Rechtenmedia.nl - Juridische Online Uitgeverij  Rechtennieuws.nl | Jure.nl | Maxius.nl | Parlis.nl | Rechtenforum.nl | JBmatch.nl | MijnWetten.nl | AdvocatenZoeken.nl | Rechtentotaal.nl
Besluit subsidies investeringen kennisinfrastructuur
Bwb-id:
Officiele titel:
Citeertitel:
Soort regeling:
Wetsfamilies:
Eerst verantwoordelijk ministerie:

Geldigheidsdatum:
Ingangsdatum:
Inhoudsopgave
+ § 1. Algemene bepalingen
+ § 2. Aanvraag en beslissing op de aanvraag
+ § 3. Verplichtingen van de subsidie-ontvanger
+ § 4. Voorschotten
+ § 5. Subsidievaststelling
+ § 6. Slotbepalingen
Vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature

Juridisch advies nodig?
Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag
Geschiedenis

Geschiedenis-overzicht
Let op. Deze wet is vervallen op 1 januari 2009. U leest nu de tekst die gold op -.

Besluit subsidies investeringen kennisinfrastructuur

Besluit van 16 december 2002, houdende regels inzake de verstrekking van subsidies ten behoeve van investeringen in de kennisinfrastructuur (Besluit subsidies investeringen kennisinfrastructuur)
Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Op de voordracht van Onze Minister van Economische Zaken van 26 maart 2002, nr. WJZ 02015947, gedaan in overeenstemming met Onze Ministers van Financiën, van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen, van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, van Verkeer en Waterstaat en van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer;
Gelet op de artikelen 5 van de Wet Fonds economische structuurversterking, 3 van de Kaderwet EZ-subsidies, 4 van de Wet overige OCenW-subsidies, 4 van de Kaderwet LNV-subsidies, 3 van de Kaderwet subsidies Verkeer en Waterstaat en 15.13 van de Wet milieubeheer;
De Raad van State gehoord (advies van 30 mei 2002, nr. W10.02.0150/II);
Gezien het nader rapport van Onze Minister van Economische Zaken van 12 december 2002, nr. WJZ 02062562, gedaan in overeenstemming met Onze Ministers van Financiën, van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen, van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, van Verkeer en Waterstaat en van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer;
Hebben goedgevonden en verstaan:
1.
In dit besluit wordt verstaan onder:
a. bevoegde minister: de Minister van Economische Zaken, van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, van Verkeer en Waterstaat, van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer en van Volksgezondheid, Welzijn en Sport die op grond van het tweede lid of in artikel 11 als bevoegd bestuursorgaan is aangewezen;
b. universiteit: een onder a of b van de bijlage van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek genoemde instelling voor hoger onderwijs, alsmede een onder i van de bijlage van die wet genoemd academisch ziekenhuis;
c. onderzoeksinstelling: een openbare instelling zonder winstoogmerk die zelf kwalitatief hoogstaand onderzoek uitvoert;
d. ondernemer: een natuurlijke persoon of rechtspersoon, niet zijnde een rechtspersoon die krachtens publiekrecht is ingesteld, die een onderneming in stand houdt;
e. kennisconsortium: een samenwerkingsverband zonder winstoogmerk van natuurlijke personen of rechtspersonen dat de ontwikkeling en verspreiding van kennis in een kennisgebied ten doel heeft, dat blijkens zijn statuten of de samenwerkingsovereenkomst open staat voor een ieder en toegankelijk is onder niet-discriminerende voorwaarden, en waarvan ten minste een universiteit of onderzoeksinstelling en een ondernemer deel uitmaken, behoudens het geval, bedoeld in artikel 9, eerste lid;
f. kennisgebied: een gebied, aangewezen in de ministeriële regeling, bedoeld in het derde lid;
g. kennisproject: een voor Nederland nieuw planmatig en met elkaar samenhangend geheel van activiteiten van een kennisconsortium, gericht op de ontwikkeling van nieuwe kennis in een kennisgebied door middel van het uitvoeren van fundamenteel of industrieel onderzoek:
1°. dat aansluit bij kwalitatief hoogstaand en, indien nodig, multidisciplinair onderzoek dat al in Nederland wordt uitgevoerd,
2°. dat een opzet heeft waarbij rekening is gehouden met de toepasbaarheid van de te ontwikkelen kennis,
3°. dat een looptijd heeft van ten hoogste vier jaar, behoudens het geval, bedoeld in artikel 9, tweede lid,
4°. dat leidt tot het ontwikkelen van wetenschappelijk inzicht, technologische of maatschappelijke concepten, innovatieve toepassingen, dan wel competenties, en
5°. waarvan de kennis die daarmee wordt verkregen op niet-discriminerende basis aan ondernemingen in de Europese Unie wordt verspreid of overgedragen;
h. fundamenteel onderzoek: het uitbreiden van de algemene wetenschappelijke en technische kennis, zonder industriële of commerciële doelstellingen;
i. industrieel onderzoek: het opdoen van nieuwe kennis met het doel deze te gebruiken bij de ontwikkeling van nieuwe producten, processen, competenties of diensten of om bestaande producten, processen, competenties of diensten aanmerkelijk te verbeteren;
j. preconcurrentiële ontwikkeling: de omzetting van de resultaten van industrieel onderzoek in plannen, schema's of ontwerpen voor nieuwe, gewijzigde, verbeterde of alternatieve producten, processen, competenties of diensten, met inbegrip van de fabricage van een eerste prototype, demonstratie- of modelproject dat niet voor commerciële doeleinden kan worden aangewend;
k. penvoerende aanvrager: de deelnemer aan een kennisconsortium zonder rechtspersoonlijkheid die mede namens de andere deelnemers als indiener van de aanvraag om subsidie in de zin van dit besluit is opgetreden en die het kennisconsortium vertegenwoordigt bij het contact met de bevoegde minister omtrent de aanvraag en de verdere uitvoering van dit besluit;
l. regieorgaan: een instantie, aangewezen in de ministeriële regeling, bedoeld in het vierde lid;
m. basissubsidie: de geldmiddelen die een minister onder door hem gestelde voorschriften ter beschikking stelt als bijdrage in de exploitatie- en investeringskosten van een universiteit of onderzoeksinstelling;
n. doelsubsidie: de geldmiddelen die een minister ter beschikking stelt als vergoeding voor de exploitatie- en investeringskosten die een universiteit of onderzoeksinstelling maakt voor door de minister aangegeven activiteiten.
