Rechtenmedia.nl - Juridische Online Uitgeverij  Rechtennieuws.nl | Jure.nl | Maxius.nl | Parlis.nl | Rechtenforum.nl | JBmatch.nl | MijnWetten.nl | AdvocatenZoeken.nl | Rechtentotaal.nl
Besluit invordering boeten en onverschuldigd betaalde bedragen AOW, Anw en AKW
Bwb-id:
Officiele titel:
Citeertitel:
Soort regeling:
Wetsfamilies:
Eerst verantwoordelijk ministerie:

Geldigheidsdatum:
Ingangsdatum:
Inhoudsopgave
+ Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen
+ Hoofdstuk 2. Termijnen van aflossing
+ Hoofdstuk 3. Tenuitvoerlegging van boetebesluiten en besluiten tot terugvordering
+ Hoofdstuk 4. Wettelijke rente en kosten
+ Hoofdstuk 5. Toerekening van betalingen
+ Hoofdstuk 6. Slotbepalingen
Vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature

Juridisch advies nodig?
Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag
Geschiedenis

Geschiedenis-overzicht
Let op. Deze wet is vervallen op 1 juli 2009. U leest nu de tekst die gold op 30 juni 2009.

Besluit invordering boeten en onverschuldigd betaalde bedragen AOW, Anw en AKW

Besluit invordering boeten en onverschuldigd betaalde bedragen AOW, Anw en AKW
Het bestuur van de Sociale Verzekeringsbank,
Gelet op de artikelen 17e, eerste lid en 24b van de Algemene Ouderdomswet, 41, derde lid, en 55 van de Algemene nabestaandenwet en de artikelen 17c, derde lid en 24b van de Algemene Kinderbijslagwet;
Besluit:
Artikel 1
In dit besluit wordt verstaan onder:
a. de Bank: de Sociale Verzekeringsbank;
b. de AOW: de Algemene Ouderdomswet ;
c. de Anw: de Algemene nabestaandenwet ;
d. de AKW: de Algemene Kinderbijslagwet ;
e. vordering: een vordering uit hoofde van een boete die is opgelegd op grond van artikel 17c AOW, op grond van artikel 39 Anw of op grond van artikel 17a AKW, alsmede een bedrag dat wordt teruggevorderd in een besluit als bedoeld in de artikelen 24 AOW, 54 Anw en 24 AKW, beide met inbegrip van de verhogingen als bedoeld in de artikelen 17i, zesde lid, AOW, 45, zesde lid, Anw en 17g, zesde lid, AKW;
f. schuldenaar: degene aan wie een boete is opgelegd dan wel van wie een bedrag wordt teruggevorderd;
g. aflossingscapaciteit: het deel van het inkomen van de schuldenaar dat met inachtneming van de beslagvrije voet, bedoeld in de artikelen 475c tot en met 475e van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, kan worden aangewend voor betaling of verrekening van de vordering;
h. vermogen: vermogensrechten, roerende en onroerende zaken, met uitzondering van zaken waarvan de dagwaarde minder dan € 1 135,– bedraagt.
1.
Dit besluit is van toepassing op de invordering van boeten die zijn opgelegd met toepassing van artikel 17c AOW, artikel 39 Anw dan wel artikel 17a AKW.
2.
Dit besluit is voorts van toepassing op de invordering van bedragen die in het kader van de uitvoering van de AOW , de Anw en de AKW onverschuldigd zijn uitbetaald, in zoverre het besluit tot terugvordering hiervan op of na de dag van inwerkingtreding van de Wet boeten, maatregelen, terug- en invordering sociale zekerheid is genomen.
3.
Artikel 4, vijfde lid, artikel 5, vijfde lid, en artikel 6, zesde lid, zijn niet van toepassing op vorderingen op een schuldenaar die niet in Nederland woont of vast verblijft, tenzij de kantonrechter met toepassing van artikel 475e van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering op zijn verzoek een beslagvrije voet heeft vastgesteld.
