Rechtenmedia.nl - Juridische Online Uitgeverij  Rechtennieuws.nl | Jure.nl | Maxius.nl | Parlis.nl | Rechtenforum.nl | JBmatch.nl | MijnWetten.nl | AdvocatenZoeken.nl | Rechtentotaal.nl
Besluit Kernprogramma opleiding diploma Kraamverzorgster 1984
Bwb-id:
Officiele titel:
Citeertitel:
Soort regeling:
Wetsfamilies:
Eerst verantwoordelijk ministerie:

Geldigheidsdatum:
Ingangsdatum:
Inhoudsopgave
+ § I. Algemene bepaling
+ § II. Opleiding
+ § III. De inhoud van de opleiding
+ § IV. Beoordeling tijdens en aan het einde van de internaatsperiode
+ § V. De praktijkperiode in het kraamcentrum en de inrichting
+ § VI. Toetsen en waarderingsgesprekken tijdens de praktijkperiode
+ § VII. Het eindexamen
+ § VIII. Overgangsbepalingen
Vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature

Juridisch advies nodig?
Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag
Geschiedenis

Geschiedenis-overzicht
Let op. Deze wet is vervallen op 28 augustus 2004. U leest nu de tekst die gold op 27 augustus 2004.

Besluit Kernprogramma opleiding diploma Kraamverzorgster 1984

Besluit Kernprogramma opleiding diploma Kraamverzorgster 1984
De staatssecretaris van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur;
Overwegende dat het noodzakelijk is de opleiding tot kraamverzorgster aan te passen aan de huidige inzichten op het gebied van de kraamverzorging en op onderwijskundig terrein;
Gelet op artikel 10 van de Rijksregeling tot vaststelling van de subsidievoorwaarden voor kraaminternaten, Stcrt. 1964, nr. 145.
Besluit:
Artikel 1
In dit besluit wordt verstaan onder:
a. minister:
de minister van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur;
b. hoofdinspecteur:
de geneeskundig hoofdinspecteur van de volksgezondheid;
c. inspecteur:
de regionale inspecteur van de volksgezondheid in wiens ambtsgebied het desbetreffende internaat is gelegen;
d. coördinatiecommissie:
het provinciaal orgaan, ingesteld door organisaties als bedoeld in artikel 1, onder e, van de Rijksregeling tot vaststelling van de subsidievoorwaarden voor kraaminternaten, dat de theoretische en praktische opleiding coördineert en verantwoordelijk is voor de uitvoering daarvan overeenkomstig de voorschriften, opgenomen in dit besluit;
e. internaat:
een internaat voor de vorming en theoretische opleiding tot kraamverzorgster;
f. kraamcentrum:
een instelling welke tot doel heeft het verlenen van zorg aan kraamvrouwen en pasgeborenen in de vorm van interne of wijkkraamzorg, alsmede het geven van praktische opleiding aan leerlingkraamverzorgsters, en welke is erkend op grond van artikel 8a van de Ziekenfondswet (Stb. 1961, 392);
g. inrichting:
de verloskundige afdeling dan wel een opleidingsschool van een door de minister tot het geven van de opleiding diploma A-verpleegkundige erkend algemeen ziekenhuis;
h. provinciaal verpleegkundige:
een provinciaal verpleegkundige voor de kraamzorg als bedoeld in artikel 1, onder o, van het Besluit normen en voorwaarden kraamcentra (Stcrt. 1973, 200).
1.
Tot de opleiding worden uitsluitend toegelaten zij die:
a. tenminste de leeftijd van 17 jaar en 11 maanden hebben bereikt bij aanvang van de opleiding;
b. een voor de uitoefening van het beroep goede gezondheid genieten volgens de maatstaven van de erkende keuring die in de c.a.o. voor personeel kruiswerk beschreven staat;
c. in het bezit zijn van een of meer diploma's, voorkomende op de als bijlage 1 bij dit besluit gevoegde lijst;
2.
De minister kan ontheffing verlenen van de in het eerste lid, onder c, gestelde eis:
a. op grond van leeftijd;
b. op grond van een in het buitenland behaald diploma.
1.