2.
De ministerraad wijst voor elke aanvraag de bevoegde minister aan die de besluiten neemt tot subsidieverlening behoudens in het geval, bedoeld in artikel 11, tot voorschotverstrekking en tot subsidievaststelling en die de andere in dit besluit aan hem toegekende bevoegdheden heeft.
3.
Bij ministeriële regeling wijst de Minister van Economische Zaken, in overeenstemming met de andere ministers die het aangaat, de kennisgebieden aan waarop het onderzoek dat in de kennisprojecten zal worden uitgevoerd, betrekking heeft.
4.
Bij ministeriële regeling kan de Minister van Economische Zaken, in overeenstemming met de andere ministers die het aangaat, een instantie aanwijzen die aanvragen van kennisconsortia om subsidie voor kennisprojecten die betrekking hebben op bij de ministeriële regeling te bepalen zwaartepunten binnen een daarbij aan te geven kennisgebied, gebundeld indient en de desbetreffende kennisconsortia vertegenwoordigt bij het contact met de bevoegde minister omtrent de aanvraag en de verdere uitvoering van dit besluit.
1.
De bevoegde minister verleent op aanvraag een subsidie aan:
a. een kennisconsortium dat rechtspersoonlijkheid bezit en dat voor eigen rekening en risico een kennisproject uitvoert, of
b. de deelnemers aan een kennisconsortium dat geen rechtspersoonlijkheid bezit, die voor gezamenlijke rekening en risico een kennisproject uitvoeren.
2.
Indien de aanvragers deelnemers zijn in een kennisconsortium dat geen rechtspersoonlijkheid bezit, wordt de subsidie verstrekt aan de deelnemers gezamenlijk en betaald aan de penvoerende aanvrager.
3.
Indien de aanvragers kennisconsortia zijn wier aanvragen door een regieorgaan worden gebundeld, wordt de subsidie verstrekt aan de kennisconsortia en betaald aan het regieorgaan, dat zorgdraagt voor de uitbetaling aan de kennisconsortia van de bedragen waarop zij recht hebben.
4.
Geen subsidie wordt verstrekt indien voor het kennisproject reeds door de bevoegde minister subsidie is verstrekt, behoudens voor zover die subsidie door hem is aangemerkt als basissubsidie of doelsubsidie.
1.
De subsidie bedraagt ten hoogste 50 procent van de projectkosten.
2.
Indien ter zake van de projectkosten of een deel daarvan reeds door een ander bestuursorgaan of door de Commissie van de Europese Gemeenschappen subsidie is of wordt verstrekt, wordt slechts een zodanig bedrag aan subsidie verleend, dat het totale bedrag aan subsidies niet meer bedraagt dan:
a. het ingevolge het eerste lid geldende percentage, dan wel
b. 65 procent van de projectkosten in het geval het kennisproject aansluit bij de doelstellingen van een project of een specifiek programma dat is opgesteld ingevolge het communautaire kaderprogramma op het gebied van onderzoek en ontwikkeling dat ten uitvoer wordt gelegd op het tijdstip van het verlenen van de subsidie, dan wel
c. 75 procent van de projectkosten indien het kennisproject aan onderdeel b voldoet en daarnaast wordt uitgevoerd op basis van grensoverschrijdende samenwerking waarbij ondernemingen, universiteiten en onderzoeksinstellingen of ten minste twee onafhankelijke partners uit twee lidstaten van de Europese Unie daadwerkelijk samenwerken en het kennisproject gepaard gaat met een ruime verspreiding en publicatie van de resultaten, met inachtneming van de daarop rustende rechten van intellectuele eigendom.
3.
Het tweede lid is niet van toepassing voor zover de in dat lid bedoelde verstrekte subsidie een basissubsidie betreft.
4.
In het geval van het niet vervullen van de voorwaarde, bedoeld in artikel 4:34, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, worden de op grond van dit besluit verleende subsidiebedragen verlaagd tot het bedrag van de subsidie dat na de vaststelling of goedkeuring van de begroting ter beschikking staat, een en ander voor zover van toepassing naar rato van het aantal subsidie-ontvangers en van de hoogte van de verleende subsidiebedragen.
