.
1.
De beperkingen, bedoeld in artikel 7, zevende lid, van de Wet, houden verband met:
a. gezinshereniging of gezinsvorming;
b. verblijf ter adoptie of als pleegkind;
c. het verrichten van arbeid in loondienst;
d. het verrichten van arbeid als zelfstandige;
e. voortgezet verblijf;
f. verblijf als gepensioneerde of rentenier;
g. wedertoelating;
h. het volgen van studie;
i. verblijf als stagiair;
j. verblijf als praktikant;
k. vervolging van mensenhandel;
l. verblijf als investeerder;
m. verblijf als vrijwilliger.
2.
De beperkingen, bedoeld in het eerste lid, kunnen nader worden omschreven bij de verlening van de verblijfsvergunning.
3.
Tenzij het doel waarvoor de vreemdeling in de openbare lichamen wil verblijven een zodanig verband houdt met de situatie in het land van herkomst dat voor de beoordeling daarvan naar het oordeel van Onze Minister de indiening van een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd verband houdend met bescherming als bedoeld in artikel 12a van de Wet noodzakelijk is, kan Onze Minister de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 7, zevende lid, van de Wet verlenen onder een andere beperking dan genoemd in het eerste lid.
4.
Een beroep op de publieke middelen kan in ieder geval gevolgen hebben voor het verblijfsrecht, indien de verblijfsvergunning is verleend onder één van de beperkingen, bedoeld in het eerste lid, onder a, c, d, f, h, i, j dan wel l, of het derde lid.
1.
Het verblijfsrecht op grond van de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd is tijdelijk of niet-tijdelijk.
2.
Het verblijfsrecht is tijdelijk, indien de verblijfsvergunning is verleend onder een beperking verband houdend met:
a. gezinsvorming of gezinshereniging met of verblijf ter adoptie of als pleegkind bij een persoon met tijdelijk verblijfsrecht;
b. het volgen van studie;
c. verblijf als stagiair of praktikant;
d. vervolging van mensenhandel;
e. verblijf als investeerder;
f. verblijf als vrijwilliger;
g. verblijf verband houdend met bescherming als bedoeld in artikel 12a van de Wet.
3.
Het verblijfsrecht is niet-tijdelijk indien de verblijfsvergunning is verleend onder een andere beperking, dan genoemd in het tweede lid, tenzij bij de verlening van de verblijfsvergunning anders is bepaald.
4.
De toelating van rechtswege, bedoeld in de artikelen 3 en 5a van de Wet, is tijdelijk.
1.
Aan de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd kan als voorschrift tot het stellen van zekerheid worden verbonden:
a. het deponeren van een waarborgsom ter dekking van de kosten, verbonden aan de reis van de vreemdeling naar een plaats buiten de openbare lichamen waar zijn toegang is gewaarborgd;
b. de schriftelijke garantstelling door een solvabele derde voor de kosten die voor de Staat en andere openbare overheden uit het verblijf van de houder van de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd kunnen voortvloeien, alsmede voor de kosten van diens reis naar een plaats buiten de openbare lichamen waar zijn toegang is gewaarborgd, en
c. het voldoende verzekerd zijn tegen ziektekosten met inbegrip van de kosten verbonden aan opname en verpleging in een sanatorium of een psychiatrische inrichting.
2.
In plaats van een waarborgsom kan een passagebiljet worden gedeponeerd.
3.
In plaats van zekerheid, gesteld overeenkomstig het eerste lid, onder a of b, kan zakelijke zekerheid worden gesteld.
4.
Het voorschrift, bedoeld in het eerste lid, onder a, wordt niet aan de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd verbonden dan op aanwijzing van Onze Minister.
1.
De waarborgsom, bedoeld in artikel 5.4, eerste lid, onder a, voor personen van 10 jaar en ouder, wordt door Onze Minister bepaald aan de hand van de geldende vervoerstarieven, met dien verstande dat het verschuldigde bedrag voor het Benedenwindse openbaar lichaam Bonaire en de Bovenwindse openbare lichamen Sint Eustatius en Saba verschillend kan zijn.
2.
De waarborgsom, bedoeld in artikel 5.4, eerste lid, onder a, wordt in courant van de Verenigde Staten van Amerika gedeponeerd bij Onze Minister.
3.
Zodra deponering ingevolge het tweede lid heeft plaatsgevonden, wordt aan betrokkene een bewijs daarvan verstrekt.
1.
De waarborgsom, bedoeld in artikel 5.4, eerste lid, onder a, wordt in ieder geval door Onze Minister aan de rechthebbende teruggegeven:
a. zodra de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, of het desbetreffende voorschrift, is ingetrokken, dan wel de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd is verstreken;
b. zodra aan de vreemdeling de verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd is verleend;
c. zodra de vreemdeling Nederlander wordt;
d. bij overlijden van de vreemdeling, dan wel
e. uiterlijk vijf jaar nadat de waarborgsom is gestort.
2.
Indien een waarborgsom wordt teruggegeven wegens het intrekken of het verstrijken van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in het eerste lid, onder a, vindt de teruggave plaats met aftrek van de door de overheid gemaakte of te maken kosten, verbonden aan de reis van de vreemdeling naar een plaats buiten de openbare lichamen waar zijn toegang is gewaarborgd.
Artikel 5.7
De waarborgsom wordt teruggegeven zo spoedig mogelijk nadat één van de in artikel 5.6, eerste lid, genoemde gronden zich voordoet.
1.
Verplichtingen, voortvloeiende uit een garantstelling overeenkomstig artikel 5.4, eerste lid, onder b, of het stellen van zakelijke zekerheid overeenkomstig artikel 5.4, derde lid, hebben uitsluitend betrekking op kosten, veroorzaakt binnen vijf jaren, nadat de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd is verleend.
2.
Onze Minister kan bepalen dat de in het eerste lid genoemde termijn korter is dan vijf jaren, indien:
a. op andere wijze voldoende zekerheid is gesteld;
b. de vreemdeling de openbare lichamen definitief heeft verlaten;
c. aan de vreemdeling een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd onder een andere beperking of een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd is verleend; of
d. de vreemdeling de Nederlandse nationaliteit heeft verkregen.
3.
Het model van de garantstelling wordt vastgesteld door Onze Minister.
1.
De verblijfsvergunning voor bepaalde tijd wordt onder een beperking, verband houdend met gezinshereniging of gezinsvorming, verleend aan het in artikel 5.10 genoemde gezinslid van de in artikel 5.11 bedoelde hoofdpersoon, indien wordt voldaan aan alle in de artikelen 5.12 tot en met 5.18 genoemde voorwaarden.
2.
In de overige gevallen kan de in het eerste lid bedoelde verblijfsvergunning voor bepaalde tijd worden verleend.
Artikel 5.10
De verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in artikel 5.9, eerste lid, wordt verleend aan:
a. de vreemdeling van 21 jaar of ouder die met de hoofdpersoon een naar Nederlands internationaal privaatrecht geldig huwelijk of een naar Nederlands internationaal privaatrecht geldig geregistreerd partnerschap is aangegaan;
b. de vreemdeling van 21 jaar of ouder, die met de hoofdpersoon een duurzame en exclusieve relatie onderhoudt, waarin de partners:
1°. niet tot elkaar in een zodanig nauwe relatie staan dat die naar Nederlands recht een huwelijksbeletsel zou vormen, en
2°. ongehuwd zijn en geen in Nederland geregistreerd partnerschap zijn aangegaan, tenzij het huwelijk door wettelijke beletselen, waarop geen invloed kan worden uitgeoefend, niet is ontbonden; of
c. het minderjarige biologische of juridische kind van de hoofdpersoon, dat naar het oordeel van Onze Minister feitelijk behoort en reeds in het land van herkomst feitelijk behoorde tot het gezin van die hoofdpersoon en dat onder het rechtmatige gezag van die hoofdpersoon staat.
Artikel 5.11
De verblijfsvergunning, bedoeld in artikel 5.9, eerste lid, wordt verleend aan het in artikel 5.10 bedoelde gezinslid van:
a. een Nederlander van 21 jaar of ouder, of
b. een vreemdeling van 21 jaar of ouder met toelating bij vergunning verleend, die niet-tijdelijk is als bedoeld in artikel 5.3.
Artikel 5.12
Zolang de vreemdeling of de hoofdpersoon met meer dan één andere persoon tegelijkertijd door een huwelijk of een partnerschap is verbonden, wordt de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in artikel 5.9, eerste lid, slechts verleend aan één echtgenoot, geregistreerd partner of partner tegelijkertijd, alsmede aan de uit die vreemdeling geboren minderjarige kinderen.
Artikel 5.13
De verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in artikel 5.9, eerste lid, wordt verleend, indien de vreemdeling en de hoofdpersoon samenwonen en een gemeenschappelijke huishouding voeren.
Artikel 5.14
De verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in artikel 5.9, eerste lid, wordt verleend, indien de vreemdeling beschikt over een geldige machtiging tot voorlopig verblijf die overeenkomt met het verblijfsdoel waarvoor de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd is aangevraagd of behoort tot één van de in artikel 9, derde lid, van de Wet of in artikel 5.30, tweede lid, bedoelde categorieën.
Artikel 5.15
De verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in artikel 5.9, eerste lid, wordt verleend, indien de vreemdeling beschikt over een geldig document voor grensoverschrijding, dan wel naar het oordeel van Onze Minister heeft aangetoond dat hij vanwege de regering van het land waarvan hij onderdaan is, niet of niet meer in het bezit van een geldig document voor grensoverschrijding kan worden gesteld.
Artikel 5.16
De verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in artikel 5.9, eerste lid, wordt verleend, indien de vreemdeling geen gevaar vormt voor de openbare orde of nationale veiligheid.
Artikel 5.17
De verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in artikel 5.9, eerste lid, wordt verleend, indien de vreemdeling bereid is een onderzoek naar of behandeling van tuberculose te ondergaan en daaraan mee te werken, dan wel de nationaliteit bezit van een van de bij ministeriële regeling vast te stellen landen.
Artikel 5.18
De verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in artikel 5.9, eerste lid, wordt verleend, indien de hoofdpersoon:
a. duurzaam en zelfstandig beschikt over voldoende middelen van bestaan als bedoeld in artikel 5.33, en
b. een garantstelling heeft ondertekend, voorzover de vreemdeling als partner van die persoon wil verblijven.
1.
De verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in artikel 5.9, eerste lid, wordt verleend aan de in de openbare lichamen geboren vreemdeling, die het hoofdverblijf niet buiten de openbare lichamen heeft verplaatst en die naar het oordeel van Onze Minister feitelijk is blijven behoren tot het in de openbare lichamen gevestigde gezin van de ouder, die bij vergunning is toegelaten in de openbare lichamen, en die sedert de geboorte van de vreemdeling het hoofdverblijf niet buiten de openbare lichamen heeft verplaatst.
