Rechtenmedia.nl - Juridische Online Uitgeverij  Rechtennieuws.nl | Jure.nl | Maxius.nl | Parlis.nl | Rechtenforum.nl | JBmatch.nl | MijnWetten.nl | AdvocatenZoeken.nl | Rechtentotaal.nl
Besluit tijdelijk financieel toezicht Nederlandse Antillen, Curaçao en Sint Maarten
Bwb-id:
Officiele titel:
Citeertitel:
Soort regeling:
Wetsfamilies:
Eerst verantwoordelijk ministerie:

Geldigheidsdatum:
Ingangsdatum:
Inhoudsopgave
+ Hoofdstuk 1. Definitiebepalingen
+ Hoofdstuk 2. Het college financieel toezicht
+ Hoofdstuk 3. Toezicht op de begroting
+ Hoofdstuk 4. Beoordeling begrotingen en geldleningen
+ Hoofdstuk 5. De uitvoering van de begroting en verantwoording daarover
+ Hoofdstuk 6. Bijzondere omstandigheden
+ Hoofdstuk 7. Beroep
+ Hoofdstuk 8. Wijziging van andere besluiten
+ Hoofdstuk 9. Overgangs- en slotbepalingen
Vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature

Juridisch advies nodig?
Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag
Geschiedenis

Geschiedenis-overzicht
Let op. Deze wet is vervallen op 10 oktober 2010. U leest nu de tekst die gold op 9 oktober 2010.

Besluit tijdelijk financieel toezicht Nederlandse Antillen, Curaçao en Sint Maarten

Besluit van 10 november 2008, houdende tijdelijke voorzieningen voor het financieel toezicht op de Nederlandse Antillen en de eilandgebieden Curaçao en Sint Maarten (Besluit tijdelijk financieel toezicht Nederlandse Antillen, Curaçao en Sint Maarten)
Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Op de voordracht van de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 11 juli 2008, nr. 2008-0000316536, CZW, gedaan mede namens Onze Minister van Financiën en in overeenstemming met de regering van de Nederlandse Antillen en de bestuurscolleges van de eilandgebieden Curaçao en Sint Maarten;
Gelet op de artikelen 38, eerste en tweede lid, van het Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden;
De Raad van State van het Koninkrijk gehoord (advies van 14 augustus 2008, nr. W04.08.0307/I/K);
Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, uitgebracht mede namens Onze Minister van Financiën van 28 oktober 2008, in overeenstemming met de regering van de Nederlandse Antillen en de bestuurscolleges van de eilandgebieden Curaçao en Sint Maarten;
De bepalingen van het Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden in acht genomen zijnde;
Overwegende, dat de bevolkingen van de eilanden van de Nederlandse Antillen met gebruikmaking van het recht van zelfbeschikking zich in referenda hebben uitgesproken om te komen tot een nieuwe staatkundige status van die eilanden binnen het Koninkrijk der Nederlanden;
Dat op basis daarvan de regeringen van Nederland en de Nederlandse Antillen, met instemming van de eilandgebieden Curaçao, Sint Maarten, Bonaire, Sint Eustatius en Saba zijn overeengekomen om te bewerkstelligen dat bij de start van de nieuwe staatkundige verhoudingen sprake is van een gezonde financiële positie van de eilanden;
Dat tevens is overeengekomen dat in dat kader Nederland de verplichting op zich neemt om tot aan de rentelastnorm de schuld van de Nederlandse Antillen, Curaçao en Sint Maarten naar de stand van 31 december 2005 over te nemen en dat die verplichting mede omvat de herfinanciering van die schuld en de financiering van de rente op die schuld, alsmede de sanering van betalingsachterstanden;
Dat deze verplichting en de bijbehorende voorwaarden zijn neergelegd in de Slotverklaring van 2 november 2006, zoals die nader is uitgewerkt in het Overgangsakkoord van 12 februari 2007, het document Toetreding Curaçao tot het Overgangsakkoord van 28 augustus 2007 en het bestuursakkoord van 22 mei 2008;
Dat in verband met de sanering van de schulden en de gezondmaking van de overheidsfinanciën, in de overgangsperiode tot de nieuwe staatkundige verhoudingen financieel toezicht op de begrotingen van de Nederlandse Antillen en de eilandgebieden Curaçao en Sint Maarten wordt ingesteld;
Hebben goedgevonden en verstaan:
1.
In dit besluit wordt verstaan onder:
begroting: de begroting, bedoeld in de Staatsregeling van de Nederlandse Antillen, onderscheidenlijk de begroting, bedoeld in de Eilandenregeling Nederlandse Antillen;
bestuur: de Raad van Ministers van het Land of het bestuurscollege van Curaçao of Sint Maarten;
collectieve sector: het Land tezamen met de rechtspersonen die met toepassing van artikel 23 als zodanig zijn aangewezen, respectievelijk een eilandgebied tezamen met de rechtspersonen die met toepassing van artikel 23 als zodanig zijn aangewezen;
college: het College financieel toezicht, bedoeld in artikel 2;
eilandgebieden: de eilandgebieden Curaçao en Sint Maarten;
eilandgebied: het eilandgebied Curaçao of het eilandgebied Sint Maarten;
geconsolideerde schuld: de gezamenlijke schulden van de collectieve sector van het Land of van de collectieve sector van het eilandgebied in de vorm van leningen en betalingsachterstanden, met uitzondering van de onderlinge schulden binnen de collectieve sector van het Land of eilandgebied;
kapitaaluitgaven: uitgaven die ingevolge de geldende definitie van het System of National Accounts van de Verenigde Naties op de kapitaaldienst van de overheidsrekening worden geboekt;
Land: het land de Nederlandse Antillen;
Onze Minister: Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties;
rentelast: de uitgaven aan rente, toerekenbaar aan een begrotingsjaar, over de geconsolideerde schuld van het Land, onderscheidenlijk van een eilandgebied;
rentelastnorm: de rentelast die overeenkomt met 5% van de gemiddelde gerealiseerde gezamenlijke inkomsten van de collectieve sector van het Land, onderscheidenlijk van de collectieve sector van het eilandgebied over de drie jaren voorafgaand aan het jaar waarin de begroting is of wordt ingediend;
vertegenwoordigend orgaan: de Staten van het Land of de eilandsraad van een eilandgebied.
2.
Voor de toepassing van de artikelen 2, 3, 4, tweede tot en met vierde lid, 7 en 10 wordt tevens verstaan onder:
a. eilandgebied: het eilandgebied Bonaire, Sint Eustatius of Saba;
b. eilandsraad: de eilandsraad van Bonaire, Sint Eustatius of Saba;
c. bestuur: het bestuurscollege van Bonaire, Sint Eustatius of Saba;
d. bestuurscollege: het bestuurscollege van Bonaire, Sint Eustatius of Saba.
1.
Er is een College financieel toezicht.
2.
Het college bestaat uit zes leden, waaronder een voorzitter.
