Rechtenmedia.nl - Juridische Online Uitgeverij  Rechtennieuws.nl | Jure.nl | Maxius.nl | Parlis.nl | Rechtenforum.nl | JBmatch.nl | MijnWetten.nl | AdvocatenZoeken.nl | Rechtentotaal.nl
Beleidsregel vaststelling gewijzigde eindtermen theoretische accountantsopleiding 2008
Bwb-id:
Officiele titel:
Citeertitel:
Soort regeling:
Wetsfamilies:
Eerst verantwoordelijk ministerie:

Geldigheidsdatum:
Ingangsdatum:
Inhoudsopgave
Eindtermen theoretische Accountantsopleiding 2008
1. Inleiding
1.1. Positionering eindtermen accountantsopleiding
1.2. Verantwoording totstandkoming eindtermen
1.3. Voorwaarden voor een kwalitatief goede accountantsopleiding
1.4. Definitie en reikwijdte van eindtermen
1.5. Functies van de eindtermen
1.6. Eindtermen en curriculumconstructie
1.7. Geldigheid van eindtermen
1.8. Toezicht op de eindtermen
1.9. Samenloop eindtermen theoretische en praktijkopleiding
2. Studiebelasting en vakgebieden
2.1. Uitgangspunten en opzet eindtermen
2.2. Basisstudiebelasting en ects
2.3. Vakgebieden EU-Richtlijn
2.4. Hbo- en wo-kaders
2.5. Ects per vakgebied
2.6. Opleidingsniveau
3. Beschrijving eindtermen
3.1. Inleiding
3.2. Gebruik van eindtermen door de onderwijsinstellingen
3.3. Deskundigheidsniveaus
3.4. Overkoepelende eindtermen
3.4.1. Beroepsethiek
3.4.2. Audit en Assurance
3.4.3. Externe verslaggeving
3.4.4. Bestuurlijke informatieverzorging
3.4.5. Aan de kernvakgebieden gerelateerde bedrijfseconomische/accountancy vakgebieden
3.4.5.1. Boekhouden
3.4.5.2. Management Accounting
3.4.5.3. Financieel Management/Financiering
3.4.5.4. Management & Organisatie
3.4.5.5. Corporate Governance
3.4.6. Overige ondersteunende vakgebieden
3.4.6.1. Recht
3.4.6.2. Belastingrecht
3.4.6.3. Algemene Economie
3.4.6.4. Levensverzekeringswiskunde en Statistiek
4. Mkb component in de AA-opleiding
4.1. Fiscale advisering voor het MKB
4.2. Strategisch Management voor het MKB
Vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature

Juridisch advies nodig?
Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag
Geschiedenis

Geschiedenis-overzicht

Beleidsregel vaststelling gewijzigde eindtermen theoretische accountantsopleiding 2008

Vaststelling gewijzigde eindtermen theoretische accountantsopleiding 2008
De Commissie Eindtermen Accountantsopleiding (CEA) is een bij wet ingesteld zelfstandig bestuursorgaan dat tot taak heeft om eindtermen voor de opleiding tot accountant-administratieconsulent en registeraccountant ( artikel 46 Wet op het Accountantsberoep) vast te stellen. In 2007 heeft de CEA de eindtermen 2008 voor de theoretische opleiding tot accountant-administratieconsulent en registeraccountant vastgesteld.
Jaarlijks beoordeelt de CEA de geldigheid en actualiteit van de eindtermen en brengt zij, indien nodig en wenselijk, een update uit. Nadat de noodzaak en wenselijkheid van aanpassing van de bestaande eindtermen zijn geïnventariseerd, heeft de CEA in haar vergadering van 25 maart 2013 besloten tot (beperkte) bijstelling van de theoretische eindtermen 2008 (grijs gemarkeerd). De gewijzigde eindtermen zijn van kracht met ingang van 1 september 2013.
De eindtermen zijn van belang voor onderwijsinstellingen die de opleiding tot accountant-administratieconsulent en/of registeraccountant aanbieden dan wel willen gaan aanbieden.
De eindtermen, evenals een toelichting op de wijzigingen, liggen ter inzage bij de CEA (Antonio Vivaldistraat 2-8, 1083 HP Amsterdam) en zijn beschikbaar via de website www.ceaweb.nl.
De eindtermen treft u hieronder aan.
Eindtermen theoretische Accountantsopleiding 2008
Betreft: Eindtermen theoretische accountantsopleiding
Auteur: Commissie Eindtermen Accountantsopleiding
Datum: november 2007
Versie: 2008/update 2013/1.5
1. Inleiding
Dit rapport bevat de eindtermen voor de theoretische opleiding tot accountant-administratieconsulent en registeraccountant, zoals vastgesteld door de Commissie Eindtermen Accountantsopleiding in haar vergadering van 20 november 2007. Nadere informatie over het tijdstip en de termijn van invoering wordt afzonderlijk aan de opleidingen verstrekt.
1.1. Positionering eindtermen accountantsopleiding
Als gevolg van de invoering van de Wet toezicht accountantsorganisaties (Wta) per 1 oktober 2006 is de Commissie Eindtermen Accountantsopleiding (CEA) ingesteld. Per 1 januari 2013 is de Wet op het Accountantsberoep (Wab) ingevoerd. De CEA heeft onder meer tot taak het vaststellen van de (theoretische en praktijk) eindtermen van de accountantsopleidingen in Nederland. Daarnaast wijst de CEA opleidingen aan die geheel of gedeeltelijk voldoen aan de eindtermen 1 en toetst zij de mate waarin aan de eindtermen van de praktijkopleiding wordt voldaan.
De Wab regelt het toezicht op accountantsorganisaties en individuele accountants die wettelijke controles uitvoeren. Met dit toezicht beoogt de wetgever het vertrouwen in de accountant en de kwaliteit van de door hem 2 ten behoeve van het publiek gegeven verklaringen te borgen. Naast het toezicht op het functioneren van accountantsorganisaties en accountants is bij invoering van deze wet ook het toezicht op de accountantsopleidingen in Nederland herzien.
De opleiding tot accountant-administratieconsulent (AA) en registeraccountant (RA) bestaat uit een theoretische opleiding en een praktijkopleiding. Een kandidaat kan alleen ingeschreven worden in het register van de Nederlandse Beroepsorganisatie van Accountants (NBA) als hij een opleiding heeft gevolgd, waarbij moet zijn voldaan aan de door de CEA vastgestelde eindtermen. De eindtermen vormen vervolgens de norm om de kwaliteit van de accountantsopleiding vorm te geven en te bewaken.
1.2. Verantwoording totstandkoming eindtermen
De vastgestelde eindtermen zijn gebaseerd op het rapport van juni 2007 van de door de CEA ingestelde Adviescommissie Eindtermen (ACE) onder voorzitterschap van prof. J.C.A. Gortemaker RA. Deze commissie had als opdracht de eindtermen te beschrijven voor de accountant belast met de wettelijke controle van jaarrekeningen en geconsolideerde jaarrekeningen volgens de EU-richtlijn (2006/43/EG) met aandacht voor de natuurlijke adviesfunctie. Tevens is verzocht daarbij de beroepsprofielen van AA en RA te betrekken om vervolgens te komen tot globale, toetsbare eindtermen.
In de adviescommissie zaten vertegenwoordigers van de belangrijkste stakeholders, te weten: wetenschappelijk onderwijs (wo), bekostigd en particulier hoger beroepsonderwijs (hbo) en de beide voormalige beroepsorganisaties NOvAA en NIVRA. De adviescommissie heeft bij het beschrijven van de eindtermen relevante (internationale) documentatie betrokken. De adviescommissie heeft tevens kennis genomen van conceptstukken ter zake toekomstige onderwijsontwikkelingen.
Nadat de adviescommissie haar adviesrapport had uitgebracht heeft de CEA aan alle stakeholders een reactie gevraagd. Dit waren: AC-scholenoverleg, HBO-raad, VAAC, PWA, NOvAA en NIVRA. Ook heeft de CEA enkele personen uit het hbo- en wo-onderwijs uitgenodigd om op persoonlijke titel op het adviesrapport te reageren. De CEA heeft de reacties intensief besproken en waar mogelijk in bijgaande eindtermen verwerkt.
1.3. Voorwaarden voor een kwalitatief goede accountantsopleiding
Voor het bereiken en in stand houden van een kwalitatief goede accountantsopleiding moeten naar het oordeel van de CEA enkele essentiële voorwaarden vervuld zijn. Deze voorwaarden zijn achtereenvolgens:
o kwalificatie-eisen (geformuleerd als eindtermen);
o een curriculum (structuur en inhoud van de opleiding);
o onderwijsprogramma’s, gebaseerd op onderwijsleerdoelen;
o regelingen aangaande toetsing, evaluatie en selectie;
o interne kwaliteitsbewaking (evaluatie van onderwijs en docenten);
o externe kwaliteitstoetsing (visitatie/accreditatie en beleidsgesprekken/aanwijzingen);
o aandacht voor permanente curriculumbijstelling en -ontwikkeling;
o systematische deskundigheidsbevordering van docenten en examinatoren.
1.4. Definitie en reikwijdte van eindtermen
In het onderwijs zijn eindtermen de operationalisatie van de kwalificatie-eisen, waaraan voldaan moet zijn om het diploma, waar een voltooide opleiding recht op geeft, te verwerven. Zij omvatten een concrete beschrijving van de kenmerken van het ‘eindproduct’ van een opleiding. Eindtermen geven antwoord op de vraag wat een persoon die de opleiding heeft afgerond, weet, kan en kan uitvoeren.
Er is bewust voor gekozen om één set eindtermen voor zowel de opleiding tot accountant-administratieconsulent als registeraccountant te ontwerpen. De reden hiervoor is dat beide beroepsbeoefenaren dezelfde bevoegdheid hebben wettelijke controles van jaarrekeningen uit te voeren. Algemeen wordt erkend dat de accountant-administratieconsulent en registeraccountant deels elk een eigen markt(segment) bedienen en een specifiek op die markt toegesneden productportfolio aanbieden. Daarom wordt in de eindtermen ruimte gelaten verschillen in marktsegment en beroepsprofiel tot uitdrukking te brengen. Voorop staat echter dat de wettelijke controle van de jaarrekening uitmondend in een accountantsverklaring, aan dezelfde wet- en regelgeving dient te voldoen. Elke beroepsbeoefenaar die gerechtigd is om wettelijke controles uit te voeren moet daarom voldoen aan de basiseisen die zijn verwoord in de eindtermen.
De eindtermen zien op de beginnende beroepsbeoefenaar. Dit betekent dat van een afgestudeerde accountant-administratieconsulent en registeraccountant niet verwacht mag worden dat deze zelfstandig in alle situaties alle soorten van opdrachten kan uitvoeren. De accountant-administratieconsulent en registeraccountant hebben beiden een eigen verantwoordelijkheid, die in de geldende beroepsregels is verankerd, om voor elke opdracht/situatie afzonderlijk te beoordelen of en op welke wijze zij deze kunnen uitvoeren.
De eindtermen beschrijven primair de eisen die gesteld worden aan de wettelijke controle van jaarrekeningen en geconsolideerde jaarrekeningen, inclusief de daaruit voortvloeiende natuurlijke adviesfunctie. Secundair zien de eindtermen op de bredere functie van de accountant-administratieconsulent en registeraccountant. De eindtermen beschrijven echter niet het volledige beroepsprofiel van de accountant-administratieconsulent en registeraccountant op hetzelfde eindniveau als voor de functie van wettelijk controleur van jaarrekeningen. De CEA is van mening dat de vastgestelde eindtermen ook dienstbaar zijn aan de andere functies dan die van de wettelijke controle van jaarrekeningen van de accountant-administratieconsulent en registeraccountant. Het is aan de onderwijsinstellingen zelf om hier verder vorm en invulling aan te geven, zonder uiteraard de realisatie van de eindtermen voor de wettelijk controleur daarmee in gevaar te brengen. Dat biedt onderwijsinstellingen bij uitstek de mogelijkheid om de opleiding een eigen kleur en identiteit te geven en zich daarmee, indien gewenst, te onderscheiden van andere accountantsopleidingen.
1.5. Functies van de eindtermen
De eindtermen voor de accountantsopleiding vervullen verschillende functies. Allereerst geven de eindtermen richting en sturing aan de inhoud van de accountantsopleidingen, waardoor de kwaliteit geborgd wordt. De eindtermen vormen tevens de kern van de domeinspecifieke aspecten van het toetsingskader voor de accreditatie van opleidingen door de NVAO en voor het aanwijzen van opleidingen door de CEA (zie ook paragraaf 1.8 Toezicht op de eindtermen). Ook bieden de eindtermen de mogelijkheid tot het maken van landelijk bruikbare onderwijsprogramma’s en landelijke toetsen. In het bijzonder de landelijke toetsing draagt bij aan het borgen van de minimumkwaliteit van de opleiding, welke eis de CEA heeft gesteld voor het verkrijgen van een aanwijzing. Tot slot zijn de eindtermen van belang in het kader van de verklaring van vakbekwaamheid die de CEA afgeeft. Zo zijn de betreffende eindtermen ook van toepassing op de examens Nederlands recht en gedrags- en beroepsregels die op grond van artikel 54, lid c van de Wab verplicht zijn voor personen van binnen de EU/EER die een verklaring van vakbekwaamheid willen verkrijgen. Daarnaast zijn de eindtermen relevant voor de beoordeling van de vergelijkbaarheid van diploma’s van personen van buiten de EU/EER die een verklaring van vakbekwaamheid willen verkrijgen.
1.6. Eindtermen en curriculumconstructie
De eindtermen van de accountantsopleiding zoals vastgesteld door de CEA, vormen de basis voor het curriculum van de accountantsopleidingen in Nederland. De eindtermen zijn te kwalificeren als minimumnorm voor de accountantsopleiding. Elke onderwijsinstelling of organisatie die een accountantsopleiding aanbiedt of wil gaan aanbieden, is verantwoor-delijk voor het inrichten van een adequaat curriculum voor de eigen accountantsopleiding. Instellingen dienen de eindtermen te vertalen naar onderwijsleerdoelen 3 die uitmonden in een coherent onderwijsprogramma en literatuuropgave. In de tentamens en examens dienen de eindtermen op een juiste en evenwichtige wijze aan bod te komen. Het staat instellingen vrij om naast de vastgestelde eindtermen aanvullende eindtermen in het curriculum op te nemen of de vastgestelde eindtermen op een hoger niveau op te nemen. Hierdoor bestaat de mogelijkheid van intensivering en specialisatie binnen het curriculum.
