Rechtenmedia.nl - Juridische Online Uitgeverij  Rechtennieuws.nl | Jure.nl | Maxius.nl | Parlis.nl | Rechtenforum.nl | JBmatch.nl | MijnWetten.nl | AdvocatenZoeken.nl | Rechtentotaal.nl
Besluit bekostiging WEC
Bwb-id:
Officiele titel:
Citeertitel:
Ook bekend als:
Soort regeling:
Wetsfamilies:
Eerst verantwoordelijk ministerie:

Geldigheidsdatum:
Ingangsdatum:
Inhoudsopgave
+ Hoofdstuk I. Algemene bepalingen
Hoofdstuk II
+ Hoofdstuk III. Vergoeding voor de uitgaven voor de materiële voorzieningen ten behoeve van de instandhouding voor scholen en schoolbaden van scholen, niet zijnde instellingen
+ Hoofdstuk IV. Vergoeding voor en buitengebruikstelling van oude eigendoms- en huurscholen
+ Hoofdstuk V. Bekostiging voor de personeelskosten
+ Hoofdstuk VI. Correcties op de bekostiging
+ Hoofdstuk VII. Voorschriften betreffende berekening van overschotten bij opheffing of beëindiging van de bekostiging van de laatste school van een bevoegd gezag
+ Hoofdstuk VIII. Tijdelijke landelijke geschillencommissie toelating en verwijdering
+ Hoofdstuk VIIIa. Vaststelling percentage onderwijstijd in vreemde taal
+ Hoofdstuk IX. Regionale expertisecentra
+ HOOFDSTUK X. Overgangs- en slotbepalingen
Vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature

Juridisch advies nodig?
Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag
Geschiedenis

Geschiedenis-overzicht

Besluit bekostiging WEC

Besluit van 23 december 1987, houdende intrekking van het Bekostigingsbesluit ISOVSO en vaststelling van het Bekostigingsbesluit ISOVSO/OISOVSO in verband met de invoering van het bekostigingsstelsel van de Interimwet op het speciaal onderwijs en het voortgezet speciaal onderwijs
Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Op de voordracht van de Staatssecretaris van Onderwijs en Wetenschappen van 27 oktober 1987, nr. 9727/2363, centrale directie Wetgeving en Juridische Zaken;
Gelet op de artikelen 19a en 59 van de Interimwet op het speciaal onderwijs en het voortgezet speciaal onderwijs (Stb. 1987, 614) en de artikelen E 23 en E 24 van de Overgangswet ISOVSO ( Stb. 1987, 615);
Gehoord de Onderwijsraad (advies van 15 oktober 1987, nr. 1/1431);
De Raad van State gehoord (advies van 17 december 1987, nr. W05.87.0581);
Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Onderwijs en Wetenschappen van 22 december 1987, nr. 10080/2363, centrale directie Wetgeving en Juridische Zaken;
Hebben goedgevonden en verstaan:
Artikel 1. Begripsbepalingen
In dit besluit wordt verstaan onder:
Onze Minister: Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap;
wet: Wet op de expertisecentra ;
school: een school voor speciaal onderwijs, voor voortgezet speciaal onderwijs of voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs als bedoeld in artikel 2, tweede lid, onder f, h, j, k, m of n, van de wet, dan wel een instelling voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs als bedoeld in artikel 8, eerste lid, tweede of derde volzin, van de wet, tenzij het tegendeel blijkt;
afdeling: afdeling als bedoeld in artikel 8, tweede lid, van de wet;
instelling: instelling als bedoeld in artikel 8, eerste lid, tweede of derde volzin, van de wet, tenzij het tegendeel blijkt;
nevenvestiging: een nevenvestiging als bedoeld in de artikelen 76a en 76b van de wet dan wel een nevenvestiging van een instelling, genoemd in artikel X van de Wet van 31 mei 1995, houdende wijziging van de Interimwet op het speciaal onderwijs en het voortgezet speciaal onderwijs en van enkele andere wetten inzake samenvoeging van de schoolsoorten onderwijs aan blinde kinderen en onderwijs aan slechtziende kinderen tot de schoolsoort onderwijs aan visueel gehandicapte kinderen (Stb. 1995, 319);
openbare school: door een of meer gemeenten, al dan niet te zamen met een of meer privaatrechtelijke rechtspersonen met volledige rechtsbevoegdheid, in stand gehouden school;
bijzondere school: door een privaatrechtelijke rechtspersoon in stand gehouden school;
bevoegd gezag van volgens de wet bekostigde scholen: voor wat betreft:
a. een openbare school: het college van burgemeester en wethouders voor zover de raad niet anders bepaalt, en, indien de raad dit wenselijk oordeelt, met inachtneming van door hem te stellen regelen, dan wel het krachtens een gemeenschappelijke regeling bevoegde orgaan;
b. een bijzondere school: de rechtspersoon bedoeld in artikel 57 van de wet;
inspecteur: lid van de inspectie voor zover belast met taken op het gebied van het speciaal onderwijs en voortgezet speciaal onderwijs;
ouders: ouders, voogden of verzorgers;
teldatum: een van de data, bedoeld in artikel 118 van de wet;
commissie: de commissie, bedoeld in artikel 41, tweede lid, van de wet;
leerling: tenzij anders is bepaald een leerling:
a. die door een samenwerkingsverband als bedoeld in artikel 1 van de Wet op het primair onderwijs of artikel 1 van de Wet op het voortgezet onderwijs toelaatbaar is verklaard tot het speciaal onderwijs respectievelijk het voortgezet speciaal onderwijs,
b. van een inrichting, accommodatie of residentiële instelling als bedoeld in artikel 71c van de wet waarmee het bevoegd gezag een overeenkomst als bedoeld in genoemd artikel van de wet heeft gesloten;
leerling met een niet-Nederlandse culturele achtergrond: leerling:
a. die behoort tot de Molukse bevolkingsgroep;
b. van wie ten minste een van de ouders of voogden afkomstig is uit Griekenland, Italië, het voormalige Joegoslavië, Kaapverdië, Marokko, Portugal, Spanje, Tunesië of Turkije;
c. van wie ten minste een van de ouders of voogden afkomstig is uit Suriname, de voormalige Nederlandse Antillen of Aruba;
d. van wie ten minste een van de ouders of voogden als vreemdeling rechtmatig verblijf heeft als bedoeld in artikel 8, onder c of d, van de Vreemdelingenwet 2000;
e. van wie ten minste een van de ouders of voogden afkomstig is uit een ander niet-Engelstalig land buiten Europa, echter met uitzondering van Indonesië.
schooljaar: het tijdvak van 1 augustus tot en met 31 juli daaraanvolgend;
lokaal voor motorische therapie: ruimte van 120 m 2 of minder die is bedoeld voor onderwijs in lichamelijke oefening aan leerlingen van 6 jaar en ouder;
schoolbad: een bad voor watergewenning of bewegingstherapie;
accountant: een accountant als bedoeld in artikel 393, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek;
formatiebasisbedrag: het formatiebasisbedrag, bedoeld in artikel 31, eerste lid, onderdeel a;
formatieleeftijdsbedrag: het formatieleeftijdsbedrag, bedoeld in artikel 31, eerste lid, onderdeel b;
basisbedrag: het basisbedrag, bedoeld in artikel 31, eerste lid, onderdeel c;
leeftijdsbedrag: het leeftijdsbedrag, bedoeld in artikel 31, eerste lid, onderdeel d.
Artikel 2. Gegevens en bescheiden school in plan van nieuwe scholen
Het bevoegd gezag van een school die in een plan van nieuwe scholen als bedoeld in artikel 84, negende lid, en artikel 86, eerste lid, van de wet is opgenomen, zendt Onze Minister uiterlijk 3 maanden voor de datum van ingang van de bekostiging de benodigde administratieve gegevens en bescheiden voor de vaststelling van de vergoedingsbedragen, waaronder ten minste wordt begrepen het vermoedelijk aantal leerlingen op 1 oktober volgend op de datum van ingang van de bekostiging. Bij ministeriële regeling worden voorschriften gegeven omtrent de gegevens en bescheiden.
1.
Ten einde overeenkomstig de bepalingen van dit besluit enige bekostiging van het Rijk te verkrijgen, moet het bevoegd gezag van een bijzondere school zijn aangesloten bij een organisatie van bevoegde gezagsorganen die rechtspersoon met volledige rechtsbevoegdheid is en als zodanig door Onze Minister is erkend en zich te zijnen genoegen heeft borg gesteld voor terugbetaling van teveel ontvangen bedragen.
2.
