Rechtenmedia.nl - Juridische Online Uitgeverij  Rechtennieuws.nl | Jure.nl | Maxius.nl | Parlis.nl | Rechtenforum.nl | JBmatch.nl | MijnWetten.nl | AdvocatenZoeken.nl | Rechtentotaal.nl
Besluit Beroep in Belastingzaken
Bwb-id:
Officiele titel:
Citeertitel:
Soort regeling:
Wetsfamilies:
Eerst verantwoordelijk ministerie:

Geldigheidsdatum:
Ingangsdatum:
Inhoudsopgave
1. Algemeen
1.1. Begripsbepalingen
1.2. Procesmachtigingen
1.3. Registratie beroepschriften en verweerschriften
1.3.1. Bewaking van de gevolgen van de procedure
2. Beroep bij de rechtbank
2.1. Rechtstreeks beroep
2.1.1. Instemming door de inspecteur
2.1.2. Doorzending van het bezwaarschrift
2.1.3. Afwijzen van het verzoek
2.2. Het verweerschrift
2.2.1. Indiening van het verweerschrift
2.2.2. Eenheid van beleid en uitvoering
2.2.3. Tegemoet komen aan de grieven van belanghebbende
2.2.4. Verzoek om verlenging van de termijn voor indiening
2.2.5. Inhoud van het verweerschrift en over te leggen stukken
2.3. De conclusie van dupliek
2.3.1. Indiening van een conclusie van dupliek
2.3.2. Verzoek om verlenging van de termijn voor indiening
2.3.3. Inhoud van de conclusie van dupliek
2.4. De mondelinge behandeling
2.4.1. Aanwezigheid ter zitting
2.4.2. Bijstand
2.4.3. Procesdeskundigen
2.4.4. Achterwege blijven van de mondelinge behandeling
2.5. Overige aspecten van het beroep
2.5.1. Beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit
2.5.2. Voorlopige voorziening
2.6. Na de uitspraak
2.6.1. Korte aantekening van de inhoud
2.6.2. Het instellen van hoger beroep
2.6.3. Sprongcassatie op voorstel van de inspecteur
2.6.4. Sprongcassatie op verzoek van belanghebbende
2.6.5. Collegiale toetsing
2.6.6. Indiening van een verzetschrift
2.6.7. Behandeling van de vermindering of vernietiging van het bestreden besluit
2.6.8. Publicatie van de (geanonimiseerde) uitspraak
3. Hoger beroep door de inspecteur
3.1. Het beroepschrift
3.1.1. Indiening van een beroepschrift
3.1.2. Het pro forma beroepschrift
3.1.3. Eenheid van beleid en uitvoering
3.1.4. Inhoud van het beroepschrift en over te leggen stukken
3.2. De conclusie van repliek
3.2.1. Indiening van een conclusie van repliek
3.2.2. Verzoek om verlenging van de termijn voor indiening
3.2.3. Inhoud van de conclusie van repliek
4. Hoger beroep door belanghebbende
4.1. Het verweerschrift
4.1.1. Indiening van het verweerschrift
4.1.2. Eenheid van beleid en uitvoering
4.1.3. Tegemoet komen aan de grieven van belanghebbende
4.1.4. Verzoek om verlenging van de termijn voor indiening
4.1.5. Inhoud van het verweerschrift en over te leggen stukken
4.2. Het instellen van incidenteel hoger beroep door de inspecteur
4.3. De conclusie van dupliek
4.3.1. Indiening van een conclusie van dupliek
4.3.2. Verzoek om verlenging van de termijn voor indiening
4.3.3. Inhoud van de conclusie van dupliek
4.4. De mondelinge behandeling
4.4.1. Aanwezigheid ter zitting
4.4.2. Bijstand
4.4.3. Procesdeskundigen
4.4.4. Achterwege blijven van de mondelinge behandeling
4.5. Voorlopige voorziening
4.6. Na de uitspraak
4.6.1. Korte aantekening van de inhoud
4.6.2. Cassatievoorstel
4.6.3. Indiening van een verzetschrift
4.6.4. Behandeling van de vermindering of vernietiging van het bestreden besluit
4.6.5. Publicatie van de (geanonimiseerde) uitspraak
5. Cassatieberoep bij de Hoge Raad
5.1. Cassatieberoep door de staatssecretaris
5.1.1. Indiening van een cassatievoorstel
5.1.2. De conclusie van repliek
5.2. Cassatieberoep door belanghebbende
5.2.1. Inzending van het advies door inspecteur
5.2.2. Inhoud van het advies
5.2.3. De conclusie van dupliek
5.3. De Conclusie van de Advocaat-generaal
5.4. Na de uitspraak
5.4.1. Toezending van de uitspraak
5.4.2. Uitvoering van de uitspraak
6. Overige bepalingen
6.1. Prejudiciële vragen
6.1.1. In te zenden stukken / overleg
6.2. Vergoeding van griffierecht en proceskosten
6.2.1. Griffierecht
6.2.2. Proceskosten
6.3. Verstrekken van inlichtingen
6.3.1. Mondelinge beantwoording van een verzoek om inlichtingen
6.3.2. Schriftelijke beantwoording van een verzoek om inlichtingen
6.4. Verwijzing en voeging
7. Citeertitel
8. Intrekking besluit
9. Inwerkingtreding
Vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature

Juridisch advies nodig?
Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag
Geschiedenis

Geschiedenis-overzicht
Jurisprudentie
Voorbeelden van het gebruik van deze artikel(en) in rechterlijke uitspraken
Let op. Deze wet is vervallen op 7 juli 2016. U leest nu de tekst die gold op 6 juli 2016.

Besluit Beroep in Belastingzaken

Besluit Beroep in Belastingzaken
De staatssecretaris van Financiën heeft het volgende besloten.
Dit besluit betreft een aanpassing van het Besluit Beroep in Belastingzaken 2005 (Besluit van 1 juni 2005, nr. CPP2005/1077M). Op een aantal punten is sprake van wijziging van het beleid: de bepaling inzake de toepassing van artikel 8:29 van de Awb is als gevolg van ontwikkelingen in de jurisprudentie komen te vervallen. Eerder werd uitgegaan van een beperkte uitleg van het begrip ‘op de zaak betrekking hebbende stukken’. Inmiddels is komen vast te staan dat aan dit begrip geen andere betekenis toekomt dan in het algemene bestuursrecht. Voorts zijn de bepalingen inzake het vragen van uitstel en de collegiale bijstand en toetsing aangescherpt en zijn voorwaarden gesteld aan de vertegenwoordiging van de inspecteur ter zitting.
In dit kader schrijft dit besluit voor dat in beginsel minimaal twee ambtenaren ter zitting aanwezig moeten zijn, waarvan er ten minste één over een ruime proceservaring beschikt. Toetsing van deze kwalificatie is voorbehouden aan de Belastingdienst.
1.1. Begripsbepalingen
Voor de uitvoering van dit besluit wordt verstaan onder:
a. inspecteur: de ambtenaar van de Belastingdienst aan wie een machtiging als bedoeld in § 1.2 van dit besluit is verleend;
b. griffier: de griffier van de bevoegde rechtbank, van het bevoegde gerechtshof of van de Hoge Raad;
c. B/CKC: Belastingdienst/Centrum voor kennis en communicatie;
d. DGBel: Ministerie van Financiën, Directoraat-Generaal Belastingdienst;
e. Awb: Algemene wet bestuursrecht ;
f. AWR: Algemene wet inzake rijksbelastingen ;
g. Uitspraak: een schriftelijke of (een proces verbaal van een) mondelinge uitspraak van rechtbank of gerechtshof of een schriftelijke uitspraak (arrest) van de Hoge Raad.
h. regionaal vaktechnisch coördinator: medewerker van de Belastingdienst die namens de directeur verantwoordelijk is voor de vaktechnische kwaliteit in een regio op het gebied van een specifiek belastingmiddel of proces, onder welke functiebenaming dan ook.
1. De inspecteur als bedoeld in artikel 2, derde lid, onderdeel b, van de AWR respectievelijk de ontvanger als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel i, van de Invorderingswet 1990 verleent aan onder zijn verantwoordelijkheid werkende ambtenaren van de Belastingdienst machtiging om hem te vertegenwoordigen in procedures voor rechtbanken en gerechtshoven.