2.
Indien de aanvraag is ontvangen voordat de vreemdeling de leeftijd van negen maanden heeft bereikt, wordt de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd eveneens verleend aan de buiten de openbare lichamen geboren vreemdeling, die naar het oordeel van Onze Minister feitelijk is blijven behoren tot het gezin van beide ouders, die sedert de geboorte van de vreemdeling toelating hebben bij vergunning verleend en het hoofdverblijf niet buiten de openbare lichamen hebben verplaatst.
3.
Indien de vader van de in het tweede lid bedoelde vreemdeling onbekend is, wordt de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd verleend, indien de moeder sedert de geboorte van de vreemdeling toelating bij vergunning verleend heeft en het hoofdverblijf niet buiten de openbare lichamen heeft verplaatst.
4.
De verblijfsvergunning voor bepaalde tijd wordt verleend, indien de vreemdeling:
a. beschikt over een geldige machtiging tot voorlopig verblijf die overeenkomt met het verblijfsdoel waarvoor de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd is aangevraagd, of behoort tot één van de in artikel 9, derde lid, van de Wet of in artikel 5.30, tweede lid, bedoelde categorieën;
b. beschikt over een geldig document voor grensoverschrijding, of naar het oordeel van Onze Minister heeft aangetoond dat hij vanwege de regering van het land waarvan hij onderdaan is, niet of niet meer in het bezit van een geldig document voor grensoverschrijding kan worden gesteld;
c. bereid is een onderzoek naar of behandeling van tuberculose te ondergaan en daaraan mee te werken, of de nationaliteit bezit van een van de bij ministeriële regeling vast te stellen landen, en
d. geen gevaar vormt voor de openbare orde of nationale veiligheid.
1.
Met inachtneming van het tweede lid en de artikelen 5.47 tot en met 5.52, wordt de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, onder een beperking verband houdend met het verrichten van arbeid in loondienst verleend aan de vreemdeling die in de openbare lichamen arbeid in loondienst verricht of gaat verrichten en waarvoor na toetsing aan prioriteitgenietend aanbod op de arbeidsmarkt van de openbare lichamen een tewerkstellingsvergunning als bedoeld in artikel 1, onder c, van de Wet arbeid vreemdelingen BES is afgegeven.
2.
De in het eerste lid bedoelde verblijfsvergunning voor bepaalde tijd wordt verleend, indien de vreemdeling:
a. beschikt over een geldige machtiging tot voorlopig verblijf die overeenkomt met het verblijfsdoel waarvoor de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd is aangevraagd, of behoort tot één van de in artikel 9, derde lid, van de Wet of in artikel 5.30, tweede lid, bedoelde categorieën;
b. beschikt over een geldig document voor grensoverschrijding, of naar het oordeel van Onze Minister heeft aangetoond dat hij vanwege de regering van het land waarvan hij onderdaan is, niet of niet meer in het bezit van een geldig document voor grensoverschrijding kan worden gesteld;
c. met de arbeid in loondienst duurzaam en zelfstandig een bruto-inkomen als bedoeld in artikel 5.33 verwerft;
d. bereid is een onderzoek naar of behandeling van tuberculose te ondergaan en daaraan mee te werken of de nationaliteit bezit van een van de bij ministeriële regeling vast te stellen landen, en
e. geen gevaar vormt voor de openbare orde of nationale veiligheid.
3.
Indien de tewerkstellingsvergunning is afgegeven met een geldigheidsduur korter dan één jaar, zijn de middelen van bestaan in afwijking van artikel 5.34 duurzaam, indien de vreemdeling gedurende de geldigheidsduur van de tewerkstellingsvergunning zelfstandig zal beschikken over voldoende middelen van bestaan uit die arbeid.
4.
In andere gevallen kan de in het eerste lid bedoelde verblijfsvergunning voor bepaalde tijd worden verleend.
Artikel 5.21
De verblijfsvergunning voor bepaalde tijd wordt niet verleend onder een beperking verband houdend met het verrichten van arbeid als zelfstandige of in loondienst, indien die arbeid geheel of gedeeltelijk bestaat uit het verrichten van seksuele handelingen met derden of het verlenen van seksuele diensten aan derden.
1.
De verblijfsvergunning voor bepaalde tijd wordt onder een beperking verband houdend met voortgezet verblijf verleend aan de vreemdeling die:
a. als minderjarige houder is geweest van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd onder een beperking verband houdend met gezinshereniging bij een Nederlander of een vreemdeling met niet-tijdelijk verblijfsrecht als bedoeld in artikel 5.3, en
b. langer dan vijf jaren houder is geweest van de in onderdeel a bedoelde verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, dan wel in de openbare lichamen is geboren uit ouders met niet-tijdelijk verblijfsrecht als bedoeld in artikel 5.3.
2.
Voor de toepassing van het eerste lid wordt onder persoon met niet-tijdelijk verblijfsrecht niet verstaan de houder van de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, verband houdend met bescherming als bedoeld in artikel 12a van de Wet.
3.
De verblijfsvergunning voor bepaalde tijd wordt verleend, tenzij:
a. de vreemdeling onjuiste gegevens heeft verstrekt dan wel gegevens heeft achtergehouden die tot afwijzing van de oorspronkelijke aanvraag tot het verlenen zouden hebben geleid;
b. de vreemdeling een gevaar voor de nationale veiligheid vormt;
c. de vreemdeling een gevaar voor de openbare orde vormt;
d. de vreemdeling het hoofdverblijf buiten de openbare lichamen heeft verplaatst, of
e. de vreemdeling niet duurzaam en zelfstandig over voldoende middelen van bestaan beschikt.
4.
In afwijking van het derde lid, onder e, kan de vergunning worden verleend indien de vreemdeling op het moment van de aanvraag nog minderjarig is.
5.
Indien een van de ouders in de openbare lichamen is gevestigd en de Nederlandse nationaliteit heeft, wordt de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd aan de minderjarige vreemdeling verleend, tenzij de vreemdeling onjuiste gegevens heeft verstrekt dan wel gegevens heeft achtergehouden die tot afwijzing van de oorspronkelijke aanvraag tot het verlenen zouden hebben geleid, of de vreemdeling het hoofdverblijf buiten de openbare lichamen heeft verplaatst.
1.
De verblijfsvergunning voor bepaalde tijd kan onder een beperking, verband houdend met voortgezet verblijf worden verleend aan de vreemdeling die vijf jaren in de openbare lichamen verblijft als houder van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd onder een beperking verband houdend met gezinshereniging of gezinsvorming met een persoon die een niet-tijdelijk verblijfsrecht heeft.
2.
De verblijfsvergunning voor bepaalde tijd kan worden verleend, indien in de in het eerste lid bedoelde periode is voldaan aan de voorwaarden voor het verlengen van de geldigheidsduur van de oorspronkelijke verblijfsvergunning voor bepaalde tijd.
3.
De verblijfsvergunning voor bepaalde tijd kan eveneens worden verleend, indien de relatie tussen de vreemdeling aan wie de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd onder een beperking verband houdend met gezinsvorming of gezinshereniging en de persoon met een niet-tijdelijk verblijfsrecht door het overlijden van die persoon is verbroken.
4.
Voor de toepassing van het eerste en derde lid wordt onder persoon met een niet-tijdelijk verblijfsrecht niet verstaan de houder van de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, onder een beperking verband houdend met bescherming als bedoeld in artikel 12a van de Wet.
Artikel 5.24
In andere gevallen dan genoemd in de artikelen 5.22 en 5.23 kan de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd onder een beperking verband houdend met voortgezet verblijf worden verleend aan de vreemdeling die toelating van rechtswege toegekend of bij vergunning verleend heeft gehad en van wie naar het oordeel van Onze Minister wegens bijzondere individuele omstandigheden niet gevergd kan worden dat hij de openbare lichamen verlaat.
Artikel 5.25
De verblijfsvergunning voor bepaalde tijd wordt verleend voor ten hoogste één jaar en kan telkens met ten hoogste één jaar worden verlengd.
Artikel 5.26
In afwijking van artikel 5.25 kan de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd onder een beperking, verband houdend met gezinshereniging als minderjarige, worden verleend voor de duur van ten hoogste:
a. vijf jaren, indien de ouder bij wie de vreemdeling wil verblijven voor onbepaalde tijd of als Nederlander is toegelaten;
b. de duur van de toelating van de ouder bij wie de vreemdeling wil verblijven, indien die duur meer dan een jaar doch minder dan vijf jaren bedraagt.
Artikel 5.27
In afwijking van artikel 5.25 kan de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd onder een beperking verband houdend met het verrichten van arbeid in loondienst worden verleend en kan de geldigheidsduur worden verlengd voor de duur waarvoor de tewerkstellingsvergunning ten behoeve van die arbeid is verleend of verlengd.
Artikel 5.28
In afwijking van artikel 5.25 kan de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd onder een beperking verband houdend met voortgezet verblijf worden verleend voor de duur van vijf jaren.
1.
In afwijking van artikel 5.25 kan de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd worden verlengd met vijf jaren, indien de houder van de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd op het moment waarop de aanvraag is ontvangen of de beschikking wordt gegeven:
a. gedurende drie jaren toelating bij verblijfsvergunning voor bepaalde tijd verleend heeft op grond van een huwelijk, een geregistreerd partnerschap of een relatie als bedoeld in artikel 5.10, en het verblijfsrecht niet-tijdelijk is in de zin van artikel 5.3, of
b. gedurende vijf jaren aaneengesloten toelating bij verblijfsvergunning voor bepaalde tijd verleend heeft en het verblijfsrecht niet-tijdelijk is in de zin van artikel 5.3.
2.
In afwijking van artikel 5.25 kan de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd worden verleend of verlengd met een langere geldigheidsduur, indien de geldigheidsduur van de te verlenen of te verlengen verblijfsvergunning voor bepaalde tijd op het moment waarop deze wordt verstrekt ingevolge artikel 5.25 alweer zou zijn geëindigd.
1.
De aanvraag tot het verlenen van de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd wordt afgewezen, indien de vreemdeling niet beschikt over een geldige machtiging tot voorlopig verblijf.
2.