3.
De voorzitter en de andere leden worden op grond van deskundigheid benoemd. Over de benoeming beslist de raad van ministers van het Koninkrijk volgens de volgende procedure:
a. de voorzitter op aanbeveling van Onze Minister-President, in zijn hoedanigheid van voorzitter van de raad van ministers van het Koninkrijk;
b. een lid in overeenstemming met het gevoelen van de Raad van ministers van het Land op aanbeveling van Onze Minister-President van het Land;
c. een lid in overeenstemming met het gevoelen en op aanbeveling van het bestuurscollege van Curaçao;
d. een lid in overeenstemming met het gevoelen en op aanbeveling van het bestuurscollege van Sint Maarten, en
e. twee leden in overeenstemming met het gevoelen van de Nederlandse ministerraad van wie één namens Bonaire, Sint Eustatius en Saba gezamenlijk en één namens Nederland.
4.
De benoeming geschiedt bij koninklijk besluit op voordracht van Onze Minister.
5.
De leden van het college oefenen hun functie uit zonder last of ruggespraak.
6.
De leden worden benoemd voor de periode gedurende welke dit besluit van kracht is.
7.
Een lid wordt op eigen verzoek ontslagen.
8.
Een lid kan worden geschorst of ontslagen wegens ongeschiktheid voor de vervulde functie, dan wel wegens andere zwaarwegende in zijn persoon gelegen redenen, dan wel wegens het aanvaarden van een ambt, betrekking of functie als bedoeld in artikel 3, eerste of tweede lid.
9.
De raad van ministers van het Koninkrijk beslist over schorsing en ontslag. Schorsing en ontslag geschiedt bij koninklijk besluit op voordracht van Onze Minister. Over ontslag wordt het aanbevelende bestuur vooraf geconsulteerd.
10.
Voorafgaande aan een ontslag of een schorsing als bedoeld in het achtste lid, wordt het college gehoord, tenzij de omstandigheden met betrekking tot het ontslag of de schorsing dat belemmeren.
11.
Onze Minister stelt na overleg met de besturen de vaste vergoeding van de leden van het college vast. Hierbij wordt de toepasselijke salarisschaal van bijlage B van het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren en de toepasselijke deeltijdfactor aangegeven. De leden hebben voorts overeenkomstig het Reisbesluit binnenland en het Reisbesluit buitenland recht op vergoeding van reis- en verblijfskosten. Daarnaast hebben de leden op declaratiebasis recht op vergoeding van kosten van internationale telefoongesprekken die zij maken in het kader van de werkzaamheden voor het college.
1.
Een lid van het college kan niet tevens zijn:
a. Gouverneur;
b. minister of staatssecretaris;
c. commissaris van de Koning of gedeputeerde;
d. lid van een vertegenwoordigend orgaan of van een daarmee vergelijkbaar orgaan van Nederland;
e. gezaghebber of gedeputeerde van een eilandgebied;
f. burgemeester of wethouder;
g. lid van de Raad van Advies van de Nederlandse Antillen;
h. lid van de Raad van State van het Koninkrijk;
i. lid van de Algemene Rekenkamer van het Land of van Nederland;
j. nationale of eilandelijke ombudsman of substituut-ombudsman;
k. ambtenaar bij een ministerie of een eilandgebied, alsmede de daaronder ressorterende instellingen, diensten en bedrijven.
2.
Een lid vervult ook overigens geen nevenfunctie of andere betrekking die overigens ongewenst is met het oog op een goede vervulling van zijn functie of de handhaving van zijn onafhankelijkheid of van het vertrouwen daarin.
3.
Een lid meldt het voornemen tot het aanvaarden van een nevenfunctie of andere betrekking aan het college. Het college informeert Onze Minister en de besturen.
4.
Het college maakt de nevenfuncties en andere betrekkingen van een lid openbaar. Openbaarmaking geschiedt bij zijn benoeming en voorts door jaarlijkse publicatie van een opgave van deze nevenfuncties en betrekkingen in de Staatscourant en De Curaçaosche Courant.
1.
De taken van het college zijn, onverminderd de in andere artikelen van dit besluit genoemde taken:
a. het toezicht op de toepassing door het Land en de eilandgebieden van de normen, genoemd in artikel 15, bij de voorbereiding, de uitvoering en de verantwoording van de begroting en bij het betalingsverkeer;
b. het toetsen of het Land en de eilandgebieden voldoen aan de bij dit besluit vastgestelde voorwaarden voor het aangaan van rentedragende leningen en rentedragende kredieten;
c. het rapporteren aan en adviseren van de Minister van Financiën van het Land, de Staten, de betrokken bestuurscolleges en de eilandsraden en, door tussenkomst van Onze Minister, de raad van ministers van het Koninkrijk;
d. het toezicht op de voortgang van de implementatie van de verbetering van het financieel beheer;
e. de in het Besluit tijdelijk financieel toezicht BES genoemde taken met betrekking tot de eilandgebieden Bonaire, Sint Eustatius en Saba.
2.
Het college zendt eens per half jaar door tussenkomst van Onze Minister een schriftelijk verslag over zijn werkzaamheden aan de raad van ministers van het Koninkrijk en aan de betrokken ministers, de beide kamers der Staten-Generaal, de Staten, de bestuurscolleges en de eilandsraden.
3.
Het college verstrekt desgevraagd inlichtingen over zijn werkzaamheden aan Onze Minister, aan Onze Minister van Financiën van Nederland en aan de besturen.
4.
Onze Minister kan, na instemming van de raad van ministers van het Koninkrijk, die handelt in overeenstemming met de besturen, beleidsregels vaststellen en algemene en bijzondere aanwijzingen geven ten aanzien van de uitoefening van de in dit besluit aan het college toegekende taken en bevoegdheden.
1.
Het college stelt ter uitvoering van de in artikel 4 en andere artikelen genoemde taken een bestuursreglement vast, waarin in ieder geval regels over de besluitvorming, werkwijze en procedures zijn opgenomen. In het reglement worden tevens regels opgenomen over de verdeling van de werkzaamheden bij de voorbereiding van de besluiten en adviezen van het college.
2.
Het bestuursreglement wordt bekendgemaakt in de Staatscourant en De Curaçaosche Courant.
3.
De voorzitter en de secretaris van het college bevorderen een doelmatige en voorspoedige uitvoering van de taken van het college.
4.
Een lid kan zich doen vertegenwoordigen door een ander lid, mits hij daartoe schriftelijk volmacht heeft verleend aan dat lid. De voorzitter beoordeelt de deugdelijkheid van de volmacht. Een lid kan slechts voor één ander lid als gevolmachtigde optreden.
5.
Het college streeft bij het nemen van besluiten naar consensus. Indien bij het nemen van besluiten door het college de stemmen staken, heeft de voorzitter de doorslaggevende stem.
1.
Het college heeft een secretaris.
2.
Aan de secretaris kunnen medewerkers worden toegevoegd.
