Rechtenmedia.nl - Juridische Online Uitgeverij  Rechtennieuws.nl | Jure.nl | Maxius.nl | Parlis.nl | Rechtenforum.nl | JBmatch.nl | MijnWetten.nl | AdvocatenZoeken.nl | Rechtentotaal.nl
Besluit rechtspositie korps politie BES
Bwb-id:
Officiele titel:
Citeertitel:
Soort regeling:
Wetsfamilies:
Eerst verantwoordelijk ministerie:

Geldigheidsdatum:
Ingangsdatum:
Inhoudsopgave
+ Hoofdstuk I. Algemeen
+ Hoofdstuk II. Aanstelling, beoordeling en bezoldiging
+ Hoofdstuk III. Arbeids- en rusttijden
+ Hoofdstuk IV. Vakantie
+ Hoofdstuk V. Vrijstelling van dienst
+ Hoofdstuk VI. Buitengewoon verlof
+ Hoofdstuk VII. Voorzieningen in verband met ziekte, ongeval, zwangerschap en bevalling
+ Hoofdstuk VIIa. Taken vrijwillige ambtenaren aangesteld voor de uitvoering van de politietaak
+ Hoofdstuk VIIb. Geweldsbeheersing, aanhoudings- en zelfverdedigingsvaardigheden
+ Hoofdstuk VIII. Overige rechten en verplichtingen van de ambtenaar van politie
+ Hoofdstuk IX. Disciplinaire straffen
+ Hoofdstuk X. Schorsing en ontslag.
+ Hoofdstuk XI. Bezwaar
+ Hoofdstuk XII. Overgangs- en slotbepalingen
Vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature

Juridisch advies nodig?
Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag
Geschiedenis

Geschiedenis-overzicht

Besluit rechtspositie korps politie BES

Besluit rechtspositie korps politie BES
Artikel 1
In dit besluit wordt verstaan onder:
a. Onze Minister: Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties;
b. [Vervallen]
c. ambtenaar van politie: de ambtenaar aangesteld voor de uitvoering van de politietaak, de aspirant, de vrijwillige ambtenaar van politie aangesteld voor de uitvoering van de politietaak, de vrijwillige ambtenaar in opleiding en de ambtenaar aangesteld voor de uitvoering van technische, administratieve en andere taken ten dienste van de politie;
d. aspirant: degene die toegelaten is tot de basisopleiding;
e. ambtenaar aangesteld voor de uitvoering van de politietaak: de ambtenaar, bedoeld in artikel 3, onder a, van de Rijkswet politie van Curaçao, van Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba, met uitzondering van de aspirant;
f. ambtenaar aangesteld voor de uitvoering van technische, administratieve en andere taken ten dienste van de politie: de ambtenaar, bedoeld in artikel 3, onder b, van de Rijkswet politie van Curaçao, van Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba;
f1. vrijwillige ambtenaar aangesteld voor de uitvoering van de politietaak: de ambtenaar, bedoeld in artikel 3, onder c, van de Rijkswet politie van Curaçao, van Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba;
f2. vrijwillige ambtenaar in opleiding: degene die door Onze Minister is benoemd tot vrijwillige ambtenaar in opleiding en die is toegelaten tot de opleiding tot vrijwillige ambtenaar van politie;
f3. vrijwillige ambtenaar van politie: de vrijwillige ambtenaar aangesteld voor de uitvoering van de politietaak en de vrijwillige ambtenaar in opleiding;
g. volledige betrekking: een betrekking met een arbeidstijd van gemiddeld 40 uur per week voor de ambtenaar aangesteld voor de uitvoering van de politietaak en de aspirant en een arbeidstijd van gemiddeld 39,5 uur per week voor de ambtenaar aangesteld voor de uitvoering van technische, administratieve en andere taken;
h. deelbetrekking: een betrekking met een arbeidstijd van gemiddeld minder dan 40 uur per week;
i. bezoldiging:
a. voor de ambtenaar aangesteld voor de uitvoering van de politietaak en de aspirant: het loon van de ambtenaar met inachtneming van de bepalingen bij of krachtens dit besluit aan de hand van een bezoldigingsschaal vastgesteld en vermenigvuldigd met een factor 40/39,5;
b. voor de ambtenaar aangesteld voor de uitvoering van technische, administratieve en andere taken ten dienste van de politie: het loon van de ambtenaar met inachtneming van de bepalingen bij of krachtens het Bezoldigingsbesluit 1998 BES vastgesteld;
j. bezoldigingsschaal: een als zodanig bij ministeriële regeling vastgestelde, van een volgnummer voorziene reeks van bedragen;
k. bezoldigingstrede: elk afzonderlijk binnen een bezoldigingsschaal opgenomen bezoldigingsbedrag;
l. detachering: een tijdelijke tewerkstelling elders dan bij het korps waar de ambtenaar van politie is geplaatst;
m. plaats van tewerkstelling: het gebouw, het gebouwencomplex, het terrein of het vaartuig dat de ambtenaar van politie voor de normale uitoefening van zijn functie is aangewezen, en bij gebrek aan een dergelijke aanwijzing,het gebouw, het gebouwencomplex, het terrein of het vaartuig waar hij gewoonlijk zijn functie uitoefent;
n. werkgebied: het openbaar lichaam Bonaire, Sint Eustatius of Saba;
o. functie: het samenstel van werkzaamheden door de ambtenaar in zijn ambt te verrichten krachtens en overeenkomstig hetgeen hem door Onze Minister uitdrukkelijk of impliciet is opgedragen;
p. maximum-bezoldiging: het bedrag behorende bij de hoogste bezoldigingstrede van een bezoldigingsschaal, waarvan de volgnummeraanduiding uitsluitend uit een getal bestaat;
Artikel 2
De hoofdstukken II en III van het Rechtspositiebesluit ambtenaren BES zijn niet van toepassing op de ambtenaar van politie, met dien verstande, dat het bepaalde bij of krachtens artikel 10 van het Rechtspositiebesluit ambtenaren BES inzake bevordering wel van toepassing is op de ambtenaar aangesteld voor de uitvoering van technische, administratieve en andere taken ten dienste van de politie.
1.
Voor de ambtenaar aangesteld voor de uitvoering van de politietaak, en de ambtenaar, bedoeld in artikel 5, eerste lid, eerste volzin, gelden de volgende hoofdrangen:
a. hoofdcommissaris;
b. commissaris;
c. hoofdinspecteur;
d. inspecteur;
e. hoofdagent;
f. brigadier;
g. agent;
h. aspirant.
2.
Een in het eerste lid eerder genoemde hoofdrang is hoger dan een later genoemde hoofdrang.
3.
De volgende hoofdrangen zijn verbonden aan de volgende functies:
a. [Vervallen]
b. aspirant voor degene die is aangesteld om de opleiding tot agent of inspecteur te volgen, bezoldigingsschaal 4;
c. agent voor functies die zijn gewaardeerd op bezoldigingsschaal 5 en 6;
d. brigadier voor functies die zijn gewaardeerd op bezoldigingsschaal 7;
e. hoofdagent voor functies die zijn gewaardeerd op bezoldigingsschaal 8;
f. inspecteur voor functies die zijn gewaardeerd op bezoldigingsschaal 9, 10 en 11;
g. hoofdinspecteur voor functies die zijn gewaardeerd op bezoldigingsschaal 12, 13 en 14;
h. hoofdcommissaris en commissaris voor functies die zijn gewaardeerd op bezoldigingsschaal 15, 16 en 17.
4.
Hij die is aangesteld als aspirant, heeft voor de duur dat hij praktijkstage volgt de hoofdrang die verbonden is aan de functie die hij tijdens die stage uitoefent.
5.
Onze Minister kan om redenen van dienstbelang functies die zijn gewaardeerd op bezoldigingsschaal 12, 13 of 14, aanwijzen waaraan, in afwijking van het bepaalde in het derde lid, onder g en h, de hoofdrang van commissaris is verbonden.
Artikel 3a
Voor de vrijwillige ambtenaar van politie gelden de volgende hoofdrangen:
a. aspirant voor degene die is aangesteld als vrijwillige ambtenaar in opleiding;
b. agent voor de vrijwillige ambtenaar aangesteld voor de uitvoering van de politietaak die is belast met de werkzaamheden, bedoeld in artikel 74h, eerste en tweede lid;
c. agent, brigadier, hoofdagent, inspecteur, hoofdsinspecteur of commissaris, voor de vrijwillige ambtenaar aangesteld voor de uitvoering van de politietaak die is belast met de werkzaamheden, bedoeld in artikel 74i.
1.
Aanstelling van de ambtenaar van politie geschiedt in tijdelijke of vaste dienst.
2.
Aanstelling van de ambtenaar van politie, met uitzondering van de vrijwillige ambtenaar van politie, in tijdelijke dienst geschiedt voor bepaalde of onbepaalde tijd.
3.
Aanstelling van de vrijwillige ambtenaar van politie in tijdelijke dienst geschiedt voor bepaalde tijd.
1.
De aanstelling van de aspirant geschiedt in tijdelijke dienst voor de duur dat de basisopleiding wordt gevolgd. De aanstelling van de vrijwillige ambtenaar in opleiding geschiedt in tijdelijke dienst voor de tijd dat de opleiding tot vrijwillige ambtenaar aangesteld voor de uitvoering van de politietaak wordt gevolgd
2.
Na het voltooien van de basisopleiding respectievelijk de opleiding van de vrijwillig ambtenaar aangesteld voor de uitvoering van de politietaak vindt aanstelling in tijdelijke dienst plaats als ambtenaar aangesteld voor de uitvoering van de politietaak onderscheidenlijk als vrijwillig ambtenaar aangesteld voor de uitvoering van de politietaak voor een proeftijd van zes maanden, zonodig in bijzondere gevallen op verzoek van betrokkene met zes maanden te verlengen en zonodig ambtshalve te verlengen met het deel van de proeftijd dat hij niet in actieve dienst was.
3.
[Vervallen].
4.
[vervallen].
5.
De ambtenaar van politie, bedoeld in het tweede lid, die de proeftijd volgens Onze Minister zonder bedenkingen heeft voltooid, wordt in vaste dienst aangesteld.
6.
In afwijking van het vijfde lid kan de aanstelling van de ambtenaar aangesteld voor de uitvoering van de politietaak, die de proeftijd zonder bedenkingen heeft voltooid, in tijdelijke dienst plaatsvinden:
a. ter vervanging van een wegens ziekte of uit anderen hoofde afwezige ambtenaar van politie;
b. ter uitvoering van werkzaamheden met een kennelijk tijdelijk karakter.
7.
Zodra de omstandigheid die leidde tot de aanstelling in tijdelijke dienst, bedoeld in het zesde lid, zich niet meer voordoet vindt zo mogelijk aanstelling in vaste dienst plaats.
8.
De aanstelling in tijdelijke dienst, bedoeld in het zesde lid, onder a, kan niet langer duren dan vijf jaren.
9.
In het geval, bedoeld in het zesde lid, onder b, wordt in ieder geval aangenomen dat de omstandigheid die leidde tot de aanstelling in tijdelijke dienst, zich niet meer voordoet wanneer betrokkene twee jaar, zonder onderbreking van langer dan een maand, in politiedienst werkzaam is, waarvan laatstelijk ten minste één jaar in zijn huidige functie.
10.
Het negende lid geldt niet in die gevallen waarin vaststaat dat de werkzaamheden in de door betrokkene uitgeoefende functie binnen een jaar worden beëindigd.
1.
De aanstelling van de ambtenaar aangesteld voor de uitvoering van technische, administratieve en andere taken ten dienste van de politie, kan in tijdelijke dienst voor bepaalde duur plaatsvinden:
a. voor een proeftijd van één jaar, zonodig in bijzondere gevallen op verzoek van betrokkene met één jaar te verlengen en zonodig ambtshalve te verlengen met het deel van de proeftijd dat hij niet in actieve dienst was;
b. ter vervanging van een wegens ziekte of uit anderen hoofde afwezige ambtenaar van politie;
c. ter uitvoering van werkzaamheden met een kennelijk tijdelijk karakter;
d. indien betrokkene in dienst wordt genomen als leerling ter opleiding tot een functie binnen de politiedienst dan wel in verband met zijn verdere praktische opleiding of vorming;
e. indien een wijziging in de taak van betrokkene of het politiedienst-onderdeel is voorgenomen.
2.
Zodra de omstandigheid die leidde tot de aanstelling in tijdelijke dienst, bedoeld in het eerste lid, zich niet meer voordoet vindt zo mogelijk aanstelling in vaste dienst plaats.
3.
De aanstelling in tijdelijke dienst, bedoeld in het eerste lid, onder b, kan niet langer duren dan vijf jaren.
4.
In de gevallen, bedoeld in het eerste lid, onder c en e, wordt in ieder geval aangenomen dat de omstandigheid die leidde tot de aanstelling in tijdelijke dienst, zich niet meer voordoet wanneer betrokkene twee jaar zonder onderbreking van langer dan een maand in politiedienst werkzaam is, waarvan laatstelijk ten minste één jaar in zijn huidige functie.
5.
Het vierde lid geldt niet in die gevallen waarin vaststaat dat de werkzaamheden in de door betrokkene uitgeoefende functie binnen een jaar worden beëindigd.
Artikel 7
Aanstelling of plaatsing in een functie vindt niet plaats van personen die op het tijdstip waarop de door Onze Minister voor die functie vastgestelde leeftijdsgrens, anders dan die genoemd in artikel 118, wordt bereikt, niet ten minste een ononderbroken diensttijd van drie jaren doorgebracht kunnen hebben in een dergelijke functie.
1.
Voor een aanstelling als aspirant komt uitsluitend in aanmerking degene die:
a. de Nederlandse nationaliteit bezit;
b. voldoet aan de eisen betreffende het geneeskundig en psychologisch onderzoek;
c. ten minste de leeftijd van 17 jaar heeft;
d. voldoet aan de eisen met betrekking tot het opleidingsniveau;
e. op het moment van zijn aanstelling in het bezit is van het rijbewijs B of dit binnen twee jaar na zijn aanstelling behaalt.
f. voldoet aan de bij het geschiktheidsonderzoek gestelde eisen.
2.
Voor een aanstelling als vrijwillige ambtenaar in opleiding aangesteld voor de uitvoering van de politietaak komt uitsluitend in aanmerking degene die voldoet aan het gestelde in het eerste lid, a tot en met d en f.
Artikel 8a
Voor een aanstelling als ambtenaar van politie aangesteld voor de uitvoering van de politietaak en de vrijwillige ambtenaar aangesteld voor de uitvoering van de politietaak komt uitsluitend in aanmerking degene die:
a. de Nederlandse nationaliteit bezit;
b. ten minste de leeftijd van 18 jaar heeft;
c. voldoet aan de eisen met betrekking tot het opleidingsniveau;
d. voldoet aan de eisen betreffende het geneeskundig en psychologisch onderzoek.
Artikel 8b
Voor de aanstelling als ambtenaar aangesteld voor de uitvoering van technische, administratieve en andere taken ten dienste van de politie komt in aanmerking degene die:
a. de Nederlandse nationaliteit bezit;
b. ten minste de leeftijd van 18 jaar heeft bereikt;
c. voldoet aan de gestelde eisen met betrekking tot het opleidingsniveau;
d. voldoet aan de eisen betreffende het geneeskundig onderzoek;
e. voldoet aan de eisen betreffende het psychologisch onderzoek, indien daaraan naar het oordeel van Onze Minister behoefte bestaat;
f. voldoet aan de overige door Onze Minister te stellen eisen die specifiek gerelateerd zijn aan de te vervullen functie binnen het politiekorps.
Artikel 8c
Teneinde vast te stellen of de persoon, bedoeld in de artikelen 8, eerste lid, aanhef, en tweede lid, 8a en 8b in voldoende mate geschikt en bekwaam is voor de vervulling van de functie, kan Onze Minister de gegevens die door de betrokkene desgevraagd zijn verstrekt, verifiëren en zo nodig aanvullen.
1.
Voor toelating tot de onderwijstrajecten op kwalificatieniveau VSBO/MBO komt in aanmerking degene die in het bezit is van:
a. een LBO-diploma;
b. een MAVO-diploma;
c. een VSBO-diploma praktisch basisgerichte leerweg;
d. een VSBO-diploma theoretisch kadergerichte leerweg;
e. een VSBO-diploma, praktisch kadergerichte leerweg, of
f. een getuigschrift van een onderwijsinstelling waaruit blijkt dat de eerste drie jaren van een HAVO of VWO-opleiding met goed gevolg zijn afgelegd.
2.
Voor toelating tot een onderwijstraject op kwalificatieniveau HBO komt in aanmerking degene die in het bezit is van:
a. een HAVO-diploma, of
b. een diploma politiemedewerker op het kwalificatieniveau VSBO/MBO.
3.
Voor toelating tot een onderwijstraject op kwalificatieniveau WO komt in aanmerking degene die in het bezit is van:
a. een VWO-diploma;
b. een bewijsstuk dat op grond van een voor Nederland, Curaçao of Sint Maarten in werking getreden internationale overeenkomst toelating geeft tot het universitaire onderwijs, of
c. in het bezit is van een diploma politiekundige bachelor op het kwalificatieniveau HBO.
4.
Met een diploma, genoemd in het eerste, tweede en derde lid, wordt voor de toepassing van deze leden gelijkgesteld een diploma vergezeld met een verklaring van de daartoe bevoegde autoriteit waarin staat dat het wordt gelijkgesteld met een diploma, genoemd in deze leden. De eerste volzin is van overeenkomstige toepassing op een getuigschrift, bedoeld in het eerste lid, onder f.
1.
Kandidaten die niet voldoen aan de in artikel 8d gestelde eisen, kunnen een door Onze Minister goedgekeurde toelatingstoets afleggen.
2.
Indien de toets met goed gevolg wordt afgelegd, komt de kandidaat alsnog in aanmerking voor toelating tot één van de initiële opleidingen.
1.
De kandidaat-aspirant en de kandidaat-vrijwillige ambtenaar in opleiding wordt onderworpen aan een geschiktheidsonderzoek, bestaande uit achtereenvolgens:
a. een taalvaardigheidsonderzoek;
b. een cognitief capaciteitenonderzoek;
c. een psychologisch onderzoek;
d. een fysiek motorisch onderzoek.
2.
De onderzoeken, bedoeld in het eerste lid, worden afgenomen door een door Onze Minister aangewezen instantie belast met de werving en selectie van politie met inachtneming van de bij regeling van Onze Minister te bepalen regels.
3.
Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld ten aanzien van het onderzoek, genoemd in het eerste lid.
4.
De in het tweede lid bedoelde instantie rapporteert aan Onze Minister naar aanleiding van de uitkomsten.
5.
De kosten van het geschiktheidsonderzoek worden gedragen door Onze Minister.
6.
Het taalvaardigheidsonderzoek wordt niet afgenomen bij de betrokkene die, indien tot aanstelling zou worden overgegaan, de initiële opleiding gaat volgen op het kwalificatieniveau 5 of 6, bedoeld in artikel 8d.
1.
De uitkomst van het geschiktheidsonderzoek, bedoeld in artikel 8f, eerste lid, wordt de betrokkene zo spoedig mogelijk na het voltooien van het geschiktheidsonderzoek schriftelijk meegedeeld.
2.
De betrokkene kan een gesprek aanvragen met de psycholoog onder wiens verantwoordelijkheid het desbetreffende onderzoek is afgenomen. Binnen twee weken na deze aanvraag vindt dit gesprek plaats.
3.
De betrokkene van wie de uitslag van het fysiek motorisch onderzoek onvoldoende is, kan binnen twee weken nadat hem deze uitslag is meegedeeld een tweede fysieke motorisch onderzoek aanvragen. Binnen drie maanden na deze aanvraag vindt het tweede fysieke motorisch onderzoek plaats.
4.
De kosten van het gesprek, bedoeld in het tweede lid, en van het tweede onderzoek, bedoeld in het derde lid, komen ten laste van Onze Minister.
Artikel 8h
Niet tot aanstelling bij een politiekorps kan worden overgegaan indien:
a. de betrokkene die aan het taalvaardigheidsonderzoek is onderworpen de bij regeling van Onze Minister te bepalen minimumnorm niet heeft behaald;
b. de betrokkene niet het bij regeling van Onze minister te bepalen minimale vereiste niveau op een of meer van de stabiele persoonlijkheidseigenschappen heeft behaald;
c. de betrokkene voor het fysiek motorisch onderzoek niet voldoet aan de bij regeling van Onze Minister te bepalen minimale vereisten; of
d. de betrokkene niet voldoet aan de bij regeling van Onze Minister gestelde eisen met betrekking tot de onderdelen van de onderzoeken waar sprake is van een open normering.
1.
Nadat alle overige beoordelingen van de geschiktheid van de betrokkene hebben plaatsgevonden en Onze Minister op grond daarvan voornemens is de betrokkene aan te stellen, wordt de betrokkene onderworpen aan een geneeskundig onderzoek.
2.
Het geneeskundig onderzoek kan steeds worden verricht voorafgaand aan een onderzoek als bedoeld in artikel 8l of artikel 8o.
3.
