Rechtenmedia.nl - Juridische Online Uitgeverij  Rechtennieuws.nl | Jure.nl | Maxius.nl | Parlis.nl | Rechtenforum.nl | JBmatch.nl | MijnWetten.nl | AdvocatenZoeken.nl | Rechtentotaal.nl
Besluit bevordering innovatieve ontwikkelingen stedelijke vernieuwing
Bwb-id:
Officiele titel:
Citeertitel:
Soort regeling:
Wetsfamilies:
Eerst verantwoordelijk ministerie:

Geldigheidsdatum:
Ingangsdatum:
Inhoudsopgave
+ Hoofdstuk 1. Begripsbepalingen
+ Hoofdstuk 2. Algemene bepalingen
+ Hoofdstuk 3. De verlening van de subsidie, bedoeld in artikel 3, onder a
+ Hoofdstuk 4. De verlening van de subsidie, bedoeld in artikel 3, onder b
+ Hoofdstuk 5. Aan de verlening van de subsidies verbonden verplichtingen
+ Hoofdstuk 6. Voorschotverlening
+ Hoofdstuk 7. Intrekking en wijziging van verleende subsidies en terugvordering van onverschuldigd betaalde voorschotten
+ Hoofdstuk 8. De verantwoording en de vaststelling en betaling van de subsidie
+ Hoofdstuk 9. Slotbepalingen
Vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature

Juridisch advies nodig?
Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag
Geschiedenis

Geschiedenis-overzicht
Jurisprudentie
Voorbeelden van het gebruik van deze artikel(en) in rechterlijke uitspraken
Let op. Deze wet is vervallen op 29 maart 2005. U leest nu de tekst die gold op 28 maart 2005.

Besluit bevordering innovatieve ontwikkelingen stedelijke vernieuwing

Besluit van 12 oktober 2001, houdende de vaststelling van regels ter bevordering van innovatieve ontwikkelingen in de stedelijke vernieuwing (Besluit bevordering innovatieve ontwikkelingen stedelijke vernieuwing)
Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Op de voordracht van de Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 8 mei 2001, nr. MJZ2001049336, Centrale Directie Juridische Zaken, Afdeling Wetgeving;
Gelet op artikel 19 van de Wet stedelijke vernieuwing;
De Raad van State gehoord (advies van 31 augustus 2001, nr. W08.01. 0226/V);
Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 9 oktober 2001, nr. MJZ2001109325, Centrale Directie Juridische Zaken, Afdeling Wetgeving;
Hebben goedgevonden en verstaan:
Artikel 1
In dit besluit wordt verstaan onder:
a. wet: Wet stedelijke vernieuwing ;
b. innovatief: gericht op het toepassen van nieuwe technologie, nieuwe producten, nieuwe instrumenten, nieuwe organisatievormen en -structuren, of nieuwe samenwerkingsvormen, binnen het kader van de stedelijke vernieuwing gericht op de fysieke leefomgeving;
c. prestatieveld: eis of groep van eisen aan het gemeentelijk ontwikkelingsprogramma, als bedoeld in enig lid van artikel 3 van het Besluit beleidskader stedelijke vernieuwing;
d. project: samenhangend stelsel van activiteiten waarvan innovatieve elementen een wezenlijk onderdeel uitmaken.
Artikel 2
Onze Minister kan subsidies verlenen ter tegemoetkoming in de kosten verbonden aan een project.
Artikel 3
Ingevolge dit besluit kunnen de volgende subsidies worden verleend:
a. een subsidie die bijdraagt in de noodzakelijke kosten van idee- en planvorming voor een project, en
b. een subsidie die bijdraagt in de noodzakelijke rechtstreeks aan de uitvoering van een project toe te rekenen kosten.
1.
De subsidie, bedoeld in artikel 3, onder a, bedraagt het bedrag van de kosten die worden veroorzaakt door de innovatieve elementen in het idee of plan voor een project tot een maximum bedrag van € 0,5 miljoen.
2.