De erkenning, bedoeld in het eerste lid, geschiedt op een daartoe door het bestuur der organisatie tot Onze Minister gericht verzoek waarbij moet worden overgelegd een opgave van elk bevoegd gezag waarvoor zekerheid wordt gesteld, vermeldende ten aanzien van elke school, de gemeente en nadere plaatsaanduiding in de gemeente waar de school is gevestigd, alsmede naam van de rechtspersoon onder wiens bestuur de school staat. Wijzigingen die daarin worden aangebracht, deelt het bestuur der organisatie binnen twee weken mede aan Onze Minister. Deze wijzigingen ontheffen de organisaties niet van de voor het lopende jaar aangegane borgstelling ten behoeve van een aangesloten bevoegd gezag.
1.
De aanspraak op de verstrekking van bekostiging voor personeelskosten, bedoeld in de artikelen 124 en 131, eerste lid, van de wet ontstaat met ingang van 1 augustus van het schooljaar waarin de bekostiging van een nieuw geopende school begint.
2.
De aanspraak op de bekostiging voor de uitgaven voor de materiële voorzieningen ten behoeve van de instandhouding, bedoeld in artikel 128 van de wet ontstaat met ingang van 1 augustus van het schooljaar waarin de bekostiging van een nieuw geopende school begint.
3.
In afwijking van het eerste lid, ontstaat de aanspraak op bekostiging voor de uitgaven voor 1 lid van het personeel op 1 juni voorafgaand aan het schooljaar waarin de bekostiging van een nieuw geopende school begint.
4.
De in het derde lid bedoelde bekostiging bestaat uit de som van
a. het basisbedrag, welk bedrag wordt verhoogd met een leeftijdsbedrag dat wordt vermenigvuldigd met de geraamde landelijk gewogen gemiddelde leeftijd van de leraren in het speciaal onderwijs en het voortgezet speciaal onderwijs op 1 oktober voorafgaand aan de eerste kalenderdag van het schooljaar waarin de bekostiging van de nieuw geopende school begint; en
b. 2/12 van de aanvullende bekostiging voor de schoolleiding, bedoeld in artikel 35, gebaseerd op de daar bedoelde factor 1.
5.
Voor de berekening van het basisbedrag, bedoeld in het vierde lid, en het leeftijdsbedrag, bedoeld in het vierde lid, bedraagt de formatie 2/12 formatieplaats.
6.
Indien een school op 1 oktober van het schooljaar waarin de bekostiging van een nieuw geopende school begint geen leerlingen heeft, ontstaat in afwijking van het tweede lid, aanspraak op bekostiging voor de personeelskosten, bedoeld in artikel 131, eerste lid, van de wet met ingang van de eerste dag van de maand waarin de school een leerling heeft. Indien de eerste volzin van toepassing is, wordt de bekostiging voor het lopende schooljaar en het schooljaar daaropvolgend gebaseerd op het aantal leerlingen dat de school heeft op de eerste dag van de tweede maand volgend op de dag waarop de school de eerste leerling heeft.
7.
Indien een school op 1 oktober van het schooljaar waarin de bekostiging van een nieuw geopende school begint geen leerlingen heeft, ontstaat in afwijking van het zesde lid, aanspraak op bekostiging voor de personeelskosten, bedoeld in de artikelen 124 en 131, eerste lid, van de wet met ingang van de eerste dag van de maand waarin de school een leerling heeft. Indien de eerste volzin van toepassing is, wordt de bekostiging voor het lopende schooljaar en het daaropvolgende schooljaar gebaseerd op het aantal leerlingen dat de school heeft op de eerste dag van de tweede maand volgend op de dag waarop de school de eerste leerling heeft.
1.
Aan het bevoegd gezag van een nieuw geopende school wordt, in afwachting van de vaststelling van de bekostiging voor personeelskosten en de bekostiging voor de uitgaven voor de materiële voorzieningen ten behoeve van de instandhouding op basis van de gegevens op de teldatum, een voorschot op de bedoelde bekostiging verstrekt indien het bevoegd gezag uiterlijk op 1 juli voorafgaande aan het schooljaar waarin de bekostiging van een nieuw geopende school begint, het vermoedelijk aantal leerlingen op 1 oktober volgend op de datum van ingang van de bekostiging aan Onze Minister meldt.
2.
Het voorschot, bedoeld in het eerste lid, bestaat uit:
a. de bekostiging, bedoeld in artikel 131, eerste lid, van de wet berekend overeenkomstig dit besluit, met dien verstande dat wordt gerekend met het aantal leerlingen, bedoeld in het eerste lid; en
b. de bekostiging, bedoeld in artikel 128 van de wet berekend overeenkomstig dit besluit, met dien verstande dat wordt gerekend met het aantal leerlingen, bedoeld in het eerste lid.
3.
Op de betaling van het voorschot zijn artikel 13 en artikel 30 van overeenkomstige toepassing.
4.
Onze Minister is bevoegd tot verrekening van verstrekte voorschotten met de betalingen die voortvloeien uit de vaststelling van de onderscheiden onderdelen van de bekostiging.
5.
Indien Onze Minister een voorschot verleent in gevallen waarin de bekostiging wegens niet aan het bevoegd gezag van een school toe te rekenen omstandigheden niet tijdig kan worden vastgesteld, zijn het derde en het vierde lid van overeenkomstige toepassing.
Artikel 4. Opheffing van een school
Het bevoegd gezag geeft binnen twee weken na beslissing tot opheffing van de school of een nevenvestiging van een instelling kennis daarvan aan Onze Minister, gedeputeerde staten, de inspecteur en, indien het een bijzondere school of een nevenvestiging van een bijzondere instelling betreft, eveneens aan burgemeester en wethouders van de gemeente waarin de school onderscheidenlijk de nevenvestiging van de instelling is gelegen.
1.
De directeur van een school draagt er zorg voor dat een overzichtelijke administratie van de gegevens van de leerlingen met inbegrip van het gemeenschappelijk rapport, bedoeld in artikel 41, zesde lid, van de wet, en van hun ouders, alsmede van de inschrijving, de uitschrijving en het verzuim van de leerlingen op de school aanwezig is. In deze administratie wordt een onderverdeling gemaakt naar:
a. leerlingen van de hoofdvestiging,
b. leerlingen van elk van de nevenvestigingen, en
c. leerlingen die zijn toegelaten op basis van de bekostiging, bedoeld in artikel 117, zesde en zevende lid, van de wet.
De directeur draagt er zorg voor dat de volledige administratie op de hoofdvestiging aanwezig is.
2.
Bij ministeriële regeling kunnen voorschriften worden gegeven omtrent de wijze waarop de leerlingenadministratie wordt ingericht.
1.
De directeur van een school schrijft een leerling slechts in na overlegging van
a. een bewijs van uitschrijving van de leerling van een andere school of een school voor ander onderwijs, welk bewijs op het moment van inschrijving niet ouder is dan 6 maanden,
b. een schriftelijke verklaring van de ouders of de leerling die meerderjarig en handelingsbekwaam is, dat de leerling binnen een periode van 6 maanden voorafgaand aan de inschrijving niet eerder op een andere school, een school voor ander onderwijs of een instelling als bedoeld in artikel 1, onderdeel c, van de Leerplichtwet 1969 was ingeschreven, of
c. een schriftelijke verklaring van de ouders of de leerling die meerderjarig en handelingsbekwaam is, dat de leerling voorafgaand aan de inschrijving op een instelling als bedoeld in artikel 1, onderdeel c, van de Leerplichtwet 1969 was ingeschreven en dat deze leerling daar is uitgeschreven.
2.
Het bewijs van uitschrijving dan wel de verklaring, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b of c, wordt bewaard in de administratie van de school.
3.
De directeur doet in het geval, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, dan wel in het geval, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, indien hem bekend is op welke andere school, school voor ander onderwijs of instelling als bedoeld in artikel 1, onderdeel c, van de Leerplichtwet 1969 de leerling was ingeschreven buiten de in het eerste lid, onderdeel b, bedoelde periode, dan wel in het geval, bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, indien hem bekend is op welke instelling als bedoeld in artikel 1, onderdeel c, van de Leerplichtwet 1969 de leerling was ingeschreven, onder vermelding van de datum van inschrijving op zijn school, binnen 1 week schriftelijk mededeling van de inschrijving aan de directeur, rector of centrale directie van de school, de school voor ander onderwijs of de instelling, bedoeld in artikel 1, onderdeel c, van de Leerplichtwet 1969 waarop de leerling voordien was ingeschreven.
4.
De directeur schrijft de leerling in met ingang van de dag waarop de leerling de school voor het eerst bezoekt.
5.
In afwijking van het vierde lid, schrijft de directeur een leerling die de school voor het eerst bezoekt op de eerste schooldag van het schooljaar, in met ingang van 1 augustus van dat schooljaar, behoudens wanneer de leerling op 1 augustus de leeftijd van 4 jaar nog niet heeft bereikt.
1.
