Rechtenmedia.nl - Juridische Online Uitgeverij  Rechtennieuws.nl | Jure.nl | Maxius.nl | Parlis.nl | Rechtenforum.nl | JBmatch.nl | MijnWetten.nl | AdvocatenZoeken.nl | Rechtentotaal.nl
Beleidsregels van de Minister van Economische Zaken voor het opleggen van bestuurlijke boetes door de ACM
Bwb-id:
Officiele titel:
Citeertitel:
Soort regeling:
Wetsfamilies:
Eerst verantwoordelijk ministerie:

Geldigheidsdatum:
Ingangsdatum:
Inhoudsopgave
+ Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen
+ Hoofdstuk 2. Mededinging en energie
+ Hoofdstuk 3. Telecommunicatie
+ Hoofdstuk 4. Consumenten
+ Hoofdstuk 5. Aanbesteden
+ Hoofdstuk 6. Overgangs- en slotbepalingen
Vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature

Juridisch advies nodig?
Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag
Geschiedenis

Geschiedenis-overzicht
Let op. Deze wet is vervallen op 1 augustus 2014. U leest nu de tekst die gold op 31 juli 2014.

Beleidsregels van de Minister van Economische Zaken voor het opleggen van bestuurlijke boetes door de ACM

Beleidsregels van de Minister van Economische Zaken van 19 april 2013, nr. WJZ / 12366159, houdende richtsnoeren voor het opleggen van bestuurlijke boetes op grond van wetgeving, waarvan de Autoriteit Consument en Markt is belast met het toezicht op de naleving (Beleidsregels van de Minister van Economische Zaken voor het opleggen van bestuurlijke boetes door de ACM)
Gelet op artikel 21 van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen, de artikelen 56, 69 tot en met 75a en 76a van de Mededingingswet, artikel 77i van de Elektriciteitswet 1998, artikel 60ad van de Gaswet, artikel IXc van de Wet van 23 november 2006 tot wijziging van de Elektriciteitswet 1998 en van de Gaswet in verband met nadere regels omtrent een onafhankelijk netbeheer (Stb. 2006, 614), artikel 15.4, tweede en vierde lid, van de Telecommunicatiewet, artikel 2.9, eerste lid, onderdeel b jo. 2.7 van de Wet handhaving consumentenbescherming, artikel 4.21, eerste lid, van de Aanbestedingswet 2012 en artikel 3.8, eerste lid, van de Aanbestedingswet op defensie- en veiligheidsgebied;
Besluit:
Artikel 1.1
In deze beleidsregels wordt verstaan onder ACM: de Autoriteit Consument en Markt, genoemd in artikel 2 van de Instellingswet Autoriteit Consument en Markt.
Artikel 1.2
Een bestuurlijke boete wordt op een zodanige hoogte vastgesteld dat deze, in het kader van specifieke preventie, een overtreder weerhoudt van het begaan van een volgende overtreding en, in het kader van algemene preventie, potentiële andere overtreders afschrikt.
Artikel 1.3
Indien de ACM constateert dat een overtreder meerdere overtredingen heeft begaan, kan zij, in plaats van elke overtreding afzonderlijk te beboeten, een bestuurlijke boete opleggen voor deze overtredingen gezamenlijk.
Artikel 1.4
De vastgestelde bestuurlijke boete wordt naar beneden afgerond op een veelvoud van € 500.
Artikel 2.1
Deze afdeling is van toepassing op overtredingen waarvoor de ACM op grond van de Mededingingswet , de Elektriciteitswet 1998 , de Gaswet en de Wet van 23 november 2006 tot wijziging van de Elektriciteitswet 1998 en van de Gaswet in verband met nadere regels omtrent een onafhankelijk netbeheer (Stb. 2006, 614) een bestuurlijke boete kan opleggen.
Artikel 2.2
In deze afdeling wordt verstaan onder:
a. overige overtredingen: de overtredingen van andere bepalingen uit de Mededingingswet dan de artikelen 6 en 24, van bepalingen van de Elektriciteitswet 1998 , de Gaswet en de Wet van 23 november 2006 tot wijziging van de Elektriciteitswet 1998 en van de Gaswet in verband met nadere regels omtrent een onafhankelijk netbeheer (Stb. 2006, 614), ten aanzien waarvan de ACM is belast met de handhaving en die zijn genoemd in Bijlage 1 bij deze beleidsregels, behoudens overtredingen waarvoor de ACM een bestuurlijke boete kan opleggen aan natuurlijke personen;
b. b. betrokken omzet: de opbrengst die door een overtreder tijdens de totale duur van een overtreding is behaald met levering van goederen en diensten waarop die overtreding betrekking heeft, onder aftrek van kortingen en dergelijke, alsmede van over de omzet geheven belastingen;
c. jaaromzet: de netto-omzet van de overtreder, zijnde de opbrengst uit levering van goederen en diensten uit het bedrijf van de overtreder, onder aftrek van kortingen en dergelijke, alsmede van over de omzet geheven belastingen;
d. boetegrondslag: een op grond van een percentage van de betrokken omzet of van een promillage van de totale jaaromzet vastgesteld bedrag, dan wel, indien de overtreder een natuurlijke persoon is, een aan de ernst van de overtreding en het inkomen en vermogen van de overtreder gerelateerd bedrag, dat de basis vormt voor het bepalen van de hoogte van een op te leggen bestuurlijke boete;
e. basisboete: het bedrag dat resulteert wanneer de boetegrondslag is bijgesteld aan de hand van de ernst van de overtreding en, voor zover van toepassing, de basisboetetoeslag of het gewicht van de overtreder, of, in het geval de overtreder een natuurlijke persoon is, het bedrag van de boetegrondslag;
f. basisboetetoeslag: het bedrag waarmee de basisboete wordt verhoogd in geval van het begaan van een zeer zware overtreding van de artikelen 6 of 24 van de Mededingingswet of van de artikelen 101 of 102 van het VWEU.
1.
De ACM bepaalt de hoogte van de bestuurlijke boete op basis van de boetegrondslag, die per overtreding wordt vastgesteld.
2.
Na het bepalen van de boetegrondslag bepaalt de ACM de basisboete door de boetegrondslag bij te stellen aan de hand van de ernst van de overtreding en, voor zover van toepassing, de basisboetetoeslag en het gewicht van de overtreder. Wanneer de boetegrondslag niet wordt bijgesteld aan de hand van de ernst van de overtreding, de basisboetetoeslag of het gewicht van de overtreder, is de basisboete het bedrag dat ook de boetegrondslag is.