2. Van de verleende machtigingen wordt een register bijgehouden. Dit register wordt ten minste éénmaal per jaar geactualiseerd.
3. Van het in het tweede lid bedoelde register wordt een afschrift toegezonden aan de griffiers van de gerechtshoven en de rechtbanken die belastingzaken behandelen.
4. Machtiging wordt slechts verleend aan medewerkers die naar het oordeel van de betrokken regionaal vaktechnisch coördinatoren over de benodigde vakinhoudelijke kennis en vaardigheden beschikken.
5. Gemachtigden worden geacht aan de in dit besluit gestelde eisen te voldoen.
1.3. Registratie beroepschriften en verweerschriften
De volgende gegevens worden door de Belastingdienst in een bestand geregistreerd:
Naam, adres en woonplaats van de belanghebbende en de gemachtigde;
Middel, jaar/tijdvak, heffings- of invorderingszaak en aanslagnummer;
Of er sprake is van rechtstreeks beroep;
Datum van binnenkomst van het (pro forma) beroepschrift en de conclusie van repliek bij de rechtbank of het gerechtshof en op het kantoor;
Datum van verzending van het verweerschrift/beroepschrift en de conclusie van dupliek/repliek;
Intrekking van het beroepschrift;
Motivering bij beslissing over het indienen van een afschrift van het beroep-/verweerschrift aan B/CKC;
Termijn van uitstel voor indiening van het verweerschrift en/of de conclusie van dupliek/repliek;
Termijn van uitstel voor motivering hoger beroep;
Datum van de zitting bij de rechtbank of het gerechtshof;
Datum van de uitspraak van de rechtbank of het gerechtshof;
Datum van ontvangst van het beroepschrift in cassatie van DGBel;
Datum van indiening van het advies/cassatievoorstel aan DGBel;
Datum van de uitspraak van de Hoge Raad;
Datum van verzending van het afschrift van de uitspraak aan B/CKC;
Resultaat en belang van de uitspraak van de rechtbank, het gerechtshof en de Hoge Raad.
1.3.1. Bewaking van de gevolgen van de procedure
De inspecteur draagt zorg voor de benodigde maatregelen om de gevolgen van een lopende procedure te bewaken in verband met:
de zuivering, en
het voorkomen van geautomatiseerd afdoen van latere jaren.
1. Indien er een bezwaarschrift wordt ontvangen met daarin een verzoek om rechtstreeks beroep te mogen instellen, stemt de inspecteur in met het overslaan van de bezwaarprocedure als hij de zaak geschikt acht voor rechtstreeks beroep.
2. Als hoofdregel geldt dat eerst de bezwaarprocedure wordt gevolgd.
3. De zaak is alleen dan geschikt voor rechtstreeks beroep als in de primaire fase reeds een zodanig uitputtende gedachtewisseling tussen inspecteur en belanghebbende heeft plaatsgevonden, dat de bezwaarprocedure daaraan weinig of niets meer kan toevoegen, terwijl tevens vaststaat dat het besluit nog altijd in geschil is. Hetzelfde geldt voor de situatie waarin een besluit nauw samenhangt met een besluit waartegen reeds beroep is ingesteld.
4. De zaak is in ieder geval niet geschikt voor rechtstreeks beroep als - in meerpartijengeschillen -niet alle indieners van een bezwaarschrift om het overslaan van de bezwaarprocedure hebben verzocht.
5. Op het verzoek wordt niet beslist door de medewerker die het bestreden besluit genomen heeft.
6. Alvorens op het verzoek wordt beslist, vindt een collegiale toetsing plaats door of namens de betrokken regionaal vaktechnisch coördinatoren.
2.1.2. Doorzending van het bezwaarschrift
Als de inspecteur instemt met het verzoek om rechtstreeks beroep te mogen instellen, zendt hij het bezwaarschrift, met daarop aangetekend de dagtekening van ontvangst, onverwijld door aan de bevoegde rechter.
2.1.3. Afwijzen van het verzoek
Indien de inspecteur de zaak niet geschikt acht voor rechtstreeks beroep wijst hij het verzoek af. De inspecteur neemt de afwijzing in de beslissing op het bezwaarschrift op. Behoudens in de gevallen waarin van horen wordt afgezien omdat het bezwaarschrift kennelijk niet-ontvankelijk of kennelijk ongegrond is deelt hij bovendien de beslissing uiterlijk tegelijkertijd met de uitnodiging voor de hoorzitting aan de verzoeker schriftelijk mede.
2.2.1. Indiening van het verweerschrift
Behoudens in de in § 2.2.3 lid 2, en § 2.2.4 bedoelde gevallen zendt de inspecteur binnen de door de rechtbank gestelde termijn van vier weken zijn verweerschrift overeenkomstig § 2.2.5 van dit besluit en alle andere op de zaak betrekking hebbende stukken aan de rechtbank.
2.2.2. Eenheid van beleid en uitvoering
Ter bevordering van de kwaliteit en de eenheid van beleid en uitvoering vindt op de inhoud van het verweerschrift een collegiale toetsing plaats door of namens de betrokken regionaal vaktechnisch coördinatoren. Daarbij wordt (nogmaals) beoordeeld of er sprake is van een rechtsvraag als bedoeld in het Besluit fiscaal bestuursrecht . Als het geschil een rechtsvraag blijkt te betreffen die ten onrechte nog niet aan de desbetreffende kennisgroep is voorgelegd, dan legt de inspecteur de rechtsvraag alsnog onverwijld voor aan die kennisgroep.
1. In het geval dat de inspecteur zich kan verenigen met de door belanghebbende opgeworpen bezwaren tracht hij met belanghebbende overeen te komen dat deze zijn beroepschrift intrekt onder voorwaarde dat het bestreden besluit ambtshalve verminderd of vernietigd zal worden. Indien belanghebbende hiertoe bereid is, neemt de inspecteur onverwijld maatregelen die leiden tot bedoelde ambtshalve vermindering of vernietiging en nodigt hij belanghebbende uit een schrijven aan de rechtbank te ondertekenen inhoudende dat hij zijn beroepschrift intrekt.
2. De inspecteur zendt dit schrijven zo spoedig mogelijk aan de rechtbank onder bijvoeging van een afschrift van de beslissing waarbij de ambtshalve vermindering of vernietiging van het besluit aan belanghebbende wordt medegedeeld. Hij dient in dit geval geen verweerschrift in.
3. Indien belanghebbende niet bereid is het beroepschrift onder de in lid 2 vermelde voorwaarde in te trekken deelt de inspecteur de rechtbank in zijn verweerschrift mee dat hij zich geheel met de door belanghebbende opgeworpen bezwaren kan verenigen.
4. Met betrekking tot de vergoeding van proceskosten in geval van intrekking van het beroepschrift omdat de inspecteur geheel of gedeeltelijk aan de grieven van de indiener is tegemoetgekomen, wordt gehandeld overeenkomstig artikel 8:75 Awb en het Besluit proceskosten bestuursrecht .
5. In gevallen waarin het beroepschrift wordt ingetrokken zonder dat aan de bezwaren van belanghebbende wordt tegemoetgekomen, kan de inspecteur het griffierecht vergoeden. Het griffierecht wordt in beginsel vergoed, tenzij er sprake is van kennelijk onredelijk gebruik van procesrecht door belanghebbende; hiervan kan onder meer sprake zijn bij (herhaald) lichtvaardig procederen.
2.2.4. Verzoek om verlenging van de termijn voor indiening
In gevallen waarin het niet mogelijk blijkt het verweerschrift in te dienen binnen de door de rechtbank gestelde termijn, kan de inspecteur de rechtbank schriftelijk verzoeken om verlenging van deze termijn. De inspecteur maakt van deze mogelijkheid slechts in uitzonderingsgevallen gebruik onder vermelding van de omstandigheden die het tijdig indienen van het verweerschrift verhinderen, en na toestemming van de betrokken regionaal vaktechnisch coördinator.
1. Het verweerschrift behoort een zelfstandige uiteenzetting te geven van de feiten en van de beschouwingen waartoe die feiten de inspecteur aanleiding geven, zodat ook zonder raadpleging van andere stukken de zienswijze van de inspecteur duidelijk en volledig tot uitdrukking komt.
