Rechtenmedia.nl - Juridische Online Uitgeverij  Rechtennieuws.nl | Jure.nl | Maxius.nl | Parlis.nl | Rechtenforum.nl | JBmatch.nl | MijnWetten.nl | AdvocatenZoeken.nl | Rechtentotaal.nl
Besluit financiële markten BES
Bwb-id:
Officiele titel:
Citeertitel:
Soort regeling:
Wetsfamilies:
Eerst verantwoordelijk ministerie:

Geldigheidsdatum:
Ingangsdatum:
Inhoudsopgave
+ Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen
+ Hoofdstuk 2. Markttoegang
+ Hoofdstuk 3. Bestuur, inrichting en bedrijfsuitoefening
+ Hoofdstuk 4. Financiële waarborgen
+ Hoofdstuk 5. Boekhouding en rapportage
+ Hoofdstuk 6. Bepalingen betreffende specifieke categorieën financiële ondernemingen
+ Hoofdstuk 7. Zorgvuldige dienstverlening
+ Hoofdstuk 8. Effectenverkeer
+ Hoofdstuk 9. Bestuurlijke boete
+ Hoofdstuk 10. Bijzondere prudentiële maatregelen verzekeraars
+ Hoofdstuk 11. Slotbepalingen
Vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature

Juridisch advies nodig?
Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag
Geschiedenis

Geschiedenis-overzicht

Besluit financiële markten BES

Besluit van 22 mei 2012 houdende nadere regels met betrekking tot de financiële markten in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba en de financiële ondernemingen die op die markten werkzaam zijn (Besluit financiële markten BES)
Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Op de voordracht van Onze Minister van Financiën van 2 november 2011, nr. FM/2011/9925 M;
Gelet op de artikelen 1:1, 1:3, vierde lid, 1:10, tweede lid, 1:27, eerste lid, onderdeel b en derde lid, 2:6, derde lid, 2:18, tweede en derde lid, 2:19, derde lid, 2:20, derde lid, 2:23, vijfde lid, 3:2, tweede lid, 3:4, derde lid, 3:5, tweede lid, 3:6, eerste en tweede lid, 3:8, tweede lid, 3:9, tweede lid, 3:11, tweede lid, 3:12, derde lid, 3:13, derde lid, 3:16, derde lid, 3:17, derde en vijfde lid, 3:18, eerste en tweede lid, 3:19, vierde lid, 3:21, eerste lid, 3:23, vijfde lid, 3:24, 3:34, eerste en tweede lid, 3:35, eerste tot en met derde, 3:36, eerste en vierde lid, 3:45, vijfde lid, 3:46, derde en vijfde lid, 4:3, tweede lid, 4:4, eerste lid, 4:5, tweede lid, 4:10, derde lid, 4:11, vierde lid, 4:23, derde lid, 4:26, derde lid, 4:33, eerste en tweede lid, 4:42, tweede lid, 4:48, 5:4, derde lid, 5:5, derde lid, 5:10, tweede en derde lid, 5:12, 5:14, tweede en derde lid, 5:15, tweede lid, 5:21, derde lid, 5:22, derde lid, 5:25, derde lid, 5:26, derde lid, 5:27, derde lid, 6:17, eerste lid, 7:30, tweede lid, 7:31, eerste lid, 8:3, tweede lid en 8:5, derde lid, van de Wet financiële markten BES;
De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 3 februari 2012, nr. W06.11.0468/III;
Gezien het nader rapport van Onze Minister van Financiën van 14 mei 2012, nr. FM 2012-0204 U;
Hebben goedgevonden en verstaan:
Artikel 1:1. (begripsbepalingen)
In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt, tenzij anders bepaald, verstaan onder:
bewaarder: een aan een beleggingsinstelling verbonden bewaarder als bedoeld in artikel 4:4, eerste lid, van de wet;
kredietvereniging: een kredietinstelling met de rechtsvorm van een coöperatie die ten doel heeft zijn leden behulpzaam te zijn bij het sparen en verlenen van kredieten;
wet: Wet financiële markten BES .
Artikel 1:2. (professionele marktpartijen)
Bij regeling van Onze Minister kunnen personen die voldoen aan in die regeling vast te stellen criteria met betrekking tot aard en omvang van hun activiteiten, worden aangewezen als professionele marktpartij.
Artikel 1:3. (uitgezonderde adviseurs)
De wet is met betrekking tot het optreden als adviseur niet van toepassing op adviseurs die een andere hoofdberoepswerkzaamheid hebben dan het verlenen van financiële diensten of het aanbieden van financiële producten en uit hoofde van die hoofdberoepswerkzaamheid inzicht hebben in de financiële situatie van een consument of cliënt, voor zover zij, zonder daarvoor van de aanbieder provisie te ontvangen, het aanbevolen product aan te bieden of andere financiële diensten te verlenen met betrekking tot het aanbevolen product, die consument of cliënt adviseren en de door hen verstrekte adviezen in het verlengde liggen van hun hoofdberoepswerkzaamheid.
1.
De hoofdstukken 2 tot en met 5 van de wet, met uitzondering van de artikelen 2:21 en 2:22 en de paragrafen 4 en 5 van hoofdstuk 5, zijn niet van toepassing op:
a. beleggingsinstellingen die uitsluitend rechten van deelneming aanbieden in een besloten kring dan wel aan professionele marktpartijen;
b. beheerders en bewaarders voor zover zij de in onderdeel a bedoelde beleggingsinstellingen beheren of belast zijn met de bewaring van de activa van deze beleggingsinstellingen;
c. beleggingsinstellingen die aan de volgende vereisten voldoen:
1°. in de beleggingsinstelling kunnen ten hoogste 25 natuurlijke personen deelnemen;
2°. per deelnemer wordt niet meer dan USD 10.000 ingelegd;
3°. de beleggingsinstelling gaat geen verplichtingen aan waardoor voor de deelnemers een verplichting kan ontstaan tot bijbetaling;
4°. de gelden of andere goederen worden niet gevraagd, dan wel de rechten van deelneming worden niet aangeboden door natuurlijke of rechtspersonen die beroeps- of bedrijfsmatig handelen of beleggen in effecten of andere beleggingen;
d. beleggingsinstellingen waarvan het balanstotaal voor minder dan 50% uit beleggingen bestaat en waarvan de totale gerealiseerde opbrengsten voor minder dan 50% worden gegenereerd uit beleggingen.
2.
Een beleggingsinstelling als bedoeld in het eerste lid, onderdeel d, die een prospectus verkrijgbaar stelt, vermeldt daarin dat zij niet onder toezicht staat van de Autoriteit Financiële Markten.
Artikel 1:5. (uitgezonderde bemiddelaars in goederenkrediet)
De hoofdstukken 2 tot en met 5 van de wet, met uitzondering van de artikelen 2:21, 2:22, 4:40, derde lid, 5:2, 5:3 en 5:4 en de paragrafen 4 en 5 van hoofdstuk 5, zijn niet van toepassing op bemiddelaars in goederenkrediet dat dient ter verschaffing van het genot van een roerende zaak dan wel het verlenen van een dienst, indien de looptijd van het goederenkrediet niet langer is dan de verwachte economische levensduur van de verschafte roerende zaak of dan de periode van dienstverlening, en de bemiddelaar in goederenkrediet:
a. de consument niet adviseert over het goederenkrediet; en
b. een andere hoofdberoepswerkzaamheid heeft dan bemiddeling in goederenkrediet.
Artikel 1:6. (uitgezonderde elektronischgeldinstellingen)
De wet is niet van toepassing op de uitgifte van elektronisch geld dat uitsluitend kan worden gebruikt:
a. hetzij in door de onderneming of instelling door of namens wie het elektronisch geld is uitgegeven gebruikte bedrijfsgebouwen;
b. hetzij op grond van een handelsovereenkomst met de in onderdeel a genoemde onderneming of instelling binnen een beperkt netwerk van dienstverleners;
c. hetzij voor een beperkte reeks goederen dan wel diensten.
1.
De wet is met betrekking tot het optreden als adviseur niet van toepassing op adviseurs, voor zover zij adviseren over andere financiële producten dan krediet aan consumenten die bij hen werkzaam zijn of anderszins onder hun verantwoordelijkheid vallen.
2.
De wet is met betrekking tot het optreden als bemiddelaar niet van toepassing op bemiddelaars, voor zover zij bemiddelen over andere financiële producten dan krediet ten behoeve van consumenten die bij hen werkzaam zijn of anderszins onder hun verantwoordelijkheid vallen.
3.
De wet is met betrekking tot het optreden als gevolmachtigd of ondergevolmachtigd agent niet van toepassing op gevolmachtigd of ondergevolmachtigd agenten, voor zover zij verzekeringen sluiten met consumenten die bij hen in dienst zijn of anderszins onder hun verantwoordelijkheid vallen.
a. het verlenen van financiële diensten of het aanbieden van financiële producten, niet zijnde rechten van deelneming in beleggingsinstellingen, door pensioenfondsen voor zover zij die financiële diensten verlenen of die financiële producten aanbieden aan de bedrijfstak of onderneming waarmee zij zijn verbonden;
b. het optreden als vermogensbeheerder ten behoeve van pensioenfondsen of daaraan gelieerde fondsen door personen die zijn verbonden aan het fonds waaraan deze financiële dienst wordt verleend.
1.
De wet is niet van toepassing op:
a. het door een werkgever als nevenactiviteit aanbieden van krediet aan uitsluitend zijn werknemers of het verlenen van een financiële dienst met betrekking tot dat krediet:
1°. rentevrij of tegen een lagere dan de op de markt gebruikelijke rentevoet;
2°. tegen een rentevoet die niet hoger is dan de op de markt gebruikelijke rentevoet en onder voorwaarden die voor de consument gunstiger zijn dan de op de markt gebruikelijke voorwaarden;
b. het aanbieden van krediet, of het verlenen van een financiële dienst met betrekking tot zodanig krediet, dat binnen drie maanden dient te worden afgelost en ter zake waarvan slechts onbetekenende kosten aan de consument in rekening worden gebracht.
2.
De wet , met uitzondering van de artikelen 5:3, 5:4 en 5:15, is niet van toepassing op het aanbieden van, of het verlenen van financiële diensten met betrekking tot, een geoorloofde debetstand waarbij de consument is gehouden binnen een maand af te lossen.
Artikel 1:10. (uitgezonderde natura-uitvaartverzekeraars)
De hoofdstukken 2 tot en met 5 van de wet, met uitzondering van de artikelen 2:21 en 2:22 en de paragrafen 4 en 5 van hoofdstuk 5, zijn niet van toepassing op natura-uitvaartverzekeraars met minder dan 200 verzekerden.
1.
De toezichtautoriteit brengt de ingevolge artikel 1:5, derde lid, of 1:6, derde lid, van de wet onder haar toezicht staande financiële ondernemingen jaarlijks een bedrag in rekening ter gedeeltelijke vergoeding van de kosten, bedoeld in artikel 1:10, tweede lid, van de wet, overeenkomstig de daartoe ingevolge artikel 1:10, derde lid, van de wet vastgestelde tarieven.
2.
De hoogte van de in het eerste lid bedoelde tarieven wordt voor de naar aard en omvang van hun activiteiten te onderscheiden categorieën financiële ondernemingen verschillend vastgesteld. Tevens kan bij de vaststelling onderscheid worden gemaakt tussen financiële ondernemingen met zetel in een openbaar lichaam en financiële ondernemingen met zetel in het buitenland.
3.
Betaling van het ingevolge het eerste lid verschuldigde bedrag geschiedt op door de toezichtautoriteit te bepalen wijze en binnen een door haar te bepalen termijn.
2.
De Autoriteit Financiële Markten kan slechts ontheffing verlenen van artikel 4:14, tweede lid, van de wet, indien de werkzaamheden worden voortgezet in een besloten kring.
1.
De aanvraag van een vergunning op grond van de wet wordt gedaan met gebruikmaking van het daartoe door de toezichtautoriteit vast te stellen formulier dat op verzoek aan de aanvrager ter beschikking wordt gesteld.
2.
Het aanvraagformulier en de daarbij ingevolge deze paragraaf te verstrekken gegevens en bescheiden worden in enkelvoud ingediend, waarbij bedoelde gegevens en bescheiden in zodanige vorm worden verstrekt dat een goede beoordeling door de toezichtautoriteit mogelijk is.
Artikel 2:2. (algemene gegevens vergunningaanvraag)
Een financiële onderneming verstrekt, voor zover van toepassing, aan de toezichtautoriteit bij de aanvraag van een vergunning de navolgende gegevens en bescheiden met betrekking tot de financiële onderneming:
a. naam, adres en telefoon- en faxnummer;
b. rechtsvorm;
c. statutaire zetel, statutaire naam en handelsnaam of handelsnamen;
d. uittreksel uit het handelsregister;
e. gewaarmerkt afschrift van de statuten;
f. programma van werkzaamheden die de financiële onderneming voornemens is te verrichten in of vanuit de openbare lichamen;
g. indien de financiële onderneming haar zetel in de openbare lichamen heeft:
1°. naam, adres en telefoon- en faxnummer van eventuele bijkantoren in het buitenland;
2°. programma van werkzaamheden die de financiële onderneming voornemens is te verrichten vanuit eventuele bijkantoren in het buitenland;
h. indien de financiële onderneming haar zetel in het buitenland heeft:
1°. een verklaring van de toezichthoudende instantie van de staat van zetel waaruit blijkt dat de financiële onderneming in haar staat van zetel bevoegd is tot de uitoefening van de vergunningplichtige activiteiten, bedoeld in artikel 3:2 van de wet;
2°. naam, adres en telefoon- en faxnummer van eventuele bijkantoren in de openbare lichamen.
1.
Een financiële onderneming met zetel in de openbare lichamen verstrekt bij de aanvraag van een vergunning gegevens en bescheiden op basis waarvan de toezichtautoriteit kan beoordelen of zal worden voldaan aan, voor zover op de betrokken financiële onderneming van toepassing, de bij of krachtens de artikelen 3:4 tot en met 3:6, 3:8 tot en met 3:13, 3:16 tot en met 3:19, 3:22 tot en met 3:24, 3:33, 3:45 en 3:46 van de wet gestelde regels, alsmede:
a. voor beleggingsinstellingen: de bij of krachtens de artikelen 4:1 tot en met 4:5 en 4:10 van de wet gestelde regels;
b. voor houders van een effectenbeurs: de bij of krachtens de artikelen 4:15 en 4:16 van de wet gestelde regels;
c. voor kredietinstellingen: de bij of krachtens de artikelen 4:18 en 4:21 van de wet gestelde regels;
d. voor verzekeraars: de bij of krachtens de artikelen 4:25 en 4:28 tot en met 4:34 van de wet gestelde regels.
2.
Een bemiddelaar met zetel in de openbare lichamen verstrekt aan de toezichtautoriteit voorts gegevens en bescheiden met betrekking tot eventuele zakelijke relaties met verzekeraars waaruit blijkt of hij afhankelijk dan wel onafhankelijk is.
3.
Een gevolmachtigde agent of ondergevolmachtigde agent met zetel in de openbare lichamen verstrekt aan de toezichtautoriteit voorts de naam van de verzekeraar voor wie de volmacht geldt.
1.
Een financiële onderneming met zetel in het buitenland verstrekt bij de aanvraag van een vergunning gegevens en bescheiden op basis waarvan de toezichtautoriteit kan beoordelen of zal worden voldaan aan, voor zover op de betrokken financiële onderneming van toepassing, de bij of krachtens de artikelen 3:4 tot en met 3:6, 3:8 tot en met 3:13, 3:23, 3:24 en 3:34 van de wet gestelde regels, alsmede:
a. voor beleggingsinstellingen: de bij of krachtens de artikelen 4:1 tot en met 4:5 en 4:10 van de wet gestelde regels;
b. voor houders van een effectenbeurs: de bij of krachtens de artikelen 4:15 en 4:16 van de wet gestelde regels;
c. voor kredietinstellingen: de bij of krachtens artikel 4:18 van de wet gestelde regels;
d. voor verzekeraars: de bij of krachtens de artikelen 4:25 en 4:28 tot en met 4:34 van de wet gestelde regels.
2.
Artikel 2:3, tweede en derde lid, is van overeenkomstige toepassing op een bemiddelaar onderscheidenlijk een gevolmachtigd agent of ondergevolmachtigd agent met zetel in het buitenland.
Artikel 2:5. (programma van werkzaamheden levensverzekeraar)
Het programma van werkzaamheden, bedoeld in artikel 2:2, onderdelen f en g, onder 2°, van een levensverzekeraar met zetel in een openbaar lichaam bevat:
a. een opgave van de aard van de overeenkomsten die de verzekeraar voornemens is aan te gaan;
b. de polisvoorwaarden die de verzekeraar voornemens is te gebruiken;
c. de tarieven die de verzekeraar voornemens is toe te passen;
d. de technische grondslagen die de verzekeraar voornemens is toe te passen, met name de gegevens die nodig zijn voor de berekening van de tarieven en de technische voorzieningen;
e. een uiteenzetting omtrent de leidende beginselen op het gebied van de herverzekering;
f. een raming van de kosten voor de inrichting van de administratie en van het productienet, alsmede bewijsstukken waaruit blijkt dat de verzekeraar beschikt over de financiële middelen tot dekking daarvan;
g. een raming voor de eerste drie boekjaren van de liquiditeitspositie;
h. een raming voor de eerste drie boekjaren van de vermoedelijke inkomsten en uitgaven met betrekking tot de directe verzekeringen, de geaccepteerde herverzekeringen en de uitgaande herverzekeringen;
i. een raming voor de eerste drie boekjaren van de financiële middelen tot dekking van de verzekeringsverplichtingen;
j. een raming voor de eerste drie boekjaren van de financiële middelen tot dekking van de solvabiliteitsmarge.
Artikel 2:6. (programma van werkzaamheden schadeverzekeraar)
Het programma van werkzaamheden, bedoeld in artikel 2:2, onderdelen f en onderdeel g, onder 2°, van een schadeverzekeraar met zetel in een openbaar lichaam bevat:
a. de gegevens en bescheiden, bedoeld in artikel 2:5, onderdelen b, c, e tot en met h, j en k;
b. een opgave van de aard van de risico’s die de verzekeraar voornemens is te dekken;
c. een raming voor de eerste drie boekjaren van de andere dan de in artikel 2:5, onderdeel g, bedoelde kosten van beheer, met name van de algemene kosten en provisies;
d. een raming voor de eerste drie boekjaren van de premies en van de schaden met betrekking tot de directe verzekeringen, de geaccepteerde herverzekeringen en de uitgaande herverzekeringen.