1.
Als projectkosten worden uitsluitend in aanmerking genomen:
a. de volgende rechtstreeks aan de uitvoering van het kennisproject toe te rekenen, na de indiening van de aanvraag door de subsidie-ontvanger gemaakte en betaalde kosten:
1°. loonkosten, met dien verstande dat wordt uitgegaan van een uurloon, berekend op basis van het jaarloon bij een volledige dienstbetrekking volgens de kolom «loon voor de loonbelasting» van de loonstaat van het direct bij het kennisproject betrokken personeel, verhoogd met de wettelijke dan wel de op grond van een individuele of collectieve arbeidsovereenkomst verschuldigde opslagen voor sociale lasten, en van 1650 productieve uren per jaar;
2°. kosten van de voor het kennisproject aangeschafte machines en apparatuur;
3°. kosten van het gebruik voor het kennisproject van machines en apparatuur die in het bezit zijn van een deelnemer aan het kennisproject of van derden;
4°. kosten van verbruikte materialen en hulpmiddelen, gebaseerd op historische aanschafprijzen;
5°. kosten die worden gemaakt voor de verspreiding en overdracht van de kennis die door middel van het kennisproject wordt verkregen en voor de verwerving en instandhouding van intellectuele eigendomsrechten op de resultaten van het kennisproject die daarvoor in aanmerking komen, behoudens voor intellectuele eigendomsrechten die met toepassing van artikel 17, eerste lid, onder a, rechtstreeks door een ondernemer worden verworven;
b. een opslag voor overige algemene kosten, groot ten hoogste 50 procent van de onder a, onder 1°, bedoelde kosten.
2.
Kosten van machines en apparatuur die niet uitsluitend voor het kennisproject zijn aangeschaft of worden gebruikt, worden slechts als projectkosten op de voet van het eerste lid, onderdeel a, onder 2° en 3°, in aanmerking genomen indien een door middel van een sluitende tijdschrijving vastgestelde urenverantwoording per machine respectievelijk van de apparatuur aanwezig is.
3.
Indien geen loonkosten als bedoeld in het eerste lid, onder a, onder 1°, worden gemaakt, maar niettemin arbeid ten behoeve van het kennisproject wordt verricht, wordt voor de berekening van de projectkosten uitgegaan van een door de Minister van Economische Zaken bij ministeriële regeling vast te stellen uurtarief.
4.
Als projectkosten worden niet in aanmerking genomen de in het eerste lid genoemde kosten die kunnen worden toegerekend aan het onderdeel van het kennisproject dat betrekking heeft op preconcurrentiële ontwikkeling.
5.
Voor de toepassing van het eerste lid worden winstopslagen bij transacties binnen een groep alleen in aanmerking genomen voor zover het gebruikelijk is die winstopslagen ook bij soortgelijke transacties buiten de groep in rekening te brengen.
6.
De kosten worden in aanmerking genomen met inbegrip van omzetbelasting, indien de subsidie-ontvanger die de kosten heeft gemaakt omzetbelasting niet in aftrek kan brengen.
1.
Er is een Commissie van Wijzen ICES/KIS die tot taak heeft de ministers die het aangaat te adviseren omtrent aanvragen om subsidie op grond van dit besluit.
2.
De adviezen van de commissie gaan vergezeld van een deugdelijke motivering en de in artikel 12, eerste lid, bedoelde beoordeling van de Koninklijke Nederlandse Academie van Wetenschappen en de in dat lid genoemde organisaties. Indien de commissie een advies geeft dat afwijkt van de beoordeling, wordt zulks met de redenen voor de afwijking in de motivering vermeld.
3.
De commissie bestaat uit een voorzitter en ten minste zes andere leden. De leden zijn deskundig op het kennisgebied waarop de commissie een taak heeft en zijn geen ambtenaren, werkzaam bij de Ministeries van Economische Zaken, van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, van Verkeer en Waterstaat, van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer of van Volksgezondheid, Welzijn en Sport.
4.
De voorzitter en de leden worden door de Minister van Economische Zaken in overeenstemming met de andere ministers die het aangaat voor een termijn van ten hoogste vijf jaar benoemd. Zij zijn te allen tijde opnieuw benoembaar.
5.
De commissie stelt haar eigen werkwijze bij reglement schriftelijk vast en zendt dat, alsmede elke wijziging daarvan, ter goedkeuring aan de Minister van Economische Zaken. De Minister van Economische Zaken kan, in overeenstemming met de andere ministers die het aangaat, zijn goedkeuring onthouden aan het reglement of een wijziging daarvan, indien het bepalingen bevat die in strijd zijn met het recht of het algemeen belang.
6.
Een lid van de commissie neemt niet deel aan de voorbereiding en vaststelling van een advies, indien hij een persoonlijk belang heeft bij de beschikking op de aanvraag.
7.
De Minister van Economische Zaken kan in overeenstemming met de andere ministers die het aangaat waarnemers aanwijzen, die het recht hebben de vergaderingen van de commissie bij te wonen.
8.
In het secretariaat van de commissie wordt door de Minister van Economische Zaken voorzien.
9.