De subsidie, bedoeld in artikel 3, onder b, bedraagt 20% van de noodzakelijke rechtstreeks aan de uitvoering van een project toe te rekenen kosten tot een maximum bedrag van € 5 miljoen, en met dien verstande dat de subsidie de kosten die worden veroorzaakt door de innovatieve elementen in een project niet overschrijdt.
1.
Het plafond voor de subsidie, bedoeld in artikel 3, onder a, bedraagt voor elk van de jaren 2001 tot en met 2004 € 3,4 miljoen.
2.
Het plafond voor de subsidie, bedoeld in artikel 3, onder b, bedraagt voor het jaar 2003 € 37,204 miljoen en voor het jaar 2004 € 33,309 miljoen.
Artikel 6
Projecten hebben betrekking op een of meer van de prestatievelden, bedoeld in artikel 3, zevende tot en met twaalfde lid, van het Besluit beleidskader stedelijke vernieuwing.
Artikel 7
Ingediende aanvragen voor een subsidie worden beoordeeld aan de hand van de volgende criteria:
a. de mate waarin een project een innovatieve waarde heeft;
b. de mate waarin een project mogelijkheden biedt voor ruime toepassing en navolging van de resultaten;
c. de mate waarin sprake is van aantoonbare zeggenschap van de burger bij de ontwikkeling en uitvoering van een project, en
d. de mate waarin een project aanwezige potenties benut en de problematiek van de buurt, wijk of stad op een samenhangende wijze benadert.
Artikel 9
Een subsidie als bedoeld in artikel 3 kan door Onze Minister worden geweigerd indien:
a. een project geen betrekking heeft op een van de in artikel 6 bedoelde prestatievelden;
b. een project in geen enkele mate voldoet aan een of meer van de in artikel 7, onder a, b, c, d en e, genoemde criteria;
c. met de uitvoering van een project is begonnen voordat Onze Minister de subsidie verleent;
d. naar het oordeel van Onze Minister:
1°. een project strijdig is met het rijksbeleid;
2°. een project waarvoor een aanvraag om een subsidie als bedoeld in artikel 3, onder b, is ingediend, strijdig is met het provinciaal beleid of
3°. een project waarvoor een aanvraag om een subsidie als bedoeld in artikel 3, onder b, is ingediend, strijdig is met het gemeentelijk ontwikkelingsprogramma, bedoeld in artikel 7, eerste lid, van de wet;
e. een zodanige subsidie naar het oordeel van Onze Minister niet doeltreffend of doelmatig is, of
f. aan de idee- en planvorming voor een project, wordt deelgenomen door één of meer winstbeogende partijen.
Artikel 20
De subsidie, bedoeld in artikel 3, onder a, wordt, voorzover van toepassing namens de partijen die samenwerken aan de idee- en planvorming voor een project, aangevraagd door een rechtspersoon zonder winstoogmerk.
Artikel 21
Een aanvraag als bedoeld in artikel 20 wordt ingericht overeenkomstig de bij dit besluit behorende bijlage I .
1.
Een aanvraag als bedoeld in artikel 20 voor het jaar 2001 wordt vóór 1 juni van dat jaar ingediend bij Onze Minister.
2.
Een aanvraag als bedoeld in artikel 20 voor de jaren 2002 tot en met 2004 wordt vóór 1 mei van elk van die jaren ingediend bij Onze Minister.
Artikel 27
Onze Minister verleent, met inachtneming van de criteria, genoemd in artikel 7, vóór 1 december van het jaar waarin de aanvraag, bedoeld in artikel 20, is ingediend, de subsidie, bedoeld in artikel 3, onder a, voorzover de beschikbare middelen dit toelaten. De beschikking tot verlening van de subsidie vermeldt het bedrag van de subsidie dan wel de wijze waarop het bedrag wordt bepaald.
1.
