1.
Anders dan op aanvraag van de ambtenaar, bij wijze van straf of ingevolge
artikel 7 van de Wet Incompatibiliteiten Staten-Generaal en Europees Parlement ,
artikel 88 ,
89 ,
90 ,
91 ,
92 , of
93 kan de ambtenaar worden ontslagen op grond van:
a.
het verlies van een vereiste voor de aanstelling, gesteld bij een regeling aan de benoeming voorafgegaan, tenzij het vereiste alleen voor de aanvang van het ambt geldt;
b.
onherroepelijk geworden rechterlijke uitspraak waarbij de ambtenaar onder curatele is gesteld;
c.
het ondergaan van lijfsdwang wegens schulden krachtens onherroepelijk geworden rechterlijke uitspraak;
d.
onherroepelijk geworden veroordeling tot een vrijheidsstraf wegens misdrijf;
e.
ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte;
f.
het vanuit ziekte verrichten van passende arbeid bij een andere werkgever op grond van
artikel 49b ;
g.
onbekwaamheid of ongeschiktheid voor het door hem beklede ambt, anders dan op grond van ziels- of lichaamsgebreken;
h.
het bereiken van de leeftijd waarop op grond van de
Algemene Ouderdomswet recht op ouderdomspensioen ontstaat;
i.
het bij of in verband met indiensttreding of keuring verstrekken van onjuiste of onvolledige inlichtingen, zonder welke handelwijze niet tot indienstneming of goedkeuring zou zijn overgegaan, tenzij de ambtenaar aannemelijk maakt dat hij te goeder trouw heeft gehandeld, of
j.
het zonder deugdelijke grond weigeren gevolg te geven of medewerking te verlenen aan de verplichtingen, bedoeld in
artikel 49c .
2.
Een ontslag op grond van het eerste lid, onderdelen a, e, f, g en h wordt steeds eervol verleend. Het ontslag kan niet eerder ingaan dan de dag, volgende op die waarop de reden van het ontslag voor het eerst aanwezig was, met dien verstande dat een ontslag op grond van het eerste lid, onderdeel g, eerst kan ingaan vier weken nadat het ontslagbesluit aan de ambtenaar is bekendgemaakt, tenzij sprake is van dringende redenen.
3.
Een ontslag als bedoeld in het eerste lid, onderdeel e, kan slechts plaatsvinden indien:
a.
er sprake is van ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte gedurende een ononderbroken periode van twee jaar,
b.
herstel van zijn ziekte niet binnen een periode van zes maanden na de in onderdeel a genoemde termijn van twee jaar te verwachten is, en
c.
na een zorgvuldig onderzoek is gebleken dat binnen het gezagsbereik van het bevoegd gezag of bij een andere werkgever geen passende arbeid voorhanden is.
4.
Een ontslag als bedoeld in het eerste lid, onderdeel f, kan, behoudens wederzijds goedvinden, slechts plaatsvinden indien:
a.
er sprake is van ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte gedurende een ononderbroken periode van twee jaar,
b.
herstel van zijn ziekte niet binnen een periode van zes maanden na de in onderdeel a genoemde termijn van twee jaar te verwachten is, en
c.
de betrokkene in dienst treedt van de andere werkgever.
5.
Voor de berekening van het tijdvak van twee jaar, bedoeld in het derde lid, onderdeel a, en het vierde lid, onderdeel a, worden perioden van ongeschiktheid tot het verrichten van haar arbeid wegens ziekte tengevolge van zwangerschap voorafgaand aan het zwangerschapsverlof en perioden van ongeschiktheid tijdens het zwangerschaps- of bevallingsverlof, bedoeld in
artikel 55 , niet in aanmerking genomen.
6.
Perioden van ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid, anders dan bedoeld in het vijfde lid, worden samengeteld indien zij elkaar met een onderbreking van minder dan vier weken opvolgen, of indien zij direct voorafgaan aan en aansluiten op een periode waarin zwangerschaps- of bevallingsverlof wordt genoten overeenkomstig
artikel 55 , tenzij de ongeschiktheid redelijkerwijs niet geacht kan worden voort te vloeien uit dezelfde oorzaak.
7.
Om te beoordelen of er sprake is van een situatie als bedoeld in het derde lid, onderdelen a en b, en het vierde lid, onderdelen a en b, vraagt het bevoegd gezag het oordeel van een daartoe door de uitvoeringsinstelling, die de
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering uitvoert ten aanzien van de ambtenaar, aangewezen arts.
8.
De in het zevende lid bedoelde arts betrekt bij zijn beoordeling een door het bevoegd gezag aangewezen arts en, indien de ambtenaar dit wenst, een door de ambtenaar aangewezen arts.
9.
Het bevoegd gezag stelt de ambtenaar er schriftelijk van in kennis dat de procedure, bedoeld in het zevende lid, wordt ingesteld. Daarbij wijst het bevoegd gezag de ambtenaar op de mogelijkheid om een arts van zijn keuze te laten deelnemen aan de procedure.
10.
De kennisgeving, bedoeld in het negende lid, geschiedt niet eerder dan nadat de ambtenaar gedurende een onafgebroken periode van 18 maanden ongeschikt is geweest tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte. Het vijfde lid is hierbij van overeenkomstige toepassing.
11.
De in het zevende lid bedoelde arts stelt naar aanleiding van zijn bevindingen een rapport op. Hij zendt dit rapport aan het bevoegd gezag. Tevens zendt hij een afschrift van dit rapport aan de ambtenaar.
12.
Indien herplaatsing als bedoeld in het derde lid, onder c, plaatsvindt in een betrekking voor minder uren dan het aantal waarvoor de ambtenaar was aangesteld, heeft het ontslag uitsluitend betrekking op het meerdere aantal uren.
13.
Indien sprake is van een situatie als bedoeld in het eerste lid, onderdeel f, en de ambtenaar bij de andere werkgever voor minder uren arbeid verricht dan het aantal waarvoor hij was aangesteld, heeft het ontslag uitsluitend betrekking op het aantal uren dat hij passend werk verricht bij de andere werkgever.
14.
Alvorens op grond van het eerste lid, onderdeel j, ontslag te verlenen, vraagt het bevoegd gezag advies aan het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.