3.
De secretaris en de medewerkers worden op voordracht van het college vanwege Onze Minister aan het college ter beschikking gesteld.
4.
De secretaris en de medewerkers staan onder gezag van het college en leggen uitsluitend aan het college verantwoording af.
5.
De secretaris en de medewerkers zijn geen lid van het college.
1.
De leden, de secretaris en de medewerkers van het college, voor zover niet woonachtig op een van de eilandgebieden en in het bezit van de Nederlandse nationaliteit, zijn vrijgesteld te voldoen aan de verplichtingen, bedoeld in artikel 3, eerste lid, onder f, van de Landsverordening toelating en uitzetting.
2.
De leden, de secretaris of de medewerkers van het college die niet de Nederlandse nationaliteit bezitten, hebben als lid, secretaris dan wel medewerker voor de toepassing van de Landsverordening toelating en uitzetting en de Landsverordening arbeid vreemdelingen van rechtswege toelating als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel f, van de eerstgenoemde landsverordening, mits is voldaan aan de voorwaarden genoemd in die bepaling.
1.
De besturen verstrekken het college alle inlichtingen die het voor de uitoefening van zijn taken nodig acht. Hiertoe behoren de gegevens van de betreffende collectieve sector van het Land, onderscheidenlijk het eilandgebied.
2.
De besturen verlenen het college dan wel door hem aangewezen vertegenwoordigers, te allen tijde toegang tot dan wel inzage in alle goederen, administraties, documenten en andere informatiedragers.
3.
Het college neemt de met betrekking tot natuurlijke en rechtspersonen in de Nederlandse Antillen geldende geheimhoudingsbepalingen in acht.
1.
De bezoldiging van de leden, de secretaris en de medewerkers van het college, alsmede de bekostiging van de overige apparaatsuitgaven komen ten laste van de begroting van Onze Minister.
2.
De uitgaven en ontvangsten samenhangende met het verstrekken van leningen als bedoeld in de artikelen 16 en 22 door de Nederlandse Staat aan het Land en de eilandgebieden komen ten laste respectievelijk ten gunste van de begroting van Onze Minister.
3.
De valutarisico’s samenhangende met het verstrekken van leningen als bedoeld in de artikelen 16 en 22 door de Nederlandse Staat aan het Land en de eilandgebieden komen ten laste respectievelijk ten gunste van de begroting van Onze Minister.
1.
Indien naar het oordeel van de raad van ministers van het Koninkrijk het college bij de uitoefening van zijn taak ernstig in gebreke blijft, kan Onze Minister, in overeenstemming met de besturen, de noodzakelijke voorzieningen treffen.
2.
Deze voorzieningen worden, spoedeisende gevallen uitgezonderd, niet eerder getroffen dan nadat het college in de gelegenheid is gesteld om binnen een door de raad van ministers van het Koninkrijk te stellen termijn alsnog zijn taak naar behoren uit te voeren.
1.
Het bestuur zendt uiterlijk op 15 augustus voorafgaande aan het begrotingsjaar een afschrift van de ontwerpbegroting voor advies aan het college.
2.
Op verzoek van het bestuur kan in overleg met het college een latere datum worden overeengekomen waarop de ontwerpbegroting uiterlijk toegezonden zal worden.
3.
De bij een vertegenwoordigend orgaan ingediende ontwerpbegroting gaat vergezeld van een advies als bedoeld in artikel 12. De indiener geeft bij de ontwerpbegroting aan in hoeverre en op welke wijze rekening is gehouden met dat advies.
4.
Het bestuur zendt de begroting, onmiddellijk nadat deze is vastgesteld, voor advies als bedoeld in artikel 12, aan het college.
5.
Het college zendt een advies ter zake van een ontwerpbegroting of een vastgestelde begroting binnen veertien dagen na ontvangst van die ontwerpbegroting onderscheidenlijk vastgestelde begroting aan het betreffende bestuur.
6.
De afkondiging van een begroting kan, in afwijking van artikel 18, tweede lid, van de Staatsregeling of artikel 77 van de Eilandenregeling Nederlandse Antillen worden aangehouden totdat het college daarover advies heeft uitgebracht. Een afkondiging wordt niet langer aangehouden dan gedurende de termijn, bedoeld in het vijfde lid. De Gouverneur onderscheidenlijk de gezaghebber kan in verband met het aflopen van die termijn het aanhouden van de afkondiging eenmalig met ten hoogste een week verlengen.
7.
Het tweede tot en met het vijfde lid zijn van overeenkomstige toepassing op een ontwerpverordening tot wijziging van een begroting en op een vastgestelde verordening tot wijziging van een begroting.
1.
Een advies van het college bevat zijn gemotiveerde bevindingen met betrekking tot de uitgevoerde beoordeling, bedoeld in artikel 15, en zo nodig zijn aanbevelingen met betrekking tot de wijze waarop een ontvangen ontwerpbegroting of vastgestelde begroting, in overeenstemming met de normen, genoemd in artikel 15, kan worden gebracht.
2.
Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op een ontwerpverordening tot wijziging van een begroting en op een vastgestelde verordening tot wijziging van een begroting.
1.
Indien een advies als bedoeld in artikel 12 ter zake van een vastgestelde begroting of een vastgestelde verordening tot wijziging van een begroting aanbevelingen bevat als bedoeld in dat artikel, deelt het betreffende bestuur binnen veertien dagen na ontvangst van het advies aan het college mee in hoeverre en op welke wijze rekening wordt gehouden met die aanbevelingen en, indien aan de orde, onder vermelding van de termijnen die daarbij in acht worden genomen.
2.
Indien naar het oordeel van het college het bestuur met de in het eerste lid genoemde mededeling niet of niet voldoende de normen, genoemd in artikel 15, in acht neemt, dan wel indien het bestuur nalaat die mededeling aan het college te doen, geeft het college binnen veertien dagen na ontvangst van de mededeling, respectievelijk na het uitblijven ervan, daarover bericht aan het betreffende bestuur en het vertegenwoordigend orgaan.
3.
Indien na ten minste zeven dagen na verzending van het bericht, bedoeld in het tweede lid, naar het oordeel van het college sprake blijft van een begroting, respectievelijk een verordening tot wijziging van de begroting die geheel of ten dele niet voldoet aan de normen, genoemd in artikel 15, bericht het college na afloop van die periode dienaangaande de raad van ministers van het Koninkrijk door tussenkomst van Onze Minister.
4.
Een bericht van het college als bedoeld in het derde lid, kan vergezeld gaan van een gemotiveerd advies tot het geven van een aanwijzing als bedoeld in het zevende lid.
5.
Het college zendt gelijk met het advies, bedoeld in het vierde lid, een afschrift daarvan aan het betreffende bestuur, waarna dat bestuur zonodig beslist of de uitvoering van de begroting of een deel daarvan wordt opgeschort. Het college bericht het betrokken vertegenwoordigend orgaan dat het advies is verzonden.