Van het vereiste van een geldige machtiging tot verblijf is, op grond van artikel 9, derde lid, onder f, van de Wet, vrijgesteld de vreemdeling:
a. die voor het bereiken van het negentiende levensjaar vijf achtereenvolgende jaren toelating in de openbare lichamen heeft gehad of verblijf als Nederlander en in die periode niet het hoofdverblijf buiten de openbare lichamen heeft verplaatst;
b. van twaalf jaar of jonger, die in de openbare lichamen is geboren en naar het oordeel van Onze Minister feitelijk is blijven behoren tot het gezin van een ouder die
1°. sedert het moment van geboorte van de vreemdeling toelating tot verblijf in de openbare lichamen heeft of als Nederlander verblijft, of
2°. op het moment van de geboorte van de vreemdeling toelating tot verblijf in de openbare lichamen had op grond een rechterlijke beslissing en die sedertdien aansluitend toelating tot verblijf op grond van de Wet heeft, voor zover geen van beiden het hoofdverblijf buiten de openbare lichamen heeft verplaatst;
c. die in de openbare lichamen verblijft en bij het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten, Bonaire, Sint Eustatius en Saba een verzoek heeft ingediend tot vaststelling van zijn Nederlanderschap dat naar het oordeel van Onze Minister niet klaarblijkelijk van elke grond ontbloot is;
d. die een aanvraag indient voor het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd verband houdend met bescherming als bedoeld in artikel 12a van de Wet;
e. die een aanvraag indient tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd onder een beperking verband houdend met gezinshereniging met de vreemdeling, bedoeld onder d, voor zover de gezinsband reeds bestond voordat de hoofdpersoon in de openbare lichamen hoofdverblijf had en er geen gezinshereniging mogelijk is in een derde land waarmee de vreemdeling of de hoofdpersoon bijzondere banden heeft;
f. die minderjarig is, schoolgaand is en drie jaren ononderbroken hoofdverblijf in de openbare lichamen heeft en een aanvraag heeft ingediend tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, onder een beperking verband houdend met gezinshereniging bij een Nederlander of een hoofdpersoon met toelating tot verblijf op grond van de Wet;
g. van wie uitzetting in strijd met artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden zou zijn.
3.
Onze Minister kan het eerste lid buiten toepassing laten, voorzover toepassing daarvan naar zijn oordeel zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.
Artikel 5.31
Een aanvraag tot het verlenen van de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd wordt niet op grond van artikel 9, eerste lid, onder b, van de Wet afgewezen, met het oog op het algemeen belang om de enkele reden dat de vreemdeling niet beschikt over een geldig document voor grensoverschrijding, indien de vreemdeling naar het oordeel van Onze Minister heeft aangetoond dat hij vanwege de regering van het land waarvan hij onderdaan is, niet of niet meer in het bezit van een geldig document voor grensoverschrijding kan worden gesteld.
1.
De in artikel 9, eerste lid, onder c, van de Wet bedoelde middelen van bestaan zijn in ieder geval zelfstandig, indien verworven uit:
a. wettelijk toegestane arbeid in loondienst, voorzover de vereiste premies en belastingen zijn afgedragen;
b. wettelijk toegestane arbeid als zelfstandige, voorzover de vereiste premies en belastingen zijn afgedragen, of
c. eigen vermogen, voorzover de bron van de inkomsten niet wordt aangetast en de vereiste premies en belastingen zijn afgedragen.
2.
Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld omtrent het eerste lid.
Artikel 5.33
De in artikel 9, eerste lid, onder c, van de Wet bedoelde middelen van bestaan zijn voldoende, indien het bruto-inkomen ten minste gelijk is aan door Onze Minister vast te stellen bedragen.
1.
De in artikel 9, eerste lid, onder c, van de Wet bedoelde middelen van bestaan zijn duurzaam, indien zij nog één jaar beschikbaar zijn op het tijdstip waarop de aanvraag is ontvangen of de beschikking wordt gegeven.
2.
Middelen van bestaan verkregen uit eigen vermogen zijn duurzaam, indien zij gedurende een aaneengesloten periode van een jaar beschikbaar zijn geweest en nog één jaar beschikbaar zijn op het tijdstip waarop de aanvraag is ontvangen of de beschikking wordt gegeven.
3.
Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld ten aanzien van de duurzaamheid van middelen van bestaan uit arbeid als zelfstandige.
1.
De aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd kan met het oog op het algemeen belang op grond van artikel 9, eerste lid, onder b, van de Wet worden afgewezen, indien de vreemdeling niet bereid is een onderzoek naar of behandeling van tuberculose te ondergaan of daaraan niet meewerkt.
2.
De aanvraag kan niet met toepassing van het eerste lid worden afgewezen, indien de vreemdeling de nationaliteit bezit van een van de bij ministeriële regeling vast te stellen landen.
1.
De aanvraag tot het wijzigen of het verlengen van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd is tijdig ingediend, indien deze is ontvangen uiterlijk op de dag voor de dag waarop de geldigheidsduur verstrijkt, dan wel, indien deze later is ontvangen, indien de termijnoverschrijding de vreemdeling niet kan worden toegerekend.
2.
De niet-tijdig ingediende aanvraag tot het wijzigen of tot het verlengen van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd wordt gelijkgesteld met een aanvraag tot het verlenen van de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd.
Artikel 5.37
Een aanvraag tot het wijzigen van de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd wordt beoordeeld als een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, met dien verstande dat de artikelen 5.30 en 5.35 niet van toepassing zijn, indien de aanvraag tijdig is ingediend.
1.
Indien de niet-tijdig ingediende aanvraag tot het wijzigen of het verlengen van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd naar het oordeel van Onze Minister is ontvangen binnen een redelijke termijn nadat de toelating of het verblijf als Nederlander is geëindigd, zijn de artikelen 5.30 en 5.35 niet van toepassing.
2.
Het eerste lid is niet van toepassing, indien de vreemdeling:
a. zijn hoofdverblijf buiten de openbare lichamen heeft gevestigd, of
b. onjuiste gegevens heeft verstrekt dan wel gegevens heeft achtergehouden, terwijl die gegevens tot afwijzing van de oorspronkelijke aanvraag tot het verlenen of verlengen zouden hebben geleid.
Artikel 5.39
De aanvraag tot het verlengen van de geldigheidsduur van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd wordt niet op grond van artikel 14, onder c, van de Wet afgewezen, in geval hij slechts niet of niet langer beschikt over een geldig document voor grensoverschrijding indien de vreemdeling naar het oordeel van Onze Minister heeft aangetoond dat hij vanwege de regering van het land waarvan hij onderdaan is, niet of niet meer in het bezit van een geldig document voor grensoverschrijding kan worden gesteld.
Artikel 5.40
De aanvraag tot het verlengen van de geldigheidsduur van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd wordt niet op grond van artikel 14, onder c, van de Wet afgewezen om reden dat de vreemdeling onjuiste gegevens heeft verstrekt dan wel gegevens heeft achtergehouden die tot afwijzing van de oorspronkelijke aanvraag tot het verlenen of verlengen zouden hebben geleid, indien er sedert de verlening, verlenging of wijziging van de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd een periode van twaalf jaren is verstreken.
Artikel 5.41
De aanvraag tot het verlengen van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd wordt niet op grond van artikel 14, onder d, van de Wet afgewezen, indien de vreemdeling en degene bij wie hij als gezinslid verblijft gezamenlijk zelfstandig en duurzaam beschikken over een bruto-inkomen als bedoeld in artikel 5.33.
Artikel 5.42
De aanvraag tot het verlengen van de geldigheidsduur van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd verleend onder een beperking verband houdend met de vervolging van mensenhandel, wordt niet op grond van artikel 14, onder e, van de Wet afgewezen, om de enkele reden dat een beslissing tot niet vervolging of niet verdere vervolging van de verdachte is genomen, indien de vreemdeling tegen die beslissing schriftelijk beklag heeft gedaan bij het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten, Bonaire, Sint Eustatius en Saba en op dat beklag nog niet is beslist.
Artikel 5.43
De aanvraag tot het verlengen van de geldigheidsduur van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, verleend onder een beperking verband houdend met het verrichten van arbeid in loondienst, wordt niet op grond van artikel 14, onder c, d of e, van de Wet afgewezen op de grond dat de vreemdeling voor een periode van korter dan één jaar beschikt over arbeid in loondienst waarmee voldoende zelfstandige middelen van bestaan worden verworven. In dat geval wordt de geldigheidsduur verlengd met een periode gelijk aan de periode waarin de vreemdeling beschikt over de arbeid.
1.
De verblijfsvergunning voor bepaalde tijd die is verleend onder een beperking verband houdend met gezinshereniging of gezinsvorming, wordt niet ingetrokken op de enkele grond dat de samenwoning tijdelijk is verbroken, indien de vreemdeling de persoon bij wie verblijf is toegestaan wegens gewelddaden heeft verlaten.
2.
Het eerste lid is niet van toepassing, indien er sedert de verbreking van de samenwoning een jaar is verstreken.
1.
De verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd wordt verleend indien de vreemdeling direct voorafgaand aan de aanvraag of op het moment van de beslissing op de aanvraag gedurende een ononderbroken periode van tenminste vijf jaren houder is van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd voor een niet-tijdelijk doel, indien de vreemdeling:
a. al of niet tezamen met het gezinslid bij wie hij verblijft, zelfstandig en duurzaam beschikt over voldoende middelen van bestaan;
b. niet bij onherroepelijk geworden vonnis is veroordeeld wegens een misdrijf waartegen een gevangenisstraf van drie jaren of meer is bedreigd, en hem geen maatregel, bedoeld in artikel 39 van het Wetboek van Strafrecht BES, is opgelegd;
c. zijn hoofdverblijf niet buiten de openbare lichamen heeft gevestigd;
d. geen gevaar vormt voor de nationale veiligheid;
e. geen onjuiste gegevens heeft verstrekt en geen gegevens heeft achtergehouden terwijl die gegevens tot afwijzing van de aanvraag tot het verlenen, verlengen of wijzigen zouden hebben geleid;
f. op de dag waarop de aanvraag is ontvangen, een verblijfsrecht heeft dat niet-tijdelijk is.
2.
De verblijfsvergunning, bedoeld in het eerste lid, kan worden verleend aan de vreemdeling die direct voorafgaand aan de aanvraag of op het moment van de beslissing op de aanvraag gedurende een ononderbroken periode van ten minste vijf jaren toelating van rechtswege heeft en die voldoet aan de voorwaarden, bedoeld in het eerste lid, onder a tot en met d.
Artikel 5.46
De verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd wordt niet ingetrokken met toepassing van artikel 14, onder b, d of e, van de Wet.
1.
De aanvraag tot het verlenen, wijzigen of verlengen van de geldigheidsduur, van een verblijfsvergunning voor bepaalde of onbepaalde tijd, bedoeld in artikel 6, eerste lid, van de Wet, wordt gedaan door het indienen van een formulier, waarvan het model door Onze Minister wordt vastgesteld.
2.
De door een vreemdeling ingediende aanvraag tot het verlenen, het wijzigen of het verlengen van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd kan mede betrekking hebben op diens inwonende kinderen jonger dan twaalf jaar.
3.