Indien een ontvanger van een subsidie als bedoeld in artikel 3, onder a, de idee- en planvorming voor een project, niet meer wenst uit te voeren, of anderszins niet meer in aanmerking kan komen voor een zodanige subsidie, kan Onze Minister de in artikel 27 bedoelde beschikking intrekken. Onze Minister kan vervolgens, de beschikbare middelen in aanmerking genomen, een subsidie verlenen aan een van de andere indieners van een aanvraag. Onze Minister kan daarbij afwijken van de termijn, genoemd in artikel 27.
2.
Aanvragen die niet ingevolge artikel 27 of ingevolge het eerste lid zijn gehonoreerd met een verlening van een subsidie, worden afgewezen vóór 1 februari van het jaar volgend op het jaar waarin de aanvraag, bedoeld in artikel 20, is ingediend.
Artikel 29
De subsidie, bedoeld in artikel 3, onder b, kan slechts worden aangevraagd door een gemeente, genoemd in artikel 2 van het Besluit aanwijzing rechtstreekse gemeenten en verdeelsleutel stedelijke vernieuwing.
Artikel 30
Een aanvraag als bedoeld in artikel 29 wordt ingericht overeenkomstig de bij dit besluit behorende bijlage I .
1.
Een aanvraag als bedoeld in artikel 29 voor het jaar 2001 wordt vóór 1 juni van dat jaar ingediend bij Onze Minister.
2.
Een aanvraag als bedoeld in artikel 29 voor de jaren 2002 tot en met 2004 wordt vóór 1 mei van elk van die jaren ingediend bij Onze Minister.
3.
Burgemeester en wethouders van de aanvragende gemeente zenden een aanvraag als bedoeld in artikel 29, met inachtneming van de in het eerste, onderscheidenlijk het tweede lid, genoemde indieningstermijnen, in afschrift aan de provincie waarbinnen die gemeente is gelegen.
4.
Gedeputeerde staten van de provincie, bedoeld in het derde lid, kunnen, voor de aanvang van de maand volgende op de maand, genoemd in het eerste, onderscheidenlijk het tweede lid, Onze Minister berichten omtrent de in artikel 9, onder d, ten tweede, bedoelde strijdigheid met het provinciaal beleid, de meerwaarde van de ingediende voorstellen in regionaal verband, de eventuele samenhang tussen verschillende ingediende projecten binnen die provincie en, voorzover van toepassing, de in artikel 9, onder d, ten derde, bedoelde strijdigheid met het gemeentelijk ontwikkelingsprogramma.
5.
Indien geen bericht als bedoeld in het vierde lid is uitgebracht, vormt Onze Minister zich op basis van de hem beschikbare informatie een oordeel over de aanvraag in relatie tot de in het vierde lid genoemde onderwerpen.
1.
Onze Minister kan de in artikel 29 bedoelde aanvragende gemeente, waarvan de aanvraag niet op grond van artikel 9 wordt afgewezen, om nadere informatie verzoeken omtrent de in de aanvraag opgenomen gegevens.
2.
Onze Minister beslist, gelet op artikel 7, over een voorlopige rangorde ten aanzien van de ingediende aanvragen.
3.
Onze Minister bepaalt, de rangorde, bedoeld in het tweede lid, in aanmerking genomen, welke aanvragende gemeenten door hem zullen worden verzocht het overeenkomstig de aanvraag ingediende project nader uit te werken.
4.
Onze Minister laat een verzoek als bedoeld in het derde lid vergezeld gaan van voorstellen met betrekking tot:
a. aanpassing van de in de aanvraag opgenomen gegevens of van het project waarop de aanvraag betrekking heeft, en
b. de wijze waarop het project nader kan worden uitgewerkt.
5.
Een verzoek als bedoeld in het derde lid wordt niet gedaan dan nadat de aanvragende gemeente in de gelegenheid is gesteld haar project toe te lichten.
1.
De ingevolge artikel 32, derde lid, nader uitgewerkte projecten worden, waar het aanvragen betreft als bedoeld in artikel 31, eerste lid, vóór 15 september 2001 ingediend bij Onze Minister.
2.
De ingevolge artikel 32, derde lid, nader uitgewerkte projecten worden, waar het aanvragen betreft als bedoeld in artikel 31, tweede lid, voor de jaren 2003 en 2004 vóór 1 september van elk van die jaren ingediend bij Onze Minister.