3.
Bij de vaststelling van de bestuurlijke boete neemt de ACM voorts boeteverhogende of boeteverlagende omstandigheden in aanmerking en bepaalt in redelijkheid in hoeverre dergelijke omstandigheden tot een verhoging of verlaging van de basisboete leiden.

§ 2.1.3. Overtreding van de artikelen 6 en 24 van de Mededingingswet en van de artikelen 101 en 102 van het VWEU

1.
Bij overtreding van de artikelen 6 en 24 van de Mededingingswet en 101 en 102 van het VWEU stelt de ACM de boetegrondslag vast op basis van de betrokken omzet.
2.
Indien de ACM de betrokken omzet niet op basis van door de overtreder verstrekte informatie kan bepalen, kan de ACM hiervan een schatting maken.
3.
In geval van een verboden aanbestedingsafspraak kan de ACM voor elke deelnemer de omzet die kan worden gerealiseerd op basis van het bod waartegen de opdracht is verleend, of een evenredig deel daarvan, als betrokken omzet aanmerken.
4.
Wanneer geen betrokken omzet kan worden vastgesteld, kan als betrokken omzet worden aangemerkt de omzet van de overtreder op de te beschermen markt gedurende de periode van de overtreding, doch voor ten minste de duur van een jaar.
5.
Wanneer de overtreder op de te beschermen markt geen omzet heeft behaald, kan de ACM de omzet die de betreffende overtreder heeft behaald met zijn eigen bijdrage aan de mededingingsbeperking aanmerken als de betrokken omzet.
6.
Indien de overtreding door een ondernemersvereniging is begaan, kan de betrokken omzet van de daarvan deel uitmakende ondernemingen in aanmerking worden genomen.
7.
De ACM hanteert bij de vaststelling van de betrokken omzet waarden die zijn afgerond op hele euro’s.
Artikel 2.5
De ACM hanteert een boetegrondslag van 10% van de betrokken omzet van de overtreder.
1.
De ACM bepaalt de basisboete door de boetegrondslag te vermenigvuldigen met een factor (E) voor de ernst van de overtreding.
2.
De factor (E) voor de ernst van de overtreding wordt bepaald door de zwaarte van de overtreding in samenhang met de economische context waarin deze overtreding heeft plaatsgevonden. Bij de beoordeling van de economische context houdt de ACM onder meer rekening met de aard van de betrokken goederen of diensten, de omvang van de markt, de grootte van de betrokken overtreders alsmede met het al dan niet gezamenlijke marktaandeel, de structuur van de markt en met de geldende regelgeving en houdt de ACM tevens rekening met de afbreuk of potentiële afbreuk aan het normale mededingingsproces en de weerslag op de economie die de betreffende gedraging in het algemeen heeft.
3.
Bij de vaststelling van de factor (E) onderscheidt de ACM drie typen overtredingen: zeer zware, zware en minder zware overtredingen. Verstrekkende horizontale afspraken worden in ieder geval als zeer zware overtredingen aangemerkt.
4.
Naargelang de ernst van de overtreding wordt de factor (E) vastgesteld op een waarde van ten hoogste 5.
1.
Om ondernemingen ervan te weerhouden zeer zware overtredingen als bedoeld in artikel 2.6, derde lid, van de artikelen 6 of 24 van de Mededingingswet of van de artikelen 101 of 102 van het VWEU te begaan, hanteert de ACM een basisboetetoeslag van maximaal 25% van de betrokken omzet in het laatste volledige jaar dat de onderneming heeft deelgenomen aan de overtreding.
2.
In het kader van specifieke preventie kan de ACM de basisboete bij overtreding van de artikelen 6 en 24 van de Mededingingswet en van de artikelen 101 en 102 van het VWEU aanpassen met het oog op het gewicht van de overtreder, uitgedrukt in de totale jaaromzet van deze overtreder in Nederland in het boekjaar voorafgaande aan de boetebeschikking.
1.
De basis voor vaststelling van de boetegrondslag wordt gevormd door de totale jaaromzet van de overtreder in het boekjaar voorafgaande aan de boetebeschikking.
2.
Bij de toepassing van het eerste lid gaat de ACM uit van de in Nederland behaalde jaaromzet, tenzij deze naar het oordeel van de ACM geen passende beboeting toelaat.
3.
Wat de geografische toerekening van de omzet betreft volgt de ACM de uitgangspunten zoals uiteengezet door de Europese Commissie in de Geconsolideerde mededeling van de Commissie over bevoegdheidskwesties op grond van Verordening (EG) nr. 139/2004 betreffende de controle op concentraties van ondernemingen (PbEU 2008, C 95).
4.
Indien de ACM de totale jaaromzet niet op basis van door de overtreder verstrekte informatie kan bepalen, kan de ACM hiervan een schatting maken.
1.
De boetegrondslag bedraagt een promillage van de totale jaaromzet van de overtreder.
2.
De vaststelling van het promillage vindt plaats overeenkomstig onderstaande categorieën:
3.
In Bijlage 1 worden de overige overtredingen ingedeeld in de daarbij aangewezen categorie.
4.
Wanneer de in het tweede lid bedoelde indeling in een boetecategorie in het concrete geval naar het oordeel van de ACM geen passende beboeting toelaat, kan de naast hogere of de naast lagere categorie worden gehanteerd.
5.
Wanneer de totale jaaromzet van de overtreder hoger is dan € 500.000.000 wordt in plaats van de totale jaaromzet een deel van de jaaromzet gehanteerd. De omzet tot € 500.000.000 telt volledig mee, de omzet tussen € 500.000.000 en € 1.000.000.000 telt voor 10% mee en de omzet boven de € 1.000.000.000 telt voor 1% mee.
1.
De ACM bepaalt de basisboete door de boetegrondslag te vermenigvuldigen met een factor (E) voor de ernst van de overtreding.
2.
De factor (E) voor de ernst van de overtreding wordt bepaald door de mate waarin de overtreding de belangen schaadt die de overtreden bepaling beoogt te beschermen.
3.
Bij de vaststelling van de factor (E) onderscheidt de ACM drie typen overtredingen: zeer ernstige, ernstige en minder ernstige overtredingen.
4.
Naargelang de ernst van de overtreding wordt de factor (E) vastgesteld op een waarde van ten hoogste 5.
1.