2. In het verweerschrift dienen in ieder geval de volgende punten te worden behandeld:
a. de ontvankelijkheid van het beroep;
b. de feiten;
c. een beknopt overzicht van de geschilpunten;
d. een omschrijving van de in het beroepschrift vervatte grieven en de zienswijze van de inspecteur met betrekking tot deze grieven;
e. de feiten die de algemene bewijsregels opzij zetten en een bijzondere bewijsregeling (zoals omkering bewijslast) tot gevolg hebben en de motivering daarvan;
f. de gevraagde proceskostenvergoeding
g. de conclusie van de inspecteur.
3. Zo nodig worden subsidiaire verweren en subsidiaire conclusies in het verweerschrift opgenomen.
4. De overgelegde stukken worden in het verweerschrift vermeld. Tot de in artikel 8:42 Awb bedoelde over te leggen stukken behoren in ieder geval:
a. een gespecificeerde opgaaf van de gegevens van de aangifte indien deze is gedaan (bij procedures betreffende de erf- en schenkbelasting kan, indien de aangifte zeer omvangrijk is, worden volstaan met een uittreksel uit de aangifte betreffende de in geding zijnde onderdelen);
b. een kopie van de belastingaanslag dan wel van een ander bestreden besluit of een gespecificeerde opgaaf van de daaraan ten grondslag liggende gegevens. Bij procedures tegen een grote hoeveelheid identieke aanslagen kan worden volstaan met een voorbeeld;
c. een afschrift van het bezwaar- of verzoekschrift;
d. een afschrift van de uitspraak dan wel een afschrift van de kennisgeving waarin de beslissing op het bezwaar- of verzoekschrift wordt gemotiveerd (in de gevallen dat dit van toepassing is);
e. alle andere stukken die een rol gespeeld hebben in de besluitvorming van de inspecteur met betrekking tot het geschilpunt bij de totstandkoming van het bestreden besluit en de uitspraak op bezwaar.
5. Naar niet gepubliceerde uitspraken wordt slechts verwezen indien deze als bijlage worden overgelegd. Overlegging geschiedt met inachtneming van artikel 27g AWR.
2.3.1. Indiening van een conclusie van dupliek
Na ontvangst van het afschrift van de conclusie van repliek, dient de inspecteur, binnen de door de rechtbank vastgestelde termijn, een conclusie van dupliek in.
2.3.2. Verzoek om verlenging van de termijn voor indiening
In gevallen waarin het niet mogelijk blijkt de conclusie van dupliek in te dienen binnen de door de rechtbank gestelde termijn, kan de inspecteur schriftelijk om verlenging van deze termijn verzoeken. De inspecteur maakt van deze mogelijkheid slechts in uitzonderingsgevallen gebruik onder vermelding van de omstandigheden die het tijdig indienen van de conclusie van dupliek verhinderen, en na toestemming van de betrokken regionaal vaktechnisch coördinator.
2.3.3. Inhoud van de conclusie van dupliek
In de conclusie van dupliek worden in elk geval de in de conclusie van repliek naar voren gebrachte punten behandeld. Het is niet de bedoeling dat de conclusie van dupliek een doublure wordt van het verweerschrift. Zo nodig verwijst de inspecteur in de conclusie van dupliek naar bepaalde punten van het verweerschrift.
2.4.1. Aanwezigheid ter zitting
De inspecteur verschijnt altijd ter zitting wanneer hij een oproep voor de mondelinge behandeling van het beroepschrift heeft ontvangen. Dit geldt ook indien de oproep betrekking heeft op de behandeling van een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening.
2.4.2. Bijstand
De inspecteur laat zich op een zitting van de rechtbank door een andere ambtenaar van de Belastingdienst bijstaan. Zo mogelijk wordt bij indiening van het verweerschrift reeds gemeld door wie de inspecteur zich laat bijstaan.
Het bovenstaande vindt geen toepassing in verzetprocedures.
2.4.3. Procesdeskundigen
De regiodirecteur wijst op zijn kantoor ten hoogste vijf ambtenaren aan die naar zijn oordeel deskundig zijn op het gebied van procesvoering. Hij draagt er zorg voor dat ter zitting van de rechtbank altijd één van deze deskundigen aanwezig is, hetzij als gemachtigde, hetzij ter bijstand.
2.4.4. Achterwege blijven van de mondelinge behandeling
De inspecteur kan indien de rechtbank hem hierom verzoekt toestemming geven voor het achterwege laten van het onderzoek ter zitting. Hij geeft de toestemming alleen indien de feiten en omstandigheden met betrekking tot het geschil zelf niet in geschil zijn (er is sprake van een zuivere rechtsvraag) en een mondelinge behandeling geen toegevoegde waarde meer kan hebben.
2.5.1. Beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit
Indien het beroep is gericht tegen het niet tijdig doen van een uitspraak op een bezwaarschrift, blijft de inspecteur verplicht uitspraak te doen op het bezwaar. De rechtbank kan in dat geval bepalen dat Hoofdstuk VIII, afdeling 2, van de AWR gedurende een door de rechtbank te bepalen termijn van toepassing blijft. Zo nodig verzoekt de inspecteur hierom bij, of zo nodig voorafgaand aan, de indiening van zijn verweerschrift.
2.5.2. Voorlopige voorziening
Indien belanghebbende op grond van artikel 8:81 Awb de rechtbank heeft verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening, verstrekt de inspecteur binnen de door de rechtbank gestelde termijn de op de zaak betrekking hebbende stukken.
2.6.1. Korte aantekening van de inhoud
Na ontvangst van het afschrift van de uitspraak van de rechtbank wordt de inhoud daarvan in het kort vastgelegd in het in § 1.3 bedoelde bestand. Op de originele afschriften mag niet worden geschreven.
2.6.2. Het instellen van hoger beroep
Wanneer de inspecteur geheel of gedeeltelijk in het ongelijk is gesteld, beoordeelt hij of hij tegen de uitspraak hoger beroep in zal stellen. Bij de beslissing om al dan niet hoger beroep in te stellen vindt een collegiale toetsing plaats door of namens de betrokken regionaal vaktechnisch coördinatoren. Als het geschil een rechtsvraag betreft, dan overlegt de inspecteur voorafgaand aan het instellen van hoger beroep met de desbetreffende kennisgroep.
2.6.3. Sprongcassatie op voorstel van de inspecteur
Als de inspecteur meent dat er bij een uitspraak van de rechtbank sprake is van schending van het recht of dat er is verzuimd op straffe van nietigheid voorgeschreven vormen in acht te nemen, gaat hij na of de feiten door de rechtbank juist en volledig zijn vastgesteld. Als het niet meer nodig is om de feiten ter discussie te stellen, dan kan hij aan belanghebbende voorstellen om de procedure voor het gerechtshof over te slaan, onder voorbehoud van een akkoord van de staatssecretaris. Als belanghebbende akkoord gaat, dient de inspecteur een voorstel voor sprongcassatie in bij DGBel, team cassatie. Daartoe zendt hij het van de griffier ontvangen originele afschrift met een korte uiteenzetting van de gronden waarop zijn oordeel rust en onder overlegging van alle ter zake dienende bescheiden binnen tien dagen na de datum van ter post bezorging van het afschrift van de uitspraak aan DGBel, team cassatie. Hij doet daarbij mededeling van de datum waarop het afschrift van de uitspraak ter post is bezorgd.