1.
Het programma van werkzaamheden, bedoeld in artikel 2:2, onderdeel f, van een levensverzekeraar met zetel in het buitenland bevat:
a. een opgave van de aard van de overeenkomsten die de verzekeraar voornemens is aan te gaan in de openbare lichamen;
b. de polisvoorwaarden die de verzekeraar voornemens is te gebruiken in de openbare lichamen.
2.
Het programma van werkzaamheden, bedoeld in artikel 2:2, onderdeel f, van een schadeverzekeraar met zetel in het buitenland bevat:
a. een opgave van de aarde van de risico’s die de verzekeraar voornemens is te dekken in de openbare lichamen;
b. de polisvoorwaarden die de verzekeraar voornemens is te gebruiken in de openbare lichamen.
3.
Een levensverzekeraar of schadeverzekeraar met zetel in het buitenland voegt bij het programma van werkzaamheden zijn jaarrekeningen van de laatste drie boekjaren.
1.
Een financiële onderneming waaraan op grond van deze wet een vergunning is verleend, meldt aan de toezichtautoriteit een wijziging in de gegevens die eerder door haarzelf aan de toezichtautoriteit zijn verstrekt met betrekking tot de betrouwbaarheid van de in artikel 3:4, eerste lid, van de wet bedoelde personen.
2.
De financiële onderneming meldt de wijziging schriftelijk en onverwijld nadat zij daarvan in het kader van de normale bedrijfsvoering kennis heeft genomen
1.
Een financiële onderneming waaraan op grond van deze wet een vergunning is verleend, geeft de toezichtautoriteit kennis van het voornemen tot wijziging van:
a. de personen die het dagelijks beleid van de financiële onderneming bepalen of het beleid van de financiële onderneming bepalen of mede bepalen;
b. indien van toepassing, de personen die onderdeel zijn van een orgaan dat belast is met het toezicht op het beleid en de algemene gang van zaken van de financiële onderneming.
2.
Met betrekking tot het voornemen, bedoeld in het eerste lid, verstrekt de financiële onderneming gegevens en bescheiden op basis waarvan de toezichtautoriteit kan beoordelen of de financiële onderneming met betrekking tot de betrokken persoon voldoet aan de bij of krachtens de artikelen 3:4 en 3:5 van de wet gestelde regels met betrekking tot de betrouwbaarheid en de geschiktheid.
3.
De financiële onderneming geeft geen uitvoering aan de voornemens, bedoeld in het eerste lid, voordat de toezichtautoriteit heeft ingestemd met de wijziging. De toezichtautoriteit neemt een besluit omtrent instemming binnen acht weken na ontvangst van de kennisgeving.
Artikel 2:10. (wijziging in gegevens betreffende de financiële onderneming)
Een financiële onderneming waaraan op grond van deze wet een vergunning is verleend, meldt binnen twee weken schriftelijk aan de toezichtautoriteit een wijziging in de gegevens en bescheiden met betrekking tot de financiële onderneming die zij ingevolge artikel 2:2 aan de toezichtautoriteit heeft verstrekt.
1.
Een financiële onderneming met zetel in de openbare lichamen meldt aan de toezichtautoriteit schriftelijk haar voornemen om:
a. een bijkantoor in het buitenland op te richten;
b. de uitoefening van haar bedrijf vanuit een bijkantoor in het buitenland te staken.
2.
Een financiële onderneming met zetel in het buitenland meldt aan de toezichtautoriteit schriftelijk het voornemen om de uitoefening van haar bedrijf vanuit een bijkantoor in de openbare lichamen te staken.
3.
De financiële onderneming geeft geen uitvoering aan het voornemen, bedoeld in het eerste en tweede lid, voordat vier weken zijn verstreken na de melding.
1.
De toezichtautoriteit draagt zorg voor een zodanige indeling en inrichting van het register financiële markten, bedoeld in artikel 2:19, eerste lid, van de wet, dat uit het register is op te maken vanaf welk tijdstip, welke activiteiten de ingeschreven financiële ondernemingen mogen verrichten, met inbegrip van de eventueel gestelde beperkingen, alsmede de staat van zetel. Het register wordt zo ingericht dat het raadpleegbaar is op een website van de toezichtautoriteit.
2.
Het register vermeldt ten aanzien van een ingeschreven financiële onderneming:
a. in bij regeling van Onze Minister te bepalen gevallen de op de financiële onderneming van toepassing zijnde vrijstellingen;
b. op grond van artikel 1:27 van de wet verleende ontheffingen;
c. in voorkomend geval, dat zij haar bedrijf afwikkelt overeenkomstig artikel 2:17 van de wet;
d. ingevolge artikel 7:20 van de wet opgelegde verboden.
3.
Het register vermeldt voorts:
a. de in voorkomend geval aan een ingeschreven beleggingsinstelling verbonden beheerder en bewaarder, welke beheerder en bewaarder in het register worden opgenomen bij de betrokken beleggingsinstelling;
b. de naam van de verzekeraar voor wie de volmacht van een ingeschreven gevolmachtigde agent of ondergevolmachtigde agent geldt, welke naam van de verzekeraar in het register wordt opgenomen bij de betrokken gevolmachtigde of ondergevolmachtigde agent;
c. of een ingeschreven bemiddelaar afhankelijk dan wel onafhankelijk is van een of meer verzekeraars.
Artikel 2:13. (doorhaling inschrijving)
De inschrijving in het register van een financiële onderneming waarvan de vergunning is ingetrokken, wordt doorgehaald zodra de beslissing tot intrekking in werking is getreden. Zolang deze beslissing nog niet onherroepelijk is wordt dit bij de doorhaling vermeld.
1.
De toezichtautoriteit draagt er zorg voor dat de in artikel 2:12 bedoelde gegevens tot ten minste vijf jaar terug geraadpleegd kunnen worden.
2.
De toezichtautoriteit verstrekt aan een ieder desgevraagd, tegen betaling van de kostprijs, afschriften uit het register.
Artikel 2:15. (voorwaarden inkomende dienstverrichting verzekeraars)
Het is een verzekeraar als bedoeld in artikel 2:23, eerste lid, van de wet, niet zijnde een verzekeraar met zetel in Curaçao of Sint Maarten, slechts toegestaan vanuit het buitenland verzekeringen aan te bieden in de openbare lichamen indien het naar de aard en de waarde van het te verzekeren belang risico’s betreft die niet binnen de openbare lichamen verzekerbaar zijn.
1.
Een verzekeraar als bedoeld in artikel 2:23, eerste lid, van de wet maakt voor de ingevolge dat lid voorgeschreven kennisgeving gebruik van een door de Nederlandsche Bank vastgesteld formulier.
2.
Indien een verzekeraar als bedoeld in het eerste lid voornemens is verzekeringen aan te bieden tot dekking van wettelijke aansprakelijkheid, voortvloeiend uit het gebruik van motorrijtuigen, toont hij aan te voldoen aan artikel 4:32 van de wet en aan artikel 6:8 van dit besluit.
3.
Indien een verzekeraar als bedoeld in het eerste lid voornemens is verzekeringen aan te bieden als bedoeld in artikel 6:7, tweede lid, toont hij aan te voldoen aan de bij of krachtens dat artikel gestelde eisen.
1.
Het is een kredietinstelling met zetel in het buitenland slechts toegestaan door middel van een bijkantoor in de openbare lichamen het bedrijf van kredietinstelling uit te oefenen, indien:
a. de som van de bij het bijkantoor aangehouden betaalrekeningen, spaartegoeden en deposito’s per ultimo van het laatst afgesloten boekjaar niet meer bedraagt dan een bij regeling van Onze Minister vast te stellen bedrag; en
b. de kredietinstelling zich vanuit het bijkantoor uitsluitend of hoofdzakelijk richt op ingezetenen van de openbare lichamen, Curaçao of Sint Maarten dan wel aldaar gevestigde bedrijven.
2.
Het is een verzekeraar met zetel in het buitenland slechts toegestaan door middel van een bijkantoor in de openbare lichamen het verzekeringsbedrijf uit te oefenen, indien:
a. de door het bijkantoor ontvangen bruto premies over het laatst afgesloten boekjaar niet meer bedragen dan een bij regeling van Onze Minister vast te stellen bedrag; en
b. de verzekeraar zich vanuit het bijkantoor uitsluitend of hoofdzakelijk richt op ingezetenen van de openbare lichamen, Curaçao of Sint Maarten dan wel aldaar gevestigde bedrijven.
3.
Een kredietinstelling als bedoeld in het eerste lid of een verzekeraar als bedoeld in het tweede lid die niet meer voldoet aan de in het eerste onderscheidenlijk tweede lid gestelde voorwaarden, meldt dit terstond aan de Nederlandsche Bank. De Nederlandsche Bank stelt de kredietinstelling of verzekeraar in de gelegenheid binnen een door haar vast te stellen redelijke termijn alsnog aan de voorwaarden te voldoen dan wel haar onderscheidenlijk zijn activiteiten onder te brengen in een in de openbare lichamen gevestigde of te vestigen rechtspersoon of deze af te wikkelen.
4.
De Nederlandsche Bank kan nadere regels stellen met betrekking tot het eerste lid tot en met het derde lid.
1.
De toezichtautoriteit beoordeelt de betrouwbaarheid van een persoon als bedoeld in artikel 3:4, eerste lid, van de wet op basis van diens voornemens, handelingen en antecedenten.
2.
De toezichtautoriteit neemt bij de beoordeling, bedoeld in het eerste lid, in ieder geval de in bijlage 1 genoemde antecedenten in aanmerking, alsmede:
a. het onderlinge verband tussen de aan een antecedent ten grondslag liggende gedraging of gedragingen en de overige omstandigheden van het geval;
b. de belangen die de wet beoogt te beschermen;
c. de overige belangen van de financiële onderneming en de betrokkene.
3.
Telkens na verloop van drie jaren vindt een nieuwe beoordeling plaats van de betrouwbaarheid van de in het eerste lid bedoelde personen.
Artikel 3:2. (antecedenten die ertoe leiden dat de betrouwbaarheid niet buiten twijfel staat)
De betrouwbaarheid van een persoon als bedoeld in artikel 3:1, eerste lid, staat niet buiten twijfel als deze veroordeeld is ter zake van een misdrijf, genoemd in onderdeel 1 van bijlage 1 , tenzij er sinds het onherroepelijk worden van de uitspraak acht jaren of meer zijn verstreken.
1.
De toezichtautoriteit verkrijgt inzicht in de in artikel 3:1, eerste lid, bedoelde voornemens, handelingen en antecedenten op grond van:
a. door betrokkene verstrekte gegevens en inlichtingen;
b. door de procureur-generaal uit inlichtingen van de justitiële documentatiedienst verstrekte gegevens;
c. gegevens en inlichtingen, verkregen van de rijksbelastingdienst;
d. gegevens en inlichtingen, verkregen van Nederlandse of buitenlandse overheidsinstanties dan wel van Nederlandse of buitenlandse van overheidswege aangewezen instanties die belast zijn met het toezicht op financiële markten of op personen die op die markten werkzaam zijn;
e. ambtsberichten van het Openbaar Ministerie;
f. inlichtingen, verkregen van door betrokkene opgegeven referenties;
g. gegevens uit openbare bronnen;
h. inlichtingen, verkregen van curatoren of bewindvoerders met betrekking tot faillissementen, surseances, schuldsaneringen, bewindvoeringen of noodregelingen waarbij de in artikel 3:1, eerste lid, bedoelde persoon betrokken is geweest;
i. inlichtingen, verkregen van organisaties van huidige of voormalige beroepsgenoten van betrokkene;
j. gegevens en inlichtingen, verkregen uit andere bij regeling van Onze Minister aan te wijzen bronnen.
2.
Indien de gegevens of inlichtingen, verkregen overeenkomstig het eerste lid, de toezichtautoriteit aanleiding geven tot nader onderzoek, kan de toezichtautoriteit ook inlichtingen inwinnen en gegevens opvragen bij andere personen of instanties dan genoemd in dat lid. De toezichtautoriteit stelt de betrokkene in dat geval vooraf schriftelijk in kennis van:
a. de reden van het nadere onderzoek;
b. de personen of instanties bij wie nadere gegevens of inlichtingen zullen worden ingewonnen;
c. de aard van de nadere gegevens of inlichtingen.
Artikel 3:4. (geschiktheidstoets)
Deskundigheid in verband met de uitoefening van het bedrijf van bemiddelaar in schadeverzekeringen of levensverzekeringen, gevolmachtigd agent of ondergevolmachtigd agent wordt aangetoond door een bij regeling van Onze Minister erkend diploma.
1.
Het dagelijks beleid van een beleggingsinstelling, bewaarder, kredietinstelling, trustkantoor of verzekeraar wordt bepaald door ten minste twee natuurlijke personen.
2.
Een kredietinstelling of verzekeraar met zetel in de openbare lichamen heeft een uit ten minste drie leden bestaande raad van commissarissen dan wel gelijksoortig orgaan, belast met toezicht op het beleid en de algemene gang van zaken binnen de financiële onderneming.
3.
Indien een beleggingsinstelling met zetel in de openbare lichamen een raad van commissarissen heeft, bestaat deze uit ten minste drie leden.
4.
Ten minste een van de personen die het dagelijks beleid bepalen van een trustkantoor verricht zijn werkzaamheden in verband daarmee vanuit de openbare lichamen.
1.
Deze paragraaf is niet van toepassing op adviseurs, bemiddelaars, gevolmachtigde agenten of ondergevolmachtigde agenten, indien deze in het voorafgaande boekjaar een omzet hadden van minder dan USD 0,5 miljoen.
2.
Voor de toepassing van deze paragraaf wordt onder cliënt mede verstaan de persoon die kwalificeert als professionele marktpartij, en wordt met een financiële onderneming gelijkgesteld de aan een beleggingsinstelling verbonden bewaarder.
1.
Een financiële onderneming draagt zorg voor een integriteitsbewuste bedrijfscultuur, door procedures en maatregelen geïntegreerd in de bedrijfsvoering en gebaseerd op een systematische analyse van risico’s die kunnen leiden tot aantasting van de reputatie of een bestaande of toekomstige bedreiging kunnen vormen van het vermogen of het resultaat van een financiële onderneming als gevolg van een ontoereikende naleving van hetgeen bij of krachtens enig wettelijk voorschrift is voorgeschreven of handelen in strijd met de maatschappelijke betamelijkheid.
2.
Een financiële onderneming legt schriftelijk haar beleid vast met betrekking tot het bepaalde in het eerste lid en stelt alle bedrijfsonderdelen in kennis van dit beleid en de procedures en de maatregelen bedoeld in het eerste lid.
1.
Een financiële onderneming wijst ten minste één functionaris op managementniveau aan die op onafhankelijke en effectieve wijze de naleving controleert van de wettelijke voorschriften en interne regels met betrekking tot de integere uitoefening van het bedrijf en de regels bedoeld in artikel 3:15, eerste lid.
2.
De financiële onderneming draagt er zorg voor dat de functionaris, bedoeld in het eerste lid, binnen korte tijd kan beschikken over transactiegegevens, alsmede over gegevens die de financiële onderneming heeft vastgelegd ingevolge dit hoofdstuk of de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme BES , en andere voor zijn taak relevante gegevens.
3.
Een financiële onderneming beschikt over procedures die erin voorzien dat gesignaleerde tekortkomingen of gebreken worden gerapporteerd aan de functionaris.
4.
Een financiële onderneming beoordeelt periodiek de interne controlesystemen op hun effectiviteit en actualiteitswaarde en stelt deze zo nodig bij.
5.
Een financiële onderneming waarborgt dat kennis die wordt opgedaan bij de uitvoering van het eerste tot en met derde lid, en de resultaten van maatregelen genomen naar aanleiding van de controle, bedoeld in het eerste lid, binnen haar organisatie beschikbaar blijven.
1.
Een financiële onderneming beschikt met het oog op een integere uitoefening van het bedrijf over procedures en maatregelen met betrekking tot:
a. de acceptatie van cliënten;
b. risicoclassificaties ten aanzien van cliënten, producten en diensten;
c. de analyse van gegevens van cliënten, mede in relatie tot de door die cliënten afgenomen producten of diensten, en de detectie van afwijkende transactiepatronen.
2.
Aan de hand van de procedures en maatregelen, bedoeld in het eerste lid, bepaalt de financiële onderneming tevens de risico’s van bepaalde cliënten, producten of diensten voor de integere uitoefening van haar bedrijf.
3.
Een financiële onderneming draagt zorg voor de documentatie en vastlegging met betrekking tot de acceptatie en indeling naar risico van cliënten en de bewaking van het handelen van cliënten. Dergelijke gegevens worden bewaard tot vijf jaar na de dienstverlening dan wel het beëindigen van de relatie met de desbetreffende cliënt.
1.
De Nederlandsche Bank kan regels stellen met het oog op het door financiële ondernemingen voorkomen van misbruik van technische toepassingen voor witwassen of financiering van terrorisme.
2.
De Nederlandsche Bank kan voorts met het oog op een integere uitoefening van het bedrijf regels stellen met betrekking tot het door kredietinstellingen te voeren beleid inzake afgeschermde rekeningen en rekeningen waarop waarden worden aangehouden ten behoeve van derden.
Artikel 3:11. (back-to-back leningen)
De Nederlandsche Bank kan regels stellen met betrekking tot kredietinstrumenten waarbij de kredietnemer geld of financiële instrumenten ter beschikking krijgt, waartegenover de kredietverstrekker een zekerheid ontvangt, direct of indirect, uit eigen liquide middelen van de kredietnemer.
1.
Een kredietinstelling, verzekeraar of geldtransactiekantoor onderzoekt op verzoek van de Nederlandsche Bank, nadat deze door Onze Minister is geïnformeerd over bepaalde personen of instellingen die naar het oordeel van Onze Minister in verband met vermoede terroristische activiteiten of daarmee verband houdende activiteiten de integriteit van de financiële sector kunnen schaden, of zulke personen of instellingen in haar onderscheidenlijk zijn administratie voorkomen.
2.
De financiële onderneming verstrekt de uitkomst van het in het eerste lid bedoelde onderzoek, binnen een door de Nederlandsche Bank te stellen termijn, aan de Nederlandsche Bank.
1.
Een financiële onderneming beschikt over procedures en maatregelen ter naleving van:
a. de bij of krachtens de Sanctiewet 1977 met betrekking tot het financieel verkeer gestelde regels;
b. de bij of krachtens de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme BES gestelde regels.
2.