Bij het indienen van de aanvraag ondertekent de vreemdeling van twaalf jaar of ouder een antecedentenverklaring. Het model van de antecedentenverklaring wordt vastgesteld door Onze Minister.
1.
Indien de vreemdeling, hangende de besluitvorming op een eerdere aanvraag, wijziging van het gevraagde verblijfsdoel wenst, dient hij een nieuwe aanvraag in.
2.
Zolang niet onherroepelijk is beslist omtrent de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, verband houdend met bescherming als bedoeld in artikel 12a van de Wet, kan de vreemdeling geen aanvraag om toelating doen op andere gronden dan voorzien bij artikel 12a van de Wet.
1.
De aanvraag tot het verlenen, wijzigen of verlengen van de geldigheidsduur van een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van de Wet, wordt door de vreemdeling in persoon ingediend bij Onze Minister.
2.
In afwijking van het eerste lid wordt, indien de vreemdeling rechtens de vrijheid is ontnomen, de aanvraag ingediend op de plaats waar de vrijheidsontneming ten uitvoer wordt gelegd.
1.
De vreemdeling legt, buiten het geval, bedoeld in artikel 12a van de Wet, bij de aanvraag tot het verlenen, wijzigen of verlengen van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning voor bepaalde of onbepaalde tijd in ieder geval over een geldig document voor grensoverschrijding, alsmede, voor zover redelijkerwijs mogelijk, de gegevens en bescheiden op basis waarvan kan worden vastgesteld dat wordt voldaan aan de voorwaarden voor verlening, wijziging of verlenging.
2.
In afwijking van het eerste lid legt de vreemdeling, die niet beschikt over een geldig document voor grensoverschrijding, voor zover redelijkerwijs mogelijk, gegevens en bescheiden over waarmee wordt aangetoond dat hij vanwege de regering van het land waarvan hij onderdaan is, niet of niet meer in het bezit kan worden gesteld van een geldig document voor grensoverschrijding. In dat geval legt hij tevens aanvullende gegevens en bescheiden omtrent zijn identiteit en nationaliteit over.
Artikel 5.51
De aanvraag wordt getoetst aan het recht dat gold op het tijdstip waarop de aanvraag is ontvangen, tenzij uit de Wet anders voortvloeit of het recht dat geldt op het tijdstip waarop de beschikking wordt gegeven, voor de vreemdeling gunstiger is.
1.
De beschikking, waarbij de aanvraag tot het verlenen, wijzigen of verlengen van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning voor bepaalde of onbepaalde tijd geheel of gedeeltelijk wordt ingewilligd, kan worden bekendgemaakt door uitreiking van een verblijfsdocument, waaruit het verleende blijkt.
2.
Indien de vreemdeling in aanmerking komt voor meer dan één verblijfsdocument wordt één document uitgereikt en worden de overige beschikkingen bekendgemaakt door het stellen van een aantekening op dat document.
3.
De beschikking ten aanzien van een zich buiten de openbare lichamen bevindende vreemdeling, waarbij de aanvraag tot het verlenen, wijzigen of verlengen van de geldigheidsduur van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd geheel of gedeeltelijk wordt ingewilligd, wordt bekendgemaakt na zijn aankomst in de openbare lichamen. Het eerste en tweede lid zijn van toepassing.
4.
De beschikking, die niet of niet mede strekt tot het verlenen, wijzigen of verlengen van de geldigheidsduur van een verblijfsvergunning voor bepaalde of onbepaalde tijd wordt bekend gemaakt door toezending naar het laatst bekende adres van de vreemdeling.
1.
Grensbewaking als bedoeld in artikel 22a van de Wet wordt uitgeoefend met het oog op het de openbare lichamen in- en uitreizen van personen.
2.
Onder uitreizen wordt begrepen het zich aan boord begeven of bevinden van een schip of luchtvaartuig, dat voor de uitreis uit de openbare lichamen bestemd is.
1.
In het belang van de grensbewaking worden de volgende grensdoorlaatposten ingesteld:
a. in het openbaar lichaam Bonaire: de rede van Kralendijk, Blauwe Pan en Brazil, alsmede de Flamingo luchthaven;
b. in het openbaar lichaam Sint Eustatius: de Oranjebaai en de luchthaven van Sint Eustatius, en
c. in het openbaar lichaam Saba: de Fortbaai en de luchthaven van Saba.
2.
De grensdoorlaatposten worden bediend door de ambtenaren, bedoeld in artikel 22a, eerste lid, van de Wet.
3.
Bij ministeriële regeling worden de tijden vastgesteld gedurende welke de grensdoorlaatposten zijn opengesteld.
1.
De vreemdeling die de openbare lichamen inreist, is verplicht desgevorderd aan een ambtenaar, belast met de grensbewaking:
a. het in zijn bezit zijnde document voor grensoverschrijding, de benodigde machtiging tot voorlopig verblijf dan wel het benodigde reisvisum of doorreisvisum te tonen en te overhandigen;
b. inlichtingen te verstrekken over het doel en de duur van zijn voorgenomen verblijf in de openbare lichamen;
c. aan te tonen over welke middelen hij met het oog op de toegang tot de openbare lichamen beschikt of kan beschikken.
2.
Het eerste lid, onder a, is van overeenkomstige toepassing op de vreemdeling die de openbare lichamen uitreist.
Artikel 6.4
Een ieder die zich op of nabij een plaats bevindt waar een grensdoorlaatpost is gevestigd, houdt zich aan de aldaar door de ambtenaren, belast met de grensbewaking, in het kader van de uitoefening van hun taak gegeven aanwijzingen.
Artikel 6.5
De Nederlander die de openbare lichamen in- of uitreist, toont en overhandigt, desgevorderd, aan een ambtenaar, belast met de grensbewaking, het in zijn bezit zijnde reis- of identiteitspapier of maakt zo nodig op andere wijze zijn Nederlanderschap aannemelijk.
Artikel 6.6
De gezagvoerder van een schip verleent, desgevorderd, de medewerking aan een ambtenaar, belast met de grensbewaking, welke nodig is om deze ambtenaar in staat te stellen de door hem uit te oefenen grenscontrole uit te voeren. Deze medewerking bestaat uit:
a. het op een daartoe gegeven teken zodanig vaart verminderen en het zodanig op of bijdraaien van zijn schip, dat een dienstvaartuig behoorlijk langszij kan komen;
b. het toelaten van ambtenaren, belast met de grensbewaking, aan boord van zijn schip;
c. het op vordering van een ambtenaar, belast met de grensbewaking, tot stilstand brengen of aanleggen van zijn schip.
Artikel 6.7
De gezagvoerders van andere schepen dan zeeschepen geven eigener beweging aan een ambtenaar, belast met de grensbewaking, kennis van de aanwezigheid in hun vaartuig van vreemdelingen ten aanzien van wie zij weten of redelijkerwijs kunnen vermoeden dat zij niet voldoen aan de bij of krachtens de Wet vastgestelde verplichtingen waaraan personen bij grensoverschrijding zijn onderworpen.
1.
De te verstrekken bemanningslijst en passagierslijst, worden bij het binnenvaren van de openbare lichamen onmiddellijk verstrekt aan de ambtenaar belast met de grensbewaking. Bij ministeriële regeling kunnen modellen worden vastgesteld van de bemanningslijst en passagierslijst.
2.
Wijzigingen met betrekking tot de samenstelling van de bemanning of de passagiers worden eveneens doorgegeven aan de ambtenaar belast met de grensbewaking.
3.
Indien de grensbewaking plaatsvindt aan boord van het schip, worden de in het eerste lid bedoelde lijsten onmiddellijk afgegeven aan de ambtenaar die de grensbewaking uitoefent.
4.
Van de aanwezigheid van verstekelingen wordt steeds onmiddellijk opgave gedaan.
1.
De kennisgeving van afvaart wordt gedaan aan het hoofd van de grensdoorlaatpost waarlangs hij zal vertrekken.
2.
De kennisgeving wordt gedaan:
a. ten hoogste zes en ten minste drie uur vóór het daadwerkelijke vertrek van het schip;
b. indien het schip zich korter dan drie uur bevindt op de plaats waar de kennisgeving moet geschieden, op een zodanig tijdstip dat de met de bediening van de grensdoorlaatpost belaste ambtenaar in staat is de door hem uit te oefenen personencontrole uit te voeren.
Artikel 6.10
De artikelen 6.8 en 6.9 gelden niet voor gezagvoerders van zeeschepen die, zonder ligplaats in een haven in te nemen, door de Nederlandse territoriale zee varen.
1.
De gezagvoerder van een vliegtuig verstrekt in tweevoud aan een ambtenaar, belast met de grensbewaking, de algemene verklaring en de gegevens over de bemanning.
2.
Bij ministeriële regeling wordt het model van de bemannings- en passagierslijst aangewezen.
3.
De gezagvoerder en diens luchtvaartmaatschappij zijn verplicht op diens verzoek aan de ambtenaar belast met de grensbewaking alle inlichtingen te verschaffen betreffende vreemdelingen die door deze luchtvaartmaatschappij zijn vervoerd van, naar en tussen de openbare lichamen.
Artikel 6.12
De vordering aan de gezagvoerder van een luchtvaartuig, bedoeld in artikel 22e, tweede lid, van de Wet, wordt gedaan door tussenkomst van de luchtverkeersleiding.
Artikel 6.13
De korpschef en de Commandant van de Koninklijke marechaussee verstrekken periodiek ten minste de volgende gegevens aan Onze Minister:
a. gegevens over de toegangsweigering;
b. gegevens over de controle op de zorgplicht van vervoerders;
c. gegevens over de uitvoering van het toezicht op vreemdelingen, en
d. gegevens over de uitzetting van vreemdelingen.
1.
Aan de vreemdeling die met toepassing van artikel 22d, tweede of derde lid, van de Wet is overgebracht naar een plaats, bestemd voor verhoor, wordt tijdig mededeling gedaan van de hem toekomende bevoegdheid zich bij het verhoor te doen bijstaan door een raadsman.
2.
De in het eerste lid bedoelde vreemdeling wordt niet verder beperkt in de uitoefening van grondrechten, dan wordt gevorderd door het doel van de maatregel en de handhaving van de orde en de veiligheid op de plaats van tenuitvoerlegging.
1.
Een beslissing van de Commandant van de Koninklijke marechaussee of de korpschef, genomen krachtens artikel 22d, vierde lid, van de Wet, wordt ten uitvoer gelegd op een politiebureau.
2.
De artikelen 7.3 en 7.5 zijn van overeenkomstige toepassing.
Artikel 6.16
Indien de Commandant van de Koninklijke marechaussee of de korpschef zijn bevoegdheid, bedoeld in artikel 22d, vierde lid, van de Wet mandateert doet hij dat aan een ambtenaar, belast met het toezicht op vreemdelingen, die tevens hulpofficier van justitie is.