Tot de als bijlagen over te leggen bescheiden behoren in ieder geval:
a. de aangifte (indien deze is gedaan). Bij procedures betreffende de erf- en schenkbelasting kan, indien de aangifte zeer omvangrijk is, worden volstaan met een uittreksel uit de aangifte betreffende de in geding zijnde onderdelen;
b. een kopie van de belastingaanslag dan wel van een ander bestreden besluit of een gespecificeerde opgaaf van de daaraan ten grondslag liggende gegevens. Bij procedures tegen een grote hoeveelheid identieke aanslagen kan worden volstaan met een voorbeeld-aanslag;
c. het bezwaar- of verzoekschrift;
d. een kopie van de uitspraak op bezwaar dan wel een kopie van de kennisgeving waarin de beslissing op het bezwaar- of verzoekschrift wordt gemotiveerd (in de gevallen dat dit van toepassing is);
e. alle andere stukken die een rol gespeeld hebben in de besluitvorming van de inspecteur met betrekking tot het geschilpunt bij de totstandkoming van het bestreden besluit en de uitspraak op bezwaar.
f. de processtukken van de procedure bij de rechtbank (beroepschrift, verweerschrift, conclusie van repliek, conclusie van dupliek, eventueel gevoerde correspondentie met de rechtbank, pleitnota’s en andere ter zitting overgelegde stukken, door de griffier opgesteld verslag van de zitting);
g. een eventueel (openbaar gedeelte van een) controlerapport;
h. de bijlagen bij voornoemde geschriften, voor zover in deze paragraaf nog niet genoemd.
De inspecteur kan indien daartoe de noodzaak aanwezig is kopieën in plaats van de originele bescheiden indienen.
De inspecteur deelt mee of de procedure is aangemeld bij B/CKC.
DGBel, team cassatie laat de inspecteur schriftelijk weten of zijn voorstel wordt gevolgd. Als DGBel, team cassatie met het voorstel van de inspecteur instemt, dan vraagt de inspecteur het formele akkoord van belanghebbende. Als DGBel, team cassatie niet met het voorstel van de inspecteur instemt, dan stelt de inspecteur hoger beroep in.
2.6.4. Sprongcassatie op verzoek van belanghebbende
Als belanghebbende verzoekt om sprongcassatie, dan bepaalt de inspecteur of hij vindt dat de rechtbank de feiten juist en volledig heeft vastgelegd. Als hier naar het oordeel van de inspecteur geen sprake van is, laat hij aan belanghebbende weten dat hij geen voorstel tot instemming met sprongcassatie zal doen. Alleen als het niet meer nodig is om de feiten ter discussie te stellen, dient de inspecteur een voorstel tot instemming in bij DGBel, team cassatie. Daartoe zendt hij het van de griffier ontvangen originele afschrift met een korte uiteenzetting van de gronden waarop zijn oordeel rust per omgaande aan DGBel, team cassatie. Hij doet daarbij mededeling van de datum waarop het afschrift van de uitspraak ter post is bezorgd.
DGBel, team cassatie laat belanghebbende schriftelijk weten of instemming wordt verleend, met afschrift aan de inspecteur.
2.6.5. Collegiale toetsing
Bij de beslissing om al dan niet sprongcassatie voor te stellen dan wel met een verzoek om sprongcassatie in te stemmen vindt een collegiale toetsing plaats door of namens de betrokken regionaal vaktechnisch coördinatoren. Als het geschil een rechtsvraag betreft, dan overlegt de inspecteur voorafgaand aan het voorstel tot sprongcassatie met de desbetreffende kennisgroep.
De inspecteur blijft verantwoordelijk voor de naleving van de in § 2.6.3 genoemde termijn.
1. Wanneer de inspecteur, in geval van vereenvoudigde behandeling van het beroep, van oordeel is dat een uitspraak onjuist is, dient hij een verzetschrift in bij de rechtbank. De inspecteur kan daarin verzoeken over zijn verzet te worden gehoord.
2. Het verzetschrift wordt ingediend binnen zes weken nadat de uitspraak aan partijen is verzonden.
3. Tegen een uitspraak op verzet is geen hoger beroep mogelijk, wel beroep in cassatie. Voor de behandeling hiervan wordt verwezen naar hoofdstuk 5.
1. Voor zover tegen een uitspraak hoger beroep of (sprong)cassatie wordt ingesteld, of de termijn daarvoor nog niet is verstreken, wordt die uitspraak nog niet uitgevoerd.
2. Onderdelen van de uitspraak die in de loop van hoger beroep of (sprong)cassatie nog aan de orde kunnen worden gesteld, worden nog niet uitgevoerd.
3. Indien zowel belanghebbende als de inspecteur zich bij de uitspraak neerlegt, draagt de inspecteur zorg voor de uitvoering van de uitspraak nadat deze onherroepelijk is geworden.
4. Voor zover uitvoering van de uitspraak leidt tot vergoeding van griffierecht en/of proceskosten wordt verwezen naar § 6.2.
2.6.8. Publicatie van de (geanonimiseerde) uitspraak
De inspecteur zendt een afschrift van de uitspraak aan B/CKC.
B/CKC draagt zorg voor verdere communicatie binnen de Belastingdienst met inachtneming van artikel 27g AWR.
3.1.1. Indiening van een beroepschrift
Als de inspecteur besluit hoger beroep in te stellen, dient hij binnen de in artikel 6:7 Awb daarvoor gestelde termijn van zes weken een beroepschrift overeenkomstig § 3.1.4 van dit besluit bij het gerechtshof in.
3.1.2. Het pro forma beroepschrift
In gevallen waarin het niet mogelijk blijkt een gemotiveerd beroepschrift in te dienen binnen de termijn van zes weken, gaat de inspecteur na toestemming van de betrokken regionaal vaktechnisch coördinator pro forma in hoger beroep en verzoekt hij het gerechtshof om een termijn te stellen voor het motiveren van het beroepschrift.
3.1.3. Eenheid van beleid en uitvoering
Ter bevordering van de kwaliteit en de eenheid van beleid en uitvoering vindt op de inhoud van het beroepschrift een collegiale toetsing door of namens de betrokken regionaal vaktechnisch coördinatoren plaats. Daarbij wordt (nogmaals) beoordeeld of er sprake is van een rechtsvraag als bedoeld in het Besluit fiscaal bestuursrecht . Als het geschil een rechtsvraag blijkt te betreffen die ten onrechte nog niet aan de desbetreffende kennisgroep is voorgelegd, dan legt de inspecteur de rechtsvraag alsnog onverwijld voor aan die kennisgroep
1. Het beroepschrift behoort een zelfstandige uiteenzetting te geven van de feiten en van de beschouwingen waartoe die feiten de inspecteur aanleiding geven, zodat ook zonder raadpleging van andere stukken de zienswijze van de inspecteur duidelijk en volledig tot uitdrukking komt.
2. In het beroepschrift dienen in ieder geval de volgende punten te worden behandeld:
a. de ontvankelijkheid van het beroep en/of het hoger beroep, als die in geschil is;
b. de feiten die nog in geschil zijn;
c. de beroepsgronden;
d. de zienswijze van de inspecteur met betrekking tot deze beroepsgronden;
e. de feiten die de algemene bewijsregels opzij zetten en een bijzondere bewijsregeling (zoals omkering bewijslast) tot gevolg hebben en de motivering daarvan;
f. de conclusie van de inspecteur.
3. Zo nodig worden subsidiaire standpunten en conclusies in het beroepschrift opgenomen.
4. De overgelegde stukken worden in het beroepschrift vermeld. Tot de in artikel 8:42 Awb bedoelde over te leggen stukken behoren in ieder geval de volgende stukken, voor zover deze niet reeds in de procedure voor de rechtbank zijn overgelegd:
a. een gespecificeerde opgaaf van de gegevens van de aangifte indien deze is gedaan (bij procedures betreffende de erf- en schenkbelasting kan, indien de aangifte zeer omvangrijk is, worden volstaan met een uittreksel uit de aangifte betreffende de in geding zijnde onderdelen);
b. een kopie van de belastingaanslag dan wel van een ander bestreden besluit of een gespecificeerde opgaaf van de daaraan ten grondslag liggende gegevens. Bij procedures over een grote hoeveelheid identieke aanslagen kan worden volstaan met een voorbeeld;
c. een afschrift van het bezwaar- of verzoekschrift;
d. een afschrift van de uitspraak dan wel een afschrift van de kennisgeving waarin de beslissing op het bezwaar- of verzoekschrift wordt gemotiveerd (in de gevallen dat dit van toepassing is);
e. een afschrift van de uitspraak van de rechtbank;
f. alle andere stukken die een rol gespeeld hebben in de besluitvorming van de inspecteur met betrekking tot het geschilpunt bij de totstandkoming van het bestreden besluit en de uitspraak op bezwaar.
Voorts wordt in een bijlage vermeld welke processtukken reeds tot het dossier behoren.