De maatregelen, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, hebben ten minste betrekking op een adequate controle van de administratie van de financiële onderneming op het overeenkomen van de identiteit van een relatie met een persoon of entiteit, als bedoeld in de bij of krachtens de Sanctiewet 1977 met betrekking tot het financieel verkeer gestelde regels, met het oog op het bevriezen van de financiële middelen van die relatie of het voorkomen van het ter beschikking stellen van financiële middelen of diensten aan die relatie.
3.
Voor de toepassing van het tweede lid wordt verstaan onder relatie: een ieder die betrokken is bij een financiële dienst of een financiële transactie.
1.
Een financiële onderneming beschikt over procedures en maatregelen met betrekking tot de omgang met en de vastlegging van incidenten. Die procedures en maatregelen voorzien in elk geval in een degelijke administratieve vastlegging van:
a. de kenmerken van het incident;
b. gegevens over de personen die het incident hebben bewerkstelligd;
c. de naar aanleiding van het incident genomen maatregelen.
2.
De financiële onderneming neemt naar aanleiding van een incident maatregelen die zijn gericht op het beheersen van de opgetreden risico’s en het voorkomen van herhaling.
3.
De financiële onderneming informeert de toezichtautoriteit onverwijld schriftelijk omtrent incidenten.
4.
Voor de toepassing van dit artikel wordt verstaand onder incident: gedraging of gebeurtenis die een ernstig gevaar vormt voor de integere uitoefening van het bedrijf van de desbetreffende financiële onderneming.
1.
Een financiële onderneming beschikt over procedures en maatregelen met betrekking tot het tegengaan van verstrengeling van haar belangen of die van haar cliënten met privé-belangen van:
a. personen die het beleid van de financiële onderneming bepalen;
b. personen die het beleid bepalen van de groep waartoe de financiële onderneming behoort;
c. leden van het orgaan dat is belast met het toezicht op het beleid en de algemene gang van zaken van de financiële onderneming;
d. andere werknemers of andere personen die in haar opdracht op structurele basis werkzaamheden voor haar verrichten.
2.
De toezichtautoriteit kan ter voorkoming van belangenverstrengeling regels stellen met betrekking tot het verlenen van financiële diensten op basis van personeelscondities aan personen die het beleid van de financiële onderneming bepalen en groepsbestuurders.
1.
Een financiële onderneming houdt een overzicht bij van de integriteitsgevoelige functies in haar onderneming en van de taken, bevoegdheden en verantwoordelijkheden behorende bij elk van die functies.
2.
Een financiële onderneming beschikt over procedures en maatregelen die waarborgen dat integriteitsgevoelige functies slechts worden bekleed door personen waarvan zij een onderbouwde beoordeling van de betrouwbaarheid heeft gemaakt en voortdurend blijft maken.
3.
De werkzaamheden die zijn verricht ten behoeve van de naleving van het eerste en tweede lid en de uitkomsten van die werkzaamheden worden door de financiële onderneming schriftelijk vastgelegd.
4.
De toezichtautoriteit kan categorieën functies aanwijzen die voor de toepassing van dit artikel in ieder geval kwalificeren als integriteitsgevoelig, en nadere regels stellen met betrekking tot de wijze waarop een financiële onderneming de betrouwbaarheid beoordeelt van personen als bedoeld in het tweede lid en de vastlegging van gegevens ingevolge het derde lid.
1.
Omtrent een persoon van wie zij de betrouwbaarheid heeft beoordeeld ingevolge artikel 3:16, verstrekt een financiële onderneming desgevraagd schriftelijk inlichtingen aan een andere financiële onderneming ten behoeve van de beoordeling door die andere financiële onderneming van die persoon ingevolge artikel 3:16, voor zover nodig om over de betrouwbaarheid een juist en zo volledig mogelijk beeld te geven.
2.
Een financiële onderneming onthoudt zich van handelingen waarvan zij weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat deze een onjuist beeld kunnen doen ontstaan van een persoon als bedoeld in het eerste lid.
3.
De toezichtautoriteit kan regels stellen met betrekking tot de wijze waarop een financiële onderneming voldoet aan het eerste en het tweede lid.
1.
Een trustkantoor houdt op een overzichtelijke wijze ten minste de bij regeling van Onze Minister aan te wijzen bescheiden en gegevens voor de toezichtautoriteit beschikbaar.
2.
De bescheiden en gegevens, bedoeld in het eerste lid, staan onmiddellijk ter beschikking van de toezichtautoriteit, indien deze daarom verzoekt.
1.
De bedrijfsvoering van een financiële onderneming of een bewaarder omvat:
a. een duidelijke en adequate organisatiestructuur;
b. een duidelijke en adequate verdeling van taken, bevoegdheden en verantwoordelijkheden;
c. eenduidige rapportagelijnen;
d. een adequaat systeem van informatievoorziening en communicatie;
e. een adequaat systeem van interne controle.
2.
De bedrijfsvoering, bedoeld in het eerste lid, is afgestemd op de aard, omvang, risico’s en complexiteit van de werkzaamheden van de financiële onderneming of de bewaarder en wordt op inzichtelijke wijze vastgelegd.
3.
Een beheerder richt voor iedere beleggingsinstelling die hij beheert afzonderlijk een bedrijfsvoering als bedoeld in het eerste lid in.
1.
Een bemiddelaar in effecten of vermogensbeheerder beschikt over procedures en maatregelen voor het voorkomen van en omgaan met belangenconflicten tussen zijn onderneming en zijn cliënten of tussen zijn cliënten onderling.
2.
De Autoriteit Financiële Markten kan nadere regels stellen met betrekking tot het eerste lid.
1.
Een bemiddelaar in effecten, elektronischgeldinstelling, kredietinstelling, vermogensbeheerder of verzekeraar voert beleid gericht op het beheersen van relevante financiële risico’s.
2.
Het beleid, bedoeld in het eerste lid, wordt vastgelegd in procedures en maatregelen ter beheersing van relevante financiële risico’s en geïntegreerd in de bedrijfsprocessen. Een financiële onderneming als bedoeld in het eerste lid ziet er op systematische wijze op toe dat de procedures en maatregelen uit de eerste volzin worden nageleefd en zorgt ervoor dat gesignaleerde tekortkomingen of gebreken worden opgeheven.
3.
Een kredietinstelling of verzekeraar heeft een onafhankelijke risicobeheerfunctie die op systematische wijze een onafhankelijke risicobeheer uitvoert dat gericht is op het identificeren, meten en evalueren van de financiële risico’s waaraan de kredietinstelling of verzekeraar kan worden blootgesteld.
4.
Een financiële onderneming met zetel in het buitenland, die in de staat van zetel onder prudentieel toezicht staat, wordt vermoed te voldoen aan de in het eerste tot en met derde lid gestelde eisen, zolang zij in de staat van zetel is toegelaten tot de uitoefening van haar bedrijf.
Artikel 3:22. (risicomanagement beheerder en bewaarder)
Een beheerder of bewaarder met zetel in een openbaar lichaam, beschikt over procedures en maatregelen die waarborgen dat de omvang en samenstelling van en mutaties in de aan te houden financiële waarborgen getrouw en volledig kunnen worden vastgesteld. Artikel 3:21, vierde lid, is van overeenkomstige toepassing.
1.
Een financiëledienstverlener als bedoeld in artikel 5:1 van de wet bewaart, indien hij een consument of cliënt adviseert, de informatie die hij overeenkomstig artikel 5:7 van de wet heeft ingewonnen, alsmede de gegevens betreffende het financiële product, de financiële dienst of de effecten, gedurende ten minste één jaar, gerekend vanaf het moment van advisering.
2.
Ten aanzien van financiëledienstverleners, niet zijnde adviseurs, is het eerste lid niet van toepassing, indien de advisering niet leidt tot het aangaan van verplichtingen door de consument onderscheidenlijk de cliënt inzake het aanbevolen financieel product, de aanbevolen financiële dienst of de aanbevolen effecten.
3.
Indien een consument of cliënt met of door bemiddeling van een financiëledienstverlener een overeenkomst aangaat waarvan de inhoud afwijkt van het advies van die financiëledienstverlener, is die financiëledienstverlener gedurende ten minste één jaar nadien in staat aan de Autoriteit Financiële Markten aan te tonen dat de consument, onderscheidenlijk de cliënt, in weerwil van het advies de keuze heeft gemaakt voor het aangaan van die overeenkomst.
Artikel 3:24. (bewaarplicht kredietovereenkomst)
Een kredietaanbieder bewaart de informatie die hij ingevolge artikel 5:14, tweede lid, van de wet heeft ingewonnen, alsmede de op schrift gestelde door hem aangeboden overeenkomst inzake krediet, indien die overeenkomst tot stand is gekomen, gedurende ten minste vijf jaren, gerekend vanaf de dag waarop die overeenkomst is afgewikkeld.
1.
Een bemiddelaar in effecten of een vermogensbeheerder bewaart de overeenkomsten met cliënten alsmede door de toezichtautoriteit aangewezen gegevens over alle door hem verleende diensten. Hij bewaart die overeenkomsten en gegevens gedurende ten minste vijf jaar.
2.
Een vermogensbeheerder bewaart de ingevolge artikel 5:8 van de wet ingewonnen informatie gedurende ten minste vijf jaren na de beëindiging van het beheer van het vermogen van de cliënt.
Artikel 3:26. (nadere regels beheerste bedrijfsuitoefening)
De toezichtautoriteit kan nadere regels stellen met betrekking tot de artikelen 3:19 tot en met 3:25.
1.
Werknemers en andere natuurlijke personen die zich onder verantwoordelijkheid van een financiële onderneming rechtstreeks bezighouden met het aanbieden van financiële producten of het verlenen van financiële diensten, beschikken over voldoende door een financiële onderneming of derde verzorgde relevante opleiding of daaraan gelijk te stellen ervaring.
2.
De Autoriteit Financiële Markten kan nadere regels stellen met betrekking tot de vereiste opleiding of ervaring, en op welke wijzen die ervaring kan worden aangetoond. Daarbij kan onderscheid worden gemaakt naar de mate van zelfstandigheid van het optreden van categorieën personen.
Artikel 3:28. (erkenning exameninstituten)
Onze Minister kan exameninstituten erkennen die bevoegd zijn tot het afgeven van diploma’s waarmee de vakbekwaamheid, bedoeld in artikel 3:27, eerste lid, wordt aangetoond. Daarbij kan onderscheid worden gemaakt tussen categorieën financiële ondernemingen. Een aanwijzing wordt gepubliceerd in de Staatscourant.
Artikel 3:29. (vakbekwaamheid leidinggevenden assurantiebemiddelaars)
Een bemiddelaar in schadeverzekeringen of levensverzekeringen draagt er zorg voor dat degenen die de feitelijke leiding hebben over een vestiging van zijn bedrijf, allen beschikken over een diploma dat ingevolge artikel 3:4 is aangewezen voor de bemiddeling in schadeverzekeringen onderscheidenlijk levensverzekeringen.
1.
Een financiële onderneming die financiële producten aanbiedt of financiële diensten verleent beschikt met het oog op een adequate behandeling van klachten van cliënten of consumenten over die producten of diensten over een behoorlijke administratie van die klachten, waarin ten minste worden vastgelegd:
a. de naam en het adres van de klager;
b. de klacht, met de daarbij behorende dagtekening van ontvangst;
c. een omschrijving van de klacht;
d. een beschrijving van de wijze waarop de financiële onderneming de klacht heeft behandeld.
2.
Een financiële onderneming bewaart de in het eerste lid bedoelde gegevens gedurende ten minste een jaar nadat de klacht door haar is afgehandeld.
Artikel 3:31. (definitie uitbesteden)
In deze paragraaf wordt onder uitbesteden verstaan: het door een financiële onderneming verlenen van een opdracht aan een derde tot het ten behoeve van die financiële onderneming verrichten van werkzaamheden:
a. die deel uitmaken van of voortvloeien uit het uitoefenen van haar bedrijf of het aanbieden van financiële producten dan wel verlenen van financiële diensten;
b. die deel uitmaken van de wezenlijke bedrijfsprocessen ter ondersteuning daarvan.
1.
Een financiële onderneming gaat niet over tot het uitbesteden van werkzaamheden indien dat een belemmering vormt voor een adequaat toezicht op de naleving van de bij of krachtens de wet gestelde regels.
2.
Een financiële onderneming besteedt de taken en werkzaamheden van personen die het dagelijks beleid bepalen, daaronder mede verstaan het vaststellen van het beleid en het afleggen van verantwoording over het gevoerde beleid, niet uit.
1.
Een financiële onderneming die werkzaamheden uitbesteedt aan een derde, draagt er zorg voor dat de derde de uitbestede werkzaamheden op adequate wijze uitvoert, de uitvoering afdoende controleert en de daaraan verbonden risico’s op adequate wijze beheerst. Zij legt de overeenkomst met de derde waaraan de werkzaamheden op structurele basis worden uitbesteed schriftelijk vast.
2.
De toezichtautoriteit kan nadere regels stellen met betrekking tot het eerste lid.
1.
Een beheerder besteedt het bepalen van het beleggingsbeleid van een beleggingsinstelling niet uit.
2.
De artikelen 3:32 en 3:33 zijn van overeenkomstige toepassing op een beheerder of bewaarder.
1.
Dit paragrafen 2 tot en met 5 zijn niet van toepassing op financiële ondernemingen, beheerders en bewaarders met zetel in het buitenland die in de staat van zetel onder prudentieel toezicht staan.
2.
Een financiële onderneming, beheerder of bewaarder als bedoeld in het eerste lid voldoet aan de in de staat van zetel op haar van toepassing zijnde eisen met betrekking tot eigen vermogen, solvabiliteit, liquiditeit en technische voorzieningen.
1.
Het minimumbedrag aan eigen vermogen bedraagt:
a. voor een kredietinstelling, niet zijnde een kredietinstelling als bedoeld in de onderdelen b tot en met d: USD 2.750.000;
b. voor een kredietinstelling die voornamelijk is gespecialiseerd in het verstrekken van hypotheken: USD 1.650.000;
c. voor een kredietinstelling die voornamelijk zijn fondsen aantrekt bij wijze van spaardeposito’s: USD 558.000;
d. voor een kredietvereniging: USD 25.000.
2.
Het minimumbedrag aan eigen vermogen van een kredietinstelling wordt gevormd door de waarde van de vermogensbestanddelen, bedoeld in artikel 4:5, tweede lid. Deze vermogensbestanddelen, alsmede de waarden die tegenover die vermogensbestanddelen staan, staan onmiddellijk en zonder beperkingen ter beschikking van de kredietinstelling.
1.
De solvabiliteit, bedoeld in artikel 3:17, eerste lid, van de wet, is voldoende, indien het in aanmerking te nemen toetsingsvermogen, bedoeld in artikel 4:4, eerste lid, ten minste gelijk is aan de minimumomvang van het toetsingsvermogen berekend overeenkomstig de artikelen 4:8 tot en met 4:18.
2.
De solvabiliteit van een kredietvereniging is voldoende, indien het in aanmerking te nemen toetsingsvermogen, bedoeld in artikel 4:4, tweede lid, ten minste gelijk is aan vijf procent van de totale activa, met uitzondering van de liquide middelen en de vaste activa, van de kredietvereniging.
3.
Onverminderd het eerste en tweede lid is de solvabiliteit van een kredietinstelling ten minste gelijk aan het in artikel 4:2, eerste lid, voorgeschreven minimumbedrag aan eigen vermogen.
1.
Het toetsingsvermogen van een kredietinstelling, niet zijnde een kredietvereniging, wordt gevormd door de som van het in aanmerking te nemen kernkapitaal en aanvullend kapitaal, met inachtneming van artikel 4:7.
2.
Het toetsingsvermogen van een kredietvereniging wordt gevormd door de som van de ingehouden winsten, overige reserves en algemene voorzieningen.
3.
De Nederlandsche Bank kan nadere regels stellen met betrekking tot het tweede lid.
1.
Het kernkapitaal wordt gevormd door de waarde van de vermogensbestanddelen, bedoeld in het tweede lid, verminderd met de waarde van de posten bedoeld in het derde lid.
2.
De voor de bepaling van het kernkapitaal in aanmerking te nemen vermogensbestanddelen zijn:
a. het geplaatste en volgestorte aandelenkapitaal;
b. agioreserve;
c. overige reserves;
d. ingehouden winst;
e. minderheidsbelangen;
f. voorzieningen ter dekking van algemene risico’s;
g. andere door de Nederlandsche Bank toegestane vermogensbestanddelen.
3.
De voor de bepaling van het kernkapitaal in aanmerking te nemen posten zijn:
a. immateriële activa;
b. goodwill;
c. niet erkende latente belastingvorderingen;
d. vijftig procent van de waarde van de volgende deelnemingen:
1°. significante minderheidsdeelnemingen in kredietinstellingen en andere financiële ondernemingen, niet zijnde verzekeraars;
2°. wederzijdse deelnemingen in andere kredietinstellingen die een geflatteerd beeld beogen te geven van de vermogenspositie;
3°. deelnemingen in verzekeraars;
4°. deelnemingen in overige ondernemingen.
4.
De Nederlandsche Bank kan nadere regels stellen met betrekking tot de berekening van de in het tweede en derde lid genoemde vermogensbestanddelen en posten.
1.
Het aanvullend kapitaal wordt gevormd door de waarde van:
a. herwaarderingsreserves;
b. wettelijke reserves;
c. achtergestelde schuldinstrumenten en preferente aandelen met vaste looptijd.
2.
Het in aanmerking te nemen aanvullend kapitaal bedraagt de som van de in het eerste lid bedoelde vermogensbestanddelen, verminderd met vijftig procent van de waarde van de in artikel 4:5, derde lid, onderdeel d, bedoelde deelnemingen.
3.
De Nederlandsche Bank kan nadere regels stellen met betrekking tot de berekening van de in het eerste lid genoemde waarden.
a. wordt het kernkapitaal volledig in aanmerking genomen voor de berekening van het toetsingsvermogen;
b. wordt het aanvullend kapitaal voor de berekening van het toetsingsvermogen slechts in aanmerking genomen, voor zover het niet meer bedraagt dan het kernkapitaal;
c. worden de achtergestelde schuldinstrumenten en preferente aandelen met vaste looptijd tot een maximum van vijftig procent van het kernkapitaal in aanmerking genomen;
d. wordt per post rekening gehouden met het voorzienbare bedrag van de daarover verschuldigde belastingen.