De directeur van een school op wiens school de leerling staat ingeschreven, schrijft de leerling, indien deze de school verlaat, uit met ingang van de dag waarop de leerling de school voor het laatst heeft bezocht en verstrekt de leerling een bewijs van uitschrijving. De directeur schrijft de leerling die wordt uitgeschreven na de school op de laatste schooldag van het schooljaar te hebben bezocht, uit met ingang van 31 juli van dat schooljaar.
2.
Indien de directeur van een school op wiens school de leerling staat ingeschreven binnen 4 weken na de dag waarop de leerling de school voor het laatst heeft bezocht een mededeling ontvangt van de directeur, rector of centrale directie van een school of een school voor ander onderwijs, van de inschrijving van de leerling op diens school, wijzigt de directeur de datum van uitschrijving, bedoeld in het eerste lid, alsnog in de datum van de dag voorafgaande aan de inschrijving op de andere school of de school voor ander onderwijs.
1.
Onverminderd het bepaalde in artikel artikel 41, negende lid, van de wet, blijven de gegevens die in de leerlingenadministratie zijn opgenomen daarvan in ieder geval deel uitmaken gedurende 5 jaar nadat de desbetreffende leerling van de school is uitgeschreven.
2.
Het gemeenschappelijk rapport, bedoeld in artikel 41, zesde lid, van de wet alsmede de gegevens die van belang zijn voor de berekening van de bekostiging voor personeelskosten worden in elk geval binnen acht weken na het verstrijken van de termijn, bedoeld in het eerste lid, vernietigd.
1.
Voor de toepassing van het bepaalde in de wet worden, onverminderd het bepaalde in artikel 7, de leerlingen op een school meegeteld die toelaatbaar zijn verklaard tot een van de onderwijssoorten die door de school worden verzorgd dan wel tot het cluster, bedoeld in artikel 2, vierde lid onder d, van de wet, waartoe de school behoort en die op een teldatum op die school staan ingeschreven, tenzij zij vanaf het begin van het schooljaar tot de teldatum meer dan de helft van het aantal schooldagen zonder geldige reden hebben verzuimd.
2.
Voor de toepassing van het eerste lid wordt ten aanzien van de leerplichtige leerling als geldige reden aangemerkt een vrijstelling van geregeld schoolbezoek als bedoeld in de Leerplichtwet 1969 (Stb. 1971, 406). Ten aanzien van de niet-leerplichtige leerling worden als geldige reden aangemerkt dezelfde gronden als die welke leiden tot een vrijstelling als bedoeld in de vorige volzin.
3.
Indien een teldatum valt op een dag waarop geen onderwijs wordt gegeven, worden op de eerstvolgende schooldag de leerlingen geteld, die op de teldatum stonden ingeschreven.
4.
Een leerling kan slechts op 1 school voor de bekostiging meetellen.
1.
Met het oog op de vaststelling van de bekostiging, bedoeld in de artikelen 12a, eerste lid, en 29, eerste lid, doet Onze Minister aan het bevoegd gezag jaarlijks een overzicht toekomen van de hem ter beschikking staande gegevens over het aantal leerlingen op de teldatum dat bij de vaststelling van de bekostiging in aanmerking wordt genomen. Het overzicht wordt gelijktijdig met het besluit tot vaststelling van de bekostiging, bedoeld in artikel 12a, eerste lid, toegezonden.
2.
Het overzicht, bedoeld in het eerste lid, is onderverdeeld in leerlingen met een niet-Nederlandse culturele achtergrond en overige leerlingen.
3.
Indien de school een nevenvestiging heeft, is het overzicht, bedoeld in het eerste lid, tevens onderverdeeld in de leerlingen van de hoofdvestiging en de leerlingen van elk van de nevenvestigingen.
1.
Het bevoegd gezag van een school doet jaarlijks voor 1 december aan Onze Minister mededeling van de gewogen gemiddelde leeftijd van de leraren van die school op 1 oktober daaraan voorafgaand.
2.
Bij ministeriële regeling worden voorschriften gegeven voor de toepassing van het eerste lid.
Artikel 10c. Verklaring bevoegd gezag
Het bevoegd gezag verstrekt gelijktijdig met de verklaring, bedoeld in artikel 157, vierde lid, van de wet een verklaring omtrent de juistheid en tijdige aanmelding van de gegevens waarop bekostigingsbedragen zijn of worden gebaseerd.

Hoofdstuk II

(Vervallen)
1.
Hoofdstuk III is behoudens het gestelde in het tweede lid niet van toepassing op instellingen.
2.
Het Rijk verstrekt elke maand van het uitkeringsjaar in verband met de materiële voorzieningen ten behoeve van de instandhouding aan het bevoegd gezag van een instelling, een twaalfde gedeelte van de vergoeding, bedoeld in artikel 128, negende lid, van de wet, waarop het over dat jaar recht heeft.
1.
Onze Minister stelt jaarlijks voor 1 februari de bekostiging voor dat jaar voor de scholen vast, gebaseerd op de grondslag, bedoeld in artikel 128, vierde lid, van de wet, met dien verstande dat Onze Minister voor het bepalen van het aantal leerlingen op 1 oktober van het jaar voorafgaande aan het bekostigingsjaar, de leerlingen in aanmerking neemt van wie het persoonsgebonden nummer tezamen met de in artikel 164a, tweede lid, van de wet bedoelde gegevens uiterlijk op de daarop volgende 1 december zijn opgenomen in het basisregister onderwijs overeenkomstig artikel 164b van de wet, dan wel de leerlingen van wie opgave is gedaan aan Onze Minister overeenkomstig artikel 58a, vierde lid.
2.
Indien de verklaring van de accountant, bedoeld in artikel 157, vierde lid, van de wet aanleiding geeft tot wijziging van de bekostiging, bedoeld in het eerste lid, stelt Onze Minister voor 1 oktober de bekostiging voor dat jaar nader vast.
3.
Het Rijk verstrekt elke maand van het bekostigingsjaar in verband met de materiële voorzieningen ten behoeve van de instandhouding aan het bevoegd gezag een twaalfde gedeelte van de bekostiging, bedoeld in het eerste lid, waarop het over dat jaar recht heeft.
1.
Het Rijk verstrekt elke maand van het uitkeringsjaar in verband met de materiële voorzieningen ten behoeve van de instandhouding aan het bevoegd gezag van een school een twaalfde gedeelte van de vergoeding, bedoeld in artikel 128, eerste lid, van de wet, waarop het over dat jaar recht heeft.
2.
Indien blijkt dat voor het uitkeringsjaar artikel 128, zesde lid, van de wet van toepassing is, wordt het verschil tussen de vergoeding, bedoeld in het eerste lid, berekend op grond van artikel 128, zesde lid, van de wet en de vergoeding berekend op grond van artikel 128, vierde lid, van de wet, verstrekt in de maanden mei tot en met december van het uitkeringsjaar.
3.
Indien artikel 12a, derde lid, van toepassing is, vindt verrekening plaats van de vergoeding voor dat jaar met de vergoeding die wordt verstrekt in de maanden oktober tot en met december van het uitkeringsjaar.
Artikel 15. Vergoeding door gemeente aan bevoegd gezag instellingen
Het aantal groepen leerlingen bedoeld in artikel 130, derde lid, tweede volzin, van de wet, wordt berekend overeenkomstig artikel 14, waarbij de factor N voor het speciaal onderwijs 12 en voor het voortgezet speciaal onderwijs 7 is.
Artikel 17. Omschrijving uitgaven materiële voorzieningen ten behoeve van de instandhouding
De uitgaven voor de materiële voorzieningen ten behoeve van de instandhouding voor schoolgebouwen hebben betrekking op de programma’s van eisen, bedoeld in artikel 112, eerste lid, van de wet.
Artikel 18. Omvang vergoeding uitgaven materiële voorzieningen ten behoeve van de instandhouding
De vergoeding voor de materiële voorzieningen ten behoeve van de instandhouding wordt bepaald volgens de programma’s van eisen, bedoeld in artikel 111, derde lid onderdeel a, van de wet.
1.
De aanspraak op vergoeding voor de uitgaven voor de materiële voorzieningen ten behoeve van de instandhouding van een schoolbad ontstaat met ingang van de maand voorafgaand aan de melding aan Onze Minister van de ingebruikneming daarvan en eindigt met ingang van de maand volgend op de maand waarin het schoolbad buiten gebruik wordt gesteld. Binnen acht weken na de buitengebruikstelling wordt daarvan melding gemaakt aan Onze Minister.
2.
Voor de vergoeding, bedoeld in het eerste lid, van een schoolbad waarvan het gebruik niet is beëindigd ingevolge artikel 108 van de wet, zijn de artikelen 12a en 13, van overeenkomstige toepassing met dien verstande dat waar het betreft artikel 12a, eerste lid, Onze Minister binnen acht weken na de melding van ingebruikneming, bedoeld in het eerste lid, de vergoeding voor dat jaar vaststelt.
3.