1.7. Geldigheid van eindtermen
De hier beschreven eindtermen zijn naar hun aard statisch en daarom kwetsbaar voor onvermijdelijk optredende veranderingen in de beroepspraktijk en/of wet- en regelgeving. Bij de beschrijving van eindtermen is zoveel mogelijk rekening gehouden met de borging van de actualiteit. Het is echter de verantwoordelijkheid van elke instelling om continu de actualiteit van onderwijsprogramma, onderwijsleerdoelen en literatuur te bewaken en te borgen.
De CEA zal jaarlijks de geldigheid en actualiteit van de eindtermen beoordelen en indien nodig updates uitbrengen. Periodiek zullen de eindtermen herzien worden en zal een volledig nieuwe uitgave van de eindtermen uitgebracht worden. Via de website van de CEA www.ceaweb.nl is altijd de laatste uitgave van de eindtermen beschikbaar. Ter stimulering en ondersteuning van het permanente proces van actualisering kunnen suggesties ter aanvulling en/of wijzing van de eindtermen via de website van de CEA worden gemeld.
1.8. Toezicht op de eindtermen
De opleiding tot AA en RA omvat over het algemeen een initieel deel bij een bekostigde of particuliere onderwijsinstelling waarop de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek (Whw) van toepassing is en een postinitieel deel dat buiten de werkingssfeer van de Whw valt.
Studenten moeten om in aanmerking te komen voor inschrijving in een accountantsregister een theoretische en praktijkopleiding gevolgd hebben die voldoet aan de eindtermen. Dit betekent dat voor de theoretische opleiding het geheel van initiële en postinitiële opleiding tezamen moet voldoen aan de eindtermen van de CEA. Hiervan is alleen sprake als de initiële opleiding is geaccrediteerd door de NVAO en de postinitiële opleiding beschikt over een aanwijzing van de CEA en de onderwijsprogramma’s van beide opleidingen zodanig op elkaar aansluiten dat zij de totale set van eindtermen omvatten. Ten behoeve van de te verstrekken aanwijzingen zal de CEA de samenhang tussen initiële en postinitiële opleiding nadrukkelijk beoordelen.
Overigens geldt dat als studenten binnen een studiefase (bachelor, master of postinitieel) overstappen naar een andere onderwijsinstelling, de nieuwe onderwijsinstelling moet vaststellen dat de eindtermen tot aan het moment van overstap zijn behaald mede in relatie tot het eigen curriculum. Bij het toelaten van studenten tot een volgende fase van de accountantsopleiding moet de betreffende onderwijsinstelling vaststellen dat de eindtermen van de eerder gevolgde opleiding nauwgezet aansluiten op de opleiding van de ontvangende onderwijsinstelling. Als niet alle eindtermen afgedekt worden, dient de ontvangende onderwijsinstelling er op toe te zien dat bestaande deficiënties in de eindtermen worden weggewerkt.
Omdat de CEA niet rechtstreeks toeziet op de eindtermen in de initiële opleiding zijn er specifieke afspraken gemaakt met de onderwijsinstellingen die zien op de initiële opleiding. Die afspraken luiden:
o de CEA voert periodiek beleidsgesprekken met de onderwijsinstellingen die het initiële deel van de opleiding tot AA respectievelijk RA aanbieden;
o ten behoeve van de visitaties van de initiële opleidingen voor AA respectievelijk RA worden bij de samenstelling van de leden van het visitatiepanel ten behoeve van de accreditatie door de NVAO in ieder geval die personen gekozen die voorkomen op een lijst van deskundigen van de CEA en wel zodanig dat alle beroepsdisciplines (AA, RA en bedrijfseconomie) in het visitatiepanel zijn afgedekt.
De eisen waaraan instellingen moeten voldoen om in aanmerking te komen voor een aanwijzing door de CEA zijn opgenomen in het ‘Reglement aanwijzing opleiding door de CEA’. Dit reglement is opgenomen op de website van de CEA. Daarnaast vermeldt de aanwijzingsbeschikking nauwkeurig de voorwaarden die verbonden zijn aan een aanwijzing.
1.9. Samenloop eindtermen theoretische en praktijkopleiding
Zoals hiervoor al aangegeven omvat de accountantsopleiding zowel een theoretisch deel als een praktijkdeel. De theoretische opleiding wordt gevolgd bij een of meer onderwijsinstellingen. De praktijkopleiding wordt gevolgd via een door de beroepsorganisaties erkend stagebureau. De verantwoordelijkheid voor de inrichting van de praktijkopleiding en het examen van de praktijkopleiding ligt bij de beroepsorganisaties.
De praktijkopleiding heeft primair als doel om vast te stellen of een persoon de theoretische kennis in de praktijk kan toepassen. Over het algemeen volgt een student een gedeelte van de praktijkopleiding gelijktijdig met het laatste deel van de theoretische opleiding. Daardoor bestaat er automatisch een wisselwerking tussen theoretische opleiding en praktijkopleiding die als zeer nuttig wordt ervaren. De CEA is van mening dat de synergie tussen theoretische opleiding en praktijkopleiding zo groot mogelijk moet zijn. Dit wil de CEA tot uitdrukking brengen door de opzet van de eindtermen voor de theoretische opleiding en de praktijkopleiding waar mogelijk gelijk te houden. De CEA beraadt zich op mogelijkheden om de synergie tussen theorie en praktijk, bijvoorbeeld door middel van integratie, in de toekomst verder te optimaliseren. Dit laat onverlet dat de theoretische opleiding ook nu al mogelijkheden hiervoor biedt, bijvoorbeeld door het uitwerken van praktijksituaties in de onderwijsomgeving en de begeleiding van de praktijkscriptie door opleidingen.
2.1. Uitgangspunten en opzet eindtermen
De eisen voor het theoretische deel van de opleiding tot wettelijk controleur zoals beschreven in de EU-Richtlijn (2006/43) voor wettelijke controles van jaarrekeningen en geconsolideerde jaarrekeningen zijn het uitgangspunt voor de eindtermen. Bij de beschrijving van de eindtermen staat primair de functie van wettelijk controleur en het niveau waaraan het theoretische deel van de opleiding tot wettelijk controleur (gegeven de Richtlijn) ten minste moet voldoen, centraal. De minimaal te realiseren eindtermen, waar het de vakgebieden van de Richtlijn betreft, voor de wettelijk controleur en daarmee voor een AA- en een RA- opleiding, zijn gelijk. Dit betekent dat er één set eindtermen is gedefinieerd voor zowel de AA- als de RA-opleiding.
Voor de in de Richtlijn genoemde vakgebieden, waarvan de theoretische kennis in een (AA- of RA-) opleiding getoetst dient te worden, is een basisstudiebelasting vastgesteld. Deze basisstudiebelasting omvat – gerelateerd aan desbetreffende vakgebieden – het aantal studie-uren dat een voltijdstudent ten minste nodig heeft om het minimaal vereiste theoretische niveau voor de (beginnend) wettelijk controleur te verwerven. De basisstudie-belasting betreft zowel de ‘standaardroutes’ als andere studietrajecten (waaronder de zogenoemde zij-instromers). Ook voor de andere trajecten heeft de basisstudiebelasting een indicatieve (d.w.z. aanwijzende) functie. Overigens geldt uitsluitend voor studenten die de duale variant van de accountantsopleiding volgen dat een deel van de basisstudiebelasting wordt gerealiseerd via de werkperiode in de opleiding.
Voor de opzet van de eindtermen geldt aanvullend dat:
o de eindtermen zo algemeen als mogelijk en zo specifiek als nodig zijn geformuleerd;
o de eindtermen uitsluitend de inhoudsvereisten van de accountantsopleiding omvatten en daardoor niet de eisen weergeven die worden gesteld aan hbo- en wo-instellingen die voortvloeien uit de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek;
o de eindtermen zijn beschreven op het eindniveau.
Tot slot wordt opgemerkt dat de opleiding tot AA en RA mede gericht dient te zijn op het beroepsprofiel van de AA respectievelijk RA, zoals vastgesteld door de betreffende beroepsorganisaties. Daar is rekening mee gehouden bij het vaststellen van de eindtermen, maar de eindtermen zien niet specifiek toe op de brede functie van de AA en de RA.
2.2. Basisstudiebelasting en ects
Mede op grond van een analyse van de bestaande studietrajecten is gekomen tot een basisstudiebelasting van minimaal 200 ects. Benadrukt wordt dat met deze basisstudiebelasting op zichzelf nog geen curriculum voor een volwaardige AA- of RA-opleiding kan worden ingericht.
Voor het bepalen van de studielast is aangesloten op het in Europa in het kader van de bachelor-masterstructuur geldende ects-systeem, waarbij één studiepunt staat voor 28 studie-uren. Het ects-systeem maakt weliswaar geen onderscheid naar hoger beroepsonderwijs (hbo) en wetenschappelijk onderwijs (wo), maar in het Nederlandse stelsel voor hoger onderwijs kan een ‘hbo-ects’ niet gelijk worden gesteld aan een ‘wo-ects’. Derhalve is het te bereiken eindniveau van een vierjarige hbo-bachelor (240 ects) niet hetzelfde als dat van een driejarige wo-bachelor (180 ects) of dat van een wo-bachelor + eenjarige master (240 ects). Met andere woorden: de accountantsopleidingen in het wo zullen de beschreven eindtermen in minder ects kunnen realiseren dan de opleidingen in het hbo, maar tegelijkertijd vanwege de noodzakelijk geachte academische vorming aan meer en in zekere zin ook andere eisen moeten voldoen. Dit geldt voor zowel het totaal aantal ects als het aantal ects per vak. Het vorenstaande komt in het wo onder meer tot uitdrukking in:
o de benaderingswijze (m.n. inzichtgericht) van het onderwijsleerproces;
o het gebruik van overwegend wetenschappelijke literatuur;
o de complexiteit en de theoretische verdieping van de leerstof;
o het uitvoeren van wetenschappelijk onderzoek, respectievelijk het gebruik van de uitkomsten van wetenschappelijk onderzoek in het onderwijsleerproces.
Bovenstaande neemt niet weg dat zowel binnen wo als hbo dezelfde eindtermen moeten worden gerealiseerd. Op deze wijze wordt de doorstroom van hbo naar posthbo vereenvoudigd. Bovendien zal door identieke eindtermen de doorstroom van hbo naar wo naar verwachting gemakkelijker worden. Verondersteld mag immers worden dat de vervolgopleiding erop gericht is studenten te laten voldoen aan inhoud en niveau van de masteropleiding alsmede – daarop aansluitend – alleen dat deel van de eindtermen dat niet reeds door de hbo bacheloropleiding is afgedekt.
Voor de AA-opleiding geldt thans dat een deel van de totale basisstudiebelasting (na de hbo-bachelor in Accountancy van 240 ects) in een posthbo-opleiding is opgenomen. In de RA-opleiding omvat een deel van de basisstudiebelasting nu ook een deel van de postacademische (postmaster) opleiding. In beide studietrajecten komt het totale aantal ects daarmee (ruim) boven de 240.
Naast de verplichting voor het schrijven van een thesis of scriptie in het wetenschappelijk onderwijs respectievelijk stage en afstudeeropdracht in het hoger beroepsonderwijs, biedt het curriculum, uitgaande van de bestaande structuren, een zekere ‘vrije ruimte’. Deze ruimte is onder meer bestemd voor:
o verbreding en verdieping van de wetenschappelijke component in met name de universitaire bachelor- en masteropleidingen;
o verdieping op het terrein van de kernvakken;
o verdieping vanuit het geldende beroepsprofiel;
o eigen profilering van de onderwijsinstelling.
De basisstudiebelasting van 200 ects, biedt – binnen kaders – ruimte voor flexibiliteit en innovatie in een curriculum. Vorenstaande mag niet tot de conclusie leiden dat een volwaardige AA- of RA-opleiding met een omvang van 200 ects kan volstaan. De keuze voor gemeenschappelijke, minimaal te realiseren, eindtermen en eenzelfde basisstudiebelasting betekent evenmin dat de curricula van de opleidingen gemeenschappelijk dienen te zijn.
2.3. Vakgebieden EU-Richtlijn
Zoals hiervoor al gesteld wordt een belangrijk kader voor de inrichting van een accountantsopleiding gegeven door de EU-Richtlijn van 17 mei 2006 betreffende de wettelijke controles van jaarrekeningen en geconsolideerde jaarrekeningen. Deze richtlijn beschrijft de minimumeisen waaraan een opleiding tot wettelijk auditor dient te voldoen, inclusief een beschrijving van de vakgebieden 4 die in zo’n opleiding aan de orde moeten komen. Een voltooide accountantsopleiding (inclusief praktijkopleiding), die recht geeft op inschrijving in het accountantsregister als AA of RA moet (ook) voldoen aan de eisen van bovenbedoelde EU-richtlijn. In de Nederlandse accountants wet- en regelgeving wordt met betrekking tot de opleiding aangesloten op c.q. verwezen naar (de vakgebieden van) de Richtlijn.
Hierna is een “vertaling” opgenomen van de vakgebieden van de Richtlijn met daarbij een opgave van de aantallen ects die ten minste aan een vakgebied in een accountantsopleiding moeten worden toegekend om de beschreven eindtermen van een AA- of een RA-opleiding te kunnen realiseren. De ects hebben niet alleen ten doel de studielast te normeren, maar geven ook een indicatie van de relatieve zwaarte van de vakgebieden.
De toegekende aantallen ects zijn gebaseerd op een analyse van:
o de examenprogramma’s van het voormalige Examenbureau AA en van het voormalige Examenbureau RA;
o het rapport van de Commissie van Zutphen 5 ;
o de door de hbo-accountancy opleidingen en de door de particuliere opleiders geïndiceerde studiepunten per vakgebied voor de hbo-bacheloropleiding accountancy en de posthbo-AA opleidingen.