De ACM kan een bestuurlijke boete opleggen aan een natuurlijk persoon wegens overtreding van artikel 5:20 van de Algemene wet bestuursrecht en wegens het geven van opdracht tot of het feitelijk leiding geven aan een overtreding van artikel 5:20 van de Algemene wet bestuursrecht, van de bepalingen van de Elektriciteitswet 1998 , de Gaswet , de Wet van 23 november 2006 tot wijziging van de Elektriciteitswet 1998 en van de Gaswet in verband met nadere regels omtrent een onafhankelijk netbeheer (Stb. 2006, 614) en de Mededingingswet , bedoeld in het vierde lid, en van de artikelen 101 en 102 van het VWEU.
2.
In de gevallen genoemd in het eerste lid, stelt de ACM een boetegrondslag vast die gerelateerd is aan de ernst van de overtreding en het inkomen en vermogen van de overtreder, teneinde tot een bestuurlijke boete te komen die uit het oogpunt van zowel algemene als specifieke preventie voldoende afschrikwekkend is. De boetegrondslag is in deze gevallen de basisboete.
3.
Indien de ACM het inkomen en vermogen van de overtreder niet op basis van door de overtreder verstrekte informatie kan bepalen, kan de ACM hiervan een schatting maken.
4.
De boetegrondslag wordt vastgesteld binnen de volgende bandbreedtes:
a. € 10.000 tot € 200.000 voor:
2°. het opdracht geven tot of feitelijk leiding geven aan overtreding van artikel 5:20 van de Algemene wet bestuursrecht;
5°. het opdracht geven tot of feitelijk leidinggeven aan overtreding van artikel IXb, eerste tot en met derde en vijfde of zesde lid, van artikel IXb, zevende lid, juncto artikel IXb, tweede, derde, vijfde of zesde lid, of van artikel IXc, eerste of tweede lid, van de Wet van 23 november 2006 tot wijziging van de Elektriciteitswet 1998 en van de Gaswet in verband met nadere regels omtrent een onafhankelijk netbeheer (Stb. 2006, 614);
6°. het opdracht geven tot of feitelijk leiding geven aan overtreding van de artikelen 25b, eerste of tweede lid, 25e, eerste volzin, 35, 42, 43, 59a, derde lid, 70b of 77a, derde lid, van de Mededingingswet, of
b. € 50.000 tot € 400.000 voor het opdracht geven tot of feitelijk leiding geven aan overtreding van:
5°. de artikelen 101 en 102 van het VWEU.
1.
Bij de vaststelling van de bestuurlijke boete neemt de ACM boeteverhogende of boeteverlagende omstandigheden in aanmerking.
2.
De ACM bepaalt in redelijkheid de mate waarin de betrokken omstandigheid leidt tot een verhoging of verlaging van de basisboete.
1.
Boeteverhogende omstandigheden zijn in ieder geval:
a. de omstandigheid dat de ACM of een andere bevoegde autoriteit, waaronder de Europese Commissie of een rechterlijke instantie, reeds eerder onherroepelijk een zelfde of een vergelijkbare door de overtreder begane overtreding heeft vastgesteld;
b. de omstandigheid dat de overtreder het onderzoek van de ACM heeft belemmerd;
c. de omstandigheid dat de overtreder tot de overtreding heeft aangezet of een leidinggevende rol heeft gespeeld bij de uitvoering daarvan;
d. de omstandigheid dat de overtreder gebruik heeft gemaakt van, of voorzien in, controle- of dwangmiddelen ter handhaving van de verboden gedraging.
2.
In geval van recidive als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, verhoogt de ACM de basisboete met 100%, tenzij dit gezien de omstandigheden van het concrete geval evident onredelijk zou zijn.
Artikel 2.14
Boeteverlagende omstandigheden zijn in ieder geval:
a. de omstandigheid dat de overtreder anders dan in het kader van afdeling 2.2 van dit hoofdstuk, verdergaande medewerking aan de ACM heeft verleend dan waartoe hij wettelijk gehouden was;
b. de omstandigheid dat de overtreder de overtreding uit eigen beweging heeft beëindigd, waarbij meer gewicht toekomt aan het uit eigen beweging beëindigen van de overtreding voordat de ACM een onderzoek is begonnen dan nadat het onderzoek is gestart;
c. de omstandigheid dat de overtreder uit eigen beweging degenen aan wie door de overtreding schade is berokkend, schadeloos heeft gesteld.
Artikel 2.15
Wanneer de ACM een bestuurlijke boete oplegt aan een natuurlijk persoon vanwege het geven van opdracht tot een overtreding of het feitelijk leiding geven aan een overtreding, kan de ACM bij de vaststelling van eventuele boeteverhogende en boeteverlagende omstandigheden, als bedoeld in de artikelen 2.13 en 2.14, rekening houden met de mate van betrokkenheid van de natuurlijke persoon bij het plegen van de overtreding en de positie van de natuurlijke persoon binnen de onderneming, ondernemersvereniging of rechtspersoon waarvoor hij of zij werkzaam is, dan wel werkzaam was.
Artikel 2.16
Voor gedragingen die zowel een overtreding vormen van de artikelen 6 of 24 van de Mededingingswet als van de artikelen 101 of 102 van het VWEU, wordt in beginsel één bestuurlijke boete toereikend geacht.
Artikel 2.17
In afwijking van het bepaalde in de voorgaande artikelen kan de ACM, wanneer de bijzondere omstandigheden van het geval naar haar oordeel hiertoe aanleiding geven, een symbolische bestuurlijke boete opleggen.
Artikel 2.18
Deze afdeling is van toepassing op overtredingen waarvoor de ACM op grond van de Mededingingswet een bestuurlijke boete kan opleggen.
Artikel 2.19
In deze afdeling wordt verstaan onder:
a. wet: de Mededingingswet ;
b. b. clementie: de verlening van boetevermindering aan een onderneming die heeft deelgenomen aan een kartel of aan een natuurlijke persoon als bedoeld in artikel 51, tweede lid, onder 2°, van het Wetboek van Strafrecht, die opdracht tot of feitelijk leiding aan de deelname van een onderneming aan een kartel heeft gegeven;
c. clementieverzoeker: een onderneming of natuurlijke persoon als bedoeld in artikel 51, tweede lid, onder 2°, van het Wetboek van Strafrecht die een beroep doet op deze beleidsregels;
d. kartel: een overeenkomst of onderling afgestemde feitelijke gedraging tussen twee of meer concurrenten met als doel de mededinging te beperken in strijd met artikel 101 van het VWEU of artikel 6 van de wet;
e. clementiecategorie A: een boetevermindering als bedoeld in artikel 2.21;
f. clementiecategorie B: een boetevermindering als bedoeld in artikel 2.22, eerste lid;
g. clementiecategorie C: een boetevermindering als bedoeld in artikel 2.23;
h. marker: een voorlopige plek in de rij van volgorde van binnenkomst van clementieverzoeken betreffende één kartel;
i. clementietoezegging: een document met de rechten en verplichtingen van de ACM en de clementieverzoeker.