5. Naar niet gepubliceerde uitspraken wordt slechts verwezen indien deze als bijlage worden overgelegd. Overlegging geschiedt met inachtneming van artikel 27g AWR.
3.2.1. Indiening van een conclusie van repliek
Na daartoe door het gerechtshof in de gelegenheid te zijn gesteld, dient de inspecteur, binnen de door het gerechtshof vastgestelde termijn, een conclusie van repliek in.
3.2.2. Verzoek om verlenging van de termijn voor indiening
In gevallen waarin het niet mogelijk blijkt de conclusie van repliek in te dienen binnen de door het gerechtshof gestelde termijn, kan de inspecteur schriftelijk om verlenging van deze termijn verzoeken. De inspecteur maakt van deze mogelijkheid slechts in uitzonderingsgevallen gebruik onder vermelding van de omstandigheden die het tijdig indienen van de conclusie van repliek verhinderen, en na toestemming van de betrokken regionaal vaktechnisch coördinator.
3.2.3. Inhoud van de conclusie van repliek
In de conclusie van repliek worden in elk geval de in het verweerschrift naar voren gebrachte punten behandeld. Het is niet de bedoeling dat de conclusie van repliek een doublure wordt van het beroepschrift. Zo nodig verwijst de inspecteur in de conclusie van repliek naar bepaalde punten van het beroepschrift.
4.1.1. Indiening van het verweerschrift
Behoudens in de in § 4.1.3, lid 2, en § 4.1.4 bedoelde gevallen zendt de inspecteur binnen de door het gerechtshof gestelde termijn zijn verweerschrift overeenkomstig § 4.1.5 van dit besluit en alle andere op de zaak betrekking hebbende stukken aan het gerechtshof.
4.1.2. Eenheid van beleid en uitvoering
Ter bevordering van de kwaliteit en de eenheid van beleid en uitvoering vindt op de inhoud van het verweerschrift een collegiale toetsing door of namens de betrokken regionaal vaktechnisch coördinatoren plaats. Daarbij wordt nogmaals beoordeeld of er sprake is van een rechtsvraag als bedoeld in het Besluit fiscaal bestuursrecht . Als het geschil een rechtsvraag blijkt te betreffen die ten onrechte nog niet aan de desbetreffende kennisgroep is voorgelegd, dan legt de inspecteur de rechtsvraag alsnog onverwijld voor aan die kennisgroep.
1. In het geval dat de inspecteur zich kan verenigen met de door belanghebbende opgeworpen bezwaren tracht hij met belanghebbende overeen te komen dat deze zijn beroepschrift intrekt onder voorwaarde dat het bestreden besluit ambtshalve verminderd of vernietigd zal worden. Indien belanghebbende hiertoe bereid is, neemt de inspecteur onverwijld maatregelen die leiden tot bedoelde ambtshalve vermindering of vernietiging en nodigt hij belanghebbende uit een schrijven aan het gerechtshof te ondertekenen inhoudende dat hij zijn beroepschrift intrekt.
2. De inspecteur zendt dit schrijven zo spoedig mogelijk aan het gerechtshof onder bijvoeging van een afschrift van de beslissing waarbij de ambtshalve vermindering of vernietiging van het besluit aan belanghebbende wordt medegedeeld. . Hij dient in dit geval geen verweerschrift in.
3. Indien belanghebbende niet bereid is het beroepschrift onder de in lid 2 vermelde voorwaarde in te trekken deelt de inspecteur het gerechtshof in zijn verweerschrift mee dat hij zich geheel met de door belanghebbende opgeworpen bezwaren kan verenigen.
4. Met betrekking tot de vergoeding van proceskosten in geval van intrekking van het beroepschrift omdat de inspecteur geheel of gedeeltelijk aan de grieven van de indiener is tegemoetgekomen, wordt gehandeld overeenkomstig artikel 8:75 Awb en het Besluit proceskosten bestuursrecht .
5. In gevallen waarin het beroepschrift wordt ingetrokken zonder dat aan de bezwaren van belanghebbende wordt tegemoetgekomen, kan de inspecteur het griffierecht vergoeden. Het griffierecht wordt in beginsel vergoed, tenzij er sprake is van kennelijk onredelijk gebruik van procesrecht door belanghebbende; hiervan kan onder meer sprake zijn bij (herhaald) lichtvaardig procederen.
4.1.4. Verzoek om verlenging van de termijn voor indiening
In gevallen waarin het niet mogelijk blijkt het verweerschrift in te dienen binnen de door het gerechtshof gestelde termijn, kan de inspecteur het gerechtshof schriftelijk verzoeken om verlenging van deze termijn. De inspecteur maakt van deze mogelijkheid slechts in uitzonderingsgevallen gebruik onder vermelding van de omstandigheden die het tijdig indienen van het verweerschrift verhinderen, en na toestemming van de betrokken regionaal vaktechnisch coördinator.
1. Het verweerschrift behoort een zelfstandige uiteenzetting te geven van de feiten en van de beschouwingen waartoe die feiten de inspecteur aanleiding geven, zodat ook zonder raadpleging van andere stukken (zoals het verweerschrift en/of de bijlagen daarbij uit de procedure voor de rechtbank) de zienswijze van de inspecteur duidelijk en volledig tot uitdrukking komt.
2. In het verweerschrift dienen in ieder geval de volgende punten te worden behandeld:
a. de ontvankelijkheid van het beroep;
b. de feiten;
c. een beknopt overzicht van de geschilpunten;
d. een omschrijving van de in het beroepschrift vervatte grieven en de zienswijze van de inspecteur met betrekking tot deze grieven;
e. de feiten die de algemene bewijsregels opzij zetten en een bijzondere bewijsregeling (zoals omkering bewijslast) tot gevolg hebben en de motivering daarvan;
f. de gevraagde proceskostenvergoeding;
g. de conclusie van de inspecteur.
3. Zo nodig worden subsidiaire verweren en subsidiaire conclusies in het verweerschrift opgenomen.
4. De overgelegde stukken worden in het verweerschrift vermeld. Tot de in artikel 8:42 Awb bedoelde over te leggen stukken behoren in ieder geval de volgende stukken, voor zover deze niet reeds in de procedure voor de rechtbank zijn overgelegd:
a. een gespecificeerde opgaaf van de gegevens van de aangifte indien deze is gedaan (bij procedures betreffende de erf- en schenkbelasting kan, indien de aangifte zeer omvangrijk is, worden volstaan met een uittreksel uit de aangifte betreffende de in geding zijnde onderdelen);
b. een kopie van de belastingaanslag dan wel van een ander bestreden besluit of een gespecificeerde opgaaf van de daaraan ten grondslag liggende gegevens. Bij procedures tegen een grote hoeveelheid identieke aanslagen kan worden volstaan met een voorbeeld;
c. een afschrift van het bezwaar- of verzoekschrift;
d. een afschrift van de uitspraak dan wel een afschrift van de kennisgeving waarin de beslissing op het bezwaar- of verzoekschrift wordt gemotiveerd (in de gevallen dat dit van toepassing is);
e. e. een afschrift van de uitspraak van de rechtbank
f. alle andere stukken die een rol gespeeld hebben in de besluitvorming van de inspecteur met betrekking tot het geschilpunt bij de totstandkoming van het bestreden besluit en de uitspraak op bezwaar.
Voorts wordt in een bijlage vermeld welke processtukken reeds tot het dossier behoren.
5. Naar niet gepubliceerde uitspraken wordt slechts verwezen indien deze als bijlage worden overgelegd. Overlegging geschiedt met inachtneming van artikel 27g AWR.
4.2. Het instellen van incidenteel hoger beroep door de inspecteur
In het geval dat belanghebbende hoger beroep instelt tegen de beslissing van de rechtbank, kan de inspecteur in zijn verweerschrift aangeven dat hij incidenteel hoger beroep instelt. De inspecteur stelt incidenteel hoger beroep in als hij meent dat het geschil in hoger beroep meer moet omvatten dan de door belanghebbende omschreven geschilpunten.
Bij de beslissing om al dan niet incidenteel hoger beroep in te stellen vindt een collegiale toetsing plaats door de betrokken regionaal vaktechnisch coördinatoren. Als een geschilpunt een rechtsvraag betreft, dan overlegt de inspecteur voorafgaand aan het instellen van incidenteel hoger beroep met de desbetreffende kennisgroep.