6.
Gedurende de periode dat de begroting of een deel van de begroting is opgeschort met toepassing van het vijfde lid, geldt de begroting of het deel van de begroting van het jaar voorafgaande aan het betreffende begrotingsjaar. Het bestuur legt deze voorafgaande begroting of het deel daarvan onmiddellijk ter beoordeling voor aan het college. Artikel 12, eerste lid, en dit artikel zijn voor zover mogelijk van overeenkomstige toepassing op deze voorafgaande begroting of het deel daarvan.
7.
Op een advies als bedoeld in het vierde lid, kan de raad van ministers van het Koninkrijk beslissen tot het geven van een aanwijzing aan het betreffende bestuur om de begroting zodanig aan te passen dat deze voldoet aan de normen, genoemd in artikel 15. Alvorens een voorstel voor een aanwijzing bij de raad van ministers van het Koninkrijk wordt ingediend stelt Onze Minister het betrokken bestuur in de gelegenheid zijn visie te geven.
8.
De aanwijzing geschiedt bij koninklijk besluit op de voordracht van Onze Minister.
1.
Als het college binnen een week na 15 augustus respectievelijk de op grond van artikel 11, tweede lid, overeengekomen datum nog geen ontwerpbegroting heeft ontvangen, respectievelijk op 15 december nog geen vastgestelde begroting heeft ontvangen, en er naar zijn oordeel ook geen uitzicht bestaat dat binnen een redelijke termijn alsnog een ontwerpbegroting, respectievelijk een vastgestelde begroting zal worden toegezonden, bericht het college dienaangaande de raad van ministers van het Koninkrijk door tussenkomst van Onze Minister.
2.
Een bericht van het college als bedoeld in het eerste lid kan vergezeld gaan van een gemotiveerd advies tot het geven van een aanwijzing.
3.
Het college zendt gelijk met het advies, bedoeld in het tweede lid, een afschrift daarvan aan het betreffende bestuur en bericht het betrokken vertegenwoordigend orgaan dat het advies is verzonden.
4.
Op een advies als bedoeld in het tweede lid kan de raad van ministers van het Koninkrijk beslissen tot het geven van een aanwijzing aan het betreffende bestuur alsnog een ontwerpbegroting, respectievelijk een vastgestelde begroting ter beoordeling toe te zenden aan het college. Alvorens een voorstel voor een aanwijzing bij de raad van ministers van het Koninkrijk wordt ingediend stelt Onze Minister het betrokken bestuur in de gelegenheid zijn visie te geven.
5.
De aanwijzing geschiedt bij koninklijk besluit op de voordracht van Onze Minister.
6.
Indien bij de aanvang van een begrotingsjaar er geen op dat jaar betrekking hebbende begroting in werking is getreden, strekt de begroting van het aan het betrokken begrotingsjaar voorafgaande jaar tot grondslag van het beheer, zulks om de dienst gaande te houden.
1.
Voor de beoordeling van de ontwerpbegroting en van de vastgestelde begroting van het Land, onderscheidenlijk de eilandgebieden hanteert het college de volgende normen:
a. de in de begroting en de meerjarige begroting opgenomen uitgaven op de gewone dienst worden gedekt door de ter dekking van die uitgaven opgenomen middelen;
b. de in de begroting en de meerjarige begroting opgenomen uitgaven op de kapitaaldienst worden gedekt door de ter dekking van die uitgaven opgenomen middelen, rekening houdend met de verwachte ontvangsten uit de opbrengst van geldleningen;
c. de rentelastnorm wordt niet overschreden.
2.
Bij de beoordeling, bedoeld in het eerste lid, worden de volgende aspecten betrokken:
a. in de begroting en de meerjarige begroting zijn alle verwachte uitgaven en verwachte ontvangsten opgenomen;
b. de in de begroting opgenomen ontvangsten en uitgaven worden toereikend toegelicht;
c. de begroting is zodanig ingericht dat het voldoet aan de criteria van ordelijkheid en controleerbaarheid.
3.
Bij de begroting wordt een uiteenzetting verstrekt van de financiële toestand van het Land onderscheidenlijk het eilandgebied.
4.
In afwijking van het eerste lid, onder a, wordt de rentelast voortvloeiend uit de door Nederland over te nemen schulden niet betrokken bij de beoordeling van het tekort op de gewone dienst.
1.
In de begrotingen, bedoeld in artikel 15, worden de voornemens tot het aantrekken van geldleningen opgenomen.
2.
Van de aangetrokken leningen wordt melding gemaakt in de uitvoeringsrapportages, bedoeld in artikel 18.
3.
De besturen informeren het college, als bij de uitvoering van de begroting de omvang van een lening het begrote leningbedrag dreigt te overschrijden.
4.
Op basis van de voornemens tot het aantrekken van geldleningen, bedoeld in het eerste lid, de meldingen, bedoeld in het tweede lid, en de verstrekte informatie, bedoeld in het derde lid, beoordeelt het college of het bestuur voldoet aan de normen, genoemd in artikel 15.
5.
Het college beoordeelt tevens of wordt voldaan aan de afspraken over de verbeteringen van het financieel beheer, voor zover deze betrekking hebben op het aantrekken van leningen.
6.
Indien geldleningen ten laste van het Land of een eilandgebied worden aangetrokken in het kader van een open biedingprocedure bij de Bank van de Nederlandse Antillen, gebeurt dat aantrekken in overeenstemming met een advies daarover van die bank.
7.
De Nederlandse Staat heeft een lopende inschrijving op de leningen bedoeld in het zesde lid, telkens voor het gevraagde leningbedrag, tegen het actuele rendement op staatsleningen van de betreffende looptijd.
8.
Bij een open biedingprocedure als bedoeld in het zesde lid, hebben bij gelijke leningvoorwaarden lokale inschrijvingen voorrang.
9.
Indien geldleningen ten laste van het Land of een eilandgebied onderhands worden aangetrokken, worden telkens naast Nederland ook een of meerdere derde partijen in de gelegenheid gesteld om gelijktijdig een aanbod te doen en wordt er vervolgens aangetrokken daar waar de leningvoorwaarden het meest gunstig zijn. Voor de Nederlandse Staat geldt in dit verband het aanbod, bedoeld in het zevende lid. Het achtste lid is van overeenkomstige toepassing.
10.
Het bestuur bericht het college over een voornemen tot het onderhands aantrekken van een geldlening, onder bijvoeging van de voorwaarden van de aangeboden geldleningen. Het college adviseert op basis van een onderlinge vergelijking van de betreffende leningvoorwaarden binnen veertien dagen na ontvangst van dat bericht. Indien een bestuur afwijkt van het advies van het college, geschiedt dat met een gemotiveerd besluit. Het bestuur informeert het college over het genomen besluit.
11.