De vakgebieden van de Richtlijn zijn verdeeld in twee categorieën: de eerste categorie betreft de vakgebieden waarvan de theoretische kennis met name in het examen getoetst dient te worden; de tweede categorie betreft de vakgebieden die eveneens getoetst dienen te worden, dat wil zeggen ‘voor zover deze voor de wettelijke controle van jaarrekeningen van belang zijn’. De Richtlijn laat relatief veel ruimte voor een eigen invulling door de lidstaten; in feite wordt – binnen kaders – slechts aangegeven welke (specifieke onderdelen van dan wel onderwerpen uit) vakgebieden aan de orde moeten komen en dat de meeste aandacht dient uit te gaan naar de kernvakgebieden.
In de Richtlijn worden – vrij vertaald – als kernvakgebieden aangemerkt: Boekhouden, Externe Verslaggeving en Controleleer. In Nederland wordt Boekhouden als ondersteunend vakgebied gezien, terwijl hier ook het vakgebied van Bestuurlijke Informatieverzorging (BIV) als kernvakgebied wordt beschouwd. In de meeste andere EU-lidstaten is BIV geen afzonderlijk kernvakgebied en zijn de tot dit vakgebied behorende eindtermen aan de andere (kern)vakgebieden gerelateerd c.q. hierin opgenomen.
Een en ander leidt tot de volgende indeling van vakgebieden van de Richtlijn. Tabel 1: Vakgebieden EU-Richtlijn, onderverdeeld naar kern- en ondersteunende vakgebieden
Kernvakgebieden
o Informatietechnologie en Informaticasystemen; o Risicomanagement en Interne beheersing. o Wettelijke voorschriften en normen voor de opstelling van jaarrekeningen en geconsolideerde jaarrekeningen; o Internationale standaarden voor jaarrekeningen. o Wettelijke voorschriften en gedrags- en beroepsnormen betreffende de wettelijke controle van jaarrekeningen en geconsolideerde jaarrekeningen en de daarmee belaste wettelijke auditors; Beroepsethiek en onafhankelijkheid; Internationale controlestandaarden; o Controleleer en beroepsvaardigheden.
Ondersteunende vakgebieden
o Algemene theorie en beginselen van de boekhouding; Analytische- en beleidsboekhouding. o Grondbeginselen van financieel bedrijfsbeheer; Financiële analyse; o Algemene-, Financiële- en Bedrijfseconomie. o Recht (Burgerlijk- en handelsrecht, Sociale zekerheidsrecht, Arbeidsrecht, Faillissementsrecht en soortgelijke procedures, Vennootschapsrecht). o Belastingrecht. o Corporate Governance. o Levensverzekeringswiskunde en Statistiek.

In de categorie ‘ondersteunende vakgebieden’ kan nog onderscheid worden gemaakt naar ‘bedrijfseconomische/accountancy vakgebieden’ en overige vakgebieden waarvan kennis van belang is voor de accountant in de functie van wettelijk controleur dan wel voor het kunnen beheersen van de kernvakgebieden. Op grond hiervan en met een in Nederland meer gebruikelijke aanduiding van de vakgebieden dan waarvoor in (de vertaling van de) Richtlijn is gekozen, leidt dit tot de navolgende indeling in drie categorieën. Tabel 2: Vakgebieden EU-Richtlijn in de Nederlandse context
Kernvakgebieden – Auditing & Assurance; – Externe Verslaggeving; – Bestuurlijke Informatieverzorging.
Aan de kernvakgebieden gerelateerde bedrijfseconomische/accountancy vakgebieden – Boekhouden; – Financieel Management, Management Accounting en Financiering; – Management en Organisatie; – Corporate Governance.
Overige ondersteunende vakgebieden – Recht; – Belastingrecht; – Algemene Economie; – Levensverzekeringswiskunde en Statistiek.

Beknopte toelichting:
o Externe Verslaggeving: hieronder te verstaan Financial Accounting & Reporting;
o Bestuurlijke Informatieverzorging (Accounting Information Systems): omvat zowel AO/IC als ICT;
o Auditing & Assurance: de Richtlijn noemt het vakgebied Controleleer (en hiermee samenhangende aspecten). Dit hier te beschouwen als het brede gebied van auditing & assurance(verschaffing);
o Management Accounting: omvat cost accounting, interne berichtgeving en management control.
2.4. Hbo- en wo-kaders
Het theoretische gedeelte van een accountantsopleiding wordt in Nederland in belangrijke mate in de vorm van een bachelor- en een masteropleiding aangeboden. In hoofdlijn zijn er twee modellen:
o de hbo-bachelor accountancy opleiding en een posthbo-opleiding tot AA;
o een wo-bachelor en een wo-master, gevolgd door een postinitiële (postmaster) RA-opleiding.
Een (driejarige) wo-bachelor opleiding omvat 180 ects; een wo-master ten minste 60 ects. De studielast van de postinitiële RA-opleiding kan per universiteit verschillen omdat deze mede afhankelijk is van de gevolgde (bama)vooropleiding. Een (vierjarige) hbo-bacheloropleiding omvat 240 ects.
Een belangrijk onderscheid betreft de wetenschappelijke oriëntatie van een wo-opleiding versus de meer beroepsgerichte oriëntatie van een hbo-opleiding. De AA-opleiding wordt in een hbo-kader aangeboden, de RA-opleiding in een wo-kader, waarbij de hbo-accountancyopleiding ook voor deze opleiding als basis kan fungeren. De wetenschappelijke dimensie van een opleiding komt onder meer tot uitdrukking in de vereiste kennis van het vakgebied (omvang, niveau en diepgang), in het behandelen van (actuele) theoretische concepten en -modellen en internationale- (wetenschappelijke) literatuur en in het (kunnen) verrichten van wetenschappelijk onderzoek. Een hbo-opleiding is in beginsel meer toepassingsgericht en legt daarom een sterker accent op het ontwikkelen van praktische vaardigheden. Deze elementen kunnen, afhankelijk van het doel en de oriëntatie van de opleiding, deels afzonderlijk en deels geïntegreerd, in de vakgebieden aan (de eindtermen van) een curriculum worden toegevoegd.
2.5. Ects per vakgebied
Op grond van de hiervoor geschetste kaders, uitgangspunten en overwegingen is een toedeling van ects per vakgebied (zie tabel 3) gemaakt. Hierbij is uitgegaan van een minimaal aantal ects per categorie, met als doel het vereiste basisniveau voor het desbetreffende vakgebied te markeren. De kernvakgebieden dienen in ieder geval substantieel in de initiële opleidingen aan bod te komen. Het te bereiken eindniveau in deze vakken overstijgt daarbij het niveau van een bacheloropleiding. Tabel 3: Overzicht minimaal aantal studiepunten per vakgebied van een accountantsopleiding
In het curriculum op te nemen vakgebieden Minimaal aantal ects Minimaal totaal per categorie
Kernvakgebieden   90
Auditing & Assurance Externe Verslaggeving Bestuurlijke Informatieverzorging 30 30 30  
Aan de kernvakgebieden gerelateerde bedrijfseconomische/accountancy vakgebieden   65
Boekhouden 1 Management Accounting Financieel Management/Financiering Management en Organisatie Corporate Governance 16–18 16–18 16–18 8–10 3–5  
Overige ondersteunende vakgebieden   45
Recht Belastingrecht Algemene Economie Levensverzekeringswiskunde en Statistiek 10–14 12–16 4–8 6–10  
Totaal 200 200
Vrije ruimte o de thesis of scriptie in het wo dan wel de stage en de afstudeeropdracht in het hbo; o wetenschappelijke component van de vakken, met name in het wo (incl. methodologie en verdieping kwantitatieve methoden en technieken); o verdieping op het terrein van de kernvakken; o verdieping vanuit het beroepsprofiel; o eigen profilering van de onderwijsinstelling. pm  

1 Boekhouden omvat tevens de comptabele aspecten van Management Accounting, Financiering en Financial Accounting en daarnaast ICT-aspecten.
De per categorie en vakgebied toegekende ects geven als geheel een representatief beeld van de relatieve zwaarte en de betekenis van de kernvakgebieden in een accountantsopleiding en zijn daarmee een richtsnoer voor de mate van aandacht die voor het realiseren van de eindtermen ten minste moet worden gegeven aan het desbetreffende vakgebied.
Het totale aantal ects van elke categorie vormt een harde ondergrens; een (volledig) curriculum van een accountantsopleiding dient per categorie minimaal de hiervoor vastgestelde aantallen ects te omvatten. Binnen de drie categorieën gelden de aan de kernvakgebieden toegedeelde studiepunten ook als harde ondergrens. Voor de vakgebieden van de overige twee categorieën wordt per vakgebied als ondergrens een marge gehanteerd van twee ects bij de bedrijfseconomische/accountancyvakken en vier ects bij de overige ondersteunende vakken. Binnen deze categorieën kan per vak het minimum aantal ects in een curriculum dus enigszins verschillen. Het totale aantal ects van de vakgebieden in desbetreffende categorie moet echter wel ten minste het voor die categorie bepaalde minimum omvatten. Dit onderscheid is wenselijk om de verschillende opleidingen de mogelijkheid te bieden om de accenten zwaarder op het ene dan wel het andere vakgebied te leggen, waarbij overigens altijd aan de eindtermen voldaan zal moeten worden.
Voor de drie kernvakgebieden geldt 30 ects per vakgebied voor het minimaal te bereiken niveau. Voor de categorieën ‘aan de kernvakgebieden gerelateerde bedrijfseconomische/ accountancy vakgebieden’ en ‘overige ondersteunende vakgebieden’ geldt 65 respectievelijk 45 ects per categorie. Zo komt het totaal van de in het curriculum van een accountantsopleiding op te nemen vakgebieden uit op minimaal 200 ects. Deze ects zijn ingebed in een accountantsopleiding die kan bestaan uit een bachelor-, een postbachelor-, een master- en een postmasterfase.
De resterende ‘vrije ruimte’ kan binnen wo- of hbo-kader worden toegedeeld aan de te onderscheiden fasen van een accountantsopleiding.
2.6. Opleidingsniveau
Natuurlijke personen kunnen op grond van de Richtlijn slechts toegelaten worden tot het uitvoeren van wettelijke controles van jaarrekeningen als zij, na het niveau te hebben bereikt om tot een universiteit te worden toegelaten of een gelijkwaardig niveau, een theoretische opleiding en praktijkopleiding hebben gevolgd en met goed gevolg een door de lidstaat georganiseerd of erkend vakbekwaamheidsexamen hebben afgelegd waarvan het niveau overeenkomt met een afgesloten universitaire opleiding of een gelijkwaardig niveau.
Voor de opleiding tot accountant-administratieconsulent geldt, met inachtneming van de Richtlijn en rekening houdend met het door de NOvAA vastgestelde beroepsprofiel, dat het vereiste niveau van de opleiding tot uitdrukking komt in het niveau van een afgeronde hbo-bacheloropleiding in het domein economics aangevuld met een op de toekomstige beroepsuitoefening gerichte posthbo-opleiding.
Voor de opleiding tot registeraccountant geldt, met inachtneming van de Richtlijn en op grond van het ontwerp beroepsprofiel 6 van het NIVRA, dat het vereiste niveau van de opleiding tot uitdrukking komt in het niveau van een afgeronde universitaire masteropleiding die aangevuld kan worden met een op de toekomstige beroepsuitoefening gerichte postmasteropleiding.
3.1. Inleiding
Voor de beschrijving van de kernvakgebieden is aansluiting gezocht bij recente notities die door de hoogleraren in deze vakgebieden ten behoeve van de accountantsopleiding zijn opgesteld. Deze notities vormen een ‘state of the art’ beschrijving door de experts in deze vakgebieden. Daarom is aansluiting gezocht bij deze notities, maar zijn ze niet zonder meer één op één overgenomen. Aanpassingen zijn aangebracht onder meer in verband met actuele ontwikkelingen in wet- en regelgeving en specifiek wetenschappelijke of verdiepende componenten in de notities die weliswaar van belang zijn binnen een wetenschappelijke opleiding maar niet binnen een opleiding in het hbo. Wel zijn – in verband met de leesbaarheid van de zelfstandige onderdelen – de opzet van genoemde notities zo veel mogelijk in stand gelaten. Hiermee is gekozen voor leesbaarheid en draagvlak boven een uniforme structuur.
Voor de beschrijving van de overige vakgebieden is aangesloten op de bestaande examen-programma’s van de voormalige examenbureaus. Hierop zijn aanpassingen verricht, zowel in verband met de al hierboven genoemde aspecten en bovendien vanwege actuele ontwikkelingen met betrekking tot ICT en specifiek op het MKB-gerichte eindtermen uit het examenprogramma AA, die afzonderlijk zijn opgenomen in hoofdstuk 4.
Bij de opstelling is rekening gehouden met twee fasen: bachelor-master en postinitieel. De beschrijving van de eindtermen betreft de hiervoor genoemde fasen. Verdere specialisatie behoeft niet in deze fasen opgenomen te worden maar kan, na het voltooien van de accountantsopleiding, in de na-ervaringsfase een plaats krijgen.
Er is geen verplichte literatuur voorgeschreven. Dat is een verantwoordelijkheid van de onderwijsinstellingen. Het is evident dat relevante wet- en regelgeving in alle gevallen deel uitmaakt van de literatuurselectie.
Per vakgebied is sprake van niveauaanduidingen. In 3.3 wordt de niveau-aanduiding toegelicht. Onder 3.4 volgt de beschrijving per vakgebied voor zowel de AA- als de RA-opleiding. Bij de uitwerking kan rekening gehouden worden met aspecten als wo- of hbo-omgeving en complexere huishouding versus een MKB-omgeving. Teneinde bepaalde aspecten van de MKB-component separaat tot uitdrukking te laten komen is in hoofdstuk 4 een nadere beschrijving van Strategisch Management MKB en Fiscale Advisering opgenomen. Deze onderdelen zijn verplicht voor de AA-opleiding.
3.2. Gebruik van eindtermen door de onderwijsinstellingen
Om de actualiteit te borgen, dient bij de eindtermen altijd uitgegaan te worden van de meest recente wet- en regelgeving en actuele ontwikkelingen in het accountantsberoep en de relevante vakgebieden. Studenten die op bepaalde eindtermen getoetst worden, zullen aan de hand van de meest recente wet- en regelgeving getoetst moeten worden. Daar waar eindtermen verwijzen naar specifieke en met name genoemde wet- en regelgeving, dient dan ook altijd de meest recente ter zake zijnde wet- en regelgeving gelezen te worden. Voorts dienen relevante ontwikkelingen in de vakgebieden, zoals uitkomsten van (wetenschappelijk) onderzoek, in de onderwijsprogramma’s een plek te krijgen.