Het beheer van de bescheiden betreffende de werkzaamheden van de commissie geschiedt op overeenkomstige wijze als bij het Ministerie van Economische Zaken. De bescheiden worden na beëindiging van de werkzaamheden van de commissie bewaard in het archief van dat ministerie.
10.
De commissie verstrekt desgevraagd aan de bevoegde minister die het aangaat de voor de uitoefening van zijn taak benodigde inlichtingen. De bevoegde minister kan inzage vorderen van zakelijke gegevens en bescheiden, voor zover dat voor de vervulling van zijn taak redelijkerwijs nodig is.
11.
De commissie stelt jaarlijks voor 1 april een verslag op van haar werkzaamheden in het afgelopen kalenderjaar. Op verzoek van de Minister van Economische Zaken, maar in ieder geval nadat de laatste subsidie is verleend op de aanvragen ontvangen op grond van dit besluit in de periode, bedoeld in artikel 7, eerste lid, stelt de commissie tevens een evaluatieverslag op, waarin zij aandacht besteedt aan de doelmatigheid en doeltreffendheid van haar taakvervulling. Het jaarverslag en het evaluatieverslag worden aan de ministers die het aangaat toegezonden en algemeen verkrijgbaar gesteld.
Artikel 6
Bij ministeriële regeling stelt de Minister van Economische Zaken, in overeenstemming met de andere ministers die het aangaat, een subsidieplafond vast voor het verlenen van subsidies op in een periode als bedoeld in artikel 7, eerste lid, ontvangen aanvragen op grond van dit besluit, alsmede de wijze van verdeling ervan. Daarbij kan hij afzonderlijke subsidieplafonds vaststellen voor verschillende kennisgebieden.
1.
Aanvragen om subsidie op grond van dit besluit moeten zijn ontvangen in een door de Minister van Economische Zaken bij ministeriële regeling te bepalen periode.
2.
De aanvraag gaat, overeenkomstig hetgeen in het formulier, vastgesteld in bijlage 1 bij de ministeriële regeling, bedoeld in het eerste lid, is vermeld, vergezeld van:
a. een projectplan,
b. een begroting voor het kennisproject,
c. de statuten of reglementen van het kennisconsortium, dan wel de overeenkomst waarin de samenwerking tussen de deelnemers aan het kennisconsortium is geregeld,
d. in voorkomend geval een draagkrachtige motivering voor het verzoek om toestemming, bedoeld in artikel 9, eerste of tweede lid, en
e. andere in de ministeriële regeling aangegeven bescheiden.
3.
Het projectplan en de begroting zijn in het Nederlands of het Engels opgesteld. Indien zij in het Nederlands zijn opgesteld, gaan zij vergezeld van een Engelse vertaling.
4.
Het projectplan bevat in ieder geval:
a. een opgave van de deelnemers aan het kennisconsortium;
b. een beschrijving van de situatie aan het begin van de uitvoering van het kennisproject, van het doel van het kennisproject, van de wijze waarop het doel van het kennisproject zal worden bereikt, van de opzet van het daartoe uit te voeren onderzoek, waarbij de gehele looptijd van het kennisproject wordt beschreven, van de kennis, ervaring of andere middelen die elk van de deelnemers aan het kennisconsortium inbrengt om dat doel te bereiken en van de wijze waarop de voortgang en het resultaat van het kennisproject getoetst worden;
c. een met redenen omklede verklaring dat het uit te voeren onderzoek als fundamenteel of industrieel onderzoek aangemerkt kan worden, alsmede in voorkomend geval een beschrijving van het deel van het kennisproject dat betrekking heeft op preconcurrentiële ontwikkeling;
d. een beschrijving van de wijze waarop de kennis en de resultaten die worden verkregen door het kennisproject, worden verspreid en op anderen overgedragen, en van de wijze waarop ten aanzien van de rechten van intellectuele eigendom artikel 17 zal worden toegepast;
e. een beschrijving van de overige gegevens die nodig zijn om te beoordelen of de aanvraag niet op grond van artikel 12, tweede lid, wordt afgewezen dan wel om te bepalen in hoeverre de aanvraag voldoet aan de criteria, bedoeld in artikel 12, derde lid.
5.
In de begroting wordt in ieder geval aangegeven:
a. welke projectkosten kunnen worden toegerekend aan fundamenteel of industrieel onderzoek en welke aan preconcurrentiële ontwikkeling en
b. wat gedurende de looptijd van het kennisproject de jaarlijkse bijdrage is van de deelnemers aan het kennisconsortium als totaal en uitgesplitst per afzonderlijke deelnemer.
6.
Indien de aanvraag een kennisproject betreft dat wordt uitgevoerd door een kennisconsortium dat geen rechtspersoonlijkheid bezit, dient de penvoerende aanvrager de aanvraag mede namens de andere deelnemers in.
1.
Indien krachtens artikel 1, vierde lid, een regieorgaan is aangewezen, worden aanvragen van kennisconsortia om subsidie die betrekking hebben op de desbetreffende zwaartepunten gebundeld ingediend door het regieorgaan.
2.
Het regieorgaan deelt aan de kennisconsortia die aanvragen willen indienen op het desbetreffende zwaartepunt vooraf de criteria mee op grond waarvan het beoordeelt of die aanvragen gebundeld zullen worden ingediend. De criteria mogen niet in strijd zijn met de criteria, bedoeld in de artikelen 11 en 12.