Het college kan de raad van ministers van het Koninkrijk door tussenkomst van Onze Minister berichten als blijkt dat een bestuur afwijkt van het advies, bedoeld in het tiende lid. Bij dat bericht kan het college adviseren tot het nemen van een besluit als bedoeld in het twaalfde en dertiende lid. Het college zendt gelijk met het advies een afschrift daarvan aan het betreffende bestuur en bericht het betrokken vertegenwoordigend orgaan dat het advies is verzonden.
12.
Op een advies als bedoeld in het elfde lid kan de raad van ministers van het Koninkrijk beslissen tot het geven van een aanwijzing met betrekking tot het onderhands aangaan van leningen. Alvorens een voorstel voor een aanwijzing bij de raad van ministers van het Koninkrijk wordt ingediend stelt Onze Minister het betrokken bestuur in de gelegenheid zijn visie te geven.
13.
Het geven van de aanwijzing geschiedt bij koninklijk besluit op de voordracht van Onze Minister.
1.
Indien het bestuur nalaat een voorziening ter uitvoering van een beleidsvoornemen te treffen of deze op een zodanig tijdstip vaststelt, implementeert of uitvoert dat de haalbaarheid van de uitgaven- en ontvangstenramingen in gevaar komt, adviseert het college hierover overeenkomstig artikel 12, eerste lid.
2.
Het college adviseert eveneens overeenkomstig artikel 12, eerste lid, indien het vertegenwoordigende orgaan niet met een voorgestelde voorziening instemt of daarmee op een zodanig tijdstip instemt dat de haalbaarheid van de uitgaven- en ontvangstenramingen in gevaar komt;
3.
Op een advies als bedoeld in het eerste en tweede lid, is artikel 13 van overeenkomstige toepassing.
1.
De besturen zenden uiterlijk zes weken na afloop van ieder kwartaal een uitvoeringsrapportage aan het college en aan het betrokken vertegenwoordigend orgaan.
2.
Het college en de besturen stellen ten behoeve van de uitvoeringsrapportage gezamenlijk een model vast, dat aangeeft over welke onderwerpen gerapporteerd wordt. Hiertoe behoren in ieder geval informatie over de uitputting van de begroting (resterende verplichtingenruimte), eventuele nieuwe beleidsvoornemens met financiële consequenties en mee- en tegenvallers in de uitvoering van de begroting.
3.
Indien uit de uitvoeringsrapportage over het vierde kwartaal blijkt dat sprake is van een tekort op de gewone dienst of van een overschrijding van de rentelastnorm, geeft het bestuur in die rapportage aan welke maatregelen worden voorgenomen ter compensatie van het tekort, respectievelijk de overschrijding.
4.
Uiterlijk 31 augustus van ieder jaar verstrekken de besturen een afschrift van de vastgestelde jaarrekening van het voorafgaande jaar aan het college.
5.
Indien de jaarrekening op dat tijdstip nog niet is vastgesteld, verstrekken de besturen de in voorbereiding zijnde jaarrekening naar de stand van dat tijdstip. Het bestuur verstrekt de bevindingen van de Algemene Rekenkamer van de Nederlandse Antillen en van de interne accountant op het ontwerp van de jaarrekening onmiddellijk na de ontvangst van die bevindingen aan het college.
6.
Indien uit de vastgestelde jaarrekening blijkt dat sprake is van een tekort op de gewone dienst of van een overschrijding van de rentelastnorm, geeft het bestuur tegelijk met de jaarrekening aan welke maatregelen worden voorgenomen ter compensatie van het tekort, respectievelijk de overschrijding.
7.
Het college beoordeelt de voorgenomen maatregelen, bedoeld in het derde en het zesde lid, aan de hand van de normen, genoemd in artikel 15, en zendt het bestuur binnen veertien dagen na ontvangst van de betreffende uitvoeringsrapportage een advies overeenkomstig artikel 12, eerste lid.
8.
Op een advies als bedoeld in het zevende lid, is artikel 13 van overeenkomstige toepassing.
1.
De besturen rapporteren uiterlijk zes weken na afloop van ieder kwartaal aan het college over de uitvoering van de implementatieplannen ter verbetering van het financieel beheer. Het college en de besturen stellen ten behoeve van die rapportage gezamenlijk een model vast, dat aangeeft over welke onderwerpen gerapporteerd wordt.
2.
Het college kan de besturen ter zake van de uitvoering van deze implementatieplannen aanbevelingen geven.
3.
Het college kan aanbevelingen geven op het terrein van het financieel beheer rekening houdend met de bevindingen van de interne accountant en van de Algemene Rekenkamer van de Nederlandse Antillen.
1.
De besturen gaan uitsluitend financiële verplichtingen aan voor zover deze zijn opgenomen in een begroting die niet ingevolge artikel 13 is opgeschort.
2.
De besturen leggen het voornemen tot het aangaan van een financiële verplichting, voor zover het de limieten voor financieel zelfbeheer, zoals die gelden met ingang van 1 januari 2008, te boven gaat, voor advies voor aan de directeur Financiën van het Land, respectievelijk de hoofden Financiën van de eilandgebieden of, bij hun afwezigheid, aan hun eerste of tweede plaatsvervanger. Een positief advies wordt verleend indien de financiële verplichting voortvloeit uit de uitvoering van de begroting. De in de eerste volzin bedoelde limieten kunnen na overleg met het college gewijzigd worden.
3.
Als het bestuur een financiële verplichting aangaat zonder of in afwijking van een positief advies, als bedoeld in het tweede lid, deelt het bestuur dat terstond mee aan het college.
4.
Het college kan de raad van ministers van het Koninkrijk door tussenkomst van Onze Minister berichten als blijkt dat een bestuur een financiële verplichting is aangegaan zonder of in afwijking van een positief advies als bedoeld in het tweede lid. Bij dat bericht kan het college adviseren tot het geven van een aanwijzing als bedoeld in het vijfde lid. Gelijk met dat advies zendt het college een afschrift daarvan aan het betreffende bestuur en bericht het betrokken vertegenwoordigend orgaan dat het advies is verzonden.
5.
Op een advies als bedoeld in het vierde lid, kan de raad van ministers van het Koninkrijk beslissen dat ten laste van de desbetreffende begroting of bepaalde artikelen van die begroting geen financiële verplichtingen mogen worden aangegaan voordat het college daarmee heeft ingestemd. Alvorens een voorstel voor een aanwijzing bij de raad van ministers van het Koninkrijk wordt ingediend stelt Onze Minister het betrokken bestuur in de gelegenheid zijn visie te geven.
6.
De aanwijzing geschiedt bij koninklijk besluit op de voordracht van Onze Minister.
7.
De instemming, bedoeld in het vijfde lid, wordt verleend als de betreffende financiële verplichting voldoet aan het eerste lid.
8.
In geval van het aangaan van financiële verplichtingen en het verrichten van privaatrechtelijke rechtshandelingen waartoe door een vertegenwoordigend orgaan is besloten, is dit artikel van overeenkomstige toepassing.
1.