Artikel 4:8. (minimumomvang toetsingsvermogen)
De minimumomvang van het toetsingsvermogen van een kredietinstelling is gelijk aan de som van:
a. acht procent van de som van de ingevolge artikel 4:9 of 4:11 te berekenen bedragen van de naar risico gewogen activa en posten buiten de balanstelling voor de kredietrisico’s;
b. het ingevolge artikel 4:14 te berekenen bedrag voor het marktrisico;
c. het ingevolge de artikelen 4:15 tot en met 4:18 te berekenen bedrag voor het operationeel risico.
1.
Het bedrag van een naar risico gewogen actief of post als bedoeld in artikel 4:8, onderdeel a, is gelijk aan zijn vorderingswaarde, vermenigvuldigd met het ingevolge het tweede lid, onderdeel a, aan het actief of de post buiten de balanstelling toegekende risicogewicht.
2.
De Nederlandsche Bank stelt regels met betrekking tot:
a. de indeling van de activa en posten buiten de balansteling in categorieën naar gelang de wederpartij en de aan die categorieën toe te kennen risicogewichten met inachtneming van artikel 4:10;
b. de berekening van de vorderingswaarde van een actief of post buiten de balansteling.
1.
Bij de toekenning van een risicogewicht aan een categorie activa of posten buiten de balanstelling kan een kredietinstelling een kredietbeoordeling van een ingevolge artikel 4:13 door de Nederlandsche Bank erkend kredietbeoordelingbureau op een consistente wijze gebruiken. Onder een kredietbeoordeling wordt verstaan de taxatie van de kans op wanbetaling en de mate van wanbetaling door een bepaalde debiteur op al zijn verplichtingen of een deel van zijn verplichtingen.
2.
De Nederlandsche Bank stelt nadere regels met betrekking tot het gebruik van een kredietbeoordeling als bedoeld in het eerste lid.
3.
Een kredietinstelling gebruikt slechts gevraagde kredietbeoordelingen.
4.
De Nederlandsche Bank kan, in afwijking van het derde lid, op verzoek van de kredietinstelling toestemming verlenen om ongevraagde kredietbeoordelingen te gebruiken.
1.
De Nederlandsche Bank kan een kredietinstelling op verzoek toestemming verlenen om de bedragen van haar naar risico gewogen activa of posten buiten de balanstelling in afwijking van artikel 4:9 te berekenen volgens een interne modellenmethode, waarbij gebruik wordt gemaakt van eigen ramingen van de kans dat een wederpartij over een periode van een jaar in gebreke blijft, en van de verhouding tussen het verwachte economisch verlies op een vordering als gevolg van wanbetaling, met inachtneming van de tijdwaarde van geld, en het naar verwachting uitstaande bedrag bij wanbetaling.
2.
De gehanteerde interne modellen voor het beheer en de beoordeling van kredietrisico’s worden zorgvuldig toegepast. De Nederlandsche Bank kan regels stellen met betrekking tot deze interne modellen.
1.
Een kredietinstelling kan kredietrisicovermindering in aanmerking nemen, mits zij gebruik maakt van een door de Nederlandsche Bank toegestane techniek ter beperking van het kredietrisico dat verbonden is aan de activa en posten buiten de balanstelling, en zij voldoet aan de in voorkomend geval ingevolge het tweede lid gestelde regels.
2.
De Nederlandsche Bank kan nadere regels stellen met betrekking tot de voorwaarden waaronder onder het eerste lid genoemde technieken van kredietrisicovermindering toelaatbaar zijn, en de beperking van de aan kredietrisicovermindering verbonden risico’s.
1.
De Nederlandsche Bank erkent op aanvraag, al dan niet voor bepaalde tijd, een kredietbeoordelingbureau, indien het voldoet aan door de Nederlandsche Bank gestelde criteria.
2.
De Nederlandsche Bank kan een procedure vaststellen voor de erkenning, bedoeld in het eerste lid, en maakt deze bekend.
3.
Indien een kredietbeoordelingbureau niet meer voldoet aan de criteria, bedoeld in het eerste lid, kan de Nederlandsche Bank de erkenning intrekken.
1.
Een kredietinstelling berekent het bedrag van de vereiste solvabiliteit voor het marktrisico, bedoeld in artikel 4:8, onderdeel b, conform de door de Nederlandsche Bank gestelde regels. De Nederlandsche Bank stelt regels met betrekking tot de berekening van de omvang van het marktrisico ten opzichte van het totale bedrijf en de grondslagen van die berekening.
2.
Het is een kredietinstelling toegestaan het bedrag van de vereiste solvabiliteit voor het marktrisico te berekenen overeenkomstig de in artikel 4:9 gestelde regels, indien het totale solvabiliteitsvereiste voor het marktrisico niet meer bedraagt dan vijf procent van het laatst berekende toetsingsvermogen.
3.
Een kredietinstelling die het tweede lid toepast, geeft hiervan kennis aan de Nederlandsche Bank met een door deze na overleg met de kredietinstelling te bepalen frequentie. Een overschrijding van de limiet, bedoeld in het tweede lid, meldt de kredietinstelling onverwijld aan de Nederlandsche Bank.
1.
Een kredietinstelling maakt gebruik van de basisindicatorbenadering voor de berekening van het bedrag van de met betrekking tot het totale bedrijf vereiste solvabiliteit ter dekking van het operationeel risico, bedoeld in artikel 4:8, onderdeel c.
2.
De Nederlandsche Bank stelt regels met betrekking tot de basisindicatorbenadering en de berekening van de vereiste solvabiliteit ter dekking van het operationeel risico volgens die benadering.
1.
In afwijking van artikel 4:15 kan een kredietinstelling gebruik maken van de standaardbenadering voor de berekening van het bedrag van de vereiste solvabiliteit ter dekking van het operationeel risico, bedoeld in artikel 4:8, onderdeel c.
2.
De Nederlandsche Bank kan nadere regels stellen met betrekking tot de voorwaarden waaronder toepassing van de standaardbenadering is toegestaan en met betrekking tot de berekening van de vereiste solvabiliteit ter dekking van het operationeel risico volgens die benadering.
1.
De Nederlandsche Bank kan een kredietinstelling op verzoek toestemming verlenen om gebruik te maken van een alternatieve standaardbenadering voor de berekening van de vereiste solvabiliteit ter dekking van het operationeel risico.
2.
De Nederlandsche Bank kan nadere regels stellen met betrekking tot de voorwaarden waaronder toepassing van de alternatieve standaardbenadering is toegestaan en met betrekking tot de berekening van de vereiste solvabiliteit ter dekking van het operationeel risico volgens die benadering.
1.
Het is een kredietinstelling die eenmaal de standaardbenadering, bedoeld in artikel 4:16 gebruikt, niet toegestaan daarna alsnog de basisindicatorbenadering te gebruiken.
2.
De Nederlandsche Bank kan een kredietinstelling op verzoek toestemming verlenen om de standaardbenadering in combinatie met de basisindicatorbenadering toe te passen, indien de kredietinstelling de standaardbenadering implementeert overeenkomstig een met de Nederlandsche Bank overeengekomen tijdschema.
1.
De waarde van de balansposten en posten buiten de balanstelling, bedoeld in artikel 3:17, vijfde lid, van de wet bedraagt voor een kredietinstelling ten aanzien van een wederpartij of groep van verbonden wederpartijen niet meer dan vijfentwintig procent van haar toetsingsvermogen.
2.
De totale waarde van de grote posities van een kredietinstelling bedraagt niet meer dan zeshonderd procent van haar toetsingsvermogen.
3.
De Nederlandsche Bank kan, op verzoek, besluiten dat het een kredietinstelling voor een beperkte duur is toegestaan het in het eerste of tweede lid bedoelde percentage te overschrijden. De Nederlandsche Bank stelt regels met betrekking tot de voorwaarden waaronder zij een overschrijding toestaat.
1.
Het minimumbedrag aan eigen vermogen, bedoeld in artikel 3:16, eerste lid, van de wet, bedraagt voor een beleggingsmaatschappij USD 279.000.
2.
Het minimumbedrag aan eigen vermogen van een beleggingsmaatschappij wordt gevormd door de waarde van de vermogensbestanddelen, bedoeld in artikel 4:5, tweede lid. Deze vermogensbestanddelen, alsmede de waarden die tegenover die vermogensbestanddelen staan, staan onmiddellijk en zonder beperkingen ter beschikking van de beleggingsmaatschappij. Artikel 4:5, vierde lid, is van overeenkomstige toepassing.
1.
Het minimumbedrag aan eigen vermogen bedraagt voor een bemiddelaar in effecten of vermogensbeheerder USD 25.000.
2.
Het eerste lid is niet van toepassing op een bemiddelaar in effecten die uitsluitend orders van cliënten ontvangt en doorgeeft, mits die bemiddelaar beschikt over een beroepsaansprakelijkheidsverzekering die zijn aansprakelijkheid dekt wegens fouten, verzuimen of nalatigheden begaan in de uitoefening van zijn bedrijf. Artikel 4:47, tweede en derde lid, is van overeenkomstige toepassing.
3.
Het minimumbedrag aan eigen vermogen van een bemiddelaar in effecten of een vermogensbeheerder wordt gevormd door de waarde van de volgende vermogensbestanddelen:
a. voor een naamloze of besloten vennootschap: het geplaatste en volgestorte aandelenkapitaal, met uitsluiting van cumulatief preferente aandelen en van preferente aandelen met een vaste looptijd;
b. voor een vennootschap onder firma: de afgezonderde gestorte vermogensbestanddelen van de beherende vennoten;
c. voor een commanditaire vennootschap: de afgezonderde gestorte vermogensbestanddelen van de beherende vennoten alsmede het gestorte commanditaire kapitaal;
d. voor een coöperatie: het door de leden gestorte of ingelegde kapitaal;
e. voor een onderneming die een andere rechtsvorm heeft dan de hierboven genoemde: het voordelige verschil tussen bezittingen en schulden;
f. andere door de Nederlandsche Bank toegestane vermogensbestanddelen.
4.
De in het derde lid genoemde vermogensbestanddelen, alsmede de waarden die tegenover die vermogensbestanddelen staan, staan onmiddellijk en zonder beperkingen ter beschikking van de bemiddelaar in effecten of vermogensbeheerder. Per afzonderlijke post wordt rekening gehouden met het voorzienbare bedrag van de daarover verschuldigde belastingen.
5.
De Nederlandsche Bank kan nadere regels stellen met betrekking tot de berekening van de in het derde lid genoemde vermogensbestanddelen.
1.
Een bemiddelaar in effecten of vermogensbeheerder beschikt over een toetsingsvermogen dat ten minste gelijk is aan vijfentwintig procent van de door de Nederlandsche Bank vastgestelde vaste kosten in het afgelopen boekjaar. Indien de vermogensbeheerder of bemiddelaar in effecten haar werkzaamheden niet gedurende een volledig boekjaar heeft uitgeoefend, bedraagt de minimumomvang van het toetsingsvermogen vijfentwintig procent van de in haar programma van werkzaamheden begrote vaste kosten. De Nederlandsche Bank kan besluiten dat een hogere minimumomvang geldt, indien aannemelijk is dat de vaste kosten te laag zijn.
2.
Het eerste lid is niet van toepassing op bemiddelaars in effecten als bedoeld in artikel 4:21, tweede lid.
3.
Het in aanmerking te nemen toetsingsvermogen van een bemiddelaar in effecten of een vermogensbeheerder wordt gevormd door de waarde van de in artikel 4:21, derde lid, genoemde vermogensbestanddelen. Artikel 4:21, vierde lid is van overeenkomstige toepassing.
4.
Onverminderd het eerste lid, is het toetsingsvermogen ten minste gelijk aan het ingevolge artikel 4:21, eerste lid, voorgeschreven minimumbedrag.
1.
Het minimumbedrag aan eigen vermogen bedraagt voor een elektronischgeldinstelling USD 50.000.
2.
Het minimumbedrag aan eigen vermogen van een elektronischgeldinstelling wordt gevormd door de waarde van de vermogensbestanddelen, bedoeld in artikel 4:5, tweede lid. Deze vermogensbestanddelen alsmede de waarden die tegenover die vermogensbestanddelen staan, staan onmiddellijk en zonder beperkingen ter beschikking van de kredietinstelling. Per afzonderlijke post wordt rekening gehouden met het voorzienbare bedrag van de daarover verschuldigde belastingen.
1.
Een elektronischgeldinstelling beschikt over een toetsingsvermogen dat ten minste gelijk is aan twee procent van het lopende bedrag of het gemiddelde bedrag over de laatste zes maanden van haar totale financiële verplichtingen die met uitstaand elektronisch geld verband houden, naar gelang welk bedrag het hoogste is. Indien de elektronischgeldinstelling haar werkzaamheden niet gedurende zes maanden heeft uitgeoefend, bedraagt de minimumomvang van het toetsingsvermogen twee procent van het lopende bedrag of het blijkens haar programma van werkzaamheden op zes maanden nagestreefde bedrag van haar totale financiële verplichtingen die met uitstaand elektronisch geld verband houden, naar gelang welk bedrag het hoogste is. De Nederlandsche Bank kan, indien de vorige volzin van toepassing is en aannemelijk is dat het nagestreefde bedrag te laag is geschat, besluiten dat voor de elektronischgeldinstelling een hogere minimumomvang van het toetsingsvermogen geldt.
2.
Het in aanmerking te nemen toetsingsvermogen wordt gevormd door de waarde van de vermogensbestanddelen, bedoeld in artikel 4:5, tweede lid. Artikel 4:5, vierde lid, is van overeenkomstige toepassing.
3.
Onverminderd het eerste lid, is het toetsingsvermogen ten minste gelijk aan het in artikel 4:23, eerste lid, voorgeschreven minimumbedrag.
a. voor een levensverzekeraar: USD 223.000;
b. voor een natura-uitvaartverzekeraar: USD 25.000;
c. voor een schadeverzekeraar: USD 167.000.
1.
Een levensverzekeraar of een natura-uitvaartverzekeraar beschikt over een solvabiliteitsmarge die ten minste gelijk is aan vier procent van de technische voorzieningen, bedoeld in artikel 4:30, zonder rekening te houden met de herverzekering van deze verplichtingen.
2.
Een schadeverzekeraar beschikt over een solvabiliteitsmarge die ten minste gelijk is aan vijftien procent van de in het voorgaande boekjaar geboekte bruto premies.
3.
De berekening van het minimumbedrag van de solvabiliteitsmarge, bedoeld in het eerste en tweede lid, geschiedt aan de hand van een door de Nederlandsche Bank vastgesteld model.
1.
Het minimumbedrag van het garantiefonds en de solvabiliteitsmarge van een verzekeraar worden gevormd door de volgende vermogensbestanddelen:
a. het gestorte kapitaal of waarborgkapitaal vermeerderd met ledenrekeningen;
b. de wettelijke, statutaire en overige reserves;
c. de onverdeelde winst dan wel het verlies;
d. achtergestelde leningen en achtergestelde schuldinstrumenten;
e. andere door de Nederlandsche Bank toegestane vermogensbestanddelen.
2.
De Nederlandsche Bank kan nadere regels stellen met betrekking tot de mate waarin en de voorwaarden waaronder de in het eerste lid genoemde vermogensbestanddelen worden meegerekend bij het bepalen van de solvabiliteitsmarge.
1.
Een beleggingsinstelling met zetel in een openbaar lichaam, waarvan in de openbare lichamen de rechten van deelneming op verzoek van de deelnemers ten laste van de activa direct of indirect worden ingekocht of terugbetaald, beschikt over voldoende liquiditeit.
2.
De liquiditeit van een beleggingsinstelling is voldoende, indien de aanwezige liquiditeit, bedoeld in het vierde lid, ten minste gelijk is aan de vereiste liquiditeit, bedoeld in het derde lid.
3.
De vereiste liquiditeit van een beleggingsinstelling bedraagt tien procent van het beheerde vermogen. In afwijking van de eerste volzin kan, indien uit een overeengekomen ontbindings- of beëindigingsregeling vooraf bekend is voor welk bedrag op een bepaalde datum wordt ingekocht, worden volstaan met dat bedrag.
4.
De aanwezige liquiditeit van een beleggingsinstelling wordt berekend op basis van door de Nederlandsche Bank te stellen regels.
1.
De liquiditeit van een kredietinstelling is voldoende indien de aanwezige liquiditeit, bedoeld in het derde lid, ten minste gelijk is aan de vereiste liquiditeit, bedoeld in het tweede lid.
2.
De vereiste liquiditeit van een kredietinstelling bestaat uit de som van de gewogen uitstaande kasstromen op basis van de kalenderposten, vermeerderd met de niet in de vervalkalender opgenomen toevertrouwde middelen en overige posten die tot een betalingsverplichting kunnen leiden, gedurende de maandperiode. Onder kalenderposten wordt verstaan een actiefpost of passiefpost waarvan de kasinstromen respectievelijk kasuitstromen als gevolg van aflossing of rentebetalingen in de vervalkalender worden opgenomen.
3.
De aanwezige liquiditeit van een kredietinstelling wordt gevormd door de gewogen voorraadposten en de gewogen kasinstroom van de kalenderposten gedurende de maandperiode, alsmede de officiële standby-faciliteiten. Onder voorraadpost wordt verstaan de liquide activa die niet in de vervalkalender zijn opgenomen.
4.
De Nederlandsche Bank stelt nadere regels met betrekking tot het tweede en derde lid.
1.
De technische voorzieningen van een verzekeraar bestaan, telkens voor zover van toepassing, uit:
a. de voorziening voor niet-verdiende premies en de voorziening voor lopende risico’s, waaronder de catastrofevoorziening indien deze is getroffen;
b. de voorziening voor levensverzekering;
c. de voorziening voor te betalen schaden of voor te betalen uitkeringen;
d. de voorziening voor winstdeling en kortingen;
e. de voorziening voor latente winstdelingsverplichtingen;
f. de egalisatievoorziening, voor zover egalisatie van winsten en verliezen bij of krachtens de wet is toegestaan;
g. de overige technische voorzieningen.
2.
De Nederlandsche Bank kan nadere regels stellen met betrekking tot de mate waarin technische voorzieningen moeten worden gevormd met betrekking tot verplichtingen en kosten en omtrent de indeling van de technische voorzieningen.
1.
De technische voorzieningen worden gewaardeerd op voor het verzekeringsbedrijf aanvaarde grondslagen. Bij de waardering van de technische voorzieningen wordt ervan uitgegaan dat de verzekeringsmaatschappij in staat moet zijn te voldoen aan haar naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid voorzienbare verplichtingen uit verzekeringsovereenkomsten.
2.