Het geneeskundig onderzoek geschiedt door een door Onze Minister aangewezen geneeskundige, niet zijnde de behandelend arts van de betrokkene, met inachtneming van de nader bij regeling van Onze minister te bepalen richtlijnen.
4.
De uitslag van het geneeskundig onderzoek wordt de betrokkene zo spoedig mogelijk medegedeeld.
5.
De kosten van het geneeskundig onderzoek komen ten laste van Onze Minister.
1.
Indien aan het geneeskundig onderzoek voor de betrokkene een negatieve gevolgtrekking dan wel een positieve gevolgtrekking onder bepaalde bedenkingen wordt verbonden, heeft betrokkene recht op een herkeuring aan de hand van de richtlijnen, bedoeld in artikel 8i, derde lid. De betrokkene maakt zijn wens daartoe met redenen omkleed aan Onze Minister kenbaar binnen twee weken nadat de genoemde gevolgtrekking aan hem is meegedeeld.
2.
In geval van herkeuring wordt de door Onze Minister te nemen beslissing uitgesteld totdat de uitslag van de herkeuring aan Onze Minister is meegedeeld.
3.
De herkeuring geschiedt door een commissie van drie geneeskundigen.
4.
Onze Minister en de betrokkene wijzen elk een geneeskundige aan voor de commissie. Deze geneeskundigen wijzen een derde geneeskundige aan voor de commissie.
5.
De geneeskundige die het geneeskundig onderzoek, bedoeld in artikel 8i, eerste lid, heeft verricht en de behandelend arts van de betrokkene maken geen deel uit van de commissie.
6.
De kosten van de herkeuring komen ten laste van Onze Minister. Onze Minister kan van de betrokkene een redelijke bijdrage verlangen.
Artikel 8k
De betrokkene die op grond van artikel 8, eerste lid, onder g, of tweede lid, artikel 8a, onder d, of artikel 8b, onder d, is onderworpen aan een geneeskundige keuring, wordt bij aanstelling in een andere functie opnieuw aan een geneeskundige keuring onderworpen, indien betrokkene voor het vervullen van die functie aan andere medische eisen dient te voldoen dan voor de tot dusverre vervulde functie.
1.
Aanstelling als ambtenaar van politie is slechts mogelijk, indien op grond van een ten aanzien van de betrokkene door Onze Minister ingesteld onderzoek naar de betrouwbaarheid en geschiktheid geen bezwaar lijkt te bestaan tegen diens aanstelling.
2.
Het onderzoek, bedoeld in het eerste lid, omvat het inwinnen van justitiële documentatie en politiegegevens van betrokkene.
3.
Het tweede lid is niet van toepassing indien het betreft:
a. een aanstelling in een functie waarin technische, administratieve en andere taken ten dienste van de politie worden uitgevoerd, en Onze Minister heeft bepaald dat voor de functie slechts een verklaring omtrent het gedrag is vereist;
b. een vertrouwensfunctie.
4.
Een onderzoek naar de betrouwbaarheid en geschiktheid wordt ingesteld nadat Onze Minister de betrokkene overigens bekwaam en geschikt acht.
1.
Indien naar het oordeel van Onze Minister de aard van de functie of van de werkzaamheden hiertoe aanleiding geeft, kan ten aanzien van de ambtenaar in de volgende gevallen opnieuw een onderzoek als bedoeld in artikel 8l, eerste lid, worden uitgevoerd:
a. bij wijziging van werkzaamheden;
b. bij aanstelling in een andere functie;
c. bij de vervulling van een functie gedurende ten minste vijf dienstjaren; of
d. bij een redelijk vermoeden van ernstig plichtsverzuim dat de integriteit of de verantwoordelijkheid van de betrokkene raakt.
2.
Het eerste lid is niet van toepassing indien het betreft een vertrouwensfunctie of een functie waarvan Onze Minister heeft bepaald dat slechts een verklaring omtrent het gedrag is vereist.
1.
Onze Minister is verantwoordelijk voor de goede uitvoering van het onderzoek, bedoeld in artikel 8l, eerste lid.
2.
Bij regeling van Onze Minister worden nadere regels gesteld ter uitvoering van de artikelen 8l en  8m. Deze nadere regels bevatten in ieder geval waarborgen omtrent een voldoende bescherming van de persoonlijke levenssfeer van betrokkene.
1.
Aanstelling, plaatsing, of detachering in een vertrouwensfunctie, is slechts mogelijk, indien ten aanzien van de betrokkene op basis van een veiligheidsonderzoek door Onze Minister een verklaring is afgegeven dat uit het oogpunt van de nationale veiligheid geen bezwaar bestaat tegen vervulling van de vertrouwensfunctie.
2.
Onze Minister belast de betrokkene eerst met de vervulling van een vertrouwensfunctie, nadat ten aanzien van die betrokkene een verklaring als bedoeld in het eerste lid is afgegeven.
1.
Onze Minister meldt een ambtenaar die belast is met de vervulling van een functie die nadien als vertrouwensfunctie is aangewezen, zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen vier weken na dagtekening van het aanwijzingsbesluit aan bij het hoofd van de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst.
2.
De in het eerste lid bedoelde aanmelding geschiedt slechts met schriftelijke instemming van de betrokken ambtenaar. Onze Minister licht de betrokkene in over de betekenis en de rechtsgevolgen van deze aanmelding.
3.
Indien de in het tweede lid bedoelde instemming is geweigerd of indien ten aanzien van de ambtenaar een verklaring als bedoeld in artikel 8o, eerste lid, is geweigerd, ontheft Onze Minister de ambtenaar zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen acht weken, uit de functie.
1.
Onze Minister draagt er zorg voor dat na het verstrijken van een termijn van vijf jaar of een veelvoud daarvan sinds het afgeven van een verklaring als bedoeld in artikel 8o, eerste lid of indien blijkt van feiten of omstandigheden die een hernieuwd veiligheidsonderzoek rechtvaardigen, opnieuw een veiligheidsonderzoek wordt ingesteld. Voor het instellen van een hernieuwd veiligheidsonderzoek is de instemming van de ambtenaar niet vereist.
2.
Indien een verklaring als bedoeld in het eerste lid is ingetrokken, ontheft Onze Minister de betrokken ambtenaar zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen acht weken na de intrekking van voornoemde verklaring, uit de vertrouwensfunctie.
Artikel 8r
De artikelen 8o, 8p en 8q zijn van overeenkomstige toepassing op de ambtenaar die door middel van de gemeenschappelijke voorziening politie beschikbaar wordt gesteld aan het politiekorps, met dien verstande dat onder «Onze Minister» wordt gelezen «Onze Minister in overeenstemming met de directeur van de gemeenschappelijke voorziening politie.»
1.
Bij koninklijk besluit worden benoemd, bevorderd, geschorst en ontslagen de plaatsvervangend korpschef van het politiekorps, alsmede de overige ambtenaren die behoren tot de leiding van het politiekorps en die een functie vervullen die ten minste wordt gewaardeerd overeenkomstig schaal 15.
2.
De voordracht van het koninklijk besluit, bedoeld in het eerste lid, geschiedt door Onze Minister in overeenstemming met Onze Minister van Justitie, gehoord de procureur-generaal.
Artikel 9
[Vervallen]
1.
Voor de aanvaarding van zijn ambt legt de aspirant, de vrijwillige ambtenaar van politie en de ambtenaar aangesteld voor de uitvoering van de politietaak de volgende eed dan wel verklaring en belofte van zuivering af:
«Ik zweer (verklaar), dat ik middellijk of onmiddellijk, in welke vorm dan ook, tot het verkrijgen van mijn aanstelling aan niemand iets heb gegeven of beloofd.
Ik zweer (beloof), dat ik, om iets in mijn betrekking te doen of te laten, van niemand, middellijk of onmiddellijk, enige beloften of geschenken zal aannemen.
Zo waarlijk helpe mij God almachtig (Dat verklaar en beloof ik)!».
Daarna wordt door de aspirant, de vrijwillige ambtenaar van politie en de ambtenaar aangesteld voor de uitvoering van de politietaak de volgende eed of belofte afgelegd:
«Ik zweer (beloof) trouw aan de Koning, aan de Grondwet en aan de wetten van ons land.
Ik zweer (beloof) dat ik de krachtens de wet uitgevaardigde voorschriften en verordeningen zal nakomen en handhaven, dat ik de aan mij verstrekte opdrachten plichtsgetrouw en nauwgezet zal volbrengen en de zaken, waarvan ik door mijn ambt kennis draag en die mij als geheim zijn toevertrouwd, of waarvan ik het vertrouwelijke karakter moet begrijpen, niet zal openbaren aan anderen dan aan hen, aan wie ik volgens de wet of ambtshalve tot mededeling verplicht ben.
Ik zweer (beloof) dat ik mij zal gedragen zoals een goed ambtenaar betaamt, dat ik zorgvuldig, onkreukbaar en betrouwbaar zal zijn en dat ik niets zal doen dat het aanzien van het ambt zal schaden.
Zo waarlijk helpe mij God almachtig (Dat beloof ik)!»
2.
Voor de aanvaarding van zijn ambt, legt de ambtenaar van politie aangesteld voor de uitvoering van technische, administratieve en andere taken ten dienste van de politie de volgende eed dan wel verklaring en belofte van zuivering af:
«Ik zweer (verklaar) dat ik middellijk of onmiddellijk, in welke vorm dan ook, tot het verkrijgen van mijn aanstelling aan niemand iets heb gegeven of beloofd.
Ik zweer (beloof), dat ik, om iets in mijn betrekking te doen of te laten, van niemand, middellijk of onmiddellijk, enige beloften of geschenken zal aannemen.
Zo waarlijk helpe mij God almachtig (Dat verklaar en beloof ik)!»
Daarna wordt door de ambtenaar de volgende eed of belofte afgelegd:
«Ik zweer (beloof) trouw aan de Koning, aan de Grondwet en aan de wetten van ons land.
Ik zweer (beloof) dat ik de aan mij verstrekte opdrachten plichtsgetrouw en nauwgezet zal volbrengen en de zaken, waarvan ik door mijn ambt kennis draag en die mij als geheim zijn toevertrouwd of waarvan ik het vertrouwelijke karakter moet begrijpen, niet zal openbaren aan anderen dan aan hen, aan wie ik volgens de wet of ambtshalve tot mededeling verplicht ben.
Ik zweer (beloof) dat ik mij zal gedragen zoals een goed ambtenaar betaamt, dat ik zorgvuldig, onkreukbaar en betrouwbaar zal zijn en dat ik niets zal doen dat het aanzien van het ambt zal schaden.
Zo waarlijk helpe mij God almachtig (Dat beloof ik)!»
3.
De ambtenaar van politie legt de eden dan wel verklaringen en beloften af ten overstaan van Onze Minister of de door deze daartoe aangewezen persoon.
1.
Aan de ambtenaar van politie, met uitzondering van de vrijwillige ambtenaar van politie voor wat betreft onderdeel f, wordt, zo mogelijk voor de aanvaarding van zijn ambt, maar in ieder geval binnen een maand na aanvang van zijn werkzaamheden, door Onze Minister een akte van aanstelling uitgereikt waarin in elk geval worden vermeld:
a. de naam, voornamen en geboortedatum;
b. of de aanstelling geschiedt in tijdelijke of vaste dienst al dan niet met een proeftijd en de duur van de eventuele proeftijd, waarbij, indien de aanstelling geschiedt in tijdelijke dienst, wordt vermeld of de aanstelling geschiedt voor bepaalde tijd en zo ja voor hoe lang, dan wel voor onbepaalde tijd en de toepasselijke aanstellingsgrond;
c. de functie waarin hij wordt geplaatst;
d. de plaats van tewerkstelling;
e. de datum van ingang van de aanstelling;
f. de bezoldigingsschaal en de bezoldigingstrede die zijn toegekend.
2.
Wijziging van de gegevens, genoemd in het eerste lid, wordt de ambtenaar van politie binnen twee maanden schriftelijk door Onze Minister meegedeeld, behoudens wijziging van een regeling waarnaar is verwezen.
1.
De ambtenaar van politie wordt bij zijn aanstelling schriftelijk door Onze Minister op de hoogte gesteld van de hoofdlijnen van zijn rechtspositie.
2.
Regelingen waarin zijn rechtspositie is neergelegd, en andere voor hem geldende regelingen en schriftelijke instructies die hij bij de uitoefening van zijn functie moet naleven, worden op een voor de ambtenaar van politie gemakkelijk toegankelijke plaats ter inzage gelegd.
3.
Over wijzigingen in regelingen betreffende zijn rechtspositie wordt de ambtenaar van politie zo spoedig mogelijk schriftelijk door Onze Minister op de hoogte gesteld.
1.
Bij regeling van Onze Minister, en voor zover het opleidingen betreft op het terrein van de strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde dan wel de taken ten dienste van de justitie Onze Minister van Justitie, worden regels gesteld over de competentiegerichte eindtermen voor het onderwijs voor de ambtenaren van politie op de kwalificatieniveaus:
a. VSBO/MBO;
b. HBO, en
c. WO.
2.
Met inachtneming van de regels, bedoeld in het eerste lid, wijst Onze Minister, en voor zover het opleidingen betreft op het terrein van de strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde dan wel de taken ten dienste van de justitie Onze Minister van Justitie, de initiële en postinitiële opleidingen voor de ambtenaren van politie aan.
3.
Bij regeling van Onze Minister worden regels gesteld over de instantie die is belast met:
a. het ontwikkelen en de verzorging van de opleidingen, bedoeld in het tweede lid, en
b. het examineren van de studenten die opleidingen, bedoeld in het tweede lid, hebben gevolgd.
4.
In de regeling, bedoeld in het derde lid, kunnen regels worden gesteld over:
a. het ondersteunen van de werving en het uitvoeren van de selectie van de studenten voor de initiële opleidingen;
b. het overdragen van kennis aan de politie en het bijdragen aan de ontwikkeling van de uitoefening van de politietaak waarop het onderwijs is gericht, onder meer door het verrichten van onderzoek;
c. het ontwikkelen of het verzorgen van andere dan in het derde lid, onder a, bedoelde opleidingen van een door Onze Minister of Onze Minister van Justitie na overleg met Onze Minister wie het mede aangaat aan te wijzen categorie van personen, en
d. andere werkzaamheden die door de instantie kunnen worden uitgevoerd, mits die werkzaamheden:
samenhangen met de in het derde of vierde lid bedoelde taken;
niet leiden tot concurrentievervalsing ten opzichte van private aanbieders van vergelijkbare diensten, en
tegen ten minste kostendekkende prijzen worden verricht.
1.
Op de ambtenaar aangesteld voor de uitvoering van de politietaak en de aspirant zijn van hoofdstuk IV van het Rechtspositiebesluit ambtenaren BES uitsluitend de artikelen 25a, 25aa, 25b, 25c, 27, 28, 29, 30 en 36a en de daarop gebaseerde bepalingen van toepassing.
2.
Op de vrijwillige ambtenaar van politie zijn van hoofdstuk IV van het Rechtspositiebesluit ambtenaren BES uitsluitend de artikelen 27, 29 en 30 van toepassing.
3.
De artikelen 14 tot en met 23 van dit besluit zijn niet van toepassing op de vrijwillige ambtenaar van politie.
1.
De bezoldiging en een met die bezoldiging verbonden vergoeding of toelage worden maandelijks of tegen het einde van de kalendermaand waarop de betaling betrekking heeft, betaald door de staat.
2.
Wanneer de bezoldiging en een met die bezoldiging verbonden vergoeding of toelage moet worden uitbetaald over een gedeelte van een kalendermaand, wordt het te betalen bedrag berekend door het voor een maand vastgestelde bedrag te vermenigvuldigen met het aantal dagen gedurende welke de ambtenaar aangesteld voor de uitvoering van de politietaak en de aspirant, in dienst zijn geweest en het product te delen door dertig.
3.
Van het eerste en tweede lid kan worden afgeweken, indien daartoe naar het oordeel van Onze Minister op grond van bijzondere omstandigheden aanleiding bestaat.
4.
Zo spoedig mogelijk na het overlijden van de ambtenaar aangesteld voor de uitvoering van de politietaak of de aspirant betaalt Onze Minister aan de weduwe of weduwnaar een som uit gelijk aan driemaal het bedrag van de inkomsten per maand, op het tijdstip van het overlijden van betrokkene.
5.
Indien de overleden ambtenaar aangesteld voor de uitvoering van de politietaak of de aspirant niet in actieve dienst is, wordt een som uitbetaald gelijk aan driemaal hetgeen hij als inkomsten per maand zou hebben ontvangen, indien hij op de eerste van maand van het overlijden in actieve dienst was geweest.
6.
Indien de overleden ambtenaar aangesteld voor de uitvoering van de politietaak of de aspirant geen weduwe of weduwnaar nalaat, geschiedt de uitbetaling ten behoeve van de minderjarige wettige of natuurlijke kinderen ten aanzien van wie familierechtelijke betrekkingen bestaan. Ontbreken zodanige kinderen, dan geschiedt de uitbetaling ten behoeve van zijn ouders, zusters, broers, meerderjarige wettige of natuurlijke kinderen ten aanzien van wie familierechtelijke betrekkingen bestaan, dan wel stief- of pleegkinderen, indien de overledene in overwegende mate in het levensonderhoud van voornoemde betrekkingen voorzag.
7.
Laat de overleden ambtenaar aangesteld voor de uitvoering van de politietaak of de aspirant ook geen betrekkingen na als genoemd in het zesde lid, dan wordt het bedrag aangewend voor de betaling van de kosten van de laatste ziekte en lijkbezorging, voor zover de nalatenschap van de overledene voor de betaling van die kosten ontoereikend is.
1.
Bij de indiensttreding of de overgang naar een andere functie wordt de bezoldigingsschaal bepaald met inachtneming van de aard en het niveau van de functie waarmede de betrokken ambtenaar aangesteld voor de uitvoering van de politietaak of de aspirant wordt belast.
2.
Van het eerste lid kan worden afgeweken, indien het niet voldoen aan de opleidingseisen of gebrek aan ervaring met betrekking tot de arbeid die betrokkene in de functie moet verrichten, de verwachting aannemelijk maakt dat zijn wijze van functioneren zich tegen de toepassing van dat artikellid vooralsnog verzet. In dat geval kan de bezoldigingsschaal bepaald worden en gedurende een tijdvak van ten hoogste drie jaren bepaald blijven op ten hoogste twee volgnummers beneden de schaal die met toepassing van het eerste lid in aanmerking zou komen. Indien het functioneren van de ambtenaar aangesteld voor de uitvoering van de politietaak, aan het einde van het genoemde tijdvak de toepassing van het eerste lid nog niet toelaat, wordt hij geplaatst in een functie waarvan de aard en het niveau in overeenstemming is met de schaal volgens welke hij bezoldigd wordt, of wordt hem ontslag aangezegd.
3.
Aard en niveau van de functie worden bepaald aan de hand van functiebeschrijvingen en functieniveau-karakteristieken, welke deel uitmaken van een bij ministeriële regeling vast te stellen functiewaarderingssysteem.
4.
Anders dan bij wijze van disciplinaire straf, bedoeld in hoofdstuk IX, kan zonder voorafgaand ontslag voor een ambtenaar aangesteld voor de uitvoering van de politietaak, geen bezoldigingsschaal worden vastgesteld die een lagere maximum-bezoldiging bevat dan die welke in de voordien voor hem geldende bezoldigingsschaal aangegeven is.
5.
[Vervallen]
Artikel 17
Indien de ambtenaar aangesteld voor de uitvoering van de politietaak, anders dan bij wijze van disciplinaire straf, bedoeld in hoofdstuk IX, wordt belast met een andere functie, als gevolg waarvan zijn bezoldiging op grond van de overige bepalingen van dit besluit een verlaging zou moeten ondergaan, zonder dat de bekleding met die andere functie bij wijze van waarneming, bedoeld in artikel 22, geschiedt of zonder dat ontslag voorafgegaan is, blijft deze verlaging achterwege.
1.
Het loon van de ambtenaar aangesteld voor de uitvoering van de politietaak wordt verhoogd tot het bedrag dat behoort bij de naasthogere bezoldigingstrede in de schaal, indien hij naar het oordeel van Onze Minister, dat is neergelegd in een formele beoordeling, bedoeld in artikel 25, zijn functie naar behoren vervult. Deze beoordeling vindt voor iedere ambtenaar aangesteld voor de uitvoering van de politietaak, niet later dan één jaar na zijn indiensttreding of na zijn overgang naar een andere functie en vervolgens ten minste aan het einde van elk jaar plaats.
2.
Het loon van de ambtenaar aangesteld voor de uitvoering van de politietaak, kan worden verhoogd tot het bedrag dat behoort bij de eerste bezoldigingstrede volgend op de naasthogere bezoldigingstrede in de schaal, indien hij naar het oordeel van Onze Minister, dat is neergelegd in een formele beoordeling, bedoeld in artikel 25, zijn functie zeer goed of uitstekend verricht.
3.
Vervult de ambtenaar aangesteld voor de uitvoering van de politietaak, zijn functie naar het oordeel van Onze Minister niet naar behoren, dan blijft verhoging van het loon achterwege.
4.