De uitgaven voor de materiële voorzieningen ten behoeve van de instandhouding van een schoolbad hebben betrekking op de programma’s van eisen, bedoeld in artikel 112, tweede lid, van de wet en de vergoeding, bedoeld in het eerste lid, wordt bepaald door de programma’s van eisen, bedoeld in artikel 111, derde lid onder b, van de wet.
Artikel 20. Schatting
Schattingen welke ingevolge dit hoofdstuk dienen plaats te vinden, geschieden door een commissie van 3 deskundigen van wie er een wordt benoemd door de Onderwijsraad, een door burgemeester en wethouders en een door het bevoegd gezag. De commissie beslist bij meerderheid van stemmen. Indien geen meerderheid wordt verkregen, wordt de waarde bepaald op het gemiddelde van de 3 schattingsopgaven. Afschrift van de beslissing wordt gezonden aan het gemeentebestuur en het bevoegd gezag. De kosten van de schattingen komen ten laste van de gemeente.
Artikel 21. Niet meer verschuldigde vergoeding
De vergoedingen, bedoeld in de titels II en III, zijn niet langer verschuldigd wanneer de gemeente de eigendom van het terrein en gebouw verkrijgt of wanneer het terrein en gebouw niet meer voor het speciaal onderwijs of het voortgezet speciaal onderwijs, bedoeld in artikel 2 van de wet, wordt gebruikt.
1.
Voor de terreinen en gebouwen die eigendom zijn van het bevoegd gezag van een bijzondere school en op 1 januari 1921 in gebruik of in aanbouw waren, betaalt de gemeente jaarlijks aan het desbetreffende bevoegd gezag een vergoeding, berekend over de waarde van de terreinen, gebouwen en het meubilair zoals deze ingevolge de Lager-onderwijswet 1920 is geschat. In afwijking van het bepaalde in de vorige volzin wordt voor gebouwen die niet uitsluitend zijn bestemd voor speciaal onderwijs, voortgezet speciaal onderwijs of speciaal en voortgezet speciaal onderwijs als bedoeld in artikel 2 van de wet, de vergoeding berekend over 80 procent van het voor het desbetreffende gebouw ingevolge de Lager-onderwijswet 1920 geschatte bedrag. De vergoeding wordt op gelijke wijze uitbetaald aan een bevoegd gezag dat na 1 januari 1921 de eigendom van terreinen en gebouwen van een bijzondere school die op 1 januari 1921 in gebruik of in aanbouw waren, heeft verkregen of verkrijgt.
2.
Voor de toepassing van dit artikel worden onder gebouwen in aanbouw verstaan de gebouwen van een bijzondere school waarvan de ontwerpen voor 1 januari 1921 overeenkomstig artikel 1 van het koninklijk besluit van 25 juni 1912 (Stb. 193) bij het rijksschooltoezicht werden ingediend en die voor 1 juli 1923 zijn voltooid.
1.
De vergoeding, bedoeld in artikel 22, bedraagt 5 procent van de geschatte waarde, onderscheidenlijk het in de tweede volzin van het eerste lid van dat artikel bedoelde bedrag waarover de vergoeding dient te worden berekend.
2.
Het college van burgemeester en wethouders kan, op verzoek van het bevoegd gezag van de bijzondere school, bepalen dat in verband met de op het bevoegd gezag rustende geldelijke verplichtingen, gedurende een door hem vast te stellen termijn de vergoeding naar een hoger percentage zal worden berekend.
1.
Indien voor de bouw van nieuwe lokalen gebruik wordt gemaakt van een gebouw of terrein als bedoeld in artikel 22, of indien overeenkomstig artikel 108 van de wet is vastgesteld dat een gedeelte van een zodanig gebouw of terrein ten gevolge van het in gebruik nemen van nieuwe of andere lokalen blijvend niet meer voor de school wordt gebruikt, wordt de geschatte waarde, bedoeld in dat artikel, verminderd met de geschatte waarde van de niet meer gebruikte lokalen, en wordt over het verschil de vergoeding opnieuw berekend. De nieuw berekende vergoeding gaat in op het tijdstip waarop de lokalen buiten gebruik zijn gesteld.
2.
Indien het meubilair in gebouwen als bedoeld in artikel 22 wordt vervangen, wordt de geschatte waarde, bedoeld in dat artikel, verminderd met het bedrag waarop de waarde van het oude meubilair was bepaald, en wordt over het verschil de vergoeding opnieuw berekend. De nieuw berekende vergoeding gaat in op het tijdstip van ingebruikneming van het nieuwe meubilair.
1.
Wanneer de gebouwen en terreinen, bedoeld in artikel 22, anders dan ingevolge artikel 58 van de wet worden vervreemd, of zodra voor die gebouwen en terreinen overeenkomstig artikel 108 van de wet is vastgesteld dat zij blijvend niet meer voor het onderwijs aan de school worden gebruikt, betaalt het bevoegd gezag van een bijzondere school aan de gemeente terug het bedrag dat de gemeente aan uitbreiding, verbouwing of vernieuwing van het gebouw en terrein op grond van de bepalingen van de Lager-onderwijswet 1920 of de Overgangswet ISOVSO zoals luidend op 31 december 1996 heeft uitgegeven, verminderd, behoudens voor zover het betreft door de gemeente bekostigde grond, met 2 procent voor wat betreft de uitbreiding en met 5 procent voor wat betreft de verbouwing of de vernieuwing, voor elk vol jaar dat is verstreken vanaf het tijdstip waarop de uitgaven zijn gedaan. De terugbetaling kan in termijnen plaatsvinden.
2.
Het bevoegd gezag van een bijzondere school betaalt aan de gemeente terug het bedrag dat de gemeente aan uitbreiding, algehele aanpassing, partiële aanpassing, ingrijpend onderhoud of energiebesparende maatregelen op grond van de bepalingen van de Interimwet op het speciaal onderwijs en het voortgezet speciaal onderwijs zoals die luidde op 31 december 1996 heeft uitgegeven, verminderd, behoudens voor zover het betreft door de gemeente bekostigde grond, met de ten behoeve van een voorziening als de onderhavige voor de desbetreffende school door het Rijk aan de gemeente verstrekte vergoedingen. De terugbetaling kan in termijnen plaatsvinden.
3.
Het bevoegd gezag van een bijzondere school betaalt aan de gemeente terug het bedrag dat de gemeente heeft uitgegeven aan de voorzieningen, bedoeld in artikel 90, eerste lid, onderdelen a 2°, b en c, van de wet, verminderd met de uit de gemeentebegroting blijkende afschrijving op het moment van de in het eerste lid bedoelde vaststelling van de buitengebruikstelling, behoudens voor zover het betreft door de gemeente bekostigde grond, voor elk vol jaar dat is verstreken sedert het tijdstip waarop de uitgaven plaats hadden. De terugbetaling kan in termijnen plaatsvinden.
4.
Binnen vier weken na de vervreemding of nadat de buitengebruikstelling overeenkomstig artikel 108 van de wet is vastgesteld, draagt het bevoegd gezag van een bijzondere school de roerende zaken, behoudens die welke het bevoegd gezag uit eigen middelen heeft aangeschaft, aan de gemeente in eigendom over.
5.
Indien het bevoegd gezag in de onmogelijkheid verkeert het gebouw en terrein tegen een zodanige prijs te verkopen of op andere wijze daaruit zodanige inkomsten te verwerven, dat uit de opbrengst het verschuldigde bedrag kan worden terugbetaald, kan het bevoegd gezag aan zijn verplichtingen voldoen door overdracht van het gebouw en terrein aan de gemeente, dan wel door betaling aan de gemeente van een door gedeputeerde staten vast te stellen vergoeding.
1.
Voor de gebouwen en terreinen waarvoor voor 1 januari 1989 vergoeding werd genoten op grond van artikel 184 van het Besluit buitengewoon onderwijs 1967, betaalt de gemeente jaarlijks aan het bevoegd gezag een vergoeding gelijk aan het bedrag dat voor huur van de gebouwen en terreinen, met inbegrip van de inrichting, het meubilair en het onderwijsleerpakket, redelijk is te achten, verminderd met de kosten van instandhouding van het gebouw. De vergoeding bedraagt niet meer dan het bedrag dat een redelijke vergoeding oplevert voor een overeenkomstige school, bestemd voor hetzelfde aantal leerlingen, die in normale omstandigheden verkeert. De vergoeding wordt in overleg tussen burgemeester en wethouders en het bevoegd gezag vastgesteld. Indien voor gebouw en terrein, met inbegrip van de inrichting, het meubilair en het onderwijsleerpakket, een vergoeding uit de openbare kassen is of wordt genoten, wordt de vergoeding dienovereenkomstig verminderd.
2.