De opleiding tot kraamverzorgster is gericht op het aanleren van vaardigheden welke benodigd zijn voor het vóór, tijdens en na de fysiologische bevalling verzorgen van kraamvrouw en pasgeborene en voor het assisteren van de verloskundige of arts tijdens de fysiologische bevalling alsmede voor het waarnemen van de huishouding gedurende het kraambed. De opleiding is mede gericht op het kunnen geven van voorlichting en instructie.
2.
De opleiding heeft een totale duur van ten minste 16 maanden, verdeeld in een internaatsperiode en een praktijkleerperiode.
3.
De opleiding vangt aan met een periode van ten minste 16 en ten hoogste 18 weken in internaatsverband, waaronder een stage van ten minste 5 dagen in een kraamcentrum.
4.
Hierna volgt een praktijkperiode van ten minste één jaar bij een kraamcentrum, onderbroken door 2 weken van elk 5 dagen aaneengesloten in het internaat.
5.
Ten hoogste 8 weken van de praktijkperiode kunnen in een inrichting worden doorgebracht.
6.
De verantwoordelijkheid voor de internaatsopleiding ligt bij de directrice van het opleidingsinternaat; de verantwoordelijkheid voor de praktijkperiode in het kraamcentrum ligt bij de leidster-docente van het centrum. De praktijkperiode in een inrichting vindt plaats onder verantwoordelijkheid van het verpleegkundig hoofd van de verloskundige afdeling.
1.
Een leerling mag slechts éénmaal overgaan naar een ander internaat of een ander kraamcentrum.
2.
De internaatsperiode mag niet meer dan 10 cursusdagen worden onderbroken.
3.
De praktijkperiode mag niet meer dan 30 werkdagen worden onderbroken.
4.
De hoofdinspecteur kan van het bepaalde in het eerste tot en met het derde lid eenmaal ontheffing verlenen. Aan de ontheffing kunnen voorwaarden worden verbonden.
Artikel 5
De opleiding in het internaat vangt ten minste tweemaal per jaar aan.
Artikel 6
Eenmaal per jaar, uiterlijk 15 september, worden aan de minister overgelegd:-
een exemplaar van het jaaroverzicht van de aktiviteiten van het internaat in het komende kalenderjaar;-
een lessentabel;-
een docentenlijst;-
een begroting;
volgens een door de minister vastgesteld model.
1.
Tenminste 1 maand vóór de aanvang van iedere opleiding dient de directrice van het internaat bij de hoofdinspecteur in tweevoud de volgende gegevens in:
a. een nominatieve opgave der leerlingen, onder vermelding van hun geboortedatum en plaats en van de datum van de aanvang van de opleiding;
b. uittreksels uit het geboorteregister;
c. een overzicht van de genoten vooropleiding.
2.
Een week na afloop van de internaatsperiode zendt de directrice een opgave aan de hoofdinspecteur betreffende het aantal leerlingen dat wel en dat niet is toegelaten tot de praktijkperiode.
Artikel 8
Het theoretische gedeelte van de opleiding gedurende de internaatsperiode omvat tenminste 375 lesuren, in de vorm van theorielessen en praktijkleeropdrachten:
A. De zorg voor kraamvrouw en pasgeborene
– Anatomie/fysiologie 18 uur
– Verloskunde 24 uur
– Kraamzorg 45 uur
– Kinderhygiëne
bestaande uit kindergeneeskunde (12 uur) en sociale kinderhygiëne (6 uur) 18 uur
– Maatschappelijke gezondheidszorg 6 uur
– Gezondheidsvoorlichting 2 uur
113 uur
B. Huishouding
– Theorie/praktijk voeding 38 uur
– Wasbehandeling 10 uur
– Woninghygiëne 13 uur
– Organisatie huishouding 6 uur
– Gezondheidsvoorlichting 2 uur
69 uur
C. Vorming
– Omgangskunde 60 uur
– Geestelijke-/maatschappelijke stromingen 12 uur
– Gezondheidsvoorlichting 10 uur
– Vrije expressie 30 uur
112 uur
D. Overige lessen en activiteiten
– Studie-uren 25 uur
– Introductie 2 uur
– Evaluatie 15 uur
– Waarderingsgesprekken 1 uur
43 uur
Totaal 337 uur
E. Keuze-uren volgens rooster
omvat 38 uur verdeeld over de onderdelen A, B, C en D.