De Nederlandsche Bank kan nadere regels stellen met betrekking tot de voor de berekening van de technische voorzieningen te hanteren grondslagen.
Artikel 4:32. (afzonderlijke berekening technische voorzieningen)
De voorzieningen, bedoeld in artikel 4:30, onderdelen a tot en met c, worden zoveel mogelijk voor elke overeenkomst onderscheidenlijk elke schade afzonderlijk en op voorzichtige wijze bepaald. Het gebruik van statistische of wiskundige methoden is toegestaan, indien de aard van de overeenkomst dat toelaat, en deze methoden naar verwachting dezelfde resultaten opleveren als de afzonderlijke berekeningen.
Artikel 4:33. (voorziening voor niet-verdiende premies en lopende risico’s)
De voorziening voor niet-verdiende premies en lopende risico’s, bedoeld in artikel 4:30, onderdeel a, omvat onder meer:
a. de in het boekjaar ontvangen premies ter zake van risico’s die op het daarop volgende boekjaar of boekjaren betrekking hebben;
b. de schaden en kosten uit lopende overeenkomsten van verzekering die na afloop van het boekjaar kunnen ontstaan en die niet gedekt kunnen worden door de voorziening die betrekking heeft op de niet-verdiende premies tezamen met de in het daarop volgende boekjaar of boekjaren nog te ontvangen premies.
1.
De voorziening voor levensverzekering, bedoeld in artikel 4:30, onderdeel b, wordt berekend op basis van een voldoende voorzichtige prospectieve actuariële methode, rekening houdend met de in de toekomst te ontvangen premies en met alle toekomstige verplichtingen volgens de voor iedere lopende overeenkomst van verzekering gestelde voorwaarden, met inbegrip van:
a. alle gegarandeerde uitkeringen en gegarandeerde afkoopwaarden;
b. de winstdelingen waarop de verzekeringnemer, verzekerde of gerechtigde op uitkering collectief dan wel individueel recht heeft;
c. alle keuzemogelijkheden waarover de verzekeringnemer, verzekerde of gerechtigde op uitkering volgens de voorwaarden van de overeenkomst beschikt;
d. de bedrijfskosten, met inbegrip van provisies.
2.
In afwijking van het eerste lid kan een retrospectieve methode worden toegepast indien de op grond van die methode berekende voorzieningen niet lager zijn dan de voorzieningen bij toepassing van een prospectieve methode, of indien het gebruik van een prospectieve methode vanwege de aard van het betrokken type overeenkomst niet mogelijk is.
3.
De voorziening voor levensverzekering vermeldt afzonderlijk de technische voorzieningen voor verzekeringen waarbij de tot uitkering gerechtigde het beleggingsrisico draagt.
1.
De voorziening voor te betalen schaden of voor te betalen uitkeringen, bedoeld in artikel 4:30, onderdeel c, omvat het bedrag van de te verwachten schaden of uitkeringen, in aanmerking nemende:
a. de voor de balansdatum ontstane schaden of uitkeringen die zijn gemeld en nog niet zijn afgewikkeld, en de schaden of uitkeringen die nog niet zijn gemeld;
b. de kosten verband houdende met de afwikkeling van schaden of uitkeringen;
c. de in verband met schaden of uitkeringen te verwachten baten uit subrogatie en de verkrijging van de eigendom van verzekerde zaken.
2.
Discontering van de voorziening voor te betalen schaden of voor te betalen uitkeringen, anders dan periodiek te betalen schaden, is slechts toegestaan in door de Nederlandsche Bank te bepalen gevallen en onder door de Nederlandsche Bank te stellen voorwaarden.
3.
Indien de verplichtingen uit overeenkomsten van verzekering op het tijdstip van het opmaken van de jaarrekening redelijkerwijs niet te schatten zijn wegens het ontbreken van voldoende nauwkeurige gegevens met betrekking tot de over het tekenjaar te ontvangen premies of te betalen schaden en kosten van afwikkeling van de schade, kan de Nederlandsche Bank, onder door haar te stellen voorwaarden, een andere berekening van de voorziening voor te betalen schade of voor te betalen uitkeringen toestaan.
Artikel 4:36. (voorziening voor winstdeling en kortingen)
De voorziening voor winstdeling en kortingen, bedoeld in artikel 4:30, onderdeel d, omvat de bedragen die in de vorm van winstdeling bestemd zijn voor de verzekeringnemers, verzekerden of gerechtigden op uitkeringen, voor zover deze niet hebben geleid tot verhoging van de voorziening voor levensverzekering, alsmede de bedragen die een gedeeltelijke terugbetaling van premies op grond van het resultaat van de overeenkomsten vertegenwoordigen, voor zover deze niet tot verhoging van de ledenrekening hebben geleid.
1.
Een schadeverzekeraar die overeenkomsten van verzekering sluit ter dekking van schaden die het gevolg zijn van algemene insolventie, verleend exportkrediet, hypothecair krediet, landbouwkrediet en verkoop op afbetaling, houdt ter dekking van een tijdens het boekjaar ter zake geleden technisch verlies een egalisatievoorziening aan die wordt berekend overeenkomstig het tweede lid.
2.
Het minimumbedrag van de egalisatievoorziening bedraagt 134 procent van het gemiddelde van de tijdens de vijf voorgaande boekjaren jaarlijks geboekte premies na aftrek van de overdrachten uit hoofde van herverzekering. Aan deze voorziening wordt in elk boekjaar waarin ter zake een technisch overschot werd geboekt, vijfenzeventig procent van dit technisch overschot toegevoegd, totdat de voorziening ten minste gelijk is aan het in de vorige volzin genoemde minimum.
3.
Het eerste lid is niet van toepassing als de ter zake jaarlijks geboekte premies minder dan vier procent van het totale bedrag aan jaarlijks geboekte premies belopen.
Artikel 4:38. (earmarking)
De waarden die dienen ter dekking van de technische voorzieningen, worden door de verzekeraar als zodanig geadministreerd. De Nederlandsche Bank kan tegen de aard en waardering van deze waarden bezwaar maken, aan welk bezwaar de verzekeraar dient tegemoet te komen.
1.
De waarden die dienen ter dekking van de technische voorzieningen, moeten in toereikende mate in dezelfde muntsoort kunnen worden geïnd of te gelde gemaakt als die waarin de verplichtingen luiden.
2.
De waarden die dienen ter dekking van de technische voorzieningen voor de vanuit de vestigingen in de openbare lichamen aangegane verplichtingen, zijn in de openbare lichamen, Curaçao of Sint Maarten aanwezig. Waarden die bestaan uit schuldvorderingen, zijn in de openbare lichamen, Curaçao of Sint Maarten aanwezig, indien zij aldaar kunnen worden geïnd.
Artikel 4:40. (prudent beleggingsbeleid)
De verzekeraar draagt er zorg voor dat de aard en waardering van de waarden die dienen ter dekking van de technische voorzieningen, in overeenstemming zijn met de aard onderscheidenlijk de waardering van de aangegane verplichtingen. Deze waarden worden adequaat gediversificeerd en gespreid. Waarden met een hoog risico worden tot een voorzichtig niveau beperkt en voorzichtig gewaardeerd.
Artikel 4:41. (beleggingsrisico voor verzekeringnemer)
De technische voorzieningen met betrekking tot uitkeringen die volgens de overeenkomst rechtstreeks gekoppeld zijn aan de waarde van een deelneming in een beleggingsinstelling, onderscheidenlijk aan een andere referentiewaarde, worden gedekt door deze rechten van deelneming, onderscheidenlijk door de eenheden die de referentiewaarde vertegenwoordigen, dan wel door activa die zo nauw mogelijk aansluiten bij die waarop de referentiewaarde is gebaseerd. Artikel 4:40 is niet van toepassing op de in de vorige volzin bedoelde technische voorzieningen.
1.
Een vordering op een herverzekeraar uit hoofde van een door een verzekeraar als verzekeringnemer gesloten overeenkomst van herverzekering komt in aanmerking als waarde ter dekking van de technische voorzieningen voor zover het naar het oordeel van de Nederlandsche Bank aannemelijk is dat de vordering in de openbare lichamen zal worden voldaan of dat de verzekeraar in het buitenland zijn uitkeringen aan verzekerden of gerechtigden op uitkeringen zal moeten voldoen.
2.
Het eerste lid is eveneens van toepassing op een toekomstige vordering op een herverzekeraar, mits de vordering betrekking heeft op een reeds bekende, maar nog niet afgewikkelde schade. Bij de berekening van de hoogte van de vordering worden de bedragen die de verzekeraar aan de herverzekeraar verschuldigd is, in mindering gebracht op het totale bedrag van de vordering.
3.
Ten aanzien van de in het eerste en tweede lid bedoelde waarden is artikel 4:39, tweede lid, niet van toepassing.
Artikel 4:43. (nadere regels)
De Nederlandsche Bank kan nadere regels stellen ter uitvoering van de artikelen 4:39 tot en met 4:42.
Artikel 4:44. (bemiddelaar in effecten en vermogensbeheerder)
De Autoriteit Financiële Markten kan nadere regels stellen met betrekking tot:
a. de maatregelen ter bescherming van de rechten van de cliënt en ter voorkoming van het gebruik van effecten of gelden van de cliënt, bedoeld in artikel 3:23, eerste lid van de wet;
b. de wijze waarop de instemming, bedoeld in artikel 3:23, vierde lid, van de wet, van de cliënt kan worden verkregen voor gebruik van diens effecten voor eigen rekening door de bemiddelaar in effecten of vermogensbeheerder.
Artikel 4:45. (elektronischgeldinstelling)
De Nederlandsche Bank kan nadere regels stellen met betrekking tot de door elektronischgeldinstellingen te treffen maatregelen, bedoeld in artikel 3:23, derde lid, van de wet, teneinde de voor de uitgifte van elektronisch geld ontvangen middelen veilig te stellen.
Artikel 4:46. (trustkantoor)
Een trustkantoor draagt zorg voor een deugdelijke administratie, en heeft maatregelen getroffen om de rechten, met betrekking tot gelden of geldswaarden, van ondernemingen waaraan door het trustkantoor beheersdiensten zullen worden verleend, en van derden te beschermen. De maatregelen strekken in ieder geval tot een volledige scheiding tussen de vermogensbestanddelen van elk van die ondernemingen, iedere derde en van het trustkantoor.
1.
De beroepsaansprakelijkheidsverzekering, bedoeld in artikel 3:24 van de wet, dekt de aansprakelijkheid van de adviseur, bemiddelaar, niet zijnde een bemiddelaar in effecten, of gevolmachtigde agent wegens fouten, verzuimen of nalatigheden, begaan in de uitoefening van diens beroep.
2.
De beroepsaansprakelijkheidsverzekering wordt gesloten bij een verzekeraar die in de staat van zetel bevoegd is tot uitoefening van het desbetreffende verzekeringsbedrijf.
3.
De Autoriteit Financiële Markten kan nadere regels stellen met betrekking tot de hoogte van het verzekerd bedrag.
1.
Een kredietinstelling met zetel in de openbare lichamen die deel uitmaakt van een groep, dient de ingevolge artikel 3:45, vierde lid, van de wet vereiste rapportage eenmaal per jaar bij de Nederlandsche Bank in, tenzij de Nederlandsche Bank, indien de solvabiliteit door ontwikkelingen bij de kredietinstelling in gedrang is of zou kunnen komen, besluit dat er gerapporteerd wordt met een hogere frequentie.
2.
Onder significante intragroepsovereenkomsten en -posities worden verstaan overeenkomsten en posities die een door de Nederlandsche Bank vast te stellen drempel te boven gaan. De drempel is gerelateerd aan de vereiste solvabiliteit van de kredietinstelling.
3.
De Nederlandsche Bank stelt regels met betrekking tot de categorieën overeenkomsten en posities die in de rapportage worden betrokken en de rapportage.
1.
Een kredietinstelling als bedoeld in artikel 4:48, eerste lid, berekent onverminderd de artikelen 3:16 en 3:17 van de wet eenmaal per jaar haar solvabiliteit op basis van haar geconsolideerde financiële positie.
2.
De Nederlandsche Bank kan nadere regels stellen met betrekking tot de berekening van de geconsolideerde financiële positie, bedoeld in het eerste lid.
1.
Een verzekeraar met zetel in de openbare lichamen die deel uitmaakt van een groep, dient de ingevolge artikel 3:46, vierde lid, van de wet vereiste rapportage eenmaal per jaar in, tenzij de Nederlandsche Bank, indien de solvabiliteit door ontwikkelingen bij de verzekeraar in gedrang is of zou kunnen komen, besluit dat er gerapporteerd wordt met een hogere frequentie.
2.
Onder significante intragroepovereenkomsten en -posities worden verstaan overeenkomsten en posities die een door de Nederlandsche Bank vast te stellen drempel te boven gaan. De drempel is gerelateerd aan de vereiste solvabiliteit van de verzekeraar.
3.
De Nederlandsche Bank stelt regels met betrekking tot de categorieën overeenkomsten en posities die in de rapportages worden betrokken en met betrekking tot de rapportage.
1.
Een verzekeraar die deelnemingen heeft in een of meer andere verzekeraars, berekent zijn aangepaste solvabiliteit op geconsolideerde basis. De aangepaste solvabiliteit is gelijk aan het verschil tussen de vermogensbestanddelen die in aanmerking komen voor de solvabiliteitsmarge, berekend op basis van de geconsolideerde gegevens, en het minimumbedrag aan solvabiliteitsmarge, berekend op basis van de geconsolideerde gegevens.
2.
Indien een verzekeraar een deelneming heeft in een elektronischgeldinstelling, kredietinstelling of vermogensbeheerder, wordt de waarde van die deelneming in mindering gebracht op de voor zijn solvabiliteitsmarge in aanmerking te nemen vermogensbestanddelen.
3.
De Nederlandsche Bank kan nadere regels stellen met betrekking tot het eerste en tweede lid. Deze regels kunnen mede inhouden dat de verzekeraar zijn aangepaste solvabiliteit mag berekenen volgens een andere methode dan is voorgeschreven in het eerste of tweede lid.
1.
Een financiële onderneming met zetel in het buitenland voert met betrekking tot haar activiteiten in de openbare lichamen een afzonderlijke boekhouding, waaruit de aard en omvang van die activiteiten blijkt.
2.
De afzonderlijke boekhouding, bedoeld in het eerste lid, staat onmiddellijk ter beschikking van de toezichtautoriteit, indien deze daarom verzoekt.
1.
Een beleggingsinstelling, bemiddelaar in effecten, elektronischgeldinstelling, kredietinstelling, vermogensbeheerder of verzekeraar dient een jaarrekening en jaarverslag in bij de vergunningverlenende toezichtautoriteit.
2.
De termijn, bedoeld in artikel 3:35, eerste lid, van de wet bedraagt:
a. voor beleggingsinstellingen: vier maanden na afloop van het boekjaar;
b. voor de overige in het eerste lid genoemde financiële ondernemingen: zes maanden na afloop van het boekjaar.
3.
De jaarrekening en jaarverslag voldoen wat betreft inhoud en vorm aan de eisen aan een jaarrekening ingevolge artikel 120, derde en vijfde lid, van boek 2 van het Burgerlijk Wetboek BES.
4.
Een financiële onderneming als bedoeld in het eerste lid dient tezamen met de jaarrekening en het jaarverslag ook de volgende gegevens bij de vergunningverlenende toezichtautoriteit in:
b. een afschrift van het rapport van de deskundige, bedoeld in het vijfde lid;
c. de directiebrieven.
5.
De jaarrekening van een financiële onderneming, bedoeld in het eerste lid, wordt goedgekeurd door een externe deskundige als bedoeld in artikel 121 van boek 2 van het Burgerlijk Wetboek BES. Indien de financiële onderneming niet voldoet aan de in artikel 119, tweede lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek BES omschreven criteria, kan de jaarrekening worden goedgekeurd door een andere dan de in de eerste volzin bedoelde deskundige.
6.
De toezichtautoriteit kan nadere regels stellen met betrekking tot het eerste tot en met vierde lid.
1.
Een beheerder of bewaarder van een beleggingsinstelling dient binnen vier maanden na afloop van het boekjaar een jaarrekening en jaarverslag in bij de Autoriteit Financiële Markten. Artikel 5:2, derde tot en met vijfde lid, is van overeenkomstige toepassing.
2.
De Autoriteit Financiële Markten kan nadere regels stellen met betrekking tot het eerste lid.
1.
Uit de jaarrekening van een kredietinstelling met zetel in het buitenland die door middel van een bijkantoor actief is in de openbare lichamen, blijkt de omvang van de bij het bijkantoor aangehouden betaalrekeningen, spaartegoeden en deposito’s per ultimo van het afgesloten boekjaar.
2.
Uit de jaarrekening van een verzekeraar met zetel in het buitenland die door middel van een bijkantoor actief is in de openbare lichamen, blijkt de omvang van de door het bijkantoor ontvangen bruto premies over het afgesloten boekjaar.
1.
De staten, bedoeld in artikel 3:36, eerste lid, van de wet, die door een kredietinstelling worden verstrekt, omvatten:
a. balans- en resultaatgegevens, alsmede aanvullende financiële gegevens ten behoeve van het ingevolge artikel 1:5 van de wet door de Nederlandsche Bank uitgeoefende prudentieel toezicht;
b. andere gegevens ten behoeve van het toezicht op de naleving van de regels met betrekking tot:
1°. de solvabiliteit ingevolge artikel 3:17, eerste lid, van de wet;
2°. het aanhouden van balansposten en posten buiten de balansteling ingevolge artikel 3:17, vierde lid, van de wet;
3°. de liquiditeit ingevolge artikel 3:18, tweede lid, van de wet.
2.
De Nederlandsche Bank stelt nadere regels met betrekking tot de in het eerste lid genoemde staten. Deze regels hebben betrekking op:
a. de modellen van de staten;
b. de reikwijdte van toepassing van de staten en de mate van detaillering van de in te vullen gegevens, met dien verstande dat deze geen uitbreiding of nadere rubricering van de staten omvatten;
c. de reikwijdte van de consolidatie overeenkomstig de regels met betrekking tot consolidatie die de kredietinstelling in haar jaarrekening toepast, voor zover uit de wet niet anders voortvloeit;
d. de waardering van de posten overeenkomstig de waarderingsmethoden die de kredietinstelling in haar jaarrekening toepast;
e. de te hanteren valuta en rekeneenheid;
f. de afronding;
g. de termijn waarbinnen de staten worden verstrekt, met dien verstande dat deze niet korter is dan noodzakelijk voor de uitoefening van het prudentieel toezicht;
h. de frequentie waarmee de staten worden verstrekt, met dien verstande dat deze ten minste een maal per jaar is.