De in het eerste en het tweede lid bedoelde verhogingen van het loon worden met ingang van 1 januari van een jaar toegekend, zolang de ambtenaar aangesteld voor de uitvoering van de politietaak, de maximum-bezoldiging van de voor hem geldende bezoldigingsschaal nog niet heeft bereikt, doch voor de eerste maal niet eerder dan nadat sinds zijn aanstelling als ambtenaar aangesteld voor de uitvoering van de politietaak, ten minste zes maanden zijn verstreken.
Artikel 19
Artikel 18 is van overeenkomstige toepassing op de aspirant, met dien verstande dat aan een verhoging, bedoeld in het eerste of derde lid, geen formele beoordeling als bedoeld in artikel 25, ten grondslag behoeft te liggen.
Artikel 20
De bezoldiging van de ambtenaar aangesteld voor de uitvoering van de politietaak, met een deelbetrekking wordt vastgesteld op een evenredig deel van de bezoldiging bij een volledige betrekking.
Artikel 21
Ingeval de ambtenaar aangesteld voor de uitvoering van de politietaak, bevorderd wordt naar een functie waaraan een bezoldigingsschaal is verbonden die een hogere maximum-bezoldiging bevat dan die welke voorkomt in de schaal volgens welke hij tot dusver is bezoldigd, wordt hem de bezoldigingstrede in de nieuwe schaal toegekend waarvan het bedrag minstens even hoog is als het procentuele verschil tussen twee bezoldigingstreden in de oude schaal.
1.
Indien de taakuitvoering continuïteit in de uitoefening van een functie veronderstelt en geen andere ambtenaar van politie voor de uitvoering van die taak is aangesteld, die deze geheel of gedeeltelijk kan waarnemen, dan wel indien het dienstbelang zulks vordert, wordt de daarvoor in aanmerking komende ambtenaar aangesteld voor de uitvoering van de politietaak, door Onze Minister met de tijdelijke waarneming van die functie belast, al dan niet met ontheffing uit zijn eigenlijke functie.
2.
De ambtenaar aangesteld voor de uitvoering van de politietaak, die overeenkomstig het eerste lid is belast met de tijdelijke waarneming van een functie, die in belangrijkheid en verantwoordelijkheid aanmerkelijk uitgaat boven de eigenlijke functie van deze ambtenaar, heeft over de tijd van de waarneming aanspraak op toekenning door Onze Minister van een toelage boven zijn eigen bezoldiging ten bedrage van het verschil tussen de bezoldiging, welke hij zou genieten, ware hij definitief benoemd in de functie die hij waarneemt, en zijn eigen bezoldiging, indien de waarneming:
a. 30 dagen of langer onafgebroken heeft geduurd;
b. in een tijdvak van zes maanden in totaal gedurende 30 dagen of langer heeft geduurd;
c. in een tijdvak van twaalf maanden in totaal 60 dagen of langer heeft geduurd.
3.
Tijdens de waarneming worden de ambtenaar aangesteld voor de uitvoering van de politietaak, de hem in zijn eigenlijke functie toekomende bezoldigingstreden toegekend, onder verrekening van de in het tweede lid bedoelde toelage, terwijl deze toelage opnieuw wordt bepaald, telkens wanneer hij in de functie die hij waarneemt, aanspraak zou hebben verkregen op een verhoging van bezoldiging, ware hij definitief in dat ambt aangesteld.
4.
Indien uit de waarneming, bedoeld in het eerste lid, voor de ambtenaar aangesteld voor de uitvoering van de politietaak, als zodanig direct aanwijsbare en op geld waardeerbare schade voortvloeit, wordt hem de geleden schade door Onze Minister vergoed.
1.
Aan de ambtenaar aangesteld voor de uitvoering van de politietaak die uit hoofde van zijn functie onvermijdelijk arbeid wordt opgedragen, wordt buiten het voor hem ingevolge artikel 26 vastgesteld dienstrooster op een week- of zaterdag, wordt een vergoeding als bedoeld in de bijlage , onder I, toegekend voor elk door hem op werkdagen gewerkt vol uur.
2.
Aan de ambtenaar aangesteld voor de uitvoering van de politietaak die uit hoofd van zijn functie onvermijdelijk arbeid wordt opgedragen buiten het voor hem ingevolge artikel 26 vastgestelde dienstrooster op een zon-, feest of roostervrije dag, wordt een vergoeding als bedoeld in de bijlage , onder II, toegekend voor elk door hem gewerk vol uur.
3.
Aan de ambtenaar aangesteld voor de uitvoering van de politietaak die uit hoofde van zijn functie onvermijdelijk arbeid wordt opgedragen buiten het voor hem ingevolge artikel 26 vastgestelde dienstrooster in verband met buitengewone omstandigheden of calamiteiten, wordt een vergoeding als bedoeld in de bijlage , onder III, toegekend voor elk door hem gewerkt vol uur.
4.
Voor de toepassing van het eerste tot en met derde lid wordt een gewerkte tijd van dertig minuten of meer, doch korter dan een uur, als een vol uur aangemerkt.
5.
Aan de ambtenaar, bedoeld in het eerste, tweede en derde lid, kan op zijn verzoek in plaats van een vergoeding in geld, wanneer het dienstbelang zulks toelaat, een vergoeding in vrije tijd worden toegekend, berekend naar de gemaakte overuren en bepaald op:
a. 150 procent, indien het een dienstuitoefening betreft op weekdagen en zaterdagen, en
b. 200 procent, indien het een dienstuitoefening betreft op zon- roostervrije en feestdagen dan wel in verband met buitengewone omstandigheden of calamiteiten.
6.
Het eerste, tweede en derde lid zijn niet van toepassing op de ambtenaar aangesteld voor de uitvoering van de politietaak, die een functie bekleedt in de rang van inspecteur of hoger.
7.
Aan de ambtenaar aangesteld voor de uitvoering van de politietaak die een functie bekleedt in de rang van inspecteur of hoger en die uit hoofde van zijn functie onvermijdelijke arbeid wordt opgedragen buiten het voor hem ingevolge artikel 26 vastgestelde dienstrooster, wordt een vergoeding in vrije tijd toegekend berekend naar de gemaakte uren en overuren en bepaald op:
a. 100 procent, indien het een dienstuitoefening betreft wegens verschuiving van dienst binnen twee maal 24 uur van de oorspronkelijk voorgeschreven dienst;
b. 150 procent, indien het een dienstuitoefening betreft op week- en zaterdagen, en
c. 200 procent, indien het een dienstuitoefening betreft op roostervrije- zon- en feestdagen of arbeid opgedragen buiten het voor hem ingevolge artikel 26 vastgestelde dienstrooster in verband met buitengewone omstandigheden of calamiteiten.
8.
De vergoeding in vrije tijd als bedoeld in het zevende lid wordt genoten in dezelfde kalendermaand waarin de arbeid werd opgedragen dan wel in de daarop volgende kalendermaand.
9.
Indien geen vrije tijd als bedoeld in het zevende lid kan worden toegekend, ontvangt de ambtenaar een vergoeding overeenkomende met zijn uurloon voor arbeid opgedragen ingevolge het dienstrooster.
10.
Het eerste tot en met derde lid is van overeenkomstige toepassing op de aspirant.
Artikel 23b
De vrijwillige ambtenaar in opleiding en de vrijwillige ambtenaar aangesteld voor de uitoefening van de politietaak die in opdracht van Onze Minister een voor zijn functie relevante cursus volgt dan wel deelneemt aan een oefening of in opdracht van Onze Minister werkelijke dienst verricht, ontvangen een bij ministeriële regeling vastgestelde vergoeding.
Artikel 23d
Artikel 9a van het Bezoldigingsbesluit 1998 BES is van overeenkomstige toepassing op de ambtenaar van politie, met uitzondering van de vrijwillige ambtenaar van politie.
Artikel 23e
In deze paragraaf wordt verstaan onder:
a. ambtenaar: de ambtenaar van politie aangesteld voor de uitvoering van de politietaak en de aspirant;
b. oorspronkelijke bezoldigingsschaal: de bezoldigingsschaal die van toepassing was tot en met 30 juni 2013;
c. nieuwe bezoldigingsschaal: de bezoldigingsschaal die met terugwerkende kracht van toepassing is met ingang van 1 juli 2013;
d. oorspronkelijke maximum-bezoldiging: het bedrag, behorende bij de hoogste bezoldigingstrede van de oorspronkelijke bezoldigingsschaal;
e. garantietrede: elk afzonderlijk binnen een bezoldigingsschaal opgenomen bezoldigingsbedrag, voorzien van een nummer dat wordt voorafgegaan door de aanduiding «GPT»;
f. bevorderen: overgaan naar een functie, aan welke bezoldiging in een hogere bezoldigingsschaal is verbonden.
Artikel 23f
Voor zover in de nieuwe bezoldigingsschaal de maximum-bezoldiging een lager bedrag is dan de maximum-bezoldiging in de oorspronkelijke bezoldigingsschaal worden bij ministeriële regeling garantietreden vastgesteld.
1.
Bij ministeriële regeling worden inpastabellen vastgesteld voor ambtenaren die reeds op 30 september 2014 in dienst waren, waarbij onderscheid wordt gemaakt tussen:
a. ambtenaren die hun functie in 2013 naar het oordeel van Onze Minister, dat is neergelegd in een formele beoordeling als bedoeld in artikel 25, naar behoren hebben vervuld, en
b. ambtenaren ten aanzien van wie niet in een formele beoordeling als bedoeld in artikel 25 is neergelegd dat zij hun functie in 2013 naar behoren hebben vervuld.
Een inpastabel vermeldt per bezoldigingsschaal ten aanzien van iedere bezoldigingstrede in de oorspronkelijke bezoldigingsschaal op welke bezoldigings- of garantietrede de bezoldiging van een ambtenaar met in achtneming van het tweede tot en met vierde lid opnieuw wordt vastgesteld in de nieuwe bezoldigingsschaal.
2.
De bezoldiging van de ambtenaar die reeds op 30 juni 2013 in dienst was en de bezoldiging van de aspirant die reeds op 30 juni 2013 in dienst was, wordt op basis van de voor hem geldende inpastabel met terugwerkende kracht tot en met 1 juli 2013, of, indien hij daarna is bevorderd, voor de periode van 1 juli 2013 tot de datum van bevordering, met terugwerkende kracht vastgesteld in de bezoldigingsschaal volgens welke hij wordt of tot dan toe werd bezoldigd.
3.
De bezoldiging van de ambtenaar die tussen 1 juli 2013 en 1 oktober 2014 in dienst is getreden en de bezoldiging van de aspirant die tussen 1 juli 2013 en 1 oktober 2014 in dienst is getreden, wordt op basis van de voor hem geldende inpastabel met terugwerkende kracht tot en met de datum van indiensttreding of, indien de ambtenaar na 1 juli 2013 is bevorderd voor de periode van de datum van indiensttreding tot de datum van bevordering met terugwerkende kracht vastgesteld in de bezoldigingsschaal volgens welke hij wordt of tot zijn bevordering werd bezoldigd.
4.
Indien de ambtenaar, bedoeld in het tweede of derde lid, na 1 juli 2013 is bevorderd, wordt zijn bezoldiging op basis van de voor hem geldende inpastabel met terugwerkende kracht tot en met de datum van bevordering opnieuw vastgesteld in de bezoldigingsschaal volgens welke hij vanaf zijn bevordering werd bezoldigd.
1.
Indien de ambtenaar die reeds op 30 september 2014 in dienst was de maximum-bezoldiging van de voor hem geldende bezoldigingsschaal heeft bereikt, wordt zijn bezoldiging met overeenkomstige toepassing van artikel 18, eerste lid, verhoogd tot het bedrag dat behoort bij de eerste garantietrede die behoort bij de schaal, indien hij naar het oordeel van Onze Minister, dat is neergelegd in een formele beoordeling als bedoeld in artikel 25, zijn functie naar behoren vervult.
2.
Indien de ambtenaar wordt bezoldigd op een garantietrede binnen de voor hem geldende bezoldigingschaal, wordt zijn bezoldiging met overeenkomstige toepassing van artikel 18, eerste lid, verhoogd tot het bedrag dat behoort bij de naast-hogere garantietrede die behoort bij de schaal, indien hij naar het oordeel van Onze Minister, dat is neergelegd in een formele beoordeling als bedoeld in artikel 25, zijn functie naar behoren vervult.
3.
Voor zover de ambtenaar die reeds op 30 september 2014 in dienst was de maximum-bezoldiging van de voor hem geldende bezoldigingsschaal heeft bereikt, wordt zijn bezoldiging bij toepassing van artikel 18, tweede lid, verhoogd tot een bedrag dat behoort tot de eerste garantietrede volgend op de naast-hogere bezoldigings- of garantietrede die behoort bij de schaal, indien hij naar het oordeel van Onze Minister, dat is neergelegd in een formele beoordeling als bedoeld in artikel 25, zijn functie zeer goed of uitstekend vervult.
4.
De in het tweede en derde lid bedoelde verhogingen van de bezoldiging worden met ingang van 1 januari van een jaar toegekend, zolang de ambtenaar aangesteld de laatste garantietrede die behoort bij de voor hem geldende bezoldigingsschaal nog niet heeft bereikt.
5.
Aan een verhoging, bedoeld in het eerste of tweede lid, behoeft geen formele beoordeling als bedoeld in artikel 25 ten grondslag te liggen, indien het een aspirant betreft.
1.
Indien de ambtenaar die reeds op 30 september 2014 in dienst was na 1 juli 2013 een of twee maal is bevorderd, en hij de maximum-bezoldiging van de alsdan voor hem geldende bezoldigingsschaal heeft bereikt, is artikel 23h van overeenkomstige toepassing met inachtneming van het tweede en derde lid.
2.
Na de eerste bevordering sinds 1 juli 2013, niet zijnde een reguliere plaatsing in de vooraf afgesproken formatieve bezoldigingsschaal, kunnen verhogingen van de bezoldiging van de ambtenaar, bedoeld in het eerste lid, worden toegekend tot en met het aantal garantietreden in de bezoldigingsschaal volgens welke hij vóór zijn bevordering werd bezoldigd minus twee.
3.
Na de tweede bevordering sinds 1 juli 2013, niet zijnde een reguliere plaatsing in de vooraf afgesproken formatieve bezoldigingsschaal, kunnen verhogingen van de bezoldiging van de ambtenaar, bedoeld in het eerste lid, worden toegekend tot en met het aantal garantietreden in de bezoldigingsschaal volgens welke hij vóór zijn eerste bevordering werd bezoldigd minus vijf.
4.
Het eerste, tweede en derde lid zijn van overeenkomstige toepassing op de ambtenaar die tussen 1 juli 2013 en 1 oktober 2014 in dienst is getreden, met dien verstande dat voor «1 juli 2013» gelezen wordt: de datum van indiensttreding.
5.
Indien de ambtenaar die reeds op 30 september 2014 in dienst was na 1 juli 2013 is geplaatst in de vooraf afgesproken formatieve bezoldigingsschaal, en hij de maximum-bezoldiging van de alsdan voor hem geldende bezoldigingsschaal heeft bereikt, is artikel 23h van overeenkomstige toepassing.
Artikel 23j
Ingeval de ambtenaar die reeds op 30 september 2013 in dienst was, wordt bevorderd wordt hem, onverminderd artikel 21, de bezoldigings- of garantietrede in de nieuwe bezoldigingsschaal toegekend, waarvan het bedrag ten minste gelijk is aan de hem laatstelijk toekomende bezoldigings- of garantietrede in de oude schaal.
1.
Aan de ambtenaar die reeds op 30 juni 2013 in dienst was, wordt een eenmalige harmonisatie-uitkering verleend ter hoogte van USD 300,00.
2.
De harmonisatie-uitkering wordt voor de ambtenaar, bedoeld in het eerste lid, met een deelbetrekking vastgesteld op een evenredig deel van de harmonisatie-uitkering, bedoeld in het eerste lid.
Artikel 23l
De ambtenaar die naar het oordeel van Onze Minister, dat is neergelegd in een formele beoordeling als bedoeld in artikel 25, in 2013 zijn functie naar behoren heeft vervuld, ontvangt een eenmalige uitkering van USD 100,00.
1.
Met inachtneming van de door Onze Minister vastgestelde regels wordt de ambtenaar van politie die een verzoek daartoe indient dan wel ten aanzien van wie dit door Onze Minister nodig wordt geoordeeld, beoordeeld over de wijze waarop hij zijn functie uitoefent en over zijn gedragingen tijdens de uitoefening van die functie.
2.
Aan het verzoek van de ambtenaar van politie om overeenkomstig het eerste lid te worden beoordeeld, wordt niet eerder voldaan dan na het verstrijken van zes maanden sedert de vaststelling van de voorafgaande over hem uitgebrachte beoordeling.
3.
Er worden toekomstverwachtingen gemaakt over de ambtenaar van politie die in beschouwing wordt genomen voor een naar verwachting binnen afzienbare tijd vrijkomende hogere functie bij het korps.
4.
Ook kunnen toekomstverwachtingen worden opgemaakt over een ambtenaar van politie die in de nabije toekomst om plaatsing op een andere niet hogere functie binnen het korps vraagt, mits de mogelijkheid tot een dergelijke plaatsing reëel aanwezig is en het hoofd van dienst instemt met de wens van betrokkene, of ten aanzien van wie een dergelijke plaatsing door Onze Minister wenselijk wordt geacht.
5.
Onder toekomstverwachtingen wordt in dit artikel verstaan: een systematische bezinning op de behoefte en potentiële capaciteiten van de ambtenaar van politie, bekeken in het kader van de mogelijkheden binnen het korps, waar hij is geplaatst, welke bezinning uitmondt in concrete afspraken alsmede in het daarop tijdig ondernemen van actie.
6.
De ambtenaar van politie wordt van de inhoud van de over hem opgemaakte beoordeling, bedoeld in het eerste lid, en van de over hem opgemaakte toekomstverwachtingen, bedoeld in de derde tot en met vijfde lid, zo spoedig mogelijk in kennis gesteld nadat deze door Onze Minister bekrachtigd zijn. Hij ontvangt een afschrift daarvan. Hij ondertekent het document voor kennisgeving van de inhoud en ontvangst ervan.
7.
De ambtenaar van politie kan binnen zes weken na ontvangst van het document bij Onze Minister een met redenen omkleed bezwaarschrift indienen tegen een voor hem opgemaakte beoordeling of toekomstverwachtingen en vragen om een heroverweging. De heroverweging geschiedt zo spoedig mogelijk.
8.
Dit artikel is niet van toepassing op de aspirant.
9.
Onze Minister kan ter uitvoering van dit artikel nadere regels stellen.
1.
Het bevoegd gezag stelt de werktijden vast voor de vrijwillige ambtenaar aangesteld voor de uitvoering van de politietaak.
2.
Onze Minister kan ter uitvoering van dit artikel nadere regels stellen.
Artikel 27
De ambtenaar van politie, anders dan de aspirant, die daartoe de wens te kennen geeft, kan in deeltijd gaan werken tenzij daar naar het oordeel van Onze Minister ernstige bezwaren voor de bedrijfsvoering uit voortvloeien.
Artikel 28
Het Besluit vakantie en vrijstelling van dienst ambtenaren BES is niet van toepassing op de ambtenaar van politie.
Artikel 28a
Voor zover de ambtenaar van politie ten aanzien van wie een dienstrooster als bedoeld in artikel 37 van het Rechtspositiebesluit ambtenaren BES is vastgesteld, vakantie is verleend op een tijd waarop hij volgens het dienstrooster niet gehouden is werkzaamheden te verrichten, maar wel op de werkplaats beschikbaar moet zijn, wordt slechts de helft van die tijd als genoten vakantie-uren aangemerkt.
1.
Aan de aspirant wordt door Onze Minister vakantie met behoud van bezoldiging verleend met inachtneming van deze paragraaf.
2.
De vakantie wordt als volgt verleend:
a. vier aaneengesloten werkdagen onmiddellijk aansluitend aan de tweede Paasdag;
b. een aaneengesloten periode vallend in het tijdvak waarin voor inrichtingen waar van overheidswege openbaar onderwijs wordt gegeven, de zomervakantie is of zal worden vastgesteld;
c. vijf werkdagen rond Kerstmis en Nieuwjaarsdag.
3.
Door Onze Minister worden elk jaar in de maand januari de vakantieperiodes vastgesteld met inachtneming van het tweede lid.
4.
Wegens dringende reden van dienstbelang kan door Onze Minister worden bepaald dat de vakantie over een of meer periodes bedoeld in het tweede lid, geheel of gedeeltelijk niet wordt genoten dan wel wordt ingetrokken.
5.
Een vakantie die of een gedeelte van een vakantie dat ingevolge het vierde lid niet is genoten dan wel is ingetrokken, wordt zo spoedig mogelijk alsnog verleend nadat de reden die daartoe heeft geleid, heeft opgehouden te bestaan.
1.
Indien de aspirant tijdens een verleende vakantie blijkens een geneeskundige verklaring gedurende een of meer werkuren arbeidsongeschikt is geweest, wordt het aantal vakantieuren dat overeenkomt met het aantal werkuren gedurende welke hij arbeidsongeschikt is geweest, beschouwd niet als vakantie te zijn genoten en wordt hem vrijstelling van dienst, bedoeld in artikel 44, eerste lid, onder b, verleend.
2.