Aan het bevoegd gezag van een school, niet zijnde een instelling, waarvoor de in het eerste lid bedoelde vergoeding wordt betaald, verstrekt het Rijk jaarlijks een bedrag ter bestrijding van de kosten van de school waarvoor de in het eerste lid bedoelde vergoeding niet is bestemd. De titels I tot en met III van hoofdstuk III zijn van overeenkomstige toepassing.
1.
Indien het bevoegd gezag, bedoeld in artikel 27, eigenaar is van het gebouw en terrein, en het gebouw en terrein niet meer voor het speciaal onderwijs, het voortgezet speciaal onderwijs of het speciaal en voortgezet speciaal onderwijs als bedoeld in artikel 2 van de wet worden gebruikt, dan wel het gebouw en terrein na 1 september 1987 zijn of worden vervreemd, betaalt het bevoegd gezag voor elk jaar dat de gemeente met betrekking tot het gebouw en terrein een vergoeding heeft verstrekt, doch voor ten hoogste 40 jaren, aan de gemeente 1/40 deel van de waarde van het gebouw en terrein in het economisch verkeer, met dien verstande dat het college van burgemeester en wethouders kan besluiten in verband met eigen investeringen van het bevoegd gezag een lagere waarde vast te stellen. Indien toepassing is gegeven aan artikel VI, vierde lid, van de wet van 2 april 1998, Stb. 228, wordt de gemeente geacht gedurende 40 jaren een vergoeding met betrekking tot het gebouw en terrein te hebben verstrekt.
2.
In afwijking van het bepaalde in het eerste lid kan het bevoegd gezag de eigendom van het gebouw overdragen aan de gemeente.
1.
Onze Minister stelt jaarlijks uiterlijk op 15 april, de bekostigingsbedragen, bedoeld in artikel 131, eerste en derde lid, van de wet vast voor zover deze bedragen mede gebaseerd zijn op het aantal leerlingen op de teldatum, met dien verstande dat Onze Minister voor het bepalen van het aantal leerlingen op de teldatum, de leerlingen in aanmerking neemt van wie het persoonsgebonden nummer tezamen met de in artikel 164a, tweede lid, van de wet bedoelde gegevens uiterlijk op 1 december van het jaar voorafgaande aan het bekostigingsjaar zijn opgenomen in het basisregister onderwijs overeenkomstig artikel 164b van de wet, dan wel de leerlingen van wie opgave is gedaan aan Onze Minister overeenkomstig artikel 58a, vierde lid. De bedragen hebben betrekking op een schooljaar.
2.
Onze Minister stelt de bekostigingsbedragen, bedoeld in artikel 131, eerste lid, van de wet voorzover het betreft de bekostiging, bedoeld in artikel 38, vast binnen 8 weken na ontvangst van de gegevens ten behoeve van de berekening van deze bekostiging.
3.
Indien de verklaring van de accountant, bedoeld in artikel 157, vierde lid, van de wet aanleiding geeft tot wijziging van de bekostiging, bedoeld in het eerste of tweede lid, stelt Onze Minister voor 1 oktober de bekostiging voor dat jaar nader vast.
4.
De in het eerste en tweede lid bedoelde bekostigingsbedragen kunnen door Onze Minister worden gewijzigd wegens algemene salarismaatregelen of wegens andere al dan niet uit de rijksbegroting voortvloeiende maatregelen.
1.
De betaling van de bekostigingsbedragen voor personeelskosten, bedoeld in artikel 124 en artikel 131, eerste lid, van de wet vindt maandelijks plaats op een bij ministeriële regeling vast te stellen betaalritme dat voor de verschillende onderdelen van de bekostiging verschillend kan worden vastgesteld.
2.
De betaling van de bekostiging voor personeelskosten bedoeld in artikel 131, tweede lid, van de wet vindt, tenzij bij beschikking anders wordt bepaald, plaats in een aantal gelijke maandelijkse termijnen.
Artikel 31. Vaststelling bedragen
Voor de toepassing van dit besluit wordt verstaan onder:
a. formatiebasisbedrag: een bij ministeriële regeling vast te stellen bedrag, dat niet afhankelijk is van de leeftijd van personeel van de school;
b. formatieleeftijdsbedrag: een bij ministeriële regeling vast te stellen bedrag, dat vervolgens afhankelijk wordt gesteld van de leeftijd van personeel van de school;
c. basisbedrag: een bij ministeriële regeling vast te stellen bedrag, dat wordt bepaald door de in het desbetreffende artikel genoemde formatie te vermenigvuldigen met het formatiebasisbedrag;
d. leeftijdsbedrag: een bij ministeriële regeling vast te stellen bedrag, dat wordt bepaald door de in het desbetreffende artikel genoemde formatie te vermenigvuldigen met het formatieleeftijdsbedrag.
1.
Aan elke school, niet zijnde een instelling, wordt voor de bekostiging van de personeelskosten een vast bedrag per school verstrekt. Het vaste bedrag per school bestaat uit een basisbedrag, welk bedrag wordt verhoogd met een leeftijdsbedrag dat wordt vermenigvuldigd met de gewogen gemiddelde leeftijd van de leraren van de school op 1 oktober van het voorafgaande schooljaar.
2.
Voor de berekening van het basisbedrag, bedoeld in het eerste lid, en het leeftijdsbedrag, bedoeld in het eerste lid, bedraagt de formatie 1,1734 formatieplaats.
3.
Voor het schooljaar waarin een nieuwe school wordt geopend, wordt het leeftijdsbedrag vermenigvuldigd met de geraamde landelijk gewogen gemiddelde leeftijd op 1 oktober van het voorafgaande schooljaar van de leraren in het speciaal onderwijs en het voortgezet speciaal onderwijs.
Artikel 33. Formatie leraren per leerling t.b.v. berekening bedrag per leerling
Voor de berekening van het bedrag per leerling, bedoeld in artikel 117, negende lid, van de wet, wordt de formatie leraren voor scholen per leerling vastgesteld volgens de onderstaande tabel:
Formatie leraren speciaal onderwijs < 8 jaar speciaal onderwijs ? 8 jaar voortgezet speciaal onderwijs
Hoeveelheid fte’s 0,0565 0,0393 0,0765
1.
Naast de bekostiging, bedoeld in artikel 33, ontvangt de school, niet zijnde een instelling, op grond van artikel 117, derde lid, van de wet een bedrag dat afhankelijk is van de ondersteuningscategorie zoals die is opgenomen in de toelaatbaarheidsverklaring, bedoeld in artikel 40 van de wet. Dit bedrag is de som van:
a. de formatie leraren per leerling volgens onderstaande tabel vermenigvuldigd met een bij ministeriële regeling te bepalen bedrag:
Formatie per leerling Categorie 1 Categorie 2 Categorie 3
speciaal onderwijs < 8 jaar 0,0637 0,0616 0,1304
speciaal onderwijs ? 8 jaar 0,0800 0,0788 0,1476
voortgezet speciaal onderwijs 0,1029 0,1254 0,1297
b. de formatie onderwijsondersteunend personeel per leerling volgens onderstaande tabel vermenigvuldigd met een bij ministeriële regeling te bepalen bedrag:
Formatie per leerling Categorie 1 Categorie 2 Categorie 3
speciaal onderwijs < 8 jaar 0,1180 0,2287 0,2896
speciaal onderwijs ? 8 jaar 0,0688 0,2287 0,2896
Voortgezet speciaal onderwijs 0,0529 0,1962 0,2892

en
c. een bij ministeriële regeling te bepalen bedrag.
2.
Indien er geen sprake is van een toelaatbaarheidsverklaring omdat sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 40, achtste lid, van de wet dan wel van plaatsing in een residentiële instelling als bedoeld in artikel 117, zevende lid, van de wet ontvangt de school naast de bekostiging, bedoeld in artikel 33 bekostiging op basis van de hoofdonderwijssoort van de school volgens onderstaande tabel.
3.
Naast het in artikel 33 bedoelde bedrag ontvangt een instelling een bij ministeriële regeling te bepalen bedrag per instelling.
Artikel 34. Formatie onderwijsondersteunend personeel per leerling t.b.v. berekening bedrag per leerling
Voor de berekening van het bedrag per leerling, bedoeld in artikel 117, elfde lid, onderdeel b, van de wet wordt de formatie onderwijsondersteunend personeel voor scholen, niet zijnde instellingen, per leerling vastgesteld volgens de onderstaande tabel.