3.
De regels, bedoeld in het tweede lid, onderdelen b, f, g en h, zijn afgestemd op de aard en de omvang van de kredietinstelling, alsmede op de omvang van de solvabiliteit van de kredietinstelling.
4.
De Nederlandsche Bank kan in individuele gevallen besluiten dat een kredietinstelling periodiek moet melden of haar solvabiliteit of liquiditeit zich boven een door de Nederlandsche Bank vastgestelde signaleringswaarde bevindt. De frequentie van de melding is niet hoger dan eenmaal per maand en is afgestemd op de aard en de omvang van de kredietinstelling, alsmede op de omvang van de solvabiliteit van de kredietinstelling.
5.
De Nederlandsche Bank besluit welke staten openbaar worden gemaakt.
1.
De staten, bedoeld in artikel 3:36, eerste lid, van de wet, die door een verzekeraar worden verstrekt omvatten:
a. een jaarrekening, alsmede aanvullende financiële gegevens ten behoeve van het door de Nederlandsche Bank ingevolge artikel 1:5 van de wet uitgeoefende prudentieel toezicht;
b. andere gegevens ten behoeve van het toezicht op de naleving van de regels met betrekking tot:
1°. de solvabiliteit ingevolge artikel 3:17 van de wet, en
2°. de technische voorzieningen ingevolge artikel 3:19 van de wet.
2.
De Nederlandsche Bank stelt nadere regels met betrekking tot de in het eerste lid bedoelde staten. Artikel 5:5, tweede tot en met vijfde lid, is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 6:1. (overeenkomst inzake beheer en bewaring)
De ingevolge artikel 4:4, eerste lid van de wet tussen een beleggingsinstelling en een bewaarder te sluiten overeenkomst bepaalt in ieder geval dat:
a. de bewaarder bij het bewaren uitsluitend in het belang van de deelnemers in de beleggingsinstelling optreedt;
b. de bewaring ten name van de beleggingsinstelling op een zodanige wijze geschiedt, dat over de in bewaring gegeven activa slechts kan worden beschikt door de beleggingsinstelling en de bewaarder tezamen;
c. de bewaarder de in bewaring gegeven activa slechts afgeeft tegen ontvangst van een verklaring van de beleggingsinstelling, waaruit blijkt dat afgifte wordt verlangd in verband met de regelmatige uitoefening van de beheerfunctie;
d. de bewaarder volgens het recht van de staat waar de beheerder zijn zetel heeft, jegens de beleggingsinstelling en de deelnemers aansprakelijk is voor door hen geleden schade, voor zover de schade het gevolg is van verwijtbare niet-nakoming of gebrekkige nakoming van zijn verplichtingen, ook indien de bewaarder de bij hem in bewaring gegeven activa geheel of gedeeltelijk aan een derde heeft toevertrouwd;
e. indien bewijzen van rechten van deelneming worden afgegeven, deze bewijzen ook door de bewaarder worden ondertekend;
f. een voorstel door de beheerder van een beleggingsinstelling tot wijziging van de tussen de beleggingsinstelling en de deelnemers geldende voorwaarden tezamen met de bewaarder wordt gedaan;
g. indien de bewaarder van een beleggingsfonds te kennen geeft voornemens te zijn zijn functie neer te leggen, binnen een termijn van vier weken een vergadering van deelnemers wordt gehouden om in de benoeming van een nieuwe bewaarder te voorzien.
1.
Het minimumbedrag aan eigen vermogen, bedoeld in artikel 4:5, eerste lid, van de wet, bedraagt voor de beheerder van een beleggingsinstelling USD 279.000 en voor de bewaarder van een beleggingsinstelling USD 139.000.
2.
Het minimumbedrag aan eigen vermogen van een beheerder of bewaarder wordt gevormd door de waarde van de vermogensbestanddelen, bedoeld in artikel 4:5, tweede lid, onderdelen a tot en met g. Deze vermogensbestanddelen, alsmede de waarden die tegenover die vermogensbestanddelen staan, staan onmiddellijk en zonder beperkingen ter beschikking van de beleggingsinstelling. Artikel 4:5, vierde lid, is van overeenkomstige toepassing.
3.
Een bewaarder van een beleggingsinstelling stelt voldoende zekerheid met het oog op de aansprakelijkheid voor schade die voor de bewaarder kan voortvloeien uit brand, vervoer van geld en waardepapieren, fraude en beroving.
1.
Het prospectus, bedoeld in artikel 4:10, eerste lid, van de wet, bevat ten minste de bij regeling van Onze Minister bepaalde gegevens, die onder meer betrekking hebben op de beheerder en de bewaarder, alsmede op de voorwaarden, de beleggingsdoelstellingen en de beleggingsactiviteiten van de beleggingsinstelling.
2.
De Autoriteit Financiële Markten kan verlangen dat het prospectus in een of meer door haar te bepalen talen beschikbaar wordt gesteld, indien dit, gelet op de voorgenomen verspreiding van het prospectus, noodzakelijk is voor een adequate informatieverschaffing aan het publiek.
3.
Bij aanbod van haar rechten van deelneming buiten een besloten kring dan wel bij de schriftelijke aankondiging dat een aanbod buiten een besloten kring zal worden gedaan, stelt de beleggingsinstelling uiterlijk op de dag van uitgifte, van openstelling van deelneming of van de schriftelijke aankondiging van openstelling, een prospectus kosteloos algemeen verkrijgbaar. In iedere bekendmaking waarin deelnemingsrechten worden aangeboden, wordt vermeld waar het prospectus voor het publiek verkrijgbaar is.
1.
Tegelijkertijd met het prospectus, bedoeld in artikel 6:3, stelt een beleggingsinstelling de informatie, bedoeld in artikel 7:5, alsmede de volgende informatie algemeen verkrijgbaar:
a. de mededeling dat de waarde van de rechten van deelneming zowel kan stijgen als dalen en dat de deelnemers mogelijk minder terugkrijgen dan zij hebben ingelegd;
b. indien de beleggingsinstelling belegt met namens of voor rekening en risico van de deelnemers geleend geld:
1°. de risico’s die hieraan verbonden zijn;
2°. vermelding van een eventuele verplichting voor de deelnemers in de beleggingsinstelling om mogelijke tekorten van de beleggingsinstelling aan te zuiveren wanneer de verliezen de inleg overstijgen; en
3°. vermelding van de maximale omvang van de beleggingen die met geleend geld kunnen worden aangekocht in absolute waarde of als percentage van het beheerde vermogen.
c. indien de bestaansduur van de beleggingsinstelling dat mogelijk maakt: het in het verleden behaalde rendement van de beleggingsinstelling;
d. een beschrijving van de wijze waarop en de voorwaarden waaronder de opheffing en vereffening van de beleggingsinstelling plaatsvindt, in het bijzonder ten aanzien van de rechten van de deelnemers in de beleggingsinstelling.
2.
Voorts stelt de beleggingsinstelling de voorwaarden van de beleggingsinstelling algemeen verkrijgbaar voorafgaand aan het aanbieden van rechten van deelneming. Deze voorwaarden bevatten ten minste de gegevens genoemd in bijlage 2 .
1.
Voor de toepassing van artikel 4:23, eerste lid, aanhef en onderdeel b, van de wet wordt als significante deelneming aangemerkt:
a. een deelneming in een financiële onderneming waarvan het balanstotaal ten tijde van de verwerving, onderscheidenlijk de vergroting, meer bedraagt dan een procent van het geconsolideerde balanstotaal van de kredietinstelling;
b. een deelneming in een onderneming, niet zijnde een financiële onderneming, indien het bedrag dat wordt betaald voor de verwerving van die deelneming, onderscheidenlijk voor de vergroting van die deelneming, tezamen met de bedragen die voor die verwerving en voor eerdere vergrotingen van die deelnemingen zijn betaald, meer bedraagt dan een procent van het geconsolideerde aanwezige eigen vermogen van de kredietinstelling.
2.
Van het geheel of voor een belangrijk deel al dan niet middellijk overnemen van de activa en passiva van een andere onderneming of instelling in de zin van artikel 4:23, eerste lid, aanhef en onderdeel c, van de wet is sprake, indien het totaalbedrag van de over te nemen activa of over te nemen passiva meer bedraagt dan een procent van het geconsolideerde balanstotaal van de kredietinstelling.
Artikel 6:6. (bijkomende risico’s )
Het is een schadeverzekeraar met zetel in de openbare lichamen toegestaan in de uitoefening van zijn bedrijf, naast de risico’s die behoren tot de branche waarvoor de vergunning is verleend, tevens risico’s te verzekeren die behoren tot andere branches, indien deze risico’s naar het oordeel van de Nederlandsche Bank als bijkomende risico’s kunnen worden beschouwd, omdat zij:
a. samenhangen met het hoofdrisico dat behoort tot de branche waarvoor de vergunning is verleend;
b. betrekking hebben op het belang of gevaarsobject dat is verzekerd tegen het hoofdrisico; en
c. worden verzekerd bij dezelfde overeenkomst als het hoofdrisico.
1.
Een rechtsbijstandverzekeraar vertrouwt de werkzaamheden met betrekking tot de rechtsbijstandschaderegeling toe aan een juridisch zelfstandig schaderegelingkantoor en vermeldt dit kantoor in de overeenkomst inzake de rechtsbijstanddekking, of neemt in die overeenkomst op dat de verzekerde, zodra hij uit hoofde van de verzekering recht heeft op rechtsbijstand, de behartiging van zijn belangen mag toevertrouwen aan een advocaat of een andere rechtens bevoegde deskundige van zijn keuze.
2.
Onder rechtsbijstandverzekeraar wordt verstaan: een schadeverzekeraar die verzekeringen aanbiedt tot dekking van verleende diensten en gemaakte kosten in het bijzonder met het oog op verhaal van door een verzekerde geleden schade en diens verdediging of vertegenwoordiging, in of buiten rechte.
3.
De Autoriteit Financiële Markten kan, onder door haar te stellen voorwaarden, toestaan dat een rechtsbijstandverzekeraar, in afwijking van het eerste lid, de werkzaamheden met betrekking tot de rechtsbijstandschaderegeling toevertrouwt aan eigen personeelsleden, mits zijn bedrijfsvoering zo is ingericht dat belangenconflicten worden voorkomen.
4.
Bij regeling van Onze Minister kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot de inhoud van de overeenkomst inzake rechtsbijstanddekking.
1.
Een verzekeraar met zetel in het buitenland die door middel van het verrichten van diensten vanuit een vestiging in het buitenland in de openbare lichamen verzekeringen aanbiedt tot dekking van wettelijke aansprakelijkheid, voortvloeiend uit het gebruik van motorrijtuigen, stelt een schade-afhandelaar aan die belast is met het namens hem afwikkelen van vorderingen van benadeelden als bedoeld in artikel 1 van de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen BES.
2.
De schade-afhandelaar verricht zijn werkzaamheden vanuit een vestiging in de openbare lichamen en beschikt over voldoende bevoegdheden om de schadeverzekeraar zowel in als buiten rechte te vertegenwoordigen.
3.
Een verzekeraar als bedoeld in het eerste lid meldt een wijziging in de akte van aanstelling van de in dat lid bedoelde schade-afhandelaar binnen twee weken schriftelijk aan de Autoriteit Financiële Markten.
1.
Een bemiddelaar in verzekeringen heeft jegens de verzekeraar aanspraak op provisie over alle tot zijn portefeuille behorende verzekeringen.
2.
Intrekking van de vergunning van een bemiddelaar in verzekeringen laat onverlet zijn aanspraken op provisie ter zake van verzekeringen die op het tijdstip van de intrekking tot zijn portefeuille behoren of waarop op dat tijdstip artikel 4:43, tweede lid, van de wet, van toepassing is.
3.
Na een overboeking als bedoeld in artikel 4:43, tweede en derde lid, van de wet, blijft, in afwijking van het eerste lid, de aanspraak op provisies bestaan tot het einde van het lopende verzekeringsjaar, indien het een levensverzekering betreft. Indien het een schadeverzekering betreft, blijft de aanspraak bestaan tot de eerstvolgende vervaldatum van de verzekeringsovereenkomst of tot een eerder tijdstip waarop de verzekering door opzegging door de verzekeringnemer kan worden beëindigd, tenzij anders wordt overeengekomen.
1.
Overname van het premie-incasso door een verzekeraar van een bemiddelaar in verzekeringen als bedoeld in artikel 4:45, derde lid, van de wet, laat onverlet de aanspraak op provisie van die bemiddelaar, bedoeld in artikel 6:9, eerste lid.
2.
Onverminderd het eerste lid, is de verzekeraar na overname van het premie-incasso bevoegd om aan de bemiddelaar een billijke en objectief gegronde vergoeding voor het premie-incasso in rekening te brengen of om de aanspraak van de bemiddelaar op provisie af te kopen. Bij regeling van Onze Minister kunnen nadere regels worden gesteld over die vergoeding of afkoopsom.
Artikel 7:1. (informatieverstrekking door financiëledienstverlener)
De door een financiëledienstverlener te verstrekken informatie:
a. is accuraat en wijst niet op de mogelijke voordelen van een financieel product, zonder dat ook een correcte en duidelijke indicatie van de mogelijke risico’s wordt gegeven;
b. is toereikend en door de presentatie ervan te begrijpen voor het gemiddelde lid van de groep tot wie zij is gericht;
c. geeft belangrijke zaken, vermeldingen of waarschuwingen niet verhuld of afgezwakt weer.
Artikel 7:2. (schriftelijk te verstrekken informatie)
Een financiëledienstverlener verstrekt de ingevolge de artikelen 5:4 tot en met 5:6 van de wet en de artikelen 7:5 tot en met 7:14 van dit besluit te verstrekken informatie schriftelijk. De financiëledienstverlener kan de informatie via een andere duurzame drager verstrekken, indien de consument of cliënt daarmee instemt.
1.
Een financiëledienstverlener:
a. neemt in een reclame-uiting over krediet geen mededelingen op die gericht zijn op het gemak of de snelheid waarmee het krediet wordt verstrekt;
b. brengt in een reclame-uiting over krediet niet tot uiting dat lopende overeenkomsten inzake krediet bij de beoordeling van een kredietaanvraag geen of een ondergeschikte rol spelen.
2.
Bij regeling van Onze minister kan worden bepaald dat financiëledienstverleners in reclame-uitingen over krediet een waarschuwing opnemen met betrekking tot de gevolgen die aan het krediet zijn verbonden.
1.
Indien een financiëledienstverlener in een reclame-uiting over krediet melding maakt van enige gegevens betreffende de kosten van een krediet, verstrekt hij daarbij tevens informatie over:
a. het kredietbedrag;
b. de duur van de kredietovereenkomst;
c. de totale kosten van het krediet;
d. het totale door de consument te betalen bedrag;
e. het effectieve rentepercentage op jaarbasis;
f. indien het aangaan van een andere verplichting vereist is om het krediet op de in de reclame-uiting genoemde voorwaarden te verkrijgen: de verplichting daartoe en de kosten daarvan, of voor zover deze niet vooraf kunnen worden bepaald, een indicatie van die kosten;
g. andere kosten die deel uitmaken van de totale kosten van het krediet;
h. de maandlast.
2.
Een financiëledienstverlener geeft de informatie, bedoeld in het eerste lid, indien deze wordt verstrekt in een reclame-uiting over krediet, anders dan via de televisie of radio, gecombineerd weer in een tabel waarin geen andere informatie wordt opgenomen.
3.
Indien een financiëledienstverlener in een reclame-uiting over krediet reclame maakt voor met krediet aan te schaffen goederen of diensten, vermeldt zij daarbij het effectieve rentepercentage op jaarbasis en andere kosten die deel uitmaken van de totale kosten van het krediet.
4.
Indien een reclame-uiting betrekking heeft op een krediet met een effectief rentepercentage dat voor een beperkte duur geldt, wordt in die reclame-uiting tevens melding gemaakt van de periode gedurende welke het aangeboden effectieve rentepercentage geldt, alsmede van het hoogste effectieve rentepercentage gedurende de looptijd van de kredietovereenkomst.
5.
Indien een reclame-uiting een termijnlast bevat, wordt in de reclame-uiting de gewogen gemiddelde termijnlast die op het krediet van toepassing is, genoemd.
6.
De informatie, bedoeld in het eerste, derde, vierde en vijfde lid, heeft alleen betrekking op kredieten die representatief zijn voor de kredieten die feitelijk door de financiëledienstverlener worden verstrekt.
Artikel 7:5. (algemene precontractuele informatie)
Voordat een consument of cliënt een verplichting aangaat met betrekking tot een financieel product of een financiële dienst, verstrekt de financiëledienstverlener de consument of cliënt ten minste de informatie met betrekking tot:
a. zijn rechtsvorm;
b. zijn naam, adres en contactgegevens en, indien de financiëledienstverlener een rechtspersoon is, de statutaire naam en handelsnaam of handelsnamen;
c. de aard van de financiële dienstverlening;
d. zijn inschrijving in het door de toezichthouder gehouden register;
e. zijn interne klachtenprocedure als bedoeld in artikel 3:12, eerste lid, van de wet, en voor zover van toepassing, de erkende geschilleninstantie waarbij hij is aangesloten;
f. het recht dat op de verplichting van toepassing is of de door de financiëledienstverlener voorgestelde rechtskeuze;
g. de wijze waarop de verplichting kan worden beëindigd, de termijn die daarbij in acht moet worden genomen, de aan de beëindiging verbonden kosten en de overige gevolgen van beëindiging van de verplichting.
1.