3.
Indien het regieorgaan een bij hem ingediende aanvraag niet opneemt in de bundeling van aanvragen, wordt zulks aan de aanvrager meegedeeld met de redenen voor het niet opnemen in de bundeling.
4.
Een aanvraag die met toepassing van dit artikel niet wordt opgenomen in een bundeling van aanvragen, kan afzonderlijk worden ingediend in de periode, bedoeld in artikel 7, eerste lid, indien de aanvrager bij zijn aanvraag de in het derde lid bedoelde mededeling voegt en daarbij aangeeft waarom naar zijn mening en in afwijking van de mening van het regieorgaan de aanvraag wel voldoet aan de criteria, bedoeld in de artikelen 11 en 12.
5.
Aanvragen dienen uiterlijk op een door de Minister van Economische Zaken bij ministeriële regeling te bepalen datum door het regieorgaan te zijn ontvangen.
1.
De bevoegde minister kan, in overeenstemming met de andere ministers die het aangaat, op met redenen omkleed verzoek van een kennisconsortium erin toestemmen dat van dat kennisconsortium geen ondernemer deel uitmaakt, indien het naar zijn oordeel aannemelijk is dat het kennisconsortium op vergelijkbare wijze als andere kennisconsortia voldoende kwaliteit en voldoende middelen heeft om een kennisproject uit te voeren en er op het desbetreffende kennisgebied geen ondernemers zijn die desgevraagd kunnen of willen deelnemen in het kennisconsortium.
2.
De bevoegde minister kan, in overeenstemming met de andere ministers die het aangaat, op met redenen omkleed verzoek van een kennisconsortium toestemming verlenen voor een looptijd van het kennisproject die meer bedraagt dan vier jaar, maar niet meer dan acht jaar, indien het belang van het kennisproject een langere looptijd dan vier jaar rechtvaardigt en het naar zijn oordeel aannemelijk is dat het kennisproject binnen de in het verzoek aangegeven looptijd kan worden uitgevoerd.
1.
De bevoegde minister geeft een beschikking op een aanvraag om subsidie op grond van dit besluit binnen 40 weken na afloop van de periode, bedoeld in artikel 7, eerste lid.
2.
Indien op de aanvraag niet afwijzend wordt beslist, en deze een kennisproject betreft dat wordt uitgevoerd door een kennisconsortium dat geen rechtspersoonlijkheid bezit, vermeldt de beschikking tot subsidieverlening een raming van de projectkosten per deelnemer aan het kennisconsortium.
3.
Elke deelnemer aan het kennisconsortium is tot ten hoogste het naar rato van de voor hem geraamde projectkosten berekende bedrag aansprakelijk voor terugbetaling van de subsidie, voor zover de subsidie-ontvangers daartoe verplicht zijn.
Artikel 11
De Minister van Economische Zaken beslist in ieder geval afwijzend op een aanvraag indien:
a. de aanvraag niet voldoet aan de artikelen 1 en 2 en 7 en 8 van dit besluit;
b. de aanvraag is ontvangen na de periode, bedoeld in artikel 7, eerste lid;
c. de aanvraag een kennisproject betreft dat betrekking heeft op een krachtens artikel 1, vierde lid, aangewezen zwaartepunt:
1°. en de aanvraag door het desbetreffende regieorgaan is ontvangen na de datum, bedoeld in artikel 8, vijfde lid, of
2°. waarbij het desbetreffende regieorgaan de aanvraag niet heeft ingediend en de aanvrager bij zijn aanvraag niet de in artikel 8, derde lid, bedoelde mededeling alsmede zijn gemotiveerde reactie daarop heeft gevoegd;
d. hij het onaannemelijk acht dat het kennisproject binnen vier jaar kan worden uitgevoerd en de aanvrager geen toestemming voor een langere looptijd als bedoeld in artikel 9, tweede lid, heeft gevraagd;
e. hij de projectkosten raamt op minder dan een door de Minister van Economische Zaken bij ministeriële regeling te bepalen bedrag.
1.
De Minister van Economische Zaken wint in overeenstemming met de andere ministers die het aangaat omtrent de aanvragen waarop niet met toepassing van artikel 11 afwijzend is beslist, het advies in van de Commissie van Wijzen ICES/KIS en verzoekt om een wetenschappelijke en maatschappelijk-economische beoordeling van de aanvragen door de Koninklijke Nederlandse Academie van Wetenschappen, het Centraal planbureau, het Sociaal-cultureel planbureau, het Milieu- en Natuurplanbureau en het Rathenau Instituut.
2.