De aspirant kan de niet genoten vakantieuren bedoeld in het eerste lid, niet opnemen zolang hij geplaatst is op het opleidingsinstituut. De artikelen 41 en 42 zijn van overeenkomstige toepassing.
1.
De aspirant die onmiddellijk voorafgaand aan zijn aanstelling als aspirant in dienst van de staat of het openbaar lichaam Bonaire, Sint Eustatius en Saba werkzaam was, anders dan als ambtenaar behorende tot het onderwijzend personeel of als personeelslid van het gesubsidieerde onderwijs, of die op dat moment bij een publiekrechtelijke instelling dan wel bij een door de staat of het openbaar lichaam Bonaire, Sint Eustatius of Saba in het leven geroepen privaatrechtelijke rechtspersoon werkzaam was, behoudt bij zijn aanstelling aanspraak op de door hem niet-genoten vakantie-uren waarop hij tot en met december van het kalenderjaar voorafgaand aan het kalenderjaar waarin zijn aanstelling plaatsvindt, aanspraak had overeenkomstig de voorafgaand aan de aanstelling voor hem geldende voorschriften, met dien verstande dat hij de niet-genoten vakantie-uren niet kan opnemen zolang hij geplaatst is op het opleidingsinstituut.
2.
Aan de aspirant kan, ter vervanging van de door hem in zijn vorige overheidsbetrekking niet-genoten vakantie-uren, door Onze Minister een geldelijke vergoeding worden toegekend gelijk aan het bedrag dat hem aan bezoldiging zou zijn uitgekeerd tijdens de vakantie-uren indien deze genoten zouden zijn. De eerste volzin is van overeenkomstige toepassing op de nagelaten betrekkingen van een overleden aspirant.
Artikel 31a
In afwijking van artikel 1, onder c, wordt in deze paragraaf onder ambtenaar van politie verstaan: ambtenaar van politie, met uitzondering van de aspirant en de vrijwillige ambtenaar van politie.
1.
Aan de ambtenaar van politie wordt, al dan niet op zijn verzoek, in elk kalenderjaar door Onze Minister vakantie met behoud van bezoldiging verleend met inachtneming van deze paragraaf.
2.
Indien naar het oordeel van Onze Minister voor de ambtenaar van politie geldige redenen van verhindering bestaan, wordt de vakantie niet ongevraagd verleend.
3.
Vakantie kan wegens dringende redenen van dienstbelang geheel of gedeeltelijk door Onze Minister worden geweigerd of ingetrokken.
1.
De ambtenaar van politie heeft per kalenderjaar aanspraak op 184 vakantie-uren.
2.
Aan de ambtenaar van politie die ingevolge het voor hem geldende dienstrooster avond- en/of nachtdienst en dienst op zon- en feestdagen moet verrichten, heeft per kalenderjaar aanspraak op 24 extra vakantie-uren.
3.
Bij de ambtenaar van politie die in onregelmatige ploegendienst werkzaam is, en de ambtenaar van politie, bedoeld in het tweede lid, worden voor elk tijdvak van een week waarin zij vakantie genieten, evenveel vakantie-uren op het hen jaarlijks toekomend aantal vakantie-uren in mindering gebracht als bij de ambtenaar van politie voor wie de werkweek uit vijf werkdagen bestaat.
4.
De ambtenaar van politie die onmiddellijk voorafgaand aan zijn aanstelling als ambtenaar van politie in dienst van de staat of het openbaar lichaam Bonaire, Sint Eustatius of Saba werkzaam was, anders dan als ambtenaar behorende tot het onderwijzend personeel of als personeelslid van het gesubsidieerde onderwijs, of die op dat moment bij een publiekrechtelijke instelling dan wel bij een door de staat of het openbaar lichaam Bonaire, Sint Eustatius of Saba in het leven geroepen privaatrechtelijke rechtspersoon werkzaam was, behoudt bij zijn aanstelling aanspraak op de door hem niet-genoten vakantieuren waarop hij tot en met december van het kalenderjaar voorafgaand aan het kalenderjaar waarin zijn aanstelling plaatsvindt, aanspraak had overeenkomstig de voorafgaand aan de aanstelling voor hem geldende voorschriften.
1.
Bij beëindiging of aanvang van de aanstelling in de loop van een kalenderjaar, wordt de aanspraak op vakantie-uren op grond van artikel 33 vastgesteld naar evenredigheid van de tijd dat de ambtenaar van politie in dat kalenderjaar werkzaamheden heeft verricht of zal verrichten.
2.
Voor de ambtenaar van politie voor wie de geldende werktijd korter is dan de gebruikelijke volledige werktijd, wordt het aantal vakantie-uren, genoemd in artikel 33, eerste lid, vermenigvuldigd met een breuk waarvan de teller bestaat uit het aantal uren van de voor hem geldende werktijd, en de noemer uit het aantal uren van de voor zijn functie gebruikelijke volledige werktijd.
3.
Indien in de loop van een kalenderjaar wijziging optreedt in de omvang van de voor de ambtenaar van politie geldende werktijd, wordt het aantal vakantie-uren waarop hij gedurende het resterende deel van dat kalenderjaar aanspraak heeft, opnieuw bepaald door het aantal vakantie-uren voor elk tijdvak van het kalenderjaar waarin de voor hem geldende werktijd gelijk is, afzonderlijk vast te stellen en hiervan de som te berekenen. Het aantal vakantie-uren waarop de ambtenaar van politie gedurende elk tijdvak van het kalenderjaar aanspraak heeft, wordt berekend door het aantal maanden dat dat tijdvak heeft geduurd, te delen door 12 en het quotiënt te vermenigvuldigen met het aantal vakantie-uren waarop hij aanspraak zou hebben, indien het een volledig kalenderjaar betroffen zou hebben.
4.
Het aantal vakantie-uren waarop de ambtenaar van politie na toepassing van dit artikel over een kalenderjaar aanspraak heeft, wordt zo nodig naar boven afgerond op hele uren.
1.
Over kalendermaanden gedurende welke de ambtenaar van politie in het geheel geen werkzaamheden verricht, met uitzondering van de eerste kalendermaand, heeft hij geen aanspraak op vakantie-uren.
2.
Over kalendermaanden gedurende welke de ambtenaar van politie gedeeltelijk werkzaamheden verricht, heeft hij aanspraak op vakantie-uren naar evenredigheid van het gedeelte van de kalendermaand dat hij werkzaamheden verricht.
3.
Vermindering, bedoeld in het eerste en tweede lid, vindt niet plaats bij:
a. verleende vakantie-uren;
b. niet aan schuld of nalatigheid van de ambtenaar van politie te wijten ziekte of ongeval, voor zover de verhindering tot dienstverrichting korter duurt dan 26 weken dan wel 52 weken in geval van verhindering tot dienstverrichting wegens een dienstongeval;
c. zwangerschaps- en bevallingsverlof, bedoeld in artikel 72;
d. verblijf in militaire dienst wegens herhalingsoefening;
e. vrijstelling op grond van artikel 45;
f. buitengewoon verlof van korte duur op grond van de artikelen 48, 50, 51, 52 of 53;
g. andere redenen op grond waarvan Onze Minister daartoe redenen aanwezig acht.
4.
Het aantal vakantie-uren waarop de ambtenaar van politie na toepassing van dit artikel over een kalenderjaar aanspraak heeft, wordt zo nodig naar boven afgerond op hele uren.
1.
Gedurende de eerste zes maanden na de datum van aanstelling heeft de ambtenaar van politie aanspraak op vakantie-uren naar rato van 1/12 gedeelte van het conform de artikelen 33 en 34 berekende aantal vakantie-uren voor iedere volle kalendermaand dat hij zijn functie heeft uitgeoefend, tenzij hij onmiddellijk voorafgaand aan de aanstelling, een onderbreking van veertien dagen of minder buiten beschouwing gelaten, reeds ten minste zes maanden onafgebroken in dienst van de staat of het openbaar lichaam Bonaire, Sint Eustatius of Saba.
2.
Het aantal vakantie-uren waarop de ambtenaar van politie na toepassing van dit artikel over een kalenderjaar aanspraak heeft, wordt zo nodig naar beneden afgerond op hele uren.
1.
Over de tijdstippen waarop de vakantie-uren worden genoten, alsmede over de wijze waarop en de mate waarin deze gesplitst opgenomen kunnen worden, wordt door Onze Minister beslist met inachtneming van dit artikel.
2.
Bij het nemen van de beslissing wordt zoveel mogelijk rekening gehouden met de wensen van de ambtenaar van politie.
3.
Indien de ambtenaar van politie daarom vraagt en de dienst dat toelaat, kan in een kalenderjaar maximaal de helft van het aantal vakantie-uren waarop hij per kalenderjaar aanspraak heeft, gesplitst worden verleend.
4.
Door Onze Minister kan een, zonodig per politiedienstonderdeel verschillend, minimum aantal aaneengesloten vakantie-uren worden vastgesteld dat op een zelfde dag als vakantie-uren toe gekend kan worden. Dit aantal kan niet hoger worden gesteld dan het voor de ambtenaar van politie volgens de voor hem geldende werktijd op een dag vastgestelde aantal werkuren.
1.
Indien de ambtenaar van politie tijdens een verleende vakantie blijkens een geneeskundige verklaring gedurende een of meer werkuren arbeidsongeschikt is geweest, wordt het aantal vakantie-uren dat overeenkomt met het aantal werkuren gedurende welke hij arbeidsongeschikt is geweest, beschouwd niet als vakantie te zijn genoten, en wordt hem vrijstelling, bedoeld in artikel 44, eerste lid, onder b, verleend.
2.
De niet-genoten vakantie-uren, bedoeld in het eerste lid, worden opnieuw verleend met in achtneming van deze paragraaf.
1.
Indien de ambtenaar van politie in een kalenderjaar de vakantie niet of niet geheel is verleend, worden hem de niet-genoten vakantie-uren in het volgende kalenderjaar aaneengesloten verleend. De vakantie-uren van het voorgaande jaar en de vakantie-uren van het lopende jaar worden aaneengesloten genoten tenzij de ambtenaar van politie te kennen geeft laatstbedoelde vakantie-uren in het daarop volgende kalenderjaar te willen opnemen. Vakantie-uren over meer dan twee kalenderjaren kunnen niet aaneengesloten worden verleend. Artikel 37, derde en vierde lid, is onverkort van toepassing.
2.
Behoudens in het in het derde lid genoemde geval, verliest de ambtenaar van politie zijn aanspraak op de door hem niet-genoten vakantie-uren die betrekking hebben op het kalenderjaar voorafgaand aan het afgelopen kalenderjaar.
3.
Indien de toestemming tot het opnemen van vakantie-uren geheel of gedeeltelijk is geweigerd of ingetrokken, behoudt de ambtenaar van politie zijn aanspraak op de niet-genoten vakantie-uren. Weigering of intrekking van de toestemming tot het opnemen van vakantie-uren kan tot maximaal 12 maanden uitstel daarvan leiden.
4.
Behalve in het geval dat de aanstelling wegens ontslag eindigt, kan de ambtenaar van politie in een kalenderjaar nooit meer vakantie worden verleend dan tweemaal het hem ingevolge artikel 33 toekomende aantal vakantie-uren.
5.
In geval van intrekking van de toestemming tot het opnemen van vakantie-uren worden de vakantie-uren op een dag waarop de ambtenaar van politie deze uren als gevolg van de intrekking slechts gedeeltelijk heeft genoten, niet als vakantie-uren aangemerkt.
6.
Indien de ambtenaar van politie als gevolg van een intrekking geldelijke schade lijdt, wordt die schade hem vergoed ten laste van de staat.
1.
Indien de ambtenaar van politie in een kalenderjaar meer vakantie-uren heeft genoten dan hem ingevolge deze paragraaf toekomen, wordt het meerdere verrekend met de hem over één of meer volgende kalenderjaren toekomende vakantie-uren, met dien verstande dat in een kalenderjaar de vakantie-uren verminderd mogen worden met maximaal een derde gedeelte van het aantal vakantie-uren, waarop de ambtenaar van politie ingevolge artikel 33 aanspraak heeft.
2.
Het aantal vakantie-uren waarop de ambtenaar van politie na toepassing van dit artikel over een kalenderjaar aanspraak heeft, wordt zo nodig naar boven afgerond op hele uren.
1.
Indien de ambtenaar van politie bij zijn overlijden nog aanspraak had op vakantie-uren wordt aan zijn weduwe of weduwnaar zo spoedig mogelijk door Onze Minister een bedrag uitbetaald gelijk aan het bedrag aan bezoldiging dat hem zou zijn uitgekeerd gedurende de vakantie-uren, indien deze zouden zijn genoten. Bij de vaststelling van het aantal uren vindt artikel 35 geen toepassing.
2.
Indien de overleden ambtenaar van politie geen weduwe of weduwnaar nalaat, geschiedt de uitbetaling ten behoeve van de minderjarige wettige of natuurlijke kinderen ten aanzien van wie familierechtelijke betrekkingen bestaan. Ontbreken zodanige kinderen dan geschiedt de uitbetaling ten behoeve van zijn ouders, zusters, broers, meerderjarige wettige of natuurlijke kinderen ten aanzien van wie familierechtelijke betrekkingen bestaan, dan wel stief- of pleegkinderen, indien de overledene in overwegende mate in het levensonderhoud van voornoemde betrekkingen voorzag.
3.
Laat de overleden ambtenaar van politie ook geen betrekkingen na als genoemd in het tweede lid, dan wordt het bedrag aangewend voor de betaling van de kosten van de laatste ziekte en lijkbezorging, voor zover de nalatenschap van de overledene voor de betaling van die kosten ontoereikend is.
1.
Aanspraken op nietgenoten vakantie-uren vervallen op de datum van ingang van ontslag van de ambtenaar van politie. Indien de ambtenaar van politie uiterlijk veertien dagen daarna weer in dienst treedt, kan hij alsnog aanspraak maken op de niet-genoten vakantie-uren van het lopende kalenderjaar.
2.
Indien op de dag van ontslag blijkt, dat de ambtenaar van politie teveel vakantie-uren heeft genoten, is hij voor ieder te veel genoten vakantie-uur schuldig een bedrag gelijk aan de bezoldiging die hij genoot per werkuur onmiddellijk voorafgaand aan het ontslag.
1.
Tenzij anders is bepaald bij dit besluit of bij of krachtens de Ambtenarenwet BES , wordt de vrijstelling van dienst verleend met behoud van volle bezoldiging.
2.
In afwijking van artikel 1, onder c, wordt in dit hoofdstuk onder ambtenaar van politie verstaan: ambtenaar van politie, met uitzondering van de vrijwillige ambtenaar van politie.
1.
Vrijstelling van dienst, te verlenen door Onze Minister, geniet de ambtenaar van politie die:
a. als militair in werkelijke dienst is voor herhalingsoefening;
b. uit hoofde van ziekte of ongeval verhinderd is zijn functie uit te oefenen.
2.
Aan de ambtenaar van politie wordt door Onze Minister vrijstelling van dienst verleend, voor zover hij op één van de in artikel 26, vijfde lid, genoemde dagen, tenzij het een zaterdag of een zondag betreft:
a. werkzaamheden heeft verricht;
b. een roostervrije dag heeft genoten als bedoeld in artikel 26, tweede lid, onder b;
c. verlof heeft genoten als vergoeding voor verricht overwerk.
3.
De dag waarop vrijstelling van dienst, bedoeld in het tweede lid, wordt verleend, wordt vastgesteld door Onze Minister. Bij de vaststelling wordt zoveel mogelijk rekening gehouden met de wensen van de ambtenaar van politie.
4.
Voor de toepassing van het tweede lid wordt het verrichten van werkzaamheden gedurende ten hoogste de helft van de voor de ambtenaar van politie geldende gemiddelde dagelijkse diensttijd gelijkgesteld met dienst gedurende een halve dag en wordt het verrichten van werkzaamheden gedurende meer dan de helft van de voor de ambtenaar van politie geldende gemiddelde dagelijkse diensttijd gelijkgesteld met dienst gedurende een hele dag.
1.
De ambtenaar van politie, geniet, voor zover het dienstbelang dat toelaat, vrijstelling van dienst, te verlenen door Onze Minister, indien het politiedienstonderdeel op een daartoe aangewezen kerkelijke, landelijke of eilandelijke feest- of gedenkdag gesloten is.
2.
Aan de ambtenaar van politie wordt door Onze Minister vrijstelling van dienst verleend op een andere werkdag, voor zover hij op één van de in het eerste lid bedoelde dagen:
a. werkzaamheden heeft verricht;
b. een roostervrije dag als bedoeld in artikel 26, tweede lid, onderdeel b, heeft genoten;
c. verlof heeft genoten als vergoeding voor verricht overwerk.
3.
Artikel 44, derde en vierde lid, is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 46
[Vervallen]
1.
Aan de ambtenaar van politie, met uitzondering van de vrijwillige ambtenaar van politie, wordt in de gevallen en onder de voorwaarden genoemd in dit hoofdstuk, buitengewoon verlof verleend door Onze Minister.
2.
Door Onze Minister kunnen nadere regels worden gesteld omtrent het aanvragen en verlenen van buitengewoon verlof.
Artikel 48
Tenzij dringende redenen van dienstbelang zich daar tegen verzetten, wordt de ambtenaar van politie, voor zover dat niet in zijn vrije tijd kan geschieden en omzetting van de dienst niet mogelijk is, buitengewoon verlof verleend voor de uitoefening van het kiesrecht en voor het voldoen aan een wettelijke verplichting.
1.
Aan de ambtenaar van politie die tot lid van een van de eilandsraden van de openbare lichamen is verkozen, wordt op zijn verzoek buitengewoon verlof, met behoud van vol inkomen, verleend voor het bijwonen van vergaderingen van de eilandsraad, alsmede het maken van reizen in of buiten de openbare lichamen in zijn hoedanigheid van lid van de eilandsraad.
2.
Het eerste lid is niet van toepassing op de ambtenaar die op non-actief is gesteld of tijdelijk is ontheven van de waarneming van zijn ambt of functie in verband met het lidmaatschap van de eilandsraad van een openbaar lichaam.
3.
Aan de ambtenaar van politie wordt op zijn verzoek buitengewoon verlof met behoud van volle bezoldiging verleend voor het bijwonen van vergaderingen van of het verrichten van werkzaamheden voor publiekrechtelijke college’s of commissies waarin hij is benoemd of waarvoor hij is aangewezen, voor zover dat niet in zijn vrije tijd kan geschieden.
4.
[Vervallen]
1.
Tenzij dringende redenen van dienstbelang zich daar tegen verzetten, wordt jaarlijks tot ten hoogste 120 werkuren buitengewoon verlof met behoud van volle bezoldiging verleend voor het bijwonen van vergaderingen van statutaire organen van verenigingen van ambtenaren, van centrale organisaties waarbij die verenigingen zijn aangesloten, of van internationale ambtenarenorganisaties, mits de ambtenaar van politie hieraan deelneemt:
a. indien het betreft vergaderingen van verenigingen van ambtenaren, als bestuurslid van die vereniging;
b. indien het betreft vergaderingen van centrale organisaties waarbij verenigingen van ambtenaren zijn aangesloten, als bestuurslid van die centrale organisatie dan wel als afgevaardigde of bestuurslid van een bij die centrale organisatie aangesloten vereniging van ambtenaren;
c. indien het betreft vergaderingen van een internationale ambtenarenorganisatie, als bestuurslid van die organisatie dan wel als afgevaardigde of bestuurslid van een bij die organisatie aangesloten vereniging van ambtenaren.
2.
Tenzij dringende redenen van dienstbelang zich daartegen verzetten, wordt tot ten hoogste 208 werkuren per kalenderjaar buitengewoon verlof met behoud van volle bezoldiging verleend aan de ambtenaar van politie die door een vereniging, bedoeld in het eerste lid, is aangewezen om bestuurlijke of vertegenwoordigende activiteiten te ontplooien binnen zijn vereniging of binnen de politiedienst, die ertoe strekken om de doelstellingen van zijn vereniging te ondersteunen.
3.
Tenzij dringende redenen van dienstbelang zich daartegen verzetten, wordt de ambtenaar van politie buitengewoon verlof met behoud van volle bezoldiging verleend voor het deelnemen aan een cursus op uitnodiging van een vereniging, bedoeld in het eerste lid, of van een centrale organisatie waarbij die vereniging is aangesloten, met dien verstande dat dit verlof maximaal 48 werkuren per twee jaar bedraagt.
4.
Het aantal werkuren dat op grond van het eerste, tweede en derde lid aan een ambtenaar van politie verleend kan worden, bedraagt tezamen ten hoogste 240 werkuren per kalenderjaar, met dien verstande dat ten hoogste 320 werkuren per kalenderjaar worden verleend aan leden van het bestuur van een vereniging, bedoeld in het eerste lid, of van een centrale organisatie waarbij die vereniging is aangesloten.
5.
Het verlof, bedoeld in het eerste tot en met het vierde lid, wordt slechts verleend aan ambtenaren van politie die lid zijn van een vereniging van ambtenaren die vertegenwoordigd is in de Sectorale Overlegcommissie BES.
6.
Tenzij dringende redenen van dienstbelang zich daar tegen verzetten, wordt buitengewoon verlof met behoud van volle bezoldiging verleend voor het bijwonen als lid van vergaderingen van de Sectorale Overlegcommissie BES.