Onderwijssoort Speciaal onderwijs Voortgezet speciaal onderwijs
Jonger dan 8 jaar 8 jaar en ouder  
a. dove kinderen 0,1993 0,0531 0,0471
b. slechthorende kinderen 0,1636 0,0676 0,0663
c. kinderen met ernstige spraakmoeilijkheden die niet tevens behoren tot de onder a of b bedoelde kinderen 0,1573 0,0613  
f. lichamelijk gehandicapte kinderen 0,2287 0,2287 0,1962
h1°. langdurig zieke kinderen met een lichamelijke handicap 0,2087 0,0775 0,0572
h2°. langdurig zieke kinderen anders dan met een lichamelijke handicap 0,1251 0,0573 0,0438
j. zeer moeilijk lerende kinderen 0,0892 0,0892 0,0717
k. zeer moeilijk opvoedbare kinderen 0,1251 0,0573 0,0438
m. kinderen in scholen verbonden aan pedologische instituten 0,1251 0,0573 0,0438
n. meervoudig gehandicapte kinderen met de combinatie:      
a + j 0,2066 0,1067 0,0603
b + j 0,1724 0,0993 0,0831
f + j 0,2896 0,2896 0,2892
a + blind 0,2309 0,0847 0,0847
1.
Voor de aanvullende bekostiging voor de schoolleiding, bedoeld in artikel 117, vierde lid, van de wet van scholen, niet zijnde instellingen, wordt een bedrag toegekend.
2.
De aanvullende bekostiging voor de schoolleiding, bedoeld in artikel 117, vierde lid, van de wet bedraagt voor een school voor speciaal onderwijs, een school voor voortgezet speciaal onderwijs of een school voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs, niet zijnde een school voor meervoudig gehandicapte kinderen, met een aantal leerlingen op de teldatum dat niet hoger is dan 49 respectievelijk hoger is dan 49 een bij ministeriële regeling vast te stellen bedrag.
3.
De aanvullende bekostiging voor de schoolleiding, bedoeld in artikel 117, vierde lid, van de wet bedraagt voor een school voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs, niet zijnde een school voor meervoudig gehandicapte kinderen, met een aantal leerlingen op de teldatum dat niet hoger is dan 49 respectievelijk hoger is dan 49 een bij ministeriële regeling vast te stellen bedrag.
4.
De aanvullende bekostiging voor de schoolleiding, bedoeld in artikel 117, vierde lid, van de wet bedraagt voor een school voor speciaal onderwijs of een school voor voortgezet speciaal onderwijs voor meervoudig gehandicapte kinderen een bij ministeriële regeling vast te stellen bedrag.
5.
De aanvullende bekostiging voor de schoolleiding, bedoeld in artikel 117, vierde lid, van de wet bedraagt voor een school voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs voor meervoudig gehandicapte kinderen, met een aantal leerlingen op de teldatum dat niet hoger is dan 49 respectievelijk hoger is dan 49 een bij ministeriële regeling vast te stellen bedrag.
1.
Aan het bevoegd gezag van een school, niet zijnde een instelling, wordt aanvullende bekostiging voor personeelskosten toegekend indien:
a. het verschil tussen
1°. het aantal leerlingen op 16 januari van het schooljaar, en
2°. het aantal leerlingen op 1 oktober van het schooljaar onderscheidenlijk het aantal leerlingen op de teldatum die op grond van artikel 118, tweede lid, van de wet van toepassing is, gelijk is aan of groter is dan de helft van de kleinste factor N, bedoeld in de tabel in artikel 14 die op de school van toepassing is, en
b. het persoonsgebonden nummer tezamen met de in artikel 164a, tweede lid, van de wet bedoelde gegevens van de leerlingen die op 16 januari van het schooljaar op de school staan ingeschreven, uiterlijk 16 februari van het schooljaar zijn opgenomen in het basisregister onderwijs overeenkomstig artikel 178b van de wet, dan wel van deze leerlingen opgave is gedaan aan Onze Minister overeenkomstig artikel 58a, vierde lid.
2.
De aanvullende bekostiging is de uitkomst van het verschil tussen
a. de totale personeelsbekostiging, bedoeld in artikel 131 van de wet verminderd met de bekostiging, bedoeld in artikel 35, berekend op grond van het aantal leerlingen op 16 januari van het schooljaar, en
b. de bekostiging, bedoeld in onderdeel a, berekend op basis van het aantal leerlingen op de teldatum.
3.
Aanspraak op de aanvullende bekostiging, bedoeld in het eerste en tweede lid, ontstaat met ingang van 1 augustus van het daaropvolgende schooljaar en wordt betaald in twaalf maandelijkse termijnen.
1.
Aan het bevoegd gezag van een school, niet zijnde een instelling, wordt aanvullende bekostiging voor personeelskosten toegekend indien het verschil tussen
a. het aantal leerlingen op 1 oktober van het schooljaar, en
b. het aantal leerlingen op de teldatum, gelijk is aan of groter is dan de kleinste factor N, bedoeld in de tabel in artikel 14 die op de school van toepassing is.
2.
Indien in het voorafgaande schooljaar toepassing is gegeven aan artikel 37, wordt in afwijking van het eerste lid aanvullende bekostiging voor personeelskosten toegekend indien het verschil tussen
a. het aantal leerlingen op 1 oktober van het schooljaar, en
b. het aantal leerlingen op 16 januari van het voorafgaande schooljaar gelijk is aan of groter is dan de kleinste factor N, bedoeld in de tabel in artikel 14, die op de school van toepassing is.
3.
De aanvullende bekostiging, bedoeld in het eerste en tweede lid, bedraagt 7/12 deel van de uitkomst van het verschil tussen
a. de totale personeelsbekostiging, bedoeld in artikel 131 van de wet verminderd met de bekostiging, bedoeld in artikel 35, berekend op grond van het aantal leerlingen op de teldatum, respectievelijk indien het tweede lid van toepassing is, op 16 januari van het voorafgaande schooljaar, en
b. de bekostiging, bedoeld in onderdeel a, berekend op basis van het aantal leerlingen op 1 oktober van het schooljaar.
4.
Aanspraak op de aanvullende bekostiging ingevolge de voorafgaande leden ontstaat met ingang van 1 januari van het schooljaar en wordt betaald in 7 maandelijkse termijnen.
Artikel 39. Berekening bekostiging ambulante begeleiding in verband met terugplaatsing
Onderwijssoort Terugplaatsing naar basisonderwijs, aantal formatieplaatsen Terugplaatsing naar voortgezet onderwijs of opleiding als bedoeld in art. 7.2.2., eerste lid onder a en b van de WEB, aantal formatieplaatsen
a. dove kinderen 0,1892 0,0872
b. slechthorende kinderen 0,0851 0,0570
c. kinderen met ernstige spraakmoeilijkheden die niet tevens behoren tot de onder a of b bedoelde kinderen 0,0851  
f. lichamelijk gehandicapte kinderen 0,0851 0,0872
h.1° langdurig zieke kinderen met een lichamelijke handicap 0,0851 0,0570
h.2° langdurig zieke kinderen anders dan met een lichamelijke handicap 0,0851 0,0570
j. zeer moeilijk lerende kinderen 0,0851 0,0570
k. zeer moeilijk opvoedbare kinderen 0,0851 0,0570
m. kinderen in scholen verbonden aan pedologische instituten 0,0851 0,0570
n. meervoudig gehandicapte kinderen met de combinatie    
a+j    
b+j    
f+j 0,0851 0,0570
a + blind 0,0851 0,0570
1.
Voor de bekostiging van ambulante begeleiding wordt aan de bevoegd gezagsorganen van scholen waar onderwijs wordt gegeven als bedoeld in artikel 2, tweede lid, onderdeel a tot en met c, f en h, j, k, m en n, van de wet voor de in het tweede lid bedoelde leerlingen per leerling een basisbedrag toegekend, welk bedrag wordt verhoogd met een leeftijdsbedrag dat wordt vermenigvuldigd met de gewogen gemiddelde leeftijd van de leraren van de school op 1 oktober van het voorafgaande schooljaar.
2.
Voor de toepassing van het eerste lid geldt het aantal leerlingen op de teldatum dat in het direct daaraan voorafgaande schooljaar was toegelaten tot de school, niet zijnde een instelling, en dat zonder dat voor hen nog een leerlinggebonden budget beschikbaar is, leerling is van een school als bedoeld in de Wet op het primair onderwijs of de Wet op het voortgezet onderwijs dan wel deelnemer is van een opleiding als bedoeld in artikel 7.2.2., eerste lid onder a en b, van de Wet educatie en beroepsonderwijs.
3.
Voor de berekening van het basisbedrag, bedoeld in het eerste lid, en het leeftijdsbedrag, bedoeld in het eerste lid, wordt de formatie bepaald op de hoeveelheid formatie als aangegeven in onderstaande tabel:
Artikel 40. Berekening bekostiging personeelskosten m.b.t. verbreed toegelaten leerlingen
Indien een leerling, die toelaatbaar is verklaard tot een andere onderwijssoort dan de onderwijssoort die door de school wordt verzorgd, bij de school is ingeschreven met toepassing van artikel 76a van de wet, wordt met betrekking tot die leerling voor de berekening van de bekostiging voor personeelskosten uitgegaan van het bedrag per leerling dat behoort bij de onderwijssoort waarvoor die leerling toelaatbaar is verklaard.
1.