1.
Als documenten in de zin van artikel 22d, eerste lid, laatste volzin, van de Wet, worden aangewezen:
a. voor vreemdelingen die van rechtswege zijn toegelaten op grond van artikel 3 van de Wet of bij vergunning als bedoeld in de artikelen 6 en 12a van de Wet: een vanwege de bevoegde autoriteiten verstrekte verklaring of verstrekt document waaruit zulks blijkt en waarvan het model is vastgesteld door Onze Minister;
b. voor andere vreemdelingen: een ingevolge de Wet voor het hebben van toegang tot de openbare lichamen vereist geldig document voor grensoverschrijding dan wel een document voor grensoverschrijding waarin het benodigde visum is aangetekend of waarin een aantekening omtrent de verblijfsrechtelijke positie is geplaatst;
c. voor vreemdelingen, bedoeld onder b, die niet beschikken over een geldig document voor grensoverschrijding en die nog in afwachting zijn van de beslissing op een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd: een verklaring, afgegeven door de bevoegde autoriteit dat de aanvraag is ingediend en de beslissing daarop in de openbare lichamen mag worden afgewacht.
2.
Geen document, anders dan bedoeld in het eerste lid, onder a, wordt verstrekt aan kinderen beneden de leeftijd van twaalf jaar, tenzij zij er naar het oordeel van Onze Minister een redelijk belang bij hebben in het bezit van zulk een document te worden gesteld.
3.
Op het ingevolge het eerste lid, onder a, afgegeven document wordt aangetekend:
a. onder welke beperkingen en voorschriften de toelating is verleend;
b. of het de vreemdeling is toegestaan arbeid te verrichten en of daarvoor ingevolge de Wet arbeid vreemdelingen BES een tewerkstellingsvergunning is vereist, en
c. of beroep op de publieke middelen gevolgen kan hebben voor het verblijfsrecht.
4.
Aan de Nederlander, op wie de Wet niet van toepassing noch ook van overeenkomstige toepassing is, kan Onze Minister op aanvraag een verklaring afgeven waaruit zulks blijkt en waarvan het model is vastgesteld door Onze Minister.
1.
De documenten, bedoeld in artikel 6.17, eerste lid, onder a, voor zover afgegeven door Onze Minister, worden door Onze Minister vervangen, indien:
a. de vreemdeling aan wie het document werd afgegeven, overeenkomstig artikel 6.40 aangifte heeft gedaan van vermissing, verlies of het voor identificatie ondeugdelijk worden van dat document, en
b. Onze Minister heeft vastgesteld dat er gegronde redenen zijn om te veronderstellen dat de aangifte naar waarheid is gedaan.
2.
Onverminderd het eerste lid worden de documenten, bedoeld in artikel 6.17, eerste lid, onder a, voor zover afgegeven door Onze Minister, telkens vijf jaren na de afgifte ervan vervangen.
1.
De ambtenaren belast met de grensbewaking of de ambtenaren belast met het toezicht op vreemdelingen, nemen op grond van artikel 22f, eerste lid, van de Wet het reis- of identiteitspapier van een persoon tijdelijk in bewaring:
a. voorzover zulks nodig is voor het verkrijgen van de gegevens, bedoeld in artikel 6.41, of voor het stellen van een aantekening als bedoeld in artikel 6.20 tot en met artikel 6.31;
b. indien de persoon ter vaststelling van zijn identiteit is staande gehouden en niet aanstonds blijkt dat het hem is toegestaan in de openbare lichamen te verblijven, terwijl de gelegenheid ontbreekt hem, met toepassing van artikel 22d, tweede of derde lid, van de Wet naar een plaats, bestemd voor verhoor, over te brengen;
c. gedurende de tijd dat de persoon rechtens zijn vrijheid is ontnomen, of
d. voorzover zulks nodig is met het oog op de uitzetting of de overgave aan de grensautoriteiten als bedoeld in artikel 22f, tweede lid, van de Wet.
2.
In het geval, bedoeld in het eerste lid, onder b, wordt het reis- of identiteitspapier aan de persoon teruggegeven, indien hij aan de korpschef of de Commandant van de Koninklijke marechaussee de gegevens heeft verstrekt die deze in het belang van de toepassing van de Wet vraagt, tenzij er uit anderen hoofde gronden aanwezig zijn om het document in bewaring te houden.
1.
Naast het plaatsen van de in artikel 2v van de Wet bedoelde inreis- en uitreisstempels, kunnen ambtenaren belast met de grensbewaking, op grond van artikel 22f, eerste lid, van de Wet, in het reis- of identiteitspapier van de vreemdeling aantekeningen stellen omtrent:
a. inreis in de openbare lichamen;
b. het doel en de duur van het voorgenomen verblijf in de openbare lichamen;
c. de middelen waarover de vreemdeling met het oog op de toegang tot de openbare lichamen beschikt of kan beschikken;
d. aanmelding bij de korpschef;
e. de toepassing van artikel 3.6;
f. het weigeren van toegang tot de openbare lichamen;
g. vertrek of uitzetting uit de openbare lichamen, of
h. uitreis uit de openbare lichamen.
2.
Elke doorhaling of vervallenverklaring van een in een reis- of identiteitspapier van een vreemdeling gestelde aantekening, wordt door de ambtenaar die de doorhaling of vervallenverklaring verricht, gedateerd en van diens paraaf voorzien.
Artikel 6.21
De ambtenaren belast met de grensbewaking, stellen in het reis- of identiteitspapier van de vreemdeling die toegang tot de openbare lichamen heeft en die de openbare lichamen langs een doorlaatpost in- of uitreist een aantekening als bedoeld in artikel 6.20, eerste lid, onder a en h, waaruit blijkt langs welke doorlaatpost en op welke datum de in- of uitreis heeft plaatsgevonden.
Artikel 6.22
De ambtenaren belast met de grensbewaking, stellen in het reis- of identiteitspapier van een vreemdeling een aantekening als bedoeld in artikel 6.20, eerste lid, onder d, inhoudende dat de vreemdeling zich binnen drie dagen bij de korpschef, onder vermelding van de plaats, moet melden, indien daartoe naar het oordeel van de ambtenaar belast met de grensbewaking in het belang van het toezicht op vreemdelingen gegronde reden bestaat.
1.
De ambtenaren belast met de grensbewaking, stellen in het reis- of identiteitspapier van een vreemdeling een aantekening als bedoeld in artikel 6.20, eerste lid, onder f, indien zij vermoeden dat de vreemdeling andermaal zal trachten de openbare lichamen in te reizen zonder te voldoen aan de vereisten voor toegang, bedoeld in artikel 2r van de Wet.
2.
Uit de aantekening, bedoeld in het eerste lid, blijkt dat de toegang is geweigerd, met vermelding van de datum en zo nodig de grond waarop deze weigering berust.
1.
De ambtenaren belast met de grensbewaking, stellen in het reis- of identiteitspapier van een vreemdeling een aantekening als bedoeld in artikel 6.20, eerste lid, onder g, indien zij vermoeden dat de vreemdeling zal trachten zich andermaal naar de openbare lichamen te begeven zonder te voldoen aan de vereisten voor toegang tot de openbare lichamen. Een zodanige aantekening wordt niet gesteld indien het vertrek, de uitzetting of de doorreis van de vreemdeling door of diens toegang tot een land of staat daardoor wordt bemoeilijkt.
2.
Uit de aantekening, bedoeld in het eerste lid, blijkt het vertrek of de uitzetting van de vreemdeling, met vermelding van de datum en zo nodig de reden van het vertrek of de uitzetting.
1.
De ambtenaren belast met het toezicht op vreemdelingen, stellen in het reis- en identiteitspapier van een vreemdeling aantekeningen omtrent:
a. aanmelding of vervoeging bij de korpschef;
b. de woon- of verblijfplaats binnen de openbare lichamen en vertrek naar het buitenland;
c. het verlenen, het verlengen van de geldigheidsduur of het intrekken van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd;
d. het verlenen of het intrekken van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd;
e. het opleggen van een individuele verplichting tot periodieke aanmelding overeenkomstig artikel 22h, tweede lid, van de Wet;
f. het beperken van de vrijheid van beweging overeenkomstig artikel 15 van de Wet;
g. vertrek of uitzetting uit de openbare lichamen;
h. ongewenstverklaring, en
i. de datum en plaats van inreis in de openbare lichamen.
2.
Elke doorhaling of vervallenverklaring van een in het reis- of identiteitspapier van een vreemdeling gestelde aantekening wordt door de ambtenaar die de doorhaling of vervallenverklaring verricht, gedateerd en van diens paraaf voorzien.
3.
In afwijking van het eerste lid, wordt een aantekening op een aan de vreemdeling te verstrekken afzonderlijk inlegblad gesteld, indien:
a. het reis- of identiteitspapier van de vreemdeling zich niet voor het stellen van een zodanige aantekening leent;
b. de vreemdeling houder is van een buitenlands vreemdelingen- of vluchtelingenpaspoort;
c. de vreemdeling in de openbare lichamen een aanvraag tot het verlenen van de verblijfsvergunning voor bepaalde of onbepaalde tijd, bedoeld in artikel 6 van de Wet, heeft ingediend en, naar het oordeel van de korpschef of de Commandant van de Koninklijke marechaussee, termen aanwezig zijn de aanvraag af te wijzen;
d. de vreemdeling geen geldig document voor grensoverschrijding heeft, of
e. de vreemdeling houder is van een document als bedoeld in artikel 6.17, eerste lid, onder a, b, of c, en niet in het bezit is van een geldig document voor grensoverschrijding.
1.
De aantekeningen, bedoeld in artikel 6.25, eerste lid, onder a, hebben betrekking op de aanmelding ingevolge de artikelen 6.43 tot en met 6.47.
2.
Uit de aantekening blijkt de datum van aanmelding.
3.
Uit de aantekening blijkt of het de vreemdeling is toegestaan arbeid te verrichten en of voor deze arbeid ingevolge de Wet arbeid vreemdelingen BES een tewerkstellingsvergunning vereist is.
4.
Indien het betreft een vreemdeling die naar de openbare lichamen is gekomen om als zeeman werk te zoeken aan boord van een zeeschip kan de aantekening worden aangevuld met een zinsnede waaruit zulks blijkt en wordt een uiterlijke datum van verblijf opgenomen.
1.
De aantekening, bedoeld in artikel 6.25, eerste lid, onder g, wordt gesteld indien op grond van artikel 5.1 uitzetting van de vreemdeling achterwege blijft. De datum waarop de aanvraag is ontvangen wordt eveneens aangetekend. Indien de aanvraag wordt afgewezen, wordt «vervallen» aangetekend.
2.