Artikel 2.20
De ACM beslist over clementie.
Artikel 2.21
De ACM zegt een clementieverzoeker een boetevermindering van 100% toe indien:
a. hij als eerste een clementieverzoek indient;
b. het clementieverzoek betrekking heeft op een kartel waarnaar de ACM nog geen onderzoek is begonnen;
c. hij met het clementieverzoek de ACM informatie verschaft die de ACM in staat stelt om een gerichte inspectie uit te voeren;
d. hij geen andere onderneming tot deelname aan het kartel heeft gedwongen, en
e. hij aan de medewerkingsplicht, bedoeld in artikel 2.35, voldoet.
1.
De ACM zegt een clementieverzoeker een boetevermindering van ten minste 60% en ten hoogste 100% toe indien:
a. hij als eerste een clementieverzoek indient;
b. het clementieverzoek betrekking heeft op een kartel waarnaar de ACM een onderzoek is begonnen, maar de ACM aan de betrokkenen bij het kartel nog geen rapport als bedoeld in artikel 59, eerste lid, van de wet heeft verzonden,
c. zijn clementieverzoek informatie bevat met aanzienlijke additionele waarde,
d. hij geen andere onderneming tot deelname aan het kartel heeft gedwongen, en
e. hij aan de medewerkingsplicht, bedoeld in artikel 2.35, voldoet.
2.
De ACM zegt een boetevermindering van 100% toe indien een clementieverzoeker als eerste informatie aan de ACM verschaft, waarover de ACM nog niet beschikte en op basis waarvan zij het kartel kan bewijzen.
Artikel 2.23
De ACM zegt een clementieverzoeker een boetevermindering van ten minste 10% en ten hoogste 40% toe indien:
a. hij
1°. als tweede of volgende een clementieverzoek indient ten aanzien van een kartel, voordat de ACM het rapport, bedoeld in artikel 59, eerste lid, van de wet aan een van de betrokkenen bij het kartel heeft verzonden, of
2°. als eerste een clementieverzoek indient als bedoeld in de artikelen 2.21, onder a, of 2.22, eerste lid, onder a, en een andere onderneming tot deelname aan het kartel heeft gedwongen,
b. zijn clementieverzoek informatie bevat met aanzienlijke additionele waarde, en
c. hij aan de medewerkingsplicht, bedoeld in artikel 2.35, voldoet.
1.
Een onderzoek als bedoeld in de artikelen 2.21, onder b, en 2.22, eerste lid, onder b, begint vanaf het moment dat de ACM haar eerste vermoeden van een kartel intern schriftelijk heeft vastgelegd.
2.
Onder informatie met aanzienlijke additionele waarde als bedoeld in de artikelen 2.22, eerste lid, onder c, en 2.23, onder b, wordt verstaan bewijsmateriaal dat aanzienlijk bijdraagt aan het vaststellen van het kartel, gezien de aard en nauwkeurigheid ervan en hetgeen op het tijdstip van verstrekking bij de ACM bekend is.
1.
Een aspirant-clementieverzoeker kan contact opnemen met de ACM om van gedachten te wisselen over een feitencomplex en de toepasselijkheid van deze beleidsregels in dat kader.
2.
Het contact, bedoeld in het eerste lid, kan op anonieme basis of door tussenkomst van een advocaat geschieden en kan over een hypothetisch feitencomplex gaan.
1.
Een aspirant-clementieverzoeker kan telefonisch en uitsluitend door tussenkomst van een advocaat aan de ACM vragen of hij voor clementiecategorie A in aanmerking komt.
2.
Indien de ACM de vraag, bedoeld in het eerste lid, bevestigend beantwoordt, dient de advocaat terstond een clementieverzoek in.
Artikel 2.27
Een clementieverzoek kan worden ingediend door:
a. een onderneming die aan een kartel heeft deelgenomen, vertegenwoordigd door iemand die bevoegd is namens haar bindende afspraken te maken;
b. een natuurlijke persoon, niet namens een onderneming maar uitdrukkelijk voor zichzelf, die opdracht tot of feitelijk leiding aan de deelname van een onderneming aan een kartel heeft gegeven, of
c. meerdere natuurlijke personen tegelijk, niet namens een onderneming maar uitdrukkelijk voor henzelf, die opdracht tot of feitelijk leiding aan de deelname van een onderneming aan een kartel hebben gegeven, mits zij ten tijde van de indiening werkzaam zijn bij dezelfde, bij het kartel betrokken onderneming.
1.
Een natuurlijke persoon die een clementieverzoek indient, kan in aanmerking komen voor dezelfde clementiecategorie als de onderneming waarbij hij werkt, indien hij verklaart als mede-clementieverzoeker van de onderneming te willen worden aangemerkt en hij zelfstandig aan de clementievoorwaarden voldoet.
2.
Indien de ACM oordeelt dat het belang van het onderzoek zich daartegen niet verzet, is het eerste lid van overeenkomstige toepassing op een natuurlijke persoon die ten tijde van de indiening van het clementieverzoek niet meer werkzaam is bij de bij het kartel betrokken onderneming.
3.
Meerdere natuurlijke personen die gelijktijdig een clementieverzoek indienen, komen in aanmerking voor dezelfde clementiecategorie indien zij verklaren als mede-clementieverzoeker van elkaar te willen worden aangemerkt en ieder van hen zelfstandig aan de clementievoorwaarden voldoet.
Artikel 2.29
Een clementieverzoek wordt per e-mail, fax, post, telefoon of in persoon ingediend.
1.
Een clementieverzoek bevat een verklaring met daarin, voor zover de clementieverzoeker bekend op het moment van indiening:
a. een uitdrukkelijk en onvoorwaardelijk beroep op deze beleidsregels;
b. een verklaring van deelname aan het door de clementieverzoeker als zodanig gekwalificeerde kartel, indien de clementieverzoeker een onderneming is;
c. een gemotiveerde verklaring dat de clementieverzoeker als natuurlijke persoon als bedoeld in artikel 51, tweede lid, onder 2°, van het Wetboek van Strafrecht, opdracht tot of feitelijk leiding aan de deelname van een onderneming aan het kartel heeft gegeven, indien clementieverzoeker een natuurlijke persoon is;
d. een gedetailleerde omschrijving van het kartel, waaronder de betrokken goederen of diensten, de geografische reikwijdte, de duur, de werkwijze, de geschatte marktvolumes die door het kartel zijn getroffen, alsmede de specifieke data, locaties, inhoud van en betrokkenen bij de kartelcontacten;
e. de naam en het adres van de clementieverzoeker;
f. de naam en het adres van alle ondernemingen die aan het kartel deelnemen of deelnamen, alsmede de namen, posities, kantoorlocaties en indien relevant, thuisadressen van diegenen die bij het kartel betrokken zijn of waren;
g. of de clementieverzoeker andere mededingingsautoriteiten of de Europese Commissie heeft benaderd of mogelijk zal benaderen met betrekking tot het kartel, en
h. een toelichting op het bewijsmateriaal, bedoeld in het tweede lid.