4.3.1. Indiening van een conclusie van dupliek
Na ontvangst van het afschrift van de conclusie van repliek, dient de inspecteur, binnen de door het gerechtshof vastgestelde termijn, een conclusie van dupliek in.
4.3.2. Verzoek om verlenging van de termijn voor indiening
In gevallen waarin het niet mogelijk blijkt de conclusie van dupliek in te dienen binnen de door het gerechtshof gestelde termijn, kan de inspecteur schriftelijk om verlenging van deze termijn verzoeken. De inspecteur maakt van deze mogelijkheid slechts in uitzonderingsgevallen gebruik onder vermelding van de omstandigheden die het tijdig indienen van de conclusie van dupliek verhinderen, en na toestemming van de betrokken regionaal vaktechnisch coördinator.
4.3.3. Inhoud van de conclusie van dupliek
In de conclusie van dupliek worden in elk geval de in de conclusie van repliek naar voren gebrachte punten behandeld. Het is niet de bedoeling dat de conclusie van dupliek een doublure wordt van het verweerschrift. Zo nodig verwijst de inspecteur in de conclusie van dupliek naar bepaalde punten van het verweerschrift.
4.4.1. Aanwezigheid ter zitting
De inspecteur verschijnt altijd ter zitting wanneer hij een oproep voor de mondelinge behandeling van het beroepschrift heeft ontvangen. Dit geldt ook indien de oproep betrekking heeft op de behandeling van een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening.
4.4.2. Bijstand
De inspecteur laat zich op een zitting van het gerechtshof door een andere ambtenaar van de Belastingdienst bijstaan. Zo mogelijk wordt bij indiening van het verweerschrift reeds gemeld door wie de inspecteur zich laat bijstaan.
Het bovenstaande vindt geen toepassing in verzetprocedures.
4.4.3. Procesdeskundigen
De regiodirecteur wijst op zijn kantoor ten hoogste vijf ambtenaren aan die naar zijn oordeel deskundig zijn op het gebied van procesvoering. Hij draagt er zorg voor dat ter zitting van het gerechtshof altijd één van deze deskundigen aanwezig is, hetzij als gemachtigde, hetzij ter bijstand.
4.4.4. Achterwege blijven van de mondelinge behandeling
De inspecteur kan indien het gerechtshof hem hierom verzoekt toestemming geven voor het achterwege laten van het onderzoek ter zitting. Hij geeft de toestemming alleen indien de feiten en omstandigheden met betrekking tot het geschil zelf niet in geschil zijn (er is sprake van een zuivere rechtsvraag) en een mondelinge behandeling geen toegevoegde waarde meer kan hebben.
4.5. Voorlopige voorziening
Indien belanghebbende op grond van artikel 8:81 Awb het gerechtshof heeft verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening, verstrekt de inspecteur binnen de door het gerechtshof gestelde termijn de op de zaak betrekking hebbende stukken.
4.6.1. Korte aantekening van de inhoud
Na ontvangst van het afschrift van de uitspraak van het gerechtshof wordt de inhoud daarvan in het kort vastgelegd in het in § 1.3 bedoelde bestand. Op de originele afschriften mag niet worden geschreven.
4.6.2. Cassatievoorstel
Wanneer de inspecteur geheel of gedeeltelijk in het ongelijk is gesteld, beoordeelt hij of hij een cassatievoorstel in zal dienen. Bij de beslissing om al dan niet cassatieberoep voor te stellen vindt een collegiale toetsing plaats door of namens de betrokken regionaal vaktechnisch coördinatoren. Een cassatievoorstel dient te worden gedaan binnen tien dagen na de datum van ter post bezorging van het afschrift van de uitspraak. Voor de indiening wordt voorts verwezen naar § 5.1.1.
Als het geschil een rechtsvraag betreft, dan overlegt de inspecteur voorafgaand aan het instellen van hoger beroep met de desbetreffende kennisgroep. De inspecteur blijft ook dan verantwoordelijk voor de naleving van bovengenoemde termijn.
1. Wanneer de inspecteur, in geval van vereenvoudigde behandeling van het beroep, van oordeel is dat een uitspraak onjuist is, dient hij een verzetschrift in bij het gerechtshof. De inspecteur kan daarin verzoeken over zijn verzet te worden gehoord.
2. Het verzetschrift wordt ingediend binnen zes weken nadat de uitspraak aan partijen is verzonden.
1. Voor zover tegen een uitspraak cassatieberoep wordt ingesteld, of de termijn daarvoor nog niet is verstreken, wordt die uitspraak nog niet uitgevoerd.
2. Onderdelen van de uitspraak die in de loop van de cassatieprocedure nog aan de orde kunnen worden gesteld, worden nog niet uitgevoerd.
3. Indien zowel belanghebbende als de inspecteur zich bij de uitspraak neerlegt, draagt de inspecteur zorg voor de uitvoering van de uitspraak van het gerechtshof nadat deze onherroepelijk is geworden.
4. Voor zover uitvoering van de uitspraak leidt tot vergoeding van griffierecht en/of proceskosten wordt verwezen naar § 6.2.
5. Indien de inspecteur hoger beroep heeft ingesteld en de uitspraak van de rechtbank in stand blijft is de Staat griffierecht verschuldigd, zoals in de uitspraak vermeld.
4.6.5. Publicatie van de (geanonimiseerde) uitspraak
De inspecteur zendt een afschrift van de uitspraak aan B/CKC.
B/CKC draagt zorg voor verdere communicatie binnen de Belastingdienst met inachtneming van artikel 27g AWR.
1. Wanneer de inspecteur geheel of ten dele in het ongelijk is gesteld, beoordeelt hij of een hem bij afschrift meegedeelde uitspraak schending van het recht inhoudt, dan wel dat is verzuimd op straffe van nietigheid voorgeschreven vormen in acht te nemen. Hierbij kan onder meer worden gedacht aan:
a. een uitspraak die principieel onjuist wordt geacht;
b. een uitspraak die strijdig is met bestaande jurisprudentie van de Hoge Raad;
c. een uitspraak die strijdig is met opvattingen van bewindslieden van Financiën in de wetsgeschiedenis;
d. een uitspraak die strijdig is met in de beleidssfeer uitgedragen opvattingen.
Is naar zijn mening hiervan sprake, dan zendt hij het van de griffier ontvangen originele afschrift met een korte uiteenzetting van de gronden waarop zijn oordeel rust en onder overlegging van alle ter zake dienende bescheiden binnen tien dagen na de datum van ter post bezorging van het afschrift van de uitspraak aan DGBel, team cassatie. Hij doet daarbij mededeling van de datum waarop het afschrift van de uitspraak ter post is bezorgd. Ook uitspraken waarbij de praktijk om meer duidelijkheid vraagt dan de rechtbank of het gerechtshof voor soortgelijke gevallen heeft gegeven en uitspraken waarbij ter wille van de eenheid van recht de behoefte bestaat een beslissing in hoogste ressort te verkrijgen, kunnen worden ingezonden. Uitspraken die principieel juist worden geacht, feitelijk van aard zijn en niet onbegrijpelijk, dan wel de voor cassatie benodigde feitelijke grondslag missen, komen in beginsel niet voor cassatieberoep in aanmerking.
Bij de beslissing om al dan niet een cassatievoorstel in te dienen vindt een collegiale toetsing plaats door of namens de betrokken regionaal vaktechnisch coördinatoren. Als het geschil een rechtsvraag betreft, dan overlegt de inspecteur voorafgaand aan het indienen van een cassatievoorstel met de desbetreffende kennisgroep. De inspecteur blijft daarbij verantwoordelijk voor de naleving van de hierboven genoemde termijn.