Artikel 9
De in artikel 8 genoemde lessen dienen gegeven te worden door de hieronder genoemde docenten met de daarachter vermelde diploma's en bevoegdheden:-
anatomie en fysiologie: A-verpleegkundige met aantekening Kraamverpleging of specialisatie obstetrie/gynaecologie, bij voorkeur in het bezit van een diploma docent-verpleegkunde, HBO-V of arts;-
verloskunde: verloskundige of arts;-
kraamzorg: A-verpleegkundige met aantekening kraamverpleging en met aantekening maatschappelijke gezondheidszorg of een A-verpleegkundige met aantekening kraamverpleging of specialisatie obstetrie/gynaecologie en in het bezit van het diploma van de docentenopleiding of HBO-V met voldoende ervaring in de kraamverpleging;-
kindergeneeskunde: arts met ervaring in de zorg voor de pasgeborene;-
sociale kinderhygiëne: districtsverpleegkundige voor kinderhygiëne of kinderhygiënist;-
maatschappelijke gezondheidszorg: arts (jeugdgezondheidszorg), A-verpleegkundige met aantekening maatschappelijke gezondheidszorg, HBO-V;
– theorie en bereiding van de voeding: lerarenakte N XII of N XIX en pedagogisch getuigschrift; NLO Omgangskunde 2e graads,
– theorie en praktijk van de wasbehandeling;
– theorie en praktijk van de woninghygiëne;
– organisatie huishouden;
– vormende vakken: omgangskunde en vrije expressie: docenten in het bezit van het diploma:
  - sociale academie (culturele richting) - NLO Omgangskunde 2e graads - Akte N XX - KMO - Mikojel;
 
 
 
 
– gezondheidsvoorlichting: - verpleegkundige met aantekening maatschappelijke gezondheidszorg, HBO-V of GVO, - docent sociale gezondheidskunde;
 
– geestelijke en maatschappelijke stromingen: - ter bereiding door de inrichting op niveau van 2e of 3e graads lerarenbevoegdheid van de WVO.
1.
In de 8e en de 14e week van de internaatsperiode vinden waarderingsgesprekken plaats ter beoordeling van de praktische vaardigheden en het persoonlijk functioneren van de leerling.
2.
Aan het einde van de internaatsperiode vindt een schriftelijke toets plaats ter beoordeling van de theoretische kennis van en het inzicht in elk van de volgende vakken; -
anatomie en fysiologie;-
verloskunde;-
kraamzorg;-
kinderhygiëne;-
huishoudkunde, waaronder voeding;-
voorlichting en instructie van de moeder en de gezinsleden.
3.
De waarderingen, bedoeld in het eerste en tweede lid, geschieden in de bewoordingen goed, voldoende of onvoldoende.
1.
De leerling wordt slechts tot de praktijkperiode toegelaten indien:
a. de praktische vaardigheden en het persoonlijk functioneren in de internaatsperiode met voldoende of goed zijn gewaardeerd;
b. de theoretische kennis en het inzicht met voldoende of goed is gewaardeerd;
c. de handelingen wat betreft het huishoudelijk werk door of namens de directrice zijn afgetekend in het praktijkboekje;
d. het aantal onderbrekingsdagen gedurende de internaatsperiode niet meer heeft bedragen dan toegestaan ingevolge artikel 4;
2.
Heeft de leerling voor ëën van de in het eerste lid genoemde onderdelen a en b een onvoldoende dan wordt de leerling tot de praktijkperiode toegelaten onder voorwaarde dat binnen 2-3 maanden na aanvang een herwaardering plaatsvindt;
3.
Is deze herwaardering onvoldoende, dan wordt de leerling van de opleiding in de desbetreffende instelling uitgesloten.
4.
In bijzondere gevallen kan de directrice van het internaat toestaan dat na een onvoldoende herwaardering als bedoeld in het derde lid wederom een herwaardering plaatsvindt. Hierop is het derde lid van toepassing.
5.
Indien een leerling voor beide in het eerste lid genoemde onderdelen a en b een onvoldoende heeft, dan wordt de leerling van de opleiding in de desbetreffende instelling uitgesloten
1.