2.
Een clementieverzoek bevat tevens bewijsmateriaal ter staving van de verklaring, bedoeld in het eerste lid, voor zover dit in het bezit is van de clementieverzoeker of dit voor hem redelijkerwijs beschikbaar is op het tijdstip van indiening.
1.
De ACM staat toe dat de verklaring, bedoeld in artikel 2.30, eerste lid, mondeling wordt afgelegd, indien een clementieverzoeker daartoe een gerechtvaardigd belang aantoont.
2.
In geval van een mondelinge verklaring, wordt de verklaring geregistreerd en wordt daarvan een transcript gemaakt.
1.
Een clementieverzoeker die een onvolledig clementieverzoek ingediend heeft, kan in aanmerking komen voor een marker, indien:
a. het clementieverzoek naar het oordeel van de ACM een concrete basis biedt voor een redelijk vermoeden van de betrokkenheid van de clementieverzoeker bij een kartel, en
b. de clementieverzoeker ten minste informatie verschaft betreffende:
1°. de naam en het adres van de clementieverzoeker;
2°. de betrokkenen bij het kartel;
3°. de betrokken goederen of diensten;
4°. de geografische reikwijdte van het kartel;
5°. de duur van het kartel;
6°. de aard van het kartelgedrag, en
7°. de vraag of hij andere mededingingsautoriteiten of de Europese Commissie heeft benaderd of mogelijk zal benaderen met betrekking tot het kartel.
2.
Indien de ACM voor een clementieverzoeker een marker vaststelt, stelt zij de clementieverzoeker daarbij een termijn waarbinnen deze het clementieverzoek dient te vervolledigen.
3.
Indien het onvolledige clementieverzoek binnen de termijn, bedoeld in het tweede lid, wordt vervolledigd, wordt het clementieverzoek aangemerkt als volledig te zijn geweest vanaf het moment waarop de marker van toepassing is.
4.
Indien het onvolledige clementieverzoek niet binnen de termijn, bedoeld in het tweede lid, wordt vervolledigd, wijst de ACM het clementieverzoek af.
1.
De ACM stelt voorts een marker voor een clementieverzoeker vast, indien:
a. de clementieverzoeker ten aanzien van een kartel als eerste een clementieverzoek indient;
b. de Europese Commissie bij uitstek geschikt is het onderzoek naar het kartel uit te voeren;
c. de clementieverzoeker tevens een clementieverzoek bij de Europese Commissie heeft ingediend of voornemens is dat op korte termijn te doen, en
d. de clementieverzoeker bij indiening van het clementieverzoek ten minste de informatie, bedoeld in artikel 2.32, eerste lid, onder b, verschaft en aangeeft in welke lidstaat of lidstaten van de Europese Unie het bewijs betreffende het kartel zich vermoedelijk bevindt.
2.
Indien de ACM voor een clementieverzoeker een marker vaststelt, kan zij de clementieverzoeker daarbij een termijn stellen waarbinnen deze het clementieverzoek dient te vervolledigen.
3.
Indien het onvolledige clementieverzoek binnen de termijn, bedoeld in het tweede lid, wordt vervolledigd, wordt het clementieverzoek geacht volledig te zijn geweest vanaf het moment waarop de marker van toepassing is.
4.
Indien het onvolledige clementieverzoek niet binnen de termijn, bedoeld in het tweede lid, wordt vervolledigd, wijst de ACM het clementieverzoek af.
Artikel 2.34
De ACM registreert de datum en het tijdstip van ontvangst van een clementieverzoek.
1.
Totdat het besluit tot het opleggen van een bestuurlijke boete onherroepelijk is geworden ten aanzien van iedere betrokkene bij het kartel, verleent een clementieverzoeker alle medewerking die in het belang van het onderzoek of de procedure is vereist.
2.
De medewerkingsplicht, bedoeld in het eerste lid, houdt ten minste in dat de clementieverzoeker:
a. zich onthoudt van gedragingen die het onderzoek of de procedure zouden kunnen belemmeren;
b. vanaf de indiening van het clementieverzoek uit eigen beweging of op verzoek van de ACM zo spoedig mogelijk aan de ACM alle informatie betreffende het kartel verschaft, waarover hij beschikt of redelijkerwijs de beschikking kan krijgen;
c. onmiddellijk na het indienen van het clementieverzoek iedere betrokkenheid bij het kartel staakt, tenzij en voor zover de ACM de voortzetting daarvan redelijkerwijs noodzakelijk acht om de doeltreffendheid van inspecties te waarborgen, en
d. degenen die bij de clementieverzoeker werkzaam zijn, en voor zover redelijkerwijs mogelijk, degenen die voorheen bij de clementieverzoeker werkzaam zijn geweest, beschikbaar houdt voor het afleggen van verklaringen.
Artikel 2.36
De ACM bepaalt het percentage boetevermindering voor een clementieverzoeker als bedoeld in de artikelen 2.22, eerste lid, en 2.23 aan de hand van de datum en het tijdstip, bedoeld in de artikelen 2.32, derde lid, 2.33, derde lid, of 2.34, en de additionele waarde van de informatie die de clementieverzoeker in het kader van zijn clementieverzoek aan de ACM heeft verstrekt.
Artikel 2.37
Indien een clementieverzoeker als bedoeld in de artikelen 2.22, eerste lid, en 2.23:
a. als eerste informatie verschaft waarover de ACM nog niet beschikte, en
b. de ACM deze informatie gebruikt om aan te tonen dat het kartel ernstiger is of langer heeft geduurd dan voordien aan hem bekend was, zal de ACM deze informatie niet in aanmerking nemen bij het vaststellen van de hoogte van de boete die aan de clementieverzoeker wordt opgelegd.
1.
