Rechtenmedia.nl - Juridische Online Uitgeverij  Rechtennieuws.nl | Jure.nl | Maxius.nl | Parlis.nl | Rechtenforum.nl | JBmatch.nl | MijnWetten.nl | AdvocatenZoeken.nl | Rechtentotaal.nl
Beleidsregels boeteoplegging Arbeidstijdenwet en Arbeidstijdenbesluit vervoer (wegvervoer)
Bwb-id:
Officiele titel:
Citeertitel:
Soort regeling:
Wetsfamilies:
Eerst verantwoordelijk ministerie:

Geldigheidsdatum:
Ingangsdatum:
Inhoudsopgave
Algemeen
Vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature

Juridisch advies nodig?
Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag
Geschiedenis

Geschiedenis-overzicht
Let op. Deze wet is vervallen op 1 maart 2006. U leest nu de tekst die gold op 28 februari 2006.

Beleidsregels boeteoplegging Arbeidstijdenwet en Arbeidstijdenbesluit vervoer (wegvervoer)

Beleidsregels boeteoplegging Arbeidstijdenwet en Arbeidstijdenbesluit vervoer (wegvervoer)
Beleidsregel 1 1. Bij de berekening van een boete als bedoeld in artikel 10:5 van de Arbeidstijdenwet worden voor alle beboetbare feiten als uitgangspunt gehanteerd de normbedragen die gelden voor de onderscheiden onderwerpen in de ‘Tarieflijst boetenormbedragen bestuurlijke boete wegvervoer’ die als bijlage 1 bij deze beleidsregels is gevoegd.
2. Bij de toepassing hiervan wordt onderscheid gemaakt tussen:
a. feiten waarvoor tijdens een bedrijfscontrole eerst een waarschuwing wordt gegeven, een preventief handhavingstraject wordt ingezet of een eis tot naleving wordt gesteld en pas in tweede instantie, nadat nogmaals is geconstateerd dat het betreffende wettelijke voorschrift niet is nageleefd of de betreffende tekortkoming niet is opgeheven, wordt overgegaan tot boeteoplegging;
b. direct beboetbare feiten die worden genoemd in de lijst die is opgenomen als bijlage 2 bij deze beleidsregel.
3. Bij de toepassing van bijlage 2 wordt een onderscheid gemaakt tussen:
a. feiten welke tijdens een wegcontrole worden geconstateerd;
b. feiten welke tijdens een bedrijfscontrole worden geconstateerd.
4. In bijlage 2 wordt bij bedrijfscontroles aangegeven dat er bij rij- en rusttijden sprake is van een dubbele normovertreding, waarmee wordt bedoeld meer dan verdubbeling (bij rijtijden) en/of meer dan een halvering (bij rusttijden) van de wettelijke toegestane norm.
5. Deze beleidsregel is van toepassing op alle beboetbare feiten die als zodanig in de Arbeidstijdenwet zijn aangemerkt en die betrekking hebben op arbeid verricht door personen als bedoeld in artikel 5:12, tweede lid, en arbeid in bedrijven of inrichtingen die rechtstreeks betrekking heeft op arbeid verricht in of op motorrijtuigen als bedoeld in artikel 5:12, tweede lid, onderdeel a, van de Arbeidstijdenwet.
Beleidsregel 2 1. Bij een wegcontrole wordt bij vaststelling van een of meer beboetbare feiten terzake van iedere bestuurder een boeterapport opgemaakt.
2. Bij een wegcontrole wordt bij vaststelling van een of meer beboetbare feiten terzake van een bijrijder een boeterapport opgemaakt.
Beleidsregel 3 1. De totale bij een boetebeschikking op te leggen boete bestaat, in geval er sprake is van meerdere beboetbare feiten, uit de som van de per beboetbaar feit berekende boetebedragen.
2. De boete die per boetebeschikking aan een werkgever, een persoon die, zonder werkgever of werknemer te zijn, of een werknemer kan worden opgelegd, bedraagt. minimaal € 22,–.
Algemeen
Na de Arbeidsomstandighedenwet 1998 kent de Arbeidstijdenwet met het totstandkomen van de Wet bestuurlijke boete Arbeidstijdenwet de bestuurlijke boete als sanctiemogelijkheid bij het niet naleven van de voorschiften die in de Arbeidstijdenwet zijn neergelegd. De bevoegdheid om een dergelijke boete op te leggen gebeurt door de Minister van Verkeer en Waterstaat en de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid tezamen aangewezen ambtenaar. Deze neemt daarbij de daarvoor uitgevaardigde beleidsregels boeteoplegging Arbeidstijdenwet en Arbeidstijdenbesluit vervoer in acht waar het gaat om het wegvervoer.