Aan het einde van de internaatsopleiding ontvangt de leerling die tot de praktijkperiode wordt toegelaten, een leerlingeninsigne volgens een door de minister vastgesteld model
2.
Wanneer de opleiding voortijdig beëindigd wordt, moet het insigne worden ingeleverd bij de leidster-docente van het kraamcentrum
1.
De praktijkperiode omvat ten minste 160 werkdagen
2.
Ter verwerkelijking van het doel van de praktijkperiode, namelijk praktische vorming en integratie van theorie en praktijk ten aanzien van de vakgebieden kraamzorg, huishouding en vorming, plaatst de leidster-docente van het kraamcentrum de leerlingen in door haar geschikt bevonden gezinnen, dan wel gedurende ten hoogste 8 weken in een inrichting. Van deze plaatsing wordt mededeling gedaan aan de hoofdinspecteur.
3.
De praktijkperiode in het kraamcentrum dient begeleid te worden door verpleegkundige stafleden van het kraamcentrum.
Artikel 14
Gedurende de praktijkperiode wordt theoretisch onderwijs gegeven omvattende:
a. bij het kraamcentrum, gedurende 2 lesuren per week met een minimum van 70 uur per praktijkperiode, zorg voor kraamvrouw en pasgeborene met de daarbij behorende praktijkleeropdrachten; dit kan ook in lesdagen met een minimum van 52 uur en een maximum van 60 lesuren per praktijkperiode zoals omschreven in het werkboek opleiding kraamverzorgsters;
b. gedurende de twee weken in het internaat als bedoeld in artikel 3, vierde lid, in ieder geval 8 uur kraamzorg in complexe sociale situaties, 10 uur kindergeneeskunde (pathologie van de pasgeborene) en 10 uur verloskunde. Bij de resterende uren komen in ieder geval huishouding en vorming aan de orde.
1.
Ten behoeve van het praktische gedeelte van de opleiding wordt gebruik gemaakt van een praktijkboekje waarvan een model ter inzage ligt op het Ministerie van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur.
2.
Gedurende de praktijkperiode oefent de leerling handvaardigheden en handelingen welke in het praktijkboekje worden genoemd. Er wordt in het praktijkboekje door de leidster-docente van het kraamcentrum aantekening gehouden van: -
verplichte handelingen: handelingen voor, tijdens en direct na de bevalling, handelingen op het gebied van de dagelijkse verzorging van de kraamvrouw en van de zuigeling, desinfecteren, voorlichting en instructie aan de kraamvrouw en gezinsleden;-
bijgewoonde zittingen van het consultatiebureau voor zuigelingen en kleuters.
Indien een leerling in een inrichting is geplaatst kunnen de verplichte handelingen door of namens het verpleegkundig hoofd van de verloskundige afdeling worden aangetekend.
3.
Indien een leerling de praktijkperiode alleen bij een kraamcentrum doorbrengt, moet de leerling: -
16 volledige verzorgingen van 8 à 10 dagen verrichten, waarvan 10 met bijwoning van de bevalling.
Van deze 10 dienen er ten minste 3 bij de kraamvrouw thuis plaats te vinden;-
ten minste 10 verslagen van verrichte verzorgingen opstellen;-
ten minste 4 zittingen op consultatiebureaus voor zuigelingen en kleuters bijwonen.
4.
Indien een leerling een deel van de praktijkperiode in een inrichting doorbrengt, dient voldaan te worden aan de volgende voorwaarden: -
16 volledige verzorgingen voor 8 à 10 dagen, waarvan ten minste 5 met bijwoning van de bevalling in de inrichting en 2 bij de kraamvrouw thuis. Voor elke 2 weken die een leerling doorbrengt in een inrichting wordt het aantal volledige verzorgingen met 1 verminderd;-
het totaal aantal bijgewoonde bevallingen dient over de gehele praktijkperiode ten minste 12 te bedragen.
1.
Tijdens de praktijkperiode worden de praktische vaardigheden en het persoonlijk functioneren getoetst aan de hand van waarderingsgesprekken.
Deze gesprekken dienen in de 3e, 6e en 9e maand van de praktijkperiode plaats te vinden aan de hand van een door de hoofdinspecteur vastgesteld formulier.
De waardering geschiedt in de bewoordingen goed, voldoende en onvoldoende.