De namen en functies van degenen die zijn gemachtigd tot het verrichten van privaatrechtelijke rechtshandelingen die voortvloeien uit een besluit tot het aangaan van financiële verplichtingen, worden door de besturen gedeponeerd bij het college. Daarbij wordt tevens aangegeven voor welke rechtshandelingen en tot welke bedragen zij gemachtigd zijn. Het college houdt hiervan een register bij en publiceert dit register na elke wijziging, maar in elk geval iedere zes maanden. Publicatie geschiedt op de website van het college.
2.
Bij toepassing van artikel 20, vijfde lid, wordt, na inwerkingtreding van een koninklijk besluit als bedoeld in artikel 20, zesde lid, in het register bij de betreffende personen aangetekend dat voor het aangaan van verplichtingen de voorafgaande instemming van het college is vereist.
3.
Privaatrechtelijke rechtshandelingen betreffende het aangaan van financiële verplichtingen als bedoeld in het eerste lid zijn nietig indien zij zijn aangegaan door personen die daartoe blijkens het register, bedoeld in het eerste en tweede lid, niet of niet voldoende gemachtigd zijn.
4.
In afwijking van het derde lid is een rechtshandeling als bedoeld in dat lid wel rechtsgeldig als de bevoegdheid tot het aangaan van de betreffende verplichting blijkt uit een ten behoeve van die rechtshandeling verstrekte schriftelijke machtiging. Deze machtiging wordt slechts in incidentele gevallen verstrekt.
5.
Het bestuur verstrekt afschriften van de in het vierde lid bedoelde machtigingen aan het college.
1.
De besturen dragen er, in overeenstemming met het college, zorg voor:
a. dat het college afschriften ontvangt van de bankrekeningen van het Land, respectievelijk de eilandgebieden;
b. dat het Land respectievelijk de eilandgebieden een bankrekening hebben bij de Bank van de Nederlandse Antillen;
c. dat het Land respectievelijk de eilandgebieden ten behoeve van het liquiditeitenbeheer een hoofdbankrekening hebben, welke bankrekening bij de Bank van de Nederlandse Antillen of bij een commerciële bank kan worden aangehouden;
d. dat creditsaldi op de rekeningen bij commerciële banken dagelijks worden overgeboekt naar de hoofdbankrekening van het Land respectievelijk de eilandgebieden;
e. dat debetsaldi op de rekeningen bij commerciële banken dagelijks worden aangevuld vanaf de hoofdbankrekening van het Land respectievelijk de eilandgebieden.
2.
Een debetsaldo op de hoofdbankrekening van het Land respectievelijk het eilandgebied zal, indien nodig, door de Nederlandse staat worden aangevuld via de bankrekening van het Land respectievelijk het eilandgebied bij de Bank Nederlandse Antillen. Hierdoor ontstaat een lening van het Land respectievelijk het eilandgebied bij de Nederlandse Staat.
3.
Het rentepercentage over de lening, bedoeld in het tweede lid, is gelijk aan de Euro Overnight Index Average.
4.
De rentevergoeding over deze lening is relevant voor de normen, genoemd in artikel 15.
5.
Het college voert in verband met mogelijke toepassing van het tweede lid periodiek overleg met de besturen over het verwachte liquiditeitsverloop.
1.
Onze Minister en het betreffende bestuur wijzen gezamenlijk, na advies van het Centraal Bureau voor de Statistiek van de Nederlandse Antillen in samenwerking met het Centraal Bureau voor de Statistiek van Nederland, aan welke rechtspersonen behoren tot de collectieve sector van het Land respectievelijk van de afzonderlijke eilandgebieden.
2.
Voor de aanwijzing is het System of National Accounts van de Verenigde Naties leidend.
3.
Het bestuur stelt de betrokken rechtspersonen schriftelijk in kennis van de aanwijzing.
4.
Het bestuur rapporteert jaarlijks voor 1 april aan het college over de voorlopige jaarcijfers over het voorgaande kalenderjaar van de betreffende collectieve sector.
1.
Het Centraal Bureau voor de Statistiek van de Nederlandse Antillen rapporteert aan de besturen uiterlijk 1 september over de uitgaven-, ontvangsten-, tekort- en schuldcijfers van het voorafgaande jaar van de collectieve sector van het Land respectievelijk van de eilandgebieden. Daarbij zijn de definities van het System of National Accounts leidend. Het Centraal Bureau van de Statistiek Nederland adviseert het CBS van de Nederlandse Antillen.
2.
Het bestuur zendt de rapportage, bedoeld in het eerste lid, binnen twee weken naar het college. Indien uit die rapportage blijkt dat een overschrijding van de rentelastnorm dreigt, bericht het bestuur het college gelijktijdig met toezending van de rapportage over het beleid dat zal worden gevoerd ter beheersing van de rentelasten.
3.
Indien na kennisneming van de rapportage, bedoeld in het eerste lid, naar het oordeel van het college het bestuur niet of niet voldoende de dreiging wegneemt van een overschrijding van de rentelastnorm, doet het college binnen veertien dagen na ontvangst van de rapportage aan het betrokken bestuur aanbevelingen over de te nemen maatregelen ter beheersing van de rentelasten.
4.
Indien na ten minste veertien dagen na het doen van de aanbevelingen, bedoeld in het derde lid, naar oordeel van het college sprake blijft van een dreiging van een overschrijding van de rentelastnorm bericht het college na afloop van die periode dienaangaande de raad van ministers van het Koninkrijk door tussenkomst van Onze Minister. Artikel 13, vierde, zevende en achtste lid, is van overeenkomstige toepassing. Indien het college adviseert tot het geven van een aanwijzing, zendt het college gelijk met dat advies een afschrift daarvan aan het betreffende bestuur en bericht het betrokken vertegenwoordigend orgaan dat het advies is verzonden.
1.
Indien dit nodig is in verband met het herstel van schade veroorzaakt door buitengewone gebeurtenissen, waaronder natuurrampen, kan het bestuur in overeenstemming met een beslissing daarover van de raad van ministers van het Koninkrijk, besluiten af te wijken van de normen, genoemd in artikel 15.
2.
Indien in spoedeisende gevallen een beslissing van de raad van ministers van het Koninkrijk niet kan worden afgewacht, kan een bestuur in overeenstemming met de voorzitter van de raad van ministers van het koninkrijk verplichtingen aangaan die niet voortvloeien uit de uitvoering van de begroting.
3.
Indien geen contact mogelijk is met de voorzitter van de raad van ministers van het Koninkrijk kan het bestuur de noodzakelijke maatregelen treffen die kunnen leiden tot een afwijking van de normen, genoemd in artikel 15.
1.