2. Tot de als bijlagen over te leggen bescheiden behoren in ieder geval:
a. de aangifte (indien deze is gedaan). Bij procedures betreffende de erf- en schenkbelasting kan, indien de aangifte zeer omvangrijk is, worden volstaan met een uittreksel uit de aangifte betreffende de in geding zijnde onderdelen;
b. een kopie van de belastingaanslag dan wel van een ander bestreden besluit of een gespecificeerde opgaaf van de daaraan ten grondslag liggende gegevens. Bij procedures tegen een grote hoeveelheid identieke aanslagen kan worden volstaan met een voorbeeld-aanslag;
c. het bezwaar- of verzoekschrift;
d. een kopie van de uitspraak op bezwaar dan wel een kopie van de kennisgeving waarin de beslissing op het bezwaar- of verzoekschrift wordt gemotiveerd (in de gevallen dat dit van toepassing is);
e. alle andere stukken die een rol gespeeld hebben in de besluitvorming van de inspecteur met betrekking tot het geschilpunt bij de totstandkoming van het bestreden besluit en de uitspraak op bezwaar.
f. de processtukken van de procedure bij de rechtbank (beroepschrift, verweerschrift, conclusie van repliek, conclusie van dupliek, eventueel gevoerde correspondentie met de rechtbank, pleitnota’s en andere ter zitting overgelegde stukken, door de griffier opgesteld verslag van de zitting);
g. het originele afschrift van de uitspraak van de rechtbank;
h. de processtukken van de procedure bij het gerechtshof (beroepschrift, verweerschrift, conclusie van repliek, conclusie van dupliek, eventueel gevoerde correspondentie met de rechtbank, pleitnota’s en andere ter zitting overgelegde stukken, door de griffier opgesteld verslag van de zitting, proces- verbaal van de mondelinge uitspraak);
i. (in geval van vereenvoudigde behandeling van het beroep): het originele afschrift van de uitspraak van het gerechtshof, het verzetschrift en de uitspraak op het verzetschrift;
j. (ingeval het beroep zich richtte tegen het niet tijdig nemen van een besluit): een afschrift van het besluit en de gevoerde correspondentie;
k. een eventueel (openbaar gedeelte van een) controlerapport;
l. de bijlagen bij voornoemde geschriften, voor zover in deze paragraaf nog niet genoemd.
De inspecteur kan indien daartoe de noodzaak aanwezig is kopieën in plaats van de originele bescheiden inzenden.
3. De inspecteur deelt mee of de procedure is aangemeld bij B/CKC.
4. Indien de inspecteur afziet van een cassatievoorstel wordt de bijbehorende motivering vastgelegd in het bestand als bedoeld in § 1.3.
1. Op het verweerschrift van belanghebbende kan de staatssecretaris reageren met een conclusie van repliek. Hiertoe kunnen de processtukken die bij het cassatievoorstel waren gevoegd worden achtergehouden.
2. Als de conclusie door de staatssecretaris is ingediend, zendt DGBel, team cassatie de processtukken terug aan de inspecteur. Indien de inspecteur de processtukken eerder nodig heeft, kan hij deze opvragen bij DGBel, team cassatie.
1. Beroepschriften in cassatie door belanghebbenden ingediend, welke door DGBel, team cassatie om advies aan de inspecteur zijn toegezonden, dienen onverwijld en in ieder geval binnen de door DGBel, team cassatie gestelde termijn te worden behandeld.
2. De inspecteur zendt na ontvangst van het verzoek om bericht en raad zijn advies onder overlegging van alle ter zake dienende bescheiden, waaronder in ieder geval het van de griffier ontvangen originele afschrift van de uitspraak van het gerechtshof én de overige stukken, rechtstreeks aan DGBel, team cassatie. De inspecteur deelt daarbij tevens mee of de procedure is aangemeld bij B/CKC. Op het terug te zenden beroepschrift in cassatie van belanghebbende worden geen aantekeningen geplaatst.
Tot de als bijlagen over te leggen bescheiden behoren in ieder geval:
a. de aangifte (indien deze is gedaan). Bij procedures betreffende de erf- en schenkbelasting kan, indien de aangifte zeer omvangrijk is, worden volstaan met een uittreksel uit de aangifte betreffende de in geding zijnde onderdelen;
b. een kopie van de belastingaanslag dan wel van een ander bestreden besluit of een gespecificeerde opgaaf van de daaraan ten grondslag liggende gegevens. Bij procedures tegen een grote hoeveelheid identieke aanslagen kan worden volstaan met een voorbeeld-aanslag;
c. het bezwaar- of verzoekschrift;
d. een kopie van de uitspraak op bezwaar dan wel een kopie van de kennisgeving waarin de beslissing op het bezwaar- of verzoekschrift wordt gemotiveerd (in de gevallen dat dit van toepassing is);
e. alle andere stukken die een rol gespeeld hebben in de besluitvorming van de inspecteur met betrekking tot het geschilpunt bij de totstandkoming van het bestreden besluit en de uitspraak op bezwaar.
f. de processtukken van de procedure bij de rechtbank (beroepschrift, verweerschrift, conclusie van repliek, conclusie van dupliek, eventueel gevoerde correspondentie met de rechtbank, pleitnota’s en andere ter zitting overgelegde stukken, door de griffier opgesteld verslag van de zitting);
g. het originele afschrift van de uitspraak van de rechtbank;
h. de processtukken van de procedure bij het gerechtshof (beroepschrift, verweerschrift, conclusie van repliek, conclusie van dupliek, eventueel gevoerde correspondentie met de rechtbank, pleitnota’s en andere ter zitting overgelegde stukken, door de griffier opgesteld verslag van de zitting, proces- verbaal van de mondelinge uitspraak);
i. (in geval van vereenvoudigde behandeling van het beroep): het originele van de uitspraak van het gerechtshof, het verzetschrift en de uitspraak op het verzetschrift;
j. (ingeval het beroep zich richtte tegen het niet tijdig nemen van een besluit): een afschrift van het besluit en de gevoerde correspondentie;
k. een eventueel (openbaar gedeelte van een) controlerapport;
l. de bijlagen bij voornoemde geschriften, voor zover in deze paragraaf nog niet genoemd.
De inspecteur kan indien daartoe de noodzaak aanwezig is kopieën in plaats van de originele bescheiden inzenden
1. Naar aanleiding van een om advies gezonden beroepschrift in cassatie behoeven geen uitvoerige rapporten te worden uitgebracht. Wél dient een korte reactie op de cassatiemiddelen te worden gegeven, vergezeld van een signalering van eventuele feitelijke onjuistheden, onder verwijzing naar het/de desbetreffende stuk(ken). De inspecteur kan aangeven of overwogen moet worden dat incidenteel beroep in cassatie moet worden ingesteld, omdat het geschil naar zijn mening meer moet omvatten dan de door belanghebbende aangevoerde geschilpunten. De staatssecretaris kan dan eventueel incidenteel beroep in cassatie instellen.
2. Indien eenmaal beroep in cassatie is ingesteld, kan niet zonder overleg met DGBel, team cassatie alsnog een compromis worden gesloten als gevolg waarvan het beroep in cassatie zou moeten worden ingetrokken.
1. Belanghebbende kan op het verweerschrift in cassatie reageren met een conclusie van repliek, waarop de staatssecretaris kan reageren met een conclusie van dupliek. In verband hiermee kunnen de door de inspecteur ingezonden processtukken door DGBel, team cassatie na het indienen van het verweerschrift in cassatie worden achtergehouden.
2. Indien geen conclusie meer volgt, zendt DGBel, team cassatie de processtukken terug aan de inspecteur. Indien de inspecteur daaraan voorafgaande behoefte heeft aan de processtukken, kan hij deze opvragen bij DGBel, team cassatie.
5.3. De Conclusie van de Advocaat-generaal
DGBel, team cassatie, zendt een afschrift van een ontvangen conclusie van de Advocaat-generaal en een afschrift van de reactie hierop aan de inspecteur en aan B/CKC.
1. DGBel, team cassatie zendt het afschrift van de uitspraak direct na ontvangst aan de inspecteur. Indien de procedure was aangemeld bij B/CKC, zorgt DGBel, team cassatie voor toezending van de uitspraak.
2. Na ontvangst van het door DGBel, team cassatie toegezonden afschrift van de uitspraak van de Hoge Raad, wordt de inhoud van de uitspraak in het kort vastgelegd in het in § 1.3 bedoelde bestand.
1. De inspecteur draagt ten spoedigste zorg voor de uitvoering van de uitspraak van de Hoge Raad of de door de Hoge Raad bekrachtigde uitspraak van de rechtbank of het gerechtshof, voor zover dit niet reeds eerder is gebeurd.