Om aan te sluiten bij de EU-richtlijn is gekozen voor een beschrijving van de eindtermen per vakgebied. Een geïntegreerde benadering van (de bestudering van) deze vakgebieden is van groot belang. Opleidingen dienen daarom te voorzien in specifieke integratie-momenten in de opleiding, in het bijzonder voor de eindtermen van de kernvakgebieden.
Opleidingen zijn vrij in de benaming van vakgebieden die zij hanteren. Eindtermen hoeven niet noodzakelijkerwijs in het vakgebied waaronder ze beschreven zijn toegepast te worden maar kunnen, indien dat wenselijk is, in andere vakgebieden of onderwijseenheden ondergebracht worden. Indien dat gebeurt moet wel afdoende aangetoond worden dat alle eindtermen op het juiste niveau in het curriculum zijn ondergebracht.
3.3. Deskundigheidsniveaus
Teneinde te verduidelijken welk niveau (binnen de kaders van het hoger onderwijs) met een eindterm moet worden bereikt is een driepunt schaal gehanteerd waarin het cijfer 1 staat voor het basisniveau, 2 voor het middenniveau en 3 voor het hoogste niveau. Met deze classificatie wordt een indicatie gegeven van het vereiste c.q. te bereiken deskundigheidsniveau. Hierbij wordt opgemerkt dat sommige onderwerpen en eindtermen zich naar hun aard niet voor behandeling op een hoger niveau lenen.
Met betrekking tot het kennen gaan de niveaus van kennen en begrijpen naar diepgaand inzicht. Daar waar het accent in de eindterm is gelegd op (toepassingsgerichte) vaardigheden, duidt de rangorde op het te bereiken niveau van beheersing (basis-gemiddeld-hoog).
Onderstaande tabel definieert – bij wijze van voorbeeld – de drie niveaus.
3.4. Overkoepelende eindtermen
Alvorens een beschrijving van de eindtermen per vakgebied te geven, zijn hieronder een aantal overkoepelende eindtermen die in een AA- of een RA-opleiding gerealiseerd dienen te worden, beschreven.
Afgestudeerden dienen te beschikken over de capaciteit om:
o specifieke vraagstukken uit de beroepspraktijk op te lossen vanuit een theoretisch conceptueel kader;
o de verworven kennis en vaardigheden toe te passen op (complexe) bedrijfssituaties;
o nieuwe ontwikkelingen in het eigen vakgebied te onderkennen en naar waarde te schatten;
o zowel zelfstandig als in teams te kunnen samenwerken en leiding te geven in de beroepspraktijk;
o de verworven kennis en inzichten op het vakgebied en relationele vaardigheden te gebruiken;
o in de beroepsuitoefening en zowel in woord als in geschrift op adequate wijze te communiceren met beroepsgenoten en niet-deskundigen.
3.4.1. Beroepsethiek
Accountants vervullen een belangrijke maatschappelijke functie en dat geldt in het bijzonder voor de assurancefunctie die centraal staat in de beschrijving van deze eindtermen. Kenmerkend onderscheid van het accountantsberoep is de verantwoordelijkheid te handelen in het algemeen belang; de verantwoordelijkheid van accountants beperkt zich niet tot het behartigen van het belang van een individuele cliënt. Om aan deze verantwoordelijkheid invulling te kunnen geven dienen afgestudeerden:
o grondige kennis en inzicht te hebben in de fundamentele beginselen van de beroepsethiek alsmede in de toepassing daarvan in concrete situaties;
o in de (toekomstige) beroepsuitoefening op een integere wijze te kunnen functioneren, zich te kunnen verantwoorden en in situaties, waarin sprake kan zijn van tegenstrijdige belangen en inzichten, te komen tot een eigen afweging (rechte rug), oordeelsvorming en professioneel handelen;
o met een professioneel-kritische instelling controlewerkzaamheden uit te kunnen voeren;
o inzicht te hebben in de eigen begrenzingen en het vermogen om in specifieke situaties/bedrijfsethische kwesties te kunnen reflecteren op eigen en andermans denken en handelen.
3.4.2. Audit en Assurance
Inleiding
Dit onderdeel bevat de eindtermen voor het vakgebied Audit & Assurance als onderdeel van de theoretische opleiding tot accountant.Eindtermen
Van kandidaten wordt verwacht dat zij na afronding van het vakgebied Audit & Assurance in staat zijn – op grond van de theoretische fundamenten van het vakgebied van de auditing – de hoofdlijn van een doeltreffende en efficiënte aanpak van een specifiek controlevraagstuk te ontwerpen en deze op overtuigende wijze te presenteren. Communicatieve vaardigheid, zowel mondeling als schriftelijk, is daarbij een belangrijk onderdeel.
Kandidaten moeten bij de toetsing er blijk van geven dat zij beschikken over kennis en inzicht zoals mag worden verwacht van een aanstaande accountant in het kader van de Audit & Assurance van jaarrekeningen en van andere financiële verantwoordingen, te weten:
o kennis hebben van de grondslagen van de beroepsuitoefening onder meer bestaande uit economische motieven, relevante wet- en regelgeving en institutionele kaders, alsmede diepgaand inzicht hebben in de ethische aspecten van de beroepsuitoefening.
o kennis hebben van de functie van het accountantsberoep in ‘corporate governance’ en de verslaggevingsketen in het bijzonder.
o ethische aspecten in een specifieke opdracht kunnen onderkennen en (ethische) dilemma’s gemotiveerd weten op te lossen.
o gemotiveerd de aanvaardbaarheid, rationaliteit en uitvoerbaarheid van een specifieke opdracht kunnen uiteen zetten met een oriëntatie op de doelstelling van de opdracht.
o een grondige en onderbouwde analyse kunnen geven van de controlerisico's in een specifieke situatie.
o In die risicoanalyse dient ook aandacht te worden geschonken aan de risico's op het terrein van de interne beheersing (inclusief administratieve organisatie en interne controle) en op het terrein van de externe verslaggeving voor zover van belang voor de financial audit. De bedoelde situaties kunnen zowel opdrachten tot controle van de jaarrekening als bijzondere opdrachten betreffen.
o gemotiveerd een oplossingsrichting kunnen aangeven voor specifieke vraagstukken, in het bijzonder de identificatie van de controle-informatie die nodig is als deugdelijke grondslag voor de uitvoering van de desbetreffende opdracht.
o op basis van de beschikbare controle-informatie een oordeel kunnen vormen en beargumenteren ten aanzien van een specifiek controlevraagstuk met inachtneming van de relevante wet- en regelgeving, evenals de formulering van het oordeel kunnen geven.
o in staat zijn de hoofdlijnen van een accountantsverslag en overige rapportage ten behoeve van de directie en organen belast met governance te beschrijven.
o in staat zijn zich een objectief oordeel te vormen over de getrouwheid van een verantwoording op basis van de beschikbare controle-informatie evenals de formulering van dit oordeel.
Mede op grond van het voorgaande volgt hieronder een nadere uitwerking van de eindtermen.
3.4.3. Externe verslaggeving
Inleiding
Dit onderdeel bevat de eindtermen voor het vakgebied Externe Verslaggeving als onderdeel van de theoretische opleiding tot accountant.
Externe verslaggeving wordt gedefinieerd als de verstrekking van informatie van primair financieel-economische aard in een min of meer gestandaardiseerde vorm door het bestuur van een organisatie aan belanghebbenden en belangstellenden. Tot de belanghebbenden en belangstellenden worden in het bijzonder gerekend de aandeelhouders, banken die krediet verlenen, overige verschaffers van vreemd vermogen, werknemers, leveranciers, afnemers en het algemene publiek.
Kenmerk van externe verslaggeving is dat sprake is van een zekere mate van openbaarheid. Daarmee onderscheidt externe verslaggeving zich van interne verslaggeving (de verslaggeving die vooral gericht is op de informatievoorziening aan bestuurders in een organisatie) en van informatieverschaffing aan de fiscus in het kader van de vaststelling van de belastingaanslag.Raakvlakken met andere disciplines
Externe verslaggeving kan in algemene zin worden beschouwd als een discipline van het bedrijfseconomische vakgebied, maar met een gedeeltelijke juridische inslag. De juridische inslag betreft in het bijzonder het jaarrekeningenrecht en meer in het algemeen het ondernemingsrecht. Het jaarrekeningenrecht betreft primair de wettelijke regeling inzake de inhoud van jaarrekening en jaarverslag. Het ondernemingsrecht omvat gerelateerde vraagstukken als het opmaken, vaststellen en goedkeuren van jaarrekeningen, de rechtspleging rond de jaarrekening, de aansprakelijkheid voor onjuiste jaarrekeningen en het kapitaalbeschermingsrecht.
Externe verslaggeving kent uiteraard diverse raakvlakken met andere bedrijfseconomische deeldisciplines. Ook hier geldt dat de grenzen niet altijd scherp zijn te trekken en dat diverse vraagstukken die samenhangen met de verstrekking van informatie tot verschillende disciplines kunnen worden gerekend.
In het voorgaande werd reeds de interne verslaggeving genoemd. Interne verslaggeving kan vanuit verschillende gezichtspunten worden bekeken:
o de administratieve en comptabele kant: de discipline Boekhouden;
o de organisatie van de interne informatieverzorging, waaronder de betrouwbaarheid van informatie en de adequaatheid van administratieve procedures: de discipline Bestuurlijke Informatieverzorging en Administratieve Organisatie;
o het gebruik van interne informatie voor planning, beheersing, kostprijscalculatie en besluitvorming: de discipline Management accounting, Kostenvraagstukken, Interne verslaggeving of Interne informatieverschaffing.
De gegevens die voortkomen uit het interne informatiesysteem zijn uiteraard ook direct van belang voor de extern te verstrekken informatie. Daarom wordt vooral de discipline Boekhouden ook wel beschouwd als een subdiscipline van Externe verslaggeving. Soms zijn vraagstukken zowel voor de interne verslaggeving als voor de externe verslaggeving expliciet van belang. Gedacht kan worden aan de berekening van de kostprijs van voorraden: deze is zowel van belang voor prijsstelling, margeberekening en assortimentsbeslissing, als voor de waardering op de balans.
Een andere discipline die sterk verwant is met externe verslaggeving is de accountants-controle of auditing. De accountantscontrole is vooral gericht op het vaststellen of externe verslagen, in het bijzonder jaarrekeningen, voldoende betrouwbaar zijn voor de (externe) belanghebbenden en belangstellenden.
Daarmee steunt deze discipline op die van de externe verslaggeving, maar kent zij ook andere vraagstukken als de omvang en de wijze van uitvoering van de controle, de wijze waarop conclusies worden getrokken, de wijze waarop naar de buitenwereld wordt gerapporteerd en de gedrags- en beroepseisen voor controlerende accountants.
Ten slotte noemen wij de discipline financiering en belegging. Vraagstukken die een direct raakvlak hebben met externe verslaggeving en tot beide vakgebieden gerekend kunnen worden betreffen vooral:
o de oordeelsvorming en besluitvorming van (potentiële) aandeelhouders en kredietverschaffers op basis van jaarrekeninginformatie; gedacht kan worden aan ratio-analyse en andere financiële analysevraagstukken en de gevolgen van jaarrekeninggegevens voor beurskoersen;
o cash flow berekeningen, onder andere in het kader van de bepaling van bedrijfs-waarden ten behoeve van de vaststelling van bijzondere waardeverminderingen (‘impairments’), waarmee samenhangend de waardering van ondernemingen of onderdelen daarvan in het kader van fusies en overnames en van de bepaling van de waarde van de goodwill;
o bepalingen van fair values (‘reële waarden’), waaronder toepassingen zoals het Black-Scholes model voor de bepaling van de reële waarde van opties en waarderings-modellen ter bepaling van de reële waarde van financiële instrumenten.
Een controlerend accountant is geen financieel analist of waardebepaler, maar komt in zijn beroepsuitoefening wel met deze vraagstukken in aanraking. Daarom is ten minste een goed begrip nodig van de aspecten die hierbij een rol spelen. Op het onderdeel financiële analyse wordt hierna nog nader daarop ingegaan.Nadere invulling van externe verslaggeving.
In tabel a is een indeling naar object van verslaggeving aangegeven op basis van de volgende twee criteria:
o al dan niet primair van financiële aard;
o al dan niet periodiek. Tabel a: Externe verslaggeving ingedeeld naar object
  Primair financieel van aard Primair niet-financieel van aard
Periodiek ? jaarrekening; ? kwartaal- en halfjaarcijfers; ? financiële persberichten. ? jaarverslag (verslag Raad van Bestuur); ? overige gegevens; ? milieuverslag; ? sociaal verslag; ? maatschappelijk verslag; ? overige externe informatie.
Niet periodiek ? prospectus; ? incidentele vermogens-overzichten. ? brochure van financieel-economische aard; ? (niet-financiële) pers-berichten.

Opgemerkt wordt dat, in navolging van de definitie, externe verslaggeving is beperkt tot informatie van primair financieel-economische aard in min of meer gestandaardiseerde vorm. Niet bij alle in tabel a genoemde objecten wordt hieraan voldaan. Bijvoorbeeld, een milieuverslag dat vooral technisch gericht is (emissiewaarden e.d.) valt in dit kader niet onder de discipline externe verslaggeving (maar wel onder het veel ruimere corporate communications). Maar een milieuverslag met financiële gegevens en financieel-economische informatie (milieukosten, investeringsplannen inzake het milieu) is wel een vorm van financieel-economische externe verslaggeving. Het blijkt opnieuw: de grens is niet scherp. In toenemende mate is er sprake van integrated reporting.
Een andere indeling betreft doel en functie van de vraagstukken waarmee externe verslaggeving zich bezighoudt. In tabel b is hiervan een overzicht opgenomen, gebaseerd op twee criteria:
o al dan niet primair gericht op de inhoud van het object;
o al dan niet met een normatief karakter.