Artikel 34
Onze Minister beslist, gelet op artikel 7, alsmede gelet op de resultaten van zijn bemoeienissen ingevolge artikel 32, vierde lid, over een definitieve rangorde ten aanzien van de ingevolge artikel 33 ingediende projecten.
Artikel 35
Onze Minister verleent, waar het aanvragen betreft als bedoeld in artikel 31, tweede lid, vóór 1 december van elk van de jaren, genoemd in dat lid, gelet op de rangorde, bedoeld in artikel 34, en voorzover de beschikbare middelen een verlening van een subsidie voor de ingevolge artikel 33 ingediende projecten toelaten, de subsidie, bedoeld in artikel 3, onder b.
Artikel 36
De beschikking ingevolge artikel 35, of 38, tweede volzin, vermeldt in ieder geval de verplichtingen die aan de verlening van een subsidie als bedoeld in artikel 3, onder b, zijn verbonden.
Artikel 38
Indien een ontvanger van een subsidie als bedoeld in artikel 3, onder b, het project niet meer wenst uit te voeren, of anderszins niet meer in aanmerking kan komen voor een zodanige subsidie, kan Onze Minister de in artikel 36 bedoelde beschikking intrekken. Onze Minister kan vervolgens, gelet op de ingevolge artikel 34 vastgestelde rangorde en de beschikbare middelen in aanmerking genomen, een subsidie verlenen aan een van de andere indieners van een aanvraag. Onze Minister kan daarbij afwijken van de termijnen, genoemd in artikel 35.
Artikel 39
Aanvragen als bedoeld in artikel 29, die niet zijn gehonoreerd met de verlening van een subsidie, worden afgewezen vóór 1 februari van het jaar volgend op het jaar waarin die aanvraag is ingediend.
1.
Aan de verlening van de subsidies, bedoeld in artikel 3, kunnen verplichtingen worden verbonden.
2.
Aan de verlening van de subsidies, bedoeld in artikel 3, is in elk geval de verplichting verbonden dat:
a. de rechtspersoon aan wie de subsidie is verleend, gegevens over de voortgang van de idee- en planvorming voor een project dan wel gegevens over de voortgang van het project, aan Onze Minister zendt, zo vaak als Onze Minister dit verzoekt, en
b. de rechtspersoon aan wie de subsidie is verleend, zo spoedig mogelijk mededeling aan Onze Minister doet van nieuwe omstandigheden die van invloed kunnen zijn op de realisatie van de idee- en planvorming voor een project dan wel de realisatie van het project, en op de vaststelling van de subsidie, onder overlegging van de relevante stukken.
3.
Onverminderd artikel 42 kan Onze Minister, zolang de subsidie niet is vastgesteld, de verplichtingen, bedoeld in het eerste lid, wijzigen of aanvullen, indien uit gegevens over de voortgang of uit zich na de verlening van de subsidie voordoende omstandigheden blijkt dat de idee- en planvorming voor een project, dan wel een project, niet overeenkomstig de ten tijde van de verlening van de subsidie vigerende gegevens zal worden gerealiseerd.
Artikel 41
Onze Minister kan voorschotten verlenen op de verleende subsidies.
Artikel 42
Zolang de subsidie niet is vastgesteld, kan Onze Minister de verlening van de subsidie intrekken indien:
a. uit zich na de verlening van de subsidie voordoende omstandigheden blijkt dat een van de gronden, genoemd in artikel 9, onder a, b, d, e of f, van toepassing is, of
b. geen medewerking wordt verleend aan de controle, bedoeld in artikel 45, vijfde lid.
Artikel 43
Onverminderd artikel 42 kan Onze Minister, zolang de subsidie niet is vastgesteld, de verlening van de subsidie ten nadele van de rechtspersoon aan welke de subsidie is verleend wijzigen, indien uit gegevens over de voortgang of uit nieuwe omstandigheden blijkt, dat de idee- en planvorming voor een project dan wel een project, niet overeenkomstig de ten tijde van de verlening van de subsidie vigerende gegevens zal worden gerealiseerd.