De commissie geeft in ieder geval een negatief advies indien:
a. het aannemelijk is dat het kennisproject ook zonder de subsidie zonder belangrijke vertraging zou worden uitgevoerd;
b. het aannemelijk is dat de doelen van het kennisproject bereikt kunnen worden op een andere wijze die aanmerkelijk minder kosten met zich brengt of waarbij geen overheidsbijdrage nodig is;
c. onvoldoende vertrouwen bestaat dat het kennisproject op een doelmatige en economisch verantwoorde wijze kan worden uitgevoerd, mede gelet op de stand van de techniek en de financiering van het kennisproject;
d. onvoldoende vertrouwen bestaat dat de organisatie van het kennisconsortium zodanig is ingericht en de deelnemers aan het kennisconsortium zodanige kwaliteiten bezitten dat het kennisproject naar behoren kan worden uitgevoerd;
e. het kennisproject niet aansluit bij kwalitatief hoogstaand fundamenteel of industrieel onderzoek in Nederland;
f. het in de aanvraag geplande onderzoek geen betrekking heeft op een van de kennisgebieden;
g. het kennisproject niet binnen vier jaar kan worden uitgevoerd en het door de aanvrager ingediende verzoek om toestemming, bedoeld in artikel 9, tweede lid, naar de mening van de commissie geweigerd moet worden, dan wel reeds door de bevoegde minister geweigerd is.
3.
De commissie rangschikt voor ieder kennisgebied de aanvragen waarover zij positief adviseert zodanig, dat een kennisproject hoger gerangschikt wordt naar mate het voor dat kennisgebied:
a. meer bijdraagt aan kwalitatief hoogstaand fundamenteel of industrieel onderzoek of de kwaliteit van de kennisinfrastructuur in Nederland;
b. meer baten in de vorm van wetenschappelijk inzicht, technologische of maatschappelijke concepten, innovatieve toepassingen daarvan dan wel competenties zal opleveren, welke onderzoeksresultaten toegepast kunnen worden in producten, processen, competenties of diensten;
c. op een betere wijze leidt tot verspreiding en overdracht van de kennis en de resultaten die worden verkregen door het kennisproject;
d. meer positieve maatschappelijke of economische gevolgen in Nederland zal hebben en beter aansluit op het regeringsbeleid;
e. beter is ingebed in de kennisketen van fundamenteel onderzoek naar onderzoek gericht op toepasbaarheid;
f. waardevoller is vanwege samenwerking met een nationale uitstraling, doordat het fundamenteel of industrieel onderzoek landelijk of regionaal wordt gebundeld.
4.
De Koninklijke Nederlandse Academie van Wetenschappen en het Centraal planbureau kunnen de aanvragers op basis van het conceptoordeel verzoeken schriftelijk of mondeling hun aanvraag nader toe te lichten of hun zienswijze te geven over bedenkingen ten aanzien van de aanvraag. Hiervan wordt een verslag gemaakt, dat ten behoeve van de commissie bij de beoordeling wordt gevoegd.
5.
De commissie rangschikt de aanvragen overeenkomstig het derde lid met inachtneming van de beoordeling door de Koninklijke Nederlandse Academie van Wetenschappen en de in het eerste lid genoemde organisaties en door afweging per kennisgebied van het wetenschappelijke en het maatschappelijk-economische belang van de aanvragen die betrekking hebben op dat kennisgebied.
6.
De bevoegde minister voegt het advies van de Commissie van Wijzen met de beoordeling door de Koninklijke Nederlandse Academie van Wetenschappen en de in het eerste lid genoemde organisaties bij de beschikking tot subsidieverlening.
1.
De in de artikelen 14 tot en met 17 opgenomen verplichtingen rusten op alle subsidie-ontvangers, met dien verstande dat de in de artikelen 15, tweede lid, en 16 opgenomen verplichtingen ten aanzien van een kennisconsortium dat geen rechtspersoonlijkheid bezit slechts rusten op de penvoerende aanvrager.
2.
De in de artikelen 15, tweede lid, en 16 opgenomen verplichtingen zijn van overeenkomstige toepassing op een regieorgaan.
3.
De in de artikelen 14, 15 en 16 opgenomen verplichtingen gelden tot aan de dag waarop de subsidie wordt vastgesteld. De in artikel 17 opgenomen verplichtingen gelden totdat vijf jaren na die dag zijn verstreken.
1.
De subsidie-ontvangers voeren het kennisproject uit overeenkomstig het projectplan waarop de subsidieverlening betrekking heeft. Zij starten het kennisproject binnen zes maanden na de verlening van de subsidie en voltooien het uiterlijk op het bij de verlening bepaalde tijdstip, behoudens voorafgaande schriftelijke ontheffing van de bevoegde minister voor het vertragen, het essentieel wijzigen of het stopzetten van het kennisproject.
2.
De subsidie-ontvangers voeren het kennisproject in Nederland uit, behoudens voorafgaande schriftelijke ontheffing van de bevoegde minister voor gedeeltelijke uitvoering buiten Nederland.
3.
De subsidie-ontvangers dienen gedurende het tijdvak van de subsidieverlening jaarlijks voor een bij de subsidieverlening te bepalen tijdstip een activiteitenplan voor dat jaar met bijbehorende begroting in, tenzij de bevoegde minister in de beschikking tot subsidieverlening anders bepaalt.
4.
Bij de subsidieverlening kan de bevoegde minister een verplichting opleggen tot het houden van een evaluatie van de uitvoering van het kennisproject door een externe evaluatiecommissie. In dat geval verleent de subsidie-ontvanger de daaraan gewenste medewerking.
5.
De bevoegde minister kan aan een ontheffing als bedoeld in het eerste of tweede lid voorschriften verbinden.
1.