De indeling is overigens enigszins arbitrair en verschillende onderdelen overlappen elkaar. Tabel b. Externe verslaggeving ingedeeld naar doel en functie
  Primair gericht op de inhoud Niet primair gericht op de inhoud
Normatief karakter ? algemene grondslagen; ? wet- en regelgeving inzake inhoud; ? internationale harmoni-satie; ? waardering en resultaat-bepaling. ? wet- en regelgeving en rechtspraak rondom jaarrekening, milieu-verslag e.d.; ? financiële analyse.
Beschrijvend en verklarend ? empirisch onderzoek; ? jaarrekeningbeleid. ? theorievorming; ? geschiedenis.

Het belangrijkste object van de discipline externe verslaggeving is de jaarrekening.
Het belangrijkste kwadrant in tabel b is het kwadrant linksboven: externe verslaggeving in het kader van de accountancyopleiding houdt zich voor het belangrijkste deel bezig met de inhoud, vanuit een normatief gezichtspunt. Dat wil uiteraard niet zeggen dat de andere objecten en kwadranten niet van belang zijn, maar wel dat de aandacht daarvoor geringer zal zijn.Internationale ontwikkelingen
Het vakgebied Externe verslaggeving staat internationaal traditioneel bekend als Financial accounting of Financial reporting. De inhoud loopt in grote mate parallel. Internationaal komt men onder andere de volgende modules tegen (met name in de Verenigde Staten):
o Accounting: brede basismodule, inclusief interne verslaggeving, management accounting en boekhouden;
o Financial Accounting: basismodule voor financial accounting, gericht op algemene aspecten van balans, winst- en verliesrekening en kasstroomoverzicht;
o Intermediate Financial Accounting: vervolgmodule financial accounting, gericht op de specifieke vraagstukken met betrekking tot posten van de balans en winst- en verliesrekening en capita selecta als pensioenen, leasing, belastingen en inflation accounting;
o Advanced Financial Accounting: specialisatiemodule, waarin vooral behandeld worden: consolidatie, fusie en overname, vreemde valuta, financiële instrumenten en bijzondere organisaties (partnerships, overheidsorganisaties, health care organisations, colleges and universities);
o International Accounting: gericht op externe verslaggeving in internationaal perspectief;
o Financial accounting theory: overzicht van theorievorming op het vakgebied;
o Financial Analysis: bespreking van vraagstukken op het gebied van financiële analyse.
In de onder 2 t/m 5 genoemde modules is een belangrijke plaats ingeruimd voor de opvattingen in de regelgeving (nationaal en/of internationaal). Internationaal (vooral in Angelsaksische landen) wordt vaak eerst aandacht besteed aan specifieke vraagstukken en komt pas later in de studie de theorievorming aan de orde.
Een belangrijke ontwikkeling in dit verband is dat het vakgebied, in elk geval vanuit het perspectief van de regelgeving, als gevolg van de internationale harmonisatie steeds internationaler wordt. In dit opzicht is van bijzonder belang dat beursgenoteerde ondernemingen in Europa sinds 2005 verplicht zijn hun geconsolideerde jaarrekening op te stellen op basis van International Financial Reporting Standards (IFRS), opgesteld door de International Accounting Standards Board (IASB). Voorts worden de verschillen met de regels in de Verenigde Staten (US GAAP) steeds kleiner. Deze IFRS hebben ook belangrijke invloed op andere dan beursgenoteerde ondernemingen, hetzij doordat deze (vrijwillig) IFRS toepassen, hetzij doordat IFRS invloed heeft op de nationale wet- en regelgeving.
Een gevolg voor het curriculum is dat het hiervoor genoemde onderdeel ‘international accounting’ nauwelijks meer als zelfstandige module wordt aangemerkt. In de hierna opgenomen eindtermen is reeds met deze ontwikkelingen rekening gehouden.
Een andere ontwikkeling is dat de vraagkant steeds belangrijker wordt: de wensen en eisen die aandeelhouders, financiële analisten, rating agencies e.d aan de externe verslaggeving stellen, nemen steeds meer toe. Deze wensen en eisen kunnen verder gaan dan in de wet- en regelgeving is opgenomen. De discussies over de noodzaak tot transparantie en tot adequate corporate governance dragen hieraan bij.Eindtermen
Het accountancycurriculum leidt op tot de titel van registeraccountant of accountant-administratieconsulent en is vooral gericht op het beroep van openbaar accountant. Daarnaast bestaat aandacht voor de interne accountant en de overheidsaccountant.
De belangrijkste taak van de openbaar accountant is het uitvoeren van de wettelijke controle van jaarrekeningen. Daartoe is een zeer grondige kennis van de vraagstukken van externe verslaggeving noodzakelijk. In dit verband kunnen de navolgende modules worden onderscheiden, waarvan het noodzakelijk is dat de controlerend accountant daarvan kennis heeft.Grondslagen van externe verslaggeving
De accountant dient diepgaand begrip te hebben van de grondslagen van de externe verslaggeving, zoals deze onder andere zijn weergegeven in zogenaamde conceptual frameworks (of, in Nederland, het Stramien voor de opstelling en presentatie van financiële overzichten). Daarbij komen vraagstukken aan de orde zoals de doelstellingen van financiële verslaggeving, de kwaliteitskenmerken, de inhoud van begrippen als ‘activa’ en ‘passiva’ en ‘baten’ en ‘lasten’ en de algemene grondslagen van waardering en resultaatbepaling. Ook discussies die niet direct samenhangen met het conceptual framework zijn hierbij van belang, zoals de verhouding tussen winst- en vermogensbepaling (welke staat voorop?), het ’accounting concept of profit‘ versus het ‘economic concept of profit’, het concept ‘fair value accounting’ en dergelijke.
Begrip van de grondslagen is vooral nodig om te voorkomen dat de accountant functioneert als iemand die uitsluitend de naleving van specifieke regels vaststelt. Integendeel, de accountant dient op basis van zijn professionele oordeelsvorming, primair vast te stellen of de jaarrekening een getrouw beeld geeft en daarmee voldoet aan het wettelijke inzichtvereiste of de eis van een ‘true and fair view’. Het strikt naleven van de regels is voor dit doel niet per definitie voldoende en het kan zelfs nodig zijn om ten behoeve van het inzichtvereiste van strikte regels af te wijken. Daartoe zijn de grondslagen van externe verslaggeving bepalend. Een goede accountant dient te weten in welke gevallen zijn professionele oordeelsvorming noodzaakt van regels af te wijken of additionele eisen te stellen. Daarbij is het ook van belang dat de accountant voldoende inzicht heeft in de mate van noodzakelijke ‘disclosure’ (informatieverschaffing in de toelichting) om te kunnen voldoen aan het kwalitatieve kenmerk van relevante verslaggeving. Tevens dient de accountant begrip te hebben van het jaarrekeningbeleid van ondernemingsleidingen en de economische consequenties die daarvan het gevolg zijn.
Het bovengenoemde Stramien behoeft niet alleen het uitgangspunt te zijn voor financiële verslaggeving, maar kan ook ten grondslag liggen aan externe verslaggeving in brede zin. Zo zijn de regels voor duurzaamheidsverslaggeving van het GRI (Global Reporting Initiative) gebaseerd op dit Stramien. Eindtermen
Nr Onderwerp niveau
1 De grondslagen van de externe verslaggeving. 3
2 De grondslagen van de Nederlandse wet en regelgeving met betrekking tot verslaggeving en van IFRS. 3
3 Het institutioneel kader van de verslaggeving in Nederland en van IFRS. 1
4 De professionele oordeelsvorming van de accountant bij de toepassing van verslaggevingsnormen. 3
5 De algemene beginselen voor waardering en resultaatbepaling toepassen, waaronder het concept van ‘fair value accounting’. 3
6 Het jaarrekeningenbeleid van ondernemingsleidingen in hoofdlijnen en de economische consequenties van jaarrekeningenbeleid. 2
7 In hoofdlijnen de regels voor duurzaamheidsverslaggeving. 1
Toepassingen externe verslaggeving
Met betrekking tot de toepassingen van financiële verslaggeving kan een nadere indeling worden gemaakt van de diverse vraagstukken:
o Ethische aspecten bij verslaggevingsvraagstukken kunnen onderkennen en (ethische) dilemma’s gemotiveerd weten op te lossen.
o Op basis van de post in de balans en winst- en verliesrekening: immateriële vaste activa, materiële vaste activa, financiële vaste activa, voorraden, vorderingen, effecten, liquide middelen, eigen vermogen, voorzieningen, schulden, omzet, bedrijfsresultaat, bijzondere baten en lasten.
o Op basis van de aard van het jaarrekeningprobleem: het op de balans opnemen van activa en passiva (‘recognition and derecognition’), waardering en resultaatbepaling, impairment, consolidatie, inrichting van balans, winst- en verliesrekening, overzicht totaalresultaat en kasstroomoverzicht, informatieverschaffing in de toelichting (‘disclosure’).
o Op basis van de verwerking van gebeurtenissen en transacties in de jaarrekening: inflatie, koersveranderingen, investeringen en desinvesteringen, fusies en overnames, aangaan van een joint venture, reorganisaties, afsluiten van contracten, betalen van belastingen, uitvoeren of aanpassen van een pensioenregeling, aantrekken van leningen, emissie van aandelen, inkoop van eigen aandelen, handel in derivaten, leasing, factoring, verkrijgen van overheidssubsidie, insolventie.
o Op basis van de (juridische) aard van de rapporterende eenheid: naamloze vennootschap, besloten vennootschap, coöperatie, onderlinge waarborgmaatschappij, stichting, vereniging, commanditaire vennootschap, vennootschap onder firma, maatschap, eenmanszaak; dan wel beursgenoteerd versus niet-beursgenoteerd.
o Op basis van de economische aard van de rapporterende eenheid: productiebedrijven, bouwbedrijven, handelsbedrijven, uitgeverijen, dienstverlenende instellingen, banken, verzekeringsmaatschappijen, beleggingsinstellingen, agrarische bedrijven, fondsenwervende instellingen, ziekenhuizen, woningcorporaties, gemeentelijke en provinciale overheid, rijksoverheid.
o Op basis van het land van vestiging van de rapporterende eenheid: verslaggevingseisen en -praktijken in diverse landen, verslaggevingsproblemen van multinationals, internationale harmonisatie.
o Op basis van het object van verslaggeving: jaarrekening en jaarverslag, tussentijdse berichten, milieuverslagen en dergelijke (zie tabel a).
o Op basis van fiscale grondslagen (samenvalregeling).
In het kader van de controle van de jaarrekening dient de accountant vanuit de diverse invalshoeken kennis en inzicht te hebben op twee niveaus:
o De Nederlandse wet- en regelgeving;
o De International Financial Reporting Standards van de IASB.
Daarnaast dient de accountant kennis te hebben van de International Financial Reporting Standards for Small-and-Medium-Sized Entities (IFRS-SME) en de mogelijke toepassing daarvan.
Voorts is voor beursgenoteerde bedrijven kennis nodig van de specifieke beursregels inzake bijvoorbeeld openbaarmaking van financiële informatie en het omgaan met koersgevoelige informatie. Dit betekent niet dat accountants alle regels paraat moeten hebben, maar wel dat zij van het bestaan van de regels afweten, dat zij op hoofdlijnen van de inhoud van de regels op de hoogte zijn en dat zij de regels begrijpen en kunnen toepassen in concrete situaties.Eindtermen
Nr Onderwerp niveau
1 Gebeurtenissen en transacties op de juiste wijze verwerken in de balans, de winst- en verliesrekening en het kasstroomoverzicht en deze op adequate wijze toelichten, met inachtneming van de Nederlandse wet- en regelgeving en IFRS. 3
2 Kennis van IFRS-SME, de mogelijke toepassing hiervan en de verschillen met full IFRS. 1
3 De formele/juridische eisen die van toepassing zijn bij de opstelling en openbaarmaking van financiële informatie voor de naamloze vennootschap en besloten vennootschap. 1
4 Enkele kenmerkende aspecten van de invloed van de juridische aard van andere rapporterende eenheden (vennootschap onder firma, commanditaire vennootschap, eenmanszaak, coöperaties en stichting) op de jaarrekening. 1
5 Enkele kenmerkende aspecten van de invloed van de economische aard van de rapporterende eenheid op de jaarrekening voor financiële instellingen, not-for-profit instellingen en overige bijzondere organisaties. 1
6 Enkele kenmerkende aspecten van de invloed van het land van vestiging van de rapporterende eenheid op de jaarrekening. 1
7 De hoofdlijnen van inhoud, rol en functie van het jaarverslag en de tussentijdse berichtgeving. 1
8 Enkele kenmerkende aspecten van milieuverslagen. 1
Financiële analyse
De controlerend accountant geeft zijn verklaring primair af ten behoeve van het maatschappelijk verkeer. Op basis van de verklaring dat de verantwoording een getrouw beeld geeft van vermogen en resultaat dient het maatschappelijk verkeer een verantwoord oordeel te kunnen vormen. Dit oordeel kan de basis zijn voor verschillende beslissingen zoals het kopen of verkopen van aandelen of het verlenen van krediet. Het is voor de accountant daarom van belang kennis te nemen van de wijze waarop professionele gebruikers in het maatschappelijk verkeer, in casu financiële analisten, tot hun oordeelsvorming komen. Daartoe is een algemene kennis nodig van de financiële analyse. Deze kennis behoeft niet diepgaand te zijn aangezien de accountant niet zelf een financieel analist is. De kennis zal vooral gericht zijn op grondslagen en algemene concepten en niet op technieken.
3.4.4. Bestuurlijke informatieverzorging
Inleiding
Dit onderdeel bevat de eindtermen voor het vakgebied Bestuurlijke Informatieverzorging als onderdeel van de theoretische opleiding tot accountant.
Aansluitend bij het zogenoemde ‘hooglerarenoverleg’ wordt het vakgebied aangeduid als Bestuurlijke Informatieverzorging (Nederland) ofwel Accounting Information Systems (internationaal). Deze termen mogen desgewenst worden aangevuld met nadere aanduidingen die per instelling verschillend kunnen zijn. Dit betekent dat aanduidingen als Organisatie van de Informatieverzorging (OIV), Interne Beheersing (IB), Internal Control (IC), Administratieve Organisatie (AO) of combinaties daarvan nog slechts gebruikt zullen worden in samenhang met de term Bestuurlijke Informatieverzorging (Accounting Information Systems).