2.
Is de waardering in de 3e maand onvoldoende dan wordt de leerling van de opleiding in de desbetreffende instelling uitgesloten.
3.
Is de waardering in de 6e maand onvoldoende dan bepaalt de leidster-docente in overleg met de coördinatiecommissie, of de leerling wordt uitgesloten van de opleiding in de desbetreffende instelling dan wel of de praktijkperiode wordt verlengd met ten hoogste 6 maanden.
4.
Is de waardering in de 9e maand onvoldoende dan dient de opleiding met ten hoogste 6 maanden te worden verlengd, tenzij reeds een verlenging gegeven is door het overdoen van een deel van de opleiding bij onvoldoende waardering voor het gesprek in de 6e maand; in dit geval wordt de leerling van de opleiding in de desbetreffende instelling uitgesloten.
5.
Tijdens de praktijkperiode wordt de theoretische kennis tweemaal getoetst en wel in een tussentoets en in een eindtoets.
6.
Deze toetsen zijn schriftelijk en worden afgenomen op een door de coördinatiecommissie aangewezen plaats, en wel als volgt:
a. de toetsen worden door of vanwege de coördinatiecommissie samengesteld;
b. indien mogelijk worden de opgaven gerelateerd aan een praktijkgeval;
c. de tussentoets vindt plaats in de 6e maand, ten hoogste 4-6 weken voor de weken bedoeld in artikel 3, vierde lid;
d. de eindtoets vindt plaats in de 10e maand, ten hoogste 8-10 weken voor het eindgesprek.
1.
De tussentoets omvat de vakken: -
kraamzorg;-
kinderhygiëne;-
verloskunde;-
anatomie/fysiologie;-
huishoudkunde waaronder voeding.
2.
De waardering van de tussentoets geschiedt in de bewoordingen goed, voldoende of onvoldoende.
3.
Indien de leerling één onvoldoende heeft behaald kan de opleiding vervolgd worden.
Bij twee onvoldoendes vindt hertoetsing plaats van de vakken waarvoor onvoldoende is behaald. Bij meer dan twee onvoldoendes vindt hertoetsing van alle vakken plaats.
4.
Wanneer bij hertoetsing één onvoldoende is behaald dan kan de opleiding voortgezet worden.
Wanneer bij hertoetsing twee onvoldoendes worden behaald, wordt de opleiding met 6 maanden verlengd; na deze periode vindt nogmaals een hertoetsing plaats. Wanneer bij deze hertoetsing wederom twee onvoldoendes worden behaald, wordt de leerling van de opleiding in de desbetreffende instelling uitgesloten.
Wanneer bij hertoetsing meer dan twee onvoldoendes worden behaald, bepaalt de leidster-docente, na overleg met de coordinatie-commissie, of de leerling van de opleiding uitgesloten wordt, dan wel of de opleiding met ten hoogste 6 maanden verlengd wordt; na deze periode vindt nogmaals een hertoetsing plaats. Wanneer bij deze hertoetsing wederom twee onvoldoendes worden behaald, wordt de leerling van de opleiding in de desbetreffende instelling uitgesloten.
5.
Van het bepaalde in dit artikel kan in bijzondere gevallen ontheffing worden verleend door de hoofdinspecteur.
1.
De eindtoets omvat de vakken, genoemd in artikel 17, eerste lid,
2.
Tot de eindtoets worden uitsluitend toegelaten die leerlingen wier praktische vaardigheden en persoonlijk functioneren in de negende maand van de praktijkperiode ingevolge artikel 16, eerste lid, met goed of voldoende zijn beoordeeld.
3.
De waardering van de eindtoets geschiedt in de bewoordingen goed, voldoende of onvoldoende.
4.
Een leerling is geslaagd voor de eindtoets indien voor alle vakken goed of voldoende is bepaald.
Bij een of twee onvoldoendes vindt hertoetsing plaats van die vakken waarvoor onvoldoende is behaald.
Bij meer dan twee onvoldoendes vindt hertoetsing plaats van alle vakken.
5.
Indien bij hertoetsing wederom een onvoldoende wordt behaald dan wordt de opleiding door de leidster-docente, na overleg met de coordinatie-commissie, met ten hoogste 6 maanden verlengd, waarna de leerling nogmaals de eindtoets aflegt, tenzij reeds eerder verlenging door overdoen van de opleiding op grond van tussentoetsen heeft plaatsgevonden, in welk geval de leerling wordt afgewezen.