Voor de aanvullende bekostiging voor personeelskosten ten behoeve van de bestrijding van onderwijsachterstanden voor scholen, niet zijnde instellingen, met een aantal leerlingen met een niet-Nederlandse culturele achtergrond op de teldatum boven het aantal van 4, wordt per leerling boven het aantal van 4 een basisbedrag toegekend, welk bedrag wordt verhoogd met een leeftijdsbedrag dat wordt vermenigvuldigd met de gewogen gemiddelde leeftijd van de leraren van de school op 1 oktober van het voorafgaande schooljaar.
2.
Voor de berekening van het basisbedrag, bedoeld in het eerste lid, en het leeftijdsbedrag, bedoeld in het eerste lid, bedraagt de formatie per leerling 0,0385 formatieplaats.
3.
Voor het schooljaar waarin een nieuwe school wordt geopend, wordt het leeftijdsbedrag vermenigvuldigd met de geraamde landelijk gewogen gemiddelde leeftijd van de leraren in het speciaal onderwijs en het voortgezet speciaal onderwijs op 1 oktober van het voorafgaande schooljaar.
Artikel 42. Bekostiging instellingen schooljaar 2014–2015
Voor de berekening van het bedrag per leerling, bedoeld in artikel 117, negende lid, onderdelen a en b, van de wet bedraagt in het schooljaar 2014–2015 voor instellingen de formatie leraren, per leerling de formatie die is aangegeven in onderstaande tabel:
Formatie leraren speciaal onderwijs < 8 jaar speciaal onderwijs ? 8 jaar voortgezet speciaal onderwijs
Hoeveelheid fte’s 0,0565 0,0393 0,0765
1.
Onverminderd de bevoegdheid van de Inspectie van het onderwijs op grond van de Wet op het onderwijstoezicht kan Onze Minister een onderzoek instellen of doen instellen naar de jaarverslaggeving, naar de gegevens die noodzakelijk zijn voor de vaststelling van de bekostiging, naar de rechtmatigheid van de bestedingen en naar de doelmatigheid van het beheer van de school.
2.
Indien uit een op grond van het eerste lid ingesteld onderzoek blijkt dat de bekostiging voor een school onjuist is vastgesteld, kan Onze Minister correcties aanbrengen op de bekostiging. Onze Minister doet het bevoegd gezag schriftelijk mededeling van een besluit tot het aanbrengen van een correctie op de bekostiging.
3.
Indien uit de jaarverslaggeving, bedoeld in artikel 157, eerste lid, van de wet, uit de verklaring van de accountant, bedoeld in artikel 157, vierde lid, van de wet of uit een op grond van het eerste lid ingesteld onderzoek blijkt dat de bekostiging voor een school onrechtmatig is besteed of ondoelmatig is aangewend, kan Onze Minister bepalen dat het desbetreffende gedeelte van de bekostiging niet ten laste komt van het Rijk of dat de daarmee gemoeide bedragen in mindering worden gebracht op de bekostiging, onverminderd artikel 4:49 van de Algemene wet bestuursrecht.
Artikel 44. Betaling i.v.m. correcties
Een in artikel 43, tweede lid, bedoelde correctie wordt, indien de correctie strekt tot verhoging van de bekostiging, binnen acht weken na de mededeling, bedoeld in artikel 43, tweede lid, door Onze Minister betaald.
1.
Voor de toepassing van artikel 150a van de wet wordt onder exploitatieoverschot verstaan:
a. het bedrag van de bekostiging, bedoeld in de artikelen 120, 128 en 131 van de wet, verminderd met de lasten over dat jaar voor zover deze als rechtmatig kunnen worden aangemerkt,
b. de reserveringen voor zover afkomstig uit ’s Rijks kas, met inbegrip van de ontvangen rentebaten, en
c. voor zover het een niet door een gemeente in stand gehouden school betreft, de niet bestede gedeelten van de uitkeringen op grond van de voorschriften inzake de gemeentelijke overschrijding.
2.
Het bevoegd gezag meldt het overeenkomstig het eerste lid berekende saldo, verdeeld naar de onderdelen a en b, respectievelijk c, van het eerste lid tezamen met het jaarverslag over het laatste jaar waarin de school nog geheel of gedeeltelijk voor bekostiging in aanmerking kwam. De opgave gaat vergezeld van een verklaring van een accountant omtrent de juistheid van de opgave.
3.
Indien het exploitatieoverschot van een niet door een gemeente in stand gehouden school mede is opgebouwd uit uitkeringen als bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, en geen onderscheid kan worden gemaakt met de baten respectievelijk de lasten als bedoeld in het eerste lid onderdelen a en b, geldt als maatstaf voor de verdeling van eerstbedoeld deel van het exploitatieoverschot tussen Rijk en de desbetreffende gemeente de verhouding tussen het ontvangen bedrag aan bekostiging van het Rijk en het ontvangen bedrag aan uitkeringen, bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, van de gemeente in een periode van vijf jaren, voorafgaand aan het jaar van de beëindiging van de bekostiging. De verdeling behoeft de goedkeuring van Onze Minister.
1.
De geschillencommissie, bedoeld in artikel 44 van de wet, bestaat uit ten minste 7 leden met verschillende deskundigheden. De leden worden benoemd op gezamenlijke bindende voordracht van de landelijke ouderorganisaties, de landelijke patiënten- en gehandicaptenorganisaties en de sectororganisaties.
2.
De leden worden benoemd en ontslagen door Onze Minister.
3.
De leden worden benoemd voor een periode van 4 jaar en kunnen ten hoogste 2 maal worden herbenoemd.
4.
De commissie is zodanig samengesteld dat zij beschikt over (ortho)pedagogische, psychologische, onderwijskundige, maatschappelijke, bestuurlijke, juridische en medische deskundigheid. Voor de behandeling van ieder ingediend geschil kiest de commissie uit haar leden één voorzitter en twee leden. De commissie bepaalt welke samenstelling bij de behandeling van het geschil het meest geschikt is.
5.
De leden worden ontslagen indien zij daarom verzoeken.
6.
De leden mogen niet deel uitmaken van het bevoegd gezag van een van de scholen die deelnemen aan het samenwerkingsverband of het bevoegd gezag van dat samenwerkingsverband dat betrokken is in het geschil en zij functioneren zonder last of ruggenspraak.
7.
De commissie zendt haar oordeel aan het bevoegd gezag en een afschrift van haar oordeel aan de ouders.
8.
Het bevoegd gezag van de school die het oordeel van de commissie heeft ontvangen, deelt schriftelijk aan de ouders en aan de commissie mee wat er met het oordeel wordt gedaan. Indien de beslissing van het bevoegd gezag van de school afwijkt van het oordeel van de commissie, wordt in de beslissing de reden voor die afwijking vermeld.
Artikel 47. Percentage onderwijstijd in de Engelse, Duitse of Franse taal
Het percentage, bedoeld in artikel 18, derde lid, van de wet, waarin een deel van het onderwijs kan worden gegeven in de Engelse, Duitse of Franse taal is ten hoogste 15% per schooljaar.
Artikel 57. Overgangsartikel met betrekking tot artikel 23, tweede lid
Met besluiten als bedoeld in artikel 23, tweede lid, worden Onze besluiten inzake de vergoeding, bedoeld in artikel 23, die zijn genomen voor 1 januari 1989, gelijkgesteld.
Artikel 58. Overgangsbekostiging scholen cluster 3 en 4
Toelaatbaar verklaard tot speciaal onderwijs aan/van: Formatie indien leerling is ingeschreven op een basisschool/speciale school voor basisonderwijs (prijspeil 1-8-2013) Bedrag indien leerling is ingeschreven op school voor voortgezet onderwijs (prijspeil 1-8-2013)
Lichamelijk gehandicapte kinderen € 520 € 429
Langdurig zieke kinderen met lichamelijk handicap € 468 € 250
Zeer moeilijk lerende kinderen € 313 € 136
Cluster 4 € 468 € 250
Lichamelijk gehandicapt en zeer moeilijk lerend € 468 € 250
1.
De overgangsbekostiging voor personele kosten, bedoeld in artikel XI, eerste en derde lid van de Wet van 11 oktober 2012 tot wijziging van enkele onderwijswetten in verband met een herziening van de organisatie en de financiering van de ondersteuning van leerlingen in het basisonderwijs, speciaal en voortgezet speciaal onderwijs, voortgezet onderwijs en beroepsonderwijs (Stb. 2012, 533) wordt berekend als volgt:
voor iedere leerling die op 1 oktober voorafgaande aan het jaar waarop de bekostiging betrekking heeft, was ingeschreven op een school als bedoeld in de Wet op het primair onderwijs of de Wet op het voortgezet onderwijs , voor wie een leerlinggebonden budget beschikbaar was en aan wie de school blijkens de opgave van eerstbedoelde school ambulante begeleiding verleende, wordt een bedrag toegekend volgens onderstaande tabel.