De ACM stelt zo spoedig mogelijk na ontvangst van een clementieverzoek dat in overeenstemming met deze beleidsregels is ingediend een clementietoezegging op.
2.
De clementieverzoeker ondertekent de clementietoezegging.
1.
Met clementietoezeggingen wordt de definitieve volgorde van binnenkomst van clementieverzoeken betreffende een kartel vastgesteld.
2.
De ACM beoordeelt in de gevallen, bedoeld in artikel 2.28, de naleving van de verplichtingen uit de clementietoezegging van iedere mede-clementieverzoeker individueel.
1.
Indien een clementieverzoeker zijn verplichtingen uit de clementietoezegging niet nakomt, vervalt de clementietoezegging.
2.
Indien de clementietoezegging vervalt, kan de ACM de informatie die zij van de clementieverzoeker heeft ontvangen als bewijs gebruiken.
Artikel 2.41
De ACM deelt een clementieverzoeker als bedoeld in de artikelen 2.22, eerste lid, en 2.23 het percentage boetevermindering mee, uiterlijk bij de verzending aan hem van het rapport, bedoeld in artikel 59, eerste lid, van de wet.
Artikel 2.42
De ACM beslist omtrent de boete met inachtneming van de clementietoezegging mits de clementieverzoeker zijn verplichtingen uit de clementietoezegging volledig naleeft.
Artikel 2.43
De ACM zal de informatie die zij verkrijgt:
a. van aspirant-clementieverzoekers tijdens de contacten, bedoeld in de artikelen 2.25, 2.26 of
b. middels te goeder trouw ingediende clementieverzoeken die zij afwijst voordat de betreffende clementieverzoeker een clementietoezegging is gedaan, niet als bewijs tegen de verstrekker van de informatie gebruiken tenzij de verstrekker daarin toestemt of de ACM reeds uit andere hoofde over diezelfde informatie beschikte.
Artikel 2.44
Totdat het rapport, bedoeld in artikel 59, eerste lid, van de wet aan een van de betrokkenen bij het kartel wordt verzonden, maakt de ACM de hoedanigheid van de clementieverzoeker niet aan derden bekend, tenzij daartoe een rechtsplicht bestaat of de clementieverzoeker daarmee heeft ingestemd.
1.
De ACM verleent een geadresseerde van een rapport als bedoeld in artikel 59, eerste lid, van de wet toegang tot een mondelinge verklaring als bedoeld in artikel 2.31, mits de geadresseerde of zijn gemachtigde schriftelijk toezeggen van de verklaring geen kopie te maken en de in de verklaring vervatte informatie uitsluitend te gebruiken in de bestuursrechtelijke procedure.
2.
De ACM zal een mondelinge verklaring als bedoeld in artikel 2.31 alleen overeenkomstig artikel 12 van Verordening (EG) nr. 1/2003 van de Raad van 16 december 2002 betreffende de uitvoering van de mededingingsregels van de artikelen 81 en 82 van het Verdrag (PbEG, 2003 L 1) aan een andere mededingingsautoriteit of de Europese Commissie zenden indien:
a. aan de voorwaarden van de Mededeling van de Commissie van 27 april 2004 betreffende de samenwerking binnen het netwerk van mededingingsautoriteiten (PbEG, 2004 C 101/03) is voldaan, en
b. de door de ontvangende mededingingsautoriteit of de Europese Commissie verleende bescherming tegen openbaarmaking gelijkwaardig is aan die welke de ACM biedt.
Artikel 3.1
Dit hoofdstuk is van toepassing op overtredingen waarvoor de ACM op grond van artikel 15.4, tweede en vierde lid, van de Telecommunicatiewet een bestuurlijke boete kan opleggen.
Artikel 3.2
In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:
a. relevante omzet: de omzet van de onderneming in de elektronische communicatiesector in Nederland bedoeld in artikel 15.4, zesde lid, van de Telecommunicatiewet;
b. betrokken omzet: de opbrengst die door een overtreder tijdens de totale duur van een overtreding is behaald met levering van goederen en diensten waarop die overtreding betrekking heeft, onder aftrek van kortingen en dergelijke, alsmede van over de omzet geheven belastingen;
c. jaaromzet: de netto-omzet van de overtreder, zijnde de opbrengst uit levering van goederen en diensten uit het bedrijf van de overtreder, onder aftrek van kortingen en dergelijke, alsmede van over de omzet geheven belastingen;
d. boetegrondslag: een op grond van een percentage van de betrokken omzet vastgesteld bedrag, dat de basis vormt voor het bepalen van de hoogte van een op te leggen bestuurlijke boete in geval van een overtreding als bedoeld in artikel 15.4, tweede lid, van de Telecommunicatiewet;
e. basisboete: het bedrag dat resulteert wanneer de boetegrondslag is bijgesteld aan de hand van de ernst van de overtreding en, voor zover van toepassing, de basisboetetoeslag of het gewicht van de overtreder in geval van een overtreding als bedoeld in artikel 15.4, tweede lid, van de Telecommunicatiewet of, het bedrag dat is vastgesteld binnen de bandbreedte van de betreffende boetecategorie in geval van een overtreding als bedoeld in artikel 15.4, vierde lid, van de Telecommunicatiewet;
f. basisboetetoeslag: het bedrag waarmee de basisboete wordt verhoogd in geval van een zeer zware overtreding van de in artikel 15.4, tweede lid, onderdelen a en b, van de Telecommunicatiewet bedoelde bepalingen.
Artikel 3.3
De ACM bepaalt de ernst van de overtreding door de zwaarte van de overtreding in abstracto vast te stellen en deze vervolgens te bezien in samenhang met de economische context waarin deze heeft plaatsgevonden alsmede met de bijzondere omstandigheden van het geval.
1.
Bij de bepaling van de zwaarte van de overtreding gelden de doelstellingen van de Telecommunicatiewet , te weten het bevorderen van concurrentie, de ontwikkeling van de interne markt en het bevorderen van de belangen van eindgebruikers als uitgangspunt voor de ACM.
2.
Aan de hand van de in het eerste lid genoemde doelstellingen verdeelt de ACM de mogelijke overtredingen in abstracto in drie categorieën:
a. zeer zware overtredingen: overtredingen waarbij de concurrentie in aanzienlijke mate wordt belemmerd of overtredingen waarbij de belangen van eindgebruikers in aanzienlijke mate worden geschaad;
b. zware overtredingen: overtredingen waardoor de concurrentie wordt belemmerd of de belangen van de eindgebruiker worden geschaad, maar niet in die mate dat deze als zeer zware overtredingen kunnen worden aangemerkt;
c. minder zware overtredingen: overtredingen van verplichtingen waarbij in het algemeen de concurrentie in beperkte mate wordt belemmerd of de belangen van eindgebruikers in beperkte mate worden geschaad.