Om de eindtermen BIV/AIS te beschrijven wordt uitgegaan van een tiental kennisdomeinen die het gehele vakgebied afdekken en wordt een vaste structuur gehanteerd die elk van de kennisdomeinen beschrijft. De volgende kennisdomeinen worden onderscheiden (tussen haakjes staan om de internationale herkenbaarheid zeker te stellen de Engelstalige aanduidingen):
K1: Mensen (People)
K2: Structuren (Structures)
K3: Processen (Processes)
K4: Efficiëntie en effectiviteit van de bedrijfsvoering (Efficiency and Effectiveness of Operations)
K5: Risicomanagement (Enterprise Risk Management)
K6: Informatie- en communicatietechnologie (Information and Communication Technology)
K7: Relevantie van informatie (Relevance of Information)
K8: Betrouwbaarheid van informatie (Reliability of Information)
K9: Bewaking van de activa van organisaties (Safeguarding of Assets)
K10: Naleving van wet- en regelgeving (Compliance with Applicable Laws and Regulations)

De tien kennisdomeinen sluiten aan bij de kennisdomeinen zoals die worden beschreven in de COSO-publicaties over Internal Control en Enterprise Risk Management. Bij het vakgebied BIV staat het aspect bestuurlijke informatie centraal. De tien kennisdomeinen worden derhalve steeds bezien vanuit de optiek van bestuurlijke informatieverzorging, maar kunnen ook bij andere vakgebieden voorkomen.
Schematisch kan dit als volgt worden voorgesteld:
  BIV   MA   IM   Overig  
K1                
K2                
K3                
K4                
K5                
K6                
K7                
K8                
K9                
K10                

De genoemde kennisdomeinen zijn derhalve ook op andere vakgebieden van toepassing. Bij elk van die vakgebieden wordt vanuit een bepaalde invalshoek naar de verschillende kennisdomeinen gekeken. Bij BIV gebeurt dit vanuit de optiek van de bestuurlijke informatieverzorging en de rol hiervan bij de beheersing van organisaties. Hierdoor zullen de accenten op de kennisdomeinen bij het definiëren van curricula verschillend zijn naargelang gesproken wordt over BIV, Management accounting, Informatiemanagement of welk ander vakgebied dan ook waarin de genoemde kennisdomeinen herkenbaar zijn.
Per kennisdomein (K) worden in dit document de scope en de eindtermen beschreven. De scope van het kennisdomein geeft een beknopte beschrijving van het vakgebied voor zover dat door het desbetreffende kennisdomein kan worden afgebakend. De eindtermen geven aan wat een student moet kennen en kunnen nadat hij het hele curriculum heeft doorlopen.K1: Mensen
De factor mens speelt in alle organisaties een dominante rol. Toegespitst op het vakgebied BIV (AIS) zien we dit terug in onder andere de volgende aandachtsgebieden:
o subjectiviteit van oordeelsvorming en dus op specifieke personen afgestemde informatieverzorging;
o het bouwen van gebruikersinterfaces voor een betere mens/machine-interactie rondom geautomatiseerde systemen;
o het beïnvloeden van het gedrag van mensen in organisaties door middel van prestatieprikkels die gebaseerd zijn op de output van het informatiesysteem;
o het beïnvloeden van de kwaliteit van informatieverzorging door de mensen in een organisatie die zich bezighouden met informatieverzorging te beïnvloeden;
o het beïnvloeden van de organisatiecultuur en meer specifiek de controleomgeving als een onderdeel van internal control dat beïnvloed wordt door management controls.
Door de factor mens te introduceren wordt een brug geslagen tussen internal control en management control. Het vakgebied BIV mag zich echter niet volledig op het terrein van management control begeven. Slechts voor zover de gedragsbeïnvloeding zoals bekend uit de management control direct of indirect van toepassing is op de kwaliteit van de informatieverzorging, behoren management controls tot het domein van de BIV.Eindtermen
Nr Onderwerp niveau
1 De wederzijdse beïnvloeding tussen internal control en management control. 1
2 De effecten van prestatieprikkels op de controleomgeving. 1
3 De effecten van maatregelen van interne beheersing op het gedrag van mensen in organisaties en de daaruit voortvloeiende informatiebehoeften en behoefte invloed op de verantwoordingsinformatie uit te oefenen. 2
4 Het belang van de controleomgeving en ethisch gedrag van mensen voor de internal control en frauderisico. 2
5 Een beheersingssysteem beoordelen dat zowel elementen van internal control als elementen van management control in een goede onderlinge balans omvat. 3
K2: Structuren
In de context van het vakgebied BIV hebben structuren betrekking op het organiseren van arbeid bij het uitvoeren van informatieverzorgende processen. Processen kunnen worden geclusterd naar taken, taken naar functies en functies naar organisatorische eenheden. Hieraan liggen bepaalde mechanismen ten grondslag die de efficiëntie en de effectiviteit van de bedrijfsvoering beïnvloeden, alsmede de betrouwbaarheid van de informatie. Er moet een gedegen basiskennis zijn op het terrein van de organisatiekunde en meer specifiek de ontwerpparameters van organisaties, omdat organisaties de randvoorwaarden vormen waarbinnen beheersingssystemen worden ontwikkeld.E2: Eindtermen
Nr Onderwerp niveau
1 De wederzijdse beïnvloeding tussen de organisatiekunde, systemen van interne beheersing en de daarbij passende bestuurlijke informatieverzorging. 1
2 De verschillen tussen controletechnische functiescheiding en arbeidsverdeling. 2
3 De zwakke en sterke punten van bepaalde organisatiestructuren en de betekenis daarvan voor de beheersingssystemen en informatiesystemen van organisaties. 1
4 De relatie tussen organisatiestructuren, informatiebehoeften en informatiestromen. 2
5 De basiskenmerken van een informatiesysteem beschrijven dat aansluit bij de organisatiestructuur van verschillende typen organisaties. 2
6 Een bestuurlijk informatieverzorgingssysteem ontwerpen dat aansluit bij de organisatiestructuur van verschillende typen organisaties. 3
K3: Processen
In de context van het vakgebied BIV zijn de volgende functionele processen van belang:
inkopen (tot en met betaling), opslag, productie, verkopen (tot en met incasso), human resource management, administreren, investeren in vaste activa en geldbeheer.
Onder invloed van allerlei managementmodes zoals business process reengineering (BPR) en de opkomst van organisatiebrede informatiesystemen zoals ERP, kiezen steeds meer organisaties voor het loslaten van functionele processen. In plaats daarvan wordt een geografische, product of marktoriëntatie gekozen. Dit leidt soms tot minder mogelijkheden voor controletechnische functiescheiding (in traditionele zin) en verbandscontroles maar anderzijds tot een betere bedrijfsvoering. Er moet hier een afweging worden gemaakt tussen de mate van procesoriëntatie en de mogelijkheden tot traditionele maatregelen van interne beheersing.E3: Eindtermen
Nr Onderwerp niveau
1 De kenmerken van XBRL en van BPR en de relatie tussen BPR en ERP. 1
2 De gevolgen van BPR voor de interne beheersing en de bijbehorende bestuurlijke informatie. 1
3 De wijze waarop processen kunnen worden ontworpen. 1
4 De relatie tussen standaardprocessen, standaardtypen van organisaties en de bijbehorende informatiebehoeften en informatiestromen. 1
5 De relaties tussen verschillende processen in organisaties beschrijven aan de hand van criteria op het terrein van de interne beheersing en informatiestromen. 2
6 De afweging maken tussen een procesoriëntatie en een traditionele functionele structuur op basis van criteria op het terrein van de interne beheersing. 3
7 Een bestuurlijke informatieverzorging ontwerpen (inclusief de relevante beheersingsmaatregelen) die aansluit bij de processen in organisaties. 3
K4: Efficiëntie en effectiviteit van de bedrijfsvoering
Effectiviteit van de bedrijfsvoering betekent dat de organisatiedoelstellingen worden gehaald. Hierover worden afspraken gemaakt door de organisatiedoelstellingen te kwantificeren. Als deze gekwantificeerde doelstellingen worden gehaald, dan is er sprake van een effectieve bedrijfsvoering. Efficiëntie van de bedrijfsvoering betekent dat de activiteiten in een organisatie om de organisatiedoelstellingen te halen tegen de laagst mogelijke kosten worden uitgevoerd. Wat de laagst mogelijke kosten zijn, is echter in veel gevallen niet bekend, dus worden hierover vaak eveneens afspraken gemaakt in de vorm van procedures en kostendoelstellingen. Als deze procedures worden nageleefd of als deze kostendoelstellingen worden gehaald dan is er sprake van een efficiënte bedrijfsvoering.
Als een organisatiedoelstelling is de kosten te minimaliseren met in acht name van productie- of verkoopdoelstellingen (‘cost leadership stategy’), dan vallen efficiëntie en effectiviteit samen omdat dan verbeteringen van de efficiëntie en de effectiviteit simultaan kunnen worden gerealiseerd. In alle andere gevallen moeten efficiëntie en effectiviteit desalniettemin in onderlinge samenhang worden bekeken omdat er steeds een uitwisseling tussen beide kan plaatsvinden: een hogere gewenste effectiviteit (het doel beter realiseren) moet leiden tot een lagere gewenste efficiëntie (hogere kosten accepteren) en andersom. In essentie gaat het bij efficiëntie en effectiviteit van de bedrijfsvoering om het minimaliseren van het risico dat beslissingen worden genomen die de realisatie van de organisatiedoelstellingen negatief beïnvloeden.E4: Eindtermen
Nr Onderwerp niveau
1 COSO-ERM model. 1
2 De betekenis van de begrippen efficiëntie en effectiviteit van de bedrijfsvoering. 1
3 De maatregelen van interne beheersing die bijdragen aan het in stand houden dan wel verbeteren van de efficiëntie en effectiviteit van de bedrijfsvoering. 1
4 De interactie tussen internal controls en management controls bij het in stand houden dan wel verbeteren van de efficiëntie en effectiviteit van de bedrijfsvoering. 2
5 De betekenis van informatieverzorging en daarbij in te zetten IT voor het in stand houden dan wel verbeteren van de efficiëntie en effectiviteit van de bedrijfsvoering. 1
6 De wijze waarop interne beheersingsmaatregelen kunnen worden ingezet bij het implementeren van de strategieën van organisaties. 1
7 De factoren die bijdragen aan een verbeterde efficiëntie en effectiviteit van de gegevensverwerkende en rapportage processen. 1
8 Het belang van een goede documentatie van beheersingsmaatregelen gericht op de efficiëntie en effectiviteit van de bedrijfsvoering. 1
9 De beheersingsmaatregelen die bijdragen aan de efficiëntie en effectiviteit van het administratief (accounting) proces. 3
10 Een beheersingssysteem ontwerpen dat bijdraagt aan de efficiëntie en effectiviteit van de informatieverzorging. 3
K5: Risicomanagement
Risicomanagement (ERM) is een proces dat geëffectueerd wordt door het management en de medewerkers van een organisatie, dat wordt toegepast bij het formuleren en implementeren van strategieën, dat er op is gericht gebeurtenissen die een negatief effect kunnen hebben op het bereiken van de organisatiedoelstellingen tijdig te signaleren en passende maatregelen te treffen die aansluiten bij de risicohouding van de organisatie. Uiteindelijk moet ERM ervoor zorgen dat een redelijke zekerheid wordt verkregen dat de organisatiedoelstellingen worden gehaald.E5: Eindtermen
Nr Onderwerp niveau
1 Het belang van een systematische aanpak van risicomanagement. 1
2 COSO-ERM model. 1
3 De modellen van ERM en de verschillende risicoclassificaties die gebruikt worden. 1
4 De relatie tussen ERM, interne beheersing, corporate governance en de rol van informatieverzorging daarin. 3
5 Verschillende typen risico’s benoemen op het gebied van strategie, de bedrijfsprocessen, rapportageprocessen en de mate waarin wordt voldaan aan wet en regelgeving. 3
6 Risico’s op het terrein van de informatieverzorging in kaart brengen voor verschillende typen organisaties. 3
7 Informatierisico’s uitwerken naar interne betrouwbaarheids-maatregelen. 3
8 Beoordelen of bedrijfsrisico’s systematisch zijn geanalyseerd en of er systemen zijn om bedrijfsrisico’s systematisch te analyseren. 3
K6: Informatie- en communicatietechnologie
Informatie- en communicatietechnologie (IT) heeft betrekking op de media die worden gebruikt om informatie te verzorgen en te communiceren. IT bestaat uit IT-infrastructuur en IT-applicaties. Daarnaast moet het IT-domein gemanaged worden en moet ook op het IT-domein de strategie van een organisatie bepaald worden. Aangezien in grotere organisaties vrijwel alle informatieverzorging en communicatie met behulp van IT plaatsvindt, is het van belang dat de effecten van IT op de informatieverzorging bekend zijn en dat de maatregelen die kunnen bijdragen aan een betere beheersing van de IT zélf eveneens bekend zijn. Hiervoor is geen gedetailleerde technische kennis van IT nodig, maar moet er wél een gedegen kennis van de functionaliteit van een breed scala van IT-toepassingen zijn. Daartoe moet er tevens een basiskennis zijn van het gangbare IT-jargon.E6: Eindtermen
Nr Onderwerp niveau
1 Na afronding van de opleiding heeft de student kennis van de gevolgen van veranderingen in de IT-infrastructuur voor zover van betekenis voor: ? de betrouwbaarheid van de bestuurlijke informatieverzorging ? de informatie over de effectiviteit en efficiëntie van de bedrijfsvoering ? de informatie over de naleving van relevante wet- en regelgeving 1 1 1
2 Na afronding van de opleiding heeft de student inzicht in de gevolgen van veranderingen in IT-applicaties voor zover van betekenis voor: ? de betrouwbaarheid van de bestuurlijke informatieverzorging ? de informatie over de effectiviteit en efficiëntie van de bedrijfsvoering ? de informatie over de naleving van relevante wet- en regelgeving 1 1 1
3 Na afronding van de opleiding heeft de student inzicht in de gevolgen van veranderingen in IT-management voor zover van betekenis voor: ? de betrouwbaarheid van de bestuurlijke informatieverzorging ? de informatie over de effectiviteit en efficiëntie van de bedrijfsvoering ? de informatie over de naleving van relevante wet- en regelgeving 1 1 1
4 Na afronding van de opleiding heeft de student inzicht in de gevolgen van veranderingen in de IT-strategie voor zover van betekenis voor: ? de betrouwbaarheid van de bestuurlijke informatieverzorging ? de informatie over de effectiviteit en efficiëntie van de bedrijfsvoering ? de informatie over de naleving van relevante wet- en regelgeving 1 1 1
5 Na afronding van de opleiding kan de student een adequaat IT-control systeem ontwerpen voor zover van betekenis voor: ? de betrouwbaarheid van de bestuurlijke informatieverzorging ? de informatie over de effectiviteit en efficiëntie van de bedrijfsvoering 3 2
K7: Relevantie van informatie