Elke subsidie-ontvanger voert een administratie die zodanig is ingericht, dat daaruit te allen tijde op eenvoudige en duidelijke wijze alle projectkosten kunnen worden afgelezen, gespecificeerd overeenkomstig de in artikel 4, eerste lid, onderscheiden kostensoorten, met dien verstande dat ter zake van de loonkosten een urenverantwoording per werknemer aanwezig dient te zijn.
2.
Indien het kennisconsortium dat het kennisproject uitvoert geen rechtspersoonlijkheid bezit, voert de penvoerende aanvrager een administratie van het kennisproject die zodanig is ingericht, dat daaruit te allen tijde op eenvoudige en duidelijke wijze alle door de deelnemers aan het kennisconsortium gemaakte en door hen aan hem opgegeven projectkosten kunnen worden afgelezen.
3.
Elke subsidie-ontvanger doet onverwijld mededeling aan de bevoegde minister van de indiening bij de rechtbank van een verzoek tot het op hem van toepassing verklaren van de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen, tot verlening van surseance van betaling aan hem of tot faillietverklaring van hem.
1.
De subsidie-ontvanger brengt steeds na afloop van een periode van twaalf maanden aan de bevoegde minister schriftelijk verslag uit omtrent de uitvoering van het kennisproject, met inbegrip van een vergelijking van die uitvoering met het projectplan en de bij de subsidieverlening vermelde raming van de projectkosten. Het verslag gaat vergezeld van een jaarrekening.
2.
De subsidie-ontvanger beschrijft voor aanvang van het kennisproject de situatie met betrekking tot het onderzoek dat in het kennisproject zal worden uitgevoerd en zendt deze beschrijving aan de bevoegde minister.
1.
De subsidie-ontvanger draagt, behoudens voorafgaande schriftelijke ontheffing van de bevoegde minister, met betrekking tot de resultaten van het kennisproject zorg voor:
a. de tenaamstelling en de verwerving van rechten van intellectuele eigendom op de daarvoor in aanmerking komende resultaten door een deelnemer aan het kennisconsortium, zijnde:
1°. een universiteit of kennisinstelling of
2°. een ondernemer, mits deze daarvoor aan de deelnemende universiteiten en onderzoeksinstellingen een vergoeding betaalt die, rekening houdend met zijn eigen inbreng in het kennisproject, gelijk is aan de marktprijs;
b. de instandhouding van de onder a bedoelde rechten;
c. de instandhouding van andere voor de uitvoering van het kennisproject van belang zijnde en door de uitvoering van het kennisproject opgedane kennis.
2.
De universiteit of onderzoeksinstelling stelt, behoudens voorafgaande schriftelijke ontheffing van de bevoegde minister, niet ter beschikking van derden:
a. rechten van intellectuele eigendom op de resultaten van het kennisproject;
b. aanspraken op een intellectueel eigendomsrecht op de resultaten van het kennisproject;
c. rechten die voortvloeien uit een aanvraag om een intellectueel eigendomsrecht op de resultaten van het kennisproject.
3.
De universiteit of onderzoeksinstelling kan aan de andere deelnemers van het kennisconsortium op hun verzoek licenties op de rechten van intellectuele eigendom op de resultaten van het project verlenen, indien zij daarvoor een vergoeding ontvangt die, rekening houdend met hun eigen inbreng in het kennisproject, gelijk is aan de marktprijs.
4.
De subsidie-ontvanger brengt desgevraagd aan de bevoegde minister verslag uit omtrent de toepassing van de resultaten van het kennisproject. Onverminderd de verplichtingen, bedoeld in het eerste tot en met het derde lid, draagt de subsidie-ontvanger zorg voor de openbaarmaking en verspreiding van de resultaten van het kennisproject.
5.
De subsidie-ontvanger zal, behoudens voorafgaande schriftelijke ontheffing van de bevoegde minister, niet:
a. indien hij een rechtspersoon is, de rechtspersoon ontbinden of geheel of gedeeltelijk vervreemden, dan wel de statuten wijzigen;
b. indien hij deelnemer is in een kennisconsortium in de vorm van een commanditaire vennootschap, een vennootschap onder firma, een maatschap of een stichting, meewerken aan de ontbinding ervan of aan het uittreden van een of meer deelnemers ervan, dan wel de statuten wijzigen;
c. indien hij deelnemer is in een kennisconsortium en onderdeel b niet van toepassing is, de overeenkomst wijzigen waarin de samenwerking tussen de deelnemers aan het kennisconsortium is geregeld.
6.
De bevoegde minister kan aan een ontheffing als bedoeld in het eerste, tweede of vijfde lid voorschriften verbinden.
Artikel 18
De Minister van Economische Zaken stelt, in overeenstemming met de andere ministers die het aangaat, bij ministeriële regeling nadere regels voor de inrichting van het activiteitenplan en de begroting, bedoeld in artikel 14, derde lid, of het verslag van de uitvoering en de jaarrekening, bedoeld in artikel 16, eerste lid. Tevens kan hij bij ministeriële regeling nadere regels stellen voor de evaluatie, bedoeld in artikel 14, vierde lid.
1.
Op een subsidie ter zake waarvan een beschikking tot subsidieverlening geldt, kunnen op aanvraag van de subsidie-ontvanger door de bevoegde minister voorschotten worden verstrekt.
2.