Voorafgaande aan de totstandkoming van een overeenkomst inzake krediet verstrekt de kredietaanbieder een consument, onverminderd artikel 7:5, ten minste de volgende gegevens:
a. een globale omschrijving van de wijze waarop de kredietaanbieder invulling geeft aan de kredietwaardigheidstoets, bedoeld in artikel 5:14 van de wet;
b. het soort krediet;
c. het kredietbedrag;
d. de duur van de overeenkomst;
e. de totale kosten van het krediet;
f. het totale door de consument te betalen bedrag;
g. het effectieve rentepercentage op jaarbasis;
h. indien het aangaan van een andere verplichting vereist is om het krediet te verkrijgen: de aard en de kosten, of voor zover dit niet vooraf kan worden bepaald, een indicatie daarvan;
i. andere kosten die deel uitmaken van de totale kosten van het krediet;
j. de maandlast en, indien de afbetalingstermijnen niet maandelijks zijn, de termijnlast en het bijbehorende aantal termijnen;
k. indien de verplichting, bedoeld in onderdeel h, betrekking heeft op een financieel product of financiële dienst, niet zijnde een betaalrekening als bedoeld in artikel 5:16, eerste lid, onderdeel a, van de wet: de vermelding dat de consument het recht heeft te bepalen met welke wederpartij die andere verplichting zal worden aangegaan;
l. indien het effectieve rentepercentage voor beperkte duur geldt of indien een variabel effectief rentepercentage geldt: de periode gedurende welke dat rentepercentage geldt, alsmede de hoogte van de verschillende effectieve rentepercentages die van toepassing zijn op de overeenkomst, of indien dat nog niet kan worden vastgesteld, de wijze waarop de hoogte van het rentepercentage wordt bepaald;
m. het kredietvergoedingspercentage met een beschrijving van de hierin opgenomen kosten, het hoogst toegestane kredietvergoedingspercentage, bedoeld in artikel 5:15, eerste lid, van de wet, en de vermelding van de vernietigingsgrond, bedoeld in artikel 5:15, derde lid, van de wet;
n. de voorwaarden inzake de bevoegdheid van de consument tot volledige of gedeeltelijke vervroegde aflossing;
o. het percentage dat wordt toegepast ter berekening van de vertragingsvergoeding die verschuldigd wordt, indien de consument, na ingebrekestelling, nalatig blijft in zijn verplichting tot betaling, onder vermelding van de hoogst toegestane vertragingsvergoeding op grond van artikel 5:15, eerste lid, van de wet, alsmede de in voorkomend geval in rekening te brengen buitengerechtelijke incassokosten;
p. de wijze waarop de consument gebruik kan maken van zijn recht, bedoeld in artikel 5:17 van de wet, om de overeenkomst te ontbinden;
q. voor zover van toepassing de voorwaarden inzake ten behoeve van de kredietaanbieder te vestigen zekerheidsrechten.
2.
De informatie, bedoeld in het eerste lid, onderdelen b tot en met l, wordt op overzichtelijke wijze weergegeven in één document.
3.
De informatie, bedoeld in het eerste lid, wordt gebaseerd op de door de consument met betrekking tot het krediet kenbaar gemaakte voorkeur.
4.
De aanbieder verstrekt de consument, teneinde deze in staat te stellen te beoordelen of de voorgestelde overeenkomst inzake krediet aan zijn behoeften en financiële situatie beantwoordt, een passende toelichting op de informatie op de voornaamste kenmerken van het voorgestelde krediet, met inbegrip van de gevolgen indien de consument niet betaalt. In afwijking van artikel 7:2 kan deze toelichting mondeling worden verstrekt.
Artikel 7:7. (precontractuele informatie levensverzekering)
Voorafgaande aan de totstandkoming van een overeenkomst inzake een levensverzekering verstrekt een levensverzekeraar een cliënt, onverminderd artikel 7:5, ten minste de volgende informatie:
a. het bedrag van de uitkering of uitkeringen waartoe hij zich verplicht of, voorzover dit bedrag niet op voorhand nauwkeurig kan worden bepaald, een nauwkeurige omschrijving van die uitkering of uitkeringen, alsmede van de factoren waarvan de hoogte van de uitkering of uitkeringen afhankelijk is;
b. een omschrijving van de keuzemogelijkheden die de cliënt of de gerechtigde op een uitkering heeft ingevolge de overeenkomst;
c. een nauwkeurige omschrijving van de valuta waarin de premie of de uitkering is uitgedrukt, indien dat een andere valuta is dan de dollar, of van de units, eenheden of datgene waarin de premie of de uitkering anderszins is uitgedrukt, of, indien de uitkering strekt tot het verrichten van andere dan geldelijke prestaties, van die prestaties;
d. indien bij een uitkering omzetting plaatsvindt in dollars of een andere valuta: een nauwkeurige omschrijving van de omzettingsmethode;
e. indien de uitkering in waarden wordt uitgedrukt: de vermelding van de aard van de waarden, waaronder aandelen of andersoortige rechten van deelneming in een beleggingsinstelling;
f. indien de overeenkomst een recht op winstdeling omvat: de wijze van berekening en toewijzing van de winstdeling;
g. de looptijd van de overeenkomst;
h. de premie, verschuldigd voor de hoofddekking, en, indien de overeenkomst voorziet in een of meer nevenuitkeringen, de premies die voor elk van de nevenuitkeringen zijn verschuldigd, alsmede, indien deze premies gedurende de looptijd fluctueren, een zo nauwkeurig mogelijke beschrijving van de wijze waarop ze worden berekend en van de factoren waardoor het beloop ervan wordt bepaald;
i. een opgave of de premie eenmalig is verschuldigd dan wel periodiek;
j. de periode gedurende welke premie verschuldigd is;
k. de kosten die naast de brutopremie in rekening worden gebracht;
l. indien de uitkering wordt uitgedrukt in rechten van deelneming in een beleggingsinstelling:
1°. de kosten die worden ingehouden op de premie, bedoeld in onderdeel h, onderverdeeld naar eerste kosten, doorlopende kosten en aan- en verkoopkosten;
2°. de kosten die worden ingehouden op de waarde van de rechten van deelneming, onderverdeeld naar eerste kosten, doorlopende kosten en aan- en verkoopkosten;
3°. de kosten die de beheerder van de beleggingsinstelling jaarlijks in rekening brengt voor het beheer van de rechten van deelneming in die beleggingsinstelling;
4°. de invloed van het gemiddelde jaarlijkse percentage van de kosten, bedoeld onder 1°, 2° en 3°, op het rendement en de uitkering, verbonden aan de overeenkomst;
5°. de wijze waarop kosten als bedoeld onder 1°, 2° en 3°, worden verdeeld over de looptijd van de overeenkomst met de cliënt;
m. een omschrijving van de gevolgen van een verhoging of verlaging van de premie, met inbegrip van premievrijmaken, en, indien de overeenkomst in die mogelijkheid voorziet, van afkoop, en een opgave van de afkoopwaarde gedurende ten minste de eerste vijf jaren van de looptijd, onder vermelding van het voor de berekening gehanteerde rendementspercentage;
n. de wijze waarop de cliënt gebruik kan maken van zijn recht, bedoeld in artikel 5:18 van de wet, om de overeenkomst te ontbinden;
o. het aan de overeenkomst verbonden financiële risico en de mate waarin dit risico voor rekening is van de cliënt.
1.
Voorafgaande aan de totstandkoming van een overeenkomst inzake een natura-uitvaartverzekeringverstrekt een natura-uitvaartverzekeraar een cliënt, onverminderd artikel 7:5, de volgende informatie:
a. een omschrijving van de prestatie waartoe de natura-uitvaartverzekeraar zich verplicht;
b. een omschrijving van de keuzemogelijkheden die de cliënt of de verzekerde ingevolge de overeenkomst heeft;
c. een opgave of de premie eenmalig is verschuldigd dan wel periodiek;
d. de periode gedurende welke premie verschuldigd is;
e. een opgave van de indexering die wordt toegepast op de verzekerde prestatie of op de premie;
f. de overige mogelijkheden die de aanbieder heeft om de verzekerde prestatie of de premie aan te passen;
g. een opgave of indicatie van de afkoop- of premievrije waarde of een opgave van de wijze waarop deze waarden worden berekend;
h. de wijze waarop de cliënt gebruik kan maken van zijn recht, bedoeld in artikel 5:18 van de wet, om de overeenkomst te ontbinden;
i. een opgave van de uitvaartonderneming die de uitvaart zal verzorgen, dan wel van de wijze waarop wordt bepaald welke uitvaartonderneming de uitvaart zal verzorgen.
2.
Indien de termijn van beëindiging, bedoeld in artikel 7:5, eerste lid, onderdeel g, langer is dan een jaar, maakt de natura-uitvaartverzekeraar dit op een opvallende wijze uitdrukkelijk kenbaar aan de cliënt, bij gebreke waarvan een opzegtermijn van een jaar geldt ongeacht het in de overeenkomst bepaalde.
Artikel 7:9. (precontractuele informatie schadeverzekering branche motorrijtuigen)
Voorafgaande aan de totstandkoming van een verzekeringsovereenkomst tot dekking van wettelijke aansprakelijkheid, voortvloeiend uit het gebruik van motorrijtuigen, verstrekt een schadeverzekeraar met zetel in het buitenland die door middel van het verrichten van diensten vanuit een vestiging in het buitenland in de openbare lichamen zodanige verzekeringen aanbiedt, een cliënt, onverminderd artikel 7:5, de naam en het adres van de ingevolge artikel 6:8, eerste lid, door hem aangestelde schade-afhandelaar.
Artikel 7:10. (precontractuele informatie provisie bemiddelaar)
Indien een overeenkomst inzake een levensverzekering, niet zijnde een overlijdensrisicoverzekering, tot stand komt door tussenkomst van een bemiddelaar, informeert die bemiddelaar de cliënt tijdig voorafgaande aan de totstandkoming van de desbetreffende overeenkomst over de hoogte van de provisie die hij in verband met deze bemiddeling ontvangt.
1.
In afwijking van de artikelen 7:7, eerste lid, en 7:8, eerste lid, mag de in die artikelen bedoelde informatie ook onmiddellijk na de totstandkoming van de overeenkomst inzake een levensverzekering, onderscheidenlijk natura-uitvaartverzekering, worden verstrekt, of uiterlijk tegelijkertijd met het afgeven van de polis, indien de cliënt het recht heeft zonder een boete verschuldigd te zijn en zonder opgave van redenen de overeenkomst inzake binnen dertig kalenderdagen na de dag waarop hij de informatie heeft ontvangen, terugwerkend tot de datum van de totstandkoming van de overeenkomst, te ontbinden en de cliënt is geïnformeerd over de wijze waarop hij gebruik kan maken van dat recht.
2.
Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op de ingevolge artikel 7:5 voorafgaand aan een overeenkomst inzake een schadeverzekering te verstrekken informatie, met dien verstande dat de termijn van ontbinding in dat geval veertien kalenderdagen bedraagt en de ontbinding geen terugwerkende kracht heeft.
1.
Gedurende de looptijd van een overeenkomst inzake krediet met een variabel effectieve rentepercentage informeert de kredietaanbieder de consument over elke wijziging van de effectieve rentevoet, waarbij hij, voor zover van toepassing, de consument tevens informeert over gevolgen hiervan voor de termijnlast.
2.
Gedurende de looptijd van een overeenkomst inzake krediet verstrekt de kredietaanbieder de consument op diens verzoek een gespecificeerd overzicht van het uitstaand saldo. Hij kan daarbij een vergoeding in rekening brengen van ten hoogste het bedrag van de werkelijke kosten.
3.
Tot een jaar na de afwikkeling van een overeenkomst inzake krediet verstrekt de kredietaanbieder aan de consument op diens verzoek kosteloos een gespecificeerde afrekening.
1.
Gedurende de looptijd van een overeenkomst inzake een levensverzekering verstrekt een levensverzekeraar de cliënten minste de volgende informatie:
a. een wijziging van de polisvoorwaarden, voor zover redelijkerwijs relevant;
b. voor zover zulks niet blijkt uit de wijziging van de polisvoorwaarden, bedoeld in onderdeel a: iedere wijziging van de overeenkomst met betrekking tot de in de artikelen 7:5, eerste lid, onderdelen b en d, en 7:7, eerste lid, met uitzondering van onderdeel n, bedoelde onderwerpen of van de op die onderdelen van toepassing zijnde regelgeving;
c. de jaarlijkse winstdeling;
d. indien de uitkering wordt uitgedrukt in rechten van deelneming in een beleggingsinstelling: een jaarlijkse opgave over het voorafgaande jaar van:
1°. de waarde-ontwikkeling van het opgebouwde kapitaal;
2°. de door de cliënt betaalde premies als bedoeld in artikel 7:7, eerste lid, onderdeel h;
3°. met de cliënt verrekende kosten als bedoeld in artikel 7:7, eerste lid, onderdeel l, onder 1°, 2° en 3°;
4°. het op het opgebouwde kapitaal behaalde rendement;
e. indien de uitkering wordt uitgedrukt in rechten van deelneming in een beleggingsinstelling: een jaarlijkse prognose van de hoogte van het eindkapitaal op basis van een pessimistische voorspelling of het historisch rendement;
f. indien de uitkering wordt uitgedrukt in rechten van deelneming in een beleggingsinstelling: het gevoerde beheer van de beleggingsinstelling; en
g. indien de cliënt daarom verzoekt: een opgave van de premievrije waarde op de einddatum van de verzekering, onder vermelding van het voor de berekening gehanteerde rendementspercentage, of een opgave van de wegens afkoop verschuldigde kosten en de actuele afkoopwaarde.
2.
Indien de uitkering wordt uitgedrukt in rechten van deelneming in een beleggingsinstelling verstrekt de levensverzekeraar, onverminderd het eerste lid, aanhef en onderdeel g, aan de cliënt die verzoekt zijn premie te verhogen of te verlagen of zijn polis premievrij te maken, een aan de nieuwe premie aangepaste opgave overeenkomstig artikel 7:7, eerste lid, onderdeel l, onder 1°, 2° en 3°.
Artikel 7:14. (tussentijdse informatie natura-uitvaartverzekeringen)
Gedurende de looptijd van een overeenkomst inzake een natura-uitvaartverzekering verstrekt een natura-uitvaartverzekeraar de cliënt, ten minste de volgende informatie:
a. een wijziging van de polisvoorwaarden, voor zover redelijkerwijs relevant;
b. voorzover zulks niet blijkt uit de wijziging van de polisvoorwaarden, bedoeld in onderdeel a: iedere wijziging van de overeenkomst ten aanzien van de in de artikel 7:5, eerste lid, onderdelen b en d, en 7:8, met uitzondering van onderdeel h, bedoelde onderwerpen of van de op die onderdelen van toepassing zijnde regelgeving.
Artikel 7:15. (tussentijdse informatie schadeverzekeringen motorrijtuigen)
Een schadeverzekeraar met zetel in het buitenland die door middel van het verrichten van diensten vanuit een vestiging in het buitenland in de openbare lichamen verzekeringen aanbiedt tot dekking van wettelijke aansprakelijkheid, voortvloeiend uit het gebruik van motorrijtuigen, stelt de cliënt binnen twee weken in kennis van een wijziging in de naam of het adres van de ingevolge artikel 6:8, eerste lid, door hem aangestelde schade-afhandelaar.
1.
Een gevolmachtigde of ondergevolmachtigde agent die voor rekening van een verzekeraar een verzekering heeft gesloten, vermeldt in de polis dan wel in een daaraan toegevoegd aanhangsel de naam van de verzekeraar en, in geval van co-assurantie, het aandeel dat hij namens de verzekeraar heeft geaccepteerd. In geval van een schadeverzekering vermeldt hij tevens elke wijziging in het door hem namens de verzekeraar geaccepteerde aandeel in een aanhangsel.
2.
Wordt, nadat de gevolmachtigde of ondergevolmachtigde agent de verzekering heeft gesloten of, in geval van een schadeverzekering, het door de gevolmachtigde of ondergevolmachtigde agent geaccepteerde aandeel in de verzekering is gewijzigd, niet of niet onverwijld aan de cliënt een polis of aanhangsel gegeven, dan verstrekt de gevolmachtigde of ondergevolmachtigde agent de in het eerste lid bedoelde gegevens aan de cliënt binnen vier weken na het sluiten van de verzekering of na het aanbrengen van de wijziging. Behoort de verzekering tot de portefeuille van een bemiddelaar, dan verstrekt de gevolmachtigde of ondergevolmachtigde agent deze gegevens binnen twee weken aan deze bemiddelaar.
3.
Wordt, nadat een verzekering is gesloten of, in geval van een schadeverzekering, het door de verzekeraar geaccepteerde aandeel in de overeenkomst is gewijzigd, niet of niet onverwijld aan de cliënt een polis of aanhangsel afgegeven waarin de naam van de verzekeraar en, in geval van co-assurantie, diens aandeel of daarin aangebrachte wijziging is vermeld, dan verstrekt de bemiddelaar tot wiens portefeuille de verzekering behoort, deze gegevens binnen vier weken na het sluiten van de overeenkomst of na het aanbrengen van de wijziging aan de cliënt.
4.
Het tweede en derde lid zijn niet van toepassing, indien binnen de desbetreffende termijn de verzekering is tenietgegaan en daaraan door de cliënt of andere belanghebbenden geen rechten meer kunnen worden ontleend.
5.
De gevolmachtigde agent onderscheidenlijk ondergevolmachtigde agent of de betrokken bemiddelaar stelt de cliënt desgevraagd onverwijld in kennis van de naam van de verzekeraar en, in geval van co-assurantie, van de aandelen die de verzekeraars hebben geaccepteerd of van wijzigingen die daarin zijn aangebracht.
1.
Ter voorkoming van overkreditering houdt een kredietaanbieder bij het bepalen van het ten hoogste aan een consument te verstrekken kredietbedrag rekening met diens huidige vaste en bestendige netto-inkomsten enerzijds en diens vaste uitgaven en, in voorkomend geval, aan andere kredietovereenkomsten verbonden financieringslasten anderzijds.
2.
Een kredietaanbieder verstrekt aan een consument geen krediet, voor zover de aan dat krediet verbonden maandelijkse financieringlasten de maandelijkse financieringsruimte van de consument overschrijden.
3.
De maandelijkse financieringsruimte, bedoeld in het tweede lid, bedraagt:
a. indien de netto-inkomsten van de consument niet meer bedragen dan diens leefbedrag: 6% van het op hem van toepassing zijnde normbedrag;
b. indien de netto-inkomsten van de consument meer bedragen dan diens leefbedrag: de som van 6% van het op hem van toepassing zijnde normbedrag en een bedrag dat gelijk is aan [(netto-inkomsten – leefbedrag) 2 / netto-inkomsten].
4.
Indien de consument reeds andere kredietovereenkomsten is aangegaan, worden de op maandbasis aan die andere overeenkomsten verbonden financieringslasten in mindering gebracht op zijn ingevolge het derde lid berekende financieringsruimte.
5.
Het leefbedrag, bedoeld in het derde lid, wordt bepaald door het op de consument van toepassing zijnde normbedrag te verminderen met het bijbehorende bedrag aan forfaitaire woonlasten en te vermeerderen met de werkelijke woonlasten van de consument.
6.