2. Voor vergoeding van griffierecht en proceskosten wordt verwezen naar § 6.2.
6.1.1. In te zenden stukken / overleg
De inspecteur zendt na ontvangst van een uitspraak, waarin de rechtbank of het gerechtshof prejudiciële vragen stelt aan het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen, onverwijld het originele afschrift van deze uitspraak en de overige stukken aan DGBel, team cassatie.
Tot de als bijlagen over te leggen bescheiden behoren in ieder geval:
a. de aangifte (indien deze is gedaan). Bij procedures betreffende de erf- en schenkbelasting kan, indien de aangifte zeer omvangrijk is, worden volstaan met een uittreksel uit de aangifte betreffende de in geding zijnde onderdelen;
b. een kopie van de belastingaanslag dan wel van een ander bestreden besluit of een gespecificeerde opgaaf van de daaraan ten grondslag liggende gegevens. Bij procedures tegen een grote hoeveelheid identieke aanslagen kan worden volstaan met een voorbeeld-aanslag;
c. het bezwaar- of verzoekschrift;
d. een kopie van de uitspraak op bezwaar dan wel een kopie van de kennisgeving waarin de beslissing op het bezwaar- of verzoekschrift wordt gemotiveerd (in de gevallen dat dit van toepassing is);
e. alle andere stukken die een rol gespeeld hebben in de besluitvorming van de inspecteur met betrekking tot het geschilpunt bij de totstandkoming van het bestreden besluit en de uitspraak op bezwaar.
f. de processtukken van de procedure bij de rechtbank (beroepschrift, verweerschrift, conclusie van repliek, conclusie van dupliek, eventueel gevoerde correspondentie met de rechtbank, pleitnota’s en andere ter zitting overgelegde stukken, door de griffier opgesteld verslag van de zitting);
g. het originele afschrift van de uitspraak van de rechtbank;
h. de processtukken van de procedure bij het gerechtshof (beroepschrift, verweerschrift, conclusie van repliek, conclusie van dupliek, eventueel gevoerde correspondentie met de rechtbank, pleitnota’s en andere ter zitting overgelegde stukken, door de griffier opgesteld verslag van de zitting, proces- verbaal van de mondelinge uitspraak);
i. (in geval van vereenvoudigde behandeling van het beroep): het originele afschrift van de uitspraak van het gerechtshof, het verzetschrift en de uitspraak op het verzetschrift;
j. (ingeval het beroep zich richtte tegen het niet tijdig nemen van een besluit): een afschrift van het besluit en de gevoerde correspondentie;
k. een eventueel (openbaar gedeelte van een) controlerapport;
l. de bijlagen bij voornoemde geschriften, voor zover hier nog niet genoemd.
De inspecteur kan indien daartoe de noodzaak aanwezig is kopieën in plaats van de originele bescheiden inzenden.
Indien het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen zich richt tot de inspecteur, zendt deze onverwijld afschriften van de brieven (met eventuele bijlagen) van dit Hof aan DGBel, team cassatie. Eerst na overleg met DGBel, team cassatie reageert de inspecteur op de brieven van dit Hof. Als de inspecteur door het Hof van Justitie in de gelegenheid wordt gesteld om schriftelijke opmerkingen in te dienen over de prejudiciële vragen, dan schrijft de inspecteur een brief aan het Hof van Justitie waarin hij laat weten voor opmerkingen over de prejudiciële vragen te refereren aan het oordeel van de Nederlandse regering. Daarnaast stuurt hij onverwijld afschriften van de brieven en bijlagen van het Hof van Justitie aan DGBel, team cassatie.
Team cassatie zendt de inbreng van de Nederlandse regering, de conclusie van de Advocaat-generaal en het arrest van het Hof van Justitie aan de inspecteur.
6.2.1. Griffierecht
Indien de inspecteur op grond van artikel 8:74 Awb door de rechter is veroordeeld het griffierecht aan belanghebbende te vergoeden, stelt de inspecteur de belanghebbende en diens gemachtigde in kennis van de beslissing daartoe. Deze kennisgeving is niet voor bezwaar en beroep vatbaar. Een kopie van de kennisgeving bewaart de inspecteur bij de stukken.
Wanneer tegen de veroordeling tot vergoeding van griffierecht hoger beroep of cassatie is ingesteld wacht de inspecteur, alvorens tot bovengenoemde kennisgeving over te gaan, de uitkomst van die procedure af.
Ook als de staatssecretaris in cassatie is veroordeeld het griffierecht aan belanghebbende te vergoeden draagt de inspecteur zorg voor uitbetaling daarvan.
6.2.2. Proceskosten
Indien de inspecteur door de rechtbank of het gerechtshof, op grond van artikel 8:75 Awb, in de proceskosten is veroordeeld zorgt de inspecteur voor vergoeding van de kosten, conform de uitspraak.
Indien tegen de veroordeling in de proceskosten door de inspecteur hoger beroep of door de staatssecretaris cassatieberoep is ingesteld wacht de inspecteur, alvorens tot vergoeding over te gaan, de uitkomst van die procedure af.
Ook als de staatssecretaris in cassatie in de proceskosten is veroordeeld draagt de inspecteur zorg voor uitbetaling.
1. Indien de rechtbank of het gerechtshof in het kader van het vooronderzoek op grond van artikel 8:44 Awb de inspecteur oproept om te worden gehoord, is de inspecteur verplicht aan deze oproep te voldoen.
2. Indien de inspecteur door bijzondere omstandigheden aan de oproep niet kan voldoen, verzoekt hij na toestemming van de betrokken regionaal vaktechnisch coördinator de rechtbank of het gerechtshof schriftelijk onder vermelding van deze omstandigheden om een nieuwe datum vast te stellen.
1. Indien de rechtbank of het gerechtshof in het kader van het vooronderzoek op grond van artikel 8:45 Awb de inspecteur verzoekt schriftelijk inlichtingen te geven, is de inspecteur verplicht hierop te antwoorden binnen de door de rechtbank of het gerechtshof daartoe gestelde termijn. Is door de rechtbank of het gerechtshof géén termijn gesteld dan dient het antwoord zo spoedig mogelijk doch in ieder geval binnen vier weken te worden ingezonden.
2. Heeft de griffier de inspecteur afschriften toegezonden van deskundigenrapporten of van tussen de rechtbank of het gerechtshof enerzijds en belanghebbende of derden anderzijds gevoerde correspondentie, dan dient de inspecteur binnen de door de rechtbank of het gerechtshof daartoe gestelde termijn schriftelijk hierover zijn mening te geven, dan wel mee te delen dat hij van de hem hiertoe geboden gelegenheid geen gebruik wenst te maken.
3. Indien de inspecteur door bijzondere omstandigheden aan de door de rechtbank of het gerechtshof gestelde termijnen niet kan voldoen, verzoekt hij na toestemming van de betrokken regionaal vaktechnisch coördinator de rechtbank of het gerechtshof schriftelijk onder vermelding van deze omstandigheden, de termijn te verlengen.
1. Zodra de inspecteur bekend wordt dat bij meer dan één rechtbank of gerechtshof beroep is ingesteld tegen eenzelfde voor beroep vatbare beschikking of uitspraak, stelt hij de betrokken rechtbanken of gerechtshoven hiervan schriftelijk op de hoogte onder vermelding van de door die rechtbanken of gerechtshoven aan die zaken toegekende kenmerken.
2. Indien de aard van de zaak hiertoe aanleiding geeft kan de inspecteur na overleg met belanghebbende(n) aan de rechtbank of het gerechtshof een voorstel doen voor verwijzing of voeging.
7. Citeertitel
Dit besluit kan worden aangehaald als: Besluit Beroep in Belastingzaken. De citeertitel kan worden afgekort tot BBIB.
8. Intrekking besluit
Het Besluit Beroep in Belastingzaken 2005 (Besluit van 1 juni 2005, nr. CPP 2005/1077M) wordt ingetrokken met ingang van de inwerkingtreding van dit besluit.
1. Dit besluit treedt in werking op 1 januari 2012.
2. Dit besluit zal in de Staatscourant worden geplaatst.
Den Haag, 20 december 2011
De
staatssecretaris