Informatie is relevant als ze het besluitvormingsproces, het proces van delegatie en het afleggen van verantwoording dan wel het functioneren van de organisatie beïnvloedt. Relevantie kan nader worden onderverdeeld in nauwkeurigheid, tijdigheid en begrijpelijkheid. Informatie is nauwkeurig als ze de norm (de werkelijk uitgevoerde activiteiten dus) binnen een door de ontvanger te stellen bandbreedte, weergeeft. Dit betekent dat de mate van nauwkeurigheid toeneemt naarmate de bandbreedte waarin informatie wordt verstrekt kleiner wordt. Informatie is tijdig als ze op een zodanig tijdstip wordt verstrekt dat ze het besluitvormingsproces kan beïnvloeden. Informatie is begrijpelijk als ze in een zodanig formaat wordt gepresenteerd dat de gebruiker haar in zich kan opnemen en verwerken, en als ze zodanig is samengesteld dat ze eenduidig interpreteerbaar is.E7: Eindtermen
Nr Onderwerp niveau
1 De betekenis van het begrip relevantie van informatie. 1
2 De maatregelen van interne beheersing die bijdragen aan het verstrekken van relevante informatie. 3
3 De risico’s die de relevantie van informatie bedreigen. 3
4 Informatieanalyse. 2
5 Vaststellen op hoofdlijnen welke bestuurlijke informatie nodig is voor besluitvorming, delegatie, verantwoording en het doen functioneren van verschillende typen organisaties. 3
K8: Betrouwbaarheid van informatie
Betrouwbaarheid, ofwel ‘reliability’, van informatie betekent dat de informatie een getrouw beeld geeft van de werkelijkheid, die bestaat uit de bedrijfsprocessen in organisaties. Betrouwbaarheid kan nader worden onderverdeeld in validiteit (juistheid), accuratesse en volledigheid. Informatie is niet valide ofwel onjuist als ze te hoog is ten opzichte van de norm. Informatie is onvolledig als ze te laag is ten opzichte van de norm. Informatie is niet accuraat als ze andere fouten bevat dan juistheids- of volledigheidsfouten, waaronder rekenfouten en overnamefouten. In de bedrijfsprocessen worden gegevens verzameld en vastgelegd ter verwerking in de centrale database van de organisatie. Betrouwbaarheid van informatie en de wijze waarop gegevens worden vastgelegd in de database van de organisatie kunnen dus niet los worden gezien van elkaar. Er moet hier een juiste mix worden gemaakt van gebruikerscontroles (handmatige controles op de invoer en uitvoer), toepassingscontroles (controles in de diverse applicaties) en algemene computercontroles (controles op het beheer van het informatiesysteem).E8: Eindtermen
Nr Onderwerp niveau
1 De betekenis en het belang van het betrouwbaarheidsconcept. 1
2 De beheersingsmaatregelen die leiden tot betrouwbare financiële en niet-financiële informatie (interne betrouwbaarheidsmaatregelen). 3
3 De betekenis van datamodellering voor de betrouwbaarheid van informatie. 1
4 Het belang van een goede documentatie van beheersingsmaatregelen gericht op de betrouwbaarheid van informatie (interne betrouwbaarheidsmaatregelen). 1
5 De werking van gebruikerscontroles, toepassingscontroles en algemene computercontroles. 3
6 Een beheersingssysteem ontwerpen dat bijdraagt aan de betrouwbaarheid van informatie. 3
7 De interne betrouwbaarheidsmaatregelen die in een praktijksituatie worden aangetroffen documenteren. 2
8 Een normatieve beschrijving maken van in een bepaalde praktijksituatie. noodzakelijke interne betrouwbaarheidsmaatregelen. 3
9 Vaststellen welke gegevens moeten worden vastgelegd om de gewenste informatie, met de gewenste betrouwbaarheid te kunnen verzorgen. 3
10 De procedures beoordelen die ten grondslag liggen aan prognoses. 3
11 Bepalen hoe geaggregeerde grootheden uit een grootboek of dagboek zijn opgebouwd. 3
12 Adviseren over welke gebruikerscontroles, toepassingscontroles en algemene computercontroles in een bepaalde situatie toepasbaar zijn. 3
K9: Bewaking van de activa van organisaties
Bewaking van de activa van een organisatie betekent dat er op wordt toegezien dat geen activa (inclusief data) ongeoorloofd de organisatie verlaten. Dit betekent enerzijds dat maatregelen moeten worden getroffen dat er geen diefstal plaatsvindt en anderzijds dat goederen die geleverd zijn ook worden gefactureerd opdat er een geldstroom tegenover komt te staan.E9: Eindtermen
Nr Onderwerp niveau
1 De betekenis en het belang van bewaking van de activa van een organisatie. 1
2 De maatregelen van informatiecontrole die ertoe leiden dat geen activa ongeoorloofd de organisatie verlaten. 2
3 Een beheersingssysteem ontwerpen incl. de bijbehorende bestuurlijke informatie dat bijdraagt aan de bewaking van de activa van verschillende typen organisaties. 3
K10: Naleving van wet- en regelgeving
Beheersingsmaatregelen die betrekking hebben op de naleving van relevante wet- en regelgeving (ofwel ‘compliance’) gaan niet in detail in op de inhoud van de desbetreffende wetten en regels, behalve als het om wetten en regels gaat die expliciete voorschriften geven voor interne beheersing zoals de Sarbanes Oxley act en de Code Tabaksblat. De naleving van relevante wet- en regelgeving heeft nadrukkelijk geen betrekking op de naleving van interne procedures omdat dit wordt afgedekt in het kennisdomein ‘Efficiëntie en effectiviteit van de bedrijfsvoering’.
3.4.5.1. Boekhouden
Doelstelling
De kandidaat heeft kennis van het boekhoudkundige model en de grootboekrekeningen en is in staat een eenvoudige administratie met financiële instrumenten te voeren. De kandidaat heeft de kennis om een balans en een resultatenrekening op te stellen en de permanence te verwerken in de boekhouding. De kandidaat heeft inzicht in het systematisch verzamelen, vastleggen, verwerken en verstrekken van financiële informatie ten behoeve van het besluitvormingsproces binnen en buiten de organisatie alsmede ten behoeve van de verantwoording die over de financiële aspecten van de bedrijfsvoering wordt afgelegd. De kandidaat heeft daartoe inzicht in de administratieve verwerking van financiële feiten met betrekking tot afdelingen en activiteiten. Daarbij dient de kandidaat ook de comptabele aspecten van de relaties tussen afdelingen en activiteiten te begrijpen en deze te kunnen vertalen in journaalposten.
De kandidaat dient een referentiekader te hebben opgebouwd om:
o verslaggevingsproblemen in voldoende mate te kunnen onderkennen en daarvoor ook een comptabele oplossing te kunnen aangeven;
o voldoende vaardig te zijn om in concrete situaties comptabele problemen en cases op het gebied van financial accounting te analyseren en op te lossen;
o over voldoende inzicht in financial accounting te beschikken om te komen tot gemotiveerde beslissingen;
o veranderende regelgeving te doorgronden en toe te passen;
o inzicht te hebben in het werken binnen een geautomatiseerde omgeving.
3.4.5.2. Management Accounting
Binnen het vakgebied Management Accounting kunnen de onderdelen Management Accounting en Management Control onderscheiden worden.Doelstelling Management Accounting
De kandidaat heeft een kritische houding ontwikkeld, zodat deze zinvol kan participeren in de beoordeling van de praktijk van besluitvorming, planning en control in organisaties. Daarnaast heeft de kandidaat inzicht in meer geavanceerde instrumenten zoals bijvoorbeeld activity-based management, customer profitability, quality control, planningvraagstukken, budgettering en verschillenanalyse.Eindtermen Management Accounting
Nr Onderwerp niveau
1 Diverse kostenbegrippen en kostenbepalingsmodellen. 1
2 Diverse planning & control instrumenten. 2
3 De effectiviteit van bovenstaande instrumentaria kunnen beoordelen voor de interne besluitvorming en beheersing van organisaties. Hierbij dient aandacht te worden gegeven aan de rol van risico en onzekerheid. 3
4 Kennis en toepassing van complexe instrumenten, bijvoorbeeld: ? methoden van strategische en operationele planning; ? budgettering (acitivity-based, flexibel, en beyond budgeting methoden); ? het schatten en analyseren van lineaire en niet-lineaire kostenfuncties; ? Het toepassen van methoden van toerekening van indirecte kosten, waaronder ABC en time-driven ABC; ? maatregelen van kostenbeheersing; ? verschillenanalyses. 2
5 Inzicht in geavanceerde toepassingen (integratie met andere managerial disciplines), bijv.: ? activity-based management; ? customer profitability analysis; ? optimalisatie van operationele processen op kwaliteit en tijd. 1
6 De effectiviteit van planning en control instrumenten kunnen beoordelen als het in samenhang wordt gehanteerd en in staat zijn om op een integrale wijze een combinatie van instrumenten toe te passen. 3
Doelstelling Management Control
De kandidaat heeft inzicht in stuur- en beheersingsvraagstukken in en tussen organisaties. De kandidaat kan een deskundig oordeel geven over het functioneren van bestaande
management-controlsystemen. Tot dit deskundige oordeel behoort tevens de advisering ter verbetering van het management-controlsysteem.
3.4.5.3. Financieel Management/Financiering
Binnen het vakgebied Financieel Management/Financiering kunnen de volgende onderdelen worden onderscheiden: Financiële Rekenkunde, Ondernemingsfinanciering, Vermogensmarkten, Financieel Management en Financiering.Doelstelling Financiële Rekenkunde
De kandidaat kan rekentechnieken die op verschillende momenten, bij verschillende vakgebieden, in het curriculum benodigd zijn toepassen. De kandidaat kan problemen herkennen en heeft kennis van de technieken die benodigd zijn om de rekenkundige aspecten van het probleem op te lossen. De kandidaat kan de techniek van het waarderen van kasstromen die op ongelijke momenten in de toekomst vrijvallen toepassen.
1. Eindtermen Financiële Rekenkunde
Nr Onderwerp niveau
1 Rijen: principe en praktische toepassingen van de rekenkundige, meetkundige en gemengd meetrekenkundige rij. 1
2 Tijdvoorkeur: verschil in waardering tussen tegenwoordige en toekomstige euro’s. 2
3 Interest: ? compensatie voor de tijdvoorkeur; ? onderscheid interest en disconto; ? onderscheid enkelvoudige en samengestelde interest; ? berekeningen met enkelvoudige (zeer beperkt) en samengestelde (uitgebreid) interest met één of meerdere kapitalen; ? equivalente interestpercentages bij verschillende perioden waarover de interest wordt genoteerd; ? berekeningen met renten, zowel gelijkblijvende als veranderlijke renten; ? berekeningen met renten waarbij de periode waarover de interest wordt genoteerd afwijkt van de periode tussen de termijnen; ? berekeningen met annuïteiten. 2
4 Internationale symbolen, de verbanden tussen de symbolen en de berekeningen zonder gebruik te maken van de interesttafels. 1
5 Toepassing principes van financiële rekenkunde (met behulp van bijv. spreadsheets) in het kader van beslissingscalculaties (bijvoorbeeld investeringsanalyse, make-or buy, vervanging) en waarderingen (leasecontracten en leningen). 2
2. Eindtermen Ondernemingsfinanciering
Nr Onderwerp niveau
A Ondernemingsfinanciering  
1 Kenmerken Eigen- en Vreemd Vermogen (bankkrediet /obligatielening) als basisfinanciering voor een onderneming. 2
2 Alternatieve financieringsvormen (securitisatie, activa based VV, cash flow based VV, hybride vermogensvormen). 2
3 Theorieën/visies m.b.t. kapitaalstructuur (optimale vermogensstructuur). 2
4 Relatie tussen financieringsstructuur en levensfase, sector, omvang en eigendomsverhouding (beursgenoteerd bedrijf versus MKB onderneming). 2
5 Dividendbeslissing (dividend uitkering versus herinvestering). 2
B Pricing van financieringsinstrumenten  
5 Risico en rendement (de principes). 2
6 Kosten eigen vermogen (bepaling kosten eigen vermogen, CAPM, beta (un)levered, build-up methode). 3
7 Kosten vreemd vermogen (vertaalslag van kredietrisico, kredietratings, naar kredietrisico opslag). 3
8 Bepaling van de vermogenskostenvoet (WACC): – opstellen van een marktwaardebalans voor een onderneming; – keuze weging van de WACC op basis van marktwaarde of boekwaarde. 3
9 Waarderen van (financiële) opties in vermogenstitels (call en put opties, Black Scholes). 1
3. Eindtermen Vermogensmarkten
Nr Onderwerp niveau
C Markt voor ondernemingsfinanciering  
1 Kengetallenanalyse voor een onderneming (perspectief op onderneming van buitenaf). 2
2 Bank financiering: Basel II en III, zekerheden, kredietratings, (MKB) financieringsaanvraag. 2
3 Publieke en private markt VV financiering. 2
4 Publieke en private markt EV financiering (venture capital, private equity, hedgefund, beurs, verhandeling minderheidspakketten, claimemissie etc.). 2
D Koppeling incentives aan de markt  
5 Efficiënte Markt Hypothese en invloed van psychologie aan prijsvorming en de beperkingen daarvan. 1
6 Economische werking van aandelenparticipatie, optiebeloning (voor bestuur/ management/werknemers). 1
4. Eindtermen Financieel Management
Nr Onderwerp niveau
E Werkkapitaal / liquiditeiten management  
1 Financiële analyse werkkapitaal / liquiditeit (kengetallen, Cash conversion cycle). 3
2 Voorraadbeheer (basistechnieken van voorraadbeheer, JIT). 1
3 Debiteuren en Crediteuren management. 2
4 Cash management. 2
F Korte termijn financiering  
5 Korte termijn financieringsinstrumenten (kredietlijnen, financiering uit werkkapitaal etc.). 2
G Risico Management  
6 Analyse en beleid t.a.v. financiele risico's (treasury statuut). 1
7 Financiële risico's: verzekeringsrisico's, treasury risico's en financieringsrisico's. Mogelijkheden voor kwantificering en bepaling van de risicoposities vaneen onderneming voor elk van deze risico's. 2
8 (Statistische) kwantificering van risico's: standaard deviatie, VAR, duration (aansluiting op eindtermen Statistiek). 2
9 Derivaten voor afdekking van treasury risico’s: rente, valuta, en commodities): termijncontracten, FRAs, SWAP, valuta- en renteopties. 2
10 Pricing van termijncontracten, FRAs en SWAP’s. 2
H Investeringsbeslissingen  
11 Instrumenten ter beoordeling van investeringsvoorstellen. 2
12 Reële opties. 1
I Waardering van ondernemingen en financiële activa  
13 Ondernemingswaardering (DCF, APV, rentabiliteitsmethode, ratio's, directe en indirecte methode). 3
14 Impact liquiditeit(srisico) en control op transactiewaarde. 1
15 Fair value berekeningen (componenten EV, VV en activa op de balans). 2
3.4.5.4. Management & Organisatie
Doelstelling
De kandidaat heeft kennis van en inzicht in het vakgebied Management & Organisatie. De kandidaat heeft inzicht in organisaties als vorm van doelgericht menselijk samenwerken en op de manier waarop daaraan leiding wordt gegeven. De kandidaat dient over een zodanig niveau van kennis en inzicht te beschikken dat hij deze in de praktijk van de accountant kan toepassen bij onder andere:
o de opzet van een controleplan (onderscheiden van relevante bedrijfsonderdelen en verbindingen daartussen en de afgrenzing met partijen daarbuiten);
o het doorgronden van bestaande verdelingen in taken, bevoegdheden en verantwoordelijkheden en het opmerken van mogelijke gebreken daarin;
o het herkennen van problemen in de organisatie die vanuit de verantwoordelijkheid van de accountant gezien vragen om signalering en advisering, zoals mogelijke fraudegevoelige relaties;
o het opstellen van een zgn. management letter, in aanvulling op de accountantsverklaring, waarin de directie op specifieke misstanden dan wel verbeterpunten kan worden gewezen.