2.
De overgangsbekostiging voor materiële instandhouding, bedoeld in artikel XI, tweede en vierde lid van de Wet van 11 oktober 2012 tot wijziging van enkele onderwijswetten in verband met een herziening van de organisatie en de financiering van de ondersteuning van leerlingen in het basisonderwijs, speciaal en voortgezet speciaal onderwijs, voortgezet onderwijs en beroepsonderwijs (Stb. 2012, 533) wordt berekend als volgt:
voor iedere leerling die op 1 oktober voorafgaande aan het jaar waarop de bekostiging betrekking heeft was ingeschreven een school als bedoeld in de Wet op het primair onderwijs of de Wet op het voortgezet onderwijs , voor wie een leerlinggebonden budget beschikbaar was en aan wie de school blijkens de opgave van eerstbedoelde school ambulante begeleiding verleende, wordt een bedrag toegekend volgens onderstaande tabel.
1.
Indien de bevoegde gezagsorganen van de onderstaande scholen of vestigingen van scholen besluiten die scholen en vestigingen om te zetten in een instelling al dan niet bestaande uit verschillende nevenvestigingen, komen die instelling en nevenvestiging met ingang van 1 augustus 2015 voor bekostiging in aanmerking:
Auris Prof. Groenschool te Amersfoort
Auris De Kring te Goes
Auris College Rotterdam te Rotterdam
Auris Hildernisseschool te Rotterdam
Auris Taalfontein te Rotterdam
Auris Dr. M. Polanoschool te Rotterdam
Auris Bertha Muller School te Utrecht
Auris De Taalkring te Utrecht
Auris College Utrecht te Utrecht
Auris Taalkring nevenvestiging Hilversum te Hilversum
Auris Hildernisseschool nevenvestiging te Gouda
Auris Ammanschool te Dordrecht
De Weerklank Leiden te Leiden
De Weerklank nevenvestiging Alphen a/d Rijn te Alphen aan de Rijn
De Spreekhoorn te Breda
De Spreekhoorn nevenvestiging te Tilburg.
De Spreekhoorn nevenvestiging te Bergen op Zoom
Prof. van Gilseschool te Haarlem
Prof. van Gilseschool nevenvestiging Beverwijk te Beverwijk
Prof. Van Gilseschool nevenvestiging Hoofddorp te Hoofddorp.
2.
Indien de bevoegde gezagsorganen van de onderstaande scholen of vestigingen van scholen besluiten die scholen en vestigingen om te zetten in een instelling al dan niet bestaande uit verschillende nevenvestigingen, komen die instelling en nevenvestiging met ingang van 1 augustus 2015 voor bekostiging in aanmerking:
School De Voorde te Zoetermeer
School De Voorde te Rijswijk
Kentalis Het Rotsoord te Utrecht
Kentalis Effatha VSO te Zoetermeer
Kentalis Effatha SO De Plataan te Zoetermeer
Kentalis Effatha SO de Tamarinde te Zoetermeer
Kentalis Effatha VSO De Linde te Zoetermeer
Kentalis Scholengemeenschap Signis, Jan Sluytersstraat te Amsterdam
Kentalis Scholengemeenschap Signis, Jan Tooropstraat te Amsterdam
Kentalis Scholengemeenschap Signis, nevenvestiging te Assendelft
Kentalis De Stijgbeugel te Arnhem
Kentalis Dr. P.C.M. Bosschool te Arnhem
Kentalis Terwindt te Groesbeek
Kentalis de Marwindt te Nijmegen
Kentalis Martinus van Beek te Nijmegen
Kentalis Martinus van Beek nevenvestiging te Oss
Kentalis Dr. P.C.M. Bosschool te Silvolde
Kentalis Compas te Sint-Michielsgestel
Kentalis Rafaël te Sint-Michielsgestel
Kentalis Talent A te Vught
Kentalis Talent B te Vught
Kentalis Mariëlla te Sint-Michielsgestel
Kentalis De Skelp te Drachten
Kentalis Tine Marcusschool te Groningen
Kentalis Tine Marcusschool nevenvestiging te Emmen
Kentalis Dr. J. de Graafschool te Groningen
Kentalis Guyotschool voor SO-A te Haren (Gr.)
Kentalis Guyotschool voor SOVSO-B te Haren (Gr.)
Kentalis Guyotschool voor SOVSO-B nevenvestiging te Vries (Gr.)
Kentalis Guyotschool voor VSO te Haren (Gr.)
Kentalis Enkschool nevenvestiging te Zwolle.
3.
Indien de bevoegde gezagsorganen van de onderstaande scholen of vestigingen van scholen besluiten die scholen en vestigingen om te zetten in een instelling al dan niet bestaande uit verschillende nevenvestigingen, komen die instelling en nevenvestiging met ingang van 1 augustus 2015 voor bekostiging in aanmerking:
School De Beemden te Eindhoven
De Beemden nevenvestiging Venlo te Venlo
School de Horst te Eindhoven
De Horst nevenvestiging Venlo te Venlo
School Ekkersbeek te Eindhoven
Ekkersbeek nevenvestiging te Sint-Michielsgestel
Mgr. Hanssenschool te Hoensbroek
Mgr. Hanssenschool nevenvestiging te Roermond.
4.
Indien de bevoegde gezagsorganen van de onderstaande scholen of vestigingen van scholen besluiten die scholen en vestigingen om te zetten in een instelling al dan niet bestaande uit verschillende nevenvestigingen, komen die instelling en nevenvestiging met ingang van 1 augustus 2015 voor bekostiging in aanmerking:
Prof. Huizingschool te Enschede
Het Maatman te Enschede.
5.
Indien de bevoegde gezagsorganen van de onderstaande scholen of vestigingen van scholen besluiten die scholen en vestigingen om te zetten in een instelling al dan niet bestaande uit verschillende nevenvestigingen, komen die instelling en nevenvestiging met ingang van 1 augustus 2015 voor bekostiging in aanmerking:
Alexander Roozendaalschool te Amsterdam
Alexander Roozendaalschool nevenvestiging Purmerend te Purmerend
AG Bell te Amsterdam
Prof. H. Burgerschool te Amsterdam
Cor Emousschool te ’s-Gravenhage
Hendrik Mol te Schagen
Burgemeester de Wildeschool te Schagen
Burgemeester de Wildeschool nevenvestiging Alkmaar te Alkmaar
Burgemeester de Wildeschool nevenvestiging Zwaag
1.
Het samenwerkingsverband, bedoeld in artikel 1 van de Wet op het primair onderwijs en artikel 1 van de Wet op het voortgezet onderwijs is gehouden om, wanneer een bevoegd gezag of een personeelsorganisatie daarom verzoekt, met dat bevoegd gezag en de personeelsorganisaties een op overeenstemming gericht overleg te voeren over het personeel dat in het derde schooljaar waarin artikel 70a van de Wet op het primair onderwijs is vervallen, nog niet zal zijn herplaatst en dat niet als gevolg van natuurlijk verloop zal zijn uitgestroomd op of voor 1 augustus 2016.
2.
Een bevoegd gezag als bedoeld in het eerste lid is het bevoegd gezag van een school als bedoeld in de Wet op de expertisecentra of een centrale dienst, waar het personeel in het schooljaar 2014–2015 in dienst is.
3.
Het personeel, bedoeld in het eerste lid, is het personeel dat op 1 mei 2012 als ambulant begeleider in dienst was bij een school niet zijnde een instelling als bedoeld in de wet , een regionaal expertisecentrum als bedoeld in de wet of een centrale dienst.
4.
Het eerste en tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing ten aanzien van personeel, niet zijnde ambulant begeleiders, dat op 1 mei 2012 is dienst was bij een samenwerkingsverband, een centrale dienst of een regionaal expertisecentrum en dat in het eerste schooljaar waarin artikel 70a van de Wet op het primair onderwijs is vervallen, niet kan worden herplaatst.
5.
Dit artikel is van overeenkomstige toepassing op de rechtspersoon, bedoeld in artikel 170 van de wet voor zover het personeel, bedoeld in het derde of vierde lid, betreft dat in verband met de opheffing van regionale expertisecentra en de beëindiging van de ondersteuningswerkzaamheden bij de samenwerkingsverbanden zoals die bestonden voor 1 augustus 2013, een werkloosheidsuitkering ontvangt.
Artikel 59. Intrekking Bekostigingsbesluit ISOVSO
Het Bekostigingsbesluit ISOVSO (Stb. 1985,728) wordt ingetrokken.
Artikel 60. Citeertitel
Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit bekostiging WEC.
Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat daarvan afschrift zal worden gezonden aan de Raad van State en aan de Algemene Rekenkamer.
's-Gravenhage, 23 december 1987
De Staatssecretaris van Onderwijs en Wetenschappen,
Uitgegeven de dertigste december 1987
De Minister van Justitie,