Bij de besluitvorming in het kader van de boeteoplegging spelen uiteraard de in artikel 3:4 Algemene wet bestuursrecht neergelegde beginselen van zorgvuldigheid bij de besluitvorming, van de belangenafweging en van de evenredigheid.
Als de toepassing van onderhavige beleidsregel voor een of meer belanghebbenden gevolgen heeft die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregel te dienen doelen, dan geeft artikel 4:84 Algemene wet bestuursrecht aan dat van deze beleidsregel moet worden afgeweken. Bij bijzondere omstandigheden gaat het om individuele omstandigheden met een zeer uitzonderlijk karakter (CRvB 5 september 2002, JB 2002, 338).
Eerste en tweede lid, onderdeel b Het niet naleven van daartoe aangemerkte voorschriften van de Arbeidstijdenwet en de daarop gebaseerde besluiten levert een beboetbaar feit op. In een groot aantal situaties zal bij eerste constatering van een beboetbaar feit niet direct sprake zijn van een boeteoplegging, maar zal eerst een waarschuwing worden gegeven, een preventief handhavingstraject worden ingezet of een eis tot naleving worden gesteld waar het gaat om beleidsvoering. De beleidsregel boeteoplegging bevat nadere regels over de wijze waarop de boete wordt berekend. Bij deze beleidsregel behoren de volgende bijlagen:
1. Tarieflijst boetenormbedragen bestuurlijke boete wegvervoer.
2. Lijst direct beboetbare feiten bestuurlijke boete wegvervoer.
De in bijlage 1 genoemde bedragen zijn gelijk aan de bedragen zoals vóór de invoering van de bestuurlijke boete door het Openbaar Ministerie gehanteerd conform de richtlijn Arbeidstijdenbesluit Vervoer (Stcrt. 2001, 133).
Een preventief handhavingstraject houdt onder meer in dat er voorlichting wordt gegeven over de wettelijke voorschriften en begeleiding wordt geboden om de naleving van de wettelijke voorschriften te verbeteren.
Derde lid
Het niet naleven van daartoe aangemerkte voorschriften van de Arbeidstijdenwet en het Arbeidstijdenbesluit vervoer hoofdstuk wegvervoer, levert een beboetbaar feit op. Bij het wegvervoer kan wat betreft de controles een onderscheid worden gemaakt tussen weg- en bedrijfscontroles. In het derde lid van deze beleidsregel is aangegeven dat in bijlage 2 die betrekking heeft op de zogenoemde direct beboetbare feiten, een onderscheid wordt gemaakt tussen feiten die tijdens een wegcontrole en tijdens een bedrijfscontrole worden geconstateerd. Bij wegcontroles is daarbij het uitgangspunt dat alle overtredingen die langs de weg worden en kunnen worden geconstateerd een direct beboetbaar feit opleveren. Op dit beginsel is in bijlage 2 een aantal uitzonderingen gegeven. Bij bedrijfscontroles is de benadering in beginsel dat er geen direct beboetbare feiten zijn, behoudens de daarop gegeven uitzonderingen.
Doordat in het derde lid alleen wordt gesproken van bijlage 2 wordt daarmee impliciet aangegeven dat voor de berekening van de hoogte van de boete een dergelijk onderscheid tussen weg- en bedrijfscontroles niet van belang is.
Vierde lid
In het vierde lid wordt aangegeven wat onder een zogenoemde dubbele normovertreding wordt verstaan. Aangegeven is dat met een dubbele normovertreding wordt bedoeld meer dan een verdubbeling (bij rijtijden) en/of meer dan een halvering (bij rusttijden) van de wettelijke toegestane norm.
Voorbeelden rij- en rusttijden bij vervoer waarop het Arbeidstijdenbesluit vervoer van toepassing is:
a. Tussen twee dagelijkse rusttijden is een totale rijtijd toegestaan van 9 uren. Deze rijtijd mag 2x per week 10 uren zijn (artikel 6 verordening EEG 3820/85).
Er is sprake van overtreding van de dubbele norm met betrekking tot de totale rijtijd, als deze totale rijtijd tussen twee dagelijkse rusttijden méér is dan 20 uren én er tevens sprake is van een dagelijkse ‘rusttijd’ van minder dan 4½ uren bij enkelbemande ritten en minder dan 4 uren bij dubbel bemande ritten.
b. Na 4½ uur rijden moet de bestuurder een onderbreking van tenminste 45 minuten in acht nemen, tenzij hij aan een rusttijd begint (artikel 7 verordening EEG 3820/85).