3.4.5.5. Corporate Governance
Doelstelling
De kandidaat dient in staat te zijn om Corporate Governance en de ontwikkelingen hierin vanuit verschillende invalshoeken te kunnen belichten en nader uit te werken. De kandidaat heeft inzicht in Corporate Governance binnen een organisatie, waaronder die activiteiten van het (top) management die leiden tot een intern beheersingssysteem dat:
? waarborgen biedt voor het realiseren van de bedrijfsdoelstellingen;
? de integriteit van het interne en externe verslaggevingsproces bewaakt;
? de naleving van interne en externe wet- en regelgeving bewaakt.
Voorts dient de rol van de accountant aan de orde te komen waaronder begrepen toetsing en communicatie.
3.4.6.1. Recht
Doelstelling
De accountant zal bij de wettelijke controle zich bewust moeten zijn van de juridische omgeving waarin hij opereert. Hij zal gedegen kennis moeten hebben van de verantwoordelijkheden, bevoegdheden en aansprakelijkheden van de personen en organen van rechtspersonen waarmee hij te maken krijgt. Hij zal daarom een gedegen kennis van het ondernemingsrecht moeten hebben. De verantwoordelijkheden en aansprakelijkheden van betrokkenen kunnen in het kader van dreigende discontinuïteit ingrijpend wijzigen. De accountant dient dan ook bekend te zijn met de belangrijkste aspecten van het faillissementsrecht. Hij moet situaties die om extra aandacht vragen kunnen onderkennen.
De accountant neemt bij zijn controle economische verschijnselen waar die vrijwel steeds in een juridische vorm aan hem kenbaar worden. De accountant zal dus in staat moeten zijn deze juridische verschijnselen op een adequate wijze te duiden en te interpreteren. Daarvoor is het kunnen toepassen van kennis m.b.t. het goederenrecht en het verbintenissenrecht noodzakelijk. Met name zal hij in staat moeten zijn overeenkomsten en akten te lezen en te interpreteren mede in de context van de jurisdictie waarin hij de accountantstaak uitvoert. De laatstgenoemde voorwaarde houdt in dat de accountant ook op de hoogte is van de algemene kenmerken van het Nederlandse rechtssysteem en de wijze waarop de verschillende overheidsorganen met juridische bevoegdheden zijn bekleed.
Omdat veel accountants ook in een internationale context operen is het noodzakelijk dat de accountant ook op hoofdlijnen kennis draagt van de verschillen tussen de belangrijkste rechtssystemen en de wijze waarop het Europees recht tot stand komt, de wijze waarop dit invloed heeft op het recht van de lidstaten van de EU en de wijze van handhaving van dit recht.
De accountant komt bij zijn werkzaamheden in aanraking met vragen ter zake van het arbeidsrecht en het sociale verzekeringrecht. Van de accountant wordt in het algemeen verwacht dat hij kennis draagt van de hoofdlijnen van dit recht. Hij zal bij de wettelijke controle moeten kunnen vaststellen of aan de bepalingen van deze wetgeving op hoofdlijnen is voldaan en moeten kunnen signaleren wanneer nader onderzoek nodig is.
3.4.6.2. Belastingrecht
Doelstelling
De kandidaat heeft kennis en inzicht over wanneer loon en omzetbelastingen (LB/OB) worden geheven en hoe ze in grote lijnen werken en dient in staat te zijn om zelfstandig, met gebruikmaking van de wettekst, oplossingen te vinden voor praktijkproblemen.
Op de gebieden van inkomstenbelasting en vennootschapsbelasting (IB/Vpb) staat de belastingproblematiek rond de onderneming centraal.
Onder meer de volgende onderwerpen komen aan de orde:
o het winst- en kapitaalbegrip, de jaarwinstbepaling en de problematiek betreffende onttrekkingen, uitdelingen en informele kapitaalstortingen;
o grotere lichamen en conglomeraten, waarbij ruim aandacht wordt besteed aan de deelnemingsvrijstelling en de fiscale eenheid;
o andere ondernemingen: de eenmanszaak en de werkmaatschappij met haar dga;
o de betekenis van horizontaal toezicht.
3.4.6.3. Algemene Economie
Doelstelling
De kandidaat verkrijgt kennis en inzicht in de micro- en macro-economie, afzonderlijk en in hun samenhang als ook de internationale dimensie van de economische vraagstukken zoals de impact van globalisering, valutarisico’s en wisselkoersen.
3.4.6.4. Levensverzekeringswiskunde en Statistiek
Binnen dit vakgebied worden in het kader van de accountantsopleiding de onderdelen Levensverzekeringswiskunde en Statistiek onderscheiden. Voor deze onderdelen wordt uitgegaan van een in de vooropleiding verworven basiskennis op ten minste HAVO/VWO Wiskunde A of B niveau.Doelstelling Levensverzekeringswiskunde
De kandidaat kan de actuariële berekeningen van levensverzekerings- en pensioenverplichtingen in de jaarrekening globaal beoordelen.Eindtermen
Nr Onderwerp niveau
1 Verschillende verschijningsvormen van levensverzekeringen en in het bijzonder pensioenverzekeringen. 1
2 Aspecten van levensverzekeringen zoals interest, leeftijdterugstelling, sterftetabellen, eerste en/of doorlopende kosten, voorziening verzekeringsverplichtingen en backservice. 1
3 Inzicht in actuariële berekeningen, zoals de Projected Unit Credit Method. 1
Doelstelling Statistiek
De kandidaat verkent de kwantitatieve methoden en technieken waarvan kennis voor de toekomstige accountant noodzakelijk is als hulpmiddel voor accountantswerkzaamheden met name statistische steekproeven en cijferanalyses, alsmede het verkrijgen van enige praktische vaardigheid in het toepassen hiervan. De gehanteerde methoden en technieken bieden de mogelijkheid tot het verzamelen, weergeven, analyseren en interpreteren van economische gegevens, het toetsen van veronderstellingen, het bepalen van de steekproefomvang, het doen van voorspellingen en het beslissen onder onzekerheid.
4. Mkb component in de AA-opleiding
De MKB component krijgt reeds inhoud bij de onder 3.4. vermelde vakgebieden. Daarnaast bestaat voor de AA-opleiding behoefte aan een nadere beschrijving van eindtermen die specifiek de kennis van het midden- en kleinbedrijf omvatten, welke hierna is opgenomen. Het onderdeel kennis van het midden- en kleinbedrijf bestaat uit twee vakgebieden, te weten:
? Fiscale Advisering voor het MKB als aanvulling op het onderdeel belastingrecht uit de ondersteunende vakgebieden;
? Strategisch Management voor het MKB.
4.1. Fiscale advisering voor het MKB
Doelstelling
De kandidaat moet in staat zijn de belastingaangiften van de ondernemer en de onderneming in het midden- en kleinbedrijf te kunnen verzorgen. Hij moet in staat zijn bij zijn adviserend optreden in een voor leken begrijpelijke taal de fiscale kwesties uit te leggen zodat zijn adviezen duidelijk overkomen.
4.2. Strategisch Management voor het MKB
Doelstelling
De kandidaat dient kennis te hebben van de macro-economische betekenis van het MKB, de typering van de ondernemingen daarin en de problematiek die annex is aan de bedrijfsvoering in het MKB. De kandidaat moet in staat zijn alle zaken te onderkennen die verband houden met de bedrijfsvoering van een onderneming, de cliënt daarover te kunnen informeren en waar nodig bij te staan. Daartoe zal hij over een hoog kennisniveau moeten beschikken van de in de eindtermen genoemde onderwerpen.
Toegespitst, zal de kandidaat kennis en vaardigheden moeten verkrijgen ter zake:
o de belangrijkste regels en wetten die gelden voor het MKB;
o abstract denken, waarmee de positie van de onderneming in het MKB wordt bepaald;
o typering van het MKB in kwantitatieve en kwalitatieve zin;
o de levenscyclus van een onderneming in het MKB;
o het management in het MKB;
o de maatschappelijke aspecten van het ondernemerschap in het MKB;
o commerciële randvoorwaarden voor het functioneren van het MKB;
o marketinginstrumenten van de onderneming in het MKB;
o de (volledige) inhoud van een ondernemingsplan van een onderneming in het MKB.Eindtermen BW2 -207c
Nr Onderwerp niveau
1 Ondernemen in het MKB: ? ondernemerschap in het MKB: ondernemingsplan; ? management in het MKB: strategievorming in de praktijk; informatie als productiefactor; veranderingsfactoren; verkrijging van informatie; planning; (persoonlijke) faalfactoren; risicomanagement; turn-around-management; verandermanagement en kennismanagement. 3
2 Marketingaspecten voor het MKB: ? commerciële randvoorwaarden voor het functioneren van ondernemingen in het MKB: omgevingsfactoren; de DESTEP-methode (een methode om niet-beïnvloedbare omgevingsfactoren goed in beeld te krijgen); consumentenmarkt versus industriële markt; het strategieontwikkelings-model voor kleine bedrijven: een praktische toepassing van kritieke succesfactoren, kritieke bedrijfsprocessen, SWOT-analyse, BBS, etc.; marketinginstrumenten in het MKB. 3
3 Investeren en financieren in het MKB: ? investerings(begeleidings)aspecten: selectie, evaluatie en begroting in het MKB, overschrijdingsproblematiek, duurzaam investeren; ? advisering bij financieringsaanvraag; ? stimuleringssubsidies in het MKB; ? bijzondere financieringsvormen in het MKB; ? betalingscapaciteitsmarge: berekenen van de leencapaciteit. 3
4 Fusie en overname in het MKB ? levenscyclus van bedrijven en formules in het MKB: start; groei; opvolging en opvolgingsproblematiek, familieondernemingen; ? due-diligence onderzoek; management buy-in en buy-out; waarderingen van bedrijven; ? juridische (samenwerkings)vormen: keuzemogelijkheden; joint ventures; fusies; publiek private samenwerking; bij de B.V. m.n.: concernstructuur; doeloverschrijding; tegenstrijdig belang; ; anti misbruik wetgeving (zoals WKA, WBA, WBF). 3
1
Voor zover deze opleidingen niet zijn geaccrediteerd overeenkomstig artikel 5.10 Whw 2
Voor de leesbaarheid is gekozen voor de mannelijke vorm. Waar ‘hij’ staat kan ook ‘zij’ gelezen worden. 3
Eindtermen zijn niet hetzelfde als onderwijsleerdoelen. Eindtermen beschrijven het ‘eindproduct’ van de opleiding, het niveau van functioneren op het moment van kwalificatie. Onderwijsleerdoelen beschrijven de weg waarlangs de eindtermen bereikt (zouden) kunnen worden. 4
Artikel 8 van Richtlijn 2006/43/EG betreffende de wettelijke controle van jaarrekeningen en geconsolideerde jaarrekeningen, van 17 mei 2006 beschrijft de vakgebieden. 5
Rapport van de Commissie Van Zutphen ‘Het theoretische gedeelte van de opleiding tot registeraccountant, een aanzet voor een curriculum’, Amsterdam, 1996. 6
De ontwerp verordening op het beroepsprofiel van de registeraccountant van het NIVRA van 1 september 2006 is nog in bespreking en zal, naar verwachting in het voorjaar van 2008, ter vaststelling aan de ledenvergadering van het NIVRA worden voorgelegd. Mede in dat kader is het NIVRA voornemens de academische master als vereiste in het beroepsprofiel op te nemen. De CEA maakt daarom ten behoeve van de vastgestelde eindtermen een voorbehoud ter zake de vaststelling van het beroepsprofiel door de ledenvergadering van het NIVRA.