1.
De vaststelling van de ernst van de overtreding is afhankelijk van de economische context in concreto alsmede de bijzondere omstandigheden van het geval.
2.
De ACM geeft de ernst van de overtreding aan in drie gradaties: zeer ernstige overtredingen, ernstige overtredingen en minder ernstige overtredingen.
1.
De ACM hanteert een boetegrondslag van 10% van de betrokken omzet van de overtreder.
2.
Indien de ACM de betrokken omzet niet op basis van door de overtreder verstrekte informatie kan bepalen, kan zij hiervan een schatting maken.
3.
Wanneer de ACM geen betrokken omzet kan vaststellen, kan zij als betrokken omzet aanmerken de omzet van de overtreder op de te beschermen markt gedurende de periode van de overtreding, doch voor ten minste de duur van een jaar.
1.
De ACM bepaalt de basisboete door de boetegrondslag te vermenigvuldigen met een factor (E) voor de ernst van de overtreding.
2.
De ACM onderscheidt drie factoren:
a. In geval van een minder ernstige overtreding wordt de factor (E) gesteld op een waarde van ten hoogste 1;
b. In geval van een ernstige overtreding wordt de factor (E) gesteld op een waarde van ten hoogste 2;
c. In geval van een zeer ernstige overtreding wordt de factor (E) gesteld op een waarde tussen 1,5 en 5.
1.
In het kader van specifieke preventie kan de ACM de basisboete bij overtredingen als bedoeld in artikel 15.4, tweede lid, van de Telecommunicatiewet aanpassen met het oog op het gewicht van de overtreder, uitgedrukt in de totale jaaromzet van deze overtreder in Nederland in het boekjaar voorafgaande aan de boetebeschikking.
2.
Om ondernemingen als bedoeld in artikel 15.4, tweede lid, van de Telecommunicatiewet ervan te weerhouden zeer zware overtredingen als bedoeld in artikel 3.4, tweede lid, onderdeel a, van deze beleidsregels te begaan, hanteert de ACM een basisboetetoeslag van maximaal 25% van de betrokken omzet in het laatste volledige jaar dat de onderneming heeft deelgenomen aan de overtreding.
Artikel 3.9
De ACM verbindt aan overtredingen als bedoeld in artikel 15.4, vierde lid, van de Telecommunicatiewet een aan de mate van de ernst van de overtreding gekoppelde boetecategorie.
Artikel 3.10
Voor de toepassing van Artikel 3.9 worden de volgende boetecategorieën onderscheiden:
a. In het geval van een minder ernstige overtreding bedraagt de hoogte van de boete maximaal € 100.000;
b. In het geval van een ernstige overtreding bedraagt de hoogte van de boete maximaal € 300.000;
c. In geval van een zeer ernstige overtreding bedraagt de hoogte van de boete maximaal € 450.000.
Artikel 3.11
Binnen de bandbreedte per boetecategorie stelt de ACM met inachtneming van de mate waarin de overtreding aan de overtreder kan worden verweten en, indien daartoe aanleiding bestaat, andere omstandigheden, zoals de duur van de overtreding, de hoogte van de basisboete vast.
Artikel 3.12
De ACM kan bij het vaststellen van de bestuurlijke boete, met inachtneming van het wettelijk boetemaximum, buiten de grenzen van de in artikel 3.10 van deze beleidsregels vermelde boetecategorieën treden onder de in paragraaf 3.5 van deze beleidsregels genoemde omstandigheden.
1.
Bij de vaststelling van de bestuurlijke boete neemt de ACM boeteverhogende of boeteverlagende omstandigheden in aanmerking.
2.
De ACM bepaalt in redelijkheid de mate waarin de betrokken omstandigheid leidt tot een verhoging van de basisboete.
1.
Een boeteverhogende omstandigheid is in ieder geval de omstandigheid dat er sprake is van recidive door dezelfde overtreder ten aanzien van eenzelfde type overtreding.
2.
In geval van recidive verhoogt de ACM de bestuurlijke boete met 100%, tenzij dit percentage gezien de omstandigheden van het concrete geval evident onredelijk zou zijn.
Artikel 3.15
Een boeteverlagende omstandigheid is in ieder geval de omstandigheid dat er sprake is van een overtreding die de overtreder:
a. zelf heeft gesignaleerd;
b. uit eigen beweging onverwijld heeft beëindigd, en
c. op eigen initiatief bij de ACM heeft gemeld voordat de ACM met een onderzoek is begonnen.
Artikel 4.1
Dit hoofdstuk is van toepassing op overtredingen waarvoor de ACM op grond van artikel 2.9, eerste lid, onderdeel b, j° artikel 2.7, van de Wet handhaving consumentenbescherming een bestuurlijke boete kan opleggen.
1.
De hoogte van de bestuurlijke boete wordt vastgesteld binnen de bandbreedtes van de volgende boetecategorieën:
2.
In Bijlage 2 worden de bepalingen waarvan ingeval van overtreding een bestuurlijke boete kan worden opgelegd, ingedeeld in de daarbij aangegeven boetecategorie.
1.
De hoogte van de basisboete wordt vastgesteld binnen de boetebandbreedte van de toepasselijke boetecategorie.
2.
De hoogte van de basisboete wordt afgestemd op:
a. de ernst van de gedraging;
b. de mate van verwijtbaarheid;
c. de omstandigheden waaronder de overtreding is gepleegd;
d. de omstandigheden waarin de overtreder verkeert.
3.
Onder basisboete wordt verstaan de boete die wordt vastgesteld met toepassing van het eerste en tweede lid.
Artikel 4.4
Indien natuurlijke personen worden beboet als overtreder in de hoedanigheid van feitelijk leidinggevende of in de hoedanigheid van opdrachtgever als bedoeld in artikel 51, tweede lid, onder 2°, van het Wetboek van Strafrecht, stemt de ACM de boete af op het inkomen en het vermogen van de overtreder.
Artikel 4.5
Bij de vaststelling van de bestuurlijke boete neemt de ACM boeteverhogende of boeteverlagende omstandigheden in aanmerking.
Artikel 4.6
Boeteverhogende omstandigheden zijn in ieder geval:
a. de omstandigheid dat de overtreder niet meewerkt met het onderzoek van de ACM;
b. de omstandigheid dat er sprake is van recidive door dezelfde overtreder ten aanzien van eenzelfde type overtreding.