De bevoegde Minister verstrekt op aanvraag van de subsidie-ontvanger aan hem een voorschot naar rato van de gemaakte en betaalde kosten vermeerderd met het bedrag aan verplichtingen die door subsidie-ontvanger zijn aangegaan en die naar verwachting in het kalenderjaar waarin de aanvraag wordt gedaan tot uitbetaling zullen leiden, voor zover over deze betaalde kosten en verplichtingen niet reeds eerder een voorschot is verstrekt. Geen voorschot wordt verstrekt voor zover het totaal van het gevraagde voorschot en de reeds verstrekte voorschotten, gemiddeld per kalenderjaar meer zou bedragen dan 20 procent van het bij subsidieverlening vermelde maximale subsidiebedrag. In totaal bedraagt het bedrag aan voorschotten ten hoogste 80 procent van het bij subsidieverlening vermelde maximale subsidiebedrag. Ten behoeve van de subsidiëring van een deelnemer aan een kennisconsortium wiens activiteiten geheel zijn afgerond, kan de Minister afwijken van het laatstgenoemde percentage.
3.
Bij de toepassing van het tweede lid wordt de opslag, bedoeld in artikel 4, eerste lid, onder b, geacht gemaakt en betaald te zijn voor zover de kosten waarover hij wordt berekend gemaakt en betaald zijn.
4.
Een voorschot wordt slechts verstrekt, indien het bedrag aan voorschot ten minste een door de Minister van Economische Zaken bij ministeriële regeling te bepalen bedrag bedraagt.
1.
Het kennisconsortium dient een aanvraag om een voorschot in gelijktijdig met het uitbrengen van een verslag als bedoeld in artikel 16, eerste lid.
2.
Indien het kennisconsortium binnen een kalenderjaar meer dan één aanvraag om een voorschot indient en de aanvraag om die reden niet overeenkomstig het eerste lid wordt ingediend, dan wordt bij die aanvraag een kort verslag gevoegd omtrent de uitvoering van het kennisproject, met inbegrip van een vergelijking van die uitvoering met het projectplan en de bij de subsidieverlening vermelde raming van de projectkosten.
3.
De aanvraag wordt ingediend met gebruikmaking van het origineel van een ondertekend formulier, dat is opgenomen in bijlage 2 bij de ministeriële regeling, bedoeld in artikel 7, eerste lid.
4.
Indien de aanvraag een kennisproject betreft dat wordt uitgevoerd door een kennisconsortium dat geen rechtspersoonlijkheid bezit, dient de penvoerende aanvrager de aanvraag mede namens de andere deelnemers in.
Artikel 21
De bevoegde minister kan afwijzend beschikken op een aanvraag, indien de subsidie-ontvanger niet heeft voldaan aan ingevolge de subsidieverlening voor hem geldende verplichtingen.
1.
De subsidie-ontvanger dient zijn aanvraag om subsidievaststelling bij de bevoegde minister in binnen dertien weken na het tijdstip waarop het kennisproject ingevolge artikel 14, eerste lid, moet zijn voltooid. Artikel 20, vierde lid, is van overeenkomstige toepassing.
2.
De aanvraag wordt ingediend met gebruikmaking van het origineel van een ondertekend formulier, dat is opgenomen in bijlage 3 bij de ministeriële regeling, bedoeld in artikel 7, eerste lid.
3.
De aanvraag gaat vergezeld van een eindverslag omtrent de uitvoering en de resultaten van het kennisproject, overeenkomstig hetgeen in het formulier is vermeld.
4.
De aanvraag gaat tevens vergezeld van een accountantsverklaring. De Minister van Economische Zaken kan, in overeenstemming met de andere ministers die het aangaat, bij ministeriële regeling regels stellen met betrekking tot het onderzoek op grond waarvan een accountant een verklaring afgeeft of de te onderzoeken aspecten betreffende de uitvoering en de resultaten van het kennisproject.
5.
Indien op grond van artikel 14, vierde lid, bij de subsidieverlening de verplichting is opgelegd tot het houden van een evaluatie door een externe evaluatiecommissie, kan de subsidie-ontvanger in de aanvraag aangeven dat evaluatieverslag te beschouwen als zijn eindverslag, bedoeld in het derde lid.
Artikel 23
Indien op grond van artikel 14, vierde lid, bij de subsidieverlening de verplichting is opgelegd tot het houden van een evaluatie door een externe evaluatiecommissie, geeft de bevoegde minister de beschikking tot subsidievaststelling binnen dertien weken na ontvangst van het evaluatieverslag, dan wel nadat de voor het indienen ervan geldende termijn is verstreken. Indien geen verplichting tot evaluatie is opgelegd, geeft de bevoegde minister de beschikking tot subsidievaststelling binnen dertien weken na ontvangst van de aanvraag daartoe dan wel nadat de voor het indienen ervan geldende termijn is verstreken.
Artikel 24
De Minister van Economische Zaken publiceert, in overeenstemming met de andere ministers die het aangaat, binnen vijf jaar na inwerkingtreding van dit besluit een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van dit besluit.
Artikel 25
Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst.
Artikel 26
Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit subsidies investeringen kennisinfrastructuur.
Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.
's-Gravenhage, 16 december 2002
De Minister van Economische Zaken,
Uitgegeven de vierentwintigste december 2002
De Minister van Justitie,