Uit de aantekening blijkt of het de vreemdeling is toegestaan arbeid te verrichten en of voor deze arbeid ingevolge de Wet arbeid vreemdelingen BES een tewerkstellingsvergunning vereist is.
1.
Uit de aantekening, bedoeld in artikel 6.25, eerste lid, onder b, blijkt op welke datum de vreemdeling is veranderd van woon- of verblijfplaats binnen de openbare lichamen.
2.
De aantekening, bedoeld in het eerste lid, wordt door de korpschef of de Commandant van de Koninklijke marechaussee gesteld.
1.
Uit de aantekening, bedoeld in artikel 6.25, eerste lid, onder e, blijkt de verplichte periode van aanmelding overeenkomstig artikel 22h, tweede lid, van de Wet alsmede eventuele verdere bijzonderheden.
2.
Nadat de vreemdeling voor de eerste maal heeft voldaan aan de verplichting tot periodieke aanmelding ingevolge artikel 6.47, kunnen de daarop volgende aanmeldingen worden aangetekend door in het reis- of identiteitspapier de datum van de aanmelding te stellen.
3.
Uit de aantekening, bedoeld in het eerste en tweede lid, blijkt of het de vreemdeling is toegestaan arbeid te verrichten en of voor deze arbeid ingevolge de Wet arbeid vreemdelingen BES een tewerkstellingsvergunning vereist is.
1.
De aantekeningen, bedoeld in artikel 6.25, eerste lid, onder g, betreffen:
a. een aantekening waaruit de uiterlijke datum van vertrek blijkt, indien aan de vreemdeling overeenkomstig artikel 16a van de Wet een termijn is gegund waarbinnen hij de openbare lichamen uit eigen beweging dient te verlaten;
b. een aantekening waaruit blijkt tot welke datum uitzetting van de vreemdeling achterwege blijft ingevolge artikel 16b, derde lid,van de Wet;
c. een aantekening waaruit de datum van indienen van een bezwaarschrift blijkt, indien de uitzetting achterwege blijft hangende een beslissing op een door de vreemdeling ingediend bezwaar, eventueel met doorhaling van de aantekening, bedoeld onder a;
d. een aantekening omtrent uitzetting, indien naar het oordeel van de korpschef of de Commandant van de Koninklijke marechaussee gegronde reden bestaat om te vermoeden dat de vreemdeling zal trachten naar de openbare lichamen terug te keren zonder te voldoen aan de vereisten voor toegang tot de openbare lichamen.
2.
Bij een aantekening als bedoeld in het eerste lid, onder b, wordt tevens gesteld dat arbeid niet is toegestaan.
3.
De aantekening, bedoeld in het eerste lid, onder d, wordt niet gesteld, indien het vertrek, de uitzetting of de doorreis van de vreemdeling door, of diens toelating tot een derde land daardoor wordt bemoeilijkt.
1.
De aantekening, bedoeld in artikel 6.25, eerste lid, onder h, wordt geplaatst, indien de korpschef of de Commandant van de Koninklijke marechaussee vermoedt dat de vreemdeling zal trachten naar de openbare lichamen terug te keren zonder te voldoen aan de vereisten voor toegang tot de openbare lichamen. De aantekening wordt niet gesteld indien het vertrek, de uitzetting of de doorreis van de vreemdeling door, of diens toelating tot een derde land daardoor wordt bemoeilijkt.
2.
Uit de aantekening blijkt de datum waarop de vreemdeling ongewenst is verklaard.
Artikel 6.32
Bij ministeriële regeling kunnen modellen van de aantekeningen, bedoeld in deze afdeling, worden vastgesteld.
1.
De vreemdeling die in de openbare lichamen van rechtswege of bij vergunning is toegelaten of aan wie het is toegestaan de beslissing omtrent een verblijfsvergunning voor bepaalde of onbepaalde tijd in de openbare lichamen af te wachten, is verplicht om in geval van:
a. verandering van adres binnen het openbaar lichaam waar de vreemdeling woont of verblijft, hiervan binnen vijf dagen kennis te geven aan de korpschef;
b. verandering van woon- of verblijfplaats binnen de openbare lichamen, zo mogelijk onder opgave van het nieuwe adres, hiervan vóór het vertrek kennis te geven aan de korpschef;
c. verandering van woon- of verblijfplaats binnen de openbare lichamen, onder opgave van het nieuwe adres, hiervan binnen vijf dagen na aankomst in de nieuwe woon- of verblijfplaats in persoon kennis te geven aan de korpschef;
d. vertrek naar een plaats buiten de openbare lichamen, zo mogelijk onder opgave van het nieuwe adres, hiervan vóór het vertrek kennis te geven aan de korpschef.
2.
De in het eerste lid, onder a en c, bedoelde kennisgeving blijft achterwege indien de vreemdeling als ingezetene is ingeschreven in de basisadministratie persoonsgegevens van de nieuwe woonplaats.
3.
De vreemdeling die niet van rechtswege of bij vergunning is toegelaten en wie het niet is toegestaan de beslissing omtrent een verblijfsvergunning voor bepaalde of onbepaalde tijd af te wachten, geeft kennis van verandering van woon- of verblijfplaats binnen de openbare lichamen als bedoeld in het eerste lid, onder b, indien Onze Minister dat vordert.
4.
De in het eerste en derde lid omschreven verplichtingen rusten ten aanzien van kinderen beneden de leeftijd van twaalf jaar op de wettelijk vertegenwoordiger. Voor kinderen van twaalf jaar en ouder kan aan deze verplichtingen ook worden voldaan door de wettelijk vertegenwoordiger.
5.
Van vertrek naar een plaats buiten de openbare lichamen wordt geen kennis gegeven door de vreemdeling die van rechtswege of bij vergunning is toegelaten, indien de vreemdeling zijn hoofdverblijf niet naar een plaats buiten de openbare lichamen verplaatst.
1.
De vreemdeling verstrekt op vordering van Onze Minister de gegevens, bedoeld in de artikelen 6.35 tot en met 6.40, binnen de in de vordering aangegeven tijd.
2.
Indien daartoe in het belang van het toezicht op vreemdelingen gegronde reden bestaat kan de in het voorgaande lid bedoelde vordering inhouden dat de vreemdeling de gegevens in persoon verstrekt.
3.
In het belang van de vreemdelingenregistratie kan een vordering als bedoeld in het eerste lid bij algemene bekendmaking worden gedaan.
4.
Indien de vreemdeling jonger is dan twaalf jaar, dan kan de vordering, bedoeld in het eerste tot en met derde lid, worden gericht tot de wettelijk vertegenwoordiger.
Artikel 6.35
De vreemdeling die zich in de openbare lichamen bevindt en niet van rechtswege of bij vergunning is toegelaten en aan wie het niet is toegestaan de beslissing omtrent een verblijfsvergunning voor bepaalde of onbepaalde tijd in de openbare lichamen af te wachten, doet onmiddellijk van zijn aanwezigheid in persoon mededeling aan de korpschef.
Artikel 6.36
Personen die nachtverblijf verschaffen aan een vreemdeling, van wie zij weten of redelijkerwijs kunnen vermoeden dat het deze vreemdeling geen toelating tot verblijf heeft in de openbare lichamen, doen daarvan onmiddellijk mededeling aan de korpschef.
Artikel 6.37
Werkgevers, van wie bij Onze Minister bekend is dat zij een vreemdeling in dienst hebben gehad die geen toelating tot verblijf in de openbare lichamen had of aan wie het niet was toegestaan arbeid te verrichten, verstrekken aan Onze Minister, op diens vordering, onmiddellijk de gegevens omtrent de vreemdeling die bij hen tewerkgesteld wordt, in dienst is of in dienst is geweest. Onze Minister kan een termijn stellen waarbinnen de gegevens worden verstrekt.
1.
De vreemdeling die van rechtswege is toegelaten als bedoeld in artikel 5a van de Wet en die arbeid gaat zoeken of arbeid gaat verrichten, deelt dit onmiddellijk mee aan de korpschef.
2.
Het eerste lid is niet van toepassing op de vreemdeling die:
a. houder is van een geldige machtiging tot voorlopig verblijf afgegeven voor een verblijfsdoel waarbij het verrichten van arbeid is toegestaan;
b. kan aantonen dat hij naar de openbare lichamen is gekomen voor het verrichten van arbeid gedurende ten hoogste drie maanden, te rekenen vanaf het tijdstip van zijn binnenkomst, of
c. naar de openbare lichamen is gekomen om aan te monsteren of als zeeman werk te zoeken aan boord van een zeeschip.
3.
Het tweede lid is niet van toepassing indien de arbeid geheel of gedeeltelijk bestaat uit het verrichten van seksuele handelingen met derden of het verlenen van seksuele diensten aan derden.
Artikel 6.39
De vreemdeling die van rechtswege of bij vergunning verleend is toegelaten en wiens verblijf van rechtswege is vervallen of die niet langer voldoet aan de beperking waaronder de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd is verleend, deelt dit onmiddellijk mee aan de korpschef.
Artikel 6.40
De vreemdeling die van rechtswege of bij vergunning verleend is toegelaten als bedoeld in de artikelen 3 of 6 van de Wet en wiens document, waaruit dat blijkt, vermist wordt, verloren is gegaan of ondeugdelijk is geworden voor identificatie, doet daarvan onmiddellijk in persoon aangifte bij de korpschef.
Artikel 6.41
De medewerking van de vreemdeling, bedoeld in artikel 22h, eerste lid, onderdeel c, van de Wet, bestaat uit:
a. het op vordering van een ambtenaar belast met de grensbewaking of een ambtenaar belast met het toezicht op vreemdelingen, beschikbaar stellen van een goedgelijkende pasfoto, en
b. het zich laten fotograferen en het laten afnemen van vingerafdrukken, indien daartoe naar het oordeel van de ambtenaar, belast met de grensbewaking of een ambtenaar belast met het toezicht op vreemdelingen, gegronde reden bestaat.
1.
De vreemdeling die naar de openbare lichamen is gekomen voor een verblijf van langer dan drie maanden, werkt op grond van artikel 22h, eerste lid, onderdeel d, van de Wet mee aan een onderzoek naar in ieder geval tuberculose.
2.
Het eerste lid geldt niet indien de vreemdeling de nationaliteit bezit van een van de bij ministeriële regeling vast te stellen landen.
1.
De vreemdeling die toelating van rechtswege heeft als bedoeld in artikel 5a van de Wet en die naar de openbare lichamen is gekomen voor een verblijf van langer dan drie maanden, meldt zich binnen drie dagen na binnenkomst in de openbare lichamen in persoon aan bij de korpschef.
2.