Artikel 4.7
Boeteverlagende omstandigheden zijn in ieder geval:
a. de omstandigheid dat de overtreder de overtreding uit eigen beweging heeft beëindigd voordat de ACM een onderzoek is begonnen;
b. de omstandigheid dat de overtreder verdergaande medewerking aan de ACM heeft verleend dan waartoe hij wettelijk gehouden was;
c. de omstandigheid dat de overtreder uit eigen beweging de consumenten aan wie door de overtreding schade is berokkend, schadeloos heeft gesteld.
Artikel 5.1
Dit hoofdstuk is van toepassing op overtredingen waarvoor de ACM op grond van artikel 4.21, eerste lid, van de Aanbestedingswet 2012 of artikel 3.8, eerste lid, van de Aanbestedingswet op defensie- en veiligheidsgebied een bestuurlijke boete kan opleggen.
1.
In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:
2.
De artikelen 1.2 tot en met 1.3 zijn niet van toepassing op dit hoofdstuk.
1.
De hoogte van een boete bedraagt de waarde van het deel van de overeenkomst dat niet vernietigd is vermenigvuldigd met het boetepercentage.
2.
Als niet vernietigd wordt aangemerkt:
a. het gedeelte van de overeenkomst dat niet is vernietigd en
b. het gedeelte van de overeenkomst dat vernietigd is, maar waarover de werking aan die vernietiging is ontzegd.
3.
Indien de waarde van de overeenkomst hoger is dan de eerder door de aanbestedende dienst of het speciale-sectorbedrijf geraamde waarde van de opdracht wordt bij de toepassing van het eerste lid uitgegaan van die geraamde waarde voor het deel van de opdracht waaraan door de vernietiging van de overeenkomst de werking niet is ontzegd.
1.
De waarde van de overeenkomst wordt vastgesteld op grond van de volgende criteria:
a. in een onherroepelijk geworden oordeel van de rechter is de waarde van de overeenkomst vastgesteld;
b. indien onderdeel a niet kan worden toegepast, wordt de waarde van de overeenkomst op basis van een onherroepelijk geworden oordeel van de rechter berekend;
c. indien onderdeel b niet kan worden toegepast, blijkt de waarde van de overeenkomst uit de waarde van de inschrijving of vergelijkbare inschrijvingen;
d. indien onderdeel c niet kan worden toegepast, blijkt de waarde van de overeenkomst uit de documenten waarover de aanbestedende dienst of het speciale-sectorbedrijf beschikt, die betrekking hebben op de aanbestedingsprocedure die ten grondslag aan de overeenkomst ligt of heeft gelegen;
e. indien onderdeel d niet kan worden toegepast, wordt de waarde van de overeenkomst vastgesteld aan de hand van historisch gebruik of verbruik van vergelijkbare opdrachten door de aanbestedende dienst of het speciale-sectorbedrijf;
f. indien onderdeel e niet kan worden toegepast, wordt de waarde van de opdracht vastgesteld aan de hand van opgaven van ondernemingen die vergelijkbare opdrachten gewoonlijk uitvoeren.
2.
De waarde van het deel van de overeenkomst dat niet is vernietigd wordt vastgesteld op de wijze beschreven in het eerste lid.
1.
Indien de aanbestedende dienst of het speciale-sectorbedrijf ten onrechte geen voorafgaande aankondiging van de opdracht heeft bekendgemaakt, bedraagt het boetepercentage 15%.
2.
Indien de omstandigheden van het geval daartoe aanleiding geven, kan de ACM in afwijking van het eerste lid een lager boetepercentage vaststellen.
3.
Het boetepercentage, bedoeld in het eerste lid, wordt in ieder geval lager vastgesteld indien uit een onherroepelijk geworden oordeel van de rechter blijkt dat er sprake is van verzachtende omstandigheden ten aanzien van het ontbreken van die voorafgaande aankondiging.
4.
Indien een gedeeltelijke vernietiging van een overeenkomst is gebaseerd op artikel 4.15, eerste lid, onderdeel c, van de Aanbestedingswet 2012 of artikel 3.2, eerste lid, onderdeel c, van de Aanbestedingswet op defensie- en veiligheidsgebied, zijn voor de vaststelling van het boetepercentage het eerste en tweede lid van overeenkomstige toepassing.
1.
Indien de aanbestedende dienst of het speciale-sectorbedrijf de overeenkomst heeft gesloten tijdens de opschortende termijn bedraagt het boetepercentage 10%.
2.
Indien de omstandigheden van het geval daartoe aanleiding geven, kan de ACM in afwijking van het eerste lid een lager of hoger boetepercentage vaststellen.
3.
Het boetepercentage, bedoeld in het eerste lid wordt in ieder geval verhoogd, indien uit het onherroepelijk geworden oordeel van de rechter blijkt dat er sprake is van verzwarende omstandigheden ten aanzien van het niet in acht nemen van de opschortende termijn.
4.
Het boetepercentage, bedoeld in het eerste lid, wordt in ieder geval verlaagd, indien uit het onherroepelijk geworden oordeel van de rechter blijkt dat er sprake is van verzachtende omstandigheden ten aanzien van het niet in acht nemen van de opschortende termijn.
Artikel 6.1
Op overtredingen waarvan een rapport is opgemaakt voorafgaand aan het tijdstip van inwerkingtreding van deze beleidsregels, wordt beslist met toepassing van de Beleidsregels van de Minister van Economische Zaken voor het opleggen van bestuurlijke boetes door de NMa 2009, de Beleidsregels van de Minister van Economische zaken tot vermindering van bestuurlijke boetes betreffende kartels onderscheidenlijk de Beleidsregels boetetoemeting met betrekking tot het opleggen van bestuurlijke boetes ingevolge artikel 15.4 van de Telecommunicatiewet (Boetebeleidsregels OPTA) (Stcrt. 2010, 5163) zoals deze golden onmiddellijk voorafgaand aan dat tijdstip.
Artikel 6.2
De volgende beleidsregels worden ingetrokken:
a. Beleidsregels van de Minister van Economische Zaken voor het opleggen van bestuurlijke boetes door de NMa 2009 .
b. Beleidsregels van de Minister van Economische Zaken tot vermindering van geldboetes betreffende kartels .
Artikel 6.3
Deze beleidsregels treden in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij worden geplaatst.
Artikel 6.4
Deze beleidsregels worden aangehaald als: Beleidsregels van de Minister van Economische Zaken voor het opleggen van bestuurlijke boetes door de ACM.
Deze beleidsregels zullen met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
De
Minister