Tegen een koninklijk besluit als bedoeld in deze regeling, houdende een of meer aanwijzingen of het vaststellen van een leningplafond als bedoeld in artikel 29, vijfde lid, staat voor een bestuur gedurende dertig dagen na verzending van het besluit beroep open bij Ons. De Raad van State van het Koninkrijk is belast met het voorbereiden van het ontwerpbesluit inzake de beslissing op het beroep. Ons besluit wordt in het Publicatieblad van de Nederlandse Antillen bekend gemaakt en ter kennis van het betrokken bestuur en vertegenwoordigend orgaan gebracht.
2.
De Raad van State van het Koninkrijk kan bij de voorbereiding van het ontwerpbesluit, bedoeld in het eerste lid, belanghebbenden, getuigen, deskundigen en tolken oproepen om tijdens het onderzoek ter zitting te worden gehoord. De raad stelt in ieder geval het betrokken bestuur in de gelegenheid te worden gehoord.
3.
De artikelen 32 tot en met 35 van de Wet op de Raad van State zijn van overeenkomstige toepassing.
4.
De artikelen 6:5 , 6:6, 6:14, 6:15, 6:17 en 6:21, 8:24, 8:25, 8:27 tot en met 8:29, 8:31 8:32, 8:33 tot en met 8:36, eerste lid, 8:39, 8:50, 8:61 en 8:62 van de Algemene wet bestuursrecht zijn van overeenkomstige toepassing. Ambtsberichten en andere door Onze Minister aangewezen stukken zijn niet openbaar.
5.
Het ontwerp van een koninklijk besluit als bedoeld in het eerste lid, is niet openbaar.
6.
Artikel 18a van de Wet op de Raad van State is van overeenkomstige toepassing. Het onderzoek ter zitting is openbaar.
7.
Het beroep schorst niet de werking van het besluit waartegen het is gericht.
8.
De Raad van State van het Koninkrijk kan een procesreglement vaststellen voor de behandeling van het beroep, bedoeld in het eerste lid, en van het verzoek om een voorlopige voorziening, bedoeld in artikel 27.
9.
Binnen twee maanden na ontvangst van het ontwerpbesluit kan Onze Minister, met vermelding van de gerezen bedenkingen, de Raad verzoeken zijn ontwerp in nadere overweging te nemen. In het kader van die nadere overweging stelt de Raad opnieuw het betrokken bestuur in de gelegenheid te worden gehoord.
10.
Ons besluit wijkt niet af van het ontwerp of, indien daarvan sprake is, het nader ontwerp, voor zover het advies van de Raad uitsluitend is gebaseerd op rechtmatigheidsgronden, en voor het overige uitsluitend indien zeer zwaarwegende, op het in dit besluit geregelde toezicht betrekking hebbende, gronden daartoe aanleiding geven. Indien Ons besluit afwijkt van het ontwerp of het nader ontwerp wordt het in het Staatsblad geplaatst met het rapport van Onze Minister. Dat rapport bevat in ieder geval de argumenten op grond waarvan wordt voorgesteld af te wijken van het ontwerp respectievelijk het nader ontwerp, alsmede het ontwerp zelf en indien daarvan sprake is, het nader ontwerp.
11.
Ons besluit wijkt voorts niet af van het ontwerp dan na toepassing van het negende lid, eerste volzin. Indien niet binnen twee maanden een verzoek als bedoeld in de eerste volzin van het negende lid is gedaan, beslissen Wij overeenkomstig het ontwerp van de Raad van State van het Koninkrijk.
12.
Besluiten van Onze Minister op grond van dit besluit zijn niet vatbaar voor beroep op de administratieve rechter op grond van de Landsverordening Administratieve rechtsspraak of de Algemene wet bestuursrecht . Dit geldt eveneens voor Ons besluit als bedoeld in het eerste lid.
1.
Indien op grond van artikel 26, eerste lid, tegen een besluit beroep is ingesteld, kan een daartoe door de Vice-President aangewezen staatsraad op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
2.
Een verzoek om voorlopige voorziening kan worden gedaan door het bestuur dat het beroep instelde.
3.
De artikelen 32 tot en met 35 van de Wet op de Raad van State zijn van overeenkomstige toepassing,
4.
De artikelen 6:5 , 6:6, 6:14, 6:15, 6:17 en 6:21, 8:68, 8:72, vijfde lid, 8:83, eerste, derde en vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht zijn van overeenkomstige toepassing.
5.
De staatsraad, bedoeld in het eerste lid, doet zo spoedig mogelijk schriftelijk of mondeling uitspraak
6.
De uitspraak strekt tot:
a. onbevoegdheid van de staatsraad, bedoeld in het eerste lid,
b. niet-ontvankelijkverklaring van het verzoek,
c. afwijzing van het verzoek, of
d. gehele of gedeeltelijke toewijzing van het verzoek.
7.
De staatsraad, bedoeld in het eerste lid, kan de voorlopige voorziening, op verzoek en ambtshalve, opheffen of wijzigen, nadat hij partijen heeft gehoord, althans behoorlijk opgeroepen. De artikelen 6:4, derde lid , 6:5 , 6:6, 6:14, 6:15, 6:17 en 6:21, 8:83 eerste,derde en vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht zijn van overeenkomstige toepassing.
8.
De voorlopige voorziening vervalt, zodra door Ons is beslist, voor zover daarvoor in Ons besluit geen ander tijdstip is aangegeven.
Artikel 28
[Wijzigt het Besluit tijdelijk financieel toezicht BES.]
1.
Zolang de rentelastnorm voor een of meer collectieve sectoren niet bepaald kan worden, of de beoordeling, bedoeld in artikel 15, niet plaats kan vinden, komen het college en de betrokken besturen jaarlijks uiterlijk op 1 september een leningplafond overeen dat met betrekking tot het eerstvolgende begrotingsjaar gebruikt zal worden voor de beoordeling, bedoeld in artikel 15.
2.
Het leningplafond, bedoeld in het eerste lid, is er op gericht dat de meerjarencijfers van het Land, respectievelijk de meerjarige startbegrotingen van de nieuwe landen na de toedeling van de resterende landsschuld zullen voldoen aan de normen, genoemd in artikel 15.
3.
In afwijking van het eerste lid komen het college en de besturen binnen twee weken na de inwerkingtreding van dit besluit een leningplafond overeen voor het begrotingsjaar 2009.
4.
Indien het niet mogelijk blijkt een leningplafond overeen te komen zoals bedoeld in het eerste of derde lid, kan het college de raad van ministers van het Koninkrijk door tussenkomst van Onze Minister adviseren een leningplafond vast te stellen. Alvorens een voorstel in te dienen bij de raad van ministers van het Koninkrijk stelt Onze Minister het bestuur in de gelegenheid zijn visie te geven.
5.
Een leningplafond als bedoeld in het vierde lid wordt vastgesteld bij koninklijk besluit op de voordracht van Onze Minister.
1.
Zo spoedig mogelijk na de inwerkingtreding van dit besluit zenden de besturen aan het college een afschrift van de begroting voor het jaar 2008 en een uitvoeringsrapportage als bedoeld in artikel 18, eerste lid, over de periode van 1 januari 2008 tot aan de datum van inwerkingtreding van dit besluit.