6.
Van het bepaalde in dit artikel kan in bijzondere gevallen ontheffing worden verleend door de hoofdinspecteur.
Artikel 19
De leerling wordt tot het eindexamen toegelaten als aan de hoofdinspecteur de volgende stukken zijn overgelegd, welke hem tenminste 3 weken vóór de datum van het examen dienen te worden voorgelegd door de provinciaal verpleegkundige:
a. het praktijkboekje waaruit moet blijken dat:-
de leerling kraamverzorgster het aantal onderbrekingsdagen zoals gesteld in artikel 4, tweede en derde lid, niet heeft overschreden, behoudens ontheffing ingevolge het vierde lid van dat artikel;-
alle verplichte handelingen volgens artikel 15, eerste lid zijn afgetekend door of namens de leidster-docente van het kraamcentrum;-
de zittingen op consultatiebureau's zoals gesteld in artikel 15, tweede lid, zijn bijgewoond;
b. de gezinslijst, volgens een in bijlage 2 aangegeven model, waaruit moet blijken dat de leerling kraamverzorgster aan de eisen gesteld in artikel 14, tweede lid, heeft voldaan;
c. de geanonimiseerde temperatuurlijsten behorende bij de op de gezinslijst vermelde verzorgingen;
d. een overzichtslijst afsluiting opleiding tot kraamverzorgsters, waaruit moet blijken dat de beoordelingen, bedoeld in de artikelen 10 en 16 met voldoende of goed zijn gewaardeerd.
e. een bewijs van storting in de rijksschatkist van het vastgestelde examengeld ten bedrage van f 60.
1.
Het eindexamen ter verkrijging van het diploma kraamverzorgster wordt afgenomen aan het einde van de praktijkperiode in de vorm van een eindgesprek en vindt plaats in het internaat.
2.
Bij het eindgesprek wordt uitgegaan van een door de leerling opgesteld gecombineerd verslag van recente datum naar aanleiding van een bevalling met aansluitende ononderbroken verzorging van 9 à 10 dagen, die door de leerling is verricht in het 2e halfjaar van de praktijkperiode.
Het eindgesprek behelst een toetsing van de integratie van de vakgebieden zorg voor kraamvrouw en pasgeborene, huishouding en vorming, het geven van vorming en instructie, alsmede een beoordeling of de kandidaat met voldoende kennis en inzicht kraamzorg kan verlenen.
3.
Het eindexamen wordt gehouden tussen 9.00 uur en 18.00 uur en duurt ten hoogste 45 minuten. Er wordt protocol geschreven.
1.
De directrice van het opleidingsinternaat geeft ten minste acht weken vóór het eindexamen de data van de eindgesprekken door aan de inspecteur met het verzoek om per eindgesprek één of meer gecommitteerden aan te wijzen en regelt het eindgesprek overeenkomstig de aanwijzingen van de inspecteur.
2.
Vier weken vóór het eindexamen wordt aan de inspecteur een opgave verstrekt:
a. van de docenten verbonden aan de opleiding, die zitting zullen nemen in de examencommissie, bedoeld in artikel 23;
b. van het examenrooster.
3.
Aan de leden van de examencommissie en de door de inspecteur aangewezen gecommitteerden worden 3 weken tevoren behalve het examenrooster ook de verslagen van de leerlingen toegezonden, die uitgangspunt zullen zijn voor het gesprek.
Artikel 22
Ten behoeve van de gecommitteerde(n) dient er bij het eindgesprek per leerling aanwezig te zijn:-
het praktijkboekje;-
de gezinslijst;-
de temperatuurlijsten behorende bij de op de gezinslijst vermelde verzorgingen;-
het overzicht afsluiting opleiding tot kraamverzorgster;-
10 door de leerling gemaakte verslagen van door haar verrichte verzorgingen;-
de waarderingen van het functioneren tijdens de praktijkperiode in de 3e, 6e en 9e maand;-
de door de leerling gemaakte tussentoets en eindtoets.
1.