Artikel 51
Tenzij dringende redenen van dienstbelang zich daar tegen verzetten, wordt de ambtenaar van politie buitengewoon verlof met behoud van volle bezoldiging verleend:
a. voor het zoeken van een woning indien het dienstbelang de verhuizing vordert: ten hoogste twee werkdagen;
b. voor verhuizing uit hoofde van het dienstbelang: twee werkdagen, zonodig, indien betrokkene een eigen huishouding voert en het een verhuizing naar een ander eilandgebied betreft, te verlengen met twee werkdagen;
c. voor verhuizing, anders dan uit hoofde van dienstbelang, indien betrokkene een eigen huishouding voert: éénmaal per kalenderjaar ten hoogste twee werkdagen.
Artikel 52
Tenzij dringende redenen van dienstbelang zich daar tegen verzetten, wordt de ambtenaar van politie buitengewoon verlof met behoud van volle bezoldiging verleend:
a. bij zijn ondertrouw: op de dag zelf;
b. bij zijn huwelijk: vier werkdagen;
c. tot het bijwonen van een huwelijk van bloed- of aanverwanten in de eerste en tweede graad: op de dag zelf;
d. bij ernstige ziekte van zijn echtgenote, ouders, stiefouders, pleegouders, schoonouders, kinderen, stiefkinderen, pleegkinderen of aangehuwde kinderen: ten hoogste vijftien werkdagen. Indien dit aantal in bepaalde omstandigheden niet toereikend is, kan artikel 55 toepassing vinden;
e. bij het overlijden van:
1. de onder d genoemde personen: twee werkdagen;
2. bloed of aanverwanten tot en met de derde graad: een werkdag;
f. indien betrokkene, in het geval bedoeld onder e, is belast met de regeling van de lijkbezorging of de nalatenschap dan wel met beide: ten hoogste vier werkdagen;
g. bij de bevalling van zijn echtgenote: ten hoogste twee werkdagen;
h. op de dag van zijn 10-, 20-, 30- en 40-jarig ambtsjubileum;
i. bij zijn 25 of 40jarig huwelijksjubileum en bij het 25, 40, 50 of 60jarig huwelijksjubileum van zijn ouders, stiefouders, pleegouders, schoonouders of grootouders: op de dag zelf;
j. bij de doop, besnijdenis, kerkelijke bevestiging en Eerste Heilige Communie van betrokkene of zijn echtgeno(o)t(e), kinderen, stiefkinderen, pleegkinderen of aangehuwde kinderen: op de dag zelf.
Artikel 53
Tenzij dringende redenen van dienstbelang zich daar tegen verzetten, wordt de ambtenaar van politie buitengewoon verlof met behoud van volle bezoldiging verleend:
a. voor het afleggen van een examen voor het behalen van een diploma dat voor de uitoefening van zijn functie van belang kan worden geacht;
b. voor het zitting nemen in examencommissies op politiegebied: voor ten hoogste tien werkdagen per kalenderjaar.
1.
De ambtenaar van politie die zorg draagt voor een persoon genoemd in het vierde lid, heeft aanspraak op buitengewoon verlof wegens calamiteiten met behoud van volle bezoldiging.
2.
Onder calamiteit wordt verstaan ziekte of een andere onverwachte gebeurtenis waardoor een noodsituatie ontstaat in de verzorging van een in het vierde lid genoemde persoon.
3.
Het verlof is bedoeld voor de eerste opvang en het treffen van verdere voorzieningen en bedraagt maximaal 8 werkuren per calamiteit voor maximaal 3 calamiteiten per kalenderjaar.
4.
De personen voor wier verzorging het buitengewoon verlof kan worden verleend zijn: de echtgenote, ouders, stiefouders, pleegouders, schoonouders, kinderen, stiefkinderen, pleegkinderen en aangehuwde kinderen van de ambtenaar van politie.
5.
De ambtenaar van politie informeert Onze Minister vooraf over het opnemen van het verlof onder opgave van de reden.
6.
Onze Minister kan verlangen dat de ambtenaar van politie achteraf aannemelijk maakt dat sprake was van een noodsituatie. Indien betrokkene daar naar het oordeel van Onze Minister niet in slaagt, worden de opgenomen uren in mindering gebracht op zijn vakantie-uren.
1.
Buitengewoon verlof van korte duur kan verder voor ten hoogste 522 werkuren per kalenderjaar worden verleend, indien Onze Minister van oordeel is dat daartoe aanleiding bestaat.
2.
Tijdens dit buitengewoon verlof heeft de ambtenaar van politie aanspraak op volle bezoldiging gedurende de eerste 174 werkuren en op vijftig procent van zijn volle bezoldiging gedurende de overige werkuren.
3.
Het buitengewoon verlof kan voor zover dat is verleend voor meer dan 174 werkuren, indien dringende redenen van dienstbelang dat vorderen, door Onze Minister worden ingekort tot minimaal 174 werkuren.
4.
Indien de ambtenaar van politie schade lijdt door de inkorting wordt de geldelijke schade hem ten laste van de staat vergoed.
5.
Onze Minister kan nadere regels stellen omtrent de gevallen waarin het eerste lid toegepast kan worden.
Artikel 56
De ambtenaar van politie die als militair in werkelijke dienst is, anders dan voor herhalingsoefening, is van rechtswege met buitengewoon verlof van lange duur zonder behoud van bezoldiging, tenzij Onze Minister anders bepaalt.
1.
Aan de ambtenaar van politie, anders dan de aspirant, kan op zijn verzoek, met inachtneming van deze paragraaf, al dan niet onder bepaalde voorwaarden buitengewoon verlof van lange duur worden verleend.
2.
Het buitengewoon verlof gaat niet in dan nadat betrokkene het verlof met de daaraan verbonden voorwaarden heeft aanvaard.
3.
Het buitengewoon verlof kan voor zover dat is verleend voor meer dan 522 werkuren, indien dringende redenen van dienstbelang dat vorderen, door Onze Minister worden ingekort tot minimaal 552 werkuren.
4.
Indien de ambtenaar van politie, bedoeld in het eerste lid, schade lijdt door de inkorting wordt de geldelijke schade hem ten laste van de staat vergoed.
1.
Indien het verlof, bedoeld in artikel 57, uitsluitend strekt tot het persoonlijk belang van de ambtenaar van politie, kan dit slechts worden verleend zonder behoud van bezoldiging en voor ten hoogste zes maanden.
2.
Indien het verlof, bedoeld in artikel 57, ten doel heeft de ambtenaar van politie in de gelegenheid te stellen een andere functie buiten de politiedienst te gaan vervullen en met de verlofverlening niet alleen het persoonlijk belang van betrokkene maar ook het algemeen belang wordt gediend, kan dit worden verleend zonder behoud van bezoldiging en voor ten hoogste een jaar.
Artikel 59
Indien het verlof, bedoeld in artikel 57, ten doel heeft de ambtenaar van politie in de gelegenheid te stellen op te treden als bezoldigd bestuurder van een vereniging van ambtenaren, bedoeld in artikel 50, vijfde lid, dan wel van een centrale organisatie of internationale ambtenarenorganisatie waarbij die vereniging is aangesloten, wordt dit verleend zonder behoud van bezoldiging en voor ten hoogste twee jaar.
1.
Indien het verlof, bedoeld in artikel 57, ten doel heeft de ambtenaar van politie in de gelegenheid te stellen, anders dan in vaste dienst, hetzij een functie bij een volkenrechtelijke organisatie te vervullen hetzij als deskundige tijdelijk ten behoeve van Nederland, Aruba, Curaçao, Sint Maarten of een vreemde mogendheid werkzaam te zijn en met de verlofverlening het algemeen belang in overwegende mate wordt gediend, kan dit voor ten hoogste drie jaar, al dan niet met behoud van volle bezoldiging, worden verleend.
2.
In afwijking van het eerste lid kan de ambtenaar van politie die wenst te worden uitgezonden om in burgerlijke landsdienst van Nederland, Aruba, Curaçao of Sint Maarten tijdelijk een functie te vervullen, buitengewoon verlof worden verleend op basis van het West-Indisch Detacheringsbesluit 1930.
1.
De ambtenaar van politie die na afloop van een hem verleend buitengewoon verlof van lange duur en zonder dat dit is verlengd, zijn werkzaamheden niet hervat, wordt gelijk behandeld als een ambtenaar van politie die een aanvraag tot ontslag heeft ingediend.
2.
Het eerste lid is niet van toepassing, indien de ambtenaar van politie binnen een termijn van drie maanden ten genoege van Onze Minister aannemelijk maakt, dat hij een geldige reden had om zijn werkzaamheden niet te hervatten. Alsdan wordt het verlof verlengd tot het tijdstip waarop de bedoelde reden heeft opgehouden te bestaan.
Artikel 61a
In afwijking van artikel 1, onder c, wordt in dit hoofdstuk, paragrafen 1, 2 en 3 onder ambtenaar van politie verstaan: ambtenaar van politie, met uitzondering van de vrijwillige ambtenaar van politie.
1.
De ambtenaar van politie die wegens ziekte of ongeval verhinderd is zijn werkzaamheden te verrichten, geeft daarvan onverwijld kennis aan het hoofd van dienst.
2.
Het hoofd van dienst kan van de ambtenaar van politie overlegging vragen van een geneeskundige verklaring. Ter verkrijging van een vrijstelling van dienst wegens ziekte van meer dan drie achtereenvolgende dagen is overlegging van een geneeskundige verklaring verplicht.
1.
De ambtenaar van politie die wegens ziekte of ongeval verhinderd is zijn werkzaamheden te verrichten, wordt vrijstelling van dienst wegens ziekte, bedoeld in artikel 44, verleend.
2.
De aanvankelijke duur van de vrijstelling van dienst wegens ziekte is ten hoogste zes maanden. Deze termijn kan telkens met ten hoogste zes maanden worden verlengd.
3.
De duur van de vrijstelling van dienst wegens ziekte, inbegrepen de verlenging daarvan, is ten hoogste vier jaren voor de ambtenaar van politie in vaste dienst en ten hoogste een jaar voor de ambtenaar van politie in tijdelijke dienst.
4.
Gedurende de vrijstelling van dienst wegens ziekte heeft de ambtenaar van politie aanspraak op een bezoldiging naar reden van:
a. voor de ambtenaar van politie in vaste dienst:
zijn volle bezoldiging gedurende de eerste vierentwintig maanden;
negentig procent van zijn volle bezoldiging gedurende de daaropvolgende twaalf maanden;
tachtig procent van zijn volle bezoldiging gedurende de resterende maanden.
b. voor de ambtenaar van politie in tijdelijke dienst: zijn volle bezoldiging
5.
Tijdens de vrijstelling van dienst wegens ziekte ondergaat de bezoldiging van de ambtenaar van politie dezelfde wijzigingen, welke deze zou ondergaan indien hij niet verhinderd zou zijn om zijn werkzaamheden te verrichten.
6.
Een opnieuw ingetreden verhindering tot dienstverrichting wegens ziekte of ongeval wordt voor het bepalen van de in het tweede en vierde lid genoemde termijn als een voortzetting van de vorige verhindering aangemerkt, tenzij die verhindering zich voordoet nadat dertig kalenderdagen zijn verstreken sedert de ambtenaar van politie zijn werkzaamheden volledig heeft hervat.
1.
De ambtenaar van politie heeft geen aanspraak op doorbetaling van inkomsten:
a. indien de ziekte of het ongeval is voorgewend, althans zodanig overdreven is voorgesteld dat verhindering tot dienstverrichting wegens ziekte of ongeval redelijkerwijs niet kan worden aangenomen;
b. indien de ambtenaar van politie de verhindering tot dienstverrichting wegens ziekte of ongeval opzettelijk heeft veroorzaakt of verergerd, tenzij hem daarvan op grond van zijn psychische toestand redelijkerwijs geen verwijt gemaakt kan worden;
c. indien de ziekte of het ongeval is veroorzaakt door of het gevolg is van een kwaal of lichaamsgebrek waarover de ambtenaar van politie voor of bij zijn aanstelling opzettelijk heeft gezwegen of waaromtrent hij toen opzettelijk valse inlichtingen heeft verstrekt;
d. indien hij tijdens de verhindering tot dienstverrichting wegens ziekte of ongeval voor zichzelf of voor derden arbeid verricht, tenzij dit door de geneeskundige, genoemd in artikel 66, de bezwaarcommissie, genoemd in artikel 67, de geneeskundige commissie, de geneeskundige in dienst van de overheid dan wel de andere geneeskundige(n), genoemd in artikel 68, of de herkeuringscommissie, genoemd in artikel 70, wenselijk wordt geacht in het belang van het genezingsproces.
2.
De betaling van de inkomsten wordt gestopt vanaf de dag waarop en zolang de ambtenaar van politie:
a. weigert zich te onderwerpen aan een geneeskundig onderzoek vanwege de dienst of, na voor een dergelijk onderzoek te zijn opgeroepen, zonder geldige reden niet verschijnt;
b. zonder voldoende grond nalaat zich onder geneeskundige behandeling te stellen of te blijven, dan wel zich niet houdt aan de voorschriften hem door zijn behandelend geneeskundige gegeven, uitgezonderd voorschriften inhoudende het verlenen van medewerking aan een ingreep van heelkundige aard;
c. zich zodanig gedraagt dat zijn genezing wordt belemmerd of vertraagd;
d. in gebreke blijft op het door de geneeskundige genoemd in artikel 66, de bezwaarcommissie, genoemd in artikel 67, de geneeskundige commissie, de geneeskundige in dienst van de overheid dan wel de andere geneeskundige(n), genoemd in artikel 68, of de herkeuringscommissie, genoemd in artikel 70, bepaalde tijdstip en in de door hen bepaalde mate zijn dienstverrichting te hervatten, tenzij hij daarvoor een inmiddels opgekomen door evengenoemde geneeskundige(n) of commissie(s) als geldig erkende reden heeft opgegeven.
3.
De betaling van de inkomsten kan bovendien geheel of gedeeltelijk worden gestopt, indien de ambtenaar van politie zich niet houdt aan eventuele door Onze Minister vastgestelde controlevoorschriften.
4.
In de in het eerste lid genoemde gevallen kan Onze Minister op grond van bijzondere omstandigheden bepalen, dat de ingehouden inkomsten geheel of gedeeltelijk wordt uitbetaald aan de betrekkingen van de ambtenaar van politie, genoemd in artikel 54.
1.
De ambtenaar van politie kan aan een geneeskundig onderzoek worden onderworpen vanwege de dienst ter beoordeling van de vraag:
a. of sprake is van verhindering tot dienstverrichting wegens ziekte of ongeval;
b. of zich een omstandigheid voordoet, bedoeld in artikel 65, eerste en tweede lid;
c. of maatregelen in het belang van herstel nodig zijn;
d. wanneer en in welke mate de werkzaamheden hervat kunnen worden.
2.
De vanwege de dienst optredende geneeskundige deelt zijn oordeel terstond mee aan de ambtenaar van politie en stelt het hoofd van dienst zo spoedig mogelijk ter zake schriftelijk in kennis.
1.
De ambtenaar van politie die zich niet kan verenigen met het medisch oordeel, bedoeld in artikel 66, kan daartegen binnen driemaal 24 uur nadat dit oordeel schriftelijk te zijner kennis is gebracht, bij Onze Minister een met redenen omkleed bezwaarschrift indienen.
2.
Desgevraagd wordt hij in de gelegenheid gesteld een mondelinge toelichting te geven. Hij kan zich laten bijstaan door een raadsman.
3.
Behalve indien Onze Minister, na overleg met de geneeskundige, bedoeld in artikel 66, het bezwaar van de ambtenaar van politie reeds aanstonds gegrond acht, wordt binnen twee weken na ontvangst daarvan een nieuw geneeskundig onderzoek verricht door een door Onze Minister ingestelde bezwaarcommissie bestaande uit drie geneeskundigen. De geneeskundige, bedoeld in artikel 66, kan geen deel uit maken van de bezwaarcommissie.
4.
De bezwaarcommissie deelt haar oordeel zo spoedig mogelijk schriftelijk mee aan de ambtenaar van politie, Onze Minister en het hoofd van dienst.
5.
De kosten verbonden aan de uitvoering van dit artikel komen voor rekening van de staat.
1.
Vrijstelling van dienst wegens ziekte van meer dan dertig dagen of verlenging daarvan waardoor die vrijstelling van langere duur wordt dan dertig dagen, wordt slechts verleend indien uit een schriftelijke verklaring van een door Onze Minister ingestelde geneeskundige commissie, bestaande uit drie geneeskundigen, blijkt dat de betrokken ambtenaar van politie wegens ziekte of ongeval verhinderd is dienst te verrichten.
2.
In de schriftelijke verklaring wordt aangegeven:
a. wanneer en in welke mate de werkzaamheden hervat kunnen worden;
b. of zich een omstandigheid voordoet als bedoeld in artikel 65, eerste en tweede lid;
c. of maatregelen in het belang van herstel nodig zijn, waaronder begrepen aanpassing van de huidige functie en plaatsing in een andere functie, bedoeld in artikel 71. Indien verblijf buiten de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba noodzakelijk is, wordt daarvan mededeling gedaan, onder opgave van de plaats van verblijf en de wijze waarop de reis daarheen moet plaats vinden.
3.
In afwijking van het eerste lid kan Onze Minister een ambtenaar van politie vrijstelling van dienst wegens ziekte of verlenging daarvan verlenen op grond van een schriftelijke verklaring van een geneeskundige in dienst van de overheid.
4.
Indien een ambtenaar van politie als zodanig of in verband met het bekleden van een functie bedoeld in artikel 60, buiten de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba verblijft, kan Onze Minister, in afwijking van het eerste lid, vrijstelling van dienst wegens ziekte of verlenging daarvan verlenen:
a. indien de ambtenaar van politie zich in Europa bevindt, op grond van een schriftelijke verklaring van een door Onze Minister in Nederland aangewezen geneeskundige;
b. indien de ambtenaar van politie zich elders bevindt, op grond van een schriftelijke verklaring van een door Onze Minister aangewezen geneeskundige.
5.
De kosten verbonden aan de uitvoering van dit artikel komen voor rekening van de staat.
1.
De ambtenaar van politie aan wie vrijstelling van dienst wegens ziekte is verleend voor een duur van drie of meer maanden, mag zijn werkzaamheden niet geheel of gedeeltelijk hervatten dan nadat uit een schriftelijke verklaring van de geneeskundige commissie, de geneeskundige in dienst van de overheid dan wel de andere geneeskundige(n), genoemd in artikel 68, blijkt dat betrokkene medisch is onderzocht en in staat is bevonden tot gehele of gedeeltelijke hervatting van zijn werkzaamheden.
2.
De ambtenaar van politie die aan het einde van de in artikel 64 genoemde maximum-duur voor vrijstelling van dienst wegens ziekte volgens een schriftelijke verklaring van de geneeskundige commissie, de geneeskundige in dienst van de overheid of de andere geneeskundige(n), genoemd in artikel 68, niet in staat is bevonden tot volledige hervatting van de dienstverrichting, kan, behoudens in het in het vierde lid genoemde geval, ontslag worden verleend conform artikel 71.
3.
Alvorens de schriftelijke verklaring op te stellen, onderwerpt de geneeskundige-commissie, de geneeskundige in dienst van de overheid of de andere geneeskundige(n), genoemd in artikel 68, de ambtenaar van politie aan een medisch onderzoek. In de verklaring wordt tevens ingegaan op de mogelijkheid tot aanpassing van de huidige functie en plaatsing in een andere functie, bedoeld in artikel 71.
4.
Indien de geneeskundige commissie, de geneeskundige in dienst van de overheid dan wel de andere geneeskundige(n), genoemd in artikel 68, van oordeel is dat hervatting van de werkzaamheden door de ambtenaar van politie niet mogelijk is wegens een opgekomen ziekte of ongeval van voorbijgaande aard, wordt voor de duur van die ziekte of dat ongeval alsnog vrijstelling van dienst wegens ziekte verleend met behoud van 70 procent van de volle bezoldiging.
5.
De kosten verbonden aan de uitvoering van dit artikel komen voor rekening van de staat.
1.
Van een medisch oordeel krachtens artikel 68 of 69, staat binnen zes weken nadat de ambtenaar van politie daarvan schriftelijk in kennis is gesteld, beroep open bij een door de Onze Minister ingestelde herkeuringscommissie bestaande uit drie geneeskundigen. Een van de geneeskundigen wordt aangewezen door de ambtenaar van politie.
2.
Het beroep moet schriftelijk en met redenen omkleed worden ingediend. Het beroepschrift vermeld tevens de naam en het adres van de geneeskundige die door de ambtenaar van politie voor benoeming in de herkeuringscommissie wordt aangewezen.
3.
De leden van de herkeuringscommissie mogen niet betrokken zijn geweest bij het medisch oordeel, waartegen beroep is ingesteld.
4.
De herkeuringscommissie deelt haar oordeel zo spoedig mogelijk schriftelijk mee aan de ambtenaar van politie, Onze Minister en het hoofd van dienst.
5.
De kosten verbonden aan de uitvoering van dit artikel komen voor rekening van de staat.
1.