Voor de berekening van de in het eerste lid bedoelde termijn van drie maanden wordt eerder verblijf in de openbare lichamen binnen een tijdvak van zes maanden, onmiddellijk voorafgaande aan de binnenkomst, mede in aanmerking genomen.
3.
Indien de vreemdeling jonger is dan twaalf jaar, doet degene bij wie de vreemdeling woont of verblijft de melding.
1.
De vreemdeling die toelating van rechtswege heeft als bedoeld in artikel 5a van de Wet en die naar de openbare lichamen is gekomen voor een verblijf van ten hoogste drie maanden, meldt zich binnen drie dagen na binnenkomst in de openbare lichamen in persoon aan bij de korpschef.
2.
Een verplichting tot aanmelding krachtens het voorgaande lid rust ten aanzien van de vreemdeling beneden de leeftijd van twaalf jaar op degene bij wie de vreemdeling woont of verblijft.
3.
Het eerste lid is niet van toepassing op de vreemdeling die zijn intrek neemt in een hotel of in een inrichting, waarvan de eigenaar, houder of beheerder bij of krachtens verordening van het openbaar lichaam verplicht is aan de daartoe aangewezen autoriteit kennis te geven van het verschaffen van nachtverblijf aan personen.
Artikel 6.45
De vreemdeling die houder is van een visum of een document voor grensoverschrijding waarin door de daartoe bevoegde autoriteit een aantekening is gesteld omtrent aanmelding in de openbare lichamen, meldt zich binnen drie dagen na binnenkomst in de openbare lichamen in persoon aan bij de korpschef.
Artikel 6.46
De vreemdeling die naar de openbare lichamen is gekomen om als zeeman werk te zoeken aan boord van een zeeschip, meldt zich binnen drie dagen na binnenkomst in de openbare lichamen in persoon aan bij de korpschef.
1.
Tot periodieke aanmelding als bedoeld in artikel 22h, eerste lid, onder f, van de Wet, bij de korpschef, is verplicht de vreemdeling die geen toelating van rechtswege heeft of bij vergunning verleend en in afwachting is van de feitelijke mogelijkheid tot vertrek of uitzetting.
2.
Tot periodieke aanmelding, bedoeld in het eerste lid, kan door Onze Minister worden verplicht de vreemdeling aan wie het slechts is toegestaan de beslissing omtrent een verblijfsvergunning voor bepaalde of onbepaalde tijd in de openbare lichamen af te wachten.
3.
De vreemdeling, bedoeld in het eerste dan wel tweede lid, meldt zich wekelijks, tenzij Onze Minister een andere termijn stelt, dan wel ontheffing verleent.
4.
Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing, indien de vreemdeling rechtens zijn vrijheid is ontnomen.
1.
De vreemdeling levert het document, waaruit de toelating van rechtswege of bij vergunning verleend blijkt, in ieder geval in persoon in bij de korpschef:
a. zodra zijn toelating is vervallen of geëindigd, doch uiterlijk op het moment waarop de vertrektermijn, bedoeld in artikel 16a van de Wet, verstrijkt, en
b. vóór zijn vertrek naar een plaats buiten de openbare lichamen, indien hij zijn hoofdverblijf buiten de openbare lichamen verplaatst.
2.
De persoon die het Nederlanderschap heeft verkregen levert het document, waaruit de toelating van rechtswege of bij vergunning verleend blijkt, in bij de korpschef.
Artikel 7.1
De maatregel van beperking van vrijheid van beweging, bedoeld in artikel 15, eerste lid, van de Wet kan bestaan uit:
a. een verplichting zich bij verblijf in de openbare lichamen in een bepaald gedeelte van een openbaar lichaam te bevinden, of
b. een verplichting zich te houden aan een verbod om zich in een bepaald gedeelte of bepaalde gedeelten van een of meer openbare lichamen te bevinden.
1.
Voordat de vreemdeling op grond van artikel 15c van de Wet in bewaring wordt gesteld, wordt hij gehoord.
2.
Het eerste lid is niet van toepassing indien:
a. de vreemdeling reeds op een andere grond in bewaring gesteld is, of
b. het voorafgaande gehoor van de vreemdeling niet kan worden afgewacht.
3.
Slechts in het geval bedoeld in het tweede lid, onder b, wordt de vreemdeling zo spoedig mogelijk na de tenuitvoerlegging van de bewaring gehoord.
4.
Van het gehoor wordt proces-verbaal opgemaakt.
5.
Aan de vreemdeling wordt tijdig mededeling gedaan van de hem toekomende bevoegdheid zich bij het gehoor te doen bijstaan door zijn raadsman.
1.
De maatregel waarbij de bewaring op grond van artikel 15c van de Wet wordt opgelegd wordt gedagtekend en ondertekend; de maatregel wordt met redenen omkleed. Aan de vreemdeling op wie de maatregel betrekking heeft, wordt onmiddellijk een afschrift daarvan uitgereikt.
2.
Op de voortzetting van de bewaring op een andere grond is het eerste lid van overeenkomstige toepassing.
1.
De bewaring op grond van artikel 15c van de Wet wordt ten uitvoer gelegd in een huis van bewaring of een ruimte of plaats als bedoeld in artikel 2o, tweede lid, 15a, eerste lid, of artikel 15b, eerste lid van de Wet. Bij de tenuitvoerlegging van de bewaring wordt de vreemdeling niet verder beperkt in de uitoefening van grondrechten dan wordt gevorderd door het doel van deze maatregel en de handhaving van de orde en de veiligheid op de plaats van tenuitvoerlegging.
2.
De bewaring wordt opgeheven zodra er geen grond meer aanwezig is.
1.
Gedurende de tenuitvoerlegging van een vrijheidsontnemende maatregel ingevolge de artikelen 2o, tweede lid, 15b, eerste lid, of 15c, eerste lid, van de Wet, kan de vreemdeling voor korte duur naar elders worden gebracht, wanneer dit redelijkerwijs nodig is voor de toepassing van de Wet.
2.
Van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsontnemende maatregel als bedoeld in het eerste lid, wordt op verzoek van de vreemdeling zo spoedig mogelijk kennis gegeven aan diens naaste verwanten of aan een in het Koninkrijk gevestigde diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging van de staat waarvan hij onderdaan is.
3.
In geval de vrijheidsontnemende maatregel een minderjarige betreft wordt daarvan, zo daartoe de gelegenheid bestaat, ambtshalve zo spoedig mogelijk kennis gegeven aan degenen die de ouderlijke macht of de voogdij over die minderjarige uitoefenen.
Artikel 7.6
Overeenkomstig door Onze Minister te geven algemene en bijzondere aanwijzingen stelt de korpschef Onze Minister tijdig vóór het verstrijken van de in artikel 22l, eerste lid, van de Wet genoemde termijn in kennis van de bewaring.
1.
De aanwijzing bedoeld in de artikelen 15a, eerste lid, en 15b, eerste lid, van de Wet wordt zoveel mogelijk gegeven bij de beschikking waarbij de aanvraag tot het verlenen van de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd verband houdend met bescherming als bedoeld in artikel 12a van de Wet is afgewezen. De aanwijzing wordt met redenen omkleed.
2.
Artikel 7.3 is van overeenkomstige toepassing indien de aanwijzing, bedoeld in het eerste lid, gegeven wordt bij afzonderlijke beschikking.
Artikel 8.1
Onze Minister is bevoegd om, bij de uitoefening van zijn bevoegdheid tot uitzetting als bedoeld in artikel 16b van de Wet, alle daartoe benodigde handelingen te verrichten.
Artikel 8.2
Onze Minister is bevoegd de kosten van uitzetting, bedoeld in artikel 22, tweede lid, van de Wet te verhalen op de vreemdeling, de reder of de luchtvaartmaatschappij.
1.
De kosten van uitzetting van een vreemdeling welke ingevolge artikel 22, tweede lid, van de Wet op een reder of luchtvaartmaatschappij kunnen worden verhaald, zijn verschuldigd aan de openbare overheid te welks laste die kosten zijn gekomen.
2.
De in het voorgaande lid bedoelde kosten van uitzetting omvatten in ieder geval de kosten verbonden aan:
a. het vervoer van de uit te zetten vreemdeling per eerste gelegenheid, doch op de wijze die, gelet op de omstandigheden, de goedkoopste is, naar een plaats buiten de openbare lichamen;
b. de begeleiding van de vreemdeling naar een plaats van vertrek uit de openbare lichamen alsmede zijn begeleiding naar een plaats buiten de openbare lichamen, voorzover deze noodzakelijk is, en
c. het verblijf van de vreemdeling in de openbare lichamen in de periode nadat de reder of luchtvaartmaatschappij van een ambtenaar belast met de grensbewaking de aanwijzing heeft gekregen de vreemdeling terug te vervoeren naar een plaats buiten de openbare lichamen.
1.
De noodzakelijke kosten van uitzetting die ten laste komen van de Staat of van andere openbare overheden kunnen door de Staat, of door de andere openbare overheid te welks laste zij zijn gekomen, worden verhaald op de vreemdeling en, indien hij minderjarig is, op degenen die het wettig gezag over hem uitoefenen.
2.
De in het voorgaande lid bedoelde kosten van uitzetting omvatten de kosten, genoemd in artikel 8.3, tweede lid, onder a en b.
1.
De aanvraag om opheffing van de ongewenstverklaring, bedoeld in artikel 16e, eerste lid, van de Wet, wordt door Onze Minister in ieder geval ingewilligd, indien de vreemdeling niet aan strafvervolging terzake van misdrijf is onderworpen en ongewenst verklaard is:
a. naar aanleiding van geweldsdelicten of opiumdelicten en sinds de ongewenstverklaring en het vertrek uit de openbare lichamen tien achtereenvolgende jaren buiten de openbare lichamen heeft verbleven;
b. naar aanleiding van andere misdrijven en sinds de ongewenstverklaring en het vertrek uit de openbare lichamen vijf achtereenvolgende jaren buiten de openbare lichamen heeft verbleven, of
c. op grond van artikel 16d, eerste lid, onder a, van de Wet en sinds de ongewenstverklaring en het vertrek uit de openbare lichamen één jaar buiten de openbare lichamen heeft verbleven.
2.
De in het eerste lid genoemde termijnen vangen opnieuw aan, indien de vreemdeling tijdens de ongewenstverklaring:
a. een als misdrijf strafbaar gestelde inbreuk op de openbare orde heeft gepleegd die tot ongewenstverklaring zou kunnen leiden, of
b. zonder voorafgaande tijdelijke opheffing of in strijd met de aan die tijdelijke opheffing verbonden voorwaarden in de openbare lichamen heeft verbleven.
3.