4.
Dit besluit is niet van toepassing indien en voorzolang de Bank heeft ingestemd met een buitengerechtelijke schuldsaneringsregeling als bedoeld in artikel 285, eerste lid, onder e Faillissementswet.
5.
Dit besluit is niet van toepassing indien en voorzolang de rechtbank met toepassing van artikel 287 Faillissementswet een schuldsaneringsregeling van toepassing heeft verklaard.
1.
De Bank kan de termijn of termijnen van betaling of verrekening vaststellen conform een met redenen omkleed voorstel van de schuldenaar, mits volgens dit voorstel de gehele vordering binnen twaalf maanden wordt voldaan en de schuldenaar dit voorstel heeft gedaan binnen zes weken nadat hem daartoe door de Bank de gelegenheid is geboden.
2.
In afwijking van het eerste lid doet de Bank in geval zij een vordering beneden € 2 268,– heeft, aan de schuldenaar een voorstel inzake de wijze van betaling van deze vordering. Indien de schuldenaar niet binnen de door de Bank gestelde termijn op het voorstel reageert, stelt de Bank de wijze en termijnen van aflossing vast overeenkomstig het gedane voorstel.
3.
In afwijking van het eerste lid wordt een vordering van ten hoogste € 272,– zonder voorafgaand overleg met de belanghebbende verrekend door inhouding van een bedrag van ten hoogste € 22,– per maand op toekomstige betalingen aan de belanghebbende.
4.
Bij gebreke van toepassing van het eerste lid stelt de Bank de termijn of termijnen van betaling of verrekening vast met inachtneming van de artikelen 4 tot en met 7.
1.
Dit artikel is van toepassing op de invordering van boeten.
2.
De Bank stelt de termijnen voor aflossing van de vordering zodanig vast dat gebruik wordt gemaakt van de volledige aflossingscapaciteit van de schuldenaar.
3.
Indien bij betaling conform de volgens het tweede lid vastgestelde termijnen de vordering binnen twaalf maanden niet volledig zal zijn voldaan, dient de schuldenaar, voorzover dit met aanwending van zijn vermogen mogelijk is, het resterende deel van de vordering ineens te voldoen binnen zes weken nadat de Bank aan de schuldenaar kennis heeft gegeven van de vaststelling van de termijnen. Indien de schuldenaar echter ten genoegen van de Bank zekerheid stelt voor dit resterende deel van de vordering, kan de schuldenaar dit deel later, doch uiterlijk binnen twaalf maanden nadat de vaststelling van de termijnen aan hem is bekendgemaakt, voldoen.
4.
Indien de schuldenaar na aanwending van zijn vermogen en zijn volledige aflossingscapaciteit de vordering niet binnen twaalf maanden volledig zal hebben voldaan, stelt de Bank een groter aantal termijnen vast waarbinnen de vordering moet worden voldaan.
5.
Indien de schuldenaar de vordering na vijf jaren nog niet volledig heeft voldaan, worden verdere termijnen van aflossing zodanig vastgesteld dat de schuldenaar en zijn echtgenoot dan wel degene met wie hij een huishouden vormt, naast de verhoging als bedoeld in artikel 475d, derde lid, een inkomen ontvangen gelijk aan honderd ten negentigste van de beslagvrije voet, bedoeld in artikel 475d, eerste lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.
6.
Indien de schuldenaar in verband met zijn aflossingscapaciteit en vermogenssituatie niet in staat is betalingen te verrichten ter voldoening van de vordering van de Bank, schort de Bank verdere invordering op tot de schuldenaar weer in staat is tot het verrichten van betalingen.
7.
In bijzondere gevallen kan de Bank afwijken van dit artikel.
1.