Tot het afnemen van het eindgesprek wordt door de directrice van het internaat een examencommissie samengesteld bestaande uit een staflid van het internaat en een vakdocent van het vak verloskunde of kinderhygiëne en de leidster-docente of adjunct-leidster-docente van het desbetreffende kraamcentrum.
2.
De inspecteur wijst per eindgesprek één of meer gecommitteerden aan, die direct noch indirect betrokken mogen zijn bij de desbetreffende opleiding.
1.
De waardering van het eindexamen geschiedt in de bewoordingen goed, voldoende of onvoldoende.
Een leerling is geslaagd wanneer de waardering voldoende of goed is.
2.
Bij verschil van mening in de examencommissie beslist/beslissen de gecommitteerde(n).
3.
Het resultaat van het eindgesprek wordt achter de naam van elke leerling vermeld op de examenstaat, welke door examencommissie en gecommitteerde(n) wordt ondertekend.
Er wordt gebruik gemaakt van een examenstaat volgens een door de hoofdinspecteur verstrekt model. Deze examenstaat dient binnen een week na het eindgesprek in tweevoud aan de hoofdinspecteur te worden gezonden.
1.
Is de waardering voor het eindgesprek onvoldoende dan wordt de leerling afgewezen en wordt door de examencommissie in overeenstemming met de gecommitteerde(n) de duur van de afwijzing bepaald.
2.
In afwachting van het herexamen dient de leerling praktisch werkzaam te zijn in een kraamcentrum.
3.
Voor het herexamen is f 25 verschuldigd.
4.
Het voor de afgewezen leerling bestemde insigne en diploma dienen binnen een week teruggezonden te worden aan de hoofdinspecteur.
Artikel 26
Wanneer de leerling voor de tweede maal bij het eindgesprek wordt afgewezen, wordt deze van het volgen van de opleiding in de desbetreffende instelling uitgesloten.
1.
De leerling die het examen met goed gevolg heeft afgelegd, legt ten overstaan van de examencommissie de volgende verklaring van geheimhouding af: ‘Ik beloof dat ik geheim zal houden al hetgeen mij in de uitoefening van het beroep als kraamverzorgster als geheim is toevertrouwd of wat daarbij als geheim te mijner kennis is gekomen of waarvan ik het vertrouwelijk karakter moet begrijpen.’
2.
De voorzitter van de examencommissie reikt aan de leerling die de verklaring, bedoeld in het eerste lid, heeft afgelegd, het diploma uit – waarvan het model door de minister is vastgesteld – alsmede het bijbehorende insigne. De geëxamineerde ondertekent het diploma ten overstaan van de gecommitteerde(n) en van de examencommissie.
Artikel 28
Na afloop van het eindexamen brengt(en) de gecommitteerde(n) een verslag uit aan de hoofdinspecteur over het niveau en het verloop van het eindgesprek.
Artikel 29
De hoofdinspecteur, de inspecteur, alsmede een door hen in het algemeen of voor een bijzonder geval aan te wijzen ambtenaar zijn bevoegd de lessen, de theoretische beoordeling en het eindgesprek bij te wonen.
Artikel 30
Het besluit van de staatssecretaris van Sociale Zaken en Volksgezondheid van 28 september 1970, Stcrt. 1971, nr. 7, wordt ingetrokken.
Artikel 31
Ten aanzien van de leerlingen wier opleiding een aanvang heeft genomen vóór de datum van inwerkingtreding van dit besluit blijft het Besluit kernprogramma opleiding tot kraamverzorgster van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Volksgezondheid dd. 28 december 1970. Stcrt. 1971, no. 7 van toepassing, met dien verstande dat na 1 september 1985 geen examens meer ingevolge genoemd besluit kunnen worden afgelegd en dat de provinciaal verpleegkundige en de directrice van het internaat gezamenlijk bepalen of tot die datum de opleiding ingevolge de code dan wel de nieuwe regeling wordt gegeven.
1.
Dit besluit kan worden aangehaald als: besluit Kernprogramma opleiding diploma Kraamverzorgster 1984.
2.
Het treedt in werking met ingang van de dag na die der dagtekening van de Nederlandse Staatscourant, waarin het met de daarbij behorende toelichting wordt geplaatst.
Leidschendam, 20 augustus 1984
De
staatssecretaris