De gegevens, die de vreemdeling ter ondersteuning van zijn aanvraag verstrekt, zijn in ieder geval:
a. een schriftelijke verklaring van de vreemdeling dat hij sinds zijn vertrek uit de openbare lichamen na de ongewenstverklaring tien, onderscheidenlijk vijf achtereenvolgende jaren of één jaar buiten de openbare lichamen heeft verbleven en dat hij zich in die periode niet schuldig heeft gemaakt aan misdrijven en dat hij niet aan strafvervolging onderworpen is;
b. een kopie van de documenten voor grensoverschrijding die de vreemdeling sinds zijn ongewenstverklaring heeft gehouden;
c. een overzicht van de plaatsen waar de vreemdeling sinds zijn ongewenstverklaring heeft verbleven, voorzien van bewijsstukken, en
d. een schriftelijke verklaring, afgegeven door de terzake bevoegde autoriteiten van de staat of staten, het land of de landen waar de vreemdeling sinds zijn ongewenstverklaring heeft verbleven, dat de vreemdeling zich tijdens dat verblijf niet schuldig heeft gemaakt aan misdrijven en niet aan strafvervolging onderworpen is.
Artikel 8.6
In zeer uitzonderlijke en dringende gevallen kan Onze Minister de ongewenstverklaring tijdelijk opheffen. Aan de tijdelijke opheffing worden voorwaarden gesteld omtrent de plaats van binnenkomst en de duur van het verblijf in de openbare lichamen.
1.
Onze Minister onderscheidenlijk de korpschef verstrekt op de wijze als beschreven in dit artikel de gegevens betreffende de verblijfsrechtelijke positie van een vreemdeling die een bestuursorgaan of een orgaan als bedoeld in artikel 23, vijfde lid, van de Wet nodig hebben voor de toekenning van verstrekkingen, voorzieningen, uitkeringen, ontheffingen of vergunningen.
2.
De basisgegevens betreffende de verblijfsrechtelijke positie van een vreemdeling worden door Onze Minister onderscheidenlijk de korpschef verstrekt aan de basisadministratie persoonsgegevens waar de betrokken vreemdeling is ingeschreven, met het oog op de verstrekking daarvan ingevolge de Wet basisadministraties persoonsgegevens BES aan een orgaan als bedoeld in het eerste lid. De basisgegevens zijn de gegevens betreffende de verblijfstitel van de vreemdeling, bedoeld in bijlage I van het Besluit basisadministraties persoonsgegevens BES.
3.
Een bestuursorgaan of een orgaan als bedoeld in artikel 23, vijfde lid, van de Wet vraagt Onze Minister onmiddellijk nadere gegevens over de verblijfsrechtelijke positie van een vreemdeling, indien bij het bestuursorgaan of een orgaan als bedoeld in artikel 23, vijfde lid, van de Wet, na raadpleging van de basisgegevens betreffende de verblijfsrechtelijke positie van een vreemdeling uit de basisadministratie persoonsgegevens van het openbaar lichaam waar de vreemdeling verblijf houdt onduidelijkheid bestaat omtrent de verblijfsrechtelijke positie van die vreemdeling, omdat:
a. de vreemdeling niet voorkomt in de basisadministratie persoonsgegevens van het desbetreffende openbaar lichaam, maar wel beschikt over het bescheid, bedoeld in artikel 7, eerste lid, van de Wet;
b. de verblijfsrechtelijke gegevens in de basisadministratie persoonsgegevens van het desbetreffende openbaar lichaam afwijken van de gegevens omtrent het verblijf van die vreemdeling op het bescheid, bedoeld in artikel 7, eerste lid, van de Wet, of
c. de verblijfsrechtelijke gegevens in de basisadministratie persoonsgegevens van het desbetreffende openbaar lichaam en het bescheid, bedoeld in artikel 7, eerste lid, van de Wet afwijken van andere bescheiden, waarover het bestuursorgaan beschikt, waardoor gerede twijfel over de juistheid van de gegevens over de verblijfsrechtelijke positie van de vreemdeling is ontstaan.
4.
Onze Minister verstrekt het bestuursorgaan of een orgaan als bedoeld in artikel 23, vijfde lid, van de Wet, in de gevallen, bedoeld in het derde lid, desgevraagd onmiddellijk de nadere gegevens over de verblijfsrechtelijke positie van de vreemdeling.
5.
Indien een bestuursorgaan of een orgaan als bedoeld in artikel 23, vijfde lid, van de Wet, in een individueel geval aanwijzingen heeft dat op korte termijn een wijziging in de verblijfsrechtelijke positie van een vreemdeling optreedt of recent een wijziging in de verblijfsrechtelijke positie is opgetreden en het bestuursorgaan heeft met redenen omkleed aannemelijk gemaakt dat vanwege het spoedeisende karakter bij het toekennen van een verstrekking, voorziening, uitkering, ontheffing of vergunning niet gewacht kan worden op de aanpassing van de basisgegevens in de basisadministratie persoonsgegevens van het desbetreffende openbaar lichaam, verstrekt Onze Minister desgevraagd onmiddellijk nadere gegevens over een desbetreffende wijziging in de verblijfsrechtelijke positie van de vreemdeling. Het verzoek wordt schriftelijk gedaan.
1.
Een bestuursorgaan of een orgaan als bedoeld in artikel 23, vijfde lid, van de Wet verstrekt Onze Minister of de korpschef desgevraagd de gegevens omtrent de toekenning of de beëindiging van verstrekkingen, voorzieningen, uitkeringen, ontheffingen of vergunningen aan een vreemdeling, die nodig zijn voor:
a. de verlening, de verlenging van de geldigheidsduur van, de wijziging van het verblijfsdoel van of intrekking van een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 6 van de Wet; of
b. de beoordeling of aan de voorwaarden en beperkingen waaronder die verblijfsvergunning is verleend, wordt voldaan.
2.
Indien uit de verblijfsrechtelijke gegevens in de basisadministratie persoonsgegevens van het openbaar lichaam waar de vreemdeling als ingezetene is ingeschreven, dan wel uit een aantekening op het bescheid, bedoeld in artikel 7, eerste lid, van de Wet blijkt dat het verblijfsrecht is toegekend onder de beperking dat een beroep op publieke middelen gevolgen kan hebben voor het verblijfsrecht, verstrekt een bestuursorgaan, niet zijnde een orgaan als bedoeld in artikel 23, vijfde lid, van de Wet, uit eigen beweging zo spoedig mogelijk de gegevens, bedoeld in het eerste lid, die nodig zijn voor de beoordeling of aan deze beperking wordt voldaan.
3.
Indien uit de verblijfsrechtelijke gegevens in de basisadministratie persoonsgegevens van het openbaar lichaam waar de vreemdeling als ingezetene is ingeschreven, dan wel uit een aantekening op het bescheid, bedoeld in artikel 7, eerste lid, van de Wet blijkt dat het verblijfsrecht is toegekend onder de beperking dat arbeid niet is toegestaan, dan wel arbeid uitsluitend is toegestaan bij een bepaalde werkgever, dan wel arbeid slechts is toegestaan indien de werkgever beschikt over een tewerkstellingsvergunning, verstrekt een bestuursorgaan, niet zijnde een orgaan als bedoeld in artikel 23, vijfde lid, van de Wet, belast met de verstrekking van ontheffingen of vergunningen als bedoeld in het eerste lid, uit eigen beweging zo spoedig mogelijk de gegevens, bedoeld in het eerste lid die nodig zijn voor de beoordeling of aan deze beperking wordt voldaan.
4.
Onze Minister kan, in overeenstemming met Onze Minister die het aangaat, bepalen dat de gegevens, bedoeld in dit artikel, periodiek of in gestandaardiseerde vorm worden verstrekt.
5.
Het bestuursorgaan verstrekt de gegevens, bedoeld in het tweede en derde lid, aan Onze Minister.
Artikel 9.3
Onze Minister kan regels stellen over de rechten die vreemdelingen ontlenen aan de volgende verdragen:
a. het Vluchtelingenverdrag (Trb. 1954, 88);
b. het Verdrag betreffende de status van staatlozen (Trb. 1955, 42);
c. het Nederlands-Amerikaans Vriendschapsverdrag (Trb. 1956, 40);
d. de Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Suriname inzake het verblijf en de vestiging van wederzijde onderdanen (1975) (Trb. 1975, 133);
e. de Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Suriname inzake de binnenkomst en het verblijf van wederzijdse onderdanen met bijlage en protocol inzake verkregen rechten (1981) (Trb. 1981, 35).
1.
Gedurende vijf jaren na het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit, kan de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in artikel 6 van de Wet, onder een beperking verband houdend met voortgezet verblijf, als bedoeld in artikel 5.2, eerste lid, onder e, worden verleend aan de vreemdeling, die direct voorafgaand aan het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit vijf jaren ononderbroken op het eiland Bonaire, Sint Eustatius of Saba bij vergunning tot tijdelijk verblijf is toegelaten geweest in verband met het verrichten van arbeid in loondienst en voor die arbeid gedurende die periode ononderbroken een tewerkstellingsvergunning is verleend.
2.
Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing in geval de vergunning tot tijdelijk verblijf verband hield met het verrichten van arbeid als zelfstandige en voor die arbeid gedurende die periode ononderbroken een vestigings- en directievergunning is verleend.
3.
De vergunning kan worden verleend, indien de vreemdeling toelating in de openbare lichamen heeft behouden en het hoofdverblijf niet buiten de openbare lichamen heeft gevestigd.
1.
Gedurende vijf jaren na het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit, kan de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in artikel 6 van de Wet, onder een beperking verband houdend met voortgezet verblijf, als bedoeld in artikel 5.2, eerste lid, onder e, worden verleend aan de vreemdeling, die direct voorafgaand aan het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit:
a. vijf jaren ononderbroken op het eiland Bonaire, Sint Eustatius of Saba toegelaten is geweest in verband met gezinshereniging of gezinsvorming met een aldaar toegelaten persoon, of
b. toegelaten is geweest als echtgenoot, partner of kind, waaronder begrepen pleegkind of adoptiefkind, van een persoon die was toegelaten tot het eiland Bonaire, Sint Eustatius of Saba, indien deze persoon is overleden.
2.
De vergunning kan worden verleend, indien de vreemdeling toelating in de openbare lichamen heeft behouden en het hoofdverblijf niet buiten de openbare lichamen heeft gevestigd.
1.
Gedurende vijf jaren na het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit, kan de verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd, bedoeld in artikel 6 van de Wet, worden verleend aan de vreemdeling, die direct voorafgaand aan het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit gedurende vijf jaren ononderbroken op het eiland Bonaire, Sint Eustatius of Saba bij vergunning verleend toegelaten is geweest.
2.
De vergunning kan worden verleend, indien de vreemdeling toelating in de openbare lichamen heeft behouden en het hoofdverblijf niet buiten de openbare lichamen heeft gevestigd.
Artikel 10.4
Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit toelating en uitzetting BES.