Dit artikel is van toepassing op de invordering van teruggevorderde onverschuldigd betaalde bedragen, indien de terugvordering het gevolg is van het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 49 AOW, artikel 35 Anw en artikel 15 AKW.
2.
De Bank stelt de termijnen voor aflossing van de vordering zodanig vast dat gebruik wordt gemaakt van de volledige aflossingscapaciteit van de schuldenaar.
3.
Indien bij betaling conform de volgens het tweede lid vastgestelde termijnen de vordering binnen twaalf maanden niet volledig zal zijn voldaan, dient de schuldenaar, voor zover dit met aanwending van zijn vermogen mogelijk is, het resterende deel van de vordering ineens te voldoen binnen zes weken nadat de Bank aan de schuldenaar kennis heeft gegeven van de vaststelling van de termijnen. Indien de schuldenaar echter ten genoegen van de Bank zekerheid stelt voor dit resterende deel van de vordering, kan de schuldenaar dit deel later, doch uiterlijk binnen twaalf maanden nadat de vaststelling van de termijnen aan hem is bekendgemaakt, voldoen.
4.
Indien de schuldenaar na aanwending van zijn vermogen en zijn volledige aflossingscapaciteit de vordering niet binnen twaalf maanden volledig zal hebben voldaan, stelt de Bank een groter aantal termijnen vast waarbinnen de vordering moet worden voldaan.
5.
Indien de schuldenaar de vordering na drie jaren nog niet volledig heeft voldaan, worden verdere termijnen van aflossing zodanig vastgesteld dat de schuldenaar en zijn echtgenoot dan wel degene met wie hij een huishouding vormt, naast de verhoging als bedoeld in artikel 475d, vijfde lid, een inkomen ontvangen gelijk aan honderd ten negentigste van de beslagvrije voet, bedoeld in artikel 475d, eerste en tweede lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.
6.
Indien de schuldenaar de vordering na vijf jaar nog niet volledig heeft voldaan, ziet de Bank af van verdere terugvordering indien de schuldenaar of zijn wettelijke vertegenwoordiger:
a. gedurende vijf jaar volledig aan zijn betalingsverplichtingen heeft voldaan; of
b. gedurende vijf jaar niet volledig aan zijn betalingsverplichtingen heeft voldaan, maar het achterstallige bedrag over die periode vermeerderd met de daarover verschuldigde wettelijke rente en de op de invordering betrekking hebbende kosten, alsnog heeft betaald.
7.
Indien de schuldenaar in verband met zijn aflossingscapaciteit en vermogenssituatie niet in staat is betalingen te verrichten ter voldoening van de vordering van de Bank, schort de Bank verdere invordering op tot de schuldenaar weer in staat is tot het verrichten van betalingen.
8.
In bijzondere gevallen kan de Bank afwijken van dit artikel.
1.
Dit artikel is van toepassing in andere gevallen dan die genoemd in artikel 4, eerste lid en artikel 5, eerste lid.
2.
De Bank stelt de termijnen voor aflossing van de vordering zodanig vast dat de vordering volledig wordt afgelost binnen uiterlijk zestig maanden nadat de Bank aan de schuldenaar kennis heeft gegeven van de vaststelling van de termijnen.
3.
De termijnen worden zodanig vastgesteld dat ten minste de halve en ten hoogste de volledige aflossingscapaciteit van de schuldenaar wordt benut.
4.
Indien bij betaling conform de volgens het derde lid vastgestelde termijnen de vordering binnen zestig maanden niet volledig zal zijn voldaan, dient de schuldenaar, voor zover dit met aanwending van zijn vermogen mogelijk is, het resterende deel van de vordering ineens te voldoen binnen zes weken nadat de Bank aan de schuldenaar kennis heeft gegeven van de vaststelling van de termijnen. Indien de schuldenaar echter ten genoegen van de Bank zekerheid stelt voor dit resterende deel van de vordering, kan de schuldenaar dit deel later, doch uiterlijk binnen zestig maanden nadat de vaststelling van de termijnen aan hem is bekendgemaakt, voldoen.