De ambtenaar van politie kan eervol ontslag worden verleend op grond van blijvende ongeschiktheid voor de verdere vervulling van zijn ambt wegens ziekte of gebreken, indien:
a. de maximum-duur van de vrijstelling van dienst wegens ziekte, genoemd in artikel 64 juncto 69, tweede lid, is verstreken; en
b. ter zake van de ongeschiktheid wegens ziekte of ongeval een geneeskundig onderzoek is ingesteld als bedoeld in artikel 69, waaronder begrepen een eventuele heroverweging door de herkeuringscommissie, bedoeld in artikel 70; en
c. het na een zorgvuldig onderzoek niet mogelijk is gebleken om de ambtenaar van politie, mede rekening houdend met zijn persoonlijkheid en omstandigheden, zijn huidige functie in aangepaste vorm of een andere passende functie binnen de politiedienst op te dragen, dan wel indien hij geweigerd heeft een dergelijke functie te aanvaarden.
2.
Onder andere passende functie, bedoeld in het eerste lid, onder c, wordt verstaan:
a. gedurende het eerste jaar dat de ambtenaar van politie ongeschikt is tot het uitoefenen van zijn functie wegens ziekte of ongeval: iedere functie die aansluit bij zijn opleiding en ervaring dan wel bij zijn opleidings- en ervaringsniveau;
b. na het eerste jaar: iedere functie waartoe de ambtenaar van politie, gezien zijn capaciteiten, in staat is.
3.
Indien sprake is van een plaatsing als bedoeld in het eerste lid, onder c, in een functie voor minder uren dan het aantal waarvoor de ambtenaar van politie is aangesteld, dan heeft het ontslag alleen betrekking op het meerdere aantal uren.
1.
De ambtenaar van politie heeft in verband met haar bevalling aanspraak op zwangerschaps en bevallingsverlof.
2.
De ambtenaar van politie heeft recht op zwangerschapsverlof vanaf de dag waarop de bevalling blijkens een schriftelijke verklaring van een genees- of verloskundige waarin de vermoedelijke datum van de bevalling wordt aangegeven, binnen zes weken is te verwachten. Het verlof begint in ieder geval twee weken vóór deze datum.
3.
De ambtenaar van politie heeft recht op bevallingsverlof van zes weken vanaf de dag volgend op die van de bevalling. Dit verlof wordt verlengd tot ten hoogste twaalf weken, voor zover het zwangerschapsverlof minder dan zes weken heeft bedragen.
4.
Het verlof, bedoeld in het tweede en derde lid, wordt gelijkgesteld met verhindering tot dienstverrichting wegens ziekte.
Artikel 73
Aan de vrouwelijke ambtenaar van politie die een borstkind heeft, wordt op haar verzoek de gelegenheid gegeven om het kind te voeden.
1.
In bijzondere gevallen kan de ambtenaar van politie door Onze Minister een tegemoetkoming worden verleend in de noodzakelijk voor zichzelf of zijn medebelanghebbenden gemaakte kosten die verband houden met ziekte of ongeval, indien hierin niet ingevolge een andere regeling wordt voorzien en deze kosten redelijkerwijze niet te zijnen laste horen te blijven.
2.
In geval van ziekte of ongeval die in overwegende mate zijn oorzaak vindt in de aard van de aan de ambtenaar van politie opgedragen werkzaamheden of in de bijzondere omstandigheden waaronder die moesten worden verricht, en die niet aan zijn schuld of onvoorzichtigheid te wijten is, worden hem vergoed de te zijnen laste blijvende, naar het oordeel van Onze Minister, noodzakelijk gemaakte kosten van geneeskundige behandeling of verzorging.
3.
Onze Minister kan ter uitvoering van dit artikel nadere regels stellen.
1.
Onze Minister sluit ten behoeve van de vrijwillige ambtenaar aangesteld voor de uitvoering van de politietaak een ongevallenverzekering af.
2.
De verzekering, bedoeld in het eerste lid, bevat in elk geval de bepaling dat bij blijvende arbeidsongeschiktheid aanspraak op een uitkering ineens bestaat.
3.
Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder «ongeval» en «arbeidsongeschiktheid» hetgeen daaronder wordt verstaan in de door Onze Minister ter zake gesloten ongevallenverzekering.
1.
De vrijwillige ambtenaar aangesteld voor de uitvoering van de politietaak wordt bij aanstelling in kennis gesteld van de bepalingen van de door Onze Minister te zijnen behoeve gesloten ongevallenverzekering.
2.
Van wijzigingen in de in het eerste lid bedoelde bepalingen wordt de vrijwillige ambtenaar aangesteld voor de uitvoering van de politietaak voor de inwerkingtreding ervan in kennis gesteld.
1.
De vrijwillige ambtenaar aangesteld voor de uitvoering van de politietaak die arbeidsongeschikt is, heeft, indien deze ongeschiktheid blijkens een geneeskundig onderzoek het gevolg is van een ongeval in verband met de vervulling van zijn functie, aanspraak op een uitkering overeenkomstig de bepalingen van de verzekering, bedoeld in artikel 74a, eerste lid.
2.
Hij heeft behoudens artikel 74e geen aanspraak op enige vergoeding ten laste van Onze Minister ter zake van een ongeval.
3.
Het eerste en tweede lid zijn ook van toepassing op de gewezen vrijwillige ambtenaar aangesteld voor de uitvoering van de politietaak tot het tijdstip, bedoeld in artikel 118, eerste lid, indien hij blijvend arbeidsongeschikt is.
1.
Indien een vrijwillige ambtenaar aangesteld voor de uitvoering van de politietaak ten gevolge van een ongeval in verband met de vervulling van zijn functie komt te overlijden, hebben zijn weduwe of weduwnaar aanspraak op een uitkering overeenkomstig de bepalingen van de ongevallenverzekering, bedoeld in artikel 74a, eerste lid.
2.
Artikel 14, zesde en zevende lid, is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 74e
In geval van een ongeval, ontstaan ten gevolge van de vervulling van zijn functie, ontvangt de vrijwillige ambtenaar aangesteld voor de uitvoering van de politietaak een vergoeding van de kosten van geneeskundige behandeling of verzorging die te zijnen laste blijven en die naar het oordeel van Onze Minister noodzakelijk zijn gemaakt.
Artikel 74f
Indien geen sprake is van een ongeval, maar wel van een ziekte die is ontstaan of verergerd ten gevolge van de vervulling van de functie, stelt Onze Minister ter zake een uitkering vast voor zover de verzekering, bedoeld in artikel 74a, eerste lid, daar niet in voorziet.
Artikel 74g
De artikelen 74d, 74e en 74f zijn van overeenkomstige toepassing op de gewezen vrijwillige ambtenaar aangesteld voor de uitvoering van de politietaak, voor zover deze de leeftijd, bedoeld in artikel 118, eerste lid, nog niet heeft bereikt.
1.
De vrijwillige ambtenaar aangesteld voor de uitvoering van de politietaak, wordt belast met een of meer van de volgende werkzaamheden:
a. het surveilleren, het treffen van maatregelen ter handhaving van de openbare orde en het verlenen van hulp op openbare plaatsen;
b. het opsporen van overtredingen en misdrijven waarop als hoofdstraf maximaal een gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren of een geldboete van de vierde categorie is gesteld;
c. het houden van toezicht op en het verzorgen van ingeslotenen; en
d. het verrichten van werkzaamheden op de meldkamer en de receptie van het politiebureau en van administratieve werkzaamheden.
2.
De vrijwillige ambtenaar kan tevens, met instemming van Onze Minister, worden ingezet bij specialistische werkzaamheden die niet behoren tot de werkzaamheden, bedoeld in het eerste lid, voor zover hij beschikt over de daarvoor vereiste opleiding en ervaring. Tot specialistische werkzaamheden wordt in ieder geval gerekend assistentie bij opsporingsonderzoeken naar andere misdrijven dan die bedoeld in het eerste lid, onder b.
3.
Onder ingeslotene, bedoeld in het eerste lid, onder c, wordt verstaan degene die rechtens van zijn vrijheid is beroofd. Onder ingeslotene wordt mede verstaan degene die ten behoeve van hulpverlening aan hem op het politiebureau is ondergebracht.
Artikel 74i
De vrijwillige ambtenaar aangesteld voor de uitvoering van de politietaak kan, na instemming van Onze Minister en voor zover hij beschikt over de daarvoor vereiste opleiding en ervaring, zelfstandig of onder begeleiding van een ambtenaar aangesteld voor de uitvoering van de politietaak met eenzelfde of hogere rang, werkzaamheden uitoefenen die verband houden met de volledige politietaak.
Artikel 74j
In dit hoofdstuk wordt verstaan onder ambtenaar: de ambtenaar aangesteld voor de uitvoering van de politietaak en de vrijwillige ambtenaar aangesteld voor de uitvoering van de politietaak.
1.
Een ambtenaar beschikt in een bepaald kalenderjaar slechts over een geweldmiddel, indien hij in het daaraan voorafgaande kalenderjaar met voldoende resultaat heeft afgelegd:
a. de bij regeling van Onze Minister samengestelde toets geweldsbeheersing;
b. de bij regeling van Onze Minister samengestelde toets aanhoudings- en zelfverdedigingsvaardigheden.
2.
Een ambtenaar beschikt in een bepaald kalenderhalfjaar slechts over een vuurwapen, indien hij in het daaraan voorafgaande kalenderhalfjaar de bij regeling van Onze Minister samengestelde toets schietvaardigheid met voldoende resultaat heeft afgelegd.
3.
Een ambtenaar die is belast met de uitoefening van specialistische of leidinggevende politietaken en daartoe een postinitiële opleiding heeft gevolgd, dient de in het eerste en tweede lid bedoelde toetsen tevens volgens de competentiegerichte eindtermen van de postinitiële opleiding met voldoende resultaat af te leggen. Indien voor de postinitiële opleiding niet een dergelijke toets is vastgesteld, dient de in de eerste volzin bedoelde ambtenaar de toetsen volgens de competentiegerichte eindtermen van de initiële opleiding met voldoende resultaat af te leggen.
4.
Indien een ambtenaar op de laatste dag van een kalenderjaar of kalenderhalfjaar de in het eerste, tweede en derde lid bedoelde toetsen nog niet met voldoende resultaat heeft afgelegd, wordt het geweldmiddel in het gebruik waarvan hij dientengevolge niet langer is geoefend, door Onze Minister ingenomen.
5.
De ambtenaar van wie een geweldmiddel op grond van het vierde lid is ingenomen, kan voor de resterende duur van het lopende kalenderjaar of kalenderhalfjaar wederom over het geweldmiddel beschikken vanaf het moment dat hij de toetsen die hij niet of niet met voldoende resultaat had afgelegd, alsnog met voldoende resultaat aflegt.
Artikel 74l
Onze Minister biedt de ambtenaar de gelegenheid tot het volgen van ten minste 32 uren training ter voorbereiding op de af te leggen toetsen, en toetsing.
Artikel 74m
De toets geweldsbeheersing, de toets aanhoudings- en zelfverdedigingsvaardigheden en de toets schietvaardigheid worden afgenomen door een door Onze Minister daartoe aangewezen toetser.
Artikel 74n
Indien een ambtenaar, op de laatste dag van de in artikel 74k bedoelde perioden, één van de in dat artikel bedoelde toetsen niet of niet met voldoende resultaat heeft afgelegd, doet de toetser hiervan onverwijld mededeling aan Onze Minister.
1.
Onze Minister draagt zorg voor de registratie van de deelname aan en de resultaten van de in artikel 74k bedoelde toetsen.
2.
In het jaarverslag voor het politiekorps wordt een overzicht gegeven van de stand van zaken betrekkende de in artikel 74k bedoelde toetsen.
1.
Hoofdstuk VII, met uitzondering van de artikelen 66, 67, 68, 71a, 72 tot en met 72h en 76 van het Rechtspositiebesluit ambtenaren BES en de daarop berustende bepalingen zijn niet van toepassing op de ambtenaar van politie.
2.
In afwijking van het eerste lid zijn regelingen op grond van artikel 77, onder a, van het Rechtspositiebesluit ambtenaren BES mede van toepassing op de ambtenaar van politie, tenzij in die regelingen anders is bepaald.
1.
De ambtenaar van politie is gehouden zijn ambtsverplichtingen nauwgezet en ijverig te vervullen en zich overigens te gedragen zoals een goed ambtenaar van politie betaamt.
2.
Het is de ambtenaar van politie in ieder geval verboden:
a. zich tijdens de voor hem geldende werktijd zonder geldige reden te verwijderen van de plaats waar hij zijn werkzaamheden moet verrichten;
b. tijdens de voor hem geldende werktijd alcoholhoudende dranken te gebruiken of bij zich te hebben;
c. in dienstlokalen,-voertuigen of -vaartuigen alcoholhoudende dranken te bewaren.
3.
De aspirant, de vrijwillige ambtenaar van politie, de ambtenaar aangesteld voor de uitvoering van de politietaak, en de ambtenaar aangesteld voor de uitvoering van technische, administratieve en andere taken ten dienste van de politie die opsporingsbevoegdheid bezit, kunnen zich niet beroepen op de omstandigheid dat zij niet in dienst zijn in die gevallen waarin hun optreden redelijkerwijze is vereist.
4.
De ambtenaar van politie dient de door Onze Minister vastgestelde voorschriften stipt en nauwgezet na te leven.
5.
Ter zake van de niet-naleving van wettelijke en andere voorschriften die redelijkerwijs niet geacht kunnen worden aan de ambtenaar van politie bekend te zijn, worden hem geen voordelen onthouden of nadelen toegebracht.
1.
De ambtenaar van politie is verplicht tot geheimhouding van hetgeen hem in zijn ambt ter kennis is gekomen voor zover die verplichting uit de aard der zaak volgt of hem uitdrukkelijk door Onze Minister is opgelegd.
2.
De in het eerste lid bedoelde verplichting geldt niet tegenover hen aan wie de ambtenaar van politie onmiddellijk of middellijk ondergeschikt is, noch in zoverre hij door Onze Minister van die verplichting is ontheven.
1.
De verstrekking van uniform- en dienstkleding en onderscheidingstekens aan de aspirant, de vrijwillige ambtenaar van politie, de ambtenaar aangesteld voor de uitvoering van de politietaak, en de ambtenaar aangesteld voor de uitvoering van technische, administratieve en andere taken ten dienste van de politie, die door Onze Minister is aangewezen, alsmede het onderhoud daarvan geschieden door de zorg van Onze Minister en voor rekening van de staat. Onze Minister kan nadere regels stellen met betrekking tot de verstrekking en het onderhoud.
2.
De ambtenaar van politie, bedoeld in het eerste lid, is verplicht de uniform- en dienstkleding en de onderscheidingstekens te dragen voor zover dat van dienstwege is voorgeschreven.
3.
Het buiten dienst gekleed gaan in uniform is geoorloofd behalve:
a. tijdens het vervullen van een nevenbetrekking of bij het verrichten van werkzaamheden ten behoeve van derden, in welke vorm dan ook. Van dit verbod kan alleen ten aanzien van uit de openbare kas bezoldigde ambten ontheffing worden verleend door Onze Minister;
b. bij betogingen, optochten en openbare politieke vergaderingen, tenzij daarvoor toestemming is verleend door Onze Minister;
c. in andere door Onze Minister te bepalen zeer bijzondere gevallen.
4.
Het is de ambtenaar van politie verboden in dienst uniformkledingstukken te dragen tenzij die van dienstwege zijn verstrekt of voorgeschreven.
5.
Het is de ambtenaar van politie verboden bij het gekleed gaan in uniform insignes of andere onderscheidingstekens te dragen, tenzij die van dienstwege zijn verstrekt of voorgeschreven dan wel tot het dragen daarvan door Onze Minister toestemming is verleend.
Artikel 79
De ambtenaar van politie die verhinderd is dienst te verrichten, geeft daarvan onverwijld kennis aan zijn hoofd van dienst.
1.
De ambtenaar van politie, anders dan de aspirant en de vrijwillige ambtenaar van politie, is verplicht te gaan of blijven wonen in het openbaar lichaam waar hij geplaatst wordt, behoudens een hem door Onze Minister verleende ontheffing.
2.
De ambtenaar van politie is gehouden om zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk 6 maanden na zijn plaatsing in het openbaar lichaam, gevolg te geven aan de in het eerste lid bedoeld verplichting.
3.
De ambtenaar van politie, anders dan de aspirant en de vrijwillige ambtenaar van politie, is verplicht indien hem door Onze Minister een dienstwoning is aangewezen, deze te betrekken en zich ter zake van de bewoning te gedragen conform de voorschriften die daaromtrent zijn gesteld. Hij draagt de onderhoudskosten die volgens wettelijk voorschrift of plaatselijk gebruik normaliter voor rekening van de huurder zijn, tenzij Onze Minister daarvan geheel of gedeeltelijk ontheffing heeft verleend.
4.
De ambtenaar van politie die een dienstwoning bewoont, onthoudt zich van het uitsteken of hijsen van andere vlaggen dan die van het Koninkrijk, of het openbaar lichaam. Uit het uiterlijk aanzien van de dienstwoning en het bijbehorende erf mag niet blijken van een politieke gezindheid.
5.
De aspirant geniet huisvesting en voeding van rijkswege, tenzij Onze Minister daarvan ontheffing heeft verleend.
6.
Door Onze Minister kunnen regels worden gesteld omtrent een door de aspirant te betalen vergoeding voor de huisvesting en voeding van rijkswege, bedoeld in het vijfde lid.
7.
Onze Minister kan een dienstwoning die de staat in eigendom heeft of van derden huurt ten behoeve van de dienst, ter beschikking stellen aan een ambtenaar van politie tegen betaling van de huurprijs.
8.
De huurprijs, bedoeld in het zevende lid, wordt bepaald op 16 procent van het inkomen van de ambtenaar van politie met als maximumgrondslag voor de berekening hiervan de aanvangsbezoldiging van schaal 10 van het Bezoldigingsbesluit 1998 BES respectievelijk van schaal 7 van de regeling, bedoeld in artikel 1, onder j, van dit besluit. Onder inkomen als bedoeld in de eerste volzin wordt verstaan de jaarlijkse of maandelijkse bezoldiging, verhoogd met een eventuele persoonlijke toelage, kostwinnerstoelage, kindertoelage en standplaatstoelage. In het geval van twee of meer bezoldigde betrekkingen, wordt de som van de inkomens verbonden aan deze betrekkingen als inkomen aangemerkt.
9.
De huurprijs, bedoeld in het zevende lid, wordt maandelijks voldaan door middel van inhouding daarvan op de bezoldiging van de ambtenaar van politie.
1.
Indien het belang van de dienst dat naar het oordeel van Onze Minister vordert, is de ambtenaar van politie, anders dan de aspirant en de vrijwillige ambtenaar van politie, behoudens in het in het tweede lid genoemde geval, verplicht om binnen het korps zijn functie te vervullen op een andere plaats van tewerkstelling of binnen een ander werkgebied, dan wel een andere functie dan waarin hij geplaatst is, te vervullen hetzij op zijn plaats van tewerkstelling of binnen zijn werkgebied hetzij op een andere plaats van tewerkstelling of binnen een ander werkgebied. Behoudens in spoedeisende gevallen geschiedt zulks niet dan na overleg met betrokkene.
2.
Aan de ambtenaar van politie die in deelbetrekking werkzaam is, kan niet zonder zijn instemming een plaats van tewerkstelling buiten het openbaar lichaam van inwoning worden opgedragen.
3.
Indien de ambtenaar van politie in een andere functie, bedoeld in het eerste lid, wordt geplaatst, wordt een functie opgedragen die hem in verband met zijn persoonlijkheid, omstandigheden en vooruitzichten redelijkerwijs kan worden opgedragen.
4.
De ambtenaar van politie, bedoeld in het eerste lid, die verplicht is om binnen het korps zijn functie of een andere functie dan waarin hij is geplaatst, te vervullen binnen een ander werkgebied, heeft aanspraak op een vanwege Onze Minister ingerichte woning in dat andere werkgebied. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld.
5.
Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld over een toelage aan de ambtenaar van politie, bedoeld in het eerste lid, die binnen een ander werkgebied zijn functie, dan wel een andere functie dan waarin hij geplaats is, dient te vervullen.
1.
Onze Minister kan een ambtenaar van politie, anders dan de aspirant en de vrijwillige ambtenaar van politie, zo mogelijk met zijn instemming, in het belang van de dienst voor de duur van ten hoogste een jaar detacheren bij een ander korps, mits de detachering plaats vindt op aanvraag van of in overeenstemming met de desbetreffende korpsbeheerder.
2.
De periode bedoeld in het eerste lid, kan worden verlengd met maximaal één jaar.
3.
Indien het een hoofd van dienst of zijn plaatsvervanger betreft is voor de detachering en de verlenging daarvan de instemming van Onze Minister vereist.
4.
Indien de ambtenaar, bedoeld in het eerste lid, bij koninklijk besluit is benoemd, is voor de detachering de instemming van Onze Minister vereist.
5.
Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld over een detacheringstoelage aan de ambtenaar van politie, bedoeld in het eerste lid.
1.