Er is sprake van overtreding van de dubbele norm met betrekking tot de ononderbroken rijtijd, als deze rijtijd méér bedraagt dan 9 uren
c. In elke periode van 24 uur geniet de bestuurder een dagelijkse rusttijd van tenminste 11 achtereenvolgende uren. Deze mag:
3x per week 9 uren zijn, of
12 uren waarvan één aaneengesloten periode van 8 uren, en de overige 4 uren verdeeld moeten zijn in maximaal twee tijdsblokken met een minimale tijdsduur van 1 uur (artikel 8, eerste lid, verordening EEG 3820/85).
Er is sprake van overtreding van de dubbele norm als de dagelijkse ‘rusttijd’ minder is dan 4½ uur.
d. Tijdens elke periode van 30 uur waarin het voertuig wordt bemand door ten minste twee bestuurders, moeten dezen elk een dagelijkse rusttijd van ten minste acht achtereenvolgende uren genieten (artikel 8, tweede lid verordening EEG 3820/85 ).
e. Er is sprake van overtreding van de dubbele norm als de dagelijkse ‘rusttijd’ minder is dan 4 uur.
Vijfde lid
Deze beleidsregel boeteoplegging geldt uitsluitend daar waar het gaat om de berekening van een boete voor beboetbare feiten die betrekking hebben op het wegvervoer. Daarbij is aangesloten bij de formulering die in artikel 7:2 Arbeidstijdenwet wordt gehanteerd. Voor andere sectoren dan het wegvervoer is een afzonderlijke beleidsregel boeteoplegging van toepassing. Een en ander brengt met zich dat de aard van de arbeid van doorslaggevende betekenis is voor de toepasselijkheid van de verschillende beleidsregels boeteoplegging.
Beleidsregel 2 Beleidsregel 2 is gericht op wegcontroles. Bij een wegcontrole kan/kunnen een of meer beboetbare feiten worden vastgesteld die zijn gepleegd door de bestuurder en zo mogelijk door de bijrijder.
Het eerste lid van deze beleidsregel geeft aan dat als er beboetbare feiten worden geconstateerd wat de bestuurder betreft er een boetrapport wordt opgemaakt.
Het tweede lid van deze beleidsregel schrijft hetzelfde voor voor de bijrijder. Het gaat dan om situaties waarbij beiden afzonderlijk beboetbare feiten plegen of hebben gepleegd.
Mochten beide personen aanwezig zijn in een motorrijtuig en beiden beboetbare feiten hebben gepleegd, dan kan worden volstaan met het opmaken van één boeterapport indien op voorhand duidelijk is dat de werkgever aansprakelijk is waar het gaat om de geconstateerde overtredingen.
Eerste lid
Het eerste lid van deze beleidsregel geeft aan dat de op te leggen boete is samengesteld uit de som van de per beboetbaar feit berekende boetebedragen. Dat hangt samen met artikel 10:5, derde lid, Arbeidstijdenwet, dat wel het cumulatieartikel wordt genoemd. Het uitgangspunt van dit artikellid is dat de beboetbaar gestelde feiten gelden ten opzichte van elk persoon met of ten aanzien van wie het beboetbare feit is begaan en met betrekking tot elke dag in de loop waarvan dat beboetbare feit is begaan. Met andere woorden: voor de berekening van de hoogte van de totale boete in de boetebeschikking geldt het beginsel per man, per dag, per beboetbaar feit.
De hoogte van de totale boete per boeterapport is niet gemaximeerd. De achtergrond van deze keuze ligt in de doelstelling van de bestuurlijke boete in het Arbeidstijdenbesluit Vervoer . De voornaamste doelstelling is de verbetering van de verkeersveiligheid en om onveilige verkeerssituaties die ontstaan door te lang rijden en onvoldoende rusten te voorkomen. De belangen van andere verkeersdeelnemers betekenen dat de overtreding met inachtneming van de wettelijke maxima wordt beboet.
Tweede lid
In het tweede lid van deze beleidsregel wordt aangegeven dat de minimale boete per boetebeschikking € 22,– bedraagt. Op het beginsel dat in het eerste lid van deze beleidsregel is neergelegd en dat inhoudt dat voor de berekening van de totale boete in de boetebeschikking wordt uitgegaan van het beginsel per man, per dag, en per beboetbaar feit wordt geen uitzondering gemaakt of nuancering aangebracht.