5.
Indien de schuldenaar de vordering na vijf jaar nog niet volledig heeft voldaan, ziet de Bank af van verdere terugvordering indien de schuldenaar of zijn wettelijke vertegenwoordiger:
a. gedurende vijf jaar volledig aan zijn betalingsverplichtingen heeft voldaan; of
b. gedurende vijf jaar niet volledig aan zijn betalingsverplichtingen heeft voldaan, maar het achterstallige bedrag over die periode vermeerderd met de daarover verschuldigde wettelijke rente en de op de invordering betrekking hebbende kosten, alsnog heeft betaald.
6.
De in het vijfde lid genoemde termijn is drie jaar indien het gemiddeld inkomen van de schuldenaar in die periode de beslagvrije voet bedoeld in de artikelen 475c en 475d van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering niet te boven is gegaan.
7.
Indien de schuldenaar in verband met zijn aflossingscapaciteit en vermogenssituatie niet in staat is betalingen te verrichten ter voldoening van de vordering van de Bank, schort de Bank verdere invordering op tot de schuldenaar weer in staat is tot het verrichten van betalingen.
8.
In bijzondere gevallen kan de Bank afwijken van dit artikel.
1.
In afwijking van de artikelen 4, 5 en 6 kan de Bank op verzoek van de schuldenaar de termijnen van aflossing zodanig vaststellen, dat aflossing plaats vindt binnen kortere tijd dan bij inachtneming van de artikelen 4, 5 en 6.
2.
In afwijking van de artikelen 4 en 5 kan de Bank instemmen met voldoening van de vordering in een periode van ten hoogste vierentwintig maanden, indien binnen deze termijn volledige aflossing door middel van verrekening met een lopende uitkering of periodiek inkomen mogelijk is.
3.
In afwijking van de artikelen 5 en 6 kan de Bank op verzoek van de schuldenaar afzien van (verdere) terugvordering indien de schuldenaar een bedrag, overeenkomend met ten minste 50% van de restsom in één keer aflost. Van deze bevoegdheid maakt de Bank slechts gebruik indien zij van oordeel is dat de invordering op grond van de artikelen 5 of 6 niet langer geëffectueerd zal kunnen worden.
Artikel 8
Indien de schuldenaar niet voldoet aan zijn verplichtingen uit hoofde van de artikelen 17c, vijfde lid, en 24, zesde lid, AOW, de artikelen 39, vijfde lid, en 53, zesde lid, Anw en de artikelen 17a, vijfde lid, en 24, zesde lid, AKW, is de vordering terstond opeisbaar.
Artikel 9
De Bank besluit van (verdere) terugvordering af te zien indien de schuldenaar of zijn wettelijke vertegenwoordiger gedurende vijf jaar geen betalingen heeft verricht en niet aannemelijk is dat hij deze op enig moment zal gaan verrichten, indien de vordering het bedrag van € 2 269,– niet te boven gaat. De periode is tien jaar bij vorderingen tot € 6 807,–, vijftien jaar bij vorderingen tot € 11 345,– en twintig jaar bij vorderingen vanaf € 11 345,–.
Artikel 10
De Bank kan de vastgestelde termijn of termijnen herzien wegens gewijzigde omstandigheden. De Bank onderzoekt of er termen aanwezig zijn voor herziening indien de schuldenaar hiertoe een met redenen omkleed verzoek indient.
1.
Indien de schuldenaar heeft nagelaten enig bedrag binnen de gestelde termijn te voldoen, is de resterende vordering volledig opeisbaar. De Bank legt dan het besluit waarbij een boete is opgelegd dan wel een onverschuldigd betaald bedrag is teruggevorderd, ten uitvoer op de wijze zoals bepaald in artikel 17i AOW, 45 Anw dan wel artikel 17g AKW. Deze tenuitvoerlegging vindt plaats met inachtneming van het bepaalde in de volgende leden.