De ambtenaar van politie, anders dan de aspirant, kan – op zijn verzoek – een andere functie dan die waarin hij is geplaatst, worden opgedragen, dan wel een andere plaats van tewerkstelling of een ander werkgebied worden aangewezen hetzij binnen het korps hetzij daarbuiten doch binnen de politie.
2.
Plaatsing geschiedt door Onze Minister.
Artikel 84
De ambtenaar van politie kan niet worden verplicht om, indien bij een particulier een staking is uitgebroken of een uitsluiting heeft plaatsgevonden, ter vervanging van de stakers of de uitgeslotenen werkzaamheden te verrichten of de werknemers behulpzaam te zijn bij het verrichten van hun werkzaamheden, tenzij en voor zover zulks, naar het oordeel van Onze Minister, met het oog op de openbare orde, veiligheid of gezondheid dan wel voor de regelmatige functionering van de overheid bepaaldelijk noodzakelijk is.
1.
Het is de ambtenaar van politie, onverminderd het tweede en derde lid, indien daardoor de behoorlijke vervulling van zijn plichten als ambtenaar van politie in gevaar kan worden gebracht of het aanzien van zijn ambt kan worden geschaad, verboden om:
a. naast zijn ambt een beroep of bedrijf uit te oefenen;
b. een nevenbetrekking te aanvaarden dan wel ten behoeve van derden, tegen betaling, werkzaamheden te verrichten in welke vorm dan ook;
c. commissaris, bestuurder of vennoot te zijn van een rechtspersoon dan wel middellijk of onmiddellijk deel te nemen aan werken, dienstverrichtingen of leveringen die direct of indirect geheel of gedeeltelijk ten laste komen van de overheid;
d. ten behoeve van derden werkzaamheden te verrichten die, naar het oordeel van Onze Minister, de grenzen van een redelijke hulpvaardigheid overschrijden.
2.
Het is de ambtenaar van politie verboden om tegelijk met zijn ambt een uit de eilandskas bezoldigd ambt te bekleden, tenzij daarvoor toestemming is verleend door Onze Minister.
3.
Bij de aanvaarding van een in het tweede lid bedoeld ambt of bij voortgezette bekleding daarvan, nadat Onze Minister de in dat lid bedoelde toestemming heeft ingetrokken, wordt de ambtenaar van politie geacht ontslag te hebben gevraagd, indien aan de schriftelijke aanzegging om het ambt te laten varen niet onverwijld gevolg is gegeven.
4.
Onze Minister kan nadere regels stellen omtrent het verbod, bedoeld in het eerste lid.
1.
Het is de ambtenaar van politie verboden geld, geschenken, diensten of kortingen van welke aard, in welke vorm, middellijk of onmiddellijk, of van wie dan ook, met uitzondering van door de staat of het openbaar lichaam Bonaire, Sint Eustatius of Saba uitgeloofde premies, aan te nemen of ten behoeve van wie ook te bedingen in verband met de uitoefening van zijn ambt.
2.
De ambtenaar van politie is verplicht onverwijld aan Onze Minister mededeling te doen, indien een derde gepoogd heeft hem door een gift, kwijtschelding, belofte of verbintenis te bewegen in de uitoefening van zijn ambt iets te doen of na te laten.
1.
De ambtenaar van politie, die een besturende of toezichthoudende functie vervult in een rechtspersoonlijkheid bezittend lichaam, en die voor de in die functie verrichte of te verrichten werkzaamheden, anders dan ten laste van de staat, een vergoeding ontvangt, is verplicht die vergoeding aan de staat af te dragen, indien de benoeming in die functie:
a. plaats heeft gehad door Onze Minister; of
b. is voortgevloeid uit een wettelijk voorschrift of een overeenkomst die met instemming van Onze Minister tot stand is gekomen.
2.
Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van de ambtenaar van politie die een nevenfunctie vervult, die verband houdt met de uitoefening van zijn ambt en aan hem is opgedragen door Onze Minister, en die voor de in die nevenfunctie verrichte of te verrichten werkzaamheden, anders dan ten laste van de staat, een vergoeding ontvangt.
3.
Aan de ambtenaar van politie die een functie, bedoeld in het eerste of tweede lid, uitoefent, kan ten laste van de staat een vergoeding worden toegekend door Onze Minister.
1.
Het is de ambtenaar van politie verboden overheidsgoederen te gebruiken ten bate van particuliere belangen.
2.
De ambtenaar van politie mag een vervoermiddel dat hem vanwege de overheid ten behoeve van de dienstverrichting ter beschikking is gesteld, alleen gebruiken voor het door de dienst- verrichting vereiste vervoer. Onder zodanig vervoer wordt niet begrepen het vervoer van de ambtenaar van politie van en naar de plaats van zijn inwoning en van en naar de plaats van zijn tewerkstelling.
3.
Onze Minister kan in bijzondere gevallen ontheffing verlenen van het verbod, bedoeld in het tweede lid.
1.
De ambtenaar van politie die in deelbetrekking werkzaam is en die op aanwijzing of met goedkeuring van Onze Minister een opleiding volgt, is verplicht aan die opleiding deel te nemen als ware hij in volle betrekking aangesteld.
2.
De in het eerste lid bedoelde verplichting geldt niet ten aanzien van opleidingen waarvoor een programma is vastgesteld dat uitdrukkelijk voorziet in de mogelijkheid van deelname door ambtenaren van politie die in deelbetrekking werkzaam zijn.
1.
Onze Minister kan de ambtenaar van politie verplichten de door de staat geleden schade, voor zover deze te wijten is aan zijn opzet of roekeloosheid, geheel of gedeeltelijk te vergoeden.
2.
[Vervallen]
3.
Het bedrag van de schadevergoeding wordt niet vastgesteld dan nadat de ambtenaar van politie in de gelegenheid is gesteld zich schriftelijk of mondeling te verantwoorden.
4.
Het verhaal van de schade op de ambtenaar van politie, zijn erfgenamen of rechtverkrijgenden, geschiedt conform het Burgerlijk Wetboek BES.
1.
De rekenplichtige ambtenaar van politie wordt van de verplichting tot aanzuivering van een tekort geheel of gedeeltelijk ontheven naarmate hij het beheer nauwgezet heeft uitgevoerd en de nodige voorzorgen heeft genomen voor de bewaring van gelden en geldswaardige papieren.
2.
Vloeit de verplichting tot aanzuivering van een tekort voort uit aansprakelijkheid voor ondergeschikten, dan wordt bovendien in aanmerking genomen in hoeverre de rekenplichtige ambtenaar van politie op het doen en laten van die ondergeschikten toezicht heeft gehouden.
3.
De rekenplichtige ambtenaar van politie is van zijn verantwoordelijkheid ter zake ontheven gedurende de tijd dat hij door ziekte, ongeval of andere wettige afwezigheid het beheer niet persoonlijk heeft gevoerd, indien zijn betrekking gedurende die tijd wordt waargenomen.
4.
Dit artikel is alleen van toepassing voor zover de Comptabiliteitswet 2001 niet anders bepaalt.
1.
Aan de ambtenaar van politie wordt door Onze Minister vergoed de schade aan zijn goederen die hij buiten zijn schuld lijdt ten gevolge van de uitoefening van het ambt, voor zover die schade niet bestaat uit normale slijtage van die goederen.
2.
De ambtenaar van politie heeft geen aanspraak op de in het eerste lid bedoelde vergoeding, indien hij ter zake van die schade tegenover derden rechten kan doen gelden.
3.
Indien de ambtenaar van politie zijn rechten tegenover derden aan de staat cedeert, wordt hij in het genot gesteld van het in geld uitgedrukte bedrag van de schade.
4.
Indien de staat ter zake van de rechten, verkregen middels een cessie, bedoeld in het derde lid, een civiele vordering instelt, worden de kosten die daaruit voor de staat voortvloeien, niet op de ambtenaar van politie verhaald.
5.
Onze Minister kan ter uitvoering van het eerste tot en met derde lid nadere regels stellen.
6.
Door de Onze Minister kan worden bepaald, in welke elders niet voorziene gevallen schadeloosstelling of vergoeding van kosten zal worden verleend aan de ambtenaar van politie.
1.
De ambtenaar van politie kan door Onze Minister de toegang tot dienstlokalen, -gebouwen en -terreinen of het werk, dan wel het verblijf aldaar worden ontzegd.
2.
De ambtenaar van politie is verplicht zich te gedragen conform de maatregelen van orde die door Onze Minister ten aanzien van het verblijf op de in het eerste lid bedoelde plaatsen zijn vastgesteld.
1.
De ambtenaar van politie die in contact staat of kort geleden heeft gestaan met een persoon die een ziekte heeft waarop de Wet voor de volksgezondheid BES van toepassing is, mag geen dienst verrichten en heeft geen toegang tot dienstgebouwen, -lokalen en -terreinen en het werk dan met toestemming van Onze Minister dat deze toestemming slechts kan verlenen na positief advies van de geneeskundige, bedoeld in artikel 66.
2.
De ambtenaar van politie die verkeert in de situatie, bedoeld in het eerste lid, is verplicht daarvan onverwijld kennis te geven aan Onze Minister en het hoofd van dienst. Hij is gehouden zich te gedragen naar de door Onze Minister of hoofd van dienst gegeven aanwijzingen, waaronder die betreffende het ondergaan van een geneeskundig onderzoek, bedoeld in artikel 66.
3.
Gedurende de tijd dat de ambtenaar van politie ingevolge dit artikel geen werkzaamheden verricht, geniet hij zijn volle bezoldiging.
1.
De ambtenaar van politie, met uitzondering van de vrijwillige ambtenaar van politie, kan door Onze Minister wegens buitengewone toewijding of bijzonder loffelijke dienstverrichtingen worden beloond met:
a. een tevredenheidsbetuiging;
b. een eenvoudige geldelijke beloning tot maximaal 10% van de aanvangsbezoldiging behorende bij bezoldigingsschaal 1;
c. een gratificatie van ten hoogste acht en een derde procent (8 1/3%) van de bezoldiging van de betrokken ambtenaar, berekend over een kalenderjaar.
2.
De gratificatie zal in een kalenderjaar niet meer mogen bedragen dan 100% van de inkomsten per maand van de ambtenaar van politie.
3.
Ten aanzien van de ambtenaar van politie die in deelbetrekking werkzaam is, wordt voor de uitvoering van dit artikel in aanmerking genomen de inkomsten die hij genoten zou hebben, indien hij in volledige betrekking werkzaam was geweest.
4.
Het eerste tot en met derde lid is van overeenkomstige toepassing op de vrijwillige ambtenaar van politie, met dien verstande dat de beloningen zijn:
a. een tevredenheidsbetuiging of
b. een gratificatie van maximaal 150 procent van de per kalenderjaar krachtens artikel 23a vastgestelde vaste vergoeding.
Artikel 100
[Vervallen]
1.
Hoofdstuk VIII van het Rechtspositiebesluit ambtenaren BES en de daarop berustende regelingen zijn niet van toepassing op de ambtenaar van politie.
2.
De ambtenaar van politie die zijn ambtelijke verplichtingen niet nakomt of zich overigens aan plichtsverzuim schuldig maakt, kan disciplinair worden gestraft.
3.
Plichtsverzuim omvat zowel het overtreden van een voorschrift als het doen of nalaten van iets dat een goed ambtenaar van politie in gelijke omstandigheden behoort na te laten of te doen.
4.
Een strafrechterlijke vervolging wegens een feit dat mede plichtsverzuim inhoudt, sluit een disciplinaire strafoplegging wegens dat feit niet uit.
1.
De disciplinaire straffen die de ambtenaar van politie, met uitzondering van de vrijwillige ambtenaar van politie, kunnen worden opgelegd, zijn:
a. schriftelijke berisping;
b. buitengewone dienst op andere dagen dan op zondag of op de voor de ambtenaar van politie geldende algemene en kerkelijke feestdagen en zonder de ingevolge artikel 23 voor overwerk toe te kennen toelage of tegen een lagere toelage dan deze: voor ten hoogste zes uren met een maximum van drie uren per dag al dan niet in aansluiting op de voor hem geldende diensttijd;
c. geldboete: van ten hoogste vijftig procent (50%) van de aanvangsbezoldiging behorende bij bezoldigingsschaal 1;
d. geheel of gedeeltelijke inhouding van inkomsten: tot een bedrag van ten hoogste een maand inkomsten;
e. terugzetting naar een lagere bezoldigingstrede: voor ten hoogste twee bezoldigingstreden;
f. uitsluiting van bevordering: voor ten hoogste vier jaren;
g. terugzetting in de naastlagere hoofdrang, al dan niet voor bepaalde tijd en al dan niet met vermindering van de bezoldiging tot de aan die naastlagere hoofdrang verbonden bezoldiging;
h. schorsing voor een bepaalde tijd met gehele of gedeeltelijke inhouding van inkomsten: voor ten hoogste negen maanden;
i. ontslag.
2.
Aan de aspirant kan tevens worden opgelegd de disciplinaire straf van verwijdering van het opleidingsinstituut, dat de basisopleiding verzorgt, voor ten hoogste veertien dagen, met dien verstande deze straf niet wordt opgelegd op de dagen waarop de opleidingsresultaten volgens de ter zake gestelde regels worden getoetst of beoordeeld.
3.
Onverminderd het zesde lid, worden de straffen, bedoeld in het eerste en tweede lid, opgelegd door Onze Minister.
4.
Bij het opleggen van een straf, genoemd in het eerste lid, kan worden bepaald dat deze niet ten uitvoer wordt gelegd, indien de ambtenaar van politie zich gedurende een bij het opleggen van de straf te bepalen termijn van maximaal twee jaren, niet schuldig maakt aan soortgelijk plichtsverzuim als waarvoor de bestraffing plaatsvindt, noch aan enig ander ernstig plichtsverzuim en zich houdt aan bij de strafoplegging eventueel te stellen bijzondere voorwaarden. De bijzondere voorwaarden mogen de godsdienstige of staatkundige vrijheid niet beperken.
5.
Dezelfde instantie die over de voorwaardelijke strafopschorting, bedoeld in het vierde lid, beslist, kan gelasten dat de opgeschorte straf alsnog ten uitvoer wordt gelegd indien de ambtenaar van politie zich binnen de vastgestelde proeftijd wederom schuldig maakt aan plichtsverzuim dan wel zich niet houdt aan een gestelde bijzondere voorwaarde, bedoeld in het vijfde lid.
6.
Indien het een ambtenaar betreft die bij koninklijk besluit is benoemd, worden de straffen, bedoeld in het eerste lid, onder a tot en met f, opgelegd door Onze Minister en worden de straffen, bedoeld in het eerste lid, onder g tot en met i, opgelegd bij koninklijk besluit.
7.
Het eerste lid, onder a, h en i, zijn van overeenkomstige toepassing op de vrijwillige ambtenaar van politie.
1.
Indien het voornemen bestaat om de ambtenaar van politie een disciplinaire straf op te leggen, geschiedt de strafoplegging niet dan nadat hij schriftelijk in de gelegenheid is gesteld om zich binnen zeven dagen tegenover de tot strafoplegging bevoegde instantie of een door deze aan te wijzen instantie te verantwoorden.
2.
Degene tegenover wie de verantwoording plaats vindt, bepaalt of de verantwoording mondeling dan wel schriftelijk zal plaatsvinden. Bij schriftelijke verantwoording wordt de ambtenaar van politie op zijn verzoek in de gelegenheid gesteld tot het geven van een mondelinge toelichting. Bij de mondelinge verantwoording kan de ambtenaar van politie zich laten bijstaan door een raadsman.
3.
Van de mondelinge verantwoording wordt direct een verslag opgemaakt, dat na voorlezing wordt getekend door degene tegenover wie de verantwoording heeft plaatsgevonden en door de ambtenaar van politie. Indien de ambtenaar van politie het verslag weigert te ondertekenen, wordt dit in het verslag, zo mogelijk onder opgave van de redenen, vermeld. De ambtenaar van politie ontvangt een afschrift van het verslag.
4.
Indien de ambtenaar van politie dit verlangt, worden hem of zijn raadsman onverwijld kopieën verstrekt van de ambtelijke rapporten dan wel andere documenten die op de hem ten laste gelegde feiten betrekking hebben, met uitzondering van documenten of onderdelen daarvan tegen welker kennisneming het openbaar belang zich volgens de tot strafoplegging bevoegde instantie bepaaldelijk verzet.
1.
De kennisgeving bedoeld in artikel 95, eerste lid, van de Wet ambtenarenrechtspraak 1951 BES, wordt zo mogelijk op de plaats van tewerkstelling aan de ambtenaar van politie tegen gedagtekend en door hem ondertekend ontvangstbewijs uitgereikt.
2.
Indien de ambtenaar van politie niet op de plaats van tewerkstelling aanwezig is, wordt de kennisgeving aan zijn woon- of verblijfplaats tegen gedagtekend en door de ontvanger ondertekend ontvangstbewijs afgegeven aan hemzelf of aan een van zijn huisgenoten. Indien degene die met de afgifte van de kennisgeving belast is noch de ambtenaar van politie noch iemand van zijn huisgenoten aantreft, of indien degene die hij aantreft weigert de kennisgeving in ontvangst te nemen of het ontvangstbewijs te ondertekenen, wordt het aangetekend aan de woon- of verblijfplaats van de ambtenaar van politie gezonden.
3.
In de gevallen, bedoeld in het tweede lid, wordt de betrokken ambtenaar van politie geacht met de kennisgeving bekend te zijn geworden op de dag van afgifte aan zijn woon- of verblijfplaats, onderscheidenlijk op de dag waarop het door de postdienst aan die woon- of verblijfplaats is bezorgd of aangeboden.
Artikel 105
De tot strafoplegging bevoegde instantie stelt de gestrafte ambtenaar van politie onverwijld in kennis van de strafoplegging door toezending van een afschrift daarvan. Artikel 104 is van overeenkomstige toepassing.
1.
De straf, behalve die van schriftelijke berisping, wordt niet ten uitvoer gelegd zolang zij niet onherroepelijk is geworden, tenzij bij de strafoplegging is bepaald dat deze onmiddellijk ten uitvoer wordt gelegd.
2.
Indien tot onmiddellijke tenuitvoerlegging van de straf van buitengewone dienst is overgegaan en deze straf na ingesteld beroep niet wordt gehandhaafd, wordt de tijd gedurende welke buitengewone dienst is verricht, aangemerkt als diensttijd gedurende welke werkzaamheden na de voor de betrokken ambtenaar van politie geldende werktijd zijn verricht, en wordt conform de geldende voorschriften een vergoeding voor overwerk toegekend.
1.
De ambtenaar van politie is van rechtswege in zijn ambt geschorst wanneer hem rechtmatig zijn vrijheid is ontnomen, tenzij de vrijheidsbeneming het gevolg is van een maatregel, anders dan op grond van de Wet tot regeling van het toezicht op krankzinnigen BES , genomen in het belang van de volksgezondheid.
2.
Indien de vrijheidsbeneming het gevolg is van een maatregel op grond van de Wet tot regeling van het toezicht op krankzinnigen BES wordt de ambtenaar van politie, onverminderd het eerste lid, behandeld als ware hem vrijstelling van dienst wegens ziekte als bedoeld in hoofdstuk VII, verleend.
1.
Onverminderd artikel 102, eerste lid, onderdeel h, kan de ambtenaar van politie in zijn ambt worden geschorst:
a. indien een strafrechtelijke vervolging ter zake van een misdrijf tegen hem is ingesteld;
b. wanneer hem door Onze Minister, dan wel door Ons, indien het betreft een ambtenaar die bij koninklijk besluit is benoemd, het voornemen tot bestraffing met onvoorwaardelijk ontslag is meegedeeld dan wel wanneer hem die straf is opgelegd;
c. wanneer naar het oordeel van Onze Minister, dan wel naar Ons oordeel, indien het betreft een ambtenaar die bij koninklijk besluit is benoemd, het dienstbelang dit bepaaldelijk vereist.
2.
Tenzij bij wet is bepaald dat schorsing bij koninklijk besluit geschiedt, geschiedt schorsing door Onze Minister. In afwachting van de schorsing kan de ambtenaar van politie buiten functie worden gesteld door Onze Minister.
3.
De duur van de schorsing bedraagt maximaal zes maanden. In zeer bijzondere gevallen kan deze termijn eenmaal met drie maanden worden verlengd.
1.
Tijdens de schorsing worden de inkomsten voor een derde gedeelte ingehouden. Na verloop van zes weken kan verdere inhouding, ook van het volle bedrag der inkomsten, plaatsvinden. Indien het een schorsing betreft als bedoeld in artikel 109, lid 1, onder b, kan Onze Minister bepalen dat met onmiddellijke ingang meer dan een derde gedeelte of het volle bedrag der inkomsten wordt ingehouden
2.
Geen inhouding vindt plaats ingeval van een schorsing in het belang van de dienst, bedoeld in artikel 109, eerste lid, onder c, van een maatregel op grond van de Wet tot regeling van het toezicht op krankzinnigen BES , of van een ophouding voor verhoor of een inverzekeringstelling, bedoeld in de titels V en VII van het Wetboek van Strafvordering BES, mits niet gevolgd door voorlopige hechtenis.
3.