2.
De besturen zenden zo spoedig mogelijk na de inwerkingtreding tevens een afschrift van de ontwerpbegroting, dan wel, als de begroting reeds is vastgesteld, de begroting, voor het jaar 2009 aan het college.
3.
Met de inwerkingtreding van dit besluit vangt voor het eilandgebied Sint Maarten de overname van de schuldendiensten door Nederland aan. Voor het Land onderscheidenlijk voor het eilandgebied Curaçao vangt de overname van de schuldendiensten aan op het moment dat het college aan de raad van ministers van het Koninkrijk bericht dat de betreffende ontwerpbegroting dan wel, als de begroting reeds is vastgesteld, de begroting voor het jaar 2009 in overeenstemming is met de normen, genoemd in artikel 15.
4.
Nederland saneert de schulden van het Land en de eilandgebieden. Het betreft de per 31 december 2005 bestaande schulden van de Nederlandse Antillen, Curaçao en Sint Maarten, met inbegrip van de herfinanciering van die schulden en de financiering van de rente op die schulden, tot het niveau van de voor het jaar 2005 geldende rentelastnorm, en de betalingsachterstanden per 31 december 2005;
5.
Voor de in het derde lid bedoelde overname van de schuldendiensten geldt dat Nederland de rente- en aflossingsverplichtingen op de in het vierde lid beschreven te saneren schulden overneemt. Deze rente- en aflossingsverplichtingen tezamen vormen de in dit besluit genoemde schuldendiensten. Bij inwerkingtreding van de nieuwe staatkundige verhoudingen neemt Nederland de dan nog resterende hoofdsom van de in het vierde lid beschreven te saneren schulden over.
6.
De sanering en overname van de schulden zoals beschreven in het vierde en vijfde lid vinden plaats conform de afspraken in de slotverklaring van 2 november 2006, zoals die nader is uitgewerkt in het Overgangsakkoord van 12 februari 2007, het document Toetreding Curaçao tot het overgangsakkoord van 28 augustus 2007, de conclusies van het Bestuurlijk Overleg van 9 oktober 2007 en de besluiten van de Politieke Stuurgroep van 22 januari, 16 februari en 22 mei 2008, alsmede nadien in dit kader gesloten akkoorden.
Artikel 31. Leningbevoegdheid Sint Maarten
Door het eilandgebied Sint Maarten kunnen geldleningen worden aangegaan ten name of ten laste van dat eilandgebied. Op die geldleningen is artikel 96 van de Eilandenregeling Nederlandse Antillen van overeenkomstige toepassing.
1.
De besturen informeren het college binnen twee weken na inwerkingtreding van dit besluit over de geldende regelgeving op het gebied van:
a. procedures voor vervreemding en verkrijging van aandelen in rechtspersonen door het Land, respectievelijk de eilandgebieden;
b. richtlijnen voor het dividendbeleid van rechtspersonen waarin het Land, respectievelijk de eilandgebieden deelnemen, en
c. procedures en eisen rond de benoeming en het ontslag van bestuurders van rechtspersonen waarin het Land, respectievelijk de eilandgebieden deelnemen.
2.
Het college onderzoekt of het betrokken bestuur en Nederland met betrekking tot de regelgeving, bedoeld in het eerste lid, gezamenlijk conclusies hebben getrokken aan de hand van internationaal aanvaarde normen. Indien na onderzoek door het college blijkt dat de gezamenlijke conclusies niet zijn getrokken en niet alsnog binnen redelijke termijn zijn te verwachten, bericht het college dienaangaande de raad van ministers van het Koninkrijk door tussenkomst van Onze Minister.
3.
Op een bericht als bedoeld in het tweede lid is artikel 13, vierde, zevende en achtste lid, van overeenkomstige toepassing, waarbij een advies tot het geven van een aanwijzing in afschrift aan het betrokken bestuur wordt gezonden. Het college bericht het betrokken vertegenwoordigend orgaan dat het advies is verzonden Een eventuele aanwijzing door de raad van ministers van het Koninkrijk inzake regelgeving als bedoeld in het eerste lid, is in overeenstemming met internationaal aanvaarde normen en wordt gegeven bij koninklijk besluit op de voordacht van Onze Minister.
Artikel 33
De voorzitter en de leden van het college zoals die zijn benoemd op grond van artikel 2 van het Besluit tijdelijk financieel toezicht BES zoals dat luidde voor de inwerkingtreding van dit besluit worden geacht als zodanig te zijn benoemd op grond van artikel 2, derde lid, aanhef en onderdelen a en e, en vierde lid, van dit besluit.
Artikel 34. Beheer bescheiden
Het beheer van de bescheiden betreffende de werkzaamheden van het college wordt in het bestuursreglement, bedoeld in artikel 5, eerste lid, geregeld. De bescheiden worden na beëindiging van de werkzaamheden van het college bewaard in het archief van het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. De bescheiden worden in afschrift ter beschikking gesteld van Curaçao en Sint Maarten.
1.
Dit besluit kan buiten toepassing worden verklaard bij landsbesluit voor het Land of bij eilandsbesluit voor het eilandgebied Curaçao onderscheidenlijk Sint Maarten in het geval dat Nederland de overname van schuldendiensten staakt om redenen die niet zijn afgesproken in de Slotverklaring van 2 november 2006, zoals die nader is uitgewerkt in het Overgangsakkoord van 12 februari 2007, het document Toetreding Curaçao tot het Overgangsakkoord van 28 augustus 2007, de conclusies van het Bestuurlijk Overleg van 9 oktober 2007 en de besluiten van de Politieke Stuurgroep van 22 januari en 16 februari 2008, alsmede nadien in dit kader nader gesloten akkoorden.
2.
Een verklaring als bedoeld in het eerste lid wordt niet eerder gedaan dan nadat de Raad van State van het Koninkrijk op een door tussenkomst van de raad van ministers van het Koninkrijk ingediend verzoek van het betrokken bestuur heeft bevestigd dat er sprake is van een in dat lid bedoeld geval. De raad van ministers van Koninkrijk bevordert dat een in dit lid bedoeld verzoek onverwijld wordt doorgeleid. Artikel 18a van de Wet op de Raad van State is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 36
Dit besluit is niet van toepassing op de begroting voor het jaar met ingang waarvan het vervalt.
1.
Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst.
2.
Dit besluit vervalt met ingang van 1 januari van het derde jaar na het jaar van inwerkingtreding of op een eerder bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip.
Artikel 38. Citeertitel
Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit tijdelijk financieel toezicht Nederlandse Antillen, Curaçao en Sint Maarten.
Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad, in het Publicatieblad van de Nederlandse Antillen en in het Afkondigingsblad van Aruba zal worden geplaatst.
’s-Gravenhage, 10 november 2008
De Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties ,
De Minister van Financiën ,
Uitgegeven de negende december 2008
De Minister van Justitie ,