2.
De tenuitvoerlegging vindt, voor zover mogelijk in verband met de vrijlating van inkomen als bedoeld in de artikelen 17i, achtste lid, AOW, 45, achtste lid, Anw en 17g, achtste lid, AKW, plaats op zodanige wijze dat de vordering uiterlijk wordt voldaan:
a in de gevallen bedoeld in artikel 4, eerste lid: binnen twaalf maanden nadat de vaststelling van de termijnen, bedoeld in artikel 4, tweede lid, aan de schuldenaar bekend is gemaakt;
b in andere gevallen: binnen twaalf maanden nadat de Bank een aanvang heeft gemaakt met de tenuitvoerlegging van het besluit.
3.
Indien de tenuitvoerlegging geheel of gedeeltelijk plaatsvindt met toepassing van artikel 17i, tweede of derde lid, AOW, artikel 45, tweede of derde lid, Anw dan wel artikel 17g, tweede of derde lid, AKW, dan wel door middel van beslag op periodieke uitkeringen of loon, worden maandelijks zodanige bedragen gevorderd dat de schuldenaar zijn volledige aflossingscapaciteit benut. De Bank kan in afwijking van het gestelde in de vorige volzin een hoger bedrag vorderen als de schuldenaar zijn verplichting uit hoofde van de artikelen 17c, vijfde lid, en 24, zesde lid, AOW, de artikelen 39, vijfde lid, en 53, zesde lid, Anw, of de artikelen 17c, vijfde lid, en 24, zesde lid, AKW niet nakomt.
4.
Indien de tenuitvoerlegging geheel of gedeeltelijk plaatsvindt met toepassing van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering , merkt de Bank in afwijking van artikel 1, onder g, als vermogensbestanddelen mede aan zaken waarvan de dagwaarde minder dan € 1 135,– bedraagt.
5.
Indien de schuldenaar onvoldoende verhaal biedt voor volledige voldoening van de vordering van de Bank, schort de Bank de verdere tenuitvoerlegging van het besluit op totdat de schuldenaar weer verhaal biedt.
6.
Artikel 4, vijfde lid, en artikel 5, vijfde lid, zijn van overeenkomstige toepassing.
7.
In bijzondere gevallen kan de Bank afwijken van het bepaalde in dit artikel.
1.
De wettelijke rente en de op de invordering betrekking hebbende kosten zijn verschuldigd vanaf het tijdstip waarop de termijn of termijnen zijn verstreken waarbinnen volgens het besluit tot terugvordering dan wel het besluit tot boete-oplegging moest worden betaald.
2.
De op de invordering hebbende kosten bedragen:
a 15% van de resterende vordering, doch tenminste € 45,– en ten hoogste € 680,– alsmede
b de kosten van betekening en gerechtelijke tenuitvoerlegging, zoals vastgesteld bij of krachtens de Wet Tarieven in Burgerlijke Zaken , alsmede de hierover verschuldigde BTW.
1.
Tenzij de schuldenaar een andere bestemming aanwijst, wordt een betaling die zou kunnen worden toegerekend aan een of meer boeten en aan één of meer teruggevorderde bedragen, in de eerste plaats toegerekend aan de verschuldigde boete of boeten.
2.
Met inachtneming van het eerste lid vindt toerekening van betalingen plaats op de wijze zoals vastgesteld in de artikelen 6:43, tweede lid , en 6:44, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek .
Artikel 14
Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag waarop de Wet Boeten, maatregelen en terug- en invordering sociale zekerheid in werking treedt, doch niet eerder dan met ingang van de tweede dag na dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst.
Artikel 15
Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit invordering boeten en onverschuldigd betaalde bedragen AOW, Anw en AKW.
Dit besluit zal met de daarbij behorende toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
Amstelveen, 28 juni 1996
;