De ingehouden inkomsten worden alsnog aan de ambtenaar van politie uitbetaald als de schorsing niet wordt gevolgd door een onvoorwaardelijk ontslag bij wijze van straf. Op de uit te betalen inkomsten worden in mindering gebracht de inkomsten die de ambtenaar van politie sedert de schorsing heeft genoten uit arbeid die hij als gevolg van de schorsing heeft kunnen verrichten, tenzij dit naar het oordeel van Onze Minister onredelijk is.
4.
Het niet ingehouden gedeelte van de inkomsten van de geschorste ambtenaar van politie kan door Onze Minister in bijzondere gevallen worden uitbetaald aan de betrekkingen van de ambtenaar van politie, genoemd in artikel 54.
1.
Tenzij bij wet is bepaald dat ontslag wordt gegeven bij koninklijk besluit, wordt ontslag gegeven door Onze Minister.
2.
Ontslag wordt gegeven bij beschikking, die de datum van ingang van het ontslag dan wel een aanduiding van die dag bevat.
3.
Bij ongevraagd ontslag wordt, behalve in de in artikelen 113, en 114, eerste lid, genoemde gevallen, de reden van ontslag meegedeeld.
1.
De ambtenaar van politie wordt op zijn aanvraag ontslag verleend.
2.
Behoudens in het geval, genoemd in artikel 61, wordt het ontslag niet verleend met ingang van een dag die vroeger dan een maand of later dan drie maanden ligt na de dag waarop de aanvraag om ontslag is ontvangen door Onze Minister.
3.
Van het eerste lid kan worden afgeweken indien een strafrechtelijke vervolging ter zake van een misdrijf tegen de ambtenaar van politie is ingesteld of indien wordt overwogen hem de straf van ontslag op te leggen.
4.
Van het tweede lid kan worden afgeweken:
a. indien wordt overwogen de ambtenaar van politie een straf, bedoeld in artikel 102, op te leggen;
b. indien het dienstbelang dit bepaaldelijk vereist, met dien verstande dat de termijn van drie maanden tot ten hoogste zes maanden kan worden verlengd en dat bij de verlenging in redelijkheid met de belangen van de ambtenaar van politie rekening wordt gehouden;
c. op aanvraag van de ambtenaar van politie.
5.
Indien een ontslag op aanvraag wordt verleend aan een aspirant of de vrijwillige ambtenaar in opleiding, gaat het ontslag, in afwijking van het tweede lid, onmiddellijk in.
6.
Het ontslag op aanvraag wordt eervol verleend.
1.
Aan de aspirant of de vrijwillige ambtenaar in opleiding die tegen het einde van de basisopleiding respectievelijk de opleiding tot vrijwillige ambtenaar aangesteld voor de uitvoering van de politietaak niet voldoet aan de eisen van bekwaamheid en geschiktheid, wordt geacht eervol ontslag te zijn verleend met ingang van de dag volgend op die waarop de basisopleiding respectievelijk de opleiding tot vrijwillige ambtenaar aangesteld voor de uitvoering van de politietaak is voltooid.
2.
Aan de ambtenaar aangesteld voor de uitvoering van de politietaak, die tegen het einde van de proeftijd, bedoeld in artikel 5, tweede lid, niet voldoet aan de eisen van bekwaamheid en geschiktheid, wordt geacht eervol ontslag te zijn verleend met ingang van de dag volgend op die, waarop de proeftijd is verstreken.
3.
Aan de ambtenaar aangesteld voor de uitvoering van technische, administratieve of andere taken ten dienste van politie, die tegen het einde van de proeftijd, bedoeld in artikel 6, eerste lid, niet voldoet aan de eisen van bekwaamheid en geschiktheid, wordt geacht eervol ontslag te zijn verleend met ingang van de dag volgend op die, waarop de proeftijd is verstreken.
4.
Aan de aspirant of de vrijwillige ambtenaar in opleiding die gedurende de basisopleiding respectievelijk de opleiding tot vrijwillige ambtenaar aangesteld voor de uitvoering van de politietaak, en aan de ambtenaar aangesteld voor de uitvoering van de politietaak, of de ambtenaar aangesteld voor de uitvoering van technische, administratieve of andere taken ten dienste van de politie, die gedurende de proeftijd niet de geschiktheid blijken te bezitten die voor de uitoefening van het ambt vereist wordt, kan eervol ontslag worden verleend, mits een opzeggingstermijn in acht wordt genomen van:
a. drie maanden, indien hij ten tijde van de opzegging direct daaraan voorafgaand ten minste twaalf maanden ononderbroken in dienst was;
b. twee maanden, indien hij ten tijde van de opzegging direct daaraan voorafgaand ten minste zes maanden maar korter dan twaalf maanden ononderbroken in dienst was;
c. één maand, indien hij ten tijde van de opzegging direct daaraan voorafgaand korter dan zes maanden ononderbroken in dienst was.
5.
Het ontslag, bedoeld in het vierde lid, kan, al dan niet op aanvraag van de ambtenaar van politie, ingaan vóór de afloop van de opzeggingstermijn. Indien dit niet op aanvraag van de ambtenaar van politie geschiedt, wordt hem over de tijd die aan de opzeggingstermijn ontbreekt, een bedrag uitbetaald gelijk aan de inkomsten, vermeerderd met de vakantie-uitkering, waarop hij aanspraak zou hebben gehad, als hij tot het einde van de opzeggingstermijn in dienst was gebleven.
1.
Aan de ambtenaar van politie, anders dan de aspirant, die blijkens zijn akte van aanstelling is benoemd in tijdelijke dienst voor bepaalde tijd, bedoeld in artikel 5, zesde lid, en 6, eerste lid, onder b, c, d en e, wordt geacht eervol ontslag te zijn verleend zodra die tijd is verstreken.
2.
De ambtenaar van politie, anders dan de aspirant, die blijkens zijn akte van aanstelling is benoemd in tijdelijke dienst voor onbepaalde tijd, kan eervol ontslag worden verleend, mits een opzegtermijn in acht wordt genomen van:
a. drie maanden, indien hij ten tijde van de opzegging direct daaraan voorafgaand ten minste twaalf maanden ononderbroken in dienst was;
b. twee maanden, indien hij ten tijde van de opzegging direct daaraan voorafgaand ten minste zes maanden doch korter dan twaalf maanden ononderbroken in dienst was;
c. één maand, indien hij ten tijde van de opzegging direct daaraan voorafgaand korter dan zes maanden ononderbroken in dienst was.
3.
De opzegging bedoeld in het tweede lid, kan niet geschieden gedurende de zwangerschap van de vrouwelijke ambtenaar van politie, noch gedurende het verlof, bedoeld in artikel 72, noch, indien zij de dienst heeft hervat, gedurende de daarop volgende periode van 4 weken. Ter staving van de zwangerschap kan het bevoegde gezag een verklaring van een genees- of verloskundige verlangen.
4.
Het ontslag, bedoeld in het tweede lid, kan, al dan niet op aanvraag van de ambtenaar van politie, ingaan vóór de afloop van de opzeggingstermijn. Indien dit niet op aanvraag van de ambtenaar van politie geschiedt, wordt hem over de tijd die aan de opzeggingstermijn ontbreekt, een bedrag uitbetaald gelijk aan de inkomsten, vermeerderd met de vakantie-uitkering, waarop hij aanspraak zou hebben gehad indien hij tot het einde van de opzeggingstermijn in dienst was gebleven.
5.
Aan de ambtenaar van politie in tijdelijke dienst, bedoeld in het eerste lid, kan ontslag worden verleend met ingang van een dag gelegen binnen de bepaalde tijd. Alsdan zijn het tweede tot en met het vierde lid van overeenkomstige toepassing.
1.
Aan de ambtenaar van politie kan eervol ontslag worden verleend:
a. wegens opheffing van zijn betrekking;
b. wegens overtolligheid van personeel als gevolg van verandering in de inrichting van de politiedienst of het politiedienstonderdeel dan wel wegens inkrimping van de personeelssterkte als gevolg van een vermindering van de werkzaamheden.
2.
Ontslag op een in het eerste lid genoemde grond kan alleen plaatsvinden indien:
a. het na een zorgvuldig onderzoek niet mogelijk is gebleken om de ambtenaar van politie een andere, mede rekening houdend met zijn persoonlijkheid en omstandigheden, passende functie op te dragen binnen de politiedienst;
b. de ambtenaar van politie geweigerd heeft een functie als bedoeld onder a, te aanvaarden.
3.
Ontslag van ambtenaren van politie wegens overtolligheid van personeel geschiedt in de volgende rangorde:
a. zij die dat wensen;
b. zij die pensioengerechtigd zijn, waarbij degenen die niet reeds gedurende zes maanden of langer kostwinner zijn van een gezin of van betrekkingen, bedoeld in artikel 41, vóór degenen die dat wel zijn, en binnen deze beide groepen ouderen in leeftijd vóór jongeren, gaan;
c. zij die op voet van het West-Indisch Detacheringsbesluit 1930 zijn uitgezonden;
d. zij die de leeftijd van dertig jaren nog niet hebben overschreden en niet reeds gedurende zes maanden of langer kostwinner zijn van een gezin of van betrekkingen, bedoeld in artikel 41, te beginnen met degenen die de minste dienstjaren hebben;
e. zij die de minste dienstjaren hebben. Onder dienstjaren wordt verstaan de tijd in dienst van de voormalige Nederlandse Antillen en een voormalig eilandgebied, de staat en een openbaar lichaam doorgebracht.
4.
Voor de berekening van het aantal dienstjaren wordt mede in aanmerking genomen de tijd die is gewijd aan de verzorging van tot het huishouden van de ambtenaar van politie behorende 0–4-jarige eigen, stief- of pleegkinderen tot een maximum van zes jaren.
5.
Indien het dienstbelang dit vereist kan bij de verlening van ontslag worden afgeweken van de rangorde, bedoeld in het derde lid. Omvat de afvloeiing in dat geval meer dan 1% van het aantal ambtenaren van politie werkzaam bij het korps, dan geschiedt zij naar een vooraf vastgesteld en aan de betrokken ambtenaar van politie kenbaar gemaakt plan.
6.
Bij de ontslagverlening wordt een opzeggingstermijn van drie maanden in acht genomen, tenzij het betreft een ambtenaar van politie in tijdelijke dienst die daaraan geen aanspraak op wachtgeld ontleent. Alsdan is artikel 114, tweede lid, van overeenkomstige toepassing.
7.
Het ontslag kan, al dan niet op aanvraag van de ambtenaar van politie, ingaan vóór de afloop van de opzeggingstermijn, genoemd in het zesde lid. Indien dit niet op aanvraag van de ambtenaar van politie geschiedt wordt hem over de tijd die aan de opzeggingstermijn ontbreekt, een bedrag uitbetaald gelijk aan de inkomsten, vermeerderd met de vakantie-uitkering, waarop hij aanspraak zou hebben gehad indien hij tot het einde van de opzeggingstermijn in dienst was gebleven.
Artikel 116
[Vervallen]
Artikel 117
Aan een ambtenaar van politie die in een door Onze Minister openbare betrekking hier te lande wordt benoemd, wordt met ingang van de dag van aanvaarding van die betrekking eervol ontslag verleend.
1.
Aan de ambtenaar van politie wordt eervol ontslag verleend met ingang van de eerste dag van de maand volgend op die, waarin hij de zestigjarige leeftijd bereikt.
2.
De ingang van het op grond van het eerste lid te verlenen ontslag kan bij in zeer bijzondere gevallen voor de duur van ten hoogste een jaar worden opgeschort indien:
a. het opschorten van de ingang van het ontslag door Onze Minister nodig wordt geacht in het belang van de dienst; en
b. de ambtenaar van politie daartoe een aanvraag heeft ingediend of daarmee heeft ingestemd; en
c. hij blijkens het schriftelijke oordeel van een geneeskundige bedoeld in artikel 66, geacht kan worden in staat te zijn om zijn ambt te blijven uitoefenen.
3.
Indien voldaan is aan de voorwaarden genoemd in het tweede lid, kan de duur bedoeld in dat lid, maximaal vier keer worden verlengd telkens met ten hoogste een jaar. Niettemin kan de ambtenaar van politie die, blijkens het schriftelijke oordeel van een geneeskundige, bedoeld in artikel 66, tussentijds ongeschikt is geworden voor de verdere uitoefening van zijn ambt, eervol ontslag worden verleend met ingang van de eerste dag van de maand volgend op die waarin hij schriftelijk in kennis is gesteld van dat oordeel.
1.
Aan een ambtenaar van politie kan eervol ontslag worden verleend, indien hij op grond van het bepaalde in artikel 5, derde lid, of artikel 10, tweede lid, van de Wet veiligheidsonderzoeken uit een vertrouwensfunctie moet worden ontheven.
2.
Indien een ontslag als bedoeld in het eerste lid door Onze Minister wordt verleend, is de medewerking vereist van Onze Minister van Justitie.
1.
Buiten de gevallen bij dit besluit of bij of krachtens enige wettelijke regeling, anders dan het Rechtspositiebesluit ambtenaren BES , bepaald kan de ambtenaar van politie alleen worden ontslagen op grond van:
a. het verlies van een vereiste voor de aanstelling, gesteld bij een regeling aan de aanstelling voorafgegaan zijnde, tenzij het vereiste alleen voor de aanvang van het ambt geldt;
b. een onherroepelijk geworden rechterlijke uitspraak waarbij de ambtenaar van politie onder curatele is gesteld;
c. het ondergaan van lijfsdwang wegens schulden krachtens een onherroepelijk geworden rechterlijke uitspraak;
d. een onherroepelijk geworden veroordeling tot een vrijheidsstraf wegens misdrijf;
e. onbekwaamheid of ongeschiktheid voor het door hem beklede ambt, anders dan op grond van ziels of lichaamsgebreken;
f. het bij of in verband met de aanstelling dan wel de keuring verstrekken van onjuiste of onvolledige inlichtingen, zonder welke handelwijze niet tot aanstelling of goedkeuring zou zijn overgegaan, tenzij de ambtenaar van politie aannemelijk maakt dat hij te goeder trouw heeft gehandeld.
2.
Een ontslag op grond van het eerste lid, onder a en e, wordt steeds eervol verleend.
3.
Een ontslag, bedoeld in het eerste lid, kan niet eerder ingaan dan de dag volgende op die waarop de reden van het ontslag voor het eerst aanwezig was.
1.
De ambtenaar aangesteld voor de uitvoering van de politietaak, de vrijwillige ambtenaar van politie en de aspirant kunnen binnen zes weken nadat zij van de beslissing inzake de vaststelling van een bezoldiging of de toekenning van een verhoging, vergoeding, toelage of andere beloning als bedoeld in hoofdstuk III, paragraaf 4, dan wel inzake de weigering hem een dergelijke verhoging, vergoeding, toelage of andere beloning toe te kennen in kennis zijn gesteld of nadat zij geacht kunnen worden op een andere wijze daarmee bekend te zijn geworden, hun bezwaren daartegen aan Onze Minister kenbaar maken door de indiening van een met redenen omkleed bezwaarschrift.
2.
Het bezwaarschrift wordt door de ambtenaar aangesteld voor de uitvoering van de politietaak, de vrijwillige ambtenaar van politie en de aspirant, of namens hen door een gemachtigde ondertekend. Indien het bezwaarschrift door een gemachtigde is getekend, worden stukken welke naar aanleiding ervan door Onze Minister tot betrokkenen worden gericht aan deze gemachtigde of in elk geval mede aan deze toegezonden.
3.
De indiening van een bezwaarschrift schorst niet de uitvoering van de beslissing waartegen bezwaar wordt gemaakt.
4.
Tenzij het bezwaar kennelijk nietontvankelijk of ongegrond is, worden de ambtenaar aangesteld voor de uitvoering van de politietaak, de vrijwillige ambtenaar van politie en aspirant, in de gelegenheid gesteld over hun bezwaren te worden gehoord door één of meer door Onze Minister daartoe aangewezen personen; degene die aangewezen is, onderscheidenlijk de meerderheid van degenen die aangewezen zijn, mag niet bij de totstandkoming van de beslissing of de weigering waartegen het bezwaar is gericht, betrokken zijn geweest.
5.
Deze ambtenaar aangesteld voor de uitvoering van de politietaak, de vrijwillige ambtenaar van politie en aspirant, kunnen tijdens de zitting waarop zij worden gehoord, gebruik maken van een raadsman.
1.
Onze Minister deelt de ambtenaar aangesteld voor de uitvoering van de politietaak, de vrijwillige ambtenaar van politie en aspirant, zijn beslissing op het bezwaar zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen een maand na de ontvangst van het bezwaarschrift, dan wel, indien een hoorzitting heeft plaatsgevonden, na de datum van die hoorzitting, mede. Het tijdvak van een maand kan door Onze Minister bij gemotiveerde beschikking éénmaal met ten hoogste een maand worden verlengd
2.
De mededeling omtrent de beslissing op het bezwaar bevat de overwegingen waarop deze steunt en, indien het bezwaar geheel of gedeeltelijk gegrond is gebleken, de wijziging van de oorspronkelijke beslissing of weigering waartoe de heroverweging Onze Minister aanleiding heeft gegeven.
3.
De beslissing op het bezwaar is een beschikking als bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de Wet ambtenarenrechtspraak 1951 BES. Indien met deze beslissing niet of niet geheel aan het bezwaar tegemoet wordt gekomen, wordt in de mededeling, bedoeld in het tweede lid, tevens aangegeven, dat bij het gerecht in ambtenarenzaken in beroep kan worden gekomen en de termijn waarbinnen dat dient te geschieden.
1.
Tot het tijdstip van inwerkingtreding van de ministeriële regeling, bedoeld in artikel 8i, derde lid, is voor de aanstelling als ambtenaar van politie en voor aanstelling in een andere functie niet van toepassing dat wordt voldaan aan de eisen betreffende het geneeskundig en psychologisch onderzoek, bedoeld in de artikelen 8, eerste lid, onder b, 8a, onder d, en 8b, onder d en e, onderscheidenlijk 8k.
2.
Tot het tijdstip van inwerkingtreding van de ministeriële regeling, bedoeld in de artikelen 8f, derde lid, en 8h, onder a, b, c en d, is voor de aanstelling als aspirant en als vrijwillige ambtenaar in opleiding niet van de toepassing dat wordt voldaan aan de bij het geschiktheidsonderzoek gestelde eisen, bedoeld in artikel 8f, eerste lid.
3.
Tot het tijdstip van inwerkingtreding van de ministeriële regeling, bedoeld in artikel 8n, tweede lid, is voor de aanstelling als ambtenaar van politie niet van toepassing dat uit onderzoek naar de betrouwbaarheid en geschiktheid geen bezwaar lijkt te bestaan tegen de aanstelling en is artikel 8m niet van toepassing.
4.
Tot het tijdstip van inwerkingtreding van de ministeriële regeling, bedoeld in artikel 74k, eerste lid, onder a en b, is voor de geoefendheid in het gebruik van een geweldmiddel niet vereist dat de toets geweldbeheersing en de toets aanhoudings- en zelfverdedigingsvaardigheden met voldoende resultaat is afgelegd.
5.
Tot het tijdstip van inwerkingtreding van de ministeriële regeling, bedoeld in artikel 74k, eerste lid, onder a en b, en tweede lid, is voor de geoefendheid in het gebruik van een vuurwapen niet vereist dat de toets schietvaardigheid met voldoende resultaat is afgelegd.
Artikel 123a
Op de personen die op het tijdstip van inwerkingtreding van de Veiligheidswet BES worden aangesteld als ambtenaar van politie zijn de aanstellingseisen, genoemd in de artikelen 8, 8a en 8b, niet van toepassing.
1.
De personen die op het tijdstip van inwerkingtreding van de Veiligheidswet BES worden aangesteld als ambtenaar van politie en in de week voorafgaand aan dat tijdstip ten overstaan van de gezaghebber van het eilandgebied Bonaire, Sint Eustatius of Saba de eed dan wel verklaring en belofte van zuivering alsmede de daarop volgende eed of belofte, zoals geformuleerd in artikel 10, eerste en tweede lid, hebben afgelegd, worden geacht bij de aanvaarding van hun ambt de vereiste eed dan wel verklaring en belofte van zuivering alsmede de daarop volgende eed of belofte, bedoeld in artikel 10, eerste of tweede lid, te hebben afgelegd.
2.
De personen die op het tijdstip van inwerkingtreding van de Veiligheidswet BES worden aangesteld als ambtenaar van politie en in de week voorafgaand aan deze inwerkingtreding niet de in het eerste lid bedoelde de eed dan wel verklaring en belofte van zuivering alsmede de daarop volgende eed of belofte, zoals geformuleerd in artikel 10, eerste en tweede lid, hebben afgelegd, worden gedurende twee maanden na inwerkingtreding van dit besluit geacht bij de aanvaarding van hun ambt de vereiste eed dan wel verklaring en belofte van zuivering alsmede de daarop volgende eed of belofte, bedoeld in artikel 10, eerste of tweede lid, te hebben afgelegd.
3.
De ambtenaren van politie, bedoeld in het tweede lid, leggen de eed dan wel verklaring en belofte van zuivering alsmede de daarop volgende eed of belofte, bedoeld in artikel 10, eerste of tweede lid, zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen twee maanden na inwerkingtreding van dit besluit alsnog af.
Artikel 124
Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit rechtspositie korps politie BES.