Artikel 44
Bij een terugvordering als bedoeld in artikel 4:57 van de Algemene wet bestuursrecht kan worden bepaald dat over de onverschuldigd betaalde bedragen de wettelijke rente, bedoeld in artikel 120 van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek, verschuldigd is.
1.
Binnen zes maanden nadat de idee- en planvorming voor een project dan wel een project is voltooid, dient de rechtspersoon aan welke een subsidie is verleend bij Onze Minister een aanvraag in tot vaststelling van de verleende subsidie.
2.
De aanvraag tot vaststelling van de verleende subsidie gaat vergezeld van een verantwoordingsverslag.
3.
De aanvraag tot vaststelling van een op basis van artikel 3, onder b, verleende subsidie gaat, behoudens het in het tweede lid bedoelde verantwoordingsverslag, tevens vergezeld van een bestedingsverklaring.
4.
De aanvraag tot vaststelling van een op basis van artikel 3, onder a, verleende subsidie gaat, behoudens het in het tweede lid bedoelde verantwoordingsverslag, tevens vergezeld van:
a. een verslag over de besteding van de verleende voorschotten en
b. een verklaring van een accountant als bedoeld in artikel 393, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, indien de verleende subsidie een bedrag van € 50 000,– te boven gaat.
5.
Onze Minister kan een controle doen instellen op de ingevolge dit artikel verstrekte gegevens.
1.
De aanvraag tot vaststelling van de verleende subsidie wordt ingericht overeenkomstig de bij dit besluit behorende bijlage II .
2.
Het verantwoordingsverslag, bedoeld in artikel 45, tweede lid, wordt ingericht overeenkomstig de bij dit besluit behorende bijlage III .
3.
De bestedingsverklaring, bedoeld in artikel 45, derde lid, wordt ingericht overeenkomstig de bij dit besluit behorende bijlage IV .
4.
Het verslag over de besteding van de verleende voorschotten, bedoeld in artikel 45, vierde lid, onder a, wordt ingericht overeenkomstig de bij dit besluit behorende bijlage V .
5.
De accountantsverklaring, bedoeld in artikel 45, vierde lid, onder b, heeft betrekking op de juistheid van het verslag over de besteding van de verleende voorschotten en wordt opgesteld met inachtneming van de bij dit besluit behorende bijlage VI .
1.
Onze Minister stelt de subsidie vast binnen twaalf weken nadat de aanvraag tot vaststelling door hem is ontvangen. De subsidie wordt vastgesteld op het bedrag van de verleende subsidie, indien geen van de in artikel 4:48, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, of artikel 42, bedoelde omstandigheden zich voordoet en de ingevolge artikel 45 aan Onze Minister verstrekte gegevens daaraan niet in de weg staan.
2.
De vaststelling geeft aanspraak op betaling van het vastgestelde bedrag.
3.
De subsidie wordt overeenkomstig de vaststelling ervan betaald onder verrekening van de betaalde voorschotten.
1.
Indien de in artikel 45, eerste lid, bedoelde termijn is verstreken zonder dat een aanvraag tot vaststelling van de subsidie is ingediend, kan de subsidie ambtshalve worden vastgesteld.
2.
Onze Minister gaat niet over tot ambtshalve vaststelling dan nadat de rechtspersoon, die de in artikel 45, eerste lid, bedoelde termijn heeft overschreden, in de gelegenheid is gesteld alsnog een aanvraag tot vaststelling van de subsidie in te dienen binnen een door Onze Minister te bepalen termijn.
Artikel 49
De bij dit besluit behorende bijlagen kunnen bij ministeriële regeling worden gewijzigd.
Artikel 52
Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 januari 2001.
Artikel 53
Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit bevordering innovatieve ontwikkelingen stedelijke vernieuwing.
Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.
's-Gravenhage, 12 oktober 2001
De Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,
Uitgegeven drieëntwintigste oktober 2001
De Minister van Justitie,