Het normbedrag, bedoeld in het derde lid, wordt vastgesteld bij regeling van Onze minister en bestaat uit een forfaitair bedrag aan woonlasten en een forfaitair bedrag aan overige vaste lasten. Dit normbedrag kan verschillend worden vastgesteld voor de verschillende huishoudensamenstellingen, alsmede voor de verschillende openbare lichamen, en kan periodiek worden herzien.
7.
Een aanbieder kan in plaats van het leefbedrag de werkelijke vaste uitgaven van de consument en, indien van toepassing, van andere personen met wie de consument een duurzame gezamenlijke huishouding voert, gebruiken bij de berekening in het derde lid, voor zover de aanbieder voldoet aan artikel 7:19, tweede lid.
8.
De aanbieder verstrekt geen consumptief krediet met een looptijd van meer dan vijf jaren, tenzij de economische levensduur van het met het krediet aan te schaffen goed langer is dan vijf jaren.
1.
Bij de berekening van de netto-inkomsten van de aanvrager van een krediet mag rekening gehouden worden met de inkomsten van andere personen met wie de aanvrager een duurzame gezamenlijke huishouding voert.
2.
Bij de berekening van de financieringslasten van de aanvrager worden de financieringslasten van andere personen met wie de aanvrager een duurzame gezamenlijke huishouding voert, meegerekend.
1.
Een kredietaanbieder legt de criteria vast die hij, met inachtneming van artikel 7:17, ten grondslag legt aan de beoordeling van kredietaanvragen van consumenten.
2.
Een kredietaanbieder mag in individuele gevallen afwijken van de artikelen 7:17 en 7:18, mits aantoonbaar aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:
a. de overeenkomst inzake krediet is gelet op het risico van overkreditering verantwoord;
b. de aanbieder heeft de juistheid gecontroleerd van de feiten en omstandigheden waarop de afwijking is gebaseerd;
c. de aanbieder heeft vastgesteld dat het aannemelijk is dat aanleiding voor de afwijking een aanhoudende situatie betreft;
d. de afwijking wordt gemotiveerd en vastgelegd en met documenten onderbouwd, en het bevat een duidelijke berekening waaruit blijkt dat de afwijkende situatie getoetst is op het voorkomen van overkreditering.
1.
De hoogst toegelaten kredietvergoeding wordt uitgedrukt in een effectief percentage op jaarbasis aan totale kosten ten opzichte van het kredietbedrag. Dit percentage wordt bij regeling van Onze minister vastgesteld.
2.
Het kredietvergoedingspercentage dat van toepassing is op een overeenkomst inzake krediet wordt berekend als volgt:
waarin:
KVP j = kredietvergoedingspercentage per jaar;
k j = nominale kredietvergoedingspercentage per jaar.
3.
Het nominale kredietvergoedingspercentage per jaar wordt berekend door het nominale kredietvergoedingspercentage per maand te vermenigvuldigen met twaalf.
4.
Het nominale kredietvergoedingspercentage per maand wordt berekend als volgt:
waarin:
PMT = maandelijkse annuïteit;
KB = kredietbedrag;
n = het aantal maandelijkse termijnen;
k m = nominale kredietvergoedingspercentage per maand.
5.
De maandelijkse annuïteit wordt berekend als volgt:
waarin:
TB = totaalbedrag, zijnde het kredietbedrag plus alle kosten, niet zijnde rente, uitgedrukt in contante waarde op het moment van het aangaan van de overeenkomst inzake krediet;
i m = nominale rentepercentage per maand, gedeeld door honderd.
6.
Indien het totale door de consument te betalen bedrag wordt afgelost in andere termijnen dan maandelijkse termijnen, gaat de kredietaanbieder bij de berekening van het kredietvergoedingspercentage, bedoeld in het tweede lid, uit van de op het krediet van toepassing zijnde aflossingstermijnen.
7.
Indien de kosten, bedoeld in het eerste lid, enkel bestaat uit rente, is het kredietvergoedingspercentage gelijk aan het effectieve rentepercentage dat wordt berekend als volgt:
waarin:
r j = effectieve rentepercentage per jaar;
i j = nominale rentepercentage per jaar, gedeeld door honderd;
n = aantal termijnen per jaar.
8.
Indien het nominale rentepercentage niet constant is gedurende de looptijd van de kredietovereenkomst, gebruikt de kredietaanbieder het gewogen gemiddelde rentepercentage, of ingeval dat nog niet kan worden vastgesteld, het hoogste rentepercentage gedurende de looptijd van de overeenkomst.
Artikel 7:21. (maximale vertragingsvergoeding)
De ten hoogste toegelaten vertragingsvergoeding wordt bij regeling van Onze minister vastgesteld.
1.
De beloning van een assurantiebemiddelaar bestaat, behoudens artikel 7:23, tweede lid, uitsluitend uit provisie ter zake van het bemiddelen bij het afsluiten van verzekeringen, het bemiddelen bij het verlengen van verzekeringen of het incasseren van premies.
2.
De in het eerste lid bedoelde provisie staat in een redelijke verhouding tot de werkzaamheden die noodzakelijk zijn voor een adequate dienstverlening of die bijdragen aan de kwaliteit van de dienstverlening.
3.
Het tweede lid is van overeenkomstige toepassing op de provisie die een aanbieder van een financieel product, niet zijnde een verzekering, voor het bemiddelen of adviseren inzake dat financiële product verschaft.
1.
Het is een assurantiebemiddelaar verboden aan een verzekeringnemer dan wel aan hen te wier behoeve een verzekering is gesloten in geval van schade een afmakingscourtage in rekening te brengen.
2.
Van het verbod, bedoeld in het eerste lid, kan de Autoriteit Financiële Markten voor bij regeling van Onze Minister te bepalen vormen van verzekering ontheffing verlenen aan de assurantiebemiddelaar die ten genoegen van de Autoriteit Financiële Markten aantoont dat hij daartoe over het geschikte bedrijfsapparaat en expertise beschikt en de redelijkerwijs van hem te eisen inspanningen bij de schadeafwikkeling kan verrichten.
3.
De Autoriteit Financiële Markten kan de beoordeling van de kwaliteit van het bedrijfsapparaat, de expertise en de procedures voor de afwikkeling van schaden ten laste van de betreffende assurantiebemiddelaar door een deskundige derde laten doen.
4.
De afmakingscourtage die in rekening mag worden gebracht, bedraagt ten hoogste één procent van het aan de verzekerde uit te keren schadebedrag.
5.
De in het tweede lid bedoelde ontheffing geldt voor een periode van drie jaren en kan telkenmale met drie jaren worden verlengd.
1.
Het is verboden ter zake van een verzekering direct of indirect provisie, retourprovisie of enig ander op geld waardeerbaar voordeel toe te kennen, af te staan of te beloven aan anderen dan de assurantiebemiddelaar tot wiens portefeuille de verzekering behoort, onverminderd artikel 6:9, derde lid.
2.
De Autoriteit Financiële Markten kan, in aanvulling op artikel 1:12, eerste lid, ontheffing verlenen van het verbod, bedoeld in het eerste lid, indien het verbod strijdig is met algemeen erkende gebruiken of het algemeen belang van het verzekeringsbedrijf.
1.
Het prospectus, bedoeld in artikel 5:19, eerste lid, van de wet, bevat ten minste de bij regeling van Onze Minister te bepalen gegevens, waarbij onderscheid wordt gemaakt tussen de volgende categorieën effecten:
a. aandeelbewijzen, optiebewijzen, warrants, inschrijvingen in aandelenregisters, winst- en oprichtersbewijzen, rechten van deelgenootschap, en soortgelijke waardepapieren dan wel rechten;
b. schuldbrieven, inschrijvingen in schuldregisters, en soortgelijke waardepapieren dan wel rechten;
c. certificaten van aandelen en soortgelijke waardepapieren;
d. opties en soortgelijke rechten;
e. rechten op overdracht op termijn van goederen;
f. recepissen van waarden als hiervoor bedoeld.
2.
De Autoriteit Financiële Markten kan regels stellen met betrekking tot de indeling van het prospectus.
Artikel 8:2. (taal van het prospectus)
De Autoriteit Financiële Markten kan verlangen dat een prospectus als bedoeld in artikel 5:19, eerste lid, van de wet in een of meer door haar te bepalen talen wordt gesteld, indien dit, gelet op de voorgenomen of mogelijke verspreiding van het prospectus, naar haar oordeel noodzakelijk is voor een adequate informatieverschaffing aan de beleggers. Zij kan aanwijzingen geven ten aanzien van de wijze waarop het prospectus algemeen verkrijgbaar wordt gesteld.
1.
Alle belangrijke nieuwe feiten die zich voordoen of worden geconstateerd tussen het tijdstip van goedkeuring van een prospectus als bedoeld in artikel 5:19, eerste lid, van de wet en het tijdstip waarop de aanbieding van de effecten eindigt of de handel in de effecten aanvangt, en die van belang kunnen zijn voor de beoordeling van het vermogen, de financiële positie, het resultaat en de vooruitzichten van de uitgevende instelling en van de rechten en verplichtingen die aan de effecten zijn verbonden, alsmede materiële onvolledigheden, onnauwkeurigheden of onjuistheden in het prospectus, worden vermeld of gecorrigeerd in een document dat ter aanvulling van het prospectus algemeen verkrijgbaar wordt gesteld.
2.
Het in het eerste lid bedoelde document behoeft de goedkeuring van de Autoriteit Financiële Markten en wordt algemeen verkrijgbaar gesteld. Artikel 8:2 is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 8:4. (uitzonderingen verbod op gebruik voorwetenschap)
Artikel 5:25, eerste lid, van de wet is niet van toepassing op de volgende categorieën transacties:
a. transacties in het kader van het monetaire beleid, het valutabeleid of het beheer van de overheidsschuld;
b. het in het kader van een personeelsregeling aan personen als bedoeld in artikel 3:5, eerste lid, van de wet of aan werknemers toekennen van effecten, indien daarbij een bestendige gedragslijn wordt gehanteerd met betrekking tot de voorwaarden en de periodiciteit van de regeling;
c. het in het kader van een personeelsregeling als bedoeld in onderdeel b uitoefenen van toegekende opties dan wel soortgelijke rechten, op de expiratiedatum van het desbetreffende recht of binnen een periode van vijf werkdagen voorafgaande aan die datum, alsmede het verkopen van de met de uitoefening van deze rechten verworven effecten binnen deze periode, indien de rechthebbende in dit laatste geval ten minste vier maanden voor de expiratiedatum schriftelijk aan de uitgevende instelling kenbaar heeft gemaakt tot verkoop te zullen overgaan of een onherroepelijke volmacht tot verkoop aan de uitgevende instelling heeft verleend;
d. een transactie waarvan het verrichten of bewerkstelligen noodzakelijk is om te kunnen voldoen aan een verplichting tot levering van aandelen of certificaten van aandelen;
e. het bij wijze van dividenduitkering uitgeven of, anders dan in de vorm van keuzedividend, verkrijgen van aandelen of certificaten van aandelen;
f. het verkopen van in het kader van een personeelsregeling als bedoeld in onderdeel b toegekende effecten onmiddellijk nadat verkoop volgens de voorwaarden van de toekenning voor het eerst mogelijk wordt, waarbij de betrokkene de opbrengst van de verkoop onmiddellijk aanwendt ter voldoening van een uit de toekenning voortvloeiende belastingplicht.
1.
Artikel 5:27, eerste lid, van de wet is niet van toepassing op het verrichten of bewerkstelligen van transacties in het kader van het monetaire beleid, het valutabeleid of het beheer van de overheidsschuld. Op advies van de Autoriteit Financiële Markten kunnen bij regeling van Onze Minister andere transacties of handelsorders worden aangewezen waarop het verbod van artikel 5:27, eerste lid, van de wet niet van toepassing is.
2.
Artikel 5:27, tweede lid, is niet van toepassing op het verspreiden van informatie in het kader van het monetaire beleid, het valutabeleid of het beheer van de overheidsschuld.
a. vennootschappen waarvan op de erkende effectenbeurzen geen aandelen worden verhandeld die zonder toepassing van artikel 6:2 van de wet als stemgerechtigde aandelen zouden worden aangemerkt;
b. vennootschappen waarvan de statuten bepalen dat de aandeelhouder het recht heeft om, onder bij of krachtens de statuten vastgestelde voorwaarden, zijn aandelen in het kapitaal van de vennootschap te doen inkopen;
c. vennootschappen waarvan de belegging en het beheer van het vermogen contractueel is opgedragen aan een derde, mits zulks blijkt uit de statuten of bij de laatste emissie van aandelen aan de aandeelhouders en aan de inschrijvers op de emissie duidelijk kenbaar is gemaakt.
Artikel 9:1. (bestuurlijke boetecategorieën)
Voor de toepassing van dit hoofdstuk worden de hieronder opgenomen categorieën bestuurlijke boeten met daarbij behorende basisbedragen, minimumbedragen en maximumbedragen onderscheiden.
Boetecategorie Basisbedrag Minimumbedrag Maximumbedrag
Eerste categorie USD 500 USD 0 USD 2.000
Tweede categorie USD 5.000 USD 0 USD 10.000
Derde categorie USD 25.000 USD 0 USD 50.000
1.
Overtreding van een in bijlage 3 bij dit besluit genoemd voorschrift is beboetbaar met een bestuurlijke boete van de volgens die bijlage op overtreding van dat voorschrift van toepassing zijnde categorie.
2.
Het geen gevolg geven dan wel niet tijdig of onvolledig gevolg geven aan een krachtens artikel 7:12, eerste lid, van de wet gegeven aanwijzing is, indien de aanwijzing gegeven is ter zake van het niet voldoen aan een in bijlage 3 genoemd voorschrift, beboetbaar met een bestuurlijke boete van dezelfde categorie als waarmee dat voorschrift beboetbaar is.
3.
Indien een aanwijzing als bedoeld in het tweede lid is gegeven ter zake van een voorschrift, niet zijnde een in bijlage 3 genoemd voorschrift, is het geen gevolg dan wel niet tijdig of onvolledig gevolg geven aan die aanwijzing beboetbaar met een bestuurlijke boete van de eerste categorie.
4.
Het geen gevolg geven dan wel niet tijdig of onvolledig gevolg geven aan een krachtens artikel 7:12, tweede lid, of 7:13 van de wet gegeven aanwijzing is beboetbaar met een bestuurlijke boete van de tweede categorie.
1.
De toezichtautoriteit stelt een bestuurlijke boete vast op het basisbedrag, behorend bij de van toepassing zijnde categorie.
2.
De toezichtautoriteit verhoogt het basisbedrag van een in de eerste categorie op te leggen boete met ten hoogste 300 procent van dat bedrag, indien de ernst of de duur van de overtreding een dergelijke verhoging rechtvaardigt.
3.
De toezichtautoriteit verlaagt of verhoogt het basisbedrag van een in de tweede of derde categorie op te leggen boete:
a. met ten hoogste 50 procent van het basisbedrag, indien de ernst of de duur van de overtreding een dergelijke verlaging of verhoging rechtvaardigt;
b. met ten hoogste 50 procent van het basisbedrag, indien de mate van verwijtbaarheid van de overtreding een dergelijke verlaging of verhoging rechtvaardigt.
Artikel 9:4. (verdubbeling boete bij herhaalde overtreding)
Het door de toezichtautoriteit met toepassing van artikel 9:3 vast te stellen boetebedrag wordt verdubbeld, indien tijdens het plegen van de overtreding nog geen vijf jaren zijn verlopen sedert het opleggen van een bestuurlijke boete aan de overtreder ter zake van eenzelfde overtreding.
1.
De toezichtautoriteit houdt bij het vaststellen van een bestuurlijke boete rekening met de draagkracht van de overtreder.
2.
De toezichtautoriteit kan op grond van het eerste lid de op te leggen boete verlagen met ten hoogste 100 procent van het op grond van de artikelen 9:3 en 9:4 vastgestelde bedrag.
1.
Een herstelplan als bedoeld in artikel 8:3, eerste lid, van de wet vermeldt op welke wijze en binnen welke termijn een einde wordt gemaakt aan de omstandigheden die aanleiding gaven tot het verlangen van het herstelplan.
2.
Het herstelplan bevat voor de eerstvolgende drie boekjaren ten minste gegevens betreffende:
a. een raming van de kosten van beheer, met name van de algemene lopende kosten en de provisies;
b. een gedetailleerde prognose van de vermoedelijke ontvangsten en uitgaven betreffende directe verzekeringen, de geaccepteerde herverzekeringen en overdrachten uit hoofde van herverzekering;
c. de te verwachten balanspositie;
d. een raming van de financiële middelen ter dekking van de verplichtingen en van de vereiste solvabiliteitsmarge;
e. het algemene herverzekeringsbeleid.
3.
De Nederlandsche Bank kan aanvullende gegevens verlangen, indien dit nodig is voor een goede beoordeling van het herstelplan.
1.
Een saneringsplan als bedoeld in artikel 8:5, eerste lid, van de wet vermeldt op welke wijze en binnen welke termijn de solvabiliteitsmarge weer op de vereiste omvang zal worden gebracht. Indien ingevolge artikel 8:3, eerste lid, van de wet een herstelplan is vastgesteld waaraan instemming is verleend, vermeldt het saneringsplan tevens hoe het herstelplan daarin wordt verwerkt.
2.
Een financieringsplan als bedoeld in artikel 8:5, tweede lid, van de wet vermeldt op welke wijze en binnen welke termijn de solvabiliteitsmarge weer op de vereiste omvang zal worden gebracht. Indien ingevolge artikel 8:3, eerste lid, van de wet een saneringsplan is vastgesteld waaraan instemming is verleend, vermeldt het financieringsplan tevens hoe het saneringsplan daarin wordt verwerkt.
Artikel 11:1. (overgangsrecht in verband met Bazel II)
Een kredietinstelling met zetel in de openbare lichamen beschikt in afwijking van de bij of krachtens artikel 4:3 of 4:29 gestelde regels, tot 1 januari 2014 over voldoende solvabiliteit en liquiditeit, indien zij voldoet aan de artikelen 2.2 tot en met 2.5 van de Regeling financiële markten BES 2010, zoals deze regeling luidde onmiddellijk voorafgaand aan de inwerkingtreding van dit besluit.
Artikel 11:5. (inwerkingtreding)
Dit besluit treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen en onderdelen daarvan en voor de verschillende op grond van dit besluit te onderscheiden categorieën financiële ondernemingen verschillend kan worden vastgesteld.
Artikel 11:6. (citeertitel)
Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit financiële markten BES.
Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.
’s-Gravenhage, 22 mei 2012
De Minister van Financiën,
Uitgegeven de twaalfde juni 2012
De Minister